• De dictatuur van de nuance

    De dictatuur van de nuance

    Een effectief middel om een boek in het collectieve geheugen te verankeren, is de onheilstijding. Een voorwaarde voor canonisering is dat de onwenselijke toekomst – of abstracter: het Kwaad – het Goede serieus bedreigt. Hierom zijn de dystopieën 1984, Brave New World en Wij, geschreven door respectievelijk George Orwell, Aldous Huxley en Jevgeni Zamjatin onomstreden meesterwerken. Zij schetsten een monoculturele, beklemmende maatschappij waaraan niet te ontkomen valt, tenzij je het als vrijdenker met de dood bekoopt. Bovendien bekruipt de lezer de angst dat de totalitaire staat weleens bewaarheid zou kunnen worden.

    Wouter Godijn stuurt met Karina of De ondergang van Nederland aan op een polderdystopie. Alle inhoudelijke ingrediënten zijn aanwezig om het publiek te boeien. In 2031 dreigt een onafwendbare klimaatcatastrofe en een extreem-rechtse radicalisering van de westerse wereld. Toch gaat dit boek meer over een liefdesgeschiedenis met Karina dan over de ondergang van Nederland, waarop Godijn aanvankelijk met veel bombarie anticipeert. Hij schrijft weliswaar luchtig en toegankelijk, speelt intelligent met het spanningsveld tussen fictie en werkelijkheid, maar biedt een zwak tegengif tegen verrechtsing en klimaatontkenning. 

    Heks en heilige

    De romantische (want: onvervulde) liefde van de ik-persoon voor Karina is een boek op zich waard. In de passages over zijn liefdesleven vermengt Godijn bittere ernst met speelse gelatenheid. Dat hij aan MS lijdt, betekent de doodsteek voor hun toch al teleurstellende huwelijk. ‘Haar blik was neutraal geworden. Een overleggen-over-de-boodschappen-achtige blik.’ Ze hebben geen seks meer, zoon Robbie zondert zich af en Karina begint een relatie met de sukkelige Willie, die op Alexander Pechtold lijkt. De hoofdpersoon plaatst Karina vanaf het begin op een voetstuk. ‘Er was iets in me aanwezig,  (…) wat de neiging had in een gedienstig, kelnerachtig type te veranderen. Of in een butler, een en al zelfopoffering.’ Vóór hun eerste kus op een zomerkamp randt ene Thomas Karina twee keer aan. De protagonist is blij met deze actie, want doordat Karina van zich afbijt, concludeert de ik-persoon dat Thomas haar tiep niet is. Hij is, kortom, van Thomas’ concurrentie verlost. 

    Wat we over Karina te weten komen, is dat zij een goeie kont heeft, uitdagend kijkt en voortanden mist. Kennelijk zijn haar ideeën niet interessant in zijn eerbetoon. ‘Ze betoogt iets, maar ik ben alweer een hele lap tekst kwijt.’ Om eventuele kritiek vanuit links-feministische hoek over de male gaze te pareren, schampert de verteller, ‘Maar het omgekeerde – dat vrouwen zich altijd weer verdringen rond Adonis – heeft nog nooit tot maatschappelijke verontwaardiging geleid. (…) Als je het zonder Brad Pitt-achtigheden moet stellen, sta je direct op achterstand.’ En die achterstand haalt de ik-persoon nooit in want Karina is sterker, daadkrachtiger dan hij. Ook na de bevalling, als volwassenheid nodig is, bepaalt zij de regie. Ze brengt meer geld in het laatje, spoort manlief aan hetzelfde te doen en laat haar gebit bijwerken. ‘Het enige uit haar oude leven waar ze nog niets aan had gedaan – was ik.’ Steeds constateert de hoofdpersoon ironisch dat hij niets is zonder zijn godin. Door innerlijke monologen als deze maakt ironie echter plaats voor werkelijke zelfverloochening: ‘ik wil je slaaf zijn, (…) ontmenst worden en veranderen in een zweetdruppel, fonkelend en doorzichtig als glas, die trilt in het kuiltje in je rug, tot hij terugzakt in je huid en joujoujou wordt.’ 

    Gulden middenweg of grauwe middenmoot

    Waar de ik-figuur de liefde van zijn leven verafgoodt, fileert hij andere vrouwen in dit boek. Behalve zijn moeder. Maar, zo stelt de hoofdpersoon baldadig vast, dat mag hij vinden. Niet voor niets trapt Godijn af met een motto over de vrijheid van meningsuiting, nota bene verwijzend naar het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Als voorvechter van het vrije woord zal hij even duidelijk maken waar het nou mís is gegaan in de mondiale politiek. Waarom vallen mensen massaal voor de verleiding van totalitaire staten ten koste van de democratie, zoals in de Verenigde Staten? Omdat de Democraten met een mateloos irritant wijf kwamen aanzetten dat alleen maar wilde deugen. ‘Het type feministe dat komkommers, courgettes en bananen uit de groenteafdeling wil verbannen. Dat vindt dat er een verbod moet komen, voor mannen, om staand te urineren – ‘‘omdat dit bij de man een vrouwvijandige fixatie op het eigen geslachtsdeel stimuleert’’. (…) Sharon Usher was zo’n vrouw die bij elke man, hoe positief hij ook tegenover vrouwenemancipatie staat, een vlaag misselijkheid opwekt zodra hij zich voorstelt dat hij seks met haar heeft.’ Vrij vertaald: natuurlijk zijn rechtse dictators hartstikke gevaarlijk, maar zijn die linkse, niet-neukbare, munttheedrinkende potten dan zo veel beter?

