• Oogst week 41 – 2025

    Verblijf

    Deze veelgeprezen bundel is het debuut van psychiater en dichter Yasmin Namavar, die haar wortels in Iran heeft liggen. Hoewel haar afkomst niet nadrukkelijk voorop staat, speelt die wel een rol in haar zoektocht naar waar je voorgoed verblijven kunt. Omdat ze desondanks weet dat alles slechts tijdelijk is, onderzoekt ze de diverse mogelijkheden van verblijven: in je lichaam, in het verleden, maar vooral in de taal. Dat levert prachtige en vooral spannende poëzie op omdat verblijf en veiligheid nooit samen lijken te gaan.

    Het verleden van haar ouders wordt afgezet tegen haar eigen heden in zintuigelijke, voluptueuze taal, weelderig en wulps. Zo probeert ze twee werelden te verenigen in haar leven die beide deel uitmaken van haar identiteit, zonder de ene boven de andere te laten uitstijgen. Identiteit als ‘een jas die je nooit meer hoeft uit te doen’. De gedichten van Yasmin Namavar onttrekken zich aan elke vergelijking en breken met alle hedendaagse trends. Haar zinderende poëzie reikt verder dan Nederland of Iran: het is vooral een zoektocht naar vrede met en in zichzelf, die ze gevonden lijkt te hebben in een modus vivendi die van twee delen één geheel maakt.

    ‘Ik trek een lange jas aan, veel te groot en draag hem zesentwintig jaar, sleep hem over keien, bergpassen, door bossen sleep hem door het gangpad van een drukke tram als het regent loopt mijn capuchon vol, mijn haar in een knot, nat op mijn hoofd hier groeit mijn eigen gelijk, een maretak verstikt zichzelf nooit de jas wordt een verhaal, een altaar, een gotspe, een bos dat aan mijn lippen staat het bos is hout mijn plek is groen op een zonnige dag in maart (en het lijkt wel mei), overal de geur van reukgras ga ik weer links en werp mijn jas af mijn lichaam een vondeling in het bos wacht op een nieuwe kledingstuk, vel na vel bladder ik af iets om aan te kleven is er niet’

     

    Verblijf
    Auteur: Yasmin Namavar
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    De tijd is puin, De tijd is hoop (bloemlezing)

    Stichting Poetry International bestaat dit jaar vijfenvijftig jaar. Dichters, vertalers en poëzieliefhebbers komen al even lang bijeen op het Festival dat jaarlijks in juni in Rotterdam georganiseerd wordt. Vijfendertig dichters uit binnen- en buitenland worden daar uitgenodigd om hun werk te laten horen. Ter ere van dit jubileum is er een bundel uitgebracht met bijdragen van zeventien dichters uit vijftien verschillende landen, die in de originele taal te lezen zijn, maar ook in een vertaling naar het Nederlands en het Engels. De Nederlandse poëzie wordt vertegenwoordigd door Ramsey Nasr, Derek Otte (uit wiens gedicht De Tijd de titel voor de bundel werd gekozen) en Ilja Leonard Pfeijffer.

    Andere Nederlandstalige gedichten zijn van Astrid Roemer uit Suriname en Tom Lanoye uit België. Maar ook dichters uit Oekraïne, Liberia en Barbados komen aan het woord, bekende en onbekende, luchtige en zwaarmoedige, zoals ook de titel aangeeft. In het voorwoord wordt vermeld dat deze bundel alles ‘weerspiegelt […] waar Poetry International voor staat’ en waar ze ook in de toekomst voor blijft staan. Extra aandacht zou wel mogen uitgaan naar de vertalers van elke gedicht, van wie enkelen zelf ook dichter zijn, zoals Jabik Veenbaas en Babeth Fonchie Fotchind, maar ook Ton Naaijkens, Lisa Thunnissen en Ingrid Degraeve. Zonder hen hadden we het meeste van al dit moois niet kunnen lezen. Zoals dit fragment uit het lange gedicht ‘Toen het voorbij was’ van Ljoeba Jakymtsjoek (Oekraïne), vertaald door Eric Metz.

