• Driehoog achter

    Lang had ik niet aan Tsjechov gedacht, tot deze week Russisch vertaler Arie van der Ent op een literaire avond kwam praten over zijn vier-delige Repercussies uit het Russisch. Een keuze van zo’n zeshonderd gedichten van veelal onbekende dichters, maar ook van Paustovski, Charms, Tsjechov. ‘Van de ene dichter kom je bij de ander’, zei Van der Ent. En, ‘het zijn ook dichters van driehoog achter’. Ik zag ze daar zitten, aan een keukentafeltje, of leunend tegen het aanrecht, schrijvend aan een gedicht dat niemand onder ogen komt. Er is een zekere noodzaak nodig om te schrijven. Ik dacht aan Tsjechov, hoe hij zijn verhalen schreef aan een tafeltje in een kleine keuken van een rumoerig appartement ergens tweehoog achter. Waar altijd wat te doen was, dronken broers ruziënd binnen vielen, kinderen van familie rondhingen. Rond zijn negentiende begon Tsjechov, om zijn moeders geldzorgen te verlichten, humoristische verhaaltjes te schrijven. Waaronder ‘De dood van een ambtenaar’. Een portier niest per ongeluk in de nek van een afdelingschef. De portier put zich uit in verontschuldigingen. De afdelingschef verwenst hem naar de duivel. Thuis gaat de portier even liggen, sluit zijn ogen, sterft. Het heet een humoristisch verhaal te zijn. Humor is verpakte tragiek.  

    Van der Ent leerde eind jaren zeventig Russisch van Karel van het Reve. ‘Lessen waar niemand beter van werd’, zei Van der Ent. Waarmee hij bedoelde dat Van het Reve het in zijn vrije tijd deed, studenten er geen punten voor kregen. Ware liefde laat zich niet belonen. Lang geleden schreef Karel van het Reve ter inleiding bij zijn Geschiedenis van de Russische literatuur, ’Er is maar een reden voor het schrijven van de literatuurgeschiedenis, en die reden is niet het nut dat zo’n boek zou kunnen afwerpen, maar de aardigheid dat de schrijver heeft gehad in het maken en de lezer zou kunnen hebben bij het lezen.’ Niemand verloochent een goede leermeester. Van der Ent schreef ter inleiding, ‘Dit is geen canon, geen weldoordachte oogst uit duizenden, miljoenen gedichten. Er was geen selecteerprogram, en geen criteria anders dan de luim van de vertaler. Die leidde tot de zee van regels, verzen en gedichten die nu, na bijna veertig jaar arbeid wordt ingedijkt.’ 

    Van der Ent las een gedicht voor van Wladimir Kuilerovski (als ik de naam goed verstaan heb), dat op zeer eenvoudige wijze laat zien dat onderdrukking leidt tot opstand, een soort vechten tegen de bierkaai is.

    ‘In geleerde periodieken
     en in sombere kritieken
     al een eeuw of twee.
    Hebben mensen hard gebeden
    hard geschreven en gestreden
    om een strategie te smeden
    tegen het café.
    Maar toch stroomt het giftig water
    met zijn vrolijk geklater
    als een woeste zee.
    Vreest het kwaad geen tegenstander
    groeit het monster als geen ander.
    En verdringen dorstigen elkander
    voor het dorpscafé.’

    Ik moet deze vierdelige Repercussies natuurlijk hebben (oh, onbedwingbare hebzucht). Maar goed, terug naar Tsjechov, zijn verhaal De wilg begint zo, ‘Wie van u heeft wel eens over de postweg tussen de plaatsen B. en T. gereden?’ Ik weet van niets, maar voel me direct aangesproken. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, luistert graag naar een goed verhaal.

     

     

     

  • Over het spoor (1)

    Ik kijk graag naar Édouard Louis. Groene ogen, blonde slag in zijn haar, gladde huid. Jonge Franse schrijver, internationaal gevierd. Maar nog liever luister ik naar hem: scherp, compromisloos, begeesterd, soms met ingehouden woede. Zondag 26 september was hij te gast in Buitenhof. Journalist Maaike Schoon geeft Louis de ruimte om zijn thema’s over dominante klasse en onderklasse over het voetlicht te brengen. Hij spreekt over de vervolging en vernedering van de onderklasse. Zijn mond beweegt op het vuur van zijn blik als hij politici hekelt: zij nemen veelal besluiten die niet hun eigen bestaan raken. Voor mensen uit de arbeidersklasse is politiek juist een kwestie van leven en dood. Een korting op een toeslag of uitkering en de ellende wandelt het huishouden binnen. Louis zei het duidelijk in Buitenhof: politiek gaat over armoede, uitbuiting, geweld, onderdrukking. 

    Ik voel verwantschap met Édouard Louis als hij over zijn sociale achtergrond vertelt. Hij spreekt van een ‘transfuge de classe’, het verhuizen van de ene klasse naar de andere, die je blik op de maatschappij verruimt. Je ziet ongelijkheid, ervaart machtsverhoudingen, wordt gevoeliger voor uitsluiting. We hebben nagenoeg dezelfde ontsnappingsroute gevolgd. Al realiseer ik me wel dat er een groot verschil is tussen het leven van een arbeidersgezin in een Noord-Frans dorpje, door Louis hartverscheurend vastgelegd in Weg met Eddy Bellegueule, en dat van eenzelfde soort gezin in het Nederland van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Ik groeide op in Hilversum, Over het Spoor – de volksbuurt van het dorp. “Om ergens te komen moet je aan de andere kant zijn,” werd er thuis gezegd. Doorleren was het middel. 

