• Witgekalkte muren

    Ik kan opeens verlangen naar leegte, naar een kamer met witgekalkte muren, kaarsrechte boekenkasten en een stoel. In de keuken een fornuis, een tafel en een plank aan de muur voor spullen. Geen zesendertig koffie- en theebekers maar zes borden, een steelpan,  een soeppan en wat waterglazen, ook geschikt voor wijn of andere dranken. In de rest van de ruimte een radslag kunnen maken, alleen zijn met mijn gedachten.
    Dan niet denken aan de zolder die volstaat met dozen met boeken, prullaria en mappen, veel mappen met ik weet niet wat. Daartussen kampeerspullen, (wat een behoorlijk compact woord is maar in wezen een bijeenraapsel van slaapzakken, matjes, bekers, borden, touwen, haringen, hamers, zaklampen), vloerkleden, manden met kerstspullen (die ik altijd in maart wil wegdoen, maar weet dat ik daar in december last mee krijg), en sjaals die van niemand zijn maar waarvan je niet weet of er ooit eens iemand zal zeggen een sjaal kwijt te zijn, en dat jij weet: ‘Hé, die ligt bij mij op zolder.’ Dat de dingen dan voor even weer kloppen.

    Begin vorige eeuw startte Albert Kahn een groot project. De filantroop wilde een wereld in verandering in beeld brengen. Het samenbrengen van verschillende culturen door middel van afbeeldingen was voor Kahn een soort wereldvredesmissie. Hij stuurde verschillende mensen de wereld over om foto’s te maken, waaronder zijn chauffeur Alfred Dutertre, de verteller in een roman van Lia Tilon.
    ‘Hij hield me voor dat ik foto’s maak van een wereld in overgang. Hij gelooft dat onze tradities het anker vormen dat wij nodig hebben bij ruwe zee. Zichtbaar vergenoegd met zijn nautische vergelijking. Tradities bieden houvast en geven vorm aan ons bestaan. Hij zei dat het belangrijk is te begrijpen wie eenieder is – waar hij vandaan is gekomen. Ik geloof dat hij bang is dat wij het verleden vergeten.Wat een drieste gedachte: een chauffeur uit Parijs die de afkomst komt tonen van de Amerikanen en Chinezen! Hij zegt dat hij ook op zijn andere zakenreizen zal laten fotograferen en deze autochromes zal exposeren. Zodat men elkaar kan leren kennen. Ik weet het werkelijk niet. Vragen veel gebeurtenissen dan niet om vergetelheid? Omdat ze anders blijven groeien? Woekeren en de vruchtbare grond verarmen?’

    Nu denk ik erover foto’s te maken van mijn spullen. Foto’s zeggen meer dan de werkelijkheid laat zien. Dat heeft te maken met de onbeweeglijkheid van de tijd. Ik kan er de witgekalkte muren mee behangen. Dat wat je ziet, is wat je ziet. De lichtval, de opstelling en het perspectief geven me ruimte te ontdekken waar ik vandaan kom. Foto’s als gedachten die de woorden hebben losgelaten, zoals gedachten beelden zijn waar later pas woorden bijkomen.

     

    Lees de prachtige roman  Archivaris van de wereld van Lia Tilon, over de missie van Albert Kahn om wereldvolkeren via fotobeelden te verenigen.


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • De dichter een ander

    Op de jaarlijkse boekenmarkt loop ik een goede Vlaamse vriend tegen het lijf die net als ik een fervent boekenliefhebber is. Het verwondert me niet dat hij er al zo vroeg in de ochtend bij is. In zijn mooie taal vraagt hij of ik al wat gekocht heb. Ik laat hem het boek zien dat ik van de kraam pakte waarbij we staan te praten: een biografie van de Belgische dichter Jan van Nijlen (1884-1965), wiens bekende gedicht Bericht aan de reizigers het Centraal Station van Antwerpen siert. Mijn vriend zegt in zijn Vlaamse idioom: ‘Dat is ook toevallig, ik bén van Nijlen!’ Waar een Nederlander zou zeggen: ik kóm uit Groningen!
    De kraamhouder heeft ons gesprek opgevangen en overduidelijk verkeerd geïnterpreteerd. Hij komt verheugd vanachter zijn boeken vandaan: ‘U bent Van Nijlen! U bent de dichter zelf! Wat geweldig om u te mogen ontmoeten!’

    We zijn te zeer overrompeld om het misverstand meteen recht te zetten. Mijn vriend geeft de man automatisch een hand en mompelt verlegen iets onverstaanbaars, terwijl de boekenverkoper door blijft gaan met het verkondigen van het geluk dat hij de dichter Van Nijlen in levende lijve mag leren kennen. Nu is het te laat, mijn vriend kan niet meer terug: er ontstaat een gesprek waarbij hij gaandeweg als vanzelf verandert in de dichter. Ik leg de biografie voorzichtig terug op de kraam: de portretfoto op de voorkant lijkt niet op mijn vriend. Als je al zo lang dood bent, moet je wel veranderd zijn.

    Eenmaal thuis zoek ik in mijn boekenkast naar de Verzamelde Gedichten van Van Nijlen: de bundel valt als vanzelf open bij een gedicht, waaruit blijkt dat Van Nijlen zijn werk zorgvuldig gescheiden hield van zijn dichterschap. Tegenover de plichtsgetrouwe ambtenaar – Van Nijlen was van 1919 tot aan zijn pensionering in 1949 ambtenaar bij het Ministerie van Justitie te Brussel – staat de dichter die zich uit de wereld had teruggetrokken en in zijn eigen schepping leefde.

    ‘’t Is Jan van Nijlen niet
    die zijn gedichten schreef,
    ik ben de dichter
    van de verzen die hij schreef.
    Ik was het die,
    terwijl Van Nijlen sliep,
    bij lente- en zomertijd
    door bos en weide liep,
    die kruiden zocht en bloemen
    en praatte met de dieren,
    en die, terwijl hij op een droog kantoor
    zijn ziel en zaligheid verloor,
    in zijn plaats naar de wolken keek.’

    De dichter is een ander. Dus toch.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensente bij Literair Nederland en een groot lezer.

     

  • Brieven

    Er is een schriftje weg, er staat iets in dat ik nodig heb, denk ik. Ik zoek een zinsnede, een opgeschreven waarneming die iets op gang moet brengen. In mijn ergernis dat ik het niet kan vinden, stoot ik mijn teen tegen een grote zwarte koffer. Gevuld met honderden met de hand geschreven brieven en postkaarten. Brieven die pas na mijn dood gelezen zullen worden door anderen. Nu schrijven we e-mails die worden opgeslagen in een cloud waar niemand tegenaan loopt. Ik las een boek waarvan elk hoofdstuk zich laat lezen als een e-mail, puntsgewijs, in ingedikte taal, als is er geen tijd te verliezen. Een met de hand geschreven brief brengt gedachten op gang, werkt ideeën uit. We schreven brieven, en wachtten daarna weken op een wederhoor. Geïntrigeerd door hoe mensen op internet corresponderen, schreef de Braziliaanse schrijver Michel Laub een roman. Zijn gedachten over wat we allemaal via internet vrijgeven, hoe weinig besef er is wat ermee gebeurt, werkte hij uit in Het donderdagtribunaal.

    Hoe het is als je leven onder een digitaal vergrootglas wordt gelegd. Brieven die online geschreven zijn lopen kans door anderen gelezen te worden. Waarom zou je e-mails van anderen willen lezen? Wraak is er een, domweg nieuwsgierig een tweede. Gewoon even kijken wat de ander zoal doet op internet.
    José Victor en Walter zijn sinds hun jeugd vrienden van elkaar. Ze zijn van de generatie ‘80, toen aids de seksuele vrijheidsbeleving in zijn greep hield. José Victor houdt van vrouwen, Walter van mannen, beiden hebben wisselende contacten gehad. Seksuele veroveringen worden in hun e-mailwisseling in oneliners neergezet, hiv besmettingen op de hak genomen. Ze zijn als jongens onder elkaar, de grootspraak, onderbroekenlol, niet voor derden bestemd. Dan stuit de ex-vrouw van José Victor op de mailwisseling, (als vond ze een koffer met brieven onder het bed) en begint te lezen.

    Ze komt te weten dat Walter al jaren seropositief is (daar maken ze grappen over in hun mails). Ooit heeft de ex, kort voor ze José Victor ontmoette, onbeveiligde seks gehad met Walter. De schrik slaat haar om het hart. Ze voelt zich toch al bedrogen omdat haar man voor een andere vrouw koos, uit wraak zet ze enkele van hun e-mails online. De vrijgegeven berichten werken als een roddel, ze ontberen de context en verspreiden zich snel. José Victor wordt verguisd door vriend en vijand. Dan zegt hij zijn baan op en begint een zelfonderzoek.
    Dat vriend Walter in de jaren tachtig besmet raakte, dit geheim hield, laat nog weer eens zien wat een schande er kleefde aan de diagnose aids, aan homo zijn. Laub laat in tegenstelling tot wat nog wel gedacht wordt, zien dat ieder mens met het aidsvirus besmet kan worden, ongeacht geaardheid. Verrassend boek.

    Het schriftje vind ik dan eindelijk tussen andere schriftjes op mijn werktafel, ik lees de zin: ‘Het internet versnelt de tijd die we hebben, roem en vernietiging gaan langs dezelfde weg.’ Ja, dat brengt wel iets op gang.