    ‘hier hollen kinderen rond die opgroeiden zonder stroom
    ze groeiden op in de vochtige schuilkelders van scholen en flatgebouwen
    en nodeloos zijn pathetische frasen zoals dat kinderen bloemen zijn
    want de kamerplanten gingen dood tijdens de winteravonden
    zonder warmte, zonder licht, zonder toezicht
    maar onze kinderen leerden te groeien onder beton en in de diepte
    ze leerden te leven in gangen en in badkuipen’

     

     

    De tijd is puin, De tijd is hoop (bloemlezing)
    Auteur: 55 jaar Poetry International
    Uitgeverij: Koppernik

    Er hangt iets van lente in de klas…

    Een aanrader voor iedereen die iets met het onderwijs te maken heeft (gehad), deze dikke bloemlezing van meer dan 900 gedichten over leraren, leerlingen, huiswerk, pesten, spijbelen, schoolverlaters, strafwerk, examenstress en veel meer! Het schoolleven biedt rijke stof voor dichters. Ze nemen je mee in de onderwijsgeschiedenis vanaf de middeleeuwen tot nu, met gedichten en liedteksten uit Nederland, Vlaanderen, Suriname en de Nederlandse Antillen. De onderwijsgedichten brengen je in een oogwenk terug in je eigen klas, op het schoolplein, in de gymzaal, bij je schoolvrienden, bij de gepeste leerling of het piepende krijtje. Ze roepen ook herinneringen op aan de leraar die zó kon vertellen dat Willem van Oranje ieder moment kon binnenlopen. En aan de gymleraar die je zo trots maakte omdat je nu wél de kastsprong kon maken of aan de leraar voor wie je met genoegen steeds weer rijtjes Engelse woorden leerde.

    Pijn, eenzaamheid, verdriet, spijt, maar ook vrolijkheid, trots en dankbaarheid, alle emoties met betrekking tot het schoolleven komen voorbij in deze gedichten. Henk Sissing en Theo Magito brachten al in 2011 de bloemlezing Soms moet het werkelijk even stil zijn uit, maar deze nieuwe bundel overtreft de vorige in opzet en omvang. De gedichten zijn niet alleen van bekende, maar ook van veel tot nog toe onbekende dichters. Bovendien zijn er meer gedichten uit het laatste decennium opgenomen. Zoals het mooie gedicht van Paul Bezembinder over dichter en leraar klassieke talen J. H. Leopold:

    Dichterschap
    Hij gaf verdwenen talen. Aan een school
    in Rotterdam. Daaruit ontstond misschien
    die diepe eenzaamheid die in hem school,
    de angst dat iemand hem zou willen zien
    om wie hij was, – om wie hij had te zijn,
    een fluisteraar van oude stemmen zacht
    die zich in peppels om de woning klein
    verstopten voor de stiltes van de nacht.

     

     

    Er hangt iets van lente in de klas...
    Auteur: onder redactie van : Henk Sissing en Theo Magito
    Uitgeverij: Noordboek
  • Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Wanneer je gezond bent, zul je niet snel een bundel over ziek zijn oppakken. Toch leeft meer dan de helft van de wereldbevolking met een chronische aandoening. Lezen over hun ervaringen in deze nieuwe bundel opent de ogen. Over ziek zijn is vernoemd naar het essay On Being Ill, dat Virginia Woolf honderd jaar geleden schreef. Zij verbaasde zich er toen al over dat ziekte zelden een hoofdthema is in de literatuur — in tegenstelling tot onderwerpen als liefde, macht, strijd en jaloezie. En dat is nog steeds zo: boeken waarin ziekte centraal staat, zijn schaars.

    Susan Sontag schreef in Illness as Metaphor (1978) over kanker en tuberculose. Thomas Mann behandelde tuberculose in zijn werk, Hanna Bervoets publiceerde de roman Welkom in het rijk der zieken (2021) over chronisch ziek zijn en nooit meer beter worden. Maar verder blijft het verrassend stil.

    Gezondheid is niet vanzelfsprekend

    De coronapandemie zorgde voor hernieuwde aandacht voor de impact van chronisch ziek zijn. In 2020 gaf uitgeverij HetMoet het essay van Woolf opnieuw uit, samen met twee hedendaagse essays van Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld. Inmiddels zijn we, vijf jaar later, alweer gewend aan een wereld waarin gezondheid vanzelfsprekend lijkt. Deze nieuwe bundel herinnert ons aan het belang van het thema en bevat twaalf essays van auteurs die zelf leven met een chronische aandoening.

