• La Paloma

    Ik zag hoe tijdens een gezellige avond in een zaaltje van het dorpscafé, de oude, knoestige mannen één voor één naar voren werden geroepen. Mannen met grote handen en grove trekken, die van jongs af aan van aanpakken wisten. Vaak nauwelijks tot hun elfde jaar de lagere school bezocht hadden, moesten meewerken op het land, of in de haven, omdat vaders loon ontoereikend was. Ze werden toen direct lid van de vakbond en nu, vijftig, zestig jaar later, kwamen ze hun gouden speldje in ontvangst nemen. Al dan niet met een robijntje naar gelang het aantal jaren van hun lidmaatschap. Zestig jaar geleden waren er geen vrouwen bij die avond in het café, toen was de plaats van de vrouw nog thuis.
    De vakbondafgevaardigde sprak de oude mannen toe en wist van iedereen een kleine anekdote op te dissen alvorens het speldje werd opgeprikt. Er werden foto’s gemaakt – de fotograaf fluisterde elk lid opnieuw in het oor dat de foto’s zouden worden thuisgestuurd – en de echtgenotes die trots naast hun mannen stonden, kregen een bos bloemen. 

    Eén vakbondslid had zich vrijwillig gemeld om de avond muzikaal af te sluiten. Midden op het podium zat hij achter een synthesizer, als vanzelf klonken de stampende ritmes. Hij zong erbij en zette steevast net iets te laag in waardoor hij aan het eind van het lied onder zijn register zat, alleen nog brommend kon fluisteren. De liedjes kwamen uit de oude doos: Jim Reeves was langs gekomen, het ‘Blonde Greetje uit de polder’ hadden we al meegezongen en ‘Blue Spanish eyes’ kende ik ook wel. Maar hij zong geen ‘rode’ strijdliederen, geen socialistische hymnen of de Internationale, het strijdlied van de arbeidersbeweging dat door Henriette Roland Holst in 1900 vertaald was. ‘Tante Jet’, zoals ze genoemd werd, had zich verwoed ingezet voor het sociaal marxisme. Zo schreef ze: 

    ‘Over de zwakheid van het verenkelde’

     […]
     zoo doet hij, die zijn machtwoord luid laat rijzen,
     boven den wil van een geheel geslacht,
     vergetend dat gezamentlijke wijzen
     alleen, de schoonheid paren aan de kracht.

     Want koren worden gemak’lijk gedragen
     door ruimten heen, waar ééne stem bezwijkt
     wijl alle stemme’ in kore’ elkander schragen.
     En wie alleen wil zingen, moet niet klagen
     wanneer zijn stem soms onwelluidend blijkt,
     en niet zoo ver, als een koor draagt, kan dragen.’

    Net toen ik dacht dat de zanger deze strofen ter harte kon nemen, zette hij het lied van Freddy Quinn, ‘La Paloma’ in. Ineens was ik terug in de keuken van mijn ouderlijk huis en zag mijn ouders samen dansen bij de radio. Het was hun lied, het werd gedraaid op hun 25-jarige bruiloft, en het werd gespeeld toen mijn moeder gecremeerd werd. Ik knipperde met mijn ogen: het moment was voorbij voor ik werkelijk verdrietig kon worden. De zanger had trouwens al ‘The green, green grass of home’ ingezet.

     

    Citaat uit: Sonnetten en verzen in terzinen geschreven, (1896).


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Ramen open

    Het liefst houden we vast aan oude gewoonten, ventileren we meningen die net zo vastliggen als een voorgeschreven computerprogramma. Al kent een computerprogramma zijn update’s die het geheel bijwerken naar een nieuw functioneren. Een computer blijkt veranderlijker van aard dan de mens. De mens laat zich moeilijk dwingen. Deze en meer gedachten over de beperkingen van de mens, werden aangezet door de Gutmensch scheurkalender 2021. Een scheurkalender over vluchtelingenbeleid, de opkomst van extreem rechts. Ik wil niets weten van extreem rechts, ik ben zo iemand die denkt dat als je het er steeds over hebt, het werkelijkheid wordt. Struisvogelpolitiek, daar ben ik goed in. Zo’n kalender schudt de boel dan flink door elkaar. De eerste dagen van het jaar op de scheurkalender zijn vrij onschuldig. Adriaan van Dis opent het jaar op vrijdag 1 januari met, ‘Mijn bijbel kent maar één zin: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Zo’n mantra maakt voor hem het leven dragelijk. En wat Van Dis doet als er weer en boreale wind opsteekt? Dat leest u maar als u de scheurkalender in huis heeft.

    Op woensdag 13 januari, de dag dat Emile Zola zijn open brief ‘J’accuse…!’ gepubliceerd zag, tekst en uitleg op de keerzijde van het kalenderblaadje. Op 26 maart een tekst over menselijkheid, van een dochter wier vader tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet zat, desondanks niet wilde dat zijn dochter, toen de verslagen Duitse troepen door de straten liepen, zij ze uitjouwde. En dan ga je door, want deze scheurkalender is toch zoiets als een boek, er zit een lijn in. En die lijn is heftig, over mensenrechten, klimaatbewustwordingen, uitgezet worden. Elke dag iets om over na te denken, dingen binnen te laten komen. Er is een ‘Wereld Emoji Dag’, met ‘emoji’s voor de typische migrantenervaring’ zoals een overlopend toilet, kapotte slipper, pot met eten op kampvuur, doorzakkende tent in de regen, zakje rijst,… En de vermelding dat vluchtelingen eigenlijk geen mobiel behoren te hebben, want: minder sympathie vanWesterse burgers. Jaja, doordenkertjes over hoe we in elkaar steken.

