• Laat het sneeuwen!

    De zomer komt eraan, ik ruik het in de lucht. Al gauw zal de zon branden en de snelwegen zullen vol staan met auto’s die in de file wachten om stapvoets naar de kust te gaan, met de halve bevolking erin, die een lange en saaie reis onderneemt alleen maar om de hele dag zwetend op het strand te kunnen liggen. De buren zullen barbecuefeesten organiseren en de stank van verkoold vlees zal bezit nemen van mijn achtertuin, net als de schrille stemmen van hun kinderen die mogen opblijven tot ze moe en vervelend worden. In de stad zullen, als het weer mag, alle terrassen van de cafés volgepakt zijn met mensen in korte broeken en rare petjes op. Iedereen is overal, om te zwemmen, te fietsen, te wandelen en tegen wildvreemde passanten te roepen dat het zo’n heerlijk weer is. 

    Maar ik haat de zomer. Tijdens de hondsdagen kan ik alleen maar de titel van een gedicht van Ben van Eysselsteijn prevelen als een ononderbroken mantra: ‘O, laat het sneeuwen, Heer!’ Geef mij de herfst, de winter, de lange donkere avonden. Ik hou van stilte, ik kan niet tegen de hitte, word nooit bruin, eet geen vlees. Een barbecue is aan mij niet besteed. Laat mij Yeats lezen, rustig en geconcentreerd genieten van zijn poëzie die ik pas laat ontdekt heb en nu een groot deel van mijn dagen vult. Net als met zijn biografie The man and his masks van Richard Ellmann, die ook over Oscar Wilde schreef. Het is koel in huis, de radio laat zachtjes Bach horen, de katten liggen te spinnen en ik ben gelukkig.

    Maar de zomer zal dat voor me bederven. Als ik niet oppas zal ik door goedbedoelende vrienden worden meegetrokken naar bos of strand, naar terrassen en festijnen van zon en zand. Ze vinden dat ik er ‘nodig eens uit moet’ en zullen me niet geloven als ik zeg daar geen behoefte aan te hebben. Dat ik al op stap ben geweest met Yeats, naar Ierland en het elfenrijk. En als ze beweren dat ik de enige ben die de zomer haat, zal ik Remco Campert voor me laten spreken.

    Tegen de zomer

     Niets is vernielender dan de warmte
    De kou houdt in stand, is statisch;
    de warmte beweegt met de vernieling mee
    en wekt een valse schijn
    van zon, gezondheid, zinvolle zonde
    De warmte vleit, paait, belooft,
    maakt stofgoud van stof
    liefde van begeerte,
    poëzie van leugens
    Ik hou niet van warmte,
    broedplaats van muggen en maden
    poel van limonade en andere slopende dranken
    Schenk mij liever klare
    kou en koffie,
    destructie bevroren, duidelijk zichtbaar
    en aanvaardbaar
    Wie in de kou zit schept geen illusies,
    Maar schept sneeuw, vrij ongenaakbaar,
    in de menselijke
    soms bovenmenselijke winter

    Als zelfs dat niet helpt, zit er niets anders op dan een van Yeats’ maskers op te zetten, mee te gaan en gelaten te wachten tot de eerste sneeuw wil vallen.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Struikelen

    Ik maakte me zorgen over de roep om sensitivityreaders, meelezers die schrijvers moeten behoeden voor een ‘faux pas’ in het vormen van hun beeld van anderen die zij, gezien hun identiteit eigenlijk niet zouden mogen vertegenwoordigen. Of er niet op teveel slakken zout werd gelegd, vroeg ik me af. De weekendeditie van de Volkskrant wijdde er een stuk aan waarin verschillende schrijvers gevraagd werd of het goed voor de literatuur zou zijn, zulke meelezers. Ik dacht, een goed schrijver weet waarmee hij bezig is, zijn boek is de spiegel waarin hij zichzelf recht in de ogen moet kunnen kijken. De Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver liet al eens weten (in Amerika heeft men al langer met dit verschijnsel te maken) dat op het moment haar werk naar een sensitivityreader gaat, zij met schrijven stopt.

    In haar laatste boek, De weg van de meeste weerstand, schrijft Shriver over alles waar een sensitivityreader over zou kunnen struikelen, neemt het op de hak. Er is een onduidelijke gebruiksaanwijzing, geschreven in China. Een van haar karakters zegt, ‘geschreven door mensen die duidelijk geen idee hebben hoe we dat in Amerika doen. Niet dat er iets mis is met Chinese mensen, dat bedoel ik niet. Moet je ze zo noemen? “Chinese mensen?” dat klinkt een soort van beledigend.’ 

    In de Volkskrant werd schrijver Vamba Sherif gevraagd wat hij van het nut van zulke meelezers vindt. Hij denkt dat het wel nodig is, ‘Literatuur heeft altijd geworsteld met het beeld van de ander. (…) de soms schrijnende onwetendheid over die ander.’ Hij noemt de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe, die in 1958 de roman Een wereld valt uiteen schreef. Een boek dat hij waarschijnlijk niet had geschreven als hij niet Mister Johnson (1938) van de Ierse schrijver Joyce Cane had gelezen. Over een Nigeriaanse man met een kinderlijk naïef karakter. Achebe kon zich in het geheel niet met hem identificeren. Hij wilde iets rechtzetten en schreef Een wereld valt uiteen. Het werd een moderne klassieker, vertaald in vijftig talen. Wat een geweldig verhaal is natuurlijk. Ik dacht: Wat als Joyce Cane een sensitivityreader had gehad, die het imperfecte beeld van een Nigeriaanse man had voorkomen? Dan had Achebe niet de noodzaak gevoeld dat boek waar hij wereldwijd mee doorbrak te moeten schrijven. 

