• Schachnovelle

    De lente begon vroeg dit jaar. Ter aankondiging had ik zoals altijd een droom. Ik droomde keurige rijtjes tuinbonen, zojuist ontkiemd. Rond de stengeltjes, die zich eensgezind naar de hemel strekten, lagen keurige kratertjes opgeduwde grond. Eindelijk, dacht ik, en ze waren zo groen, zo stevig! Ik werd wakker en miste mijn vorige leven waarin ik groente verbouwde. Wat er dat komende jaar verbouwd zou worden, bereidde ik voor in de winter, want dan maken tuinders hun teeltplan. In dat plan wordt vastgelegd welk gewas op welke plek in de tuin komt te staan en of er na oogst tijd is voor een tweede, of zelfs derde gewas. Sommige gewassen, zoals radijzen, kunnen kort na zaai al geoogst worden. Op hetzefde lapje grond kun je daarna broccoli verbouwen.

    Broccoli heeft veel meer tijd nodig maar na de oogst kun je met een beetje geluk ook nog raapstelen zaaien. Zo’n plan heeft alles te maken met het slim combineren van kort-en langdurende teelten waarbij je het land zo efficiënt mogelijk gebruikt. Het schuiven met zaaidata en gewastypen heeft grote consequenties; alles hangt met elkaar samen. Je hoeft je nooit meer te vervelen leerde mijn docent groenteteelt ons triomfantelijk. Zittend voor de haard kun je eindeloos nieuwe teeltplannen bedenken, steeds efficiënter, diverser of risicovoller, zonder nog maar een spade in de grond te steken.

    Altijd denk ik dan aan Schachnovelle van Stefan Zweig. Ik herinner mij enkel flarden, maar wat ik nog weet is dat de hoofdpersoon, gevangengezet door de Gestapo, zijn eenzaamheid bezweert door schaakpartijen uit zijn hoofd te leren. Natuurlijk schiet de vergelijking met het maken van een teeltplan voor de haard hopeloos tekort waar het de angst voor gekte en de dreiging van erger betreft. Ik moet het herlezen, dat staat vast. Maar eerst zaai ik in gedachten alvast vroege raapstelen en spinazie in de kas, dek ik die dappere tuinbonen toe met vliesdoek tegen de kou. Over een paar weken zal ik voor het raam tomaten, peulen en capucijners voorzaaien en poot ik buiten de uitjes in rijen, hun spitse pluimpjes kouwelijk boven de grond. En in maart, als dan eindelijk de grond opwarmt, zaai ik radijzen, rucola, spinazie en vroege bieten. Ook zonder tuin is de lente al begonnen.

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. Ze schrijft over natuur en over boeken. In januari 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap (Atlas Contact).

  • Omnibus 

    Het klinkt als een mantra door mijn hoofd, al weken. Steeds wil ik zeggen ‘weet je wat ik zou willen?’ Maar eerst moeten er koffiebonen gemalen, het espressopotje op het vuur gezet, havermelk schuimen, luisteren naar berichtgevingen uit de krant die vanaf de keukentafel worden voorgelezen. Er was een stil verheugen, alsof het een geheim was. Zoals een exceptioneel goed boek dat weinig bekend is, wel ‘best kept secret’ wordt genoemd. Ik denk eraan als ik een zwerver in het park tegenkom, of een vrouw alleen, die me op een bepaalde manier in haar verschijning bekend voorkomt, of een man die zichzelf in een huwelijk achterliet. Dan denk ik aan de verhalen van Sanneke van Hassel.
    Het verhaal van een Kaapverdische man, die zijn dromen in de jaren dat hij als buschauffeur in Nederland werkt, ziet vervliegen.  Naarmate hij meer verlangt naar zijn familie, het strand, de oceaan, waar hij opgroeide, hoe afweziger hij wordt.

    Alleen ging hij nog wel eens terug, hoefde hij maar een ticket te kopen, nu vier, voor zijn vrouw en twee kinderen. Op een dag komt er een oude vrouw de bus in. Ze heeft vingers als ‘stokjes’ en een ‘papierdunne huid’. Ze gaat naast hem staan, kijkt afwezig mee door de voorruit. Hij vraagt zich af, terwijl ze langs de buitenwijken rijden, of ze verlangt naar de velden van toen waar nu huizen staan. Hij verzint in haar een bondgenoot in het verlangen naar vroeger. Als hij ‘s avonds laat thuis komt, zegt zijn vrouw ‘Ik heb naar tickets gezocht.’ Maar het is te duur.
    Of dat verhaal over een buurt waar families met uiteenlopende achtergronden wonen. De boel staat op scherp, door de gebeurtenissen en door hoe de schrijver, zichzelf corrigerend, het vertelt.

    ‘Op straat, voor ons huis, lag een zwarte scooter op zijn zijkant. Ernaast stond een jongen jammerend voorovergebogen, met zijn handen op zijn knieën. Hij had donker haar, een smal postuur en hij droeg een wit trainingsjack. Een Marokkaan, dacht ik.’ En dan: ‘een Marokkaanse Nederlander, geen Marokkaan.’ Verderop in het verhaal schrijft ze, ‘ wat doet het ertoe waar al die mensen en hun voorouders vandaan komen?’
    En er is dat bejaarde Amerikaanse stel, hun huwelijk versleten, dat naar Europa reist. ‘Nooit had hij behoefte in het verleden te graven. Tot vorig zomer, onder de magnolia vierde hij zijn zeventigste verjaardag. Na afloop ging hij nog even in de serre zitten. In het schemerdonker, tussen de lege glazen van de gasten, stond de foto van zijn vader (…), de stuurse mond, de harde blik.’ Dan, met barse stem tegen zijn vrouw, ‘Ik wil erheen. Naar de stad waar mijn vader vandaan komt.’, en ze gaan.

    Wat ik dus wil zeggen, is dat ik droom van een omnibus met alle verhalen van Van Hassel. Zo’n kilo wegend verzamelboek, net als Alice Munro en Clarice Lispector, want zo goed zijn de verhalen van Van Hassel. Je wilt ze allemaal hebben.

     

    Citaten uit: Nederzettingen van Sanneke van Hassel / De Bezige Bij


    Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar belevenissen onderweg en aan de rand van de literatuur.

  • Moeilijke vrouw

    Ik schreef al eens dat de ene dood meer doet dan de ander. Dat Aart Staartjes overleed, jeugdicoon uit Sesamstraat voor zeker drie generaties Nederlanders, overschaduwt bijna de dood van een ander, getroebleerder jeugdicoon van mij: Elizabeth Wurtzel. Begin jaren negentig debuteerde Wurtzel met Prozac Nation, dat direct een cultklassieker werd – en zij dus een cultschrijver. Wat Wurtzel over depressies, verslavingen en opgroeien in Amerika schreef was hardcore autofictie: woest en compromisloos – zoals je, na het lezen van haar werk, verwacht dat ze zelf was.
    Prozac Nation las ik op een leeftijd waarop ik boos was maar niet wist op wie en bovendien droomde van een groots en meeslepend (schrijvers)leven. Wurtzel, met haar seks en drugs, haar dramatische depressies, bood me de suikerversie van iets dat in werkelijkheid behoorlijk moest tegenvallen. Zij was voor mij wat Kurt Cobain voor anderen was: een tragische, geniale halfgod. Het duurde lang voor Kurt Cobain van zijn voetstuk viel (wat na al die dode jaren van die schitterende blonde jongen overbleef, was het beeld van een trillende man op sokken) en misschien nog iets langer voor Wurtzel dat deed.

    Volwassen worden is weinig meer dan erkennen dat je ouders en je helden (deze twee kunnen elkaar gerust overlappen) niet uit een sprookje komen, geen archetypes zijn maar echte mensen, met vele lagen en de noodzakelijke drukfouten. Zo ook Cobain, zo ook Wurtzel. Na Prozac Nation las ik Bitch: In praise of difficult women. Of, eerlijker, ik kocht het en zat er vooral mee in de trein, dat omslag met die wild aantrekkelijke dame en die provocerende middelvinger goed in zicht. Ze schreef dit boek onder invloed van cocaïne en Ritalin. Dat is te lezen. Toch wakkerde het iets aan dat zich vele jaren later zou ontwikkelen tot een feministische inslag. Over het schrijfproces van Bitch schreef Wurtzel weer een ander boek: More, now, again. Dat was vooral more again.

    Jaren later volgde ik haar op Twitter en de magie was weg: een artikel dat Wurtzel schreef over hoe ze er als vijftigjarige beter uitzag dan als twintiger leek me aantoonbare onzin. Mijn grootse en meeslepende schrijversdroom werd een schrijvend en werkend bestaan in een huwelijk, een gezin. De aandacht voor mijn jeugdidool verslapte, vervloog.
    Op 52-jarige overleed Wurtzel aan de gevolgen van borstkanker.
    De meeste dode schrijvers – zoals Toni Morrison afgelopen zomer en enkele jaren terug Renate Dorrestein – nodigen uit tot herlezen. Herlezen is een vorm van herdenken. Blijft Wurtzels werk overeind als ik het nu weer opensla? Ik weet het niet. Naast een beeld om te verwerpen en latent feminisme bracht Wurtzel me nog iets: muziek. Bijna ieder nummer dat ze in haar boeken noemde, en dat waren er heel wat, zocht ik op en vond ik geweldig. Laat ik daar mee beginnen, herluisteren als herdenken. Later, als ik eraan toe ben, pak ik Prozac Nation er weer bij. Of nee, liever toch Bitch: in praise of difficult women. Voor die moeilijke, getalenteerde vrouw.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.

  • Great Dutch Novel

    ‘Op het puntje van haar tong ligt een theepot’, is titel en openingsregel van een gedicht van Martijn den Ouden in Tirade. Als je een woord even niet paraat hebt, ligt het vaak op het puntje van je tong. Op dat puntje balanceert een theepot. Drukt de tong zich tegen het gehemelte, vlak achter de voortanden voor de ’th’, en komen de lippen bij elkaar voor de ‘p’, dan rolt de theepot eruit. De geest van een dichter is een wonderlijk iets. Die van Delphine Lecompte het wonderlijkst van al. ‘We verorberen taart en uiteraard drinken we er jenever bij / Algauw liggen onze kleren onder de tafel en roken we een onzichtbare vredespijp.’ Ik zou wel eens in Lecompte’s hoofd willen zitten, om te weten hoe ze haar woorden tot zinnen smeedt. Geïsoleerde zinnen, elkaar uitsluitend. Toch ontstaat uit die ogenschijnlijk willekeurige zinnen een beeld, wordt een – absurdistische – geschiedenis vertelt. Er opent zich iets, alsof ik lang van huis ben geweest, ongewone dingen heb beleeft. 

    In het essay Pantha Rei – Alles stroomt over Stephan Enters werk schrijft Sander Kollaard dat literatuur moet uitnodigen tot het verlaten van de eigen ‘vesting’. Een waarachtig en enthousiasmerend essay. Beginnend met de eerste drie zinnen uit een verhaal uit de verhalenbundel Winterhanden, waarin een pannetje water aan de kook wordt gebracht. Kollaard duidt die eerste zinnen als een ‘handreiking’ naar de lezer, een stijlvorm. ‘Stijl, zo begrijpen we, is een vorm van empathie. Het is een middel voor de schrijver om zijn verhaal zo te vertellen dat de lezer het tot bloei kan brengen. Daarom is stijl – niet plot, niet thema of motief, niet inhoud of onderwerp – het kerningrediënt van grote literatuur.’ Drie heldere zinnen die, zo schrijft Kollaard ‘ons door Enter overhandigd [worden] als het doekje waarmee we de beslagen bril van ons solipsisme kunnen wissen, zodat we helder kunnen zien,’.

    Ik las nog nooit een zo oprecht ophemelend stuk van een schrijver over het werk van een literaire tijdgenoot: ‘Pastorale kan denk ik – naar analogie van de The Great American Novel – het beste worden gelezen als een Grote Hollandse Roman: een panoramisch beeld van een hele samenleving.’ En ik weet, Kollaard heeft gelijk! Zelfs als ik het boek niet had gelezen, zou ik hem geloven: Pastorale is The Great Dutch Novel! Wat een vreugde, alsof er een rivier is overgestoken, een andere kant is bereikt.
    Er staan meer overtuigende als even verontrustende stukken in deze Tirade. De loterij van Shirley Jackson (1916-1963), vertaald door Caspar Wijers, een gedwee verhaal over een traditionele loterij in een dorp met driehonderd inwoners, de uitkomst is schrikbaren, het ‘waarom’ houdt je bezig. Twan Zegers’ verhaal Vaderland over een aanslag in Parijs, is geladen met een schuldvraag dat aan het eind afgaat als een geweerschot. Julien Ignacio legt het gedachtegoed van een FvDer vast in Dagboek van een boreaal. Het leest alsof je je ergens aan brandt. En dan het besef dat heel de wereld brandt. Waar halen we het bluswater vandaan?

     

    Overige bijdragen in Tirade Nr. 477 van Hans van Pinxteren, Lizette van Geene, Ineke Riem, Marita Mathijsen, Elfie Tromp, Daan Doesborgh en Sasja Janssen, de (evenwichtig treffende) illustraties zijn van Jeska Verstegen  / Van Oorschot (2019).


     Inge Meijer (pseudoniem), reist met het OV, schrijft over haar belevenissen onderweg en aan de rand van de literatuur.

     

     

  • Stamelend

    Ik trok een rustig baantje in het zwembad toen twee dames op me toe kwamen zwemmen. Het was duidelijk dat ze niet van plan waren om ook maar een duimbreedte te wijken, dus perste ik me tegen de wand van het zwembad zodat ze voorbij konden zwemmen. Ondertussen vervloekte ik mezelf. Waarom was ik, opzij gegaan? Dat hadden zij toch ook kunnen doen? De vaardigheden om me te laten gelden ontbraken mij, ik moest toch eens leren assertief te zijn.

    Niet veel later was ik op een boekenmarkt waar ik tegelijk met een dame de hand uitstaken naar hetzelfde boek. Ik was een fractie van een seconde eerder. Mijn goede voornemens betreffende  assertiviteit indachtig zei ik vriendelijk maar beslist dat ik het boek het eerst had gezien en het dus van mij was. Waarop de dame de tranen in de ogen sprongen terwijl ze zei dat ik daarom toch niet zo onaardig hoefde te doen? Ik was onaangenaam verrast. Net die éne keer dat ik mijn zelfrespect wil opkrikken, tref ik iemand die evenmin als ik geschikt is om het op te nemen tegen de rest van de wereld. Een grimmig gedicht van Hans Dorresteijn schoot me te binnen, het leek waarachtig wel voor mij geschreven.

     Hoe het niet moet

    ‘Het voordeel van over je heen laten lopen is
    dat je met niemand problemen hebt.
    Toen ik besloot mij niet meer in een hoekje
    te laten drukken, kreeg ik prompt onenigheid
    met vrouwen, vrienden, elektriciens, kleine
    kinderen en huisdieren. 

    (…)

    Soms verlang ik waarachtig terug naar vroeger.
    Er was vrede. De gesprekken verliepen gemoedelijk.
    Het ging van: ‘Tsjee, wat loopt het hier lekker
    zacht. Is dit soms een Perzisch tapijt?’
    ‘Nee, geen Perzisch tapijt, vriend. ik ben het.’
    ‘Goh, je zou toch zweren dat je over een Perzisch
    tapijt liep, zo zacht is het, heb je bezwaar
    als ik er even bovenop kom liggen? Met jouw vrouw?’
    ‘Wie ben ik dat ik bezwaar zou maken. Condooms
    vind je in de linker la van het buffet.

    Alles beter dan ruzie.’

    Er zat niets anders op dan knarsetandend te erkennen dat ik niet meer veranderen zou. Stamelend heb ik mijn excuses aangeboden, gezegd dat ik niet wist wat er over me gekomen was en dat ik normaal niet zo deed, wat helemaal klopte. Het boek heb ik wel gehouden.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensente bij Literair Nederland en een groot lezer.

     

  • Hazenpad

    Toen er de laatste weken volop werd teruggeblikt, lijstjes werden gepresenteerd, er relletjes ontstonden rond het werven van stemmen voor beste boek van het jaar en het vooruitblikken loskwam, koos ik het hazenpad. ‘s Nachts zette ik me in de tuin, wachtend in de stilte op het gekwinkeleer van een vogel die elke nacht mijn nieuwsgierigheid wekte. Ik dacht een nachtegaal, maar weet niets van vogels. Overdag was ik met Belmiro Borba, een man zonder bestemming uit Belo Horizonte. We gingen samen uit, waren met zijn vrienden in het park, voerden filosofische, door drank aangespoorde gesprekken. Het was kerstavond 1934 en we namen de tram naar Calafate, naar zijn huis, een fazenda van zijn familie waar Belmiro woont met zijn twee stokoude zussen. De een wordt op gezette tijden opgenomen in een inrichting, de ander zet tijdens de maaltijden een kartonnen scherm voor haar bord om haar broer niet te hoeven zien.

    Onbereikbare liefdes zijn de gasoline waarmee Belmiro zijn dagen doorkomt. Verliefd op de mythe die hij zelf gecreëerd heeft rond het meisje Carmélia. Belmiro kan enkel op deze wijze de liefde aan, zo gauw deze fysiek wordt, verliest hij het bewustzijn. Liever droomt hij. ‘Toen ik een keer ‘s middags onder de luifel bij de voordeur zat, lichamelijk zeer verzwakt, zag ik haar zelfs het ijzeren tuinpoortje openduwen en naar me toekomen. (…) We praatten lang met elkaar, eindeloze uren, (…). Ze droeg een witte jurk, die haar lichter maakt en haar maagdelijke aanzien versterkt. Wat is deze liefde kuis! Geen lust of verlangen, geen sensuele voorstellingen.’ Carmélia trouwt uiteindelijk met een jongeman uit haar jeugd en gaat op huwelijksreis naar Europa. Belmiro overweegt,  ‘Als ik nou eens naar Rio ging om de afvaart bij te wonen, gewoon onverschillig, is dat geen idee?’ Waarna hij zichzelf direct op de vingers tikt: ‘Nou ja zeg, seu Belmiro, alleen al de gedachte om naar Rio te gaan sluit onverschilligheid uit. Blijf nou maar rustig in de Rua Erê en maak jezelf niks wijs.’  