    Nu de ideeënarmoede in de politiek hoogtij viert, mede dankzij een Nederlandse premier die de woorden ‘vies’ en ‘visie’ niet uit elkaar kan houden, mag er meer verwacht worden van intelligentsia. Wouter Godijns bijdrage aan het maatschappelijke debat is schraal. Hij provoceert meer dan dat hij promoveert: sterke vrouwen zijn leeghoofdige talkshowpresentatrices, hysterische soapsterretjes én meedogenloos; lesbiennes hebben dikke benen en forse prammen; Chinezen worden ‘spleetoog’ genoemd; vrouwen hebben geen benul van hun betoverende kracht op het mannelijke geslacht; minderheden moeten gewoon kappen met hun malle tradities en stoppen een verongelijkt kind te zijn. Karina of De ondergang van Nederland had een revolutionair boek kunnen worden dat serieus de fundamenten van nieuwrechts doet wankelen. Nu is het voornamelijk een spreekbuis van het ‘redelijk’ midden. Het redelijk midden, dat geweld richting Kick Out Zwarte Piet weliswaar afkeurt, maar de activisten oproept even gezellig te blijven doen. Dat milieu belangrijk vindt, maar wel wil kunnen blijven barbecueën zonder moeilijk gezeik. Dat zich van neonazi’s distantieert, maar ook niets opheeft met de politiekcorrecte LHBTIQ+-ers en Black Lives Matter. Het redelijk midden vraagt niet om een verandering van de status quo, maar om voortgang van een ten diepste verrotte samenleving.

    Dystopie blijkt preek

    De belofte van een prikkelende ideeënroman met dystopisch karakter lost Karina of De ondergang van Nederland niet in. De urgentie neemt zienderogen af, zeker als het stijgende zeewater ook wel mee blijkt te vallen. Gelukkig barst het boek van stilistische hoogstandjes. Zo heeft de eerder genoemde Willie de handdruk van een ijsbeertje, zegt de ik-persoon dat de woorden in mannelijke taal ‘stuk voor stuk een leren jackje aankrijgen’ en schudt hij de lezer herhaaldelijk wakker met apostrofes: ‘Hallo, lieve lezer, ben je daar nog?’ Jazeker, de lezer is er nog, want die wacht met smart op de ware opvatting van de schrijver, zónder de makkelijke buutvrij van ‘ironisch grapje’. Vanuit het Redelijke Midden neemt Godijn iedereen even veel de maat, gelijk een dominee die compromisloze nuance predikt en zo de waarheid de nek omdraait. Daardoor wordt dit verhaal net zo asgrauw als de wolken die zich samenpakken boven Nederland.

     

     

  • Klassiek verhaal in populaire genres gebracht

    Klassiek verhaal in populaire genres gebracht

    Wouter Godijn, vooral bekend als stilistisch dichter, neemt in het hedendaagse Nederlandse literaire landschap een unieke plaats in. Voor zijn dichtwerk won hij de Jan-Campert-prijs, maar ook als prozaïst kan hij niet ontkennen van nature een begenadigd poëet te zijn. Zijn roman Hoe ik een beroemde Nederlander werd haalde in 2012 de shortlist van de AKO literatuurprijs. Met zijn nieuwe roman De kamer waar alle verhalen beginnen pakt hij opnieuw uit met een geheel eigen stijl die de grenzen van diverse literaire genres exploreert.

    Stilistisch huzarenstukje

    Godijn begint met een motto van Edgar Allan Poe dat gelijk het gehele boek omvat: ‘All that we see or seem is but a dream within a dream’. Vanaf dat moment wordt de lezer geconfronteerd met drie slaapkamerscènes en drie lange dromen. Een redacteur van drieënzestig staat op het punt naar bed te gaan, misschien wel voor de laatste keer, want hij voelt zich niet goed. Hij klaagt over het feit dat literatuur niet meer is wat het ooit was. Hij dient zich op de redactie enkel nog bezig te houden met de populaire lectuur van fantasy, thrillers en sciencefictionverhalen en hij is het (leven) moe. Wat volgt is een waar stilistisch huzarenstukje. In drie lange dromen en met een knipoog naar de door de redacteur zo verguisde genres, ontwikkelt Godijn met heel veel taalgevoel een uniