• Oogst week 8 – 2022

    De ploegscharen van Deik

    De ploegscharen van Deik is de nagelaten debuutroman van Scotty Gravenberch (1970-2020). Gravenberch was op de eerste plaats schrijver, meldt zijn broer in de Volkskrant van 9 september 2020 na Gravenberchs overlijden. Hij schreef gedichten, raps en verhalen. Geboren in Den Bosch uit een Nederlandse vader en Surinaamse moeder ging hij na de middelbare school in militaire dienst, waarna hij besloot filosofie te gaan studeren en had vervolgens allerlei banen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij werkte bij verschillende culturele instellingen, was onder meer redacteur bij het televisieprogramma Het Blauwe Licht en daarna presentator van het programma Propaganda.
    In 1998 publiceerde hij Sinterklaasje kom maar binnen zonder knecht samen met activiste Lulu Helder en stond daarmee aan de wieg van de huidige zwartepietendiscussie.

    In 2018 verscheen een voorstudie van De ploegscharen van Deik in de Revisor. Nu heeft uitgeverij Jurgen Maas de roman uitgegeven. De hoofdpersoon is een televisiepresentator van het ochtendjournaal. Zich bewust van zijn eigen paranoïde trekjes begrijpt hij nauwelijks dat mensen alles geloven wat hij als journalist voorleest. Als hij dronken fulmineert tegen doofpotten, complottheorieën, politiegeweld en opgejaagde journalisten en uiteraard de zwartenpietendiscussie gaat deze opname viral en wordt Deik het middelpunt van maatschappelijke polarisatie. Hij vlucht weg van de wereld en wil zich bevrijden van hypocrisie en leugens. Vanuit een kelder schrijft hij over uitsluiting en verzet. ‘De geschiedenis mept ons allemaal in het rond, sommigen harder dan anderen,’ zegt Gravenberch bij monde van Deik.

    De ploegscharen van Deik
    Auteur: Scotty Gravenberch
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Geluksvogels

    In 1922 stelde Luigi Pirandello zich ten taak één verhaal voor elke dag van het jaar te schrijven. De eerste novelle ging terug tot 1894, het jaar waarin hij trouwde. Toen hij stierf in 1936 had hij voor dit project 246 verhalen geschreven. In Geluksvogels is een aantal van deze novellen samengebracht.

    Pirandello had een groot psychologisch inzicht. Dat, gepaard aan – soms donkere – humor en mededogen met de mens, maakt hem tot een veelzijdige schrijver. Die veelzijdigheid is terug te vinden in Geluksvogels. De verhalen zijn onder te verdelen in surrealistisch, Romeins en Siciliaans. Zo laat hij een geëxalteerde actrice het tegen een vleermuis opnemen, toont hij Romeinse saaiheid en  kleinburgerlijkheid en maakt hij van Siciliaanse boeren groteske personages die tegen de kerk strijden. Zijn beschrijvingen van het landschap grenzen soms aan het hallucinerende.

    Pirandello schreef toneel, poëzie, romans en verhalen. Hij is vooral bekend om zijn roman Iemand, niemand en honderdduizend, een ironisch maar ook humoristisch boek. In 1934 ontving hij de Nobelprijs voor literatuur. Hij is nog steeds actueel. Onderzoek naar Pirandello en zijn werk wordt onder meer gedaan door Studio di Luigi Pirandello in Rome en de Luigi Pirandello Stichting aan de KU Leuven.

     

    Geluksvogels
    Auteur: Luigi Pirandello
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Jouw afwezigheid is duisternis

    De IJslandse schrijver Jón Kalman Stefánsson wordt een unieke vertelstem toegedicht, een die zweeft tussen poëzie en proza. Maar hij is meer dan dat, de stem getuigt ook van groot realisme, met details die de gebeurtenissen zich voor je ogen doen afspelen. En hij beschikt over een laconiek gevoel voor humor:
    Als de hoofdpersoon van Jouw afwezigheid is duisternis in een plattelandskerk naast een kleine fjord in IJsland wakker wordt, kan hij zich niets van zichzelf herinneren en weet hij niet wie hij is. Omkijkend ontdekt hij achter zich een man, aan wie hij vraagt: ‘Bent u soms de predikant van deze kerk?’ waarop de man antwoordt: ‘Alleen maar dat ik hier zit, maakt dat mij tot predikant? Ben je dan een bisschop omdat je dicht bij het altaarstuk zit? Ben ik een buschauffeur als ik naast de bus sta, een dokter als deze kerk een ziekenhuis zou zijn, een misdadiger of een bankdirecteur als we elkaar in een bank waren tegengekomen? En als ik dit allemaal zou zijn, hoelang ben je wat je bent, want verandert het leven niet constant wat je bent, dat wil zeggen, als je redelijk in leven bent – wanneer hou je op predikant of misdadiger te zijn en word je iets totaal anders? […] Wanneer heet iemand Dingdong of Snuffel en wat is een betere naam?’ Daarna gaat hij nog even filosofisch door.

    Even later wordt deze man de gids van de hoofdpersoon met wie hij op zoek gaat naar diens verleden. Tijdens de reis ontvouwt zich de wonderbaarlijke wereld van een fjord in IJsland. Onderweg ontmoeten ze opmerkelijke personages. Een kapitein is gefascineerd door Kierkegaard en weet alles over de filosoof, een dominee correspondeert met een Duitse dichter die allang is overleden en een vrouw op het platteland schrijft een artikel over regenwormen. Bij Stefánsson zijn gewone mensen veel interessanter en ook complexer dan ze op het eerste gezicht lijken.

     

    Jouw afwezigheid is duisternis
    Auteur: Jón Kalman Stefánsson
    Uitgeverij: Ambo Anthos
  • Autobiografische roman over een trektocht door het Himalaya gebergte

    Autobiografische roman over een trektocht door het Himalaya gebergte

    Met zijn nieuwe boek Zonder de top te bereiken pakt Paolo Cognetti de draad op van zijn roman De acht bergen, waarmee hij in 2017 internationaal is doorgebroken. Niet dat dit boek een rechtstreekse voortzetting is van de reis van de twee vrienden Pietro en Bruno  door Nepal, maar thematisch sluit het er naadloos op aan. Ook in dit boek stelt hij zich vragen als ‘wat betekent vriendschap’ ‘wat is eenzaamheid’ en ‘waarin schuilt levensgeluk’ Maar hier is het Cognetti zelf die met deze vragen worstelt, zonder een romanpersonage als intermediair. Misschien dat het daarom lijkt alsof hij dichtbij een bevredigend antwoord komt.