    Toch gaat hij. Onder het mom van een zakenreisje reist hij naar Rio, ziet van een afstand het jonge stel de loopplank opgaan. Waardoor hij zich geërgerd afvraagt of hij naar Rio was gekomen om ‘dat’ te zien. Twee ‘doodgewone’ reizigers. Er gebeurde niets. ‘De aarde beefde niet, de zon werd niet verduisterd.’  Het is het leven op afstand dat Belmiro voor me inneemt. In zijn dagboek is er sprake van een onderzoekende geest, soms schimpend. Ja, dat is Belmiro, overdag is hij een timide, introverte jongeman van achtendertig, in zijn dagboek is hij een relativerende, soms nukkige oude man. Dagboekschrijven is voor hem een project, ‘Wie wil mag kwaadspreken over de literatuur. Ikzelf zal zeggen dat ik er mijn redding aan te danken heb. Ik kom bedrukt thuis, schrijf tien regels en word olympisch.’ Laten we gaan schrijven, onszelf overtreffen. Maar  lees eerst dit geweldige boek.

    Het was het roodborstje dat wanneer het ’s nacht wakker wordt direct aan het zingen slaat. Roodborstjes roeren zich net als Belmiro, het best in eenzaamheid.

     

     

    Ambtenaar Belmiro / Cyro dos Anjos / vertaald door Harrie Lemmens / Uitgeverij Koppernik


     

    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

     

  • Identiteit

    Er zijn schrijvers waarvan je elk nieuw boek blind koopt. Dat geldt ook voor overleden schrijvers als er een nieuwe boekvertaling verschijnt. Plots zijn ze herontdekt, goede literatuur is tijdloos. Na Gloed van Sándor Márai werd het een na het andere vertaalde boek van deze Hongaarse schrijver uitgebracht. Een ander voorbeeld is de Noor Knut Hamsun. En de Tjech Karel Čapek (1890 – 1938), van wie met enige regelmaat een nieuwe titel verschijnt, steeds vertaald door Irma Pieper in schitterend Nederlands. Deze drie schrijvers behoren tot mijn favorieten.
    Mijn kennismaking met Čapek begon met Een doodgewoon leven (1934), waarin de hoofdpersoon geen geëxalteerde held is, maar een eenvoudige spoorwegbeambte, een man als iedereen. Wanneer hij zijn memoires schrijft, blijken die verrassende inzichten in zijn persoonlijkheid te verschaffen. Hij is complexer dan hij altijd had gedacht, een inzicht dat we volgens Čapek op onszelf kunnen betrekken.

    Čapek schreef ook een paar zeer fantasievolle boeken. In Oorlog met de Salamanders (1936) wordt de mens voor de kust van een Aziatisch eiland geconfronteerd met een hyperintelligent salamandersoort. Het is een satire op totalitaire (onmenselijke!) systemen en inspireerde Orwell tot het schrijven van Animal Farm. In Oorlog met de Salamanders klinken de echo’s van Swifts Gulliver’s Travels en Defoes Robinson Crusoe door.
    Kritiek op het vooruitgangsgeloof vinden we al in het vroegere Krakakiet (1924) over een ingenieur die een raadselachtige, verwoestende springstof uitvindt, een briljante vooruitwijzing naar de ontwikkeling van de atoombom. Natuurlijk wil iedereen dit krakakiet hebben, met alle gevolgen vandien. Behalve verbeeldingsrijk zijn Oorlog met de Salamanders en Krakakiet ook nog eens ongelooflijk spannend.

    Ook het in 2017 verschenen Meteoor (1934) was direct op mijn stapel nog te lezen boeken beland. Omdat ik meer favoriete schrijvers heb, kwam ik er pas dit jaar aan toe. Het boek kan als een pendant gezien worden van Een doodgewoon leven. Alleen gaat het ditmaal over wat we kunnen weten van andermans leven, in dit verhaal dat van een neergestorte vliegenier, die onherkenbaar verbrand is en in coma ligt. Vanuit verschillende perspectieven lezen we vier mogelijke geschiedenissen, waaruit een fantastisch beeld oprijst van deze mysterieuze figuur.
    In het dit jaar verschenen Hordubal (1933) wordt er eveneens getracht de waarheid te achterhalen en hanteert Čapek opnieuw een wisselend vertelperspectief. Aan de lezer om ermee aan de slag te gaan.
    Dat is de kracht van fictie en van een goede schrijver: verschillende waarheden te verbeelden en je na te laten denken over je eigen identiteit.

     

    Een doodgewoon leven, Oorlog met de Salamanders, Krakakiet, Meteoor en Hordubal verschenen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar raakt ook geïnspireerd door schrijvers uit het verleden.