     

    Het donderdagtribunaal / Michel Laub / vertaling Harrie Lemmens / Ambo|Anthos (2018)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Krijgertjes

    Is het een cadeautje? Elke boekenkoper kan deze vraag dromen. Je bent net een inspirerend bezoek aan de boekhandel aan het afronden en hebt het boek naar keuze op de toonbank gevleid. De vraag geeft je een schuldgevoel omdat je een boek voor jezelf koopt. Egoïst! Een boek geef je cadeau. Boeken zijn cadeauartikel nummer één, daar kan geen nieuwe, door elektronica beheerste tijd tegenop. Op zich verheugend natuurlijk. Toch klinkt de vraag stupide. Zou een boekverkoper niet vermoeden dat er mensen zijn die boeken voor zichzelf kopen? Als ik een cadeaupapiertje wil, dan vraag ik er wel om. Ik ken mensen die het boek uit valse schaamte toch laten inpakken, om thuis het plakband weer los te peuteren. Cadeautje voor jezelf.

    Heel veel geschonken boeken worden niet gelezen. Men werpt even een gespeeld enthousiaste blik op het boek dat men niet wilde hebben en roept: Goh, wat leuk! Het zijn vaak slappe boeken speciaal uitgegeven om cadeau te doen: taalboekjes, krantenstukjes, boekjes over katten. De uitgeverijen kennen hun pappenheimers. En de gelukkige ontvanger zit er intussen mee. Om dit te voorkomen roep ik alvast geen boeken cadeau te willen. Voor de zekerheid, want de meesten weten het wel. Ook wat ik aan boekenkasten heb staan. Ze denken waarschijnlijk: hem hoef ik geen boek te geven, die heeft alles al. Natuurlijk kan ik altijd vragen of ik het boek mag ruilen, maar dat is minder feestelijk. Bovendien moet men dan met het bonnetje – inclusief het bedrag dat men voor het cadeau overhad – op de proppen komen. Dat is heel onpersoonlijk en zakelijk. En misschien wilden ze juist een persoonlijk cadeau geven. Vonden ze het boek geweldig en wilden ze een leeservaring delen.

    Je reputatie als lezer kan ook averechts werken. Laatst bracht bezoek ongevraagd een stapeltje oude boeken mee. ‘We zijn aan het opruimen en dachten aan jou. Jij houdt toch zo van lezen?’ Terwijl ik al voortdurend mijn hoofd pijnig waar ik mijn vers aangeschafte boeken moet laten. Wik en weeg welke boeken plaats zouden kunnen maken. Een moeizaam proces. Ineens heb je er weer een stapel boeken bij, waarvan straks ongetwijfeld gevraagd wordt ‘wat je ervan vond’. Je moet die krengen nog lezen ook. Als je dit gevoel herkent: gewoon weigeren. Wees keihard. Of doe ze weg. Lieg. En mocht je voor je verjaardag of een ander feestje toch boeken willen krijgen: geef ze een lijstje.

     


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar raakt ook geïnspireerd door schrijvers uit het verleden.

  • Strijkend licht

    We zitten aan de keukentafel, binnen is het zestien graden. We roosterden granen en noten in een koekenpan, maakten koffie. Naast me op tafel de verhalen van William Trevor. Op de radio ‘Het spoor terug’. Over Ernest Shackleton, die in 1914 een expeditie naar Antarctica ondernam. De expeditie eindigde niet zo best. Shackleton was een romanticus, schreef en droeg gedichten voor aan zijn bemanningsleden. Toen hij zeventien was, wilde hij indruk maken op een meisje en meldde zich voor de Discovery-expeditie van Robert Falcon Scott, een reis naar het toen nog vrij onbekende Antarctica. Het werkte, na drie jaar kwam hij terug, een jaar later, in 1904, trouwde hij met haar. Hoewel Scott beroemder werd dan Shackleton, wordt de laatste geroemd om zijn organisatietalent. Nog schijnen de Britten te zeggen: ‘Zit je in een hopeloze situatie, geef me dan Shackleton.’

    Je kunt nooit helemaal weten wat iemand beweegt de dingen te doen die ze doen. William Trevors verhalen vertellen niet wat er gebeurt. In het verhaal ‘Afzondering’, duwt een kind in een nauwelijks beschreven beweging, haar moeders minnaar van de trap. Haar vader is Egyptoloog, een dromer, ongrijpbaar. Zonlicht strijkt over de keukenvloer, buiten is het koud.

    Op de radio de holle knallen van houten spanten die breken, een ijzige wind, er is schipbreuk. Shackleton laat een kamp opslaan op het pakijs. Het is min dertig graden, er worden tenen geamputeerd, vallen met een klikkend geluid in een emmer, (ik hoorde het echt). De kou in de keuken is opeens te verwaarlozen. Met de verhalen van Trevor in mijn hoofd veroorzaakt dit een heen en weer schakelen tussen twee manieren van zijn. Daartussen sluimeren gedachten, doen zich mogelijkheden voor die nooit overwogen waren.

    In een sfeer van wijkende werkelijkheid en sluimerende gedachten, moet ook bij de jonge vrouw uit het titelverhaal ‘Heilige beelden’, de gedachte ontstaan zijn dat ze haar vierde kind dat ze verwacht tegen betaling aan haar kinderloze vriendin zou kunnen afstaan. Dan zou haar man, die prachtige beelden maakt, dit kunnen blijven doen in plaats van als wegwerker te gaan werken. De vriendin is verbijsterd, ‘Ze trilde op haar benen en moest gaan zitten, (…) “Ik denk niet dat ik je goed begrepen heb”, zei ze, ofschoon ze beter wist.’ Het leek de jonge vrouw een mogelijkheid, een optie om twee hunkerende zielen te helpen. Zelf zou ze, als ze erover heen was, wel weer zwanger worden.

    In het verhaal ‘Afzondering’ komt Shackleton ook voor. ‘Ernest Shackleton was een hoogst opmerkelijk man,’ zegt de vader van het meisje die haar moeders minnaar van de trap duwde. ‘Misschien wel de nobelste van al die mannen die zich hebben onderscheiden (…). De geheimen die ze voor elkaar hadden, de kwalen die ze verborgen hielden, hun gebeden, hun teleurstellingen. Wat een ontbering, maar ook wat een geesteskracht! We zitten vreemd in elkaar, wij mensen, vinden jullie ook niet?’ Daar schrijft William Trevor prachtige verhalen over, over mensen en hun raadselachtige beweegredenen.

     

    Heilige beelden / William Trevor / vertaling Sjaak Commandeur / Meulenhoff (2014)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Een wasmachine

    Niets zo kneedbaar als de werkelijkheid. Op de eerste zondag van november pakte ik mijn fiets en ging naar Zutphen. Om elf uur ’s ochtends kwam filmmaakster Saskia van Schaik in het Luxor Theater vertellen hoe de filmportretten die ze van Judith Herzberg en Ingrid Jonker had gemaakt, tot stand waren gekomen. Over Herzberg vertelt Van Schaik dat hun beider families met elkaar bevriend waren, dat Judith als jonge vrouw op haar paste. Later paste Van Schaik op de kinderen van Herzberg. Ze verwachtte dat het bij het maken van het filmportret zou helpen, dat ze elkaar kenden.

    Ze had geen rekening gehouden met Herzbergs angst voor clichés en haar sterke gevoel voor waarheidsvinding. Sfeerbeelden, als van een bos bloemen op tafel, mochten niet. Ze wilde niet dat de kijker dacht: ‘Oja, bloemen, typisch iets voor een dichter’. Grote moeite had de dichteres ook met de beelden die de cameraman van een schaal vers geplukte tomaten maakte die ze op tafel had gezet. Een beeld van rood en rond in een schaal. Herzberg zei dat ze de tomaten daar had neergezet omdat er in de koelkast geen plek was. Dat ze nooit tomaten op een schaal legde, altijd in de koelkast. Die nu dus vol was. Dan wordt dat gefilmd, een beeld van een toeval. Dat wilde ze niet in haar filmportret hebben. Beeld van een vrouw die een schaal met tomaten op tafel heeft staan. Zo’n vrouw was ze niet.

    Voor het filmportret van Ingrid Jonker werd contact gezocht met Jonkers dochter, Simone. Ondanks jarenlang drugsgebruik en een zeer slecht gebit, nog steeds een mooie vrouw, vertelde Van Schaik. Toen het budget rond was en er gedraaid kon worden vroeg de dochter om een vergoeding voor haar medewerking. Ze wilde een wasmachine kopen. Van Schaik stuurde haar het geld. Toen ze gingen filmen in Zuid-Afrika en haar bezochten, was er geen wasmachine te bekennen. Wel had ze zich een en nieuw gebit laten aanmeten. Tijdens het spreken waren er lichte smakgeluidjes te horen, van speeksel dat zijn weg nog niet helemaal vond in een mond vol tanden. Het klonk als een kleine tik bij het afspelen van een lp. Dat gebit bracht de geschiedenis van Ingrid Jonker en haar dochter, die acht was toen haar moeder een einde aan haar leven maakte, op zeer menselijk niveau.