    Het kristallen klooster

    Deze autobiografische roman beschrijft een trektocht door het Himalaya gebergte in Dolpo, een regio in Nepal, grenzend aan China. Paolo Cognetti, die sinds een jaar of tien teruggetrokken leeft in een dorpje in het Aosta-dal in Noord-Italië en zich voornamelijk aan zijn schrijverschap wijdt, weet twee vrienden, Nicola en Remigio, te bewegen om mee te gaan. Zij zullen gedurende de reis, ieder op hun eigen manier, een klankbord vormen voor Cognetti in zijn zoektocht naar inzicht. Zij gaan op pad met een zevenenveertig- koppige karavaan, inclusief keukenploeg, gidsen, dragers, muildieren en een tiental Westerse toeristen. De rondreis van zo’n vijfhonderd kilometer voert door het Himalaya gebergte met als uiterste punt en hoofddoel van de expeditie de Shey Gompa, het kristallen klooster, dat het laatste overblijfsel van het oude, verdwenen Tibet zou zijn. Tijdens de veeleisende tocht wordt Cognetti regelmatig gekweld door de hoogtedemon, zoals hij zijn hoogteziekte noemt en die hem boven de 3000 meter zwaar op de proef stelt. Maar ook zijn grote gevoeligheid voor het niet tastbare houdt hem in zijn greep. 

    De Sneeuwluipaard

    Zo is er Peter Matthiessen,  voor Cognetti een soort spirituele leider. Matthiessen schreef in 1978 zijn bestseller  De Sneeuwluipaard naar aanleiding van een expeditie die hij samen met een bevriende bioloog ondernam om de hoog in de Himalaya levende bharal, de blauwschaap, te bestuderen. Hij beschrijft de reis als een ‘pelgrimstocht naar de laatst overgebleven enclave van pure Tibetaanse cultuur op aarde’, precies datgene wat Cognetti fascineert en hem  tot zijn reis geïnspireerd heeft. Matthiessen wordt voor hem de belangrijkste reisgenoot, al heeft hij hem nooit ontmoet. Hij leest en herleest diens boek als een reisgids voor zijn eigen leven en inspireert zijn eigen notitieboek met kaarten, tekeningen en dagboek op dat van zijn inspirator.

    Het ongrijpbare en onbepaalde is misschien wel het hoofdthema van dit boek. Uit alles om hem heen maakt Cognetti op dat niets vast ligt, alles in beweging is, voorbij gaat en dus vluchtig is. De eeuwenoude bergen van Dolpo ontstijgen tijd en ruimte. De sneeuwluipaard, een solitair en mysterieus dier, staat soms voor het boek van Peter Matthiessen, dan weer voor de auteur zelf, hoewel deze zich evengoed kan openbaren in de zwerfhond Kanji, die zich bij de karavaan aansluit. De Nepalezen begrijpen niets van ‘die vreemde, geconcentreerde, dik ingepakte, met uitrusting beladen wezens die ervoor betaalden om zwoegend te voet [hun] land te doorkruisen’. Zij glimlachen en lijken hun lot te aanvaarden, zonder hogere doelen te willen bereiken. Dat maakt ze wederom ondoordringbaar voor de Westerlingen. Er schuilt een diepe melancholie in het ongrijpbare.

    In het lopen zelf ligt de essentie

    Cognetti beseft dat in het accepteren van deze ongrijpbaarheid juist de diepe wijsheid ligt waarnaar hij op zoek is. Niet het bereiken van een doel – of, letterlijker, van een top – brengt geluk, maar de (wandel)tocht ernaar toe. In het lopen zelf ligt de essentie van het bestaan. De westerse zienswijze staat tegenover de boeddhistische met illustratieve tegenstellingen als bergtop bedwingen – door bergen wandelen, alpinist – reiziger, winnen -verliezen, vinden – zoeken. Raadsels als “hoe klinkt één klappende hand? ” behoeven geen antwoord, maar nodigen uit tot meditatie.
    De pelgrims naar de Gompa van Shey, het belangrijkste klooster en spirituele centrum van Dolpo  lopen met de wijzers van de klok de rituele kora rondom de Kristalberg . Door deze cirkelende beweging, vol aandacht voor het moment, bereiken ze een versmelting met de omgeving en een gevoel van puurheid. Dat geldt ook voor de reiziger die met het stijgen en dalen tijdens zijn bergtocht en ‘zonder de top te bereiken’ doordringt tot een diepere waarheid, dichter bij levensgeluk.

    Gelukkig zijn omdat je geen keus hebt

    Paolo Cognetti heeft de neiging om stilistisch erg volledig te willen zijn, waardoor zijn proza soms aan vaart en helderheid verliest. Inhoudelijk echter weet hij de essentie van zijn verhaal pakkend over te brengen. En die is zeer de moeite waard.
    Zodra de daling inzet en daarmee de puurheid van de bergen en helderheid van denken verlaten wordt, vertroebelt alles, de kracht ebt weg en de betovering is verbroken. Dat is ook het moment waarop er bij de lezer een gevoel van heimwee opkomt. Heimwee naar een avontuur dat op zijn einde loopt, heimwee krijgt naar het zojuist gelezen boek. De schrijver raakt een herkenbare snaar en slaagt erin te ontroeren.

     

  • Sofia’s zoeken naar zichzelf

    Sofia’s zoeken naar zichzelf

    Na zijn grote succes met De acht bergen krijgt ook het eerdere werk van Cognetti nu de aandacht die het verdient. Na De buitenjongen uit 2013 dat vorig jaar in Nederlandse vertaling verscheen, beleeft Sofia draagt altijd zwart in 2019 de ene na de andere druk. Kan De buitenjongen worden gezien als een vingeroefening voor De acht bergen, Sofia draagt altijd zwart gaat over de moeizame volwassenwording van Sofia.
    Haar geboorte is prematuur en ze moet worden gereanimeerd. Sofia wacht geen gemakkelijk leven en blijkt altijd op de vlucht: voor haar ouders, voor haar vrienden, voor haar geliefden maar bovenal voor zichzelf. Op haar zestiende doet ze een zelfmoordpoging en wordt ze opgenomen in een kliniek.

    Evenals in De acht bergen weet Cognetti het thema prachtig te beschrijven, met veel inlevingsvermogen. Je begrijpt de worsteling van Sofia met haar existentie, met haar ouders, – vooral haar moeilijke verhouding met haar depressieve moeder speelt haar parten -, met haar zoektocht naar geluk en de zin van het leven.

