• Vroedmeesterpad

    Er klonk een zachte, korte fluit. We zaten in de tuin van vriendin A. Ik stokte halverwege een zin, verwachtingsvol keken we om ons heen. Waar was-ie? Verderop werd geantwoord met hetzelfde fluitje. Zo’n twee tuinen verderop klonk een toon exact een noot lager, een soundscape van minimalistische muziek. De drie vielen elkaar niet in de rede, maar dat kon toeval zijn. Het waren vroedmeesterpadden, vertelde vriendin A. Deze pad-achtige kikker bleek opvallend toonvast te zijn. 

    Als kind had ik een plastic fluitje in de vorm van een vogel. Je kon het in bad vullen met water. Daarna blies je in zijn staart en trilde de lucht langs het water in zijn buik zo het snaveltje uit. Vulde je hem met minder water, dan klonk de toon lager. De klankkleur van dat fluitje deed me denken aan die van de vroedmeesterpad, maar nooit blies je zo’n heldere en precieze toon. En zo had ik in dit stukje verder zullen mijmeren over achteloze schoonheid en de bedrieglijke exactheid van de natuur. Altijd tien vingers, zes meeldraden, twee borstvinnen, één staart en de vroedmeesterpad fluit geen do of re maar een fa. Over suggestieve orde, die verleidt tot het denken in Een Groter Plan, regels, doelen en – als ik zou doordraven – goed en kwaad en het ogenschijnlijke onderscheid daartussen.

    Maar dat houdt u van me tegoed. Want toen ik gisteren thuiskwam, mauwde mijn sneeuwwitte kat me vanachter het raam opgetogen toe. Ik deed de deur open en vloekte. Op de grond overal veren, besmeurde pagina’s en in het oog van de chaos het lijk van een duif, de buik keurig opengewerkt. Mijn kat was in een vorig leven vast patholoog-anatoom. De rood gekleurde ingewanden vormden een ordelijke verzameling, ik herkende een lever. Ik zal verder niet uitweiden over die besmeurde pagina’s – het manuscript van mijn roman in wording – en de diepere betekenis van dit alles. U zou me kunnen betichten van magisch denken of een overtrokken gebruik van metaforen, nee bedankt.

    We liepen naar de schuur, de kat voorop met parmantig gestrekte staart. Met de spade groef ik in de achtertuin een diep gat voor de dode. Vanaf het dak van de schuur keek de kat misprijzend op me neer. Als-ie kon fluiten, de uitslover, dan was het vast iets geworden uit Die Dreigroschenoper. ‘Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral’. Ja, ja, maar fluiten kan hij niet. 

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver, voor Literair Nederland schrijft zij maandelijks een column. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

  • Theepotten gooien

    Hoe mensen steeds weer op reis gaan, huis en liefdes verlaten, daar is geen regel voor. Het is weten wanneer het moment daar is, dan koffers pakken, trap af, het huis uit. In de film Hope Gap wordt een vrouw door haar man verlaten. Ze had veel op hem aan te merken, maar hij hoort bij haar, dacht ze. Hij pakt zijn koffer, zegt dat hij niet degene is die zij in hem ziet. Het gevaar van een huwelijk is dat je degene wordt die de ander in je ziet. Meidagen zijn weemoedige dagen, het herdenken, het weten dat toen, op net zulke dagen, met net zulke kwinkelerende vogels, de vernietiging inzette. Deze dagen trek ik vaak naar de boeken van Josepha Mendels, schrijfster die zich hoede voor elke conventionele vorm van leven. Ze was Bewust Ongehuwd Moeder avant le lettre, maar wilde nergens bijhoren, geen stempel, geen stigma. Steeds als ik haar boeken lees, verrassen ze me. Ze had een schrijfster van deze tijd kunnen zijn.

    ‘Ik pak van alles in een tas, dingen die ik absoluut niet nodig heb, ik haal er ook nog een koffer bij want Ramuz wil mee, een Alain Fournier, ook het rode theekopje van Wandy waar ik ‘s nachts mijn horloge in leg, ‘en ik’ vraagt Stendhal, ‘vergeet je Le Rouge et le Noir met de opdracht a Wollie?’ Ik ben eerst op de verhoging van het badje gaan zitten en toen op de bodem, eerst ben ik V.J. geweest die Wollie heeft gestreeld en toen was ik Wollie die tegen V.J. is opgeklauterd. Mijn bed heb ik loodrecht tegen de muur gezet, stoelen en tafel ondersteboven gekeerd, de theepot op de grond gegooid, doorweekte zwarte blaadjes gelijk gestorven vliegen. En ik heb de deur gesloten, de sleutels in mijn zak gedaan en ben het huis uitgelopen.’
    Dit gaat over het moment dat ze haar appartement aan de Rue Vavin in 1942 moet verlaten, vluchten voor de Duitsers. 