  • Een standbeeld

    In zijn pas verschenen boek Over normaliteit en andere afwijkingen, gaat de Gentse hoogleraar psychodiagnostiek Paul Verhaeghe in op mensen die afwijken van het gevestigde beeld van normaliteit. Iedere samenleving creëert zijn eigen beeld van de ideale mens. In onze tijd is dat een succesvol, ondernemend initiatiefrijk individu. Als je daarvan afwijkt ben je abnormaal. Er zijn twee soorten mensen die daarvan afwijken, aan de ene kant de losers en aan de andere kant degenen die veel te sterk aan dat beeld voldoen. Verhaeghe noemt als voorbeeld van deze laatste categorie president Trump. Als Hillary Clinton hem, tijdens de verkiezingen van 2016 toevoegt dat niemand ooit een belastingaangifte van hem heeft gezien behalve toen hij een casinovergunning wilde aanvragen, laat hij iedereen verbijsterd achter door te zeggen dat dat laat zien hoe slim hij is. Schaamteloos en immoreel, zeker, maar dat zo iemand gekozen wordt tot president, zegt veel over onze maatschappij: ik, in plaats van solidariteit. Presidenten worden uiteindelijk vereeuwigd in standbeelden en staatsieportretten. Hoe zal Trump vereeuwigd worden?

    Nu zijn helden per definitie lieden die qua gedrag afwijken van de norm. Marco Kroon is zo’n held, een gedecoreerde held zelfs, onderscheiden met de militaire Willemsorde. Deze hoge onderscheiding wordt hoogst zelden toegekend. Wijlen Prins Bernhard had er ook een. Kroon bevindt zich in goed gezelschap. Marco Kroon houdt lezingen over leiderschap, kameraadschap en loyaliteit. Het NOS-journaal berichtte onlangs dat hij door de militaire rechtbank in Arnhem is veroordeeld tot een werkstraf van honderd uur voor schennis van de openbare eerbaarheid en mishandeling van politieagenten. Pardon, dat kan niet waar zijn. Zo’n man loopt toch niet te swaffelen naar vrouwelijke agenten, en deelt geen kopstoot uit. De veronderstelling alleen al. Hoe komt de rechtbank daarbij?

    Vanzelfsprekend gaat hij in hoger beroep. Zijn goede naam zuiveren. Wij zullen nog van hem horen. Is het ontbreken van schaamtegevoel misschien een vereiste voor heldendom of, meer algemeen, voor leiderschap in extreem moeilijke omstandigheden? Schaamteloosheid was, volgens Annejet van der Zijl, ook Prins Bernhard niet bepaald vreemd. Mensen als Trump en Boris Johnson hebben er ook geen moeite mee de ene leugen aan de andere te rijgen. Gezien hun populariteit, denk ik dat dit een kwaliteit is. Ik zou dan ook willen pleiten voor een standbeeld voor majoor Marco Kroon: een acht meter hoge Manneke Pis.

     


    Huub Bartman is historicus, hij interesseert zich voor de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis schrijft daarover en zoekt naar verbindingen.

  • Kerstpudding en mistletoe

    Iemand zegt: ‘Plum speech. Ik moet een Plum speech houden’. Ik word wakker, ben het zelf die dit murmelt. Het klinkt aannemelijk, speechen over pudding nu kerstmis nadert. Waarom ook niet. Er zijn veel dingen waarvan ik denk er iets mee te moeten doen. Zo moet er een sfeer van kerst in huis komen. Moet de kamer anders ingericht, moeten er meubels uit, er iets bij. Ik voel me als de vrouw in The sorrowful wife, van Nick Cave, ‘Who is shifting the furniture around’.
    Ik zie voor me een feestelijk gedekte tafel met damasten kleden in een eetkamer met krullerige versieringen, een kerstboom tot aan het plafond, honderden lichtjes, – man, wat een lichtjes. Kerstmis vieren zoals in films en op plaatjes. Compleet met een goudbruin gebraden kerstkalkoen op een bed van groen, flonkerende wijnglazen, pasteitjes en het dessert iets met sterretjes. Mistletoe in de deuropening, kerstsokken aan de schoorsteenmantel, rond de kerstboom een stoomtrein die af en toe fluit, stoom afblaast. De boom zelf onbereikbaar door pakjes in alle maten en vormen, berg van beloften. Van knuffels die knipogen, poppen die babyflesjes leegdrinken, boeken die zichzelf lezen.

    Dan komt de titel Een wereld van mooie plaatjes, van Simone de Beauvoir in mijn hoofd. Over het leven van een jonge vrouw in Parijs, door haar ouders gemodelleerd tot voorbeeldige vrouw, met enkel do’s and don’ts hoe te leven. Ze werkt in de reclamewereld, verleidt  mensen dingen te kopen die ze niet nodig hebben. Een wereld van valse schijn. Voor haar dochter wil ze het anders: ‘Een kind opvoeden, dat is niet er een mooi plaatje van te maken.’ Een veelzeggend boek, met innerlijke conflicten, nog steeds van deze tijd, (jongens lees dit boek!).