    Constructie

    Vanaf haar geboorte tot aan haar zevenentwintigste jaar lezen we over het leven van Sofia. Cognetti heeft daarbij gekozen voor een bijzondere constructie om het verhaal te vertellen, wat het voor de lezer niet altijd gemakkelijk maakt.
    Allereerst gebruikt hij verschillende invalshoeken. Hij schrijft vanuit haar eigen perspectief als ze nog jong is, vanuit het perspectief van haar ouders (gezamenlijk en apart) en nog door dat van een aantal anderen (o.a. minnaar, tante, studievriendinnen). In de tweede plaats kijkt hij in die verschillende perspectieven voor- en achteruit in de tijd. Daarmee brengt hij in feite een tweede laag in het verhaal aan, die de lezer wat in verwarring kan brengen. Niettemin blijft het boeiend om te lezen over Sofia’s pogingen om gelukkig te worden.

    Eigenlijk zijn de afzonderlijke hoofdstukken meer als scènes uit een film waartussen niet veel verband bestaat. Misschien zit de documentairemaker Cognetti de schrijver Cognetti in de weg. Een voorbeeld moge dit verduidelijken.
    Wanneer Sofia met haar vader een paar dagen op vakantie is, schrijft Cognetti: ‘Zittend op een rots bestudeerde Roberto Muratore, acht jaar en een paar maanden voor zijn dood, zijn dochter terwijl hij net deed of hij de krant las.’ Met die mededeling doet hij in het desbetreffende hoofdstuk niets en verder in het verhaal komt zijn overlijden ook niet voor.Zo zijn er andere voorbeelden te geven van de manier waarop Cognetti de chronologie van de vertelling onderbreekt door vooruit te lopen of terug te blikken op de gebeurtenissen.

    Waardering

    Bovenstaande kritiek laat onverlet dat Cognetti prachtig schrijft. Niet alleen heeft hij een mooie stijl, hij weet ook in elk hoofdstuk te boeien en met veel inlevingsvermogen het ‘donkere’ leven van Sofia – ze draagt niet voor niets altijd zwart – uit te beelden. Met veel emotionele zeggingskracht en psychologisch inzicht beschrijft Cognetti de worsteling van Sofia om gelukkig te worden.

     

  • Zomerboeken 2018 – Lezen is ontsnappen

    Zomerboeken 2018 – Lezen is ontsnappen

     

     

     

     

    De welwillenden

    Uw vakantieboeken hoeven zich niet af te spelen op de vakantiebestemming, ga liever voor contrast, zodat u een dubbele ontsnapping creëert. Lees tijdens een lamlendige strandvakantie boeken die bol staan van vaart en spanning en de hele wereld bestrijken. Ludlumachtige boeken dus of de literair verantwoorde versie ervan: De ontdekking van de hemel van Mulisch of De welwillenden van Litell waarin vanuit het perspectief van een SS’er een enorm scala een oorlogsgruwelen de revue passeert.

    De welwillenden
    Auteur: Jonathan Littell
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Als u tot een actieve vakantie besluit, hiken in Noorwegen bijvoorbeeld, lees dan niet Grip van Enter of Nooit meer slapen van Hermans, maar een lekker landerig boek: Carson McCullers’ De balade van het treurige café (over een zeer broeierig Georgia) of juist een grote-stadsroman zoals het hilarische Geld van Martin Amis over een Londense reclameman die in New York de voorbereidingen treft voor zijn eerste speelfilm.

    De waterman

    Gaat u op een vakantie van lichte zeden, lees dan niet Platform van Houellebecq of de sublieme memoires van Casanova, maar het vrijwel vergeten juweel De waterman van Van Schendel, over een negentiende-eeuwse binnenvaartschipper die met ijzeren discipline en een loodzwaar moreel regime tegenslag na tegenslag doorstaat.

    De waterman
    Auteur: Arthur van Schendel
    Uitgeverij: Athenaeum (alleen als e-boek)

    De tijgerkat

    Lees hoe dan ook een monumentaal werk- daar heeft u nu de tijd voor-, zoals De Radetzkymars van Joseph Roth over het Habsburgse rijk van keizer Franz Joseph of De tijgerkat van Tomasi di Lampedusa over het negentiende-eeuwse Sicilië waar een revolutie ervoor zorgt dat alles bij het oude blijft.

    De tijgerkat
    Auteur: G. Tomasi di Lampedusa
    Uitgeverij: Atheneaeum – Polak & van Gennep
  • Zomerboeken 2018 – Van vakantieland tot er altijd wonen

    Zomerboeken 2018 – Van vakantieland tot er altijd wonen

    De acht bergen

    Vele jaren ging ik op vakantie naar Italië, steeds naar een andere regio, en raakte ik verknocht aan dat land. De klassieke kunsten, de conservering van het culturele erfgoed, de culinaire genotmiddelen, het prachtige landschap, de gastvrijheid van de Italianen: het zijn prachtige kenmerken van een land waar het weliswaar politiek niet lukt om van de huidige samenleving een moderne gemeenschap te maken maar waar het voor mij goed toeven is. Zes jaar geleden ben ik er gaan wonen….
    Van mij dus vier boeken van Italiaanse schrijvers, die ik met ontzettend veel plezier heb gelezen; drie ervan hebben een stad als achtergrond en wanneer je op vakantie gaat naar Italië zijn deze steden zeer de moeite waard om te bezoeken.

    Paolo Gognetti – De acht bergen
    Over dit boek moet niet al teveel gezegd worden. Het gaat over de relatie van een vader met zijn zoon, Pietro, en hun liefde voor het Noord-Italiaanse berglandschap. Ze wonen in Milaan maar trekken vaak de bergen in. We lezen ook over de relatie van Pietro met zijn beste vriend Bruno die opgroeit in de bergen.
    Het mooie is dat het verhaal zich langzaam ontvouwt. De ontwikkeling van beide relaties wordt  beschreven en gaandeweg besef je de invloed van verschillende gebeurtenissen op het leven van de twee vrienden. Dat is heel knap gedaan. Het is ingetogen geschreven, met mooie beschrijvingen van de natuur en het laat je niet meer los. En na lezing sta je voor de keus: ga ik naar de stad  of trek ik de bergen in?

     

     

     

    De acht bergen
    Auteur: Paolo Cognetti
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Bekentenissen van Zeno

    Italo Svevo – Bekentenissen van Zeno

    Dit boek heb ik twee keer gelezen; de eerste keer tijdens mijn zoektoch ging naar Italiaanse literatuur; de tweede keer op verzoek van Literair Nederland, toen er in 2015 een nieuwe vertaling verscheen van dit 90 jaar oude boek. Mijn recensie verscheen op 3 december van dat jaar; ik ben nog steeds enthousiast over het boek, het heeft niets van zijn glans verloren.

