• Pokdalig

    Er ligt een man in spierwit pak met blauwe schoenen op een bankje in de wachtruimte van een station op het platteland. Een feestganger die de tijd verloren heeft. Het is zes uur in de ochtend, ik wacht op de eerste trein richting Zwolle. Bij het rinkelen van de bellen van de spoorwegovergang, komt de man overeind. Zijn rode gelaat contrasteert treffend met zijn witte pak. Het woord pokdalig komt in me op. Hij zit voorovergebogen op de bank, ellebogen op knieën, hoofd in handen. Verwoed gaan zijn handen over zijn gelaat (wangen knedend, neus plat- en opdrukkend naar boven, voorhoofd met vingertoppen wrijvend, gespreide vingers door haren). Daar zit een glimp van het nachtleven, de magie van het ochtendgloren.

    De Amerikaanse schrijfster Annie Proulx begint elke nacht om drie uur met schrijven. Tot een uur of zeven, dan zijn ’the powerfull observation’ uren voorbij. Dan spelen behoeften op, moet je de dag in. Proulx schreef drie prachtige bundels over ranchers, cowboys, pioniers, loners in Wyoming. Waar vrouwen kinderen baren, (daar veranderde het vrouwenkiesrecht dat in 1864 al van kracht was in Wyoming niets aan), mannen de deur uitgaan om verdwaalde koeien te vangen, wilde paarden op te jagen of rodeo’s te rijden. Vaders sterven door ongevallen, moeders aan ziektes en kinderen door onwetendheid. Het is de achterkant van het beloofde land Amerika dat de schrijfster onder de loep neemt. Daar, waar de minder succesvolle levens gestald zijn.

    Een jongen van zestien koopt voor honderd dollar een stukje grond voor zichzelf en zijn zwangere meisje van vijftien. Hij bouwt een hut met twee ramen, een deur en een tafel van in de lengte doorgezaagde boomstammen. Als er geen werk meer is, gaat de jongen op reis. Het meisje is een taaie, ze redt zich wel. Tot ze een miskraam krijgt en er geen levende ziel in de buurt is. Het enige wat ze heeft is een zilveren lepel, een familie-erfstuk van haar moeder. Daar graaft ze, liggend op de harde grond een ondiepe kuil mee om haar doodgeboren kindje in te leggen. Ze bloed dood en wordt na enkele seizoenen gevonden door een vriend van de jongen die een oogje in het zeil zou houden maar er niet was. De jongen is dan al gestorven aan een bloedvergiftiging ver van huis. Van elkaar hebben ze nooit geweten dat ze dood waren.

    Proulx begint dit verhaal van Archie & Rose, 1885 met de proloog: Men denkt wel eens dat de pioniers die het land in kwamen, een lap grond kregen, een zwaar leven leidden, een stel kleine schooiertjes opvoedden en zo een ranchdynastie stichtten. Sommigen deden dat ook. Maar verreweg de meesten leefden kort en werden snel vergeten’.
    Proulx verhalen over die levens brengt ze zonder een poging iets glad te willen strijken, het is Fine Just the Way It Is.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze leest de godganse dag en schrijft daarover.

     

  • Soorten tijd

    Ik lag op mijn buik in het gras in het plantsoen achter de academie uit te rusten met mijn opschrijfboekje. Een lichte hondenpoepgeur hing in de lucht, maar ik had geen zin om me te verplaatsen, ook omdat het niet gegarandeerd was dat de geur op een andere plek minder zou zijn. In het gevecht met de tijd had ik twee lege uren gevonden om aan mijn column te werken. Ik schreef: ‘Ik zat tegen een boom in het plantsoen achter de academie. Drie weken eerder had ik op dezelfde plek de eerste versie van de laatste scène van mijn roman geschreven. Eén van de personages deed op het allerlaatst nog iets wat ik niet had verwacht en dat maakte me blij. Het verhaal was nu in grote lijnen af, een grof gevormde bonk klei waaruit ik nu een boek tevoorschijn zou moeten kneden.’

    In mijn leven zijn er twee soorten tijd: schrijftijd en de rest van de tijd. In mijn schrijftijd rust ik uit van de rest van de tijd en in de rest van de tijd rust ik uit van het schrijven. Toen ik een paar jaar geleden een jaar vrij had genomen, waren schrijftijd en de rest van de tijd perfect in balans. Ik begon de dag met schrijven en na een uur of drie, vier, ging ik andere dingen doen. Sinds ik weer studeer slaat de balans regelmatig door naar de rest van de tijd.