    De kamer staat op zijn kop en ik lees Nacht en dag van Virginia Woolf. Over verschillen in burgerlijke stand, met diners en theevisites, voortreffelijk geserveerde gerechten waarbij gasten zich volgens de regelen der conversatiekunst vermaken. En loop door de straten van Londen naar jongerenbijeenkomsten, waarbij toen al gezeten werd op matrassen op de grond. Maar ook hier is wat je ziet, de buitenkant – schijn. Een boek waarin de werkelijkheid, heimelijke gedachten betrapt, gedachten achter geënsceneerde plaatjes kijken.
    ‘Ineens kwam de gedachte bij Katharine boven dat iemand die op dat moment de deur opendeed waarschijnlijk zou denken dat ze zich vermaakten; hij zou denken: wat een heerlijk huis om in binnen te komen!, en ze moest vanzelf lachen en zei iets wat bijdroeg aan het rumoer – wat vermoedelijk vooral het huis tot eer strekte, want zijzelf was helemaal niet zo opgewekt.’
    Als iemand de deur naar mijn huiskamer zou openen, zou die hem gauw weer sluiten. En niet zien hoe ik me vermaak met deze geweldige roman van Virginia Woolf.

     

    Een wereld van mooie plaatjes / Simone de Beauvoir / vertaling Ernst van Altena / Agathon (1980)
    Nacht en dag / Virginia Woolf / vertaling Barbara de Lange / Arbeiderspers (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Tikkende pootjes

    Er zitten eikenprocessierupsen in mijn hoofd. Ineens waren ze er, samengeklonterde rupsennesten met gemene netelhaartjes die alle ruimte innemen en erom schreeuwen beschreven te worden. Ik doe alsof ik doof ben. Dit ongedierte verdient gif, geen woorden. In een omtrekkende beweging grijp ik terug op een lijstje reserve-onderwerpen, gemaakt voor momenten als deze. Maar ideeën die liggen te verstoffen op een plank, worden zelden belangrijk.
    Als het schrijven hapert, rest lezen over schrijven. Een geluk, want ik houd ontzettend van lezen over schrijven en ik zou een column kunnen vullen met geweldige titels, zoals Briefroman van Juli Zeh of  De geest geven van Hilary Mantel. Ik las ze en keerde er veranderd uit terug.

    Maar het boek over schrijven dat de weg vrijmaakte en dat ik steeds herlees, kreeg ik jaren geleden cadeau van een goede vriendin. Ik stond op het punt mijn schrijven serieus te nemen en dacht nog dat zoiets een eenmalige beslissing was. Zo werkt het niet, staan voor wat je schrijft is een doorlopend en actief proces. Want wat is werkelijk belangrijk genoeg om over te schrijven? Hoe te schrijven als het leven je te slim af blijkt te zijn? Maken de slordige aantekeningen over die man zonder uiterlijk, daar verderop aan een tafeltje, of hoe je de tikkende pootjes van je overleden hond mist, werkelijk een verschil?

    Writing down the bones van Natalie Goldberg zorgt ervoor dat deze vragen niet beantwoord hoeven te worden. Niet vóórdat je hebt geschreven in ieder geval. Ze schrijft over de aubergines die ze overdag als keukenhulp sneed en hoe die ’s avonds in haar gedichten belandden, hoe ze uren doorbracht met haar Garfield-schrift in een willekeurige Croissant Express, dat ze stapels van zulke schriften heeft, grotendeels gevuld met ‘crap’ en hoe dat niet uitmaakt. Schrijf over die tikkende pootjes, zegt ze. Schrijf.
    Schrijven lost niet alles op, maar het komt er wel het dichtst bij in de buurt. Ik vertel de afgelopen weken steeds hetzelfde verhaal aan de mensen om me heen: ik heb MS. Het is te groot, te netelig, maar gif is een dooddoener. Laat de mezen en vleermuizen me helpen.

    Goldberg schrijft: ‘Sit down right now. […] Don’t try to control it. Stay present with whatever comes up, and keep your hand moving.’ Ik doe wat ze zegt, zoals altijd. Ik ga zitten, ik schrijf.

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijfster. In haar columns schrijft ze over de natuur en over boeken. In januari 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap (Atlas Contact).

  • Bladeren

    Wat ik jongeren die niet lezen zou willen zeggen: een boek hoeft niet helemaal gelezen te worden, je mag er ook in bladeren. Weet dat woorden zinnen vormen die tot fragmenten uitgroeien die blad na blad een verhaal, een boek, een roman worden. Weet dat het lezen van een woord, een zin genoeg kan zijn om gegrepen te worden. Het woord dat je dwingt verder te lezen is iets anders dan iemand die tegen je zegt dat je moet lezen, of je met een leeslijst opzadelt. Met zoveel boektitels op een lijst zou ik me ook geen raad weten. Alsof je uit de garderobe van je ouders een outfit moet aanmeten zonder te weten wat een outfit precies inhoudt. Dat anderen denken te weten wat goed voor je is, brengt je helemaal in de weigerstand. Dus neem het heft in eigen handen, laat niemand je zeggen wat je moet lezen, bepaal gewoon zelf dát je wilt lezen. Hoe te beginnen?