    Als een klein bijbeltje fungeerde later voor mij het proefschrift van onderwijssocioloog Jan Brands, Die hoeft nooit meer wat te leren (1992). Hier werd een belangrijk deel van mijn verhaal verteld. Waar Édouard Louis de revolutie predikt, is de toon bij Brands milder. Toch is het een geëngageerd boek. De onderzoeker interviewde arbeiderskinderen die als eerste in hun familie gingen studeren. De ‘transfuge de classe’ bracht vervreemding in hun leven. Ze raakten los van hun afkomst, maar wortelden ook niet in een andere klasse. Tussen twee culturen. Vlees noch vis. In een eigen tussenklasse.

    Zowel bij Louis als Brands is schaamte cruciaal. Schaamte over gedrag, voor ouders, over eigen afkomst. Maar vooral taalschaamte. Ik werd een keer gecorrigeerd in het gebruik van ‘kennen’ en ‘kunnen’, want die verhaspelde ik continu maar wel consequent: ‘Ik ken de trein niet halen. Ik kan hem heel goed’. Taal verraadt afkomst. Een sjibbolet heet dat, zei iemand tegen me. Louis heeft het over vernedering, je praat niet correct, je schrijf niet correct. Toen ik, als eerste in de familie, mijn doctoraal haalde, zetten mijn ouders op de kabelkrant, die bestond nog in die tijd, een trots bericht: Gefeliciteerd met je bull. Woedend was ik. Van schaamte. Voor hen, voor hun goede bedoelingen en naïviteit. Ik liet het bericht aan geen van mijn vrienden zien. Nu is er vooral ontroering. Ze waren trots en hadden hoop: een kind dat studeert is een kind dat het later beter krijgt. 

     

    Deze column wordt vervolgd.


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekenen.

     

  • Vreemdelingen

    Hoe we worden als je niet behoort ‘tot de beschermden en gelukkigen van hun eigen geschiedenis’. Ik lees het nieuwe boek van Julia Franck, waarin ze over zichzelf schrijft. Iets wat ze verafschuwde. ‘Dat iemand gedichten en dagboeken niet alleen voor zichzelf schrijft, maar ze ook wil publiceren, vindt het meisje walgelijk.’ In 1978, Franck is acht jaar, verhuist haar moeder, een actrice, met haar vier dochters van Oost- naar West-Berlijn. Het is het geboortejaar van mijn eerste kind. Een tijd waarin we niet bijzonder mobiel waren, geen online leven kenden, deuren gesloten bleven. Ik herinner me het als een verstikkende tijd, als vrouw, moeder. In het Westen zoekt de moeder vrijheid, ze schrijft  alle vrijescholen in Duitsland aan. In Sleeswijk-Holstein worden de kinderen aangenomen. Ze betrekken een verlaten boerderij, vijf kilometer lopen van school. Vanaf dat punt is de moeder incapabel voor haar dochters te zorgen. Ze leven in een verslonsd huishouden, alles is kapot, niets wordt hersteld. 

    Als kind wordt ze een geobsedeerd dagboekschrijver, wil ze weg. ‘Het enige wat ik wil is weggaan, al op mijn twaalfde, het eerste wat ik moet doen is daar weg zien te komen. Waar moet het met mij naartoe?’ Op haar dertiende woont ze bij vrienden in Berlijn. Ze correspondeert met haar zussen, niet met haar moeder, ‘Na een paar pogingen schreef ik haar dat ze mij te vreemd was om haar te schrijven.’ Het eerste boek dat ik van Franck las was de Middagvrouw, indrukwekkend verhaal over haar familie van vaders kant. Haar vader werd als zesjarig jongetje door zijn moeder Helene Würsich, in de chaos na de Tweede Wereldoorlog moedwillig achtergelaten op een station. Franck onderzoekt de beweegredenen van deze vrouw door de geschiedenis van Duitsland in beeld te brengen. In Rug aan rug schreef ze over haar moeders familie. Haar joodse grootmoeder Inge, beeldhouwster en communiste, werkte voor de Stasi. Toen bleef het lange tijd stil. De schrijfster moest iets overwinnen, ‘de gebeurtenissen en omstandigheden in mijn familie waren nauwelijks in literatuur om te zetten, zo onwaarschijnlijk en heftig waren ze. Hoe zou het mij ooit toegestaan zijn mijn stem te verheffen voor het eigene en mijn eigen verhaal, een vorm te vinden, taboes te omzeilen of ze onder ogen te zien.’ 

    Met dit boek vernauwt zich alles, de geschiedenis van Duitsland, haar beide families, tot het bestaan van de schrijfster. Al lezend nader ik steeds dichter de levens uit haar voorgaande boeken, hoe die zich om de schrijfster heen plooien. Ze opent het boek met een verklaring, ‘Ook in het echte leven heb ik een moeder, vier zussen en vrienden van wie ik hou. Ook in dat echte leven heb ik geliefden veel te vroeg verloren aan de dood, terwijl ik tot in lengte van dagen met hen verder leef. Ik kende ze, ken ze en zal ze voortaan een beetje anders kennen. Noch zij noch ik blijven dezelfden. Onze ervaringen veranderen ons en onze kijk op de dingen.’ Vele verhalen moeten er nog gehoord worden om werelden bij elkaar te brengen. Ik blijf de vreemdeling als ik niets van de ander weet. 

     

    Citaten uit: Werelden uit elkaar / Julia Franck / vertaling Els Snick / 320 pag. / Wereldbibliotheek (2021)

     

    Lees hier het interview met Julia Franck n.a.v. haar boek Werelden uit elkaar.


    Inge Meijer is een pseudoniem, luistert graag aan de keukentafel naar een goed verhaal.

     

     

     

  • Meisje

    Nadat ik een plaatsje had weten te vinden in de overvolle trein, werd ik me bewust van het gesprek dat een meisje met haar mobieltje voerde. Ze zat tegenover me: een tenger, blond meisje van een jaar of vijftien, zestien, gekleed in een spijkerbroek en een legerjack. Het was duidelijk dat ze met haar vriendje aan het praten was en uit het gesprek, waarvan ik slechts één kant kon horen, kon ik al gauw opmaken waar het over ging: hij had het uitgemaakt en zij smeekte hem om weer bij haar terug te komen. Haar stem klonk jammerend hoog toen ze maar bleef vragen waarom hij niet meer met haar wilde? Had ze iets verkeerds gezegd, iets fout gedaan? Maar ze konden het toch opnieuw proberen, ze zou veranderen, ze zou alles doen wat hij maar wilde, als hij maar weer van haar zou houden. Het verdriet had haar onverschillig gemaakt voor het feit dat iedereen haar kon horen. Ze keek niet naar ons, de andere passagiers in de trein, maar bleef maar uit het raam staren alsof ze haar vriendje daar buiten zag staan.

    De tranen stroomden over haar bleke gezicht en ze had een snotneus. Ze zag er moe en gebroken uit, maar ze bleef dezelfde woorden herhalen, alsof hij op het laatst wel zou toegeven als ze maar bleef volhouden. Het deed me pijn dit aan te horen. Ik wilde mijn armen om haar heen slaan en in haar oor fluisteren dat ze mooi en jong was en dat ze die jongen niet nodig had om gelukkig te zijn; Plato had gezegd dat geluk bestond uit jezelf genoeg zijn. Dat ze vast wel een ander zou tegenkomen, en dan leefden ze nog lang en gelukkig. En als er geen sprookjesprins voorhanden was, dan zou ze wel gelukkig zijn in haar eentje. Dat haar toekomst stralend zou zijn, ongeacht welk pad ze zou kiezen. Over vijftien jaar, als ze dertig of daaromtrent was, zou ze lachen om wat dan niet meer zou zijn dan een beschamende herinnering. Ik had als de goede fee aan haar wieg willen staan en het gedicht van Erik Menkveld als een toverspreuk over haar willen uitspreken:

    Alles mag je worden

    Het springzaad knapt, de brempeulen
    knallen open en jij ligt er in je wieg
    als een popelend boontje bij.

    Alles mag je worden van mij: zeeman,
    boswachter, archeoloog. Of –
    als je leven ingewikkelder loopt –

    gesponsord ontdekker van aangroei
    werende stoffen voor scheepsverf,
    alleenstaand paddestoelenfotograaf,

    pacht- en beestenlijstenonderzoeker
    van verdwenen Drentse keuterijen…
    Behalve ongelukkig. Beloofd?

    Maar natuurlijk deed ik niets van dat alles. Bij het volgende station stapte ik uit de trein. En terwijl ik naar huis liep, dacht ik aan een vergelijkbaar voorval lang geleden, toen er ook niemand zijn armen om me heen geslagen had toen ik dat zo heel erg nodig had. Maar zie me hier gaan: meer dan twee keer dertig, en blij met mezelf. Het meisje zou het ook wel redden.

     

    Uit: Schapen nu! / Erik Menkveld / De Bezige Bij (2001)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Vuilnismannen

    Gisteren was facebook verdwenen. Het moederhart kon het niet meer aan, nooit geklaagd, maar het was genoeg, ze was stuk. Ik had juist een foto van geoogste tomaten uit eigen tuin klaarliggen, zweempje middagzon erover, prachtig, wat woorden erbij. Wilde ik plaatsen, hoefde niet meer, opeens waren er momenten met ‘niks’ te over. Dan beseffen dat van de vroege ochtend tot laat in de nacht, met een klik, de fb pagina geopend werd, kijken, wie wat plaatste, waar een like te plaatsen om tot een afgerond getal te komen( 69 likes naar 70, 199 naar 200 te klikken, en door maar weer). Zulke gewoontes ontwikkel je nu eenmaal tijdens fb-turen. Daar is iets aan af te lezen, maar dat doen we nu niet. De dagen zijn de laatste tijd al zo anders geworden, er dingen zijn die niet wennen. De leegte, het doelloos kijken naar dat wat niet meer is.

    Zoals zondagen, die sinds A.L. Snijders uit dit leven vertrok, nooit meer goed komen. Nog steeds vind ik mezelf, na een jeukend gevoel van gemis, (er is iets, er was iets, waar is het?) met lege handen terug achter mijn laptop, turend naar de gras-lijst, een nieuw zkv, dat niet meer komt. Dan open ik het mapje van eerder ontvangen zkv’s, kies er een uit, lees, open een ander, lees, kom in de wereld van Snijders, waar alles gebeurt op Snijderiaanse voorwaarden. Ik lees het zkv waarin Snijders bezoek krijgt van  een onbekende man die de gewoonte heeft bij schrijvers aan te kloppen. In veel zkv’s heeft Snijders te maken met onaangekondigd, onbekend bezoek, vaak het beste bezoek. Deze man was voorbereid, had een fles sterke drank, ‘De Sjirurch’ bij zich. Het vermoeden dat Snijders dingen verzint (wat nooit zo is), bij ‘De Sjirurch’ denk ik dat ook. Ik google de naam, kom terecht bij een weduwe in Sneek die na de dood van haar man in 1864 een stokerij begon. Zij mengde jenever met een kruidenmengsel van ene Hendrik Beerenburg uit Amsterdam. Er volgden vele soorten mengsels van deze Beerenburg, met ieder hun eigen doelgroep. Het etiket op ‘De Sjirurch’, vermeldt, ‘Foar strontskippers, trûbadoers en oar rosmos’. Duidelijke taal, al weet ik niets van ‘oar rosmos’ te maken. 

    Snijders laat de onbekende man, van beroep vuilnisman, binnen. Op anderhalve meter praten ze over toneel en literatuur. Het is waar, vuilnismannen staan bekend om hun poëtische inslag. Op tafel tussen hen in ligt een bundel van de Roemeense dichter Matei Vişniec, die de liefde over poëzie ondervond, ‘Als een geslagen hond heb ik van haar gehouden, zoals een zwerver houdt van de vrijheid, zoals een paardendief houdt van het gestolen paard.’ Een tekst die ik ook aan Snijders toevertrouw. Na afloop draagt Snijders het gedicht ‘Over de roman waarin ik werk’ voor aan de man. Daarin loopt de dichter door de stad, komt spullen van zichzelf tegen: een kamerjas, familiefoto’s, de roman waaraan hij al dertig jaar werkt, restant van een hemd in een vuilnisbak. Er steekt veel poëzie in vuilnisbakken, geen mooier beroep dan vuilnisman, op vrije dagen bij schrijvers aankloppen.
    Facebook is inmiddels terug online, Snijders blijf ik in mijn mailbox nog wel even zoeken.

     

     

    Zkv uit: Tat tvam asi / A.L. Snijders / AFdH Uitgevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, valt voor een goed verhaal, een stijl, een woord (keukentafel, zolderkamer), een mening.

  • Bang

    Soms, deze week ook weer, droom ik van mijn moeder en denk dan: wat ziet ze er voor haar doen nog goed uit, ze lijkt verre van stervende. Ze zit rechtop in een stoel, haar hoofd en profil. Onder haar ogen donkere kringen, op haar wangen zwarte vegen, tekenen van ontbinding en toch peil ik, optimistisch, nog een lang leven. Soms kan ik de aanleiding tot zo’n droom raden. De toevallige blik op een oude foto op een telefoon. Zoals van een etentje in een Goois restaurant. Mijn moeder aan tafel met damasten servetten, ze kijkt langs de lens naar iets achter mij. Met terugwerkende kracht schrik ik van haar gezicht. De vele lijnen, niet van ouderdom maar van pijn. Haar glansloze haren, het grijs in haar ogen. Hoe kon ik al die tijd de dood zo ontkennen, terwijl hij zich schaamteloos manifesteerde in haar blik en gestalte, terwijl ik door mijn werk in het verpleeghuis toch een zintuig heb ontwikkeld voor zijn intrede. Een andere aanleiding was De bange mens van Daan Heerma van Voss dat ik de afgelopen week las. Een hybride boek. Heerma van Voss lijdt sinds zijn jeugd aan paniekaanvallen en depressieve buien.

    Zijn angsten lijken een sta in de weg voor zijn relatie en daarom geeft zijn vriendin hem de opdracht zijn angst te onderzoeken. Wat volgt is een moderne variant op een Middeleeuwse queeste. Hij trekt de wereld in om in Frankrijk, Indonesië en de Verenigde Staten, maar ook dichter bij huis, op zoek te gaan naar de vele gedaantes van angst.  Openhartige en persoonlijke reflecties worden afgewisseld met geschiedenis en journalistiek. In zijn maatschappij-analyse – van solidariteit naar solitair – beschrijft hij hoe angst een voedingsbodem vond in een geïndividualiseerde samenleving. Waar je je afgescheiden van anderen voelt, onderlinge verbondenheid veelal ontbreekt, wint de angst. Zijn kritische notities over de invloed van de farmaceutische industrie op de geestelijke gezondheidszorg zijn een interessante bijvangst. De bange mens leidt je vanzelf naar je eigen angsten en neuroses.

    De mijne cirkelen om de gezondheid en kwetsbaarheid van anderen. Dat moet samenhangen met de levenslange slopende ziekte van mijn moeder. Ik was een half leven voorbereid op wat ik dan ‘het ergste’ noemde. En om ‘het ergste’ niet onder ogen te komen, zag ik het liefst niets. Liefde maakt blind, angst helpt een handje. Ik blader terug in De bange mens naar een passage over Kierkegaard: “Wat elk mens moet doen om zichzelf te bevrijden van zijn ketenen, om helemaal zichzelf te worden: springen. (De sprong hoeft volgens Kierkegaard (…) niet per se heroïsch of actief te zijn. Soms komt het springen neer op een loslaten van de bestaande zekerheden in je leven.)”
    Dan verschijnt via LinkedIn het omslag van het nieuwe boek van Gerard van Emmerik op mijn beeldscherm: Ik ben niet bang. Ik grinnik bevrijdend om zoveel toevallige samenloop. Pas later proef ik de dubbelzinnigheid van de titel. Je staat op de rand van de duikplank, zet je tanden in je onderlip. Springen, roept iemand vanaf de kant. Loslaten!

    Is het water koud of warm? Of is het zwembad leeg?

    Ik ben niet bang, denk je, en voetje voor voetje nader je de rand.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. Hij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Heldere gedachten

    Het was een perfecte herfstochtend die ik, heldere gedachten in ‘t hoofd, doorbracht in mijn werkkamer toen de terreur der groenverzorgers inzette. Ik zag hoe beneden in de tuin de kat met drie poten de stam van de plataan omvatte, razendsnel naar boven klauwde, stilhield, oren plat op het kopje, om dan, in een zucht naar beneden te vallen. Die boom, de kat, het zachte licht, de perfecte landing in het gras, het gaf me een verrukkelijk ‘mij kan niets gebeuren’ gevoel. Toen knalde een hels kabaal los. Achter, voor, opzij van het huis ronkte en raasde het. Motorgebrul van heggensnoeiers, grasmaaiers, bladblazers. Ik sloot ramen en deuren om mijn gedachten te blijven horen. Maar die waren verdreven, weg, als een ijslolly die in de hete zon smelt, een plasje wordt op de grond.  