    A.L. Snijders zei eens ‘Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk’. Dan raakt de bron vertroebeld. Shriver creëert werelden die (soms) ook de schrijver vreemd zijn, zoals in, We moeten het even over Kevin hebben, over een jongen die een aanslag pleegt op zijn middelbare school. De weg van de meeste weerstand opent met een citaat uit Een wereld valt uiteen van Chinua Achebe. Hoe meer ik erop let hoe meer verwijzingen er naar exit sensitivityreader in zitten. Serenata, een stemactrice mag geen zwarte personages meer doen, om de culturele toe-eigening. Remington, haar man, wordt op een zijspoor gezet door zijn nieuwe cheffin, een 27-jarige Nigeriaanse, die streeft naar genderneutrale toiletten. Shriver lijkt te willen zeggen, we kunnen niet alle hoeken van de tafel afzagen om te voorkomen dat we ons er aan stoten.

     

     

    De weg van de meeste weerstand / Lionel Shriver / Atlas Contact 2020
    Volkskrant 20 maart / ‘Het ligt allemaal gevoelig’  door Hans Bouman.


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een verhaal, is een gevoelig lezer.

  • Veel bleef ongezegd

    Bougainville, de naam van een wereldreiziger, een plant, een eiland, een boek. Bezoek een Spaanse of Italiaanse kustplaats en het paars van de bougainville bloeit welig tegen zandgele muren van vervallen historische gebouwen, verlaten kerkjes. Bougainville, ik zeg de naam hardop en melancholie, verlangen, sehnsucht ontwaken. Zoals ik dat ook heb bij Jamaica, Odessa of de Sargassozee, bestemmingen waar ik nooit ben geweest, waar ik waarschijnlijk nooit zal komen, maar die bij mij een wonderlijk verlangen opwekken. Als je in het leven érgens troost vindt of vervulling van je diepste wensen, dan moet het dáár gebeuren. 

    Bougainville is ook zo’n eldorado voor rustelozen. Het speldenprikgrote eiland ligt, vanuit Europees perspectief, diep in de Stille Oceaan, voorbij Papoea-Nieuw-Guinea en je ziet palmen, blauwe zee, schalen met tropisch fruit, en overal witte, rode en paarse bloemen. Als mensen érgens, ver weg van alle beslommeringen, een gelukkig bestaan leiden. Maar ook in paradijzen woeden oorlogen. Begin deze eeuw kostte een burgeroorlog op Bougainville het leven aan duizenden mensen. Zo snijdt een nieuwsbericht alle romantische weemoed uit je lijf, je hebt jezelf weer voor de gek gehouden. 

    Bougainville, zelden denk ik aan de wereldreiziger, de naamgever van eiland en tropische plant, maar wel aan het boek van diplomaat Carel Johannes Schneider (1932 – 2011), bekender onder zijn pseudoniem F. Springer. Springer heeft deze kleine roman van amper 130 bladzijden de ondertitel ‘een gedenkschrift’ meegegeven. Het is dan ook een boek waarin op levens wordt teruggekeken. Over een grootvader die de liefde heeft bedreven met Mata Hari, over een jeugd in Malang, de oorlog, het reizend leven van een diplomaat. Jeugdvriend Tommie Vaulant verdrinkt tijdens zijn werk in Bangladesh. Bo, toch een soort alter ego van Springer, ontvangt diens nalatenschap: de dagboeken van hem en van zijn grootvader. Als Vaulant de druk van alledag wilde ontvluchten noemde hij een rij namen van plekken waar hij wilde zijn, eindigend met ‘Bougainville in de Stille Zuidzee, ach, Bougainville…’

    Bougainville, er liggen inmiddels dertig jaar tussen het moment dat ik het boek las – voorjaar 1987 – en nu, het moment dat ik het boek uit de kast pak en doorblader om herinneringen te verifiëren. Het boek zwierf met me mee naar al mijn woonadressen. De achterflap is vergeeld. Van Bougainville erfde ik mijn afkeer van reünies. Ik herlees de scène waarin Bo zijn klasgenoten van de middelbare school terugziet en denk: dat viel toch wel mee? Er is een, bijna klassiek dubieuze rol weggelegd voor de klasgenoot die dominee is geworden. Met terugwerkende kracht wordt hij mij sympathieker. Hij tilt de reünie boven het niveau van borrelpraat, markeert de samenkomst door woorden te geven aan verlies, aan de dingen die voorbij zijn gegaan, hoe onhandig hij dit in de ogen van Bo ook doet. Terugbladerend naar het begin stuit ik op een regel die me als een vuist raakt. ‘Veel bleef ongezegd, zoals niet ongewoon is tussen oude vrienden.’

    Uiteindelijk is dat de kern van Bougainville. De mens blikt terug, ervaart zijn tekort in vriendschappen, in liefdes. Ja, veel bleef ongezegd. Goed dat er soms tóch gesproken wordt, hoe onhandig ook.