    Ik staarde over de rand van mijn opschrijfboekje naar een groepje duiven vlakbij me in het gras. In deze setting zagen ze er heel mooi en gemoedelijk uit, helemaal niet als de vliegende ratten van de stad. Kauwend op het uiteinde van pen keek ik weer naar mijn boekje. Ik wilde iets uitleggen, maar ik wist niet hoe. Ik schreef iets op over Toni Morrison, die ooit iets had gezegd over vrouwen die tussen het huishouden door creatief werk deden en daar, misschien wel ten onrechte, trots op waren. Dat had vaag te maken met wat ik wilde zeggen, maar het raakte het niet echt, want ik was geen vrouw die tegen wil en dank gevangen zat in een gezinsleven vol huishoudelijke taken. Ik was vrijer dan de meeste andere mensen die ik kende. Maar wel was ik een vrouw die haar schrijftijd liever besteedde aan het afmaken van haar roman dan aan het schrijven van een column.
    Aan de overkant van het water langs het plantsoen klonk een knal. De duiven vlogen op. Ik ging rechtop zitten. Ik schreef:

    ‘Aan de overkant van het water langs het plantsoen klonk een knal. De duiven vlogen op. Ik ging rechtop zitten. Mijn laatste column was bijna af. In mijn tas wachtte een uitgeprinte versie van hoofdstuk twee van mijn roman op mijn aantekeningen.’

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

     

  • Zelfmedelijden

    Op zaterdag reisde ik met de trein via Deventer richting Vlissingen en weer terug om een broer te bezoeken. Eerder die week was ik een dag in Almere (God behoede me), daarna paste ik twee dagen op de tweeling kleindochters, mijn telefoon liet ik onderweg ergens liggen. Toen werd het moederdag. Er was geen spoor van moederviering (wat een onzin, daar doe je toch niet aan, moederdag) te bespeuren. Buiten guurde een koude wind en ik, de gekwelde moeder bleef in bed, verlangend naar een boeket blauwe Delphiniums en rode Pioenrozen.

    Goddank is er VPRO Boeken. De enthousiaste stem van schrijver Willem Otterspeer klinkt vanuit de op het bed liggende laptop. Otterspeer vertelt dat hij Herfsttij der middeleeuwen (een titel gelijk een boeket bloemen) voor het eerst zag in de bibliotheek op de middelbare school. Hij nam het uit de kast. De meester die het zag, zei: ‘Je mag het meenemen maar je gaat het toch niet begrijpen’. De meester had gelijk. ‘Ik begreep er niets van.’ Toen hij het later nog eens ging lezen, dacht hij het wel te begrijpen. ‘Maar’, zei Otterspeer bij VPRO Boeken: ‘Als je denkt dat je het begrepen hebt, heb je het nog niet begrepen.’ Kijk, daar veerde ik van op. Dat is nog eens een zegswijze die mij de oren doen spitsen en mijn brein prikkelt. Op slag vergat ik dat hele moederdag gedoe. Wie alles begrijpt, heeft niets meer te leren en kan zijn resterende dagen in bed doorbrengen. Zoals de grootouders in Sjakie en de Chocoladefabriek van Roald Dahl.

    Otterspeer spreekt zo gedreven over de historicus Johan Huizinga en het boek Herfsttij, dat ik het als een gemis ervaar dat ik het niet heb gelezen. Een boek dat als een vermenging van de geur van bloed en rozen omschreven wordt. Bloed voor de brute, ruwe kant van het leven, rozen voor de schoonheid van de kunsten en de geestelijke wereld. Huizinga en de tegenstellingen van het leven zelf. Volkeren worden uitgeroeid, kinderen leven onder erbarmelijke toestanden terwijl op hetzelfde moment de reparateur voor de afwasmachine gebeld wordt, er een feest te vieren is en we een reis voor de zomer plannen. Hoe dat kan, dat het leven doorgaat ondanks alles. Huizinga lezen lijkt opeens noodzaak.

    Otterspeer kan na de vijfde keer dat hij Herfsttij las nog niet zeggen dat hij het helemaal begreep. ‘Ik denk dat je iets pas echt begrijpt als je erover schrijft.’ En hij schreef het boekje De kleine Huizinga, een samenvatting van Herfsttij. Hij zei ook: ‘Als ik Huizinga lees raak ik zo enthousiast dat ik moet gaan lopen.’ Dat is zo waar, om iets te begrijpen is beweging nodig, het bed uit, de straat op, de wereld in, een boek kopen.
    Ik laat me eerst gidsen door De kleine Huizinga, dan door naar de grote.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Boekverminking

    Twee dichtbundels leven al zo lang in mijn tas dat ik soms maandenlang vergeet om erin te kijken. Een grote rust, heet de ene, en de tweede Bijna onzichtbaar. Misschien is het door die titel dat het is misgegaan met de tweede.
    Omdat een boek een drager is van iets anders, namelijk zijn inhoud, vond ik altijd dat het boek zelf er niet zo veel toe deed. Het hoefde niet als een kostbaar object te worden behandeld, behalve als ik het van iemand had geleend. Boeken die ik had geleend nam ik daarom nooit mee in mijn rugtas, want wie wist wat er dan mee kon gebeuren. De boeken die ik wel altijd in mijn tas heb zitten, kunnen ervan getuigen. De zijkanten zijn zwart gevlekt van houtskool, aan de randen van de pagina’s zitten beschimmeldesinaasappelvlekken, waterschade golft over de pagina’s. Ik vergaf het mezelf. Ik vond het wel karakteristiek, boeken waaraan je kon zien dat ze hadden geleefd, of dat de eigenaar ervan dat had gedaan.