    Ik dacht aan Copsford, (wat een heerlijk boek, zinnig, kabbelend, als maak je een wandeling met de schrijver over de velden en wegen van Sussex), waar de schrijver ook met natuurbeknotters te maken kreeg, in 1920. Hij verzamelde kruiden, wist een plek waar het boerenwormkruid welig groeide. Ik liep met hem mee, maar helaas, iemand was hem voor geweest. ‘Nee, geen andere groene man, maar een wegwerker. Hij had de bermen gemaaid. Daar lag al mijn boerenwormkruid, zwart, droog en onbruikbaar na een week in de zon en de regen.’ Oh, dat onnodige ingrijpen, bedacht in een overleg ter ordening van natuur, opgeschoonde bermen. Ik voelde met deze jongeman mee.

    Walter J.C. Murray vluchtte als negentienjarige jongeman na een freelance carrière in de journalistiek in Londen, naar het platteland. Op zoek naar rust en innerlijke waarden. Hij trok in een vervallen huisje, vergeven van de ratten die ’s nacht zijn slaapkamer binnendringen. ‘Ik greep de kleine buks, en terwijl ik de hond luidkeels aanmoedigde en zelf een fandango danste op het bed, trok ik de trekker zo strak aan dat het wapen afging en een kogel zich dwars door het matras heen de vloer in boorde. De ratten raakten van slag, werden helemaal gek, wat zich uitte in een uitzinnige race van minstens tien rondes langs de blokkades, het dak en de vloeren. om uiteindelijk smadelijk hun nederlaag te erkennen en onder de grond te duiken.’ Waarna hij ging slapen.

    Er was geen stromend water, hij haalde het uit een poel verderop, bewaarde het in een kan. ‘Ik hoefde niemand een plezier te doen behalve mezelf. Als ik dagenlang op brood met boerenboter en koppen thee leefde, mopperde er niemand en werd er geen kostbaar water verspild aan de afwas.’ Ja, laten we elkaar minder plezieren, brood met boerenboter serveren. Murray werd een ‘groene man’. Bedacht een manier om kruiden te drogen, te verkopen. Van de opbrengst onderhield hij zichzelf, zijn hond.  Hij was er gelukkig, ‘toen geen angst of zorg me bezwaarde, toen me niets kwaads overkwam, toen ik met volle teugen van elk zorgeloos uur genoot,’ werd zijn blik zuiverder, zijn gedachten helderder. Heldere gedachten zoals ik ze zoek, die je op met inkt beschreven vellen te drogen legt. Murray wist honderd jaar geleden al dat we zuinig moeten zijn met onze grondstoffen. Hij schreef een pretentieloos boek, (waarvan er nu zoveel verschijnen) over terug naar de natuur. Dit is een van de besten die ik tot nu toe las.

     

     

    Copsford / Walter J.C Murray / vertaling Anne-Marie Vervelde / 253 p. / Uitgeverij Oevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, valt voor een goed verhaal, een stijl, een woord (keukentafel, zolderkamer), een mening.

  • Handgeschreven briefje

    Tot anderhalf jaar geleden leefde ik een tamelijk voorspelbaar leven. Ik ging vijf dagen per week naar kantoor en twee tot drie keer per jaar op vakantie. Als iemand mij toen had verteld dat de wereld op het punt stond te worden getroffen door een pandemie waardoor de wereld tijdenlang in lockdown zou gaan, onbelemmerd reizen niet meer mogelijk zou zijn en ik met een groep van zeven andere mensen een antiquarische boekhandel zou bestieren, dan zou ik die persoon voor gek hebben versleten. Zoiets zou hooguit plausibel hebben geklonken als het uitgangspunt van een dystopische roman. Nu is de dystopie echter realiteit geworden. Hoe de pandemie precies is ontstaan zal wel altijd onduidelijk blijven, maar de boekhandel kende een concreet startpunt. Het begon allemaal met een tweet van Jean-Pierre Geelen, journalist bij De Volkskrant. Op een goede dag liep hij voorbij de antiquarische boekwinkel Colette. Zijn blik viel op een handgeschreven briefje dat achter de etalageruit zat geplakt met het bericht ‘Opvolging gezocht.’

    De tachtigjarige eigenaar Jogchum de Vries bleek al een tijdje op zoek te zijn naar iemand die zijn winkel wilde overnemen, maar tot dan toe zonder succes. In zijn tweet sprak Jean-Piere de hoop uit dat iemand anders de zaak voort zou zetten. De tweet zorgde voor veel reacties en leidde er uiteindelijk toe dat een collectief van acht personen, waaronder ik en Jean-Pierre, een crowdfundactie opzette met het doel de winkel van Jogchum over te nemen. We moesten er niet aan denken dat er op de plek van dit kleine boekenwalhalla waar de boekenstapels tot aan het plafond reikten, zou verdwijnen om plaats te moeten maken voor de zoveelste lunchroom of koffietentje of – nog erger – Albert Heijn to Go. Kennelijk dachten meer mensen hier zo over. Het aanvankelijke streefbedrag van twintigduizend euro werd binnen drie dagen binnengehaald. Van tevoren waren we er behoorlijk zeker van geweest dat we dit bedrag zouden halen, maar dat het zó snel zou gaan overtrof onze stoutste verwachtingen. Meteen nadat de crowdfundactie van start was gegaan dook de landelijke media bovenop ons initiatief. 

    In het NRC stond de actie zelfs op pagina drie nog voor een reportage over het in Leiden en last verkerende CDA. Ook meldden zich meer dan honderd vrijwilligers die zich wilden inzetten voor de winkel. Het was letterlijk ‘the perfect storm.’ Nadat het streefbedrag was bereikt pakte de media opnieuw groot uit: ‘Boekwinkel van de ondergang gered!’ werd er gekopt. Na de aanvankelijke euforie deed de nuchtere realiteit zijn intrede. De winkel was voorlopig van de ondergang gered, maar wat nu? We hadden opeens een boekhandel te runnen, geen van ons had daar ervaring in. Hoe pakten we dat in hemelsnaam aan. Gelukkig was er aan ideeën geen gebrek. De ene brainstormsessie na de andere volgde en de ambities werden steeds duidelijker. Colette moet niet alleen een boekwinkel blijven, maar tevens een creatief broeinest worden met regelmatige optredens van schrijvers, poëzie- en voorleesavonden en misschien ook wel optredens van muzikanten. Er is veel positiviteit, maar we realiseerden ons ook het volgende: Het wordt een uitdagende tijd.  

     

     


    Istvan Kops is gek op boeken en mede-eigenaar van de antiquarische boekwinkel Colette in Den Haag. Eens in de maand schrijft hij daarover een column voor Literair Nederland.

  • Duizenden ansichtkaarten

    Van alles wat je doet, laat zich pas achteraf de betekenis zien. Ik las Mijn beter ik, Herinneringen aan Simon Carmiggelt, dat bij verschijning in 1991 gedoe veroorzaakte onder familie en lezers van zijn stukjes. Niemand wist dat Carmiggelt een geheime relatie onderhield met Renate Rubenstein. Ze schreef er pas over na het overlijden van Carmiggelt in 1987. Dat ze de minnares van Carmiggelt was geweest, tien jaar lang, tot aan zijn dood. De naam van de man die het label ‘meest getrouwde man van Nederland’ aan zijn trenchcoat had hangen, werd volgens velen door het slijk gehaald. Ze vonden Rubenstein vals, gemeen dat ze dit uit de doeken deed. Fans verdragen geen verschuivingen in het beeld van hun idool. Rubenstein deed het omdat ze niet anders kon. Na zijn dood schrijft ze dat haar behoefte over hem te praten overweldigend is. ‘Tien jaar lang heb ik over hem gezwegen want onze verhouding was clandestien en ik zou Simon met praten hebben kunnen schaden of verliezen. Maar ik heb hem nu verloren en kennelijk eis ik postuum mijn rechten op. Maar belangrijker is dat ik hem niet vergeten wil.’ Voor dit boek putte ze uit dagboekaantekeningen en herinneringen.

    Carmiggelt was weg van de stukjes die zij schreef voor Vrij Nederland onder het pseudoniem, Tamar. In 1964 schreef hij  voor het eerst over haar in een van zijn Kronkels, ‘Tamar’ getiteld. Veertien jaar later werd ze gebeld door de latere biograaf van Carmiggelt, Henk van Gelder, die haar uitnodigde mee te doen aan de prijsvraag. ‘Wie is de echte Kronkel?’ Vijf schrijvers deden daar aan mee doen, waaronder Kees van Kooten en Rinus Ferdinandusse. Het was op verzoek van Carmiggelt zelf om haar te vragen mee te doen. Verliefdheid werd vanaf toen ingezet, al hadden ze dat zelf nog niet in de gaten.  Dan volgen de jaren dat hij haar bijna dagelijks belt. Hij schreef haar duizenden ansichtkaarten, brieven. Als hij met haar afsprak, was hij altijd te vroeg, dan wachtte op een bankje in het Sarphatipark tegenover haar huis (dat bankje, zou dat er nog zijn?). 

    Na zeven jaar zegt Rubenstein tegen hem dat ze niet meer verliefd op hem is. ‘Ik heb vanmiddag tegen S. gezegd dat ik niet meer ‘zo verliefd’ op hem ben. S. vermoedde al zoiets. Ik vind het erg dat het zo is, maar niet erg dat ik het zei want het kon niet anders.’ Later voegt ze daaraan toe, ‘Na zijn dood ben ik daar anders over gaan denken. Waarvoor was het nodig dat ik dat zei? (…) Wat ik toen kennelijk zo nodig vond zie ik nu als een grote vergissing.’ Want ze hield van hem, alleen zijn toegenegenheid benauwde haar wel eens. Ze bleven elkaar ontmoeten, wel kwamen er minder kaartjes, minder telefoontjes.
    Mijn beter ik is een oprechte liefdesverklaring
     die me na dertig jaar nogal in vertedering achterlaat. Twee beroemde schrijvers, die zoveel voor elkaar betekenden, konden elkaar niet in het openbaar zien. Na het verschijnen van Mijn beter ik, bleken zijn Kronkels gelaagder dan men dacht, was er liefde doorheen verweven, een boodschap aan haar. Waar de tijd overheen gaat, verandert alles, is er meer dan die ene waarheid. Hella S. Haasse schreef eens, ‘De waarheid zet uit naarmate we zelf groeien. Nooit achterhalen we haar.’ 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, valt voor een goed verhaal, een stijl, een woord (keukentafel, zolderkamer), een mening.