    Als de moeder in Hope Gap op het dieptepunt van haar verdriet zit, wil ze het liefst op een ochtend niet meer wakker worden. Dat zegt ze haar zoon. Ik werd geraakt door die zoon, niet alleen omdat het Josh O’Conor was die hem speelde, maar ook om wat hij zei. ‘Ik kan je niet vragen voor mij te leven. We moeten allemaal onze eigen last dragen, maar… jij bent net als de ontdekkingsreiziger. Jij bent al vooruitgegaan, en als jij na een tijdje niet meer verder gaat… dan weet ik dat de weg te zwaar is, en te lang. Dan weet ik dat uiteindelijk, het verdriet overwint. Maar als je het wel verdraagt… hoe erg het ook is …weet ik dat ik het ook kan verdragen. Omdat jij dat al voor mij deed.’
    Dat is wat ik in de boeken van Josepha Mendels vind, nieuwe wegen inslaan voorbij het oude, een leven van doorgaan. En zo af en toe een theepot op de grond smijten om het te markeren.

     

     


    Inge Meijer reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

     

  • Het verloren cahier

    ‘Mag ik je hand lezen?’ Een jongen met eyeliner schoof naast me in de brede, naar rook en verschraald bier stinkende fauteuil, die lang geleden door ene Jochem van de vuilnisbelt naar deze studentenflat was gesjouwd. Vetvlekken in de bekleding, alles plakte. Omdat er een feestje was, dronk iedereen gratis uit het kratje in de gezamenlijke keuken. Er klonk jaren tachtigmuziek, maar dat noemden we toen nog niet zo. De eyelinerjongen drukte zijn dij tegen mijn dij aan. ‘Hoezo?’ vroeg ik. Hij negeerde mijn vraag professioneel: ‘Ken je de oorlogsdagboeken van Etty Hillesum niet? Moet je echt eens lezen. Ze was in de ban van Julius Spier, een handlijnkundige. Van hem heb ik me het handlezen eigen gemaakt. Laat maar eens zien, die hand van jou.’

    Ik weet niet meer wat hij precies in mijn hand zag. Het was vooral zijn bedoeling om met een vinger kriebelend langs alle lijnen te gaan, om dan weer eens aan mijn pink of duim te trekken. Diezelfde week kocht ik Etty. De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941 – 1943, de wetenschappelijke uitgave die in het najaar van 1986 was verschenen onder redactie van Klaas Smelik. In dundruk. Met foto’s en een verantwoording die ik spellend las. Hillesum (1914 – 1943) had elf cahiers vol geschreven en ze ter bewaring aan Maria Tuinzing gegeven toen ze vanuit Westerbork naar Auschwitz werd getransporteerd. Na de oorlog verhuisden de cahiers naar Klaas Smelik en zijn dochter Johanna. Wat mij fascineerde: de dagboekcahiers waren ‘door vele handen’ gegaan, en ‘enkele vroege lezers voorzagen de cahiers zelfs van eigen aantekeningen’. En, belangrijker, er was één cahier verdwenen, het zevende, over de eerste helft van mei 1942. Hoe kon zo’n cahier nu kwijtraken? En wanneer was dat gebeurd? Was het een ongelukkig toeval? Had iemand het per ongeluk weggegooid? Of stond er iets in dat verborgen moest blijven? Ik vond in mijn omgeving geen mensen die zich net zo druk over het verdwenen cahier maakten als ik. 

    Over Hillesum is veel geschreven, terecht wordt haar dagboek geroemd. ‘Men zou een pleister op vele wonden willen zijn’, is een van haar inspirerende uitspraken. Het is ook de titel van een bundeling uit 1989, de verzamelde reacties op het dagboek. Op de omslagfoto is de sigaret die zij tussen haar vingers hield weggeretoucheerd. Van mij hoeft ze niet heilig te worden verklaard, van mij mag ze gewoon op een omslag een sigaret roken.

    Korte tijd later kwam een goede vriend bij mij eten. Etty lag op tafel, ik vertelde erover en noemde de namen van betrokkenen. ‘Grappig,’ zei hij. ‘Ik maak schoon bij Johanna Smelik.’ Het was, naar zijn zeggen, een kolere bende aan papier. Het huis een omgevallen archiefkast. Overal mappen, boeken, kaartjes, knipsels, stapels kranten. Misschien niet raar dat een cahier zoek was. ‘Zou ik een keer met je mee mogen?’ vroeg ik. ‘Om het dagboekcahier terug te vinden.’ Hij antwoordde afhoudend: ‘Ze is erg op zichzelf.’ Hoe overmoedig ook, lang heb ik spijt gehad, niet vasthoudender te zijn geweest. 

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft voor LN over boeken die iets voor hem betekend hebben. In het gewone leven is hij schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn romandebuut De wensvader  (uitg. kleine Uil).

     

     

     

  • Tragisch mislukte feministe

    De biografie van Philip Roth is uit,  een geweldig werk, ruim 1000 pagina’s. Twee weken  terug stond er al een recensie van Joost de Vries in de Groene Amsterdammer.  De Vries heeft Roth hoog zitten, dat was uit het hele stuk wel op te maken, gelukkig. De focus op het werk van Roth ligt vaak op zijn vermeende vrouwonvriendelijke gedrag, de seksuele maniakken die hij opvoert in zijn romans, maar dat klinkt teveel als oude koek. Ik las gretig door de recensie heen, over zijn eerste vrouw Maggie, die een zwangerschap gefaked had, waarom hij haar trouwde, na drie jaar scheidde. Over dat hij een serieuze schrijver wilde worden, dat opsluiting en bevrijding terugkerende thema’s in zijn werk en leven zijn. Ik las over de ophef over Portnoy’s klacht, zijn boeken over Amerika. Ik las door zonder een zin over te slaan. Ha, daar stond de titel waar ik op scande, When she was good. ‘Letting go en When she was good behoren tot de minst geliefde romans in zijn oeuvre.’ schreef De Vries. Daar moest toch meer over te zeggen zijn, ik heb dit boek stuk gelezen. 