     

     


     

    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Onbereikbare vaders

    Om het vuur onder het lezen aan te wakkeren is het soms goed kennis te nemen van de teksten van de gedreven lezer en criticus Anthony Mertens. Voor Mertens was lezen ‘verleid worden’. En verdomd, nadat ik een week niet wist waar ik het (als lezende) zoeken moest, kreeg ik De atlas van overal in handen. Werd ik, die dagenlang verschillende boeken vruchteloos opensloeg, overgehaald tot verder lezen. Over een zoon die zijn vader zoekt in de verhalen die hij over hem kent. De schrijver woont sinds zijn twintigste in Amerika. Aan zijn Turkse vader denkt hij met enige wrok, heeft geen contact meer met hem. Als hij zelf kinderen krijgt wordt hij onrustig. Wat voor vader zal hij zijn? Zal hij zijn kinderen kunnen liefhebben, ze verdragen? Zijn vader is een zeer gepreoccupeerd mens. Als enige uit zijn boerenfamilie had zijn vader ambities. Hij wilde schrijver worden. Als hij wordt aangesteld als onderwijzer in een dorpje, lijkt het er even op dat hij het verschil gaat maken. Dan, door ongelukkige omstandigheden, een gedwongen huwelijk, wegen die elkaar kruisen die elkaar beter niet hadden kunnen kruisen, doodt hij een jongen.

    Na zijn gevangenisstraf vertrekt hij als gastarbeider naar Duitsland. Eind jaren zeventig wordt hij leraar Turks op een school in Twente. Daar ontmoet hij de toekomstige moeder van de schrijver. Ze krijgen twee kinderen. Zij weet dat hij in Turkije een gezin heeft, dat hij elk jaar bezoekt. Gespletenheid van levens, niet te overbruggen. De vader is een autoritair man. Wie hem in de weg zit, wordt hardhandig aangepakt. Zat zijn vrouw eens achterna met een hamer, wurgde bijna zijn dochter omdat ze niet gehoorzaamde.

    De schrijver reconstrueert het leven van zijn vader in Turkije. Als vierjarig kind hazelnoten rapend, in bomen klimt voor de laatste noten. Als jonge man, verliefd op de dochter van de hoofdredacteur van een krant. De armoede, opdringerige geiten, de stank, het schrale eten, de ongeïnspireerde levens, het Turkse platteland, de woede van de vader om dit alles. Niets geen fraai gebouwde zinnen maar eerlijke taal, met een grote, aansprekende kracht. Ik heb mij een beeld gevormd.

    De overwegingen van de schrijver hoe hij het verhaal van zijn vader vorm zal geven in een boek, een roman. Stromeningen, bronnen komen samen in een waarachtig geheel. Zeer on-Nederlands ook, ik moet denken aan John Fante, de sfeer in Wacht tot het voorjaar Bandini. Ongekend mooie literatuur.

    Hoewel de zoon niet werkelijk nader tot zijn vader komt, eindigt zijn zoektocht met een innerlijke toenadering. Waarin eenzelfde ontroering te voelen is als in Een goede vader van Jean Paul Franssens. Had ook zo’n onbereikbare vader, tijdens de oorlog collaborerend met de Duitsers, zijn vrouw eens opsloot in een koelcel. Hij besefte dat zijn vader hem nooit zal zoeken, dus zoekt hij hem. Aan zijn sterfbed fluistert hij herhaaldelijk, als om zichzelf te overtuigen: ‘Je bent een goede vader.’ Dan opent zijn vader zijn ogen. ‘Hij staart me aan of hij vreselijk van me schrikt. Alsof hij heel erg bang voor me is. Hij komt even overeind, rukt zijn hand los en slaat me in mijn gezicht.’
    De schrijver van De atlas van overal brengt zijn vader in een denkbeeldige belofte thuis. ‘Ergens in de kosmos, op een verre dag, zal ik mijn vaders boeken naar zijn geboortedorp brengen.’ Mooi boek.

     

     

    De  atlas van overal / Deniz Kuypers / Atlas Contact (2021)
    Een goede vader / Jean Paul Franssens / De Harmonie (1993)


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een verhaal, zoekt de verleiding.

  • Dassenburchten

    Op een kleine Duitse berg stond het hotel. Indrukwekkend door zijn massieve omvang, niet zijn grandeur. Een bescheiden entree, drie traptreden, in de hal lagen schoongeboende marmeren vloertegels. De receptie ontbrak omdat dit solide hotel, gebouwd om tenminste een eeuw te doorstaan, al na enkele decennia was verlaten door de uitbaters. De streek was niet meer interessant voor toeristen of zakenmensen. Een club nieuwe-tijdsmensen was er neergestreken. Ik volgde er een stilteretraite en had een prima week. Praten is niet mijn sterkste kant. Natuurlijk weet ik dat gesprekken over koetjes en kalfjes niet echt over koetjes en kalfjes gaan, maar over de schemerige signalen erachter, het bepalen van hiërarchie en mogelijke banden. Met andere woorden: zit je in mijn team of niet? Het maakt het er niet makkelijker op. Nu het allemaal non-verbaal moest, viel er een last van me af. Geen holle beleefdheidsfrasen, maar des te vaker werd er vriendelijk geknikt of vond ik herkenning in de wat stuurloze blik van de ander. 

