• Zonder achternaam

    Vannacht kon ik niet slapen, ging uit bed. Door het badkamerraam keek ik naar buiten, naar de nevel, het diffuse licht rond de lantaarnpaal voor het huis, de stilte. Liep de gang door, duwde de deur van de kamer open die de kamer van mijn jongste dochter was, nu mijn werkkamer is. Over de tafel de rol pakpapier, om meters weg te kunnen schrijven. Daarnaast mijn broer, met witte baard, tandeloze mond, onbedaarlijk lachend, een kadetje in zijn hand. Ik zet de foto rechtop. In de vensterbank ligt een stapeltje boeken, er staat een gemakkelijke stoel. Ik pak het boek van William Faulkner, Toevlucht. Vanaf de eerste zin vraag ik me af wat ik aan het lezen ben: ‘Van achter het scherm van struiken dat de bron omringde, keek Popeye hoe de man dronk. Van de weg naar de bron liep een vaag pad. Popeye keek hoe de man – een lange, magere man, zonder hoed, met een versleten grijze flanellen broek aan en een tweedjasje over zijn arm – het pad afkwam en knielde om uit de bron te drinken.’ Faulkner schreef niet eenvoudig, ik zal er doorheen zien te komen.

    Het is de jaren dertig in zuid-Amerika, rond Memphis. Popeye drijft een illegale drankstokerij, eeuwig een sigaret in zijn mond. De stokerij zit in een plantershuis van voor de Burgeroorlog. Er wordt een baby in een kist achter het fornuis verborgen, zodat de ratten er niet bij kunnen. De moeder Ruby, kookt voor de mannen die er werken. Er is Tommy, een simpele geest, die steeds ‘besmuikt glimlacht’, vaak hurkt tegen een muur. Er is een oude blinde man, ‘die daar maar aan tafel zit te wachten tot iemand hem voerde.’ Er lopen twee louche figuren rond die de drank verhandelen. Er komt een jongen met zijn zeventienjarig vriendin langs. Hij wil drank kopen. De auto waarmee ze aankomen, weigert bij vertrek. De louche figuren azen op het meisje. De jongen bedrinkt zich steeds. Het meisje weet zich geen raad. Tommy ziet haar angst, zorgt dat ze zich kan verbergen. Ik blijf lezen, (aan de andere kant van de muur kraakt het bed). De jongen gaat, nadat ie in elkaar geslagen is, er vandoor. Het meisje achterlatend in de handen van Popeye.

    Op bladzijde achtennegentig verzamelen zich boeren en jongemannen voor de deur van een begrafenisondernemer, ‘om naar de man te kijken die Tommy heette.’ Ik had het niet zien aankomen, Tommy als lijk op een houten tafel, ‘de zongebleekte krullen op zijn achterhoofd verkleefd door geronnen bloed en geschroeid door kruit, terwijl de lijkschouwer over hem heen gebogen zat en zich van zijn achternaam probeerde te vergewissen. Maar niemand wist die, zelfs niet degenen die hem al vijftien jaar kenden van het platteland of de winkeliers die hem af en toe op zaterdag in de stad hadden gezien, blootsvoets, zonder hoed, met zijn verrukte lege blik en zijn onnozel over een pepermuntbal bollende wangen. Niemand wist beter of hij had er geen.’ Ach, wat een verschrikkelijk boek! Tommie, de enige goede ziel in dit boek, dood! Ik sla het dicht, denk aan alle Tommie’s zonder achternaam. Of ik slapen kon.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

     

     

  • Blinde vlek

    Hoe zou het zijn met? Je opent de zoekmachine en tikt een naam in. Een van de eerste hits is een In memoriam en je schrikt je wild. Is ze dood? Al tien jaar? En al die tijd heb ik het niet geweten? Ik heb het over Minke Douwesz. En meteen voor de goede orde: ze is niet dood. Bron is een nummer van Tirade dat via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) beschikbaar is. Een themanummer, blijkt, met meerdere ‘fake’ in memoriams. Grappig natuurlijk, behalve als je niet meteen de context hebt meegekregen. Ik voelde me minder een stommeling toen bleek dat ik niet de eerste en de enige was die erin was getrapt. Scroll verder en je komt bij een artikel van Jann Ruyters uit Trouw. Was er ook met boter en suiker ingetuimeld! Minke Douwesz verongelukt, maar ook Detlev van Heest, u weet wel van dat prachtige boek over Japan, geschept door een auto – dood. Niet dus! 

    Ik zocht naar Minke Douwesz omdat ik haar twee romans Strikt (2003) en Weg (2009) met zoveel plezier had gelezen en ik er iets over wilde schrijven. Ik hou van de toon, de dikte, het schijnbaar achteloos kabbelende verloop van haar verhalen. Ze schrijft korte zinnen, eenvoudig: een tafel wordt gedekt, het water in een espressopotje zingt, een poes ligt op de vensterbank (ik citeer van bladzijde 207 uit Strikt). Het gewone leven in detail. Intussen wil je nooit meer weg en altijd in het boek blijven. Op bladzijde 205 vraagt Judith aan Idske, de hoofdpersoon, of ze nog leukere boeken over de damesliefde kent dan De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt. Eenzaam avontuur van Anna Blaman wordt genoemd, Een Alpenliefde van Simon Vestdijk. Ik betrapte mezelf op de gedachte: wat heb ik veel gelezen over de vrouwenliefde, want wat Judith wordt aanbevolen ken ik ook! Als dit de hoogtepunten zijn, wat is er dan bitter weinig over lesbische liefde geschreven. 