    Vorige week vrijdag kwam Michel Krielaars met een groot stuk in het NRC, ook daaruit spreekt bewondering voor de schrijver, wordt als eerste de relatie met Maggie Martinson eruit gelicht. Hoe Roth met haar in een vechtscheiding terechtkwam, tot ze in 1968 dodelijk verongelukt. Krielaars schrijft, ‘In de roman When she was good zou hij over Maggie schrijven.’ Ha, dit is interessant, een feitje dat als een kruimeltje van een broek geveegd wordt, vang ik dankbaar op. In een ander boek over Roth lees ik dat hij in 1965 met een roman begon waarin hij zich baseerde op de verhalen die Maggie hem over haar jeugd had verteld, op zijn eigen ervaringen met haar familie. Zo vormde hij zich een beeld van Maggie, haar geboorte in de jaren dertig, opgegroeid in de jaren veertig en volwassen wordend in de jaren vijftig. Roth had zich geweldig goed ingeleefd in het gevoelsleven van een weerbaar Amerikaans meisje in de jaren vijftig in Amerika. In 2010 concludeerde Karin Stabiner in The Huffington Post dat Lucy Nelson een ‘onervaren en tragisch mislukte feministe is’, dat lezers zelfs hadden kunnen denken dat de auteursnaam ‘Philip Roth’ het pseudoniem voor een vrouwelijke auteur zou kunnen zijn.

    Een braaf meisje is lang mijn favoriete boek van Roth geweest, nog steeds eigenlijk. Al is het inderdaad van een ander kaliber dan Amerikaanse Pastorale, Portnoy’s klacht of Sabbaths theater, anders dan Patrimonium, Nemesis. Het is zijn meest doorwrochte, meest empathische boek dat ik van hem ken. Hij beschrijft een wereld waarin mensen gevangen zitten in familierelaties, in een huwelijk. Een stikbenauwd verhaal, met grote compassie geschreven. Ik heb het boek weer opgeslagen, vanaf de eerste zinnen ben ik opnieuw verkocht. ‘Niet rijk zijn, niet beroemd zijn, niet machtig of zelfs gelukkig zijn, maar beschaafd zijn – dat was zijn levensideaal.’
    Een zin om nog eens te lezen, herkauwend ervan doordrongen te raken wat een geweldig schrijver hij was.  

     

     

    Dat andere boek is: Roth, Een schrijver en zijn boeken / Claudia Roth Pierpont / 425 blz. / Uitgeverij De Bezige Bij (2041)


    Inge Meijer leest boeken van begin tot eind.

     

     

     

  • Bedenkingen

    Jaarlijks herdenken we op 4 mei de doden die hun leven verloren tijdens de Tweede Wereldoorlog met twee minuten stilte. Elk jaar kijk ik naar de televisiebeelden op de Dam met een brok in mijn keel. Ik zie stokoude overlevenden naar voren komen, ondersteund door klein- en achterkleinkinderen, om een krans bij het vrijheidsmonument te leggen. Elk jaar zijn het er minder. Ik zie in hun ogen dat de oorlog nog niet vergeten is, dat ze nog altijd leven met de pijn van het verlies van vrienden en familie, de pijn van angst en honger. Ik zie degenen die de concentratiekampen overleefden waarvan we de namen nooit mogen vergeten: Auschwitz,  Theresienstad, Mauthausen, Birkenau. Terwijl ze voor het monument staan, beleven ze opnieuw de tijd die ze doorgebracht hebben in die helse plaatsen. Ze denken aan degenen die nooit terugkwamen, maar die hen toch nooit verlaten hebben.

    Na de herdenkingsbeelden worden er ’s avonds laat altijd films en documentaires vertoond die met de oorlog te maken hebben. Toen ik vorig jaar langs de zenders aan het zappen was, kwam er een programma voorbij over de beleving van de Tweede Wereldoorlog in Duitsland. Ik zag hoe Nazi’s hun wetten oplegden aan het volk. Er werd een zwart-witfoto getoond waarop Duitse kinderen stonden die op school de Hitlergroet moesten oefenen met uitgestrekte rechterarm, ook al wisten ze niet waarom. De foto riep dezelfde beklemmende sfeer op als de film Das weisse Band van Michael Haneke uit 2009, ook al speelt de film zich af vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in plaats van de Tweede. Maar veel leek er niet veranderd, hooguit waren de rokken van de meisjes wat korter. De foto deed me ook denken aan een gedicht van Jan Eijkelboom, omdat deze kinderen misschien wel nooit de ultieme vraag gesteld zullen hebben, maar wel de dood gauw genoeg ontdekt hebben:

    Voor wat hoort wat

    Een kind vraagt nooit
    waarom, waartoe het toch
    op aarde werd geworpen.

    Daarom en niet omdat
    het hulpeloos zou zijn
    verzorgen wij het trouw,

    vereren het als god.
    Tot het de dood ontdekt
    en een der onzen wordt.