    Onze retraitegroep was veel kleiner dan het hotel zou kunnen herbergen en als ik naar de cursusruimte liep was ik vijf minuten onderweg. Zo moest een vos zich in een verlaten dassenburcht voelen. Dassenburchten kunnen eeuwen oud worden en – gelijktijdig of na elkaar – verschillende bewoners huisvesten. Eén van de gangen van deze burcht leidde naar een bibliotheek, ontdekte ik op een middag. Niet te beroerd om me in oude én nieuwe tijden te verdiepen, scande ik de boekenplanken die thema’s droegen als engelensignalen, auralezen of oude beschavingen. Tot mijn oog landde op het plankje ‘tuinieren’. Ik viste er een dun, Engelstalig boekje tussenuit, ongetwijfeld om de sprekende titel: Gardening without work. Voor de goed orde, ik hou van spitten, gesjouw met water en geknield wieden. Fysieke tuinarbeid schrikt me niet af, integendeel: het gevoel van vermoeide spieren ontspant de geest. Maar lopend door een bos bijvoorbeeld, een soeverein systeem bij uitstek, bekruipt mij toch vaak het gevoel dat wij mensen werken om het werken.

    Het boek uit de jaren zestig blijkt in bepaalde kringen een klassieker te zijn. Ruth Stout, de schrijver, is een begenadigd verteller en haar methode is even simpel als doeltreffend: ze bedekt haar groentebedden met dikke pakken hooi of ander dood plantmateriaal, ‘mulch’ voor de kenner. Terwijl dit verteert, blijft ze aanvullen, het jaarrond. Het voedt de bodem, daardoor indirect de planten en houdt onkruid weg. Maar om haar methodiek gaat het me niet, het is haar kordate en eigenzinnige stijl die me jaren geleden in de dassenbibliotheek hield. Met uitzicht op het glooiende landschap, grasland met her en der naaldbomen, in die milde stilte vermaakte ik me met Stout’s vitaliteit. Als haar cynisch wordt gevraagd of ze soms denkt dat zij mulchen heeft uitgevonden, antwoordt ze: ‘nee natuurlijk niet, dat deed God toen hij besloot dat de bomen ieder jaar hun bladeren laten vallen.’ Wat zou ik dit boek graag vertalen.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver, voor Literair Nederland schrijft zij maandelijks een column.
    In 2019 verscheen haar debuutroman
    De wateraap bij AtlasContact.

  • Dolle koeien

    Vorige week woensdag was een enorm opwindende dag waardoor ik alle inperkende leefregels van het afgelopen jaar gewoon vergat. De boekwinkels gingen open! Te kunnen staan voor metershoge en verstrekkende boekenwand vol kleurige kaften, strak in het gelid. Er langs te lopen, er hier en daar een uit te trekken, het doorbladeren, de geur van drukinkt, terugzetten. Boeken zijn zoveel meer dan leesmateriaal. Dan langs de boekentafels, bedachtzaam elke titel lezend, schrijversnaam registrerend, soms achterflap erbij nemend, want eigenlijk ken je het boek, is het fysieke contact enkel een bevestiging van hun bestaan. Toen belde ik voor een afspraak, kreeg een tijdslot van een half uur en kon de volgende dag gelijk komen. De opwinding was buitengewoon. Aan een ieder die voorbij mijn huis kwam liet ik weten: ‘Ik heb een afspraakje! Morgen, bij de boekhandel!’ Ik voelde me als een van die koeien die de hele winter op stal hebben gestaan.

    Als die na de winter weer naar buiten mogen, denderen ze met stampende poten over het veld, springen een gat in de lucht. Ze maken ongewone capriolen, werpen zich op de aarde, rollen zich om en springen weer op. Een uitzinnige bende. Opeens vond ik het spannend, zo’n afspraakje met de boekhandel. Zou ik me kunnen gedragen, geen boekstapels omver stoten, dozen van tafels laten glijden. Mijn rugzak kon ik beter niet om doen. En zouden ze me niet teveel achterna zitten daar tussen de boeken, er moest natuurlijk wel wat verkocht worden. Misschien moet ik een lijstje van titels maken, die bij binnenkomst afgeven, terwijl ik tussen de boeken scharrelde zouden zij ze voor me opzoeken en klaarleggen. Nee, wacht even, nu raak ik in de war, zo was het eerst. Het leek ineens wat teveel gevraagd. Ik, alleen in een boekenwinkel. Maar voor ik me zou bedenken, stapte ik op mijn fiets, was nog bijna te laat.

    Onderweg dacht ik, ‘Portemonnee?, Ja’. ‘Ojee, mondkapje?’ Ha, in jaszak, wel een gebruikte maar vooruit. Had ik niet meer tassen moeten meenemen (alsof ik vergeten aardappelen op het land ging rapen). Halverwege haalde ik een man met vettige haren op een rammelende fiets in. Even later reed hij mij achterop, vertraagde tot hij naast me fietste. Voor hij iets kon zeggen, riep ik, ‘Ik heb al een afspraakje’. Trapte gejaagd voort, nam de brug over de IJssel. Onder het poortje naast de boekwinkel, kwam een man me tegemoet, sprekend Wim Boevink van ‘Klein verslag’. Hij zeulde met twee volle tassen. Ik dacht, ‘Hij is me voor geweest’. Bezweet en met rood hoofd stond ik voor de boekwinkel, enigszins teleurgesteld dat de deur niet openzwaaide, iemand riep, ‘Daar bent u dan. Kom binnen’. Goed, eenmaal binnen, met mondkapje en ontsmette handen, haastte ik me langs schappen, rommelde in dozen. Nog steeds bezweet stapelde ik boeken op mijn arm alsof er iets te winnen was, stond binnen een half uur weer buiten met Patrick Modiano, A.S. Byatt, A.M. Homes, Elizabeth Jane Howard en Tove Ditlevsen. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een verhaal, vergeet soms haar mondkapje.

  • De Reis

    Achter het station van Leiden werden R. en ik afgehaald voor een verjaardagsfeestje van een emeritus hoogleraar. Op de passagiersstoel zat een man met wit haar die ons scherp en glimlachend opnam, achter het stuur zijn vrouw. We reden Oegstgeest in, althans ik geloof dat het Oegstgeest was, want ik kwam eigenlijk nooit in deze omgeving. Het was ook donker, het regende licht. De ramen waren beslagen. De man op de passagiersstoel had wel zijn naam genoemd, maar ik had hem niet goed verstaan. Het was geen doorsneenaam. En hij week af van de naam van zijn echtgenote, die ik wel kende. Hij sprak op een enthousiaste en aanstekelijke manier, een beetje staccato, met humor, half naar ons omgedraaid, tot de auto werd ingeparkeerd en zij tegen ons alle drie zei dat we konden uitstappen. 

    Uit de keuken van het appartement kwam de geur van kruidige tomatensoep. Op tafel dampte vers gebakken stokbrood. Naast de man met het witte haar wilde ik wel een avond soep lepelen, brood en Franse kazen eten, en praten, heel veel praten… en lachen, want daarin, dacht ik, was er verwantschap. Niet dat hij zo om mijn grappen moest lachen, ik durf wel te zeggen, integendeel. Vaak als ik in zijn spervuur aan woorden en vloeken – hij was ongegeneerd grof in zijn taal zonder dat het iets obsceens kreeg – een grapje inbracht, keek hij mij met een licht verbijsterde blik aan, viel even stil, om dan verder te vertellen. Over Frankrijk. Over geschiedenis. Over politiek. Over literatuur. En hoe hij sprak, wendbaar van het ene verhaal naar het andere, met een bulderende lach, hypnotiserend en vurig, dacht ik: het is dat Louis-Ferdinand Céline Frans is en jaren dood, maar anders zou hij spreken als deze man die ondertussen in een toastje beet, en verontschuldigend vertelde dat hij erg doof was. Vandaar die verbijstering in zijn ogen, soms.

    Toen verstond ik alsnog zijn naam. ‘Heeft u De Reis vertaald?’ vroeg ik. Hij kreeg iets verlegens, iets van een jonge jongen, en antwoordde bevestigend. Emanuel (Mani) Kummer*, vertaler van Voyage au bout de la nuit van Céline. Hij won er in 1972 de Martinus Nijhoffprijs mee. Als er een boek is dat je de waanzin van oorlog binnensleurt, dan toch dit. Als er één schrijver is die mij met zijn stijl in trance brengt, dan hij. Als er één schrijver is die mij (en zo bleek in het gesprek, ook zijn vertaler) een meer dan ongemakkelijk gevoel geeft… hij! Antimilitarist na de Eerste -, antisemiet in de Tweede Wereldoorlog. Een getormenteerde man. Angstig, gek, geniaal, maar zo ontzettend fout.

    Ik zat misselijk van opwinding en bewondering naast de vertaler. Kummer had zelf twee romans geschreven. ‘Het hadden er meer mogen zijn. Moeten zijn!… Je moet je minder door allerlei verplichtingen laten afleiden, doe wat je graag wilt doen. Dat heb ik nagelaten.’ Hij gaf me Afscheid in Meudon cadeau met een opdracht, die ook iets verlegens had: Ik hoop dat je ’t leuk vindt. Zeker, heel leuk! Maar vooral zijn levensles heb ik in mijn oren geknoopt.

     

    *Emanuel Kummer overleed in 2016.


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • De liefde

    Ach, de liefde, de zoete verwarrende liefde die kind noch kraai veelt. Het trof me zondag toen ik de nieuwe Parelduiker opensloeg. Buiten de geur van omgespitte aarde, in de keuken lagen twintig tuinbonen in een bakje water te ontkiemen. En daar was Frieda Koch, een mooie wat gesloten vrouw, strakke neus, golvend haar, een vrouw om verliefd op te worden. Terwijl ik over haar lees, foto’s bekijk, groeit een verlangen daar naast haar te lopen, haar van opzij gade te slaan. Het overkomt me wel eens, op afstand verliefd worden op een gebaar, een houding, een verhaal. Frieda is keramiste, ze heeft begeesterde handen, op het voorplat draait ze uit vochtige klei een vaas (die handen!). Ze is met Bert Schierbeek en hun twee kinderen als ze in 1950 verliefd wordt op Lucebert. Er vormt zich een ménage a trois, liefde in vrijheid. Wat niet lukte, het werd een gevecht, jaloezie van beide heren maakte het tot een ondoenlijke affaire. Als in 1951 de relatie op zijn einde loopt, gaat Frieda voor enkele weken naar Parijs.

    Ze schrijft Lucebert, ‘Als wij dus een ménage à trois zouden hebben, zou Bert aan mij absoluut niet mogen merken, dat ik meer om jou geef dan om hem en met dat geven om bedoel ik dan alles wat jij voor mij betekent. Ik zou die rol dan goed moeten vervullen (…)’. In het huis aan de Van Eeghenstraat in Amsterdam waar ze allen wonen, heeft Frieda haar atelier. Ze overweegt Schierbeek te verlaten om bij Lucebert te zijn, maar blijft.

    Ik wil haar los van die mannen zien. Als ze in Parijs verblijft, zie ik haar aan een cafétafeltje brievenschrijven. Met Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy bezoekt ze de schilder Corneille in de rue Santeuil. Ik zie haar door de stad lopen, op een bankje in het park leest ze Nabokovs Laughter in the dark, koopt oude ansichtkaarten voor haar collectie thuis. En schrijft Lucebert, ‘In de liefde ben je zoals ik mij de liefde voorgesteld heb toen ik nog maar een klein meisje was. Daarom word ik nooit een mevrouw omdat ik deze dromen nooit vergeten heb (…)’.
    Ik zie een  vrouw die zich niet vast wil leggen. Ze schrijft, ‘(…) wel weet ik, dat ik toch nooit de poëzie van de minnaar op zal geven, wat de wereld ook zegt of doet, dat kan ik eenvoudig niet, omdat ik niet zo ben.’ Haar verzet tegen een burgerleven neemt me volledig voor haar in. Ach, de liefde, De Parelduiker, het vervoert me. 

    Over het bezoek aan Corneille schreef Frieda nog, ‘Hij is wel aardig en hij maakt mooie dingen. Bij zulke mensen merk ik dat Rudy toch wel een beetje een kleine snob is. Hij kocht een schilderij van Corneille en dong af op de prijs en hij kreeg het ook goedkoper. Daar hou ik helemaal niet van.’

    In de middag komt de zon door, op Spotify zingt Leonard Cohen ‘Dancing to the end of love / Lala lalalala lala / to the end of love…’, is het tijd voor een glas wijn.

     

     

    Graa Boomsma Boomsma werkt aan de biografie van Bert Schierbeek die op 9 juni 2021 zal verschijnen bij De Bezige Bij.
    De Parelduiker / Eindredactie Hein Aalders / Uitgever Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest boeken, wordt soms verliefd op een verhaal, een ver weg figuur.

     

  • Vrouwenkiesrecht

    Mijn buurvrouw wil haar tijd niet verspillen aan de Tweede Kamerverkiezingen, want stemmen heeft geen enkele zin, zegt ze. Mijn buurvrouw is buitengewoon intelligent en heeft een eersteklas opleiding genoten. Ze heeft een uitgesproken mening over alles en ze zou me zonder moeite verslaan in elk debat, als ik zo stom zou zijn om het tegen haar op te nemen. Daarom hou ik mijn mond en ik knik huichelachtig bevestigend. Ik ga altijd stemmen, ook al weet ik niet of het iets verandert. Maar wie niet stemt, heeft ook geen recht van spreken. Die nacht droom ik dat Aletta Jacobs aan mijn bed staat. Ze kijkt me verwijtend aan met haar priemende donkere ogen. Of ik niet weet hoe hard zij heeft moeten vechten voor het vrouwenkiesrecht, vraagt ze. Hoe ze in 1883 op de kieslijst wilde van de gemeenteraad in Amsterdam, maar geweigerd werd. Alleen mannen mochten stemmen: vrouwen werden op één lijn gezet met krankzinnigen en gevangenen, die evenmin stemrecht hadden. Pas in 1922 konden vrouwen volwaardig gaan stemmen. 

    Als ik zeg dat ik dat allemaal wel weet, vraagt ze verontwaardigd waarom ik dan te laf was om tegen mijn buurvrouw te zeggen dat ze moreel verplicht is te gaan stemmen? De veertjes op haar hoed trillen mee als ze haar stem kracht bijzet. Ik vertel haar dat de stemplicht in 1970 afgeschaft werd, maar ze valt me in de rede met de woorden uit haar toespraak uit 1919: ‘Deze machtsverheffing der vrouw zal heel het Nederlandsche Volk ten zegen worden.’ Na deze patstelling beloof ik actie te ondernemen en dan laat ze me met rust. De volgende ochtend kopieer ik het gedicht van de website van schrijver en performer Babs Gons. Ze schreef het voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 ‘omdat ik anders de slaap niet kon vatten. En in de hoop dat iedereen gaat stemmen zodat niemand ooit voor niets heeft gestreden.’

    Als je niet gaat stemmen
    Zeg het dan zo zachtjes
    Dat Nelson Mandela het niet kan horen
    Laat hem met eeuwige rust
    Als je niet gaat stemmen
    Wees dan alsjeblieft zo discreet
    Dat onze voorouders
    Zich niet roeren in hun graf
    Als je niet gaat stemmen
    Laat het 1919 niet horen
    Laat Suze Groeneweg het niet horen
    Laat Aletta Jacobs met rust
    Laat het bloed op de stenen
    In de straten van
    Selma en Montgomery
    Het niet horen
    Laat het zand van Transvaal met rust
    Martin Luther King, hij mag het niet weten
    Sojourner Truth mag het niet horen
    En onder geen beding
    Laat de mannen achter de tralies
    Van de statistieken het horen
    Daar waar de stembiljetten niet worden bezorgd,
    Mogen ze er niets van weten
    Daar waar ze de stemlokalen nooit zullen bereiken
    Door de kogels en de bommen
    De afstand en de armoe
    De dictator en het geloof
    De kleur en de klasse
    Laat het ze niet horen
    Ssshhhtttt

    Ik doe het vel papier in een envelop en stop die bij de buurvrouw in de brievenbus. Anoniem, dat wel. Sorry, Aletta.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Legende