    Voor vrijdag 25 juni een West-Aziatische fabel, over hoop, dat gaat zo,

    ‘Het bos werd steeds kleiner,
    maar de bomen bleven op de
    bijl stemmen. Want de bijl was
    slim. Zijn steel was van hout.
    Met dat argument wist hij de
    bomen ervan te overtuigen dat
    hij een van hun was en aan hun
    kant stond.’

    Zondag 28 november wordt de geboortedag van Stefan Zweig gememoreerd. Ook dat Zweig een wetmatigheid benoemde, dat ‘mensen in hun eigen tijd op aarde niet in staat zijn om het begin van grote, bepalende historische bewegingen te herkennen’. Toch zou je denken dat het onderhand eens tijd wordt dat uit al die vluchtelingen ervaringen een les te leren is. En dat je de dingen die belangrijk zijn, dingen die je nìet mag vergeten dagelijks onder ogen moet krijgen om enige verandering teweeg te kunnen brengen. Daar is een scheurkalender uitermate geschikt voor. Elke dag een gedachte, een argument, feiten en context voor een menswaardig leven. Kom maar op 2021, met deze Gutmensch Scheurkalender zetten we deuren en ramen open, weg met de angstvalligheid. 

     

     

    Gutmensch Scheurkalender 2021 / samenstelling Linda Polman / met medewerking van zo’n honderd auteurs / Illustraties en vormgeving Saskia Kunst en Saskia Pfaeltzer / uitgever Jurgen Maas


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, werkt aan een goed verhaal.

     

     

     

  • De jongen in het jurkje

    Voor mijn zesde verjaardag wenste ik een tunica, gemaakt van rode stof met een witte band aan hals, mouwen en onderkant. Het was exact ‘het jurkje’, zoals dat thuis werd genoemd, dat Alex droeg op het omslag van De gouden sfinx. Alex, blonde krullen, stoer, Galliër, stripheld. Bedacht door de Franse striptekenaar Jacques Martin (1921 – 2010). De gouden sfinx kreeg ik van tante Neel, de oudste zus van mijn moeder. Het album heb ik nog steeds. Vouw in het omslag, rug verwoest, resten plakband. Op het titelblad staat mijn handtekening met jaartal. De handtekening van een sprinter.  Klaar om weg te stuiven.
    Ik weet dat ik heb gesmokkeld met het jaartal, 1971 schreef ik er later in, misschien rond mijn tiende jaar. Bij de antedatering hield ik me, inmiddels verzot op tijdbalken en chronologie, aan het copyright-jaartal op pagina twee. Het boek moest ik in 1971 hebben gekregen, vlak voor ik naar de lagere school zou gaan. Want De gouden sfinx heb ik gelezen voor ik kon lezen.

    Heeft het album voor mij daardoor iets magisch gekregen? Liggend op mijn buik in de woonkamer bestudeerde ik elk plaatje tot in detail. Om te begrijpen, om te kunnen fantaseren. De gouden sfinx bood voor dat laatste alle mogelijkheden. De eerste zestien pagina’s spelen zich af in Gallië, woeste sneeuwvlaktes, Romeinse soldaten en Alex met wollen muts, lange broek en cape over een ontbloot bovenlijf. Zo’n stripheld heeft het zelden koud. Dan verschuift op die zestiende pagina het decor naar warmere oorden. Een boot vaart de haven van ‘Alexandria’ binnen, een nieuwe wereld van Antieke schoonheid. Alex draagt nu wel een rode tunica, maar dan eentje zonder de witte banden, van het omslag. Ik noem hier Gallië en Alexandrië, maar ik had – en dat herinner ik me nog goed – geen idee waar Alex vandaan kwam, waar hij was en waarom hij überhaupt de boot had genomen.

    En ik begreep ook niet waarom hij in het album niet de tunica van het omslag droeg, terwijl daar overduidelijk een scene uit het boek op was afgebeeld. (Nu begrijp ik het wel, het omslag is namelijk getekend bij de heruitgave en toen had Alex, die er inmiddels al meer avonturen op had zitten, van zijn tekenaar een vast kostuum gekregen.)
    De gouden sfinx wakkerde mijn liefde voor geschiedenis aan, maar het deed meer met mij. Want was het vanwege hem dat Alex de reis had ondernomen? Op het omslag staat achter Alex een donkere jongen met sluik haar. Hij draagt een blauwe lendendoek en loopt op blote voeten. Zocht Alex hem? Al die tijd? Raakte juist dát een snaar bij mij?  ‘Enak begint van plezier te rennen en Alex gaat achter hem aan. Hij vindt het fijn, dat Enak zo blij is.’
    Naar dat plaatje, waarop de twee vrienden ergens in Alexandrië de trappen oprennen, staarde ik het vaakst. Dat wilde ik ook. Onbezorgd één van twee zijn.
    En de tunica? Ooit heb ik er een proberen te maken van een oud wit laken, maar toen was ik al acht.

     

     

     

     

     

     

     



    Eric de Rooij
    (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Een hutje

    Ik zoek een plek om te schrijven. Een berghok lijkt me goed, zo een als waarin romanfiguur Larry Morgan, als beginnend schrijver en verteller in Wat behouden blijft, zijn verhalen schrijft. Of zoals hij zegt, ‘eigenlijk schreef het verhaal zichzelf, het vloog eruit als een vogel die uit een kooi werd losgelaten.’ Met sommige boeken blijf ik bezig, lees opnieuw fragmenten, kijk hoe de schrijver het gedaan heeft, waar de magie zit. Twee columns terug schreef ik over dit boek dat ik niet eerder zoiets gelezen had. In de Amerikaanse romantraditie is Wat behouden blijft een bijzondere roman zegt schrijver Jane Smiley. In een nawoord schrijft ze dat Stegner met dit boek zich zowel ‘heeft ontdaan van Hemingway’s idee van solitaire mannelijkheid als van Fitzgeralds idee van romantiek.’

    Het boek begint als Larry en zijn vrouw Sally, op verzoek van Charity, in 1972 terugkeren naar de heuvels in Vermont, de plek waar ze hun gezamenlijke zomervakanties doorbrachten. Charity is ongeneeslijk ziek. Herinneringen brengen Larry terug naar de cruciale momenten in hun levenslange vriendschap. De eerste ontmoeting midden jaren dertig, toen het leven nog enkel uit toekomst bestond. Sid en Larry zijn beginnend docent aan de Universiteit van Wisconsin, de een wil dichter worden, de ander romanschrijver. Sally en Charity zijn tegelijkertijd zwanger, voor Sally de eerste, Charity de derde. Larry schrijft, zijn verhalen worden geplaatst in magazines. Voor Sid staat het docentschap, onder invloed van Charity op de eerste plaats. In plaats van dichten moet hij promoveren.

    Charity is gecharmeerd van het bohémienachtige leven van Larry en Sally, trekt ze hun leven in, waarna een vriendschap ontstaat die paradijselijke trekken heeft. De picknicks, uitstapjes, een voettocht door de jungle. Tot, zoals Larry zich herinnert, de onvermijdelijk slang die zich in elk paradijs verbergt, opduikt. In de vorm van polio Sally treft. Later is er nog een reis naar Italië. Er vallen dingen voor, er is verwijdering (vooral in afstand) maar de diepte van verbondenheid, van ‘elkaar nodig zijn’, is steeds aanwezig. Er is een schitterende dialoog die ik herhaaldelijk lees. Over vijf pagina’s zetten Sid en Charity zich uiteen voor ze hun gezamenlijke leven aangaan. Sid declameert voor Charity:

    ‘Ik zal opstaan en gaan nu, en gaan naar Innisfree,
    en daar een hutje bouwen, gemaakt uit klei en twijgen;
    negen rijen bonen zal ik daar hebben, een korf voor honingbijen,
    en wonen, heel alleen, op bij-doorgonsd gebied.’

    Charity reageert luid lachend, ‘O, póéh Sid! Dat is een schitterend gedicht, maar het is geen plan voor het léven.’
    Dan weet je dat de kaarten zijn geschud, de regels bepaald. Deze dialoog, (zo schrijft Larry, is deels verzonnen, deels uit tweede hand van degenen die bij dit gesprek aanwezig waren, ook een romanfiguur ensceneert) geeft aan hoeveel Sid en Charity voor hen betekend hebben. In hun kracht en falen haalt hij ze liefdevol naar de voorgrond, worden ze onvergetelijk. Het is deze intensiteit van vriendschap waarover ik nog nooit gelezen had.
    Maar goed, ik ben dus op zoek naar een plek waar ik mijn hoofd kan openzetten, de verhalen eruit vliegen, ze enkel hoef op te schrijven.

     

     

    Wat behouden blijft (Crossing to Safety (1987) / Wallace Stegner / vertaling Edzard Krol / uitgeverij Lebowski (2015) / 414 pag. Citaat: W.B. Yeats


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, zoekend naar een goed verhaal.

  • Winternest

    Er valt een grijze ochtendregen. Ik poets mijn tanden en kijk naar buiten. Er scharrelt een egel in de tuin. Hij is de enige: katten en mensen zitten achter het raam en wachten af. Dit dier trotseert niet alleen de regen maar ook het daglicht met zijn bijziende oogjes. Hij stiefelt langs de heg, duikt onder stengels door, klimt het stoepje op en weet exact het gat in het hekwerk te vinden. Daar verdwijnt hij naar de buren. Ik loop naar de wastafel en spoel mijn mond. Een egel hoort thuis in de schemer. Ik keer terug naar het raam. Daar is hij weer, zijn puntige bekje vol dorre bladeren. Hij kuiert dezelfde route terug en verdwijnt in de uiterste hoek van mijn tuin. Egels houden van georganiseerde chaos. Dode takken, bladeren, vergeten hoeken en bosjes om in te schuilen. Dit vat mijn manier van tuinonderhoud redelijk samen.