    Dan was daar nog het gedicht van Jonker dat ze schreef na de opstand vanwege de pasjeswetten in Sharpville in 1960, waarbij een kind in de armen van zijn moeder door het hoofd geschoten werd. Ze was geschokt door de brute moord en schreef, ‘Die kind’ (wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga). Er leefde nog een zus, die nooit geweten had dat er een gedicht was geschreven, dat Mandela dat gedicht tijdens zijn inauguratie in 1994 had voorgedragen. Dat het over haar broertje ging. Met de cameraploeg kwamen ze haar dat vertellen. Lazen het gedicht aan haar voor en filmden de stille verbazing op haar gelaat. Het was of de geschiedenis een loopje met haar nam.

     

    Het filmportret van Judith Herzberg werd in 2010 uitgezonden, het filmportret van Ingrid Jonker in 2001, beiden bij de VPRO.


    Inge Meijer is een pseudoniem, als zodanig leest ze alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • De laatste kinderen

    Tijdens een rondreis door herfstachtig Schotland stuit ik in een boekwinkel op een bijzonder kinderboek, Child of St Kilda. Het door Beth Waters sfeervol getekende boek bevat het verhaal van Norman John Gillies, een van de laatste kinderen van St.Kilda, een kleine groep ruige, Schotse eilandjes ten westen van de Buiten-Hebriden. De eilandengroep is al zeker 4000 jaar bewoond. Om te overleven hebben de mensen altijd strijd moeten leveren met de natuur. Dit is wonderwel gelukt en leverde een bijzonder soort samenleving op, waarin onderlinge saamhorigheid cruciaal was om te overleven. Geld bestond niet. Ook de natuur heeft zich op een bijzondere wijze ontwikkeld.

    Door de transportrevolutie in de 19e eeuw wordt het voor buitenstaanders eenvoudiger om St.Kilda te bereiken. De mare over deze bijzondere eilandengroep verspreidt zich snel en prikkelt de nieuwsgierigheid. De bezoekersaantallen nemen toe. Dit heeft desastreuze gevolgen. De introductie van nieuwe levenswijzen en tot dan toe onbekende ziektes tasten de saamhorigheid aan en decimeren de bevolking. Voor de achterblijvers wordt het voortbestaan op St.Kilda onhoudbaar. Op hun verzoek besluit de Britse regering in 1930 de laatste bewoners te verhuizen naar het vasteland. Onder hen Norman Gillies, vijf jaar oud. Hij herinnert zich het ijskoude klaslokaal waarin hij, blootsvoets, met alle kinderen op het eiland les krijgt. Aan de muur hangt een kaart van Groot Brittannië waarop Schotland grotendeels ontbreekt en St.Kilda al helemaal.

    De vermelding daarvan in dit kinderboek is veelzeggend. De Schotten voelen zich al heel lang achtergesteld en iedere Schot kent het verhaal van St.Kilda. In de Schotse kranten wordt Johnson neergezet als een soort bullebak, die de Schotse parlementariërs afbekt en zich niets gelegen laat liggen aan hun gerechtvaardigde grieven. In gesprekken over de Brexit worden mensen emotioneel. Algemeen wordt de Brexit  gezien als een ramp voor de Schotse economie, die grotendeels afhankelijk is van de Europese markt. De afkeer van die ‘Etonboys’ is groot en het verlangen naar onafhankelijkheid groeiende, maar dan wel binnen de veilige omarming van de Europese Unie. Zonder die band is een onafhankelijk Schotland nauwelijks levensvatbaar. Het platteland ontvolkt, de saamhorigheid verdwijnt en, net als voor de bewoners van St.Kilda, worden de achterblijvers in hun voortbestaan bedreigd. Daarin ligt voor de Schotten ook het grote pijnpunt. De frustraties nemen toe. Niet voor niets worden de ontwikkelingen in Catalonië in Schotland met meer dan normale aandacht gevolgd.

     


    Huub Bartman is historicus, hij interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.

  • Peter Camenzind

    We komen tot stilstand in een enorme goot van gras. Ik kijk op van mijn boek. In drie talen wordt omgeroepen dat we moeten wachten voor de tunnel. Kort daarna komt de trein weer in beweging, we rijden het zwart in. Het boek dat ik herlees is Peter Camenzind, de debuutroman van Hermann Hesse en net als vijftien jaar geleden word ik weer gegrepen door de jeugdige verlangens van de gelijknamige hoofdpersoon. Peter is een bonkige boerenjongen uit het Zwitserse Hoogland. Met de financiële hulp van een weldoener gaat hij studeren in de stad. Hij verdient wat bij met het schrijven van boekrecensies en vaak heeft hij honger, er is altijd net te weinig geld. Maar hij heeft een vriend, de bergen en boeken om te lezen. Over het studeren: ‘En zo werd mijn droom waarin ik de volheid van het leven en de geest voor me had zien openliggen dagelijks bewaarheid en werd mijn hart door eerzucht, vreugde en jeugdige ijdelheid verwarmd.’

    In de aantekeningen-app van mijn telefoon noteer ik het woord ‘eerzucht’. De eerste druk van dit boek verscheen in 1904, toen mensen dat kennelijk nog weleens waren, eerzuchtig. Ik voel me betrapt omdat ik de hooggespannen verwachtingen van Peter deel, omdat ik zijn streven naar volheid snap, omdat ik dit alles tegelijkertijd bestempel als sentimenteel. Want tijdens het lezen verouder ik samen met Peter van de eenentwintigjarige die ik bij eerste lezing was, in de zesendertigjarige die ik nu ben. Het is 2019 en sentimentaliteit is een zonde. De trein schiet de tunnel uit, kinderen juichen.

    Een week eerder reisde ik naar Gent omdat mijn eigen debuutroman was genomineerd voor een prijs. Zittend in een zuurstof-arm zaaltje dacht ik dat ik zou gaan overgeven. Iemand anders won en hard klappend verbeet ik mijn teleurstelling. In gedachte had ik de prijs vaker gewonnen dan verloren, nu bleek die spanning toch groter te zijn dan de kater. Aangekomen in Londen bezoek ik The Natural History Museum, ik struikel over kinderen, buggy’s, langs dino’s en krokodillen naar degene voor wie ik kom: het skelet van de reuzeluiaard, in het Engels zoveel meeslepender ’the giant sloth’. Hij is enorm en uitgestorven. Ik weet weinig over dit beest, zijn gewoontes, zijn wereld die zo anders was dan de onze, zijn uitsterven. Ik vermoed van alles en denk aan Peter, en aan alle levens die nog onvervuld voor ons liggen.

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijfster. In haar columns schrijft ze over de natuur en over boeken. In januari 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap (Atlas Contact).

  • Novemberblues

    Het is een grijze dag, regen ruist met forse regelmaat door de boombladeren achter het huis. Op spotify zingt Carole King, ‘So far away /  Doesn’t anybody stay in one place anymore / It would be so fine to see your face at my door’. Gevoelens van een verlangen naar toen, naar hoe alles begon, keuzes die gemaakt werden, dingen die gezegd zijn. Heimwee naar de kindertijd van mijn kinderen, het eerste huis dat stond op een stuk opgehoogde aarde in een buurtschap langs de IJssel, dat we achterlieten voor een ander land waar we jaren woonden, waarvan ik me herinner dat in november het gemis van alles wat achterbleef het sterkst was. De maand waarin dertig jaar geleden de Berlijnse muur viel. Berlijn, een stad die volgens Cees Nooteboom ooit een beroerte had gehad. Opeens moet ik dringend op zoek naar het boek Allerzielen. Ik vind het niet bij de N in de boekenkast, wie heeft het, waar is het, ah, daar voorbij de L staat het.

    Arthur Daane loopt in de jaren negentig door een koud Berlijn, begeleid door stemmen uit het verleden, door Nooteboom ‘het moeras van de voorbije tijd’ genoemd. Stemmen die je liever negeert omdat dingen die voorbij zijn niemand interesseert. Alsof je met je ziel te koop loopt en geen hond het wil hebben.‘Dat bestaat,’ schrijft Nooteboom, ‘jaren waarin de gebeurtenissen voortrazen, waarin bladzijde 398 bladzijde 395 allang vergeten is, en de werkelijkheid van een paar jaar eerder belachelijk dan dramatisch lijkt.’
    Ik ga met hem mee door donkere en verlaten straten die van een naargeestigheid zijn dat het berusting brengt. Daane, voormalig cameraman die over de hele wereld interviews en de gevolgen van gruweldaden heeft gefilmd, loopt door Berlijn met een verlichte geest, Berlijn als kernpunt van de geschiedenis. De sneeuw waait in zijn gezicht, ongezien loop ik mee, voel de kou van een straffe wind die ook de sneeuw aan mijn gezicht doet kleven.

    Terwijl hij de kraag van zijn jas nog eens optrekt, hoort hij de hulproep van een heilsoldate die gehurkt bij een door kou bevangen zwerver zit. Er moet een ambulance gebeld worden. Een paar straten verder, in de Otto-Suhr-Allee zit een oude vrouw in een glazen bushokje, ze zwaait naar hem, of nee, het is meer een bevelend wenken. ‘Ze was oeroud, misschien wel negentig. Hoorde binnen te zitten met dit weer. Negentig, stel je voor dat het echt waar was.’ Waarbij hij denkt een eventuele echtgenoot, of die gevallen is aan het Oostfront, of zijzelf heeft meegejubeld, of juist niet, tijdens toespraken van Goebbels in het Sportpalast. Was haar huis verpletterd door een bom uit Lancaster. ‘Niets wist je van mensen, behalve dan dat zij toen een jaar of veertig geweest moest zijn.’ Met een ‘hoge commandostem’ vraagt ze: ‘Glauben Sie, dass noch ein Bus kommt?’ Hij denkt van niet, brengt haar naar de ondergrondse en gaat verder. Een verslag van onvermijdelijke gedachten in een naoorlogs leven.

     


    Inge Meijer leest alle dagen van de week, schrijft over haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

     

  • Reizen

    Ik reis van Amerika naar IJsland, Irak en weer terug naar Amerika. Al die tijd bevind ik me aan de Italiaanse kust: mijn huwelijksreis gaat naar Sicilië. De eerste dagen zit mijn hoofd bij de personages die Tommy Orange in zijn debuut tot leven schiep. Tony Loneman, geboren met foetaal alcoholsyndroom, blijft het langst bij. Zijn eigen afwijking kan hij niet uitspreken: ‘Het enige wat ik hoorde was ‘Droom’, en daar zat ik, voor de tv die uitstond, en staarde ernaar. Mijn gezicht breeduit op het scherm. De Droom’. Orange schept een Amerika dat ik niet ken, niet alleen omdat ik er nog nooit geweest ben, maar vooral omdat ik niet afstam van de Indianen en hun verlies nooit ten volle zal begrijpen. Er is geen daar daar gunt me een glimp.
    Ondertussen leert de baby, ook mee op vakantie, zichzelf kruipen. Zijn wereld wordt groter, wij zijn getuige.

    Friday Black van Nane Kwame Adjei-Brenyah toont eveneens een onbekend Amerika. In verhalen die zich deels in de toekomst afspelen laat Adjei-Brenyah de vele verschrikkelijke gezichten van racisme, hebzucht en de menselijke drang naar geweld zien. In het IJsland dat Gerwin van der Werf in Een onbarmhartig pad schetst is het landschap even angstaanjagend als de situatie van de hoofdpersoon. Tiddo voelt de afstand tot zijn vrouw en zoon toenemen. Een reis moet de redding van het gezin zijn. Maar zoals het gaat met dingen die iets moeten goedmaken – notitie: lekker laten staan, die lifters.
    Aan het Italiaanse strand hoeft gelukkig niets gered te worden. De baby onderzoekt het zand, wij proosten maar weer eens ergens op.

    Intussen reis ik af naar Irak. Het is oorlog. Wie let er op wie, wie redt wie? Ook hier een wereld, leger en land, die ik nooit zal kennen. Vriendschap en machteloosheid ken ik wel. De gele vogels van Kevin C. Powers krijgt me in tranen. Het einde van de vakantie nadert. Het valt me altijd zwaar, afscheid nemen van de zee. Mijn man zegt dat die ene cocktail meer iets voor mannen is, dus drink ik er twee. Hij heeft gelijk.
    Nog een keer naar Amerika dan. Jori Stam tekent in Oregon een wereld en verwarring die aan Fargo doet denken. De sneeuw, de voetstappen, de haas, ik blijf er lang op kauwen en dat is goed. Thuis, in Nederland, ben ik moe maar voldaan. Ik ging naar Sicilië maar maakte een wereldreis.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Goed kijken

    Er zijn boeken waar je niets naast kunt doen als je ze leest, zoals de pas vertaalde roman Nacht en dag van Virginia Woolf, ze kluisteren je aan de bank. Er zijn boeken die je overal kunt lezen, de zogenaamde rugzakboeken, van Biesheuvel, Snijders, Amy Bloom, Maarten Asscher. Dan zijn er boeken die verspreid door het huis liggen. In sanitaire ruimtes, op nachtkastje, de makkelijk-te-lezen-boeken. De een leest graag Arthur Rimbaud voor het slapengaan, ik lees een roman in bed. Op de grens van waken en slapen neem ik de werkelijkheid met een korreltje zout. Ik volg de uitgezette ontwikkelingslijnen als was ik een naïeveling die enkel in het woord gelooft. Ik lees Adam, van Wanda Reisel, een bladzijde of vier/vijf per keer.

    Adam, eind veertiger, in het bezit van een George Clooney lookalike lachje, is op het punt beland dat het roer om moet. Tijd om zijn leven in eigen hand te nemen. Zonder geld geen veranderingen, hij ontneemt grote bedragen van de goede doelen stichting waarvoor hij werkt. Een charmante man, een slimme boef, niemand merkt iets. Dan is er een reeks ‘snoeiharde’ aanslagen op fallus-achtige monumenten in Europa, te beginnen met het monument op de Dam. Waarna Londen, Milaan, Oslo, Berlijn volgen. De tweede protagonist is Lili, een jonge fotografe. Zij volgt het spoor van een vluchtelingencircus dat jazeker, uit vluchtelingen bestaat en door Europa trekt. Adam ontmoet Lili, als hij op de vlucht slaat, in de City Night Line, nachttrein naar Duitsland. Lili is een uitzonderlijk personage, ze heeft iets jaloersmakends, bandeloos is een mooi begrip. Door de afbeelding op de omslag moet ik opeens denken aan de mythologische figuur Lilith, de eerste vrouw van Adam. Reisel zal niet voor niets een Lili in haar verhaal geplaatst hebben. En de gekozen afbeelding heeft wel degelijk met het verhaal te maken.