    Te snel gedacht.
    Uiteraard te snel gedacht.
    Want ik heb weinig gelezen over de lesbische liefde.
    En ik ken te weinig lesbische schrijvers.

    Dat je je vervolgens een decennium lang kunt schamen om één kleine gedachte, één kleine – ik geef het toe – stompzinnige gedachte: wat is er bitter weinig over lesbische liefde geschreven, een gedachte die je nooit hebt uitgesproken, die niemand van je weet, die je één keer hebt gedacht en die daarna, zo nu en dan, weer opduikt om je het schaamrood op de kaken te brengen. Afijn, je merkt ook weer eens hoe smaak zich in vaste structuren vastzet. Te gemakkelijk grijp ik naar wat ik al ken. Blinde vlekken alom. Toevallig vroeg deze week iemand mij naar enkele klassieke homoboeken. Engelstalig. Daar weet ik dan wel wat van. Ik noemde zonder enige moeite titels van Edmund White, David Leavitt en John Fox. Fox…, dat was lang geleden. Had hij nog iets geschreven na zijn debuut? Ik google.  In 1990 overleden. Aan aids. Achtendertig jaar oud. The boys on the rock (1984) bleef zijn enige roman. Ik scroll voor de zekerheid door. Maar dit in memoriam is echt.

     

    Strikt / Minke Douwesz / 839 blz. / Uitgeverij Van Oorschot


    Eric de Rooij is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. Debuteerde met De wensvader (2020 uitgeverij kleine Uil). In zijn columns schrijft hij over boeken die hem iets te zeggen hebben.

  • Prins of kikker

    Ik word wakker, denk aan het meisje in het boek, Ondine. Met haar beeldschone moeder, die geen vaste verblijfplaats voor hen kan vinden, trekt ze van adres naar adres. De moeder is koudbloedig (dat kan, ze is een zeemeermin met benen), maar met een hart vol liefde. Ze houdt zoveel van haar kind, dat ze het eens, als pasgeborene uit haar wieg roofde bij het stel dat het eerst van haar had afgenomen. Ondine is een kind als alle kinderen, glashelder observerend, meegaand op de bewegingen om haar heen, vragend naar het waarom. Een meisje met bolle ogen, transparante huid. Sommigen denken dat ze ziek  is, vragen of ze zo geboren is. De schrik van het ongewone met vragen verbloemen. Ondine maakt een lijstje van de man waar ze tijdelijk bij zijn  ingetrokken, hij blijkt niet zo vriendelijk als ze dachten dat hij zou zijn. Ze schrijft op een papiertje, ‘prins of kikker’ (in schrijfletters gedrukt), vertaalt zijn gedrag in het aantal streepjes. Waarbij kikker ver voorloopt op prins. Zo brengt ze haar omgeving in kaart.

    In de badkamer draai ik de douche open, denk aan Loek en Brenda, die in een woonwagen zonder licht en water, op een strook verontreinigde grond wonen. ‘Soms dreven er plotseling vissen omhoog in de sloten en de kanalen, hun bleke, bolle buiken als een onheilspellend voorteken. Maar Loek en Brenda hadden ergere dingen meegemaakt. Ze wilden opnieuw beginnen, ver weg van de levens die ze hadden geleid, de schulden die uitstonden en de mensen die ze waren geweest.’ Dat je je niet om het klimaat kunt bekommeren als jezelf in de shit zit, dat moet ook maar eens duidelijk zijn. Eens vonden ze een meisje naakt in het gras langs het kanaal waar ze hun dagen vissend doorbrachten (vissen is een manier van leven). Dat meisje werd zwanger van Loek (hij wilde het niet, maar ze was zo aanhankelijk).

    Als ik het espressopotje op het gas zet, denk ik aan Alex en zijn ziekelijke moeder. Op een dag treft hij haar dood aan. Dat hij dan niet weet wat hij met haar lijk moet, zogezegd handelingsonbekwaam is, is schokkend inlevend beschreven. Ze spelen nog lang door mijn hoofd, deze verschillende figuren, de oprechte dialogen. Alex nog even, met zijn collega Rick, die hem aanmoedigt het gezag van zijn moeder te ondermijnen. Alex wil een aquarium, zijn moeder niet. ‘Als jij vissen wilt, dan moet je dat godverdomme gewoon doen.’ En Ondine met haar moeder die een bad voor haar hen klaarmaakt. ‘Het water was ijskoud. Ik bibberde en vroeg of er wat warm bij mocht. “Nee,” zei je. “Dan werkt het niet.”‘ De ongerijmdheid van het leven, serieus in vorm gebracht. Geweldig boek, in de zin van sprakeloos, onder de indruk zijn.

    Jeanette Winterson schrijft in haar boek Zwaarte, de mythe van Atlas en Herakles, ‘Sedimentgesteente wordt gevormd in de loop van een tijdspanne waarin de ene laag sediment na de andere op de zeebodem wordt afgezet.’ Ze schrijf: ‘De lagen van het sedimentgesteente zijn als de bladzijden van een boek; op elk ervan staat een verslag van het leven uit die tijd geschreven.’ Ik denk aan dit boek, aan Hier komen wij vandaan.

     

    Hier komen wij vandaan / Leonieke Baerdwaldt /221 blz. / Querido


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

     

  • Romantiek van een boekverkoper

    Hoewel ik al vele jaren lang bijna dagelijks boekwinkels bezoek om boeken te kopen of om inspiratie op te doen, heb ik nooit één moment in mijn leven stilgestaan bij de gedachte om zelf een boekwinkel te beginnen. Zelfs nu heb ik er moeite mee mezelf te zien als iemand die in het boekenvak zit. Soms word ik wakker met de gedachte: ‘We hebben een boekwinkel’, maar om de één of andere reden lijkt het nog niet echt te beklijven. Alsof het fictie is. Het verkopen van boeken heb ik altijd geassocieerd met films als Notting Hill en You’ve got mail. Films waarin romantiek een grote rol speelt, waarin een stuntelige boekverkoper zijn leven niet echt helemaal op orde lijkt te hebben en maar wat aanrommelt in het dagelijkse leven. Over romantiek gesproken. Ik ontving op het Instagram account van ‘Colette’ het volgende bericht: 

    ‘Goedemorgen, Even een vraag, ik heb vandaag een eerste date en wil natuurlijk indruk maken. Ze is groot fan van boeken en heeft me een tijdje geleden een tiktok van de boekenwinkel doorgestuurd. Onder deze post stond dat de winkel op donderdag geopend is, maar op google staat gesloten. Ik kan het dus niet echt vinden. Kun je mij vertellen of jullie vandaag geopend zijn?

    Alvast bedankt! 

    Groetjes, (…)’

    Ik vond dit zowel inspirerend als hartverwarmend. Ik schreef al eens over de relatie tussen tiktok en het lezen van boeken en dit is voor mij een prachtig voorbeeld van hoe goed een medium als tiktok voor zowel boekwinkels als lezers kan werken. Maar laat ik terugkeren naar de romantiek van de boekwinkel en de stuntelige boekverkoper. Tijdens mijn eerste middagdienst in de winkel gebeurde meteen wat ik vreesde. Een klant vroeg naar een boek over de geschiedenis van het Haagse duingebied Meijendel. Ik had geen flauw idee of we het boek hadden, waar het zou kunnen staan. In lichte paniek keek ik naar links en naar rechts. De manshoge boekenbergen die ons aan alle kanten dreigend omringden, gaven geen enkel aanknopingspunt. Boekenbergen mogen voor sommigen een soort hemel zijn, maar zie er maar eens wat in terug te vinden. 

    Niet voor het eerst bedacht ik dat er zeker wel iets viel te zeggen voor een goed georganiseerde winkel met boeken strak in het gelid in overzichtelijke boekenkasten. De vorige eigenaar, Jogchum had daar nooit zoveel om gegeven. Die zei zelfs letterlijk eens het volgende: ‘Er zijn ook lui die alles prachtig geordend hebben. Maar die hebben niets eigenlijk.’ Een leuke quote, maar daar had ik op dat moment weinig aan. Op goed geluk maakte ik een onhandige pirouette waarbij ik ternauwernood voorkwam dat een boekenstapel in elkaar donderde en wees een willekeurige kant uit. Het geluk was die dag volledig aan mijn zijde, want ik bleek zomaar het boek waar de klant naar op zoek was aan te wijzen. Mijn vertrouwen was die dag gegroeid. Wie weet ga ik mezelf nog eens echt als een boekverkoper zien. 

     

     


    Istvan Kops is mede-eigenaar van de antiquarische boekwinkel Colette in Den Haag. Eens in de maand schrijft hij daarover een column voor Literair Nederland.

  • Privé aangelegenheid

    Niets is voor altijd. Wat blijft is omzien, gemiste kansen tellen, over de dood spreken we niet. Heimwee is een vals verlangen. Het buldert af en aan, als de Atlantische oceaan op de kust van Figueira da Foz. Als het buldert, sleep ik met meubels door de kamer, zet de tafel ergens anders, trek gordijnen voor de ramen weg, zoek naar een sfeer van toen. Van het boerderij-achtige huis aan de overkant van de IJssel, die zolderkamer, het huis in de stad, de driekamerwoning aan de voet van de Serra de Estrela. Pogend de losse delen waaruit ik besta samen te voegen. Ik zet het espressopotje op het gas, rooster brood, denk aan bacalhau com natas, een visschotel met de smaak van heimwee. Ik eet geen vis meer, zoiets kun je besluiten. In het weekend ging ik naar het filmhuis, zag de film Respect, over Aretha Franklin. Denk aan Martin Luther King, het Amerika van de jaren veertig, vijftig. Ongelijkheid van man-vrouw, zwart-wit, kind-volwassene. Het verhaal van Aretha Franklin voegt zich bij de verhalen in de boeken van Toni Morrison, James Baldwin, Ann Petry, over rassenscheiding. 

    De straat van Ann Petry (1908-1997) verscheen al in 1946, ik las het pas deze zomer. Petry was als journalist gestationeerd in Harlem waar ze geconfronteerd werd met de gevolgen van de segregatie. Ze begon erover te schrijven. De straat gaat over de strijdbare jonge vrouw Lutie Johnson, afkomstig uit de zwarte arbeidersklasse. Het boek werd een bestseller, anderhalf miljoen exemplaren werden er verkocht, nog nooit vertoond door een zwarte schrijfster in een tijd dat zwart èn vrouw niet gewenst was om gelijk te stellen aan blank èn man. Het speelt in de jaren veertig, 116th Street is een straat waar niemand fatsoenlijk kan blijven. Lutie Johnson leeft in de geest van Benjamin Franklin. ‘dat iedereen rijk kon zijn die dat wilde en hard genoeg werkte en genoeg vooruit dacht.’ Tot ze ontdekt dat dit niet voor zwarte mensen geldt. Petry benadert zwart zijn objectief, schrijft, ‘Zelfs al was het choquerend om mensen met een donkere huid te zien, dan nog had ze nooit begrepen waarom mensen met een blanke huid mensen met een donker huid haatten. Want wat anders kon er de oorzaak van zijn dat ze alle negers in een handzaam pakketje met daarop het stempel “zwart” stopten? Een pakketje dat om een bepaald soort baan en een bepaald soort behandeling vroeg.’

    Woorden die nog steeds resoneren, dit boek schokkend actueel maken. Als haar huwelijk strandt, verhuist Lutie met haar zoontje naar Harlem, de enige plek waar ze een betaalbaar onderkomen kan vinden. Haar medeflatbewoners zijn werkeloze dronkaards, bedriegers, bordeelhoudster, louche huisbewaarder, depressieve vrouwen. Allen wonen in ‘smerige, donkere, akelige vallen. Trap op, trap af. Van het kastje naar de muur. Klik zegt de val na de eerste maand huur. Loop maar naar binnen. We leven in een vrij land’. Waar het slavernijverleden de zwarte landgenoten nog steeds in de nek hijgt. Weet dat het uitmaakt waar je ter wereld komt. Dat omkijken geen zin heeft, heimwee een privé aangelegenheid is.

     

    De straat verscheen in vertaling van Lisette Glaswinckel bij AtlasContact (2020).


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, blijft op voor een goed verhaal.

     

  • Hospice

    November is voor de doden. De ochtendmist trekt langzaam op als we de stad uitrijden naar een hospice in de polder. Je kunt daar sterven met uitzicht op nieuwbouwwijken. Een man verwelkomt ons met zijn elleboog. ‘Voor de herdenking?’ Er is koffie, een roomsoesje. In de huiskamer klinken de stemmen van zo’n twintig mensen. Daar zijn alle voorzorgsmaatregelen verdwenen. Mondkapjes hangen aan polsen, geen anderhalve meter. Tussen de mensen herken ik een gezicht van vroeger, een gepensioneerd diëtist. In de afgelopen maanden zijn hier zeventien mensen gestorven. Ook de vriendin van mijn vriendin. Een hospice draait veelal op vrijwilligers en goede wil. Daardoor was ik getuige van de lastige balans tussen afstand en nabijheid. Een vrouw met een door zonnebank en drank getekend gezicht, heet iedereen welkom. Al improviserend vecht ze vanaf het begin tegen haar tranen. Bij het noemen van de overledenen klinken toevoegingen als ‘dat was ook een lieverd’ en ‘och, we zullen haar nooit vergeten’.

    Naast haar stond de diëtist met een glas rode wijn in zijn hand. Om zijn emoties onder controle te houden, knipperde hij bij elke naam zenuwachtig met zijn ogen. Een andere vrijwilliger zong een lied en schoot ook vol. Ze beet op haar lippen, schudde haar hoofd terwijl een karaoke-piano op cd nog een halve minuut Droomland afspeelde. Al die tijd vermeed ik naar mijn vriendin te kijken. Haar manier van rouwen is gieren van het lachen – en alles wat nu gebeurde, voedde haar. Een medeplichtige blik zou werken als ventiel. Het ritueel duurde kort. Familie mocht iets op een kaartje schrijven en aan een roos bevestigen. Voor elke overledene werd een waxinelichtje aangestoken, er was een korte één- minuut-stilte en toen, als een opluchting, kwamen uit de keuken bladen vol rode en witte wijn en prosecco. De diëtist verruilde als één van de eersten zijn lege glas voor een vol. Ik vroeg om Spa Rood maar die bleek niet koud te staan. Dan maar water uit de kraan. 

    ‘Het hoort er helemaal bij,’ fluistert mijn vriendin. ‘Als ik op bezoek kwam, zaten ze bij elkaar in de zusterpost te pimpelen. Elke keer weer.’ Haar vriendin, die best lang in het hospice had doorgebracht, had haar smakelijk verteld over een vrijwilliger die medicatie kwam brengen:
    ‘Goedenavond, dit zijn uw pillen tegen de diarree.’
    ‘Diarree? Ik heb helemaal geen diarree.’
    ‘O.’ Blik op het doosje. ‘Het zijn pillen tegen de pijn.’
    ‘Maar ik heb geen pijn!’
    ‘Dan zijn ze ergens anders voor. Wel met water innemen.’

    Ik zag er wel een hospiceroman in. Bestaat die al? Een vrouw wacht op haar einde en noteert in een geheim schriftje wat ze meemaakt. ’s Nachts schiet ze soms wakker van het geraas en gerinkel in een glasbak. Poëzie, dat had ik gemist vandaag. Het werkelijke moment van verstilling. Daarom zocht ik toen we terug naar de auto liepen naar Vasalis op mijn telefoon.

    ‘Sub finem’

    En nu nog maar alleen
    het lichaam los te laten –
    de liefste en de kinderen te laten gaan
    alleen nog maar het sterke licht
    het rode, zuivere van de late zon
    te zien, te volgen – en de eigen weg te gaan.
    Het werd, het was, het is gedaan.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

  • De reiziger

    Er staat een jongeman in een oranje hesje aarzelend met een motorzaag bij de haag op de scheidslijn van onze tuin. De motor ronkt, ik open de tuindeur, roep, ‘Hey, hallo!’ Hij hoort me niet. Ik loop naar hem toe. Hij trekt de gehoordempers van zijn hoofd. Hij weet niets van hagen die niet gesnoeid mogen. ‘Dat geeft niet’, zeg ik. Het dunne snorretje waarachter een slordig litteken zichtbaar is, trilt. Zijn strakgetrokken ogen kijken me aan alsof er een oppermacht spreekt. Ik denk koffie, zeg, ‘het geeft niet, ik begrijp het, rustig maar’, (nee, niet dat laatste), als heb ik te maken met een in het nauw gedreven hinde (ook jongens zijn hindes). Hij stapt achteruit. Ik zeg nog, ‘Bedankt! Zie hem weglopen. Heb ik nu iemand weggestuurd? Denk aan mijn moeder, voor wie het gewoon was stratenmakers, huisschilders koffie aan te bieden. Ook denk ik de wereld aardig te begrijpen, volg het sociale debat, lees de kranten. Toch heb ik me nog nooit zo onwetend gevoeld als na het lezen van de verhalen van een reiziger, een cultuurverbinder. Over gastvrijheid, waarvan ik alles dacht te weten.

    In de hoofdstad van Albanië ziet de reiziger te midden van nieuwbouw op een eilandje in het midden van de rivier een traditioneel stenen huis. Waarom is dat blijven staan? Zijn gids vertelt over Albanese tradities. Dat je iedereen die aan jouw deur klopt binnenlaat. Ze te eten en een slaapplek geeft zolang ze willen blijven. In dat stenen huis woont een ouder echtpaar dat ooit hun zoon verloor, doodgeschoten door een jaloerse klasgenoot omdat hij zoende met het meisje dat hij ook begeerde. Na de moord klopte de jongen aan bij het huis, de ouders lieten hem binnen, gaven hem een maaltijd, een bed. Een andere traditie zegt dat je met je gasten mag doen wat je wil zodra ze één stap buiten de deur zetten. ‘De vader heeft zijn geweer klaarliggen. De jongen die hem zijn trots en geluk heeft ontnomen, intussen een volwassen man, verlaat het huis niet. Zo is het al jaren. En zolang de situatie niet verandert, blijft het huis daar staan.’

    Waarna dit boek over vreemdelingen, oorlog, gastvrijheid, me niet meer loslaat. Waarin ‘vreemde in eigen stad’ een andere connotatie  krijgt dan die van overlast door vluchtelingen ervaren. De weg teruggaan die de vluchteling gekomen is, dat is wat de reiziger doet.

    Hij bezoekt een kerkhof in Tunis. Een man bij een vuurtje waarboven een koperen theepot hangt, vraagt naar zijn bedoelingen. De reiziger, ‘Mij interesseert de horizon die mensen meenemen naar Amsterdam. Ik denk dat ik ze niet goed kan ontvangen als ik die niet ken.’ De man wijst hem op een oudere dame, haar huishouden om haar heen uitgestald, stapels gevouwen wasgoed. Ze heeft vijf zoons. De moordenaar van Nice, Brahim Aouissaoui, was haar jongste, vertelt de man. Hij sprak hem wel eens, niks mis mee, tikje schichtig. Kocht zich een plek op een boot die het haalde naar Lampedusa. Daar kon hij niet blijven, met zijn laatste geld ging hij naar Frankrijk. Daar liep hij de kathedraal van Nice binnen, vermoorde de koster, twee biddende vrouwen. ‘Sindsdien doet zijn moeder niets anders dan kleren wassen en vouwen en koken voor haar jongens, die ze verbiedt een stap buiten het kerkhof te zetten. Ze mogen niet eens naar de zee kijken. Laat staan ernaartoe. Die mensen hebben geen horizon meer over.’
    Het is een van de mooiste, wonderlijkste verhalen in deze bundel, die al mijn gepolderde ideeën over gastvrijheid onder water zetten. Dan heb ik het nog niet gehad over de jongen die model stond voor de omslag van het boek. Een geweldig mooi boek dat je opnieuw wilt lezen, om het zoekende, de fijnheid van het vertellen. Te achterhalen wat de werkelijkheid is, die steeds iets rechter in beeld te krijgen.

     

    Gastvrijheid / Chris Keulemans / pag. 243 / Uitgeverij Jurgen Maas


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, schrijft daarover.

  • Naar bed

    Daphne du Maurier schreef met The Pool een betoverend en subtiel verhaal. Het gaat over Deborah, een meisje op de grens van de puberteit, dat zich in verbinding kan stellen met een magische ‘Lady of the lake’ die haar deelgenoot maakt van alle geheimen van de natuur. Ze logeert met haar vervelende broertje bij hun grootouders, deftige en stijve mensen van wie ze zich niet kan voorstellen dat ze ooit jong geweest zijn. Du Maurier laat Deborah aan het woord in het volgende fragment:

     ‘When people grew old they had so few treats.
    “What do you look forward to most in the day? ” she once asked her grandmother.
    “Going to bed,” was the reply, “and filling my two hot-water bottles.” Why work through being young, thought Deborah, to this?’

    Ik was het altijd met Deborah eens geweest dat een dag toch wel andere traktaties kon bieden. Maar sinds we met de Grote Schoonmaak zijn begonnen, heb ik me aan de kant van de grootmoeder geschaard. De schilders waren gekomen: alle plafonds werden gewit, kozijnen en deuren geschilderd en de vloerbedekking werd vervangen. We sjouwden trap op trap af, elke dag versjouwden we de inboedel naar een andere kamer. We pakten al mijn boeken in dozen en vulden daarmee de garage tot de nok. 