    Maar er is een grens aan boekverminking, en deze week ontdekte ik dat ik die grens had bereikt. Ik zat sinds lange tijd weer eens in de trein met niets om handen, en ik dacht aan Bijna onzichtbaar, een prachtige bundel met korte prozagedichten, geschreven door Mark Strand, met vertalingen erbij van Wiljan van den Akker en Esther Jansma. Diep onderin mijn tas lag hij op me te wachten. Toen ik hem tevoorschijn haalde schrok ik. De kaft zag er gehavend uit, vol kleine putjes en vlekken, en aan de onderrand en bovenrand was het papier opgekruld op een manier die me deed denken aan een verbrand stuk huid. Dat arme boekje, dacht ik. Wat heb ik het aangedaan?

    Ik sloeg het boek open bij mijn favoriete gedicht, ‘The enigma of the infinitesimal’, over wezens die op zoek zijn naar de grens tussen alles en niets, gedoemd door hun verlangen om het onmogelijke te ervaren. De bruine vochtvlekken in de hoeken van de pagina kwamen niet in de buurt van de tekst, het was allemaal nog goed te lezen. En toch deed het me pijn om de pagina met mijn lievelingsgedicht zo te zien. Misschien was het anders geweest als iemand er per ongeluk thee op had laten vallen, als er een duidelijke gebeurtenis was geweest waardoor die vlekken er gekomen waren. Maar nu het kwam doordat het boekje zo lang onderin mijn tas had gezeten zonder dat ik erop gelet had of het nog goed met hem ging, kreeg ik spijt. Sorry, boek, zei ik in gedachten. Sorry. Ik zal voortaan beter voor je zorgen.
    Het was te laat. Ik bladerde verder en las het gedicht ‘There was nothing to be done’, waarin er overal verdriet is. The whole world wept, zei het boek. And the weeping went round and round and could not stop.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

     

  • Andere wereld

    Ik worstelde met een boek, ik begreep er niets van, dacht dat het aan mij lag. Ik kwam de deur niet meer uit, had slapeloze nachten. Het boek kon er niets aan doen. Het was een op het oog eenvoudig boek, korte genummerde hoofdstukken van anderhalf, twee bladzijden. Als iemand vraagt waar gaat het over, zou ik zeggen: over schuld en onschuld, online roddelen, bedrog en liefde en ja, ook over de dood. Er zat nog iets in dat boek wat ik er na drie keer lezen maar niet uit kreeg. Ergens bleef ik in gebreke, dat ergerde me. Toen was ook de Australische dichter Les Murray nog overleden. Hij zou dit jaar eenentachtig worden. Ik las ooit een stuk van Maarten Elzinga dat me direct voor de dichter innam.

    Elzinga verbleef in 1994 in een vertalershuis in Duitsland waar een collega-vertaler onderzoek deed naar koeien, voor de vertaling waar ze aan werkte. Elzinga’s nieuwsgierigheid was gewekt, hij spiekte over haar schouder: The Cows on Killing Day van Les Murray. ‘All me are standing on feed. The sky is shining. / All me have just been milked…’, en was verkocht. Dat doet de taal van Murray dus, je een ongekend gebied in trekken.

    Murrays gedicht Hantering van de nagelclipper vond ik een van de verrassendste gedichten toen ik zijn werk leerde kennen. Om dat ‘knor en oempf’ en ‘misduimd’ en dat het dus werkelijk over het knippen van teennagels ging. Om van een even banale als afstotende (ik gruw van nagelknippers in mijn bijzijn) verzorging van het lichaam iets ritmisch te maken. Je leest het nog eens en weer wordt met elk woord het bewustzijn aangesproken.

    ‘Na blootvoets, knor en oempf
    weerkaatst de teennagelclipper
    die bumpers knipt van buitennagels
    op de harde houten vloer.

    Het schuin afstaande hefboomroer
    ketst af, misduimd, van de overkaak
    buit weer toe en trimt a tempo
    de haken van middelst loopwerk.

    Tsjak! De hele tang schiet weg
    onder de bank – til die bank op
    graai met overdwarse arm
    herpak je om nog meer te knotten,

    een overzijdse knie omklampend
    toon je binnendij, en snoeit
    de hoornen uitwas die de planken
    met grijze kever-bix bestrooit.’

    Les Murray groeide op als enig kind op een boerderij aan de noordkust van Australië. Zijn moeder kreeg meerdere miskramen en  overleed toen hij twaalf was. Zijn vader leed aan depressies, verwaarloosde de boerderij. Als puber zwerft Murray veel buiten rond, jaagt op konijnen, denkt erover mee te vechten in Vietnam. Zo nu en dan schrijft hij een gedicht. Dan ontmoet hij zijn vrouw Valerie Morelli, ze krijgen vijf kinderen. In 1965 verschijnt zijn eerste bundel, The Iles Tree. Murray leed aan depressies en verdween soms wekenlang van de radar, rondtrekkend door Australië. ‘Een depressies kwam als een ongewenste gast die te lang bleef hangen’, zei hij tijdens een interview met de Bayerischer Rundfunk in 2014. Murray schreef zijn gedichten met de hand en op de typemachine. Een computer was nooit een optie geweest.

    Les Murray was er van overtuigd dat zijn gezin, de poëzie en zijn geloof hem voor een leven als paria en vijand van de ‘human’ behoed hebben. Hij publiceerde meer dan dertig bundels en werd jarenlang getipt (aan dovemansoren) als kandidaat voor de Nobelprijs.

    Opeens wist ik wat me in het boek met de korte hoofdstukken tot ergernis dreef. Bij iedere herlezing werd er iets nieuws ontdekt maar werd het verhaal diffuser. Bij herlezing van de lange en soms cryptische gedichten van Murray ontstaat er een helderheid die leidt tot iets op zichzelf staand. Ik hou van dingen die op zichzelf kunnen staan.

     

    In 2013 verscheen het omvangrijke en door Maarten Elzinga vertaalde De planken kathedraal (525 p.) bij De Harmonie.


    Inge Meijer is een pseudoniem. 

     

  • Ambitie bijgesteld

    Zeven jaar geleden hadden Branko en ik nog niet zo veel gedichten geschreven. Zijn gedichten waren weleens ergens verschenen; mijn gedichten ergens anders. We hadden de ambitie om in een serieus tijdschrift te verschijnen, maar we dachten niet dat we dan tevreden zouden zijn. Als we eenmaal in een serieus literair tijdschrift waren verschenen zouden we ook een dichtbundel willen publiceren. En als onze dichtbundel eenmaal was uitgegeven zouden we willen dat hij lovende kritieken kreeg, of een prijs, de Buddingh’-prijs het liefst, want veel dichters die we bewonderden hadden ooit die prijs gekregen. En als onze eerste bundel eenmaal goed ontvangen was, zouden we nieuwe dichtbundels willen maken, die nog beter werden ontvangen, en grotere prijzen wonnen. En zo zouden we onze ambities altijd naar boven blijven bijstellen zodra we ze hadden verwezenlijkt.

    Aan deze oude toekomstdromen moest ik denken op mijn verjaardag, toen ik zag dat ik een gemiste oproep had van een onbekend nummer uit Rotterdam. Ik had mijn ambities naar boven bijgesteld: mijn eerste dichtbundel was een jaar geleden gepubliceerd, de kritieken waren deels lovend en deels kritisch geweest, en nu wilde ik graag dat de bundel genomineerd werd voor een prijs, de Buddingh’-prijs het liefst. En omdat ik dat zo graag wilde, had ik enkele maanden daarvoor al opgezocht wanneer de nominaties voor die prijs bekend gemaakt zouden worden: ergens rond mijn verjaardag. Zodat ik me alvast had kunnen inbeelden dat ik het goede nieuws op mijn verjaardagsfeestje aan iedereen zou vertellen.

    ‘Kijk,’ zei ik tegen mijn gezelschap, ‘ik heb een gemiste oproep van iemand uit Rotterdam. Misschien is het Poetry International om te zeggen dat ik genomineerd ben voor de Buddingh’-prijs.’

    Ik gaf toe dat het wensdenken was, iets waar ik vaker last van heb. Altijd als ik word gebeld door een onbekend nummer denk ik dat het goed nieuws is: dat ik een prijs krijg, of heel veel geld, of iets anders wat ik graag wil. Meestal blijkt het niet te kloppen en is het een verkoper van gunstige energiecontracten, maar het is me weleens overkomen dat er inderdaad iemand belde om te zeggen dat ik een prijs had gewonnen. En nu had ik extra aanwijzingen, want Poetry International zit in Rotterdam en rond deze tijd zouden de nominaties bekend worden gemaakt.