    Vorige week is onze kat gestorven. Eerst liep hij nog soepel met zijn slanke zwarte kattenlijf naar buiten. Later lag hij in een wat ongelukkige houding bij de achterdeur, sleepte zich naar binnen. Hij leek een zeemeermin, zo sierlijk hief hij kop en bovenlijf omhoog, sleepte zijn fluweel glanzende vissenstaart achter zich aan. Dat hield hij niet lang vol. Twaalf jaar geleden kwam hij als kitten. We noemden hem Maupie, maar hij had net zo goed Koos kunnen heten. Hij was een kat, niet een afhankelijk dier dat zijn eigenheid op het spel zette. Katten zijn soms net mensen. Eerder, toen Maupie nog onverstoorbaar rondliep, drinkend uit druppende kranen, slapend op bed, voor uren ontraceerbaar, las ik Legende van een zelfmoord. Met sommige boeken kan het lang duren voor je ze leest, soms tien jaar. Eenmaal begonnen liet dit verhaal over een zelfmoord me niet meer los. De schrijver droeg het op aan zijn vader, James Edwin Vann 1940-1980. Die zichzelf doodschoot toen hij in afzondering op een eiland in zuidoost-Alaska verbleef. 

    De schrijver zelf was een jongen toen. In het boek gaat de vader met zijn dertienjarige zoon naar een eiland in zuidoost-Alaska om te jagen, te vissen, te overleven. De vader is een wat klunzig type, veel mislukt hem. ‘s Nachts hoort de jongen hem huilen, overdag ziet hij dat hij niet van hem op aan kan, hij suïcidaal is. Daarom ging de jongen ook op zijn aanbod in, om hem te weerhouden van zelfmoord. Tussen de vader en zoon wordt het een kat- en muisspel waaraan de jongen plots een eind maakt door zichzelf door het hoofd te schieten. Een daad van verzet. De vader die het schot hoort terwijl hij met zijn moeilijke zelf zich ver van de hut bevindt, zoekt er geen onraad achter. Als hij later zijn zoon in de deuropening van de hut ziet liggen, begrijpt hij dat er zich iets onherroepelijks gekeerd heeft. Hij wil hem naar het vasteland brengen, denkt aan de moeder van de jongen. 

    Hij stopt zijn zoon in een slaapzak. Met een rubberen bootje varen ze tot de benzine op is, langs de kust van zuidoost-Alaska op zoek naar hulp. Eerst wordt het lichaam stijf, later wordt het weer zacht, loopt er vocht uit, begint het te stinken. De vader praat tegen zijn zoon. Op een ander eiland vindt hij een hut, er is voedsel. Hij sleept zijn zoon daarheen, praat tegen hem, stelt hem gerust. Het ongeloof dat zijn zoon echt dood is, wordt pijnlijk voelbaar als je leest, ‘hij had nog steeds niet bewogen’. Een ingenieus boek, over een zoon die zijn vader het leven geeft. Het speelde nog dagen door mijn hoofd. Hoe de vader met zijn dode zoon sleepte, het verzorgde. Ik dacht eraan toen Maupie, soepel en zacht als fluweel in een mandje lag, voorpootjes ontspannen bij zijn kopje. Die behoefte hem wakker te willen aaien. Eén oortje werd al stijf. Ik dacht aan het weer zacht worden, aan lichaamsvocht. Maupie is nu een plekje in de tuin, een gedachte aan de aanwezigheid van een zwarte kat.

     

    Legende van een zelfmoord / David Vann / vertaling Arjaan van Nimwegen / De Bezige Bij (2010)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest boeken, zoekt verhalen.

  • Salamander

    En voor het eerst waardeerde hij. Een zin in cursief. Het is de laatste regel van Metamorfoze (1897) van Louis Couperus. Een boek dat ik kocht bij de plaatselijke V&D. Mijn allereerste Couperus, een pocket uit de Salamanderreeks. Waarom Couperus, waarom Metamorfoze dat toen al bijna een eeuw oud was? Ik had geruchten vernomen, over dandyisme, maskerade en roze zomerpakken. Ook de flaptekst en het nawoord van F.L. Bastet maakte nieuwsgierig: hoofdpersoon Hugo Aylva zou een zelfportret van de schrijver zijn. Bijna dertig jaar geleden gaf ik mijn Salamanderpocket cadeau aan een jongen met groenblauwe ogen, krulhaar en bloswangen. De gladde huid van een zeehond. Nu ik dit schrijf herinner ik me vooral de tongzoen die hij me gaf nog voordat we elkaar echt leerden kennen. Omdat ik toentertijd uitsluitend Couperus las, woorden als ‘spleen’ in mijn dagelijkse taalgebruik introduceerde en in mijn dagboek ‘weer’ schreef als ‘weêr’ en ‘zou’ als ‘zoû’, ontwikkelde ik in lijn van zijn werk een hypergevoeligheid voor wat ik hier gemakshalve de rafelranden van wetenschap zal noemen.