    Italo Svevo is geboren in Triëste, de stad waar het verhaal zich afspeelt. Die stad is zeker het bezoeken waard. Er staat ook een standbeeld van Svevo, er is een route uitgestippeld langs belangrijke plekken uit zijn leven en er is een museum aan hem gewijd. Maar eerst en vooral het boek lezen!

     

     

     

    Bekentenissen van Zeno
    Auteur: Italo Svevo
    Uitgeverij: Atheneaeum – Polak & van Gennep

    De tuin van de familie Finzi-Contini

    Giorgo Bassani – De tuin van de Finzi-Contini’s

    Dit klassieke meesterwerk uit 1962 gaat over de ondergang van de joodse gemeenschap in Ferrara, de stad waar Bassani is geboren. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog voert Italië rassenwetten in, joden hebben dan geen toegang meer tot de plaatselijke tennisclub. De Finzi-Contini’s stellen daarom hun particuliere tennisbaan open.

    Tegen de achtergrond van het opkomend fascisme tekent Bassani op schitterende wijze het leven in en om de villa aan de Corso Ercole 1 d’Este in Ferrara. Dat is een prachtige stad: sinds de 13eeuw bestuurd door het oudste vorstenhuis van Italië, de familie D’Este. Er is nog veel te zien in de stad dat daaraan herinnert, zoals het Palazzo Costabili en het Palazzo Schifanoia. De joodse begraafplaats die in het boek een prominente plaats inneemt en de villa van de familie Finzi-Contini’s zijn er ook nog. Ferrara is het prachtige décor van een prachtig boek.

     

    De tuin van de familie Finzi-Contini
    Auteur: Giorgio Bassani
    Uitgeverij: De Bezige Bij (2018)

    Bernini

    Franco Mormando – Bernini, his life and his Rome

    Deze biografie over beeldhouwer, architect en schilder Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) laat onder meer zien hoe deze kunstenaar dankzij zijn goede contacten met het Vaticaan, Rome heeft voorzien van prachtige pleinen en beelden. Interessant om te lezen hoe hij die opdrachten in de wacht sleept.

    Hij heeft in de 17eeeuw een sterk stempel gedrukt op de kunst van Rome. Voor vier pausen schiep hij vele meesterwerken, teveel om op te noemen. Het Sint Pietersplein met zijn zuilenrij is er zo een, evenals het baldakijn in de Sint-Pietersbasiliek. Ook de vier stromen fontein op het Piazza Navona is een prachtig bouwwerk.
    Mormando schetst een indringend beeld van de kunstenaar, zijn persoonlijkheid en zijn meesterwerken. En Rome is natuurlijk altijd een bezoek waard!

     

     

    Bernini
    Auteur: Franco Mormando
    Uitgeverij: The University of Chicago Press
  • Overleven dankzij religie, vriendschap en hoop

    Overleven dankzij religie, vriendschap en hoop

    In april 2017 is er bij Van Oorschot een nieuwe vertaling verschenen van Mijn gevangenissen van Silvio Pellico, een Italiaanse klassieker uit 1832.

    Tien jaar gevangen
    Tussen 1800-1860 werden de Italiaanse gebieden overheerst door het Frankrijk van Napoleon Bonaparte en de Oostenrijkse Habsburgers. Silvio Pellico (1789-1854) is al een bekende dichter en schrijver van toneelstukken (o.a. Francesca da Rimini uit 1818) als hij op 13 oktober 1820 wordt gearresteerd op last van de Oostenrijkse machthebbers. Hij wordt opgesloten in de Santa Margherita-gevangenis in Milaan. Als een medegevangene hem vraagt waarom hij vastzit, antwoordt hij dat hij van ‘carbonarisme’ wordt beschuldigd. ‘Wat zijn dat eigenlijk, carbonari?’ Pellico: ‘Ik ben er zo slecht mee bekend dat ik het u niet zou kunnen zeggen.’

    Tijdens zijn ruim twee jaar durende voorarrest wordt Pellico overgeplaatst van Milaan naar de ‘Piombi’, de staatsgevangenis in Venetië. Daar wacht hij zijn vonnis af. In eerste instantie wordt hij ‘ter dood veroordeeld’, maar dat wordt veranderd in vijftien jaar ‘streng arrest.’ De Keizer van Oostenrijk halveert later het aantal strafdagen van vierentwintig naar twaalf uur. Dat betekent dat Pellico na zijn voorarrest nog zeven en een half jaar gevangen zal zitten in een kerker van kasteel Spielberg in Brünn, het tegenwoordige Brno. Dat is de strengste gevangenis van de Oostenrijkse monarchie. Staatsgevangenen zijn veroordeeld tot streng arrest: ‘ze moeten werken, een ketting aan de voeten dragen en slapen op kale planken. Het voedsel is ‘abominabel.’ Na ruim tien jaar krijgt Pellico gratie. In 1832 publiceert hij Le mie prigioni; in 1833 in het Nederlands vertaald als Tien jaren gevangenis, of Gedenkschriften. De laatste vertaling, uit 1906, is van Frans Erens en heeft als titel Mijne gevangenissen. 

    De nieuwe vertaling heeft op de omslag een foto van kasteel Spielberg. Mijn gevangenissen is het autobiografische verslag van Pellico’s ontberingen in meerdere gevangenissen.

    Geen politiek
    Pellico laat zich niet uit over de politieke achtergronden van zijn gevangenschap. Over zijn detentie in Milaan schrijft hij dat hij werd verhoord, maar daarover zal zwijgen: ‘Net als een geliefde die slecht is behandeld door zijn beminde en het plechtige besluit heeft genomen haar de rug toe te keren, laat ik de politiek voor wat ze is en zal ik het over andere zaken hebben. /…./’

    Andere zaken, dat zijn vooral filosofie en geloof: ‘Wees christen! Erger je niet langer aan de misstanden! Geef niet langer af op een enkel lastig punt in de kerkdoctrine, want het voornaamste punt is glashelder: heb God en je naaste lief. In de gevangenis besloot ik eindelijk die stap te zetten en die conclusie te aanvaarden. Ik aarzelde een weinig bij de gedachte dat mensen zich, als ze erachter kwamen dat ik geloviger was dan voorheen, genoopt zouden voelen me voor schijnheilig te houden, voor iemand die was ontmoedigd door tegenslag. Maar omdat ik voelde dat ik schijnheilig noch ontmoedigd was, nam ik me voor geen enkele aandacht te schenken aan mogelijke onverdiende blaam, en besloot ik vanaf dat moment christen te zijn, en daar ook voor uit te komen.’

    Dit komt overeen met wat Pellico in zijn voorwoord schrijft: ‘Ik wilde trachten een enkele ongelukkige een hart onder de riem te steken door uiteen te zetten welk leed ik heb ondervonden en uit welke vormen van vertroosting ik bij de grootste tegenslagen bleek te kunnen putten.’

    De vraag of Pellico een ‘carbonaro’ was, blijft onbeantwoord. Hij schrijft dat zijn politieke beginselen van zijn jonge jaren nooit ‘ontaardden in demagogie of minachting voor de oude wetten./…./ Mijn vurige vaderlandsliefde ging niet zover dat ik verlangde naar een nationale regering en naar het verjagen van de vreemdeling die hier de baas speelt.’

    Pellico overlijdt in 1854, zeven jaar voor de Italiaanse eenwording in maart 1861.

    Vriendschap verzacht het lijden
    Pellico’s tijd in de gevangenis is enorm zwaar. ‘Ach voor iemand die beschuldigd wordt van staatsvijandigheid brengt een strafproces afschuwelijke zorgen met zich mee! De vrees om anderen te schaden!’ Pellico houdt zich aan zijn voornemen het niet over politiek te hebben en laat alles weg wat betrekking heeft op zijn proces. Hij schrijft over zijn erbarmelijke omstandigheden, de kou, het slechte eten, de eenzaamheid en de vertroosting die hij vindt in de spaarzame contacten met anderen – zijn bewakers (‘secondini’), zijn medegevangen (waaronder Piero Maroncelli), aalmoezeniers en paters. Over de paters die hem al die jaren bezoeken in Spielberg, schrijft hij altijd in positieve bewoordingen. Pater Battista is een ‘engel van barmhartigheid’. Pellico noteert verder over hem: ‘Na de biecht bleef hij altijd lang met ons praten en in al zijn woorden klonk een rechtschapen, waardige ziel door, vervuld van liefde voor de grootsheid en de heiligheid van de mens.’

    Pellico schrijft daarnaast met veel mededogen over een doofstomme jongen die hij vanuit zijn cel kan zien, over het meisje Zanze dat hem koffie brengt en over de zingende Maddalena (‘Wie schenkt de arme deerne / Opnieuw een sprank geluk?’). Hij noteert: ‘Vriendschap verzacht het lijden’. Ook de liefdevolle gedachten aan zijn ouders, twee broers en twee zusters houden hem op de been, al weet hij niet of hij hen ooit zal terugzien.

    Historische context
    De lezer van nu is minder goed bekend met de historische achtergronden van het boek dan de lezer van bijna tweehonderd jaar geleden. Daarom is het goed dat in het boek een verhelderend nawoord van Maarten Asscher is opgenomen.

    Asscher legt uit dat Pellico zijn gevangenismemoires hoogstwaarschijnlijk opzettelijk heeft ingekleed als een ‘bekeringsgeschiedenis’ om het boek langs de politieke en kerkelijke censuur van die tijd te kunnen loodsen.

    Hij legt uit dat Pellico niet te expliciet kon zijn, anders zou zijn boek op de Index librorum prohibitorum terechtkomen.  Op deze lijst met verboden boeken stonden werken die de rooms-katholieke kerk als verwerpelijk beschouwde. Vandaar ook dat Pellico alleen maar lovend is over het gevangenispastoraat. Asscher: ‘De corrupte rol van de gevangenispriesters in de Spielberg /../ die zich kennelijk hadden geleend voor controle en spionage als het ging om de gedragingen en uitingen van Pellico en de tientallen andere politieke gevangenen, was niet iets waarover in de door de Oostenrijkers beheerste noordelijke staten van Italië gepubliceerd kon worden.’

    Asscher schrijft dat het boek toch nog op de verboden lijst komt als Pellico’s medegevangene Piero Maroncelli in 1835 een serie ‘Aanvullingen en historische aantekeningen bij Mijn gevangenissen’ publiceert. In Alle mie prigioni di Silvio Pellico, addizioni beschrijft Maroncelli de ‘misdragingen van het katholieke gevangenispastoraat’ in de Spielberggevangenis.

    Pellico’s boek was nationaal en international een groot succes. Italiaanse vrijheidsstrijders beschouwden hem als een held. Zijn boek sloot aan bij het verlangen naar vrijheid en staatkundige eenheid dat in veel landen uit die tijd bestond. In de Italiaanse literatuur behoort zijn boek tot de klassiekers. Asscher schrijft dat Primo Levi een groot bewonderaar was van Pellico’s boek. Hij acht het aannemelijk dat Levi de openingszin van zijn boek over zijn ervaringen in vernietigingskamp Auschwitz Is dit een mens? (‘Op 13 december 1943 werd ik door de fascistische militie opgepakt’) naar de openingszin van Mijn gevangenissen (‘Op vrijdag 13 oktober 1820 werd ik gearresteerd in Milaan’) modelleerde.

    De religieuze en politieke situatie in Italië aan het begin van de negentiende eeuw blijkt complex. Asscher geeft daar een goed beeld van, hoewel meer informatie over nationalistische verzetsgroepen zoals de carbonari welkom was geweest.

    Het boek van Pellico staat vol namen van bekende en minder bekende schrijvers en tijdgenoten. Het is jammer dat een personenregister ontbreekt.

    Eigentijdse vertaling
    Het is terecht dat Maarten Asscher Mijn gevangenissen een boek noemt dat een ‘eigentijdse vertaling’  verdient. Yond Boeke en Patty Krone leverden samen een mooie vertaling af met eigentijdse uitdrukkingen zoals ‘kommer en kwel’ (Marten Toonder): ‘Wat een heerlijk moment was het voor mijn vriend en mij om elkaar na een scheiding van een jaar en drie maanden en na zoveel kommer en kwel weer terug te zien!’

    Mijn gevangenissen laat zien dat de wilskracht van de mens om te overleven enorm groot is, hoe erbarmelijk de omstandigheden ook zijn. Vriendschap en het geloof in God houden hem op de been. Niet voor niets heeft het boek als motto een regel uit het bijbelboek Job (14.1): ‘Een mens, kind van een vrouw, beperkt van dagen, overstelpt met zorgen.’ Na de zorgen de verlossing.