    Toen ik beter naar de foto keek, zag ik dat een klein meisje in de schoolbank als enige haar linkerarm uitstak. Ze leek verlegen en bang. Ik zag aan haar gezicht dat ze, op hetzelfde moment waarop ze die vervloekte groet bracht, zich realiseerde dat ze het verkeerd deed. De schaamte en de angst waren haar aan te zien. In mijn omgeving was ik ook de enige linkshandige. Op school werd ik gestraft als ik met links schreef. Ik moet er niet aan denken wat dit onzekere kind voor straf kreeg voor een fout die als veel ernstiger werd beoordeeld dan de mijne. Ik hoop dat haar opvoeders mild zijn geweest, in de wetenschap dat de dagen van haar jeugd die nog moesten komen, elke straf die mensen kunnen bedenken te boven ging.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Schrijf dat op

    Wat ik doe als ik schrijf. Ik zet de radio aan, of uit. Ga naar de gang, trek schoenen aan. Draai de voordeur van het nachtslot, kijk door het voordeurraam naar buiten, hang de sleutel aan het sleutelplankje, (deur enkel openen voor pakketbezorgers). Loop naar de kamer, zet de radio uit, of aan. Leg op tafel een stapel boeken, zet de laptop er op. Schuif er nog een boek onder. Denk aan de verschillende manieren hoe mensen verongelukken. Open een Word document, kijk naar de beschreven vellen papier op tafel. Tik de eerste regels over. Stop. Pak het luciferdoosje van tafel, steek een kaars aan, steek twee kaarsen aan en ook de derde. Kijk naar drie brandende kaarsen. 

    Loop naar de keuken, pak het brood uit de broodtrommel. Streel het brood, klop het meel eraf, durum meel (zoek dat op). Leg het op een plank, neem het broodmes uit de la. Zet het mes op het brood, snijd een plak af. Neem boter uit de koelkast, plantaardige boter (dat is belangrijk). Eet een stuk van het brood, ga naar de kamer. Typ twee minuten achter elkaar. Stop. Zoek in een kookboek een eenvoudig recept, açorda uit de Alentejo. Stamp knoflook en verse koriander fijn, doe er zout, olijfolie, azijn bij. Smeer het op een stuk brood, bewaar dat voor later. Ga op weg naar de kamer langs de boekenkast. Blijf staan, neem er een boek uit. Lees een bladzijde, zet het terug. Ga opnieuw naar de keuken, spoel bekers en bordjes af. Zet de verwarming aan. Denk aan de ontelbare manieren hoe mensen kunnen verongelukken.

    Wat ik doe als ik schrijf. Ik verschuif de sofa naar de andere kant van de kamer. Laat de kat naar buiten, of naar binnen. Lees over het conflicthuwelijk van de ouders van A.N. Ryst, (weet dat achter die naam Daan Remmerts de Vries zit). Denk aan de vele manieren hoe een mens…, enzovoort.  Schenk heet water in de theepot. Zet het compostemmertje bij de achterdeur. Ga voor het keukenraam staan, kijk naar buiten. Lees hoe de vader reageert als hij begrijpt dat zijn vrouw overweegt de Drion pil te nemen: ‘Mijn vader reageerde met een kort, haast jongensachtig lachje. “Als jij hem neemt,” zei hij, “dan hoef ik hem niet meer.”‘
    Lees een andere passage. Begrijp hoe verschillend een mens kan zijn.

    ‘Mijn moeder kwam ineens naast hem zitten. Ze nam een van zijn handen tussen de hare. “Tjee, wat koud…” Ik keek toe. Het was een zeldzaam gebaar van innigheid; bij mijn vader welden tranen op.
    “Ja… Ook tijdens die wandeling had ik steenkoude handen…”
    “Ja, dat hou je altijd,” zei mijn moeder. “Mensen die bloeddrukpillen slikken hebben altijd koude handen en voeten…”
    “Ja…” zijn mijn vader, met een brok in zijn keel.’

    Doe het boek dicht. Schuif de sofa weer terug. Eet het stuk brood besmeerd met het smeerseltje uit de Alentejo. Doe niet open voor collectes. Denk aan één manier hoe iemand verongelukken kan. Schrijf dat op. 

     

     

    Citaat uit: De nadagen / A.N. Ryst / Uitgeverij Querido (2018)


    Inge Meijer leest boeken helemaal uit, .

     

     

  • Een ‘pervert’ in cursief

    Op een dag bezoek je een boekhandel in een tijdslot. Je zegt je naam bij de deur, die eerst op een kier opengaat. Je winkelt met een mandje, wat je anders nooit zou doen. Hongerig hamster je stapels boeken. Eerst maar Maxim Osipov, in hem had ik al heel lang zin. Roelof Smit volgt en Kerry Andrew. Zondagochtend – voor het eerst in mijn leven heb ik vier etages en vele gangpaden vol boeken nagenoeg voor mezelf alleen. Dan zie ik De getalenteerde meneer Ripley van Patricia Highsmith. Highsmith, honderd jaar geleden geboren, vandaar de heruitgave. Ze zei: Ripley dicteerde, ik hoefde alleen maar te tikken. Een zin die me bijbleef. De triomf van een schrijver, om zó een boek te kunnen schrijven. Het nieuwe omslag nodigt uit tot herlezen: zo’n jarenvijftig vintage reisbureau-affiche van een Italiaanse kustplaats. Meteen vakantiezin. Het is, blijkt uit het colofon, de oude vertaling van Jean A. Schalekamp, herzien door Jan de Wijer. Ook mee!