    Ik raakte zo verstrikt in het spiegelpaleis van theosofie, zielsverhuizing en tafeldansen dat ik na deze droomzoen, die ik als een betekenisvol voorteken van wat dan ook zag, besloot voor het eerst verliefdheid in mijn leven toe te laten. Hij schreef me kaartjes in een priegelig apothekershandschrift. Toen ik hem mijn exemplaar van Metamorfoze gaf, zei ik dat hij daarmee niet alleen één van de grootste schrijvers van Nederland persoonlijk leerde kennen, maar ook mij. Hoogdravende woorden, onechte woorden die me in de loop van mijn leven meer hebben achtervolgd dan de bontgekleurde vlinders die toen in mijn lijf dansten. Zo werkt schaamte. Want de jongen in kwestie wilde me best wel beter leren kennen, heel graag zelfs –  ‘ik heb ’t zweet op je koppie in de zomer lief, maar meestal nog meer de inhoud van het koppie’, schreef hij poëtisch aan mij als antwoord – maar niet op de manier, zo bleek na te lang en te moeizaam aftasten, waarnaar ik zo verlangde. 

    Ik weet eigenlijk niet of hij het boek heeft gelezen. Het kost wel wat inspanning om je door de meanderende zinnen van Couperus te laten vangen. Ze proeven soms als suikerspin, je hapt in leegte. Om vervolgens betoverd te raken, door het ritme, door de wereld die je achter de woorden raadt. Ik was er verslaafd aan, dacht ook dit is de enige manier waarop literatuur met hoofdletter L geschreven wordt. Een leven lang lezen, een leven lang aannames schrappen.
    Terug naar de weggegeven Salamander. Het bijzondere omslag is van Anjo Mutsaars. Zij heeft zich zonder twijfel laten inspireren door de meest iconische foto die van Couperus bestaat, want in die eenzame boom herken je zijn silhouet, mantel en hoed. Er schuilt een jongeman in het bladerdek, half verborgen, maar zeker ook zichtbaar. Zijn blik is onzeker, lijkt verlangend. Waar hij is, zijn bladeren nagenoeg verdwenen, is de dekmantel weggevallen. Hij staat op de drempel van coming-out. Hij mag er zijn. En voor het eerst waardeerde hij.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Geschikte verhalen

    In Brummen wordt de krant onregelmatig bezorgd, vaak helemaal niet. Eigenlijk zijn we zo gewend dat er geen krant komt, dat we verrast zijn als hij er wel is. De krantenjongen krijgen we nooit te zien. Een keer hoorde ik hoe hij de krant door de brievenbus duwde. Het was of ik voor het eerst een ijsvogel, waarvan ik wist dat die er was, te zien zou krijgen. Ik snelde naar beneden, trok de voordeur open, riep “Hé, hallo! maar weg was hij. De afgelopen week was er geen krant. Eerst omdat het sneeuwde, toen omdat het dooide. In plaats van de krant doornemen aan de keukentafel, zijn we overgegaan tot het elkaar voorlezen van verhalen. Hoewel, ik lees voor. Mijn lief luistert, gedwee. Als ik zeg, ‘zal ik een verhaal voorlezen?’, zegt hij, ‘…Toe maar’, alsof ik hem een trucje wil laten zien. Soms lees ik een zeer kort verhaal, soms een wat langer. Afhankelijk van de hoeveelheid geduld die er in de lucht zit. 

    Het is als samen een modewinkel binnengaan (waar ik nooit kom, maar stel je voor), ik weet welke jurk ik wil, deze pas, koop, en klaar. Ga ik daarentegen besluiteloos wat kleerhangers heen en weer staan schuiven in rekken met blouses en truien, dan verdwijnt de gedweeheid. Tijdens het voorlezen van een lang verhaal ben ik daarop bedacht, of er niet teveel in gedraaid wordt, het ergens heengaat. Of, liever nog, je ergens mee laat zitten. Dan zijn het geschikte verhalen. Gister las ik ‘Projecties’ van F.B. Hotz voor. Over een man die voor twee nachten zijn vijfjarige kleinzoon, wiens ouders aan hun relatie moeten werken, te logeren heeft. De tijd moet om, ze gaan een middagje naar het strand. Daar, terwijl de man zijn colbert uittrekt, deze met precisie  opvouwt, in een tas legt, daarna een schoen uittrekt, verdwijnt het kind. Ik lees: ‘Mark was weg.’ ( Mijn liefs adem stokt een tel) ‘Hij was verdwenen; door de grond verzwolgen, weggeblazen.Van hieruit door een duivel in zee gekwakt en, niet gewend aan golf en branding, meteen verdronken. Of een meer aardse gruwel had hem in een tent gesleurd. Misschien vermaakte een morsige krankzinnige zich giechelend met hem in de kleedhokjes verderop.’ (een diepe zucht).

    Ik lees verder: ‘Grote kwaadheid kwam over me. Klootzak! dacht ik; al in de eerste minuut verspeel je het kind dat je toevertrouwd is. Je hebt meer belangstelling voor je colbertje. Dat moest zo nodig in een tas; opgevouwen nog wel.’ Het kind wordt ongeschonden teruggevonden. Het ging om de man die zichzelf niet meer kon zijn in bijzijn van het kind.

    Vanmorgen las ik leunend tegen het aanrecht dit zeer, zeer korte verhaal van Lydia Davis voor: ‘In een belegerd huis woonden een man en een vrouw. Vanwaar ze ineengedoken in de keuken zaten, hoorden de man en de vrouw kleine ontploffingen. “De wind,” zei de vrouw. “Jagers,” zei de man. “De regen,” zei de vrouw. “Het leger,” zei de man. De vrouw wilde naar huis maar ze was al thuis, daar midden op het land in een belegerd huis.’ Een geweldig verhaal voor bij het aanrecht.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de krant als die er is, zoekt naar verhalen.