    Mijn gevangenissen is een indrukwekkend boek over ontberingen en lijden tijdens gevangenschap. En over overleven dankzij religie, vriendschap en hoop. Deze nieuwe vertaling van deze Italiaanse klassieker verdient een groot lezerspubliek.

     

     

  • Andrea Bajani toont dat schrijven meer is dan een ambacht

    Andrea Bajani toont dat schrijven meer is dan een ambacht

    Indien het een schrijver niet lukt om een eigen stijl te ontwikkelen, kan hij maar beter een ander beroep kiezen. Maar is schrijver eigenlijk wel een beroep? Andrea Bajani laat zien dat schrijven veel meer is dan een ambacht, hij kan met recht een scheppend kunstenaar genoemd worden. In zijn verhaaltrant ontdekken we dingen die nog nergens anders zijn vertoond. Zonder er een uitputtende opsomming van te geven weet hij beelden op te roepen van een verwoestende oorlog waarin de meest verschrikkelijke misdaden worden bedreven. De lezer krijgt ruimschoots de gelegenheid om in zijn fantasie het verhaal naar eigen inzicht aan te vullen waardoor een levendig beeld ontstaat van de mensen en de huizen waarin ze wonen.

    De hoofdfiguur Pietro wordt gevolgd in verschillende levensfasen. In zijn jeugd wordt hij, vaker dan hem lief is, uit school gehaald door zijn grootvader Mario, die wordt uitgebeeld als een wandelend skelet. Mario heeft een oorlogsverleden, de gevolgen hiervan doen hem uiteindelijk belanden in een psychiatrische inrichting. Tijdens een wandeling dwingt Mario aan Pietro de belofte af om hem op te zoeken in de inrichting, het blijft verder onduidelijk of Pietro deze belofte ook nakomt.

    Pietro wordt jaren later onderwijzer en woont dan samen met Sara. Zij hebben een vurige kinderwens die ondanks alle pogingen daartoe niet wordt vervuld. Ter compensatie nemen ze een hond maar niets helpt, de spanningen lopen hoog op en hun appartement wordt een pakhuis vol obsessies waarin de kamer opzwelt van hun woede. Op een dag ligt er op de keukentafel een briefje met daarop de boodschap ‘Je moeder heeft gebeld, Mario is dood. 
Sara is vertrokken en keert nog één keer terug om haar meubels op te halen, wel blijft zij contact onderhouden met de moeder van Pietro.

    Op een dag krijgt Pietro van zijn moeder een enorm groot koekblik met daarin allerlei voorwerpen die aan Mario hebben toebehoord. Een bril, een trouwring, een horloge, medailles en vooral veel foto’s. Uit deze foto’s blijkt dat Mario heeft deelgenomen aan, zoals het omschreven staat in een begeleidend boekje, ‘de heroïsche strijd van de troepen van het fascistische Italië die aan het Oostfront bezig zijn om onvergankelijke roem te vergaren in de strijd om de Europese beschaving’. Op alle groepsfoto’s zijn puntjes en kruisjes aangebracht. De puntjes staan voor de vermisten, de kruisjes voor de doden, de overigen leven nog.

    Er zijn vooral veel kruisjes. Er is ook een woordenboek met behulp waarvan contacten kunnen worden onderhouden met van het bolsjewistische juk bevrijde volkeren. Pietro onderneemt een reis naar Rusland, vliegt naar Moskou en reist van daaruit per bus door naar de oevers van de Don, waar hij weet dat zijn grootvader de ontberingen heeft ondergaan van de oorlog, de koude, het eindeloze lopen door de sneeuw en de krijgsgevangenschap. Pietro’s nieuwe Russische kennissen wijzen hem de plekken waar de verschrikkingen zich hebben afgespeeld en doen aan de hand van foto’s en tekeningen verslag van de gruwelijke wijze waarop Russische gevangenen werden terechtgesteld. Pietro maakt foto’s van een oud strijder, getooid met al zijn medailles en steunend op zijn krukken, de oorlog heeft hem een been gekost. Na een hartroerend afscheid van zijn nieuwe Russische vrienden en een vermoeiende thuisreis wacht Pietro een verrassing.

    Het is ongetwijfeld voor de beide vertalers Yond Boeke en Patty Krone geen gemakkelijke opgave geweest om de in het Italiaans gestelde prachtig vloeiende zinnen om te zetten in leesbaar Nederlands. Hoewel zij daar voortreffelijk in zijn geslaagd, gaat de tekst hier en daar toch gepaard met wat horten en stoten.

     

     

  • Spionageroman of een anti-Joodse dollemansrit

    Spionageroman of een anti-Joodse dollemansrit

    Stelt u zich voor: als lezer vliegt u in volle vaart door Umberto Eco’s labyrintische bibliotheek, die naar verluidt uit zo’n 30.000 werken bestaat. Op zeker moment botst u tegen een wand vol boeken en veroorzaakt een ‘omgevallen boekenkast’: een lawine van obscure, negentiende-eeuwse boeken over uiteenlopende (maar op Eco-esque wijze met elkaar verbonden) onderwerpen als garibaldiaans militarisme, de Tempeliers en vrijmetselarij, doofpotaffaires, zwendel en bedrog, luciferiaans occultisme, kabbalistiek, Judaïstiek, negentiende-eeuwse literatuur en krantenfeuilletons, imperialisme, (contra)spionage, jezuïeten, gastronomie, freudiaanse psychoanalyse, de Risorgimento (Italiaanse eenwording), Parijs ten tijde van ‘Les travaux haussmannien’ en nog veel meer fin de siècle-aangelegenheden. Il maestro heet u welkom in De begraafplaats van Praag!

    Parijs 1897, de 67-jarige Simon Simonini, overtuigd jodenhater, leidde een dubbelleven: hij was spion in dienst van Frankrijk, Pruisen en Rusland, en uitbater van een bric-à-brac winkeltje dat als dekmantel diende voor zijn activiteiten als geschriftvervalser. Op een dag vindt hij in zijn kamer een soutane, de ambtskleding van een geestelijke. Als hij in een belendende kamer een haastige krabbel ontdekt van een zekere abt Dalla Piccola, daagt bij Simonini het vermoeden dat hij en de abt één en dezelfde persoon zijn. Wat volgt, zijn de dagboekaantekeningen van de geschriftvervalser en de abt, die door het lezen van elkaars aantekeningen en het opschrijven van hun gedachten en herinneringen trachten te achterhalen wie ze zijn: de ene, of de andere dagboekschrijver?