  • Jurre

    Op het strand van Vlieland zag ik dat een onbekend nummer een bericht had achtergelaten op mijn voicemail. Of ik zo spoedig mogelijk terug kon bellen, ze hadden misschien een leuke hond. Ik twijfelde. De vakantie was net een dag oud en het dagelijks leven drong zich alweer op. Van mijn partner, die naast me in het zand lag met een lavendelkussentje op zijn ogen, viel geen besluitvaardigheid te verwachten. Een hond. Het klonk urgent. Ze leek mijn naam niet te herkennen toen ik terugbelde. ‘Het gaat om Jurre.’ Op de achtergrond geritsel van papieren. ‘Een schrijnend geval.’ Ik ging op mijn handdoek verzitten, zand plakte aan mijn zwembroek. ‘Jurre is een Husky van twaalf met staar aan één oog.’ Ze liet een pauze vallen, maar ik humde gewoontegetrouw aanmoedigend. Zo snel ben ik nu ook weer niet uit het lood geslagen.
    ‘Hij is ook gecastreerd.’
    ‘Natuurlijk,’ antwoordde ik onhandig.
    ‘En snel wagenziek.’
    ‘Met kotsen?’
    ‘Met kotsen,’ bevestigde ze
    ‘We zoeken een gouden mandje voor hem omdat het thuis niet meer gaat.’

    Doorhummen, niet zeggen dat ik een pesthekel heb aan dat gouden mandje-gedoe, een hond zoekt een mandje, een thuis, meer niet. ‘Hij komt van een ouder echtpaar,’ zei ze. ‘De één dementeert, de ander heeft ook iets…’ – weer geritsel –  ‘waardoor ze niet meer voor Jurre konden zorgen.’
    ‘Ach, wat vervelend.’
    ‘En daardoor is hij beland bij een opvanggezin.’
    Dat klonk als een oplossing.
    ‘Maar daar gaat het niet goed, vanwege een andere hond.’

    Ik zag voor me hoe Jurre op zijn oude dag door een vitale soortgenoot opgejaagd werd en in zijn doffe vacht gebeten. ‘Jurre is nogal dominant. In het algemeen. Maar ook naar de andere hond. Die andere…’ – ze zuchtte in de telefoon – ‘heeft een hartprobleem. Kortom, het gaat niet meer.’
    Twaalf, gecastreerd, staar, dominant.’ Zo vatte mijn partner het telefoongesprek samen. ‘Waarschijnlijk laat hij dagelijks stinkende winden.’
    ‘Dat hoeft niet.’

    Ik dacht aan Uit het leven van een hond van Sander Kollaard. Henk knielt bij zijn oude hond neer, aait hem – en zijn nieuwe vlam, Mia, bekijkt het tafereel. ‘De man die naast haar hurkte rook naar zweet, maar dat stoorde haar niet. Het was een voordeel van haar jaren,  hoofd- en bijzaken werden steeds sneller gescheiden, en de hoofdzaak was niet die geur van zweet maar de grote, lieve man die zo bezorgd was om zijn hond.’ Hoewel de scene ogenschijnlijk vooral over Henk gaat, ontroerde me de aanwezigheid van de oude hond. Zonder dat ik hem had gezien – van Jurre was geen foto beschikbaar –  maakte mijn lijf gedurende die vakantieweek een stoot hormonen aan, die me niet alleen gelukkiger maakten, maar ook een groot verantwoordelijkheidsgevoel gaven. Ik voelde me met hem verbonden, Jurre mocht bij ons rustig oud worden, sterven.
    Terwijl we op onze dagelijkse strandwandelingen over Jurre bleven praten, kwam een dag voor ons vertrek het bericht dat het qua dominantie toch wel meeviel, Jurre bleef. ‘Dat is ook het beste,’ zei ik aan de telefoon. Zo kalm mogelijk. ‘Een oude hond moet je niet verplaatsen.’ Jurre, ik heb hem nooit gezien, maar wat heb ik al veel van hem gehouden.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Scheefgroei

    Soms overvalt me een vlaag van lezen, zoals in een vlaag van verstandsverbijstering. Dan zie ik alleen maar boeken. Lees vier/vijf/zes boeken door elkaar. Het bevreemd me, maar alla, ik moet lezen dus sta er niet te lang bij stil. Daardoor mis ik veel, telefoontjes, de trein, tv uitzendingen, zoals Showcolade. Een show die een flop werd, stond gisteren in de Volkskrant. Over vier pagina’s werd erover geschreven, met een ernst als werd een ramp gereconstrueerd, (denk Twin Towers). Ik had eigenlijk geen tijd, moest een boek dat me vanaf de eerste alinea fascineerde, uitlezen. Maar dit artikel, zo groot, moest iets te vertellen hebben. Er kon een falen van mijzelf in aangetoond worden, iets waarop ik de vinger kon leggen. Kijk Inge, je leeft teveel in een bubbel, je mist iets. Maar het was niets. Het wekte zelfs niet de behoefte het programma terug te kijken. Ik wilde niet zien hoe bekende Nederlanders uit verschillende voorwerpen een voorwerp aanwezen (dat was de grap) waarvan ze dachten dat het van chocola was. Dat ze erin hapten (schoen, theekopje, afstandsbediening, plantenspuit). De hele crew achter het programma was geïnterviewd, al wilde niet iedereen meewerken. Ik weet niet waarom dit artikel geschreven moest worden, waarom ik het las.

    Op het boek dat ik bijna uit heb staat een jonge vrouw met een klein meisje in een zomerjurkje aan de hand op een perron. Wachtend tot de trein het station binnenrijdt. Of vertrekt de trein, is het een afscheid? Dat zou de mistige dampen naast de trein verklaren, voor het opstarten wordt meer energie verbrand dan wanneer deze binnenloopt. Het is de trein waarmee de vader van Christine Angot haar leven binnenreed, en vertrok. Angot is een opmerkelijk schrijfster, kale taal, parlando, veel dialogen, niets omschrijvend. Een boek over haar ouders. Vader intellectueel, moeder joods arbeiderskind. ‘Mijn vader en moeder leerden elkaar kennen in Châteauroux, vlakbij de avenue de la Gare, in de kantine waar ze kwam, op haar zesentwintigtse werkte ze al verscheidene jaren bij de sociale zekerheid, op haar zeventiende was ze in een garage als typiste aan de slag gegaan, terwijl hij na een lange studie op zijn dertigste zijn eerste baan had gekregen.’ Vader is dwingend, bepalend, laat haar moeder zwanger achter, trouwt een vrouw uit zijn eigen milieu.

    Vanaf haar dertiende is er contact, logeert ze soms een weekje bij hem. Die weekjes zijn niet altijd leuk zegt ze tegen haar moeder.
    ‘Het was echt niet zo’n fijne week mama.’
    ‘Misschien was het te lang. Of niet?’
    ‘Ja het was te lang.’
    ‘En daarbij, het was niet leuk. En er is nog iets anders gebeurd.’
    ‘Wat?’
    ‘Nou…’
    ‘Zeg het maar.’
    ‘Nou… Oké. ’s Ochtends ging hij vroeg weg. Ik ontbeet nadat hij vertrokken was. En ’s middags keerde hij terug. Op een middag keerde hij terug, en ik had vergeten de melkfles in de ijskast terug te zetten, na mijn ontbijt. Je hebt geen idee mama hoe hij me heeft uitgescholden toen hij zag dat de melk nog op tafel stond!!!’

    Hier wordt iets belangrijks verteld, iets waar je de vinger op kunt leggen. De moeder ontwijkt het. Sommige dingen wil je niet weten. Christine Angot adoreerde haar moeder, totdat haar vader haar misbruikt. Daarna kan ze haar moeder, omdat ze er niet over kunnen praten, niet meer in haar buurt velen. In 1999 schreef ze in L’Inceste voor het eerst over haar traumatische jeugd. In al haar latere boeken bleef ze erover schrijven. In dit boek poogt ze dichter bij haar moeder te komen. Het is geen reconstructie, er wordt geen getuigenis afgelegd, wel toenadering gezocht. Angot toont dat een roman geen getuigenis is. ‘Wat literatuur over de samenleving zegt, is politiek.’ Schrijven om het leed te overstijgen, klasse verschillen bloot te leggen. Over hoog laag, man vrouw, hoe die een onherstelbare scheefgroei veroorzaken.

     

    Een onmogelijke liefde / Christine Angot / vertaald door Katelijne De Vuyst / uitgeverij Polis


    Inge Meijer is een pseudoniem, valt voor een goed verhaal, stijl, een woord (keukentafel), leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Varkens

    Buiten regende het pijpenstelen, maar ik zat warm en droog in de donkere filmzaal. De film Gunda was in zwart-wit, er was geen muziek bij te horen en ook geen menselijke stem. De beginscène liet een groot varken zien dat bezig was een aantal biggen te werpen, ik telde er minstens twaalf. Ze schreeuwden en krioelden door elkaar, op zoek naar een tepel. Ik zag ze  een zomer lang ouder worden, op onderzoek uit gaan. Hun moeder riep ze ongerust bijeen met luid geknor.
    In de bomen was de wind te horen, het koren ruiste en de koekoek riep.
    Maar ook deze idylle sneuvelde: op het einde van deze verrukkelijke film waren de geluiden van een machine te horen: een tractor reed achteruit totdat de aanhanger tegen de varkensstal stond. Uit het gegil en gekrijs van de inmiddels flink gegroeide biggen was op te maken dat ze allemaal in de veewagen werden gedreven. Je zag niets, maar wat je hoorde was genoeg.

    De wagen reed weg, de zeug draafde luid knorrend mee zolang ze de biggen nog kon horen. Daarna ging ze op zoek: ze zocht de hele omgeving af, wroette met haar neus in een hoop stro, alsof ze zich daar verstopt konden hebben, en maakte dezelfde knorrende geluiden waarmee ze al die tijd haar kroost liefdevol geroepen had. Uiteindelijk ging ze weer stil in het varkenshok liggen in dezelfde scene als die waarmee de film begonnen was.

    Toen ik weer buiten liep, drong zich een vaag bekende versregel aan me op: ‘Om hen die niet meer zijn schreit Rachel.’ Ik dacht aan de Rei van Clarissen in Vondels Gijsbrecht, ik dacht aan de profeet Jeremia: ‘Rachel beweende haar kinderen en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’ Maar pas toen ik weer in de trein zat, wist ik het: het was een regel uit De slachtlammeren van Ida Gerhardt, waarin de dichteres zo beklemmend vertelt hoe de lammeren van de ooien gescheiden worden door ‘het nors cordon dat stokkenzwaaiend / de lammeren opeist, de onnozelen.’  En Esther Jansma laat in haar gedicht Gebedenboek een kalf het slachtoffer zijn. Maar een varken? Kan een varken, verguisd en onaanraakbaar als een paria in twee wereldgodsdiensten, de rol aannemen van offerdier? Koolhaas zou het antwoord wel geweten hebben met zijn Meneer Tip is de dikste meneer en Kousbroek ook, getuige zijn bundel Varkensliedjes:  

    ‘Varkensliedje 28’

    Het wrattenzwijn kan prachtig zingen,
    En ook nog heel wat andere dingen
    Die je niet allemaal hoeft te weten;
    Maar wat hij niet kan is vergeten.

    Het doet hem machtig veel verdriet;
    Hij doet zijn best, maar kan het niet.
    Hij wil vergeten dat hij ‘n zwijn is,
    En dat herinnering maar schijn is;

    Dat het varkenskot verrot is,
    En dat zijn bange hart een vod is –
    En zeggen, voor hij heeft ontbeten:
    Goddank, dat ben ik nu vergeten.

    Lammeren, ooien, biggen, zeugen, verdriet neemt steeds dezelfde vormen aan. Geen dier is zo aan de mens verwant als het varken. Voortaan zouden alle moedervarkens Rachel heten.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.