    Anderhalf uur later werd ik opnieuw gebeld door het nummer uit Rotterdam. Het was Noortje van Poetry International, die goed nieuws voor me had: ik was genomineerd voor de Buddingh’-prijs.

    Die avond belde ik Branko om te vertellen dat ik was genomineerd. ‘Ben je blij?’ vroeg hij. ‘Ja,’ zei ik. ‘Heel blij. Maar het zou toch wel fijn zijn als ik hem straks ook win.’

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

     

  • De kinderopvang

    Toen ik laatst mijn zeven maanden oude zoontje wilde ophalen van de kinderopvang zei de leidster dat hij al door iemand anders was meegenomen. Heel even dacht ik dat zijn moeder me misschien was voor geweest, maar hoewel onze relatie een aaneenschakeling van misverstanden is geweest, kon dit niet het geval zijn: ze is alweer een poos dood. De gesprongen adertjes van het persen waren nog zichtbaar op haar natte wangen toen ze afscheid van ons nam, en nog geen maand later stond de politie voor de deur.

    Het meisje van de kinderopvang leek niet onder de indruk van de verdwijning van mijn zoon. We stonden samen aan de rand van de zandbak vol kinderen, zij met een kop koffie in haar hand, ik leunend op de lege kinderwagen, en even drong zich de vreemde gedachte aan me op dat ik nu een nieuw kind zou mogen uitzoeken. Alsof ze mijn gedachten kon lezen zei het meisje van de kinderopvang dat ik maar beter kon vertrekken. Ze zou me bellen, mocht hij weer opduiken.

    Onderweg naar huis ontdeed ik me van de kinderwagen. Zonder me druk te maken of iemand me zag, schoof ik hem zo de bosjes in. Thuis was het aanvankelijk akelig stil, maar dat stoorde me gelukkig niet lang: algauw ontspande ik en stelde vast hoezeer ik deze rust en stilte gemist had. Even wist ik niet waar ik beginnen moest: ging ik een film kijken? Masturberen? Hard muziek draaien? Zelden was ik zo gelukkig en de avond vloog voorbij, en de dag daarna ook, en toen de weken.

    Ik heb nooit meer iets gehoord van de kinderopvang en als ik niet nog altijd bewijzen van het bestaan van mijn zoon zou tegenkomen (een knuffeltje hier, een sokje daar) zou ik haast niet geloven dat ik iemands vader ben.

     


    Vincent Merjenberg (1983) publiceerde verhalen in De Gids en Revisor en werkte bij een uitgeverij. Met vrouw en kind woont hij in Amsterdam en werkt aan een roman.

  • Wereldstad

    Er heerst een mazelenepidemie in New York. Burgemeester Bill de Blasio kondigde de noodtoestand af. De ziekte concentreert zich in de orthodox-joodse gemeenschap in de wijk Williamsburg. Het is waar de  joods-Amerikaanse schrijfster Deborah Feldman vandaan komt. Door haar boek Onorthodox heb ik de wijk op mijn persoonlijke kaart kunnen bijtekenen. Feldman werd geboren in het jaar 1986, vijf jaar na de geboorte van mijn oudste zoon en vijf jaar vóór de geboorte van mijn tweede dochter. Dit haal ik erbij om de realiteitszin van haar levensverhaal enigszins in perspectief te brengen.

    Feldman groeit als enig kind op bij haar grootmoeder (Bobie) en grootvader (Zeidy). Haar vader is verstandelijk beperkt. Haar moeder wordt uit Londen overgevlogen om met haar vader te trouwen en is onwetend over de verstandelijke vermogens van haar aanstaande. Het huwelijk houdt geen stand. Na haar geboorte verlaat haar moeder de gemeenschap. Haar vader zwerft over straat, debiele lach om de mond. Op een nacht wordt er door leden uit de gemeenschap een klopjacht ingezet op een inbreker. Haar vader wil laten zien dat hij er ook bij hoort. Nadat de inbreker is ingerekend, waar hij geen enkel aandeel in had, klopt hij bij zijn ouders aan.
    “’Ik ben ze achterna gegaan!” verkondigt hij. Bobie zucht. “Waarom heb je geen schoenen aangetrokken toen je ging rennen, Shia?” Er sijpelt bloed van zijn tenen op de deurmat, maar mijn vader merkt er niets van; de idiote uitbundigheid straalt van zijn gezicht. “Ga naar huis, Shia,” zegt Zeidy op trieste toon. “Ga naar huis toe, slapen.” Hij duwt de deur dicht in mijn vaders gezicht, zachtjes, bijna eerbiedig, en zijn hand blijft op de knop rusten terwijl mijn vaders voetstappen zich verwijderen in de gang.’