    Spiegelbeeldig
    Een verhaal met twee vertellers die elkaars dubbelganger lijken te zijn en is er zelfs een semi-alwetende Verteller, die als een shakespeareaanse Puck de verhalen van Simonini en Dalla Piccola van commentaar voorziet en zich rechtstreeks tot het (lezers)publiek wendt.

    Uit de aantekeningen verneemt de lezer velerlei gebeurtenissen uit Simonini’s verleden, en blijkt waarom hij als oudgediende Piëmontese dubbelagent op latere leeftijd in Parijs woont. Dalla Piccola op zijn beurt leest Simonini’s notities en toetst die aan zijn eigen herinneringen. Op bijzonder geestige wijze laat Umberto Eco de twee elk voor zich omslachtige denkconstructies verzinnen en struikelen over hun eigen gedachten, alles om maar voor zichzelf aannemelijk te maken dat ze zijn wie ze denken dat ze zijn.

    Per saldo is de ‘ander’ een deels wezensvreemde afspiegeling van het eigen ik, dat lijdt aan een gespleten persoonlijkheid. Onder invloed van Freuds psychoanalyse was dit een belangrijk thema in de negentiende eeuw, ook in de literatuur. De stroming van de fantastische literatuur uit de Romantiek is doortrokken van de dubbelgangersthematiek, denk bijvoorbeeld aan Frankenstein, of Jekyll en Hide.

    ‘Een mystica is een hysterica die haar biechtvader eerder is tegengekomen dan haar arts.’ (Dokter Du Maurier in De begraafplaats van Praag).

    De persoonsverwisseling tussen Simonini en Dalla Piccola weerspiegelt in diverse andere personages: een aan hysterie lijdende patiënte die afwisselend in een ‘goede’ en een ‘slechte’ toestand verkeert, een man die onder een vrouwelijk pseudoniem publiceert, een abt die zich laat doodverklaren opdat hij een nieuw leven kan gaan leiden, twee collega-artsen die bijna identiek gekleed gaan en die omgekeerd gelijkluidende namen hebben, en zelfs is er een dubbelsituatie te herkennen in de gebeurtenissen in de bovengrondse straten en de ondergrondse riolen van Parijs. Het dubbelgeschrift dat Simonini en Dalla Piccola produceren, en dat de lezer om beurten te lezen krijgt, doet denken aan negentiende-eeuwse feuilletonverhalen in de krant, die dagelijks of wekelijks in losse delen verschenen en telkens eindigden met een cliffhanger.

    Deze thematiek van de ‘tweeling’ heeft Eco al eerder toegepast in zijn roman Het eiland van de vorige dag (1995), en geheugenverlies speelt een belangrijke rol in De mysterieuze vlam van koningin Loana (2005). Vrijmetselarij en kabbalistiek zijn de steunpilaren in De slinger van Foucault (1989) en zo bundelt de auteur in zijn nieuwste roman de belangrijkste thema’s uit zijn eigen (narratieve) oeuvre.

    Verwijzingen en bronnen
    De begraafplaats van Praag staat bol van de (literaire) verwijzingen, van werkelijk bestaande kranten, boeken en auteurs tot woord- en taalspelletjes. Zo lijkt de naam van abt Dalla Piccola rechtstreeks te verwijzen naar Pico della Mirandola, die in de vijftiende eeuw de Joodse mystiek in Italië grotere bekendheid gaf.

    Voor de lezer die zich aan ‘kabbalistieke’ woordkunst wil bezondigen, valt in de naam van Simonini ook een aardigheidje te ontdekken. Het is een medeklinker-omkeerwoord:
    SiMoNiNi wordt aldus aNoNyMuS. Of Umberto Eco deze verborgen betekenis in de naam heeft willen leggen, is niet bekend; wel weten we dat Simonini’s grootvader zijn kleinzoon heeft laten vernoemen naar de heilige Simon van Trente, een martelaar die door Joden was afgeslacht.

    ‘Mijn grootvader was een vondeling. In die tijd gaf men zulke kinderen vaak standaardnamen als “Esposito” (buitengeslotene, of juist van deze plaats) of “Dieudonné” (Godsgeschenk). Niemand vroeg zich bij de naam van mijn grootvader echter af wat dat rare “Eco” betekende. Welnu, op een zeventiende-eeuwse lijst van jezuïtische uitdrukkingen, bedoeld om vondelingen van een naam te voorzien, kwam “Ex Coelis Oblatus” voor: door de hemel geschonken. Mijn naam is aldus een Latijns acroniem en een herinnering aan die oude traditie.’ (Umberto Eco)

    Als enig fictief personage doolt Simonini rond door het verleden, en beïnvloedt er gebeurtenissen die werkelijk hebben plaatsgevonden. Zo schiet hij in de roman de Franse satiricus Maurice Joly neer, terwijl die in het echte leven zelfmoord pleegde. Saillant detail daarbij is dat Umberto Eco zijn protagonist zo tot Joly’s moordenaar maakt, uitgerekend de auteur van het geschrift Dialogue aux enfers entre Machiavel et Montesquieu (De Dialoog in de Hel tussen Machiavelli en Montesquieu), waarvan fragmenten volgens de overlevering als bronmateriaal dienden voor de ‘Protocollen van de wijzen van Sion’. En met dat geschrift zijn we aangeland bij de kern van de roman, en bij Simonini als geschriftvervalser. ‘De Protocollen’ was een fictieve beschrijving van een bijeenkomst in 1897 van joodse leiders, die de christelijke maatschappij omver zouden willen werpen, en die een joodse wereldheerschappij zouden nastreven. Op sublieme wijze speelt Eco met dit gegeven, en rekent hij genadeloos af ? niet met de immorele Simonini, maar met Joly, wiens werk de inspiratiebron was voor latere generaties antisemieten in hun strijd tegen het ‘joodse gevaar’.

    ‘Om de wet vakkundig te kunnen dienen, moet je die eerst hebben overtreden.’ (Pjotr Rachkovsky in De begraafplaats van Praag).

    Anti- of pro-Joods sentiment?
    Met de Protocollen, vrijmetselarij en de Joden is de triade waarop Eco’s roman gegrondvest is compleet, en is er een mise-en-scène gecreëerd voor de rabbijnse gebeurtenissen op de oude Joodse begraafplaats van Praag. Vanaf het eerste begin van de roman verbindt Simonini aan het Joodse volk een stigma van ‘gevaar voor de mondiale samenleving’:

    ‘Het enige wat ik over de Joden weet, is wat mijn grootvader me heeft geleerd: ? Ze zijn het atheïstische volk bij uitstek, zei hij. Ze gaan uit van de visie dat het goede híer verwezenlijkt dient te worden, en niet aan gene zijde van het graf. En dientengevolge zetten ze zich uitsluitend in voor de verovering van déze wereld.’