    De tuin geeft aan, ik stuur hoogstens bij. De els die een paar jaar geleden uit zichzelf ontsproot, liet ik staan, al knot ik ieder jaar zijn pruik. Van zijn takken maak ik wallen. Ondanks die kaalslag zijn de tenen ieder jaar dikker. Over niet al te lange tijd zal hij het van mij en mijn handzaagje winnen. Het zevenblad, dat meerdere zomers op rij in steeds krachtiger golven de kop opstak, liet ik ongemoeid. Het kriebelde zich onder terrastegels een weg van west naar oost, maar lijkt sinds een jaar of twee op zijn retour. De fut is eruit. Dit jaar werd er niet eens gebloeid. Alsof de tuin zichzelf genas. Je zou mijn aanpak ook als lui kunnen bestempelen, het is maar hoe je ernaar kijkt. Wat telt is dat ik de egel een plezier doe. Hij sjouwt af en aan met dor blad. Ik voel me schuldig.

    Gisteren snoeide ik de laurierkers, de enige tuinbewoner waar ik het niet zo op heb, met zijn onbuigzame, leerachtige blad. Ik snoeide om komend voorjaar iets meer zon te vangen. Van de giftige takken maakte ik een vlechtwerk voor de composthoop. Misschien dat ik tijdens het snoeien een voet op het egelhol zette en moet de zoolganger daarom restaureren, bij daglicht nog wel. Hij schudt zich uit als een hond, verstapt zich bij het stoepje, een achterpootje glijdt weg. IJverig klimt hij er alsnog op. Die redt zich wel.

    Het is een fijne eigenschap van planten, dat ze tegen de klippen op groeien en dat bijsturen volstaat. Nergens groeit niets. Maar het verhaal waar ik al een tijd aan werk, stagneert. Ik kan aan weinig anders denken. Niet dat het helpt, dat denken. Er duikt geen plotselinge els op, ook geen egel. Al zit er natuurlijk wel een egel in het verhaal want als je het echt niet meer weet, kun je altijd nog over egels schrijven. Een waarheid die ik niet op een papiertje boven mijn bureau hoef te prikken. De nijvere egel werkt ondertussen onverstoorbaar door. Zijn winternest is bijna af.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • Zij huilt

    Wim Brands fietste als jongen naar Zutphen om het NRC te kopen, niet voor thuis, daar lazen ze geen kranten, maar voor zichzelf. Soms fiets ik de weg die hij toen fietste, vermoed ik. Voor de NRC vrijdageditite moet je vanuit Brummen en de buitengebieden, waar Brands opgroeide, nog steeds naar Zutphen. Brands fietste voor de krant om een stukje van Rudy Kousbroek te scoren, stukjes die hij als jongen verslond. Ik voor het ‘Cultuur’ katern en voor de ‘Achterpagina’, met Frits Abrahams. Abrahams signaleert, schrijft over zijn onwil in de pas te lopen, zijn tekortkomingen. Ik lees ze graag. Afgelopen vrijdag schreef hij over een plan J, dat de lockdown overbodig zou maken, bedacht door uitgever Menno Hartman en journalist Henk Peter Steenhuis. Een plan waarbij de bevolking in vier leeftijdsgroepen wordt ingedeeld, iedere leeftijdsgroep krijgt een deel van de dag om zich te verzetten, te chillen, theater, horeca te bezoeken. Geen gek plan. Of we het nodig zullen hebben hangt af, eindigt Abrahams zijn column, ‘van “het vaccin”, wat bijna een andere naam voor God is geworden.’

    Op een van die keren naar de stad fietste Wim Brands met zijn vader toen deze een epileptische aanval kreeg en in een ondiepe sloot viel. Hij liet hem daar liggen, fietste weg. Daar schreef hij een gedicht over, over die vader in een ondiepe sloot en de schaamte daarover. In zijn gedichten en korte prozastukken herken ik veel uit de omgeving waar ik nu acht jaar woon, waar Brands zijn jeugd verdeelde tussen insider en outsider zijn. Insider was hij als kind in het bos, outsider werd hij op school, in de stad. Ik herken de boerderijen, de ruïnes, vergeten schuren. De oude boer die steeds naar achteren loopt als ik voorbij fiets, nooit groet, had zomaar in een gedicht van Brands kunnen voorkomen. De telefoon is een terugkerend onderwerp in zijn gedichten. ‘Soms pakt ze de telefoon om te controleren / of er nog een kiestoon is – er valt / niet veel te kiezen -‘.  Of zoals in deze regels:

    ‘Te schrijven zoals mijn grootouders
     een telefoongesprek voerden.

    Ze belden nooit, ze werden
    een doodenkele keer gebeld

    en konden tot aan het einde
    van hun leven niet geloven

    dat hun stemmen ook elders
    klonken.’

    Geweldig te willen schrijven zoals zij ‘een telefoongesprek voerden’, en ‘hun stemmen ook elders klonken’. Een van zijn gedichten begint zo:
    ‘Ze hebben kaartjes voor het ballet maar zijn eigenlijk doodmoe / en willen naar bed. Hij heeft haast, zij treuzelt, de vlucht uit de dag begint met strijd. / Zijn jas is te krap, zij huilt, terwijl ze dat later pas wil, / Zij kent hem. Hij vindt het overdreven / dat twee mensen zo ongelukkig van elkaar houden /(…).’
    Er is een terugtrekken, een ontsnappen aan, in veel van zijn gedichten. Als ik over onverharde wegen in de buitengebieden van Tonden en Voorstonden fiets, dan zie ik nog wel eens zo’n jongen die een is met het land, op weg naar de stad.

     

     

    Uit: Wim Brands, Verzamelde gedichten / samengesteld door Monique Edelschaap en Thomas Verbogt / 521 blz. / Van Oorschot (2017). Lees hier meer over Plan J.


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, zoekt naar een goed verhaal.

     

     

  • Cruciale momenten

    Tijd werd opeens schaars dus haastte ik me dinsdag net voor sluitingstijd naar de bloemist. Daar zocht ik verschillende bloemen uit die de bloemenverkoopster tot een bos samenbond, er een goudkleurig papier omwikkelde. Ze begreep het wel, zei ze. Ik vond het niet eens raar dat ze me bij het verlaten van de winkel een fijne persconferentie wenste, ik ‘Insgelijks’ zei. Thuis maak ik een pastasalade, trek een fles wijn open, zet het keukenkrukje voor de bank, laptop erop, speakertje erbij. In de keuken maak ik een dressing van olijfolie, knoflook, citroensap, basilicum en honing, roep naar buiten, naar Mijn lief die daar iets aan het maken is, dat we kunnen eten. Er hangt iets in de lucht. Ik heb dat ook wel bij het openen van de mailbox, dat ik daar die ene, niet verwachte brief vind. Dat alles verandert. 

    Ik verdeel de pastasalade over twee kommen. Denk aan de tijd toen iedereen dezelfde tv-programma’s keek, er de volgende dag over gesproken werd, hoe goed iets was, of hoe slecht. Het was makkelijk praten, we wisten niets van de wereld. Ik denk, ‘Wat behouden blijft’. Een titel die zich in me heeft vastgehaakt, als een angel in een vissenbek. Het leidt me af van het nieuws, dat toch eigenlijk oud nieuws is. Er is behoefte aan een verhaal dat zich langzaam ontvouwt, regel voor regel, alinea na alinea, vierhonderddertien bladzijden lang. Het begint zo, ‘Terwijl ik uit verwarrende dromen en herinneringen naar boven kom, slingerend als een forel opduik door de kringen van eerdere stijgingen, bereik ik het oppervlak. Mijn ogen gaan open. Ik ben wakker.’
    Een man wordt gedesoriënteerd wakker, tijd en ruimte presenteren zich aan hem, ‘Het is duidelijk nog heel vroeg. Het licht dat door de kieren van de jaloezieën lekt, is niet meer dan een schemering. Maar ik zie, of herinner me, of beide, de gordijnloze ramen, de kale dakspanten, de houten wanden die leeg zijn, op een kalender na, die er acht jaar geleden geloof ik ook hing, toen we hier voor het laatst waren.’

    Hij stapt uit bed, ‘Sally slaapt nog’ (zijn vrouw), loopt langs de kalender, ziet dat het toch een andere kalender is dan hij zich herinnert. ‘Er staat correct dat het 1972 is, en dat het augustus is.’ Het is dus de zomer van 1972, ik bevind me in een huisje met een man die op blote voeten naar de deur loopt, na een lange reis hier aangekomen voor een laatste ontmoeting met vrienden.
    ‘De deur kraakt als ik hem voorzichtig open. Een frisse lucht, een grijs licht, een grijs meer daar beneden, een grijze hemel achter de Canadese dennen waarvan de toppen een flink stuk boven de veranda uitsteken.’ Hij vertelt over de plek ‘waar gedurende de beste jaren van ons leven vriendschap een thuis vond en geluk zijn hoofdkwartier had.’ Waarna in flarden de cruciale momenten uit een levenslange vriendschap tussen twee echtparen wordt beschreven. Een prachtig verhaal, wonderlijk boek, niet eerder las ik zoiets. 

     

    Wat behouden blijft / Wallace Stegner / vertaling Edzard Krol / 413 blz. / uitg. Lebowski (2015)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, zoekt naar een goed verhaal.

     

     

  • Zeehonden

    Het was druk en benauwd in het zwembad. De hoofden van de zwemmers dreven op het water als gehaktballen in de soep. Maar het grootste gedeelte van de bezoekers was verdeeld over de hoeken van het zwembad, waar ze in kleine groepjes met elkaar stonden te kletsen. Het water kwam niet hoger dan hun heupen, want hun haar wilden ze droog houden. Ze leken op een groep zeehonden, die dikke oude vrouwen, in zwarte en donkerblauwe badpakken  – donkere kleuren kleden slank af – zeehonden die de hele dag lang op het strand of op de rotsen bij de zee liggen, lui en langzaam bewegend terwijl ze af en toe naar elkaar snorkten. Toen kwam er een jonge vrouw binnen, een mooie, elegante vrouw in een vlammend rode bikini die uit niet meer dan drie lapjes bestond om de strategische punten van haar lichaam te bedekken. Ze stond aarzelend aan de rand van het bad, keek rond.

    Alsof het zwembad veranderd was in een bijenkorf, zo begon het ineens te gonzen. Hoofden werden gedraaid in de richting van de indringster in rood, het fluisterend geroddel was bijna verstaanbaar. Het meisje werd net zo rood als het onderwerp van de verontwaardiging  van de vrouwen, ze kon alleen maar ontsnappen aan hun commentaar door een elegante duik in het water te nemen. Het duurde niet lang voor ze uit het water kwam en verdween in een van de kleine hokjes om zich om te kleden. Het verontwaardigde geroezemoes hield nog even aan, maar de overwinning was behaald, het geroddel stierf weg.

    ‘Vleugelslag

    Zwemmen moet je leren. Het vaste omzetten in vloeibaar.
    Veren op de steunzool van het water. Liggen op het water.
    Zwemmen is loslaten, drijven, meegaan met de stroom.

    Maar wat is vliegen? Vliegen is dit alles niet.
    Vliegen valt niet te leren. Je kunt het of
    je kunt het niet. Alle vrouwen kunnen het.
    Ze zijn het soms vergeten. Vliegen is de weidse
    bandeloosheid van verlangen, loskomen op eigen kracht.

    Geen makke schoolslag maar een vlindervlucht:
    het overwinnen van je zware zelf en opstijgen,
    klapwiekend, wervelend, de lucht doorklievend.
    De vleugelslag van vrouwen is verraderlijk. Mooi.’

    De week daarop, toen alle zeehonden weer verzameld waren, verscheen de jonge vrouw weer. Deze keer droeg ze een donkerblauw badpak dat haar prachtige lichaam van de hals tot haar billen omsloot. De matrones mompelden goedkeurend, glimlachten en knikten toen ze hen voorbij zwom. De orde was hersteld, ze hadden overwonnen en konden het zich veroorloven vriendelijk te zijn. Ze was nu een van hen.
    Het begon al te schemeren toen ik mijn zwarte zeehondenvacht afstroopte en weer mens werd. Maar dat voelde niet als iets om trots op te zijn.

     

    ‘Vleugelslag’ uit: Het onverborgene / Lut de Block / Arbeiderspers


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Pianoklanken

    Ik las over een man die aan de overkant van de straat staat te kijken naar het huis waar hij opgroeide. Hij kijkt naar het raam van zijn vroegere kamer. Hij kijkt zolang tot hij de stem van zijn zus hoort, die roept dat ze er is, thuis is. Beneden ziet hij zijn ouders aan tafel zitten, ze lezen, of scrabbelen. Dan opent hij de kamerdeur van zijn pleegbroer, zijn zus ligt bij hem in bed. Dat wist hij niet, dat ze iets hadden met elkaar. Ze negeren hem, alsof ze slapen, hij er niet toe doet. Hij voelt het nog. Dan gebeurt er iets magnifiques, de man die naar de kamers van het huis uit zijn jeugd kijkt, loopt de trap af, het huis uit en voegt zich in de man die staat te kijken naar het huis uit zijn jeugd. Dit beschrijft Thomas Verbogt in zijn boek Als je de stilte ziet. Verbogt schrijft over de dingen die er in een leven gebeurd zijn, in zijn leven gebeurd zijn. Herinneringen als leidraad, wat blijft, en is wat blijft van enig nut voor het heden? Alles wordt herzien, gedachtegangen nagelopen, eigen oprechtheid langs de meetlat gelegd.

    ‘Ik vraag me af wat ik meen van wat ik zeg’, denkt de man die zijn best doet de ander niet voor het hoofd te stoten. Hij denkt graag dat het goed is zoals ‘het’ is gegaan, onmachtig zijn ongenoegen te uiten. Ik denk aan een bevriend stel in Friesland, die er alles aan deden hun ecologische voetstap tot minder dan een minimum te beperken. Dat deden ze met een diepe ernst. Ik bezocht ze tijdens een strenge winter, had een trui aan met een dubbele rand bij de hals waardoor het leek of ik twee truien over elkaar droeg. De vriend, zuinig met complimenten, zei dat ik me goed gekleed had, kijkend naar de hals van mijn trui. Ik zei, ‘Ha, ja, dat lijkt maar zo. Dit is gewoon een dubbele rand aan de trui zelf.’ De vriend begon plots te lachen, hard te lachen, sloeg zich daarbij op de bovenbenen. Ik grijnsde wat mee. Later in de trein naar huis voelde ik verontwaardiging.

    De man die staat te kijken naar zijn vroegere huis denkt vaak ‘Lul’, als zijn pleegbroer hem weer eens heeft afgewezen. De man denkt sowieso meer dan hij zegt. ‘Time seems to pass. The world happens, unrolling into moments, and you stop to glance at a spider pressed to its web.’ Dit citaat gaat vooraf aan zijn dubbelroman Onze dagen en Het ongeluk uit 2007. Het geeft aan hoe ongrijpbaar de dingen voor de schrijver zijn. Alles lijkt de man, die staat te kijken naar zijn vroegere huis, te ontglippen. Weemoedig word je ervan, weemoedigheid als pianoklanken die op een herfstnamiddag door een open raam over straat uitwaaieren.
    In een interview zei Verbogt, ‘Ik schrijf over de melancholie van iets wat niet is doorgegaan, de aanwezigheid van iets wat afwezig bleef.’ Daarover schrijft hij raadselachtige verhalen die altijd iets raken. Prachtig boek, verrassend slotstuk!