    De schrijfster groeit op in een wereldstad maar heeft geen idee. Als op 11 september 2001 even na acht uur in de ochtend twee gekaapte passagierstoestellen zich in de Twin Towers van het World Trade Center boren, is het feit dat de ramen op school gesloten zijn (terwijl ze in de zomer altijd open staan) aanvankelijk het enige dat de dag anders maakt. Rond het middaguur worden de kinderen naar huis gestuurd. In de loop van de middag dringt de impact van de ramp door. Volgens haar grootvader zullen de joden, zoals altijd, de schuld krijgen. Haar grootmoeder gelooft dat de joden niet genoeg boete hebben gedaan en er  weer een holocaust komt.

    Op haar zeventiende wordt de schrijfster uitgehuwelijkt, daar is niets romantisch aan. Op tweeëntwintigjarige leeftijd verlaat ze  de gemeenschap. Ze volgt literatuurlessen, leert Engels en begint met schrijven. Als haar levensverhaal Onorthodox is verschenen, wordt ze door de gemeenschap verketterd. Ze vinden haar erger dan Goebbels en ze zou met haar daad een volgende holocaust veroorzaken. Tegenwoordig woont de schrijfster in Berlijn en schreef inmiddels drie boeken.
    Ik ben er nog niet over uit wat de betekenis van een orthodoxe gemeenschap voor de joodse mensheid is. Onorthodox is een boek over ultra-orthodoxe joden, niet te verwarren met zionisten. Over een gemeenschap die jaarlijks de Israëlische vlag verbranden. Ik had geen idee.

     

    Orthodox van Deborah Feldman verscheen bij De Geus.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Niet lezen

    Ik was begonnen aan een zelfhulpboek voor kunstenaars. Het boek achtervolgde me al jaren, in de vorm van mensen die het hadden gelezen en dachten dat het echt iets voor mij was. Ik twijfelde of een zelfhulpboek een weg naar grote kunst kon zijn, maar toen iemand het boek speciaal voor mij uit zijn rommelkast had opgegraven, omdat hij dacht dat het echt iets voor mij was, gaf ik me over. Als ik een zelfhulpboek lees dan doe ik het goed. Ik stuur mijn ongeloof op vakantie en verander in een brave lezer die alle opdrachten doet, ook als ze niet nuttig lijken.

    Als er staat dat ik mijn ogen dicht moet doen om iets voor me te zien of naar mijn gevoel te luisteren dan doe ik dat, niet gehinderd door autoriteitsconflicten tussen mezelf en de schrijver. Ik geef het boek een eerlijke kans. En zo maakte ik een lijstje van mensen die ik bewonderde, en een ander lijstje van mensen die ik stiekem bewonderde, om er zo achter te komen dat ik stiekem groots succes nastreef en dat ik mijn dichterschap verwaarloosd had. Ook moest ik de kunstenaar in mezelf meenemen op een date. Ik ging met mezelf naar het strand. Ik had het meer naar mijn zin dan anders, waarschijnlijk omdat het een ‘date’ heette, in plaats van ‘alleen naar het strand’. Deze week wilde de schrijfster van het boek me laten geloven dat het een goed idee zou zijn een week lang niet te lezen. Ze zei dat woorden werken als kalmeringsmiddelen voor de geest. Ze nemen onrust weg maar verdoven ook je waarnemingsvermogen en creativiteit.

    Mijn ongeloof was op vakantie, dus ik probeerde het. Elke ochtend haalde ik de krant uit de brievenbus beneden, maar las hem niet. De Groene Amsterdammer liet ik in het plastic op de keukentafel liggen. Ik ontbeet, mijn blik zorgvuldig afwendend van interessante krantenkoppen, en zorgde voor de planten. Overdag liet ik al mijn boeken, ook het zelfhulpboek waarin stond dat ik niet mocht lezen, links liggen. Ik zocht geen informatie op over medische klachten. Om ’s avonds in bed toch wat woorden te hebben, schreef ik. En ’s ochtends schreef ik ook. En ’s middags, toen ik een schilderij wilde maken, schreef ik op mijn schilderij. Het werkt, dacht ik: ik ontdek iets.