    Op subtiel-karikaturale wijze krijgen de Joden vervolgens van alle ellende in de wereld de schuld: ze kwamen naar de steden om zich te verrijken; Joden herken je aan hun stank; Joden zijn bedriegers, een femelachtig, smerig volkje; Joden doden christenjongens om met het bloed hun ongezuurde brood te besmeren; om de christenen in het verderf te storten, hebben de Joden de vrijmetselaars in het leven geroepen; Joden zijn kapitalisten; het percentage zedeloze vrouwen onder Joden was hoger dan onder christenen, vandaar dat Jezus waar hij ook gaat uitsluitend zondaressen tegenkomt; misdaden die door Joden worden begaan zijn het ergst, zoals afzetterij, valsheid in geschrifte, woeker, frauduleus faillissement, smokkel, valsemunterij, omkoping, handelsfraude, om van de rest maar te zwijgen; (enzovoorts). Het is zo gek niet te bedenken of men kan voor het onheilseffect van willekeurig welke zaken met een beschuldigende vinger naar de Joden wijzen.
    ‘Ze zeggen dat arts een van de meest voorkomende beroepen is onder Joden, net als woekeraar. Kortom, je kunt maar beter nooit in geldnood raken en nooit ziek worden.’ (Simone Simonini in De begraafplaats van Praag)

    Naast veel positieve literaire kritieken in Italië hebben vooral Vaticaans-gezinde media met terughoudendheid of afkeer op de roman gereageerd. De roman zou immoreel zijn, en aanzetten tot verhevigde antisemitische standpunten ten aanzien van de Joodse gemeenschap. Vanuit een kerkelijk standpunt wekt het geen bevreemding dat men afkerig staat tegenover een boek waarin naast jodenhaat ook satanisme een niet geringe rol speelt. Maar zét het boek werkelijk aan tot een hetze tegen de Joden?

    Vertrouwen stellend in de weldenkendheid van Eco’s lezerspubliek, zou je eerder geneigd zijn aan te nemen dat de huidige generatie, zonder dat ze er zelfs maar over na hoeft te denken, de smadelijke laster over de Joden onmiddellijk afdoet als grove, leugenachtige onzin; sterker nog, de grofheden wekken juist gevoelens van sympathie op en houden de lezer een spiegel voor: beelden van de Tweede Wereldoorlog dringen zich op en doen ons weer eens inzien dat de verschrikkingen die miljoenen Joden overkomen zijn, volstrekt onaanvaardbaar en onmenselijk waren.

    Deze cognitieve omkering is een slim literair stijlmiddel: een negatieve connotatie verandert in een gunstige gevoelswaarde ofwel men zegt het tegenovergestelde van wat men bedoelt waarbij de nodige spot en cynisme gebruikt worden. De scène waarin de Joodse officier Alfred Dreyfus vanwege hoogverraad (ten onrechte, zoals in werkelijkheid later bleek) wordt gedegradeerd en afgevoerd naar de gevangenis op Duivelseiland, is een gedenkwaardige metafoor voor de Holocaust:
    ‘Wat ligt er in de ziel van deze man besloten? Aan wat voor drijfveren gehoorzaamt hij als hij op deze manier, met de moed der wanhoop, zijn onschuld uitschreeuwt? Hoopt hij wellicht de publieke opinie te beïnvloeden, twijfel te zaaien, of argwaan te doen rijzen met betrekking tot de eerlijkheid van de rechters die hem veroordeeld hebben? Helder als een bliksemflits komt er een gedachte bij ons op: als hij niet schuldig was, wat zou dit dan een vreselijke kwelling zijn!’

    Occultisme
    Nauw gerelateerd aan de vrijmetselarij is het occulte, dat zeker in het laatste deel van de roman een prominente plek krijgt. Eco zou Eco niet zijn als hij dit onderwerp niet op welhaast diabolische wijze zou koppelen aan een niet te stuiten stortvloed van negentiende-eeuwse literatuur over het toen in bepaalde kringen zeer populaire satanisme; de lezer klampt zich stevig vast tijdens de dollemansrit door sinistere spelonken en wordt overvoerd door een overkill aan informatie die vooral ’s mans schier oneindige kennis (lees: de omvang van zijn bibliotheek) tot eer strekt.

    Autobiografische elementen
    Hoewel de roman in de eerste persoon is geschreven, veelal bij monde van Simonini, doet zich nergens het valse sentiment gevoelen dat de auteur zich rechtstreeks tot de lezer richt. Wel lijkt dit het geval in een paar passages aan het eind van de roman, waar Eco de lezer iets lijkt te willen tonen uit de dagelijkse werkelijkheid van een schrijver op leeftijd. Ontroerend is ook de volgende bekentenis van Simonini, want bij lezing bekruipt de lezer de gedachte dat Eco hiermee lijkt te willen zeggen dat De begraafplaats van Praag zijn laatste roman is, een literair testament:‘Het is vreemd, maar het is net alsof ik heimwee heb naar de Joden. Ik mis ze. Vanaf mijn vroegste jeugd heb ik, ik zou bijna zeggen steen voor steen, aan mijn eigen Praagse begraafplaats gebouwd, en het is nu net of Golovinski ermee vandoor is.’

    In een epiloog, ‘Nutteloze erudiete toelichting’ verantwoordt de Verteller (uiteraard niemand anders is dan Umberto Eco zelf) zich aangaande het gebruik van bijna uitsluitend aan het werkelijke leven ontleende personages, en geeft hij een summiere uitleg over narratieve kunstgrepen waarvan de schrijver zich bediend heeft, zoals het verschil tussen ‘story’ en ‘plot’. Eco’s eruditie is zelden nutteloos, een feit waarvan hijzelf maar al te goed doordrongen zal zijn. Het is te hopen dat ‘story’ en ‘plot’ van een schrijver op leeftijd ons in de echte wereld genadig zijn, en dat we over enkele jaren nóg een roman van de hand van de meester mogen verwelkomen.

    Los van de vraag of De begraafplaats van Praag een meesterlijke spionageroman is of een anti-Joodse dollemansrit, blijven Eco’s eruditie en welsprekendheid van uitzonderlijke klasse. Gaat u stevig zitten, lezer, treed binnen in een tijdperk waarin men elkaar nog met ‘u’ aansprak, en laat u eens lekker onder die letterenlawine bedelven.