    Thuis zoek ik mijn oude Ripleys op, jarentachtig pockets in de serie AP crime, in een zomer stukgelezen op een stil strand nabij Zandvoort. Boterhammen mee, thermoskan koffie, onbekommerde uren weglezen in de hitte van een duinpan, samen met de ambigue Ripley. Het oude omslag oogt overigens minder aantrekkelijk, een close-up van twee ringen en een paspoort in het zand. Dan valt me op dat de titel is gewijzigd en meer leunt op de oorspronkelijk Engelse. Schalekamp koos voor Ripley, een man van talent. Dat was voordat The talented Mr Ripley verfilmd werd, met Matt Damon als Tom Ripley. Ik haal de Engelstalige filmeditie uit de kast en zo liggen drie Ripleys voor me op mijn  bureau.
    In de boekhandel was me op de eerste bladzijdes het woord hómo opgevallen. Inderdaad met accent. Ripley wordt achtervolgd door een vreemde man, ik citeer: ‘Mijn god, wat wilde hij? Hij was toch zeker geen hómo, dacht Tom voor de tweede keer, maar nu tastte zijn gekwelde brein naar het feitelijke woord en produceerde het alsof het hem beschermen kon (…).’

    Het is een wat malle formulering. Het klinkt alsof hij in zijn hoofd heel lang heeft moeten zoeken naar het woordje hómo. Het is geen cisman, geen trans, geen queer, o nee het is een homo, nee een hómo die me achtervolgt. Dat lijkt me, met alle respect, niet passen bij een man als Ripley. En wat betekent dit accent? Ik hoor opeens Martien Meiland. 

    Hoe formuleerde Schalekamp deze passage in de editie van 1985? Nagenoeg hetzelfde. God schreef hij nog met een hoofdletter en in plaats van hómo koos hij voor homofiel in cursief. Homofiel, en je zit meteen in de jaren vijftig. Dan naar de brontekst, wat schreef Highsmith in 1955? ‘My God, what did he want? He certainly wasn’t a pervert, Tom thought for the second time, though now his tortured brain groped and produced the actual word (…).’ Aha! Als lezer begrijp je nu beter waarom Tom niet direct op dat vreemde woord komt, maar je begrijpt ook de hoofdbrekens van Schalekamp en De Wijer, want een ‘pervert’ vertalen als viezerik, perverseling of, vooruit, pederast, het zou evenmin overtuigend zijn geweest. 

     

     


     

    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Voor LN schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

     

  • Roes

    De kick van lezen is het moment dat je uit de wereld valt. Geregeld heb ik dat nodig (niet dat ik het dagelijks zoek). Niet elk boek heeft het in zich. Het is simpelweg een kwestie van doorlezen, samenhang vinden. Zoals een junk zijn spul geregeld wil hebben, rusteloos wordt als er niets in huis is, word ik rusteloos van een boek. Een glas wijn erbij is onontbeerlijk. Dan doorlezen tot er iets ontdekt wordt waarvan je niet wist dat het er was. Dat moment, aangevuld met nog een slokje wijn, doet me mezelf ontstijgen, eurekagevoel. Het boek moet terzijde gelegd, een zucht geslaakt. Wat het precies is kan niet aangeraakt worden, maar het is er. 

    Ingmar Heytze stelde in het afgelopen jaar een boek samen met honderd van zijn beste gedichten. Bij elk gedicht schreef hij een inleiding, de weg naar het gedicht. Ik kom te weten dat de dichter tweejaarlijks met zijn dichterlijke vader, Frank Koenegracht,
    belt. Elke dinsdagavond gaat kaarten met vrienden. Dat geluk voor hem is, ‘Dingen lamineren in de herfst terwijl het buiten regent en je handen warm worden van het plastic dat je uit de laminator pakt’. Dat hij er nooit uit zichzelf over zou beginnen dat hij ook stadsdichter is geweest. ‘(…) als iemand me vraagt of ik stadsdichter ben / zeg ik nee of soms of desgevraagd /of weet ik veel of niet vandaag / want als ik ja zeg verdamp ik // als iemand vraagt of ik stadsdichter ben / vraag ik welke stad’.

    De drug voor het schrijven zoekt de dichter in de ‘afwezigheid van gewijde stilte’. Hij schreef zijn meeste werk in cafés, geroezemoes brengt hem in hogere sferen. ‘Ik verdwijn in de tijd tot ik wakker word met de eerste aanzet op mijn scherm of het papier. (…) de enige reden dat ik nog steeds gedichten schrijf: ik wil die roes.’ Als dichter zit je niet enkel in je eigen universum, soms wordt er naar buiten getreden, word je uitgenodigd te komen spreken, wat poëzie aan te brengen in de voegen van het ondernemerschap. Dat dat niet altijd goed valt bleek op een avond toen hij honderd in het pak gestoken heren van een herensociëteit toesprak. De avond lijkt vriendelijk te eindigen, de dichter, die tot geen enkele groep behoort, voelt zich geaccepteerd.