    Toen belandde ik in de leeszaal van een ruilbibliotheek. Als een ware woordverslaafde ging ik met mezelf in gesprek. De regels van de ruilbibliotheek, die mocht ik wel lezen. Dat telde niet, dat was praktisch. En de titels op de ruggen van de boeken in de kast. Dat was gewoon leuk om te weten. Een boek openslaan? Dat zou te ver gaan. Ook bij poëzie? Was poëzie lezen eigenlijk wel lezen? Is dat niet meer een soort waarnemen? Nee. Dan was het hek van de dam. Poëzie mocht ook niet. Kunstboeken dan. Misschien straks even, kijk ik alleen naar de plaatjes. Mijn leesmaag knort. Nog drie nachtjes slapen.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Juiste tools

    Nu de vrouw en de moeder in de afgelopen Boekenweek in openhartige en tedere portretten werd geëerd, keren we terug naar het leven van alledag, naar moeders die niet deugen. Moeders die niet over de juiste tools beschikken om het moederschap vorm te geven. Zoals de moeder in Moeders van anderen van Mirthe van Doornik. Een naargeestig boek over een alcoholistische moeder en haar dochters van twaalf en vijftien. Het enige waar de moeder zich verantwoordelijk voor voelt is plannen maken, het geld (dat er nooit is) en de boodschappen, wat inhoudt dat er van veel niets in huis is. Brood wordt besmeerd met bakboter, wc papier gebruikt als koffiefilter. En als moeder iets op het vuur laat staan terwijl ze dronken op het balkon zit, zijn de kinderen voorbereid. Ze hebben een vluchtkoffertje op hun kamer klaarstaan.

    Wel is er altijd wijn en bier en zit moeder vol verrassingen, beide door de meisjes verafschuwd. ‘Ik wil geen verrassingen meer. Elke keer als ze een goede moeder wil zijn gaat het fout, als we schoolspullen nodig hebben trakteert ze ons op de Chinees en wanneer we willen slapen neemt ze ons mee naar het café.’ Zo nodigt moeder de Roemeense accordeonist die altijd voor de buurtsuper staat uit op de verjaardag van de oudste. Of ze gaan op vakantie naar een vrijstaat, net buiten Amsterdam. ‘Een stuk natuur met tipi’s en allemaal mensen net zoals wij’ roept de moeder op een toon van ‘is dit niet leuk?’ Waarop een dochter herhaalt: ‘Mensen zoals wij?’ ‘Bohemiens, mensen die zich niet thuis voelen in deze maatschappij.’ De moeder droomt over een leven ver buiten haar bereik. Ze komt niet verder dan zich rijk te rekenen door wiet, die met vuilniszakken vol het huis wordt binnengebracht, te onttoppen.

    Het boek begint met de registratie van de twee meisjes in de metro van school naar huis (zwartrijders op bevel van moeder) en een vrouw die hen mee wil lokken. ‘Jullie moeten met mij mee naar huis komen, zegt de vrouw als de metro door de tunnel dendert. Vier haltes, dan zijn we er.’ De meisjes springen voortijdig uit de metro. Thuis vertellen ze het hun moeder, we volgen de blik en gedachten van de jongste:
    ‘Voorzichtig kijk ik naar de rookstoel waar ze waarschijnlijk al heel lang in zit, misschien de hele middag al. “De metro is zijn geld niet waard,” zegt mama. Met haar wijsvinger schraapt ze een bakje yoghurt leeg. “Dit is precies waarom ik er niet voor betaal.” Ze zet het lege bakje op de grond waar het zeil in grote plakken over elkaar ligt. Mama heeft niemand kunnen vinden die het mooi voor ons kon leggen, nu ligt het zoals plakken kaas op een broodje.’

    Man, man, man, wat een boek. Het speelt in de jaren negentig en die sfeer (een soort van interbellum) is zo voelbaar dat je er labbekakkerig van wordt als je het leest. De schrijfster is bekend met een drinkende moeder, een moeder die anders is. Ze zijn er, en Mirthe van Doornik schreef er een prachtig boek over.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zij leest de godganse dag en schrijft daarover.

     

     

     

  • Verbinding

    De schreeuw om een geordende wereld spatte de afgelopen weken van het internet. Daarbij sloegen links en rechts elkaar bestraffend om de oren en dienden rampen zich aan. Ik droomde ’s nachts gewoon dat ik aan de arm van Remco Campert liep. Er was geen loper, er was geen feest. We waren een knap stel al ben ik geen schoonheid maar Remco Campert is toch een opmerkelijke verschijning. Het was een evenwichtig moment. Tegen de ochtend droomde ik dat ik met een kind, in een doek op mijn rug gebonden, van een stenen trap afliep. Het doek raakte los en het kind rolde zo langs me heen naar beneden, waar de trap in het water verdween. Ik werd wakker van een ernstig (droge) snikken. Ik begreep niet wat ik ermee moest. Ik ging naar beneden en zette in de keuken de radio aan, vulde een ketel met water.

    Op de radio de stem van een hulpverlener ter plaatse over de toestand in Mozambique. Het kan altijd nog erger. Een cycloon raasde op een nietsvermoedende vrijdagochtend over het land. De gevolgen zijn verschrikkelijk. Er is honger, gebrek aan schoon water, cholera heerst. De stem van de hulpverlener valt af en toe weg. Mijn gehoor staat op scherp, zie voor me een verwoest landschap, een modderig landschap. Ik vrees dat de omroepster, zoals bij de radio gebruikelijk is bij een slechte verbinding, zal zeggen: ‘Zeg, de verbinding hapert…, jammer maar we…’.