    Misschien hebben je ouders een boekenkast, snuffel daar eens in (kom je gelijk te weten wat de verlangens van je ouders zijn, dat kun je aflezen aan hun boeken) en anders ga je gewoon naar een boekenwinkel. Daar loop je langs de kasten (niet ingaan op de vraag of ze kunnen helpen, je kunt het zelf) en laat je ogen over de ruggen van de boeken gaan. Wat helpt is als je een beetje in de put zit, een beetje down bent. Oriënteer je op kleur, naam of titel van een boeken. Als een boek je aanspreekt (ja, boeken kunnen spreken), neem die eruit. Open het, lees een stukje, dat kan het begin zijn, een eerste zin zoals deze: ‘Nu ze bij elkaar zitten zijn ze niet meer zo bang.’ Of blader verder, vind een fragment als: ‘Met haar vingers graaft ze in de grond, in haar mond. De aarde knerpt tussen haar tanden, maar het smaakt niet vies. Woedend gebaart mama achter het raam: Wat doe je daar? Je lijkt wel gek! maar zo ontheemd voelt ze zich dat het knarst tot in haar ziel.’

    Knarsen tot in de ziel, dat zegt je iets, al vond je het eerst belachelijk (wie eet er nu zand?) Maar, als je eerlijk bent, wil je weten waarom iemand dat doet, en hoe het verder gaat met degene die het knerpen van zand tussen haar tanden tot in de ziel ervaart. Je bladert verder en leest over een innerlijke strijd naar vrijheid, naar een erkennen van wie je bent, in een taal die je niet helemaal begrijpt. Dat geeft niet, je hoeft niet alles te begrijpen, als je de passie maar voelt. Hoe woorden en meningen iemand gevangen kunnen zetten. En dat niets zo fijn is als lezen over dingen waar jezelf mee worstelt. Pak gewoon een boek, de rest gaat vanzelf.

     

    Citaten uit: Wind / Gerry van der Linden / Uitgeverij Auteursdomein


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Tweekoppigkalf

    Het is de tijd van de eindejaarslijstjes. Welk boek was het beste en welke film, welk festival had de meeste bezoekers? Op de uitgeverij vraagt mijn theezakje me naar mijn lievelingsboek, op Twitter iemand naar mijn favoriete film. Ik kom handen en voeten tekort voor alles, maar vooral voor het beantwoorden van die twee vragen. Te veel keuze. Eerder dit jaar stuitte ik op een Twitterdraad waarin lievelingsgedichten werden gedeeld. Zo maakte ik kennis met Laura Gilpin:

    The two-headed calf

    ‘Tomorrow when the farm boys find this
    freak of nature, they wil wrap his body
    in newspaper and carry him to the museum.

    But tonight he is alive and in the north
    field with his mother. It is a perfect
    summer evening: the moon rising over
    the orchard, the wind in the grass. And
    as he stares into the sky, there are
    twice as many stars as usual.’

    Wat is een goed gedicht? Die vraag lijkt zoveel moeilijker te beantwoorden dan de vraag wat een goed verhaal is. Of is dat maar schijn, is het bij nader inzien even moeilijk te vatten wat een verhaal goed maakt?
    Giplins enjambement roept eveneens vragen op. Is iedere regelafbreuk even functioneel of stond het wel gewoon lekker zo, een entertje na north? Gaat het over meer dan alleen deze anekdote of ligt de morele superioriteit er juist te dik bovenop? Freak of nature is een afhaakwaardig cliché, een en ander is niet vrij van sentiment. Maar dat newspaper maakt het schrijnend, levensecht, net als de wind in het gras. In het levensechte zit mijn betrokkenheid.

    Nergens staan de woorden death of die, die aangekondigde dood verzin je er in de witregel zelf bij. Maar zover is het nog niet, het dier leeft: kijk maar, het ligt in de boomgaard met zijn moeder – mother, niet cow – en het is een perfecte zomeravond. Ze gaan elkaar verliezen maar zij weten dat nog niet. Wij wel.
    De uitsmijter is er een van strijkorkest en vioolmuziek. Na alles wat niet uitgesproken wordt, smeert Gilpin op het laatst het verdriet uit in je gezicht. En waarom ook niet, het is toch ook gewoon droevig, die twee in het veld?
    Zoals een freak of nature voor iedereen iets of iemand anders behelst, zo weet ik niet zeker of dit goede poëzie is. Misschien is dat de verkeerde vraag. Ik vind het een prachtig gedicht, een van mijn favorieten.

     


    Marijn Sikken mijmert over boeken en verhalen en schrijft daarover. In 2017 debuteerde ze met de roman, Probeer om te keren bij Uitgeverij Cossee.