    Tot er een mannetje bij komt staan, hem vraagt, ‘Was dit nou alles wat je ons wilde komen vertellen?’ ‘Ja’, zegt de dichter. ‘Dat boeit mij niet’, was het antwoord, herhaalt dat nog eens, triomfantelijk om zich heenkijkend. De dichter, ‘Als ik ooit nog eens iemand op zijn bek wilde timmeren, was dit het uitgelezen moment.’ Er kwamen heren tussenbeide, er werd nog wat gedronken, de dichter taaide af. De volgende dag schreef hij, ‘Inwijding’, over ergens bij horen. ‘Op een dag treed ik toe tot een Vereniging. / Rond middernacht word ik van mijn bed gelicht, / (…)
    Het is dat het woordental van deze column allang overschreden is, er valt nog veel over te zeggen. Uit de inleidende teksten spreekt onzekerheid, neemt de dichter zichzelf niet al te serieus (wat je als dichter natuurlijk ook niet moet doen), maar in het daarop volgende gedicht zet hij zichzelf weer in elkaar, stevig, als revanche op wat hem overkomen is. Soms legde ik het boek terzijde, zuchtte om de samenhang, om deze
     heerlijke verzameling van Heytze.

     

     

    De honderd van Heytze / Ingmar Heytze / 240 blz. / Uitgeverij Podium


    Inge Meijer kan verliefd worden op een tekst, leest boeken altijd helemaal uit.

  • Losgezongen

    April is inderdaad een wrede maand. Niet alleen volgens dichters en schrijvers, ook boeren weten dat het de maand is die hen de nekslag kan geven. De onrijpe, prille gewassen op het veld en de voorraden geslonken. En christenen, met hun vrolijke Pasen, voorafgegaan door niets minder dan de kruisdood van hun Messias: rond april, het zal allemaal geen toeval zijn. Het ontluiken van leven gaat niet zomaar. Ik ben op weg naar de bieb, buig mijn hoofd tegen de sneeuw en luister naar de soundtrack van Jesus Christ Superstar. De film heb ik zo vaak gezien, dat ik de dorre woestijn en felle ogen van Judas in zijn zon-gebleekte rode hippie tenue moeiteloos voor me zie. Als vijftienjarige verlangde ik van boeken en films dat ze zo echt mogelijk waren. De straaljagers en het zingen leidden me daarom af. Grommend keek ik de film uit.

    Het jaar erna was ik verkocht, ik weet nog steeds niet precies waarom. Luisterend naar de soundtrack valt me op hoezeer de focus op Judas ligt, zijn worsteling en verraad, iets wat me eigenlijk weinig interesseert en ook vanuit bijbels perspectief raadselachtig is. Voor Judas en zijn tijdgenoten zal het verraad reëel geweest zijn, maar als je zoals wij, bijna tweeduizend jaar later, het brein achter het plan kent, dan blijkt dat die hele verraders soep veel minder heet gegeten wordt. God had het allemaal zo voorzien.

    In de straten bloeien roze ribessen, overdadig witte magnolia’s, kitscherige sierkersbomen. Gelaten vangen ze sneeuw, ze hebben maar even. Her en der ligt bloesem op de stoep bruin te worden. Uit het niets verschijnt de zon, het plotselinge licht is rauw. Ik kan de mensen weer aankijken, denk aan de documentaire die ik een paar weken geleden zag, I am Greta. Zelfs omringd door gelijkgezinden, aan kop van klimaatmarsen, lijkt ze losgezongen van de rest. 

    Het gaat allemaal over eenzaamheid. Over weten dat de ondergang of het sterven nadert en dat je vrienden zingen over hoe ze altijd al een apostel hadden willen zijn, zodat ze straks het evangelie over jou kunnen schrijven. En ze menen het zo, ze zijn zo ontwapenend en eerlijk in hun verering van J.C. Ze bewonderen zo hard, dat ze de man en zijn eenzaamheid niet meer zien. Niet kunnen zien, misschien. Mijn bibliotheekbezoek duurt kort, je kunt alleen gereserveerde boeken afhalen. Ik mis de bieb, of val ik nu in herhaling? Ik leen David Vann, Legende van een zelfmoord, aangewakkerd door collega columnist Inge Meijer, omdat het soms inderdaad een tijd duurt voordat je een boek kunt lezen. Op de terugweg sneeuwt het alweer. Dit schrille voorjaar lijkt me er het perfecte moment voor.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver, voor Literair Nederland schrijft zij maandelijks een column. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraapbij AtlasContact.

     

  • Maaier in het literaire veld

    We moesten iets met Pasen, hingen gekleurde houten eieren in een wilgentak die tot het plafond reikte. Het gedoe in het kabinet, waarvan de scharnierpunten al nooit gesmeerd liepen en nu waren vastgelopen, sudderde nog na. Rutte als verrader, zondaar en eeuwige opstandeling, die zijn rol tot het bittere einde wilde uitspelen. Daarbij was het koud, zou het nog kouder worden, sneeuw enzo. Nee, het vrolijke van Pasen kregen we niet te pakken. Toen las ik ook nog een stukje in de boekenbijlage van de Volkskrant door Bo van Houwelingen over De atlas van overal van Deniz Kuypers. Alsof het haar taak is, ze er geschiedenis mee wil schrijven, maakt zij boeken in kort bestek af. Ze is er goed in. Deze keer deed ze het in 173 woorden, in 12 brakke zinnen. Kort en krachtig, als de maaier met de zeis in het literaire veld. Geen enkele onderbouwing. We moeten haar op haar woord geloven dat als zij het niks vindt, het ook niks is. Maar goed, het was Pasen. Er was koffie, een likeurtje, een stuk citroencake met maanzaad (gedoopt in dat likeurtje een heerlijkheid). We gaan hier geen recensie recenseren.