    Virginia Woolf opent deze bundel opnieuw met haar essay. Een uitdagende start die concentratie vereist. Woolf kampte met uiteenlopende gezondheidsklachten — koorts, flauwvallen, hevige hoofdpijn, slapeloosheid en manisch-depressieve periodes. Haar essay leest als een hallucinatie, een koortsdroom waarin ze allerlei onderwerpen aanraakt. Ze gebruikt haar bekende stream of consciousness-stijl: associatief en rijk aan meanderende metaforen.

    Nadia de Vries reageert op Woolf met een essay dat eveneens aanvoelt als een koortsdroom, maar met heldere beelden en subtiele humor. ‘In de tram probeert een man mee te kijken op mijn telefoon. Om hem af te schrikken zet ik een filmpje van een hoornvliestransplantatie aan, waarop hij, de lafaard, gauw wegkijkt.’

    Michaël van Remoortere schrijft een filosofische tekst over zijn ziekte, waar hij eigenlijk niet over wíl schrijven. In ‘Geschiedenis van mijn waanzin’ reflecteert hij op ziekte en waanzin, geïnspireerd door Woolf en Sontag. Zijn conclusie: niet de mens is waanzinnig, maar de samenleving. De mens is juist het toonbeeld van gezond verstand.

    In ‘Gister fietste ze nog naar de bakker’ schetst Jan van Mersbergen een ontroerend portret van zijn moeder, die zichzelf volledig wegcijferde in haar werk en zorg voor anderen. Zelfs met een lichaam dat was verwrongen van de pijn, bleef ze doorgaan — tot ze er letterlijk bij neerviel.

    Stef Hulskamp schrijft over zichzelf als dakloze man met kanker. In korte, soms onaffe zinnen, vaak zonder leestekens. Daar waar hij weglaat komt de boodschap sterk binnen. Zijn besef dat liefde en vaderschap aan hem voorbijgaan, snijdt diep. Zijn conclusie: ‘Nooit ziek worden als je arm bent, is het niet waard.’

    Alexandra Phillipa onderzoekt in ‘Over ziekte en wachten’ het langdurige wachten dat ziek zijn met zich meebrengt. Wat doet ziekte met je? Welke gradaties van pijn zijn er? Hoe bepalend is taal om pijn uit te drukken. Hoe uit een baby die pijn heeft zich? En: ‘Hoe zou een zieke het verhaal van wachten moeten vertellen als het plotloos is.’

    ‘Panter’ van Marijn Sikken is een prachtige metafoor voor iemand die opgroeit in ‘een kooi van een chronische ziekte. (…) Net als een dier in de dierentuin betekent een chronische ziekte, tot op zekere hoogte, bestaan bij andermans gratie.’

    Maureen Ghazal wilde schrijver worden en ontwikkelde ‘zitvlees’. Zo extreem zelfs, dat ze door stekende pijn in haar bekken op een gegeven moment letterlijk niet meer kon zitten. Ze vond andere manieren om met haar situatie om te gaan – bijvoorbeeld via verbeelding. Ze accepteert haar lot, wat een teken van grote veerkracht is.

    Bewustzijn

    Virginia Woolf schreef over de ‘staanders’: degenen die gezond zijn, vechten en proza lezen. De ‘liggers’ daarentegen zijn de deserteurs, ze hebben hun wapens in stilte neergelegd. Ze lezen poëzie. Susan Sontag beschrijft twee koninkrijken, ‘het koninkrijk der gezonden’ en ‘het koninkrijk der zieken’. Twee werelden die onafgebroken naast elkaar voorkomen, waarmee het eeuwige wachten, de chronische pijn, het energie-lek, frustrerende politieke systemen, schaamte en zwijgen over pijn door de ‘staanders’ nauwelijks wordt opgemerkt. Ze beseffen niet wat chronisch ziek zijn betekent en nemen hun eigen leven voor lief. Terwijl de ‘liggers’ mede overleven dankzij acceptatie van hun lot, de betrokkenheid van geliefden en gevoelige zintuigen een veel dieper besef hebben dat ondanks hun ziekte het leven een verrijking kan zijn. Ze hebben een sterk bewustzijn dat ze leven.

    Dat het thema ziek zijn meer aandacht zou mogen hebben in de literatuur, maar ook in het dagelijks leven, staat buiten kijf. ‘Je moet in gesprek blijven met jezelf en met anderen. Het is belangrijk verbindingen te leggen en daarin vrijheid te vinden.’ Aldus Elte Rauch in het voorwoord. Over ziek zijn is een geslaagde bundel met twaalf verhalen die het thema van vele kanten belicht en een helder en empathisch licht werpt op leven met een chronische aandoening.