    Ondertussen zoek ik in mijn hoofd naar iets van een verbinding met Mozambique om dichterbij te komen. Iets dat me als een strak geworpen speer dwars door de feitelijkheden heen bij de kern der dingen brengt. Ik loop naar de boekenkast en zoek naar de Portugees/Mozambikaanse schrijver Mia Couto. Zijn eerste roman, Slaapwandelend land speelt in Mozambique tijdens de burgeroorlog in de jaren zeventig. Een hopeloze geschiedenis waarvan sommige beelden me bijbleven. Van een vrouw met een lichte huidskleur, een zeemeermin? Ik zoek het op. Een visser redde een vrouw uit zee. De visser was het niet van plan, maar zo gauw hij haar op het droge heeft en haar ongewone huid ziet, bindt hij haar vast op het strand. Wie haar lichte huid wil zien, moet betalen. De visser is blij met deze neveninkomsten. Maar de vrouw werkt niet mee. Er staat een bakje water en een schaaltje vis naast haar. Ze raakt het niet aan. De visser was een sluwe vos, schreef Couto. Verhalen zijn hoeders van de geschiedenis, maken de ondoenlijke werkelijkheid tot een overzichtelijk geheel.

     

    Slaapwandelend land / Mia Couto, Vertaling: Harrie Lemmens, Van Gennep (2009)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Astrologie

    Middenin de nacht, nadat S. me over haar dagboeken had verteld, vielen ze uit haar boekenkast. De volgende ochtend stuurde ze me een bericht: ‘Ik hoop niet dat dit een teken is.’ Ik stuurde terug: ‘Wat is je sterrenbeeld, dan kijk ik even voor je in de Metro-horoscoop.’
    Alles kan een teken zijn, vooral op de momenten dat je op zoek bent naar houvast. Of laat ik voor mezelf spreken: op de momenten dat ik op zoek ben naar houvast. De frequentie waarmee ik op stations de Metro pak om mijn horoscoop en die van mijn geliefde of meest recente ex-geliefde te lezen, is een goede afspiegeling van de graad van mijn vertwijfeling in die periode. Toen ik echt heel erg in de war was ging ik zelfs zo ver dat ik op internet naar informatie zocht over hoe goed mensen met bepaalde sterrenbeelden bij elkaar passen in de liefde. Dat ik dit al een tijd niet heb gedaan, betekent dat het goed met me gaat.
    Maar de kennis over astrologie die ik inmiddels heb verzameld, heeft zich in mijn denken vastgezet. En dus verbaasde het me niks toen S. liet weten dat ze een Leeuw was, want ik ben een Ram, en Ram en Leeuw hebben een goede klik, want het zijn allebei vuurtekens.

    Gelukkig ben ik niet de enige die tegen wil en dank in dingen gelooft waarvan ze weet dat ze niet waar kunnen zijn. Toen ik nog op school zat, schreef ik de horoscopen voor de schoolkrant. Regelmatig was er een klasgenoot die opmerkte: ‘Jullie schrijven die horoscopen volgens mij gewoon zelf!’ Als ik vervolgens volmondig toegaf dat ik de schrijver er van was en alles wat erin stond uit mijn duim had gezogen, waren mijn klasgenoten toch nog verbaasd en verontwaardigd. Als ze al niet in horoscopen geloofden, dan wilden ze toch op zijn minst dat de schrijver ervan er zélf in geloofde, dat de astroloog in kwestie een astrologisch systeem had geraadpleegd in plaats van zomaar iets te verzinnen.

    S. had er gelukkig minder problemen mee toen ik haar mijn zelfverzonnen horoscoop stuurde, omdat ik geen Metro bij de hand had: ‘Iets uit je verleden heeft je laten schrikken. Laat je niet van je stuk brengen, maar wees wel voorzichtig bij het volgen van je intuïtie.’ Ze dacht zelfs dat ik vaker horoscopen kon gaan schrijven. En misschien zou ik dat ook wel kunnen. Maar beter schreef ik iets anders.
    Poëzie bijvoorbeeld. Die biedt een gezondere vorm van houvast. Die laat zien hoe wij allemaal aan dingen vasthouden die niet bestaan, of die op een dag zullen verdwijnen, en hoe dat inzicht ons kan bevrijden. Zoals bij Anneke Brassinga, in de bundel Verborgen tuinen: ‘Laat wat je was en had verloren zijn, verwaaid, verwoest, / dood en geroofd – dan welt als bloed uit je wonden / de vreugde die, bijna volmaakt, zweven doet’.
    Daar kan geen astrologie tegenop.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.