     

    Als je de stilte ziet / Thomas Verbogt / Nieuw Amsterdam (2020)
    Citaat uit: The Body Artist van Don DeLillo


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.

  • Sontag

    Alles klopte. Het Bretonse vakantiehuisje had strooien muren en lag op een heuvel. Daar beneden zag je enkel bos, hei en brem. De tuin bestond uit hooiachtig gras met fruitbomen, tussen twee daarvan hing mijn hangmat. Een amandelcroissant op de grond ernaast. Perfect gedoseerd viel er schaduw op mijn boek. Tussen de planken van de veranda schoten hagedissen weg. Er was tijd. Ik las de biografie van Susan Sontag. Het allereerste wat ik van haar las, waren haar eerste dagboeken (verzameld onder de titel Herboren). Ik herlas ze minimaal drie keer. Steeds werd ik gegrepen door de storm van ideeën en de rijkdom van haar woelige intellect die boven alles aanstekelijk was. Het contrast met haar gevoelsleven kon niet scherper. De vele affaires en relaties met mannen en vrouwen vielen met name op door een schrijnende herhaling van zetten. Ik begon hongerig aan haar biografie en las met haast, alleen naar zee ging het boek niet mee (te zwaar).

    Weer die boekenarme jeugd en alcoholische moeder maar altijd al een intense denker, altijd een gebrekkige geliefde. Ook haar moederschap kwam er weer bekaaid vanaf. Dat ze op vrouwen viel, bleek helder uit haar dagboeken. Waar ik minder van op de hoogte was, waren haar onvermoeibare pogingen dit te verbergen en ontkennen. Ook nadat iedereen het eigenlijk wel wist. Je kon niet over Sontag praten en haar verholen homoseksualiteit ongenoemd laten. Bladzijde na bladzijde werd de vrouw intelligent, maar met groot mededogen door biograaf Moser ontleed. Ondertussen liep de vakantie ten einde, net als het boek en ik vertraagde, zoals altijd, zoals ik ook ooit de geweldige biografie over Salinger niet uitlas. Het einde kende ik al, iedere pagina een duister stapje dichterbij. Dus rees de vraag waarom ik sowieso aan biografieën begon, als ik ze toch niet eindigde.

    Uiteindelijk gaat het natuurlijk om de kunst en niet de kunstenaar. Tegelijkertijd ga ik als eerste overstag wanneer ik mijn hand kan leggen op de biografie van een favoriete schrijver. Om een glimp op te vangen van de achterkant van het borduurwerk?
    Deze biografie was in ieder geval meer dan dat, hij was rijkelijk meerstemmig. Daaruit bleek, veel meer dan uit haar eenstemmige dagboeken, dat zelfinzicht niet Sontags grootste kwaliteit was. Misschien was ze te goed geworden in verbergen. Een ontluisterend besef. Want verschilde zij daarin eigenlijk van ons? Van wie zouden er na onze dood vergelijkbare conclusies getrokken kunnen worden? Het is één van mijn grotere angsten, door anderen scherper gezien te worden dan door mezelf. Misschien lees ik daarom biografieën, om zoveel mogelijk stukjes mens te zien. Om de ander voor te blijven.
    Inmiddels had ik genoeg coquille Saint-Jacques gegeten voor een heel jaar en het legen van het droogtoilet was geen onverdeeld genoegen. Dus zwaaiden we naar de zwierige eigenaar van het huisje en reden terug. De laatste vijftig pagina’s wachten geduldig.

     

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • Plattegrond

    ‘Wie weggaat van de wereld laat voor wie blijft een
     spoor van vragen achter.’ 

    In Amsterdam was het stil op straat. Anderhalvemeter afstand leek een overbodige regel. Ik liep over de Nieuwmarkt naar de Nieuwezijds Voorburgwal, naar de Sint Olofspoort, het Waterlooplein, ging onder het IJ door. Onderweg verzamel ik de herinneringen van mensen die je gekend hebben in al die jaren dat ik niet wist waar je was. Langzaam ontstaat er een beeld, worden lijnen zichtbaar waarop ik mijn vinger leg, beweeg van A naar B, als op een plattegrond, om te zien waar je ging. Geregeld denk ik, ‘Als ik dit geweten had’, of, ‘Als ik dat gedaan had, hoe zou het dan?’ Een poëtische gedachte, de ‘als dit of dat’ gedachte. Het helpt om het verleden voor even naar je hand te zetten. Deze zomer las ik de gedichten van de Portugese schrijfster Maria do Rosário Pedreira. Daarin krijgen emoties de vrije hand, enkel de woede ontbreekt. Daar had ik wat mee te stellen de laatste tijd, met onverwachte woede, om hoe de dingen gegaan zijn. 

    ‘Ik herinner me het muurtje tussen de weg en
    het strand. Daar gingen we zitten alsof we voor altijd
    het eerste streepje zonlicht konden bewaren, januari,
    een tijdens de nacht geleerd woord, of een eiland
    dat oprees uit de zee en doelloos ronddreef. Veel later
    zouden wespen en meeuwen op het geluid van mijn
    vingers in je haar afkomen – als lang verwachte engelen.’

    Pedreira dicht over verlangens die kwellen, van liefdes en levens die voorbij zijn, tussen de strofen door sijpelt verdriet en een zekere tederheid. Er spreekt verlatenheid in deze bundel, die niet zonder meer Scherven heet. Een verlatenheid die ook uit de verhalen van Natalia Ginzburg spreekt. Scherven is tweetalig uitgegeven – wat mooi is, de Portugese taal in het Nederlands te kunnen zien overgaan – waarmee een vertaler zijn werk vrijgeeft, laat zien welke keuzes hij maakte. Hoe in de ene regel het woord ‘medo’ vertaald wordt als ‘bang’, in een andere regel met ‘angst’. En ‘assustada’ ook de betekenis van bang zijn heeft. De nuances, het zoeken van de vertaler naar de juiste gradatie van een emotie. Ik zocht naar verschillende benamingen, gradaties van emoties.
    ‘ik ben bang. De maan is er nog maar voor de helft, de aarde beeft. En ik beef van angst dat je niet terugkeert.’
    (estou assustada. A lua está apenas por metada, a terra treme. E eu tremo, com medo que nao voltes.)

    Deze bundel was de hele zomer bij me. Telkens sloeg ik het open, verkende opnieuw de regels van verlangen, herkende klanken van voorbije levens.  Sommige gedichten zijn als een lied, het zingt terwijl je leest.

    ‘Ze bewaarde een paar stiltes en ook de dingen
     die ze gewoon bij toeval niet had gezegd. Ook bewaarde ze
     nu die toevalligheden, blanco berichten tussen de woorden,
     waarvan ze er te over had. Desondanks zou ze altijd die
     woorden bewaren, of het beeld van lippen terwijl ze ze
     zeiden – een gezicht dat nog niet triest aan de zomer herinnerde.’

    Zomers kenmerkten zich vroeger door een zomerliefde, een zomerhit. Door deze bundel zal ik mij de zomer van 2020, de zomer waarin jij verongelukte, altijd blijven herinneren.

     

     

    Scherven / Maria do Rosário Pedreira / gekozen, vertaald, nawoord  Harrie Lemmens / Uitgeverij Koppernik


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.

  • Een baksteen

    Het was laat geworden toen de vergadering eindelijk voorbij was. Mijn collega  bood aan me met zijn auto naar het station te brengen, vandaar zou ik de trein naar huis nemen. De nachtlucht was scherp en koud, de sterren schenen stralend aan de donkere hemel. Het had gesneeuwd en het landschap leek een illustratie uit een boek van Anton Pieck. We liepen door de hobbelige straten van het slapende dorpje, gordijnen waren gesloten, geen mens op straat, zelfs niet om nog een laatste keer de hond uit te laten. Toen we langs een rij geparkeerde auto’s liepen, zagen we dat bij één van de auto’s de sleutels nog in het deurslot staken. We waren van mening dat we niet zo maar door konden lopen. Dus ik liep naar het huis waarvoor de auto geparkeerd stond en drukte op de bel. Na een poosje deed een oudere man open, een grote man met een baard en een bril. Hij nam ons argwanend van hoofd tot voeten op terwijl hij probeerde in te schatten met wie hij te maken had op dit late uur. Zijn blik bleven hangen bij het zwarte gezicht van mijn  collega.

    Hij snauwde, ‘Wat moeten jullie?’ Ik zei, ‘Pardon meneer, is dat uw auto die hier voor de deur staat?’ Meteen werd hij nog achterdochtiger, deed een stapje terug en vroeg, ‘En wat dan nog? Wat hebben jullie daarmee te maken?’
    ‘Helemaal niks, meneer,’ zei ik, ‘ik wilde alleen maar zeggen  dat u de autosleutels aan de buitenkant van de deur hebt laten zitten.’ Als bij toverslag veranderde zijn houding. Hij ademde opgelucht uit en bedankte me uitbundig, steeds maar weer. Hij schudde langdurig mijn hand, mijn collega, die uiteindelijk ongevaarlijk bleek, daarbij volledig negerend. Die haalde gelaten zijn schouders op en voegde dit nare incident toe aan een lange rij van vervelende ervaringen die met zijn huidskleur te maken hadden. Ik voelde me onpasselijk worden van woede, wilde tekeer gaan, heel dat kleine dorp verwoesten, platbranden tot de grond toe, tot alleen smeulende resten zouden overblijven. Het zou niet helpen, ik zou me er maar even beter door voelen.

    Na deze gebeurtenis kon ik het bekende gedicht van Lucebert nooit meer lezen zonder aan die avond te denken:

    ‘Er is een grote norse neger in mij neergedaald
     die van binnen dingen doet die niemand ziet
     ook ik niet want donker is het daar en zwart

     maar ik weet zeker hij bestudeert er
     aard en structuur van heel mijn blanke almacht

     hij morrelt wat aan halfvermolmde kasten
     dat voel ik – splinters schieten door mijn schouder
     nu leest hij oude formulieren dit is het lastigst
     teveel slaven trok ik af van de belasting’

    Die avond zelf was ik alleen maar op zoek naar een baksteen, om door het raam van de auto te gooien.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.