    In dit geval maakt het van Lili, Lilith, een oproerstoker, een verraadster. Lilith was de slang die Eva influisterde van de verboden vrucht te nemen. Zo nam de wereld een keer en zo blijkt Adam een meer vertellend-dan-je-leest-boek. En dat is mooi. Van het nachtkastje gaat het mee naar mijn werk, weer thuis naar de keukentafel. Ik speur naar de stem van de auteur, die het verhaal begeleidt, als een soort ondertiteling, over veranderende tijden, verschuivende morele grenzen. Hoe ze dat samenbrengt. En kijk, ik had eroverheen gelezen, in de openingsalinea van het boek staat klakkeloos: ‘Een naam is alles, dacht Adam.’  En ja, de eerste mens ooit was een man die bedrogen werd, slachtoffer van de vrouw. Zoals de Adam in het boek bedrogen wordt. Verleid en bedrogen door zichzelf en door Lili(th). Hoe dat bedrog plaatsvindt, en waarom er overal in Europa fallus-achtige monumenten worden opgeblazen moet je zelf maar lezen. Denk daarbij aan het citaat van K. Schippers, ‘Als je goed om je heen kijkt dan zie je dat alles gekleurd is’. Dan zie je wat een goed boek dit is.

     

    Adam / Wanda Reisel / Atlas Contact


    Inge Meijer (een pseudoniem) leest alle dagen en schrijft daarover en over haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Boerengebrabbel

    Toen mijn moeder stierf, nam ze mijn taal met zich mee. Ze was de laatste met wie ik kon spreken in het dialect van mijn kinderjaren: een scherpe en schurende streektaal, ondoordringbaar voor degenen die niet in onze stad geboren en getogen zijn, maar met een rijkdom aan uitdrukkingen en oude grammaticale structuren die nooit door het officiële Nederlands werden overtroffen. Mijn moedertaal heeft haar wortels diep in de geschiedenis.

    Als kind dacht ik dat ons dialect de standaardtaal was, want ik kende niemand in de hele buurt die iets anders sprak. Standaard Nederlands was ons even vreemd en ver als Russisch. Soms verdwaalde een vreemdeling in onze wijk, iemand uit het noorden van over de grote rivieren waar de mensen een taal spraken die deftig en vijandig klonk, met een gevocaliseerde r en een raspende gutturale g: zo iemand kwam ons vreemder voor dan een buitenaards wezen. Taal weet mensen te verbinden, maar sluit tegelijkertijd anderen uit.

    Dialecten hebben tegenwoordig een opgehoogde status gekregen en worden niet meer beschouwd als boerengebrabbel van volk met klei aan de klompen. Maar ik kan mijn vreugde daarover met niemand meer delen: niemand die ik ken verstaat nog de woorden waarmee ik mijn gevoelens het beste kan uitdrukken, en er is niemand meer die me noemt bij de namen die mijn moeder me zo liefdevol gaf. Ik rouw om de dood van mijn moeder en ik mis haar, maar net zo pijnlijk als het feit dat ze er niet meer is, is het besef dat ik samen met haar ook mijn taal ben kwijtgeraakt.

    ‘Waar niemand ooit nog thuiskomt, daar begint de poëzie’, zegt Ramsey Nasr. Ik vond troost bij een sonnet van Karel Jonckheere (1906-1993), waarvan de woorden mijn gevoel van weemoed en heimwee wisten weer te geven:

    Heimwee naar moeders woordenschat

    ‘Ach moeder, ik weet zoveel woorden meer
    en van de muze honderd lepe wetten
    om ze verbluffend naast elkaar te zetten
    tot schone larie over duister zeer.

    Maar als ik op een avond bij ruig weer
    de vangst bijeengaar uit mijn rijmennetten,
    de troost schudt uit de kuil van mijn sonnetten,
    vind ik mijn stem wel maar mijn hart niet meer.

    Geleerde vrienden, die het kunnen weten,
    hebben eens de armoe van uw mond geteld
    maar geen heeft mij dan tot nog toe vermeld

    hoe gij met twintig silben mild gemeten
    mij meer met wijsheid en geluk vervult
    dan mijn orkesttaal zwoegend mij onthult.’

     


    Hettie Marzak is poëzierecensente bij Literair Nederland en een groot lezer.