    De vierde dag viel ik ruggelings achterover de trap af toen ik hielp om spullen naar boven te dragen. Niks gebroken, wel helemaal bont en blauw. Alles deed zeer en de dokter zei dat dat zeker nog wel zes weken zo zou blijven. Vooral in beweging blijven, was zijn advies. Dus sleepte ik mijn loden lijf moeizaam de dagen door met als enig verlangen om het ’s avonds geradbraakt op bed neer te leggen. Het was vreemd te merken hoe snel er nog maar weinig was dat er toe deed, hoe groot ‘het gemak waarmee alles in ballast veranderde’, zoals Wiljan van den Akker zegt in zijn gedicht De tocht. Alles waarover ik eerst in vervoering kon raken, deed ik nu met een schouderophalen af. Vrolijke of droevige berichten, ze gleden langs me heen als water langs een eend. Niets was nog belangrijk, de vlijmende pijn in mijn lijf verschoof mijn focus die zich uitsluitend op het einde van de dag richtte, wanneer ik voorzichtig kon gaan liggen. Dan ervoer ik een gevoel van puur, eenvoudig geluk zoals dat waarover Garmt Stuiveling dichtte:

     XIV

    Nu de grote dingen verdwijnen
    worden de kleine dingen groot:
    wat zonlicht op de gordijnen,
    een appel, een snee vers brood.
     
    Met hoeveel overbodigs
    maken we ons leven stuk:
    er is zo weinig nodig
    voor wat eenvoudig geluk.
     
    Zó zou ik oud willen wezen,
    klein bij de grote dood:
    Homerus om in te lezen,
    een appel, een snee vers brood.

    Deborahs grootmoeder en ik, wij kennen het geheim van het kleine geluk. Er hoort nog een bed in het gedicht genoemd te worden, een bed om simpelweg op te liggen. Alleen die kruiken, die hoeven van mij niet.

     

     

    (Uit: Eeuwig gaat voor ogenblik / Garmt Stuiveling / Meulenhoff (1965)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Knieën tillen bloemen

    Zaterdagmiddag ging om drie uur mijn timer af. Ik moest een trein halen. Er was recensenten borrel van Literair Nederland bij antiquariaat Hinderickx & Winderickx in Utrecht. Dus schoenen aan, jas dicht, tas mee. Waar staat mijn fiets, niet tegen de voorgevel, niet tegen de heg aan de zijkant, ah, hebbes. Mijn aandeel voor de borrelhapjes en dat wat ik vergeet in een tas aan het stuur. Windvlagen, regen, hup doortrappen. De trein rijdt binnen als ik aankom. Fiets op slot, tas blijft haken achter versnellingsschakelaar, net als ik twijfel of ik het red, schiet ie los. Ik ben een vrouw, multitasken is ons ding, maar bij mij ontbreekt er bij de afronding altijd wel iets. In Utrecht stonden de hapjes en drankjes uitgestald op de lage boekenkasten in het midden van de winkel. En het gebeurde weer (onderdeel van multitasken?), terwijl ik de meegebrachte hapjes uitpakte, kleefde mijn blik aan een rugtitel in de kast daaronder. Alsof er magnetische velden aan het werk waren. De eerste recensenten stapten binnen. Ik verschoof een schaaltje kaas. Op de lichtblauwe rugkant, las ik… Nee, overnieuw. Dat lichtblauwe zag ik later pas, de naam en titel: Chr. van Geel / Gedichten, was er eerst. Ik dacht aan knieën die bloemen optilden.

    De boekenwinkel stroomde vol. Ik dacht, het zal er nooit zo druk zijn als tijdens een Literair Nederland borrel. We schonken glaasjes in, deelden hapjes, babbelden erop los, tokkelend van genoegen over boeken en schrijvers als was het een literair kippenhok. Er waren gesproken vijf minuten bijdragen, over de ontdekking van het werk van George Perec, over het belang van geschiedenis in jeugdliteratuur, over Hele verhalen voor een halve soldaat, van Benny Lindenlauf. Waarover we nu nog steeds meer willen weten. Een bijdrage over hoe een boek zich voor kan doen als een gesloten deur. Wat als je een boek of dichtbundel leest er niks met je gebeurt, wat dan? Leest het nog eens, weer niks, toch weet dat er iets in die bundel, dat boek zit dat naar je toe moet komen, contact wil maken. Dat als de lezer het niet begrijpt, dat niet wil zeggen dat de schrijver een onbegrijpelijk werk schreef. Er was een column, over hoe je kunt houden van iets dat nooit deel van je leven uitmaakte. Het was prachtig allemaal. Tussendoor schoven gebogen gestalten speurend langs de onderste planken van boekenkasten. Hoorde ik iemand bekennen vijfhonderd boeken te hebben opgeruimd, voelde ontzag voor zo’n daad. En kocht de lichblauwe bundel, onderweg naar huis las ik:

    Plein

    Dit is een prachtige boom
    voor die sigarenwinkel,
    er daalt een duif in neer.
    Een schilder schildert trage halen.
    Onder de ladder staat de bakker in zijn deur,
    bespat met schaduw van de blaren.
    Het asfalt is van muizenleer.
    De meisjes fietsen glimlachloos,
    hun knieen tillen bloemen op.
    Bij Fientje zijn de schermen neer.  

    Later door de regen naar huis, licht euforisch over wat gezegd en gelezen werd, dacht ik aan fietsende meisjes in bloemenjurken.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, schrijft daarover.

  • Over het spoor (2)

    Schrijver Édouard Louis riep in Buitenhof op tot revolutie. Wat een ronkend woord, zegt een oude stem in mijn hoofd. Vanzelf word ik van Louis’ oproep tot een politieke omwenteling geleid naar de verre stemmen van dode familieleden. Allemaal sociaaldemocraten, PvdA-stemmers. Vroeger. Door jaren van neoliberalisme en groeiende welvaart verdween het vraagstuk machtsongelijkheid en klassenstrijd als een jeugdvriend uit mijn dagelijks leven. Édouard Louis stoft dat oude verhaal af: Voor de arbeidersklasse is politiek een kwestie van leven en dood. Ik ben terug in de jaren zeventig en tachtig. Familieverjaardagen, ooms en tantes die in een blauwe walm bij elkaar aan een lange eettafel zitten. Ze debatteren, schreeuwen, vloeken en laten onder het geroffel van hun vuisten de met sigaretten en sigaren gevulde glazen trillen. Ik tril mee van alle opwinding. 

    Ze noemden zich socialist. Desondanks werd bij dat soort familiegelegenheden de man die hen politiek vertegenwoordigde, genadeloos gefileerd. Joop den Uyl. De mompelaar. Morsig ook. Geen partij voor die linkmiegels van CDA en VVD. Toch bleef men op hem stemmen. Hij was tenslotte wel onze morsige en mompelende man. Er kleefde aan de linkse beweging een ingewikkelde mengvorm van trots en schaamte. De running gag was een bekende uitspraak van een vakbondsman. Een oom stond dan half op uit zijn stoel, maakte zich breed, balde zijn vuisten en riep: ‘Willen we naar de Dam, dan gaan we naar de Dam!’ Lachsalvo. Wat betekende dat nou, naar de Dam gaan? En dan? Dan ben je daar? Je hoefde bij ons niet aan te komen met ronkende woorden. Ronkende woorden leidden óf naar marcherende laarzen óf naar teleurstelling, maar veroorzaakten vooral gêne. Toch bleef men lid van de vakbond.

    Bij het aantreden van Wim Kok, tweede helft jaren tachtig, kwamen de eerste barstjes in de partijtrouw, een trouw die helemaal verdween met de opkomst van Fortuyn en de partijen die in zijn kielzog aan de horizon verschenen. De openlijke, trotse stem voor de sociaaldemocratie werd een mompelend en omfloerst uitgebrachte stem op een partij ‘that dare not speak its name’. Eenzelfde proces van veranderend stemgedrag binnen de arbeidersklasse in Frankrijk beschrijft Didier Eribon in Terug naar Reims. Daar zwierven de Franse stemgerechtigden massaal van de Communistische Partij naar het Front National. Eribon is een belangrijke inspirator voor het werk van Édouard Louis. Allebei komen ze uit een arbeidersmilieu, zijn ‘klassenmigrant’, en allebei zijn ze homoseksueel (daar kom ik een volgende keer op terug).

    Terug naar Hilversum, over het spoor. Mijn sociaaldemocratische familie predikte geen revolutie. Daarvoor waren ze te veel gehecht aan rust, reinheid en de parlementaire democratie. De herinneringen aan de oorlogsjaren speelden daarin een belangrijke rol. Toch zouden ze op de laatste familieverjaardagen, waar de glazen met sigaren en sigaretten inmiddels waren verdwenen – elkaar toeschreeuwen dat het in Nederland misging. Ze zijn nu bijna allemaal overleden. Ze hielden zich trouw aan de statistiek dat laagopgeleiden vele jaren eerder dood gaan dan hoogopgeleiden. Leefden ze nog, dan zou de woede over woningnood, toeslagenaffaire, aardbevingsschade vrij spel krijgen. Het is goed dat die jeugdvriend weer aan tafel schuift.

     

    Lees hier Over het spoor (1).


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekenen.

  • Bats, en klaar is Kees

    Steen, schaar, papier is een spelletje met de handen, een nulsomspel, een soort kop of munt, elk kind kent het. Een van de verhalen van Maxim Osipov heet, ‘Steen, schaar, papier’. Waarin een oudere vrouw Ksenia Nikolajevna Knysj, de schoolmeester Sergej Sergejevitsj en Roxana, een zwijgzame jonge vrouw, de rol van een van deze handgebaren vertegenwoordigen. Onder het communisme deed Ksenia ‘haar plicht op de grens van geloof en ongeloof, net als iedereen.’ Na het communisme bekeert ze zich tot het christendom. Haar dochter verwijdert zich van haar, sterft jong. Dat is de schuld van de intellectuelen, van de schoolmeester. Hij heeft de geest van haar dochter met literatuur vergiftigd. Literatuur maakt de wereld groter en laat angstige moeders achter. Angst is als een knijper op je neus, je stikt langzaam.

    Ksenia bezit een restaurant, laat veel mensen voor zich werken die nooit worden uitbetaald. Ksenia draait met alle winden mee. Zij is de steen, niets beklijft. Roxana is bij haar in dienst. Dan belandt Roxana in de gevangenis. De man die haar belaagde stak ze dood. Ksenia bezoekt haar, neemt worst mee, wat Roxana niet belieft. Ze wordt daarom door Ksenia bewonderd, want heeft een vrouw in zo’n situatie iets te willen? ‘Ze wil op Roxana lijken, op haar niveau staan. Gaat dat lukken? Ksenia voelt zich dom en oud naast dit plotseling volwassen geworden kind: haar daad heeft haar tot onbereikbare hoogten opgetild, tot dicht bij het mysterie! Ksenia heeft zich heel haar leven in allerlei bochten gewrongen, altijd maar in de weer, gissend, stapje voor stapje vooruit schuifelend, onderhandelend met al die… en bij Roxana, bats, en klaar is Kees. Helemaal zelf! Ze heeft haar eigen lot in handen genomen, de rechtbank, de straf!’ Ja, bats, door roeien en ruiten om de wereld open te breken.

    Osipov schrijft dicht op de huid van de menselijke verhoudingen, forceert een denktrant, negeert aannames. Een nieuw pad dat gegaan moet worden, ja, ja. Stilzwijgend (als houd ik de adem in) lees ik door. Hoe Roxana de Islam aanhangt. Ksenia dat ook wil. ‘Ksenia heeft nog nooit iemand zo geloofd als haar nu.’ Waarom de USSR uiteen is gevallen, dat weet Roxana, ‘Ze hebben teveel naar het Westen gekeken. Naar het duivelse Westen. Ze werden ontrouw aan hun voorbestemming.’

    En dan de schoolmeester, man van het papier, hij heeft het laatste woord: ‘En tenslotte, ik ben vrij.”Verheug je in de eenvoud van je hart, verheug je vol vertrouwen en wijsheid,” zeg ik tegen de kinderen en mezelf. Ik heb dat niet zelf bedacht, maar wel zo vaak herhaald, dat het ook van mij is. Het hoort net zo bij mij als slaperige kinderen in de klas, Russische literatuur en heel Gods mooie schepping.’ Na deze laatste regels sluit ik het boek, staar voor me uit. Om een verhaal van schuld en boete zo te eindigen is haast als een verlossing. In Osipovs verhalen is de wereld hoe dan ook niet stuk te krijgen. Overrompelende verhalen, geweldig boek.

     

    De wereld is niet stuk te krijgen / Maxim Osipov/ 380 pag. / Vertaling: Yolanda Bloemen en Seijo Epema / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

     

     

  • Jongeren lezen graag

    Er is veel gezegd en geschreven over de ontlezing van Nederland. Ook of voornamelijk onder jongeren. Een zorg die wereldwijd wordt gedeeld. Philip Roth zei in een interview in 2000 al dat hoewel er altijd romans zullen blijven worden geschreven de lezer zal uitsterven als gevolg van alles wat er op het scherm van televisie en computer te zien zal zijn. Zelf heb ik nooit zo geloofd in die doemdenkerij. Natuurlijk is het zo dat mensen steeds vaker en langer aan een scherm gekluisterd zitten, maar dat kan ook zijn voordelen hebben. Tegenwoordig heb je door de social media een veel groter bereik dan vroeger voor mogelijk werd gehouden. Zo was ik tot voor kort  volstrekt onbekend met het fenomeen #Booktok. Onder deze hashtag delen jonge TikTok gebruikers hun passie voor boeken, waardoor jongeren en masse aan het lezen slaan.

    Het Haagse raadslid van de PvdA, Janneke Holman, plaatste een filmpje over de boekwinkel Colette op TikTok. In het filmpje waren de enorme boekenbergen te zien waar de winkel zo bekend om is. Het filmpje ging meteen viraal, werd meer dan honderdduizend keer bekeken en de vele reacties waren meer dan enthousiast. Veel jongeren gaven aan op zeer korte termijn een bezoek te brengen aan de winkel en  voegden de daad bij het woord. Een week nadat het filmpje online kwam werd er een ‘Yardsale’ van boeken georganiseerd. Tijdens de zogeheten Colette Outlette konden mensen voor een euro per stuk boeken kopen in de tuin van Colette. Het leverde een bijzonder beeld op die zaterdagmiddag. Tientallen jongeren stonden in de rij bij de boekwinkel. Ik had nog nooit een rij mensen voor een boekwinkel zien staan en zeker niet een rij met alleen maar jongeren. Het mooie was dat ze niet alleen maar kwamen om te kijken. Dat bleek uit de vele boeken die ze onder hun arm mee terug naar huis namen. Er werden die dag meer dan vierhonderd boeken verkocht. Het bijzondere was dat de literaire boeken en met name ook de oudere schrijvers het erg goed deden. Simon Vestdijk en Willem Frederik Hermans bleken zomaar enorm populair te zijn. 

    Natuurlijk kun je tijd maar één keer invullen, daarna is die voor altijd verloren. Dat wil echter niet zeggen dat je telkens maar één keer een keuze kunt maken. De schermtijd en de sociale media die zo vaak verantwoordelijk worden gehouden voor ontlezing, kunnen net zo goed zorgen voor een hernieuwde aandacht voor de literatuur. Als die aandacht zich terugvertaalt naar meer leestijd dan hoeven scherm en boek elkaar helemaal niet in de weg te zitten. De kracht van #Booktok is bovendien dat volwassenen niet voorschrijven wat jongeren moeten lezen. Het zijn jongeren die andere jongeren enthousiasmeren. Als Booktok en de grote opkomst bij de Colette Outlette me iets hebben geleerd dan is het dat jongeren gewoon bijzonder graag boeken lezen. Er is hoop voor de toekomst.

     

     


    Istvan Kops is mede-eigenaar van de antiquarische boekwinkel Colette in Den Haag. Eens in de maand schrijft hij daarover een column voor Literair Nederland.