    Dus maakte ik een quinoasouffle met tijm, nootmuskaat, parmezaan. Een salade van veldsla, tomaat, walnoten, peer, eieren. De witte wijn zou een zekere mate van tevredenheid teweeg brengen. Toch bleef de gemakzuchtige toon van het stukje in me doorzagen. Wanneer neem je een recensie niet meer serieus? Het boek, waarin de schrijver zijn zelfzuchtige en agressieve vader poogt te begrijpen, was Van Houwelingen duidelijk niet bevallen. Schrijvers met kinderen die de noodzaak voelen hun eigen jeugd te onderzoeken, vindt ze een algemeenheid. Over de mooie, fictieve verhalen over de vader in dit autobiografische boek is ze kort, ‘Ja, volop verhalen in deze roman, maar echt beklijven doen ze niet.’ Heeft ze het boek wel gelezen? Naar het einde wordt het cryptisch, ‘De les is al geleerd, de wijsheid al ingezonken.’ Over welke les heeft ze het hier, welke wijsheid, en in wat is die gezonken? 

    In tegenstelling tot dat wat er in het verwaarloosbare krantenberichtje staat, beklijft er veel uit dit boek. De rusteloosheid wanneer je tussen twee culturen opgegroeid bent, je nergens thuisvoelen krijgt hier een intensere belichting dan ooit. De agressiviteit van de vader, de poging als zoon hiermee te dealen. Het beklijft hoe de auteur, vol wrok zit jegens zijn zelfzuchtige vader, waarover hij tijdens het schrijven aan dit boek niet meer te weten komt dan hij al wist, hem fictief vormgeeft. Hem een beetje in de richting schrijft waar hij hem zou willen hebben. Uiteindelijk laat hij zijn vader, die hem in de twintig jaar dat hij in Amerika woont nooit heeft gebeld, naar hem bellen. Ze spreken in een haspelende, haperende taal, er is een poging tot toenadering. Verhalen brengen je verder dan de werkelijkheid. Wat bijblijft is hoe de schrijver aan zichzelf voorbijging. Maar je moet deze knap geconstrueerde roman natuurlijk wel helemaal lezen om dat erin te zien. Intussen viel de sneeuw, wilde het maar geen Pasen worden.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt wel eens verliefd op een tekst, leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Kroonboek

    Ik weet dat voor de meeste mensen 12 augustus 1986 een dag is die zonder enige betekenis voorbij is gegaan. Die dag schelde bij ons – ik woonde nog bij mijn ouders in Hilversum – de voordeurbel en overhandigde de postbode mij een pakketje waarop ik de hele zomer had gewacht. Ik had zelfs een paar keer gebeld met de mevrouw van de klantenservice. Zij legde de schuld van de vertraging bij de drukte die er in de vakantieperiodes altijd was. Een nadere uitleg gaf ze verder nooit.
    Het was mijn kwartaalbestelling van de boekenclub. ECI, Boek en Plaat, ik weet even niet meer over welke club het hier precies gaat, want ik ben van allebei wel een keer lid geweest. Als ik iets verbind met de jaren tachtig dan is het wel mijn getwijfel en gestaar bij de kennismakingsaanbieding van deze boekenclubs in de televisiebode: kies uit dit assortiment drie boeken voor een tientje. Je kreeg er vaak nog een kleine transistorradio of huishoudelijk apparaat gratis bij. Voor de snelle beslisser, aldus de wekelijkse aansporing.

    Oorlog en vrede van Tolstoj (de hardcoveruitgave van Bigot&Van Rossum) zat er altijd bij, een Agatha Christie Vijfling en een boek over massage voor paren, dat veel beeldmateriaal beloofde. Het lidmaatschap had als consequentie dat je eens per drie maanden een bestelling uit hun catalogus moest doen. Vergat je dit    en ik begreep dat het sommige mensen geregeld overkwam –  dan kreeg je het Kroonboek toegestuurd. Een roman van Rosemary Rogers of Catherine Cookson of een ‘overpriced’ knutselboek kon zomaar onverwacht op de deurmat vallen – uiteraard met rekening. Twee dingen waren zeker: het Kroonboek was nooit het goedkoopste boek uit de catalogus en het was ook nooit literatuur met de hoofdletter L. Zelf ben ik te neurotisch van aard om me zomaar te laten overvallen door de komst van een Kroonboek.

    Daarom belde ik de Klantenservice die zomer zo vaak, alsof ik verder niets te doen had, waardoor de mevrouw die telkens de telefoon opnam een zekere vermoeidheid in haar stem kreeg, nadat ik mijn naam had gezegd en over mijn bestelling begon. Was er wellicht sprake van een fout, een misverstand of vermissing? Ik was zeker niet geïnteresseerd in het Kroonboek, iets over zomer- of kamerplanten. ‘Dat weet ik,’ onderbrak ze me op een gegeven moment, ‘U wenst het Kroonboek niet.’ Het klonk alsof ik haar persoonlijk had beledigd. 

    Zo arriveerde, weliswaar verlaat, op 12 augustus 1986 het boekenpakket dat mijn leven drastisch veranderde: de eerste twee delen Geheim dagboek van dichter Hans Warren (1921 -2001). Zijn dagboek bracht mij op het spoor van Maria Dermoût, Julien Green en, vooral, Konstantinos Kavafis. Maar bovenal, Geheim dagboek verbond mij voor het leven met een blozende jongen uit Zeeuws-Vlaanderen. Bij hem in Amsterdam-West stond een rijtje Geheim dagboek. ‘Jij ook?’ vroeg hij. Daarna wandelden we geregeld in het spoor van de dichter door Zeeland. Er was een tijd dat we meer thuis waren in zijn leven dan in het onze.
    En wat betekende deze dag voor Hans Warren zelf? Sla zijn dagboek uit 1986 open en je ziet dat die twaalfde augustus onopgemerkt voorbij is gegaan.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. Voor LN schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Nog van alles mogelijk

    In de boekenkast zou Josien Laurier tussen de schrijvers Michael Laub en Violette Leduc moeten staan. Ik wist het zeker, haar boek Een hemels meisje en een verhalenbundel zouden daartussen staan. Boekenkasten veranderen van inhoud, zij was er niet meer. Laurier is een van die schrijvers waar ik wel eens aan denk, me afvraag waar ze gebleven is. Net als Annelies Passchier, waarvan ik nu weet dat zij in 2009 is overleden.

    Vorige week schreef Jan van Mersbergen op zijn blog over de genomineerden voor de DIF/BNG Aanmoedigingsprijs 2005, waartoe hijzelf ook behoorde. Hij had een foto gevonden waarop ze alle zeven poseerden. Zes van die schrijvers zijn nog in het literaire veld actief. De zevende, Josien Laurier was verdwenen. Van Mersbergen vroeg zich af waar ze gebleven was. Na zijn post op Facebook vroegen velen zich dat af: ‘Oja, Josien Laurier’. ‘Schrijft ze nog?’ Er werden foto’s gedeeld met haar boeken die uit kasten waren getrokken als bewijs. In mijn boekenkast dus niets. Een dag later dacht ik aan mijn oudste dochter, ik appte haar, of Josien Laurier bij haar stond. Ja, daar stond ze. Opeens wilde ik alles van haar terugzoeken.

    Ik vond een (verouderde) website, teksten op DBNL, verhalen die in literair tijdschrift Parmentier (ook verdwenen) stonden. Ik vond een e-mailadres, kopieerde het, plakte het in een op te stellen mail. Schreef dat haar boek Een hemels meisje in mijn geheugen als belangrijke literatuur lag opgeslagen. Ik vroeg hoe het haar ging. In de tussentijd tweette Marja Pruis dat ze haar laatst in Amsterdam op straat had gezien, dat er in die zin dus niks aan de hand was. Ze bedoelde: ze leeft. Er zou dus nog van alles mogelijk kunnen zijn. Een schrijver blijft een schrijver blijft een schrijver. Er dook een laatste interview met haar op, uit 2010. Daarin zegt ze te stoppen met schrijven, dat ze nu leest, Aristoteles, Thomas van Aquino, Hume en Kant. Dat ze dat veel eerder had moeten doen. Dat er in de vorm van verhalen en romans voor haar geen uitdaging meer zit. En dan moet er ook steeds maar weer die psychologie bij, die mij eigenlijk helemaal niet interesseert.’ Mooi interview, intrigerende persoonlijkheid. Ik zou een ideeënroman van haar hand willen lezen. 

    Op DBNL staat de tekst, ‘Veel gestelde vragen’ van Josien Laurier. Dat begint zo: Hoe gaat het met u? Zijn er omstandigheden waaronder methaanrivieren op Titan tot de mogelijkheden behoren? Waarom geen mooie blouse in champagne- of goudkleur? Is net-art dood? Was de aarde, in de eerste vijfhonderd miljoen jaar dat hij bestond, een hel? Is dat een integratieprobleem, een communicatieprobleem, of helemaal geen probleem? Zijn dit nu de reacties van een geschokte samenleving? Wie heeft in Europa de macht over de euro? Wat verstaat men onder de halveringsdikte van een stof? We hebben toch een probleem met de migratie? Hoor ik een gelukkige vrouw aan de andere kant van de lijn?’ Zeven pagina’s gaat dat zo door, waar je doorheen leest als een gek die constant pingpongballetjes van zich af moet slaan, onderwijl de geest vullend met verhalen, aangespoord, door die vragen.
    Een paar dagen terug ontving ik een antwoord van de schrijfster. Dat het haar uitstekend gaat. Dat ze jaren geleden met schrijven gestopt is, dat het ‘denkelijk’ daarbij blijft. ‘Maar een mens weet nooit…’ schreef ze nog. Dus is er nog van alles mogelijk.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, wordt geregeld verliefd op een tekst, is een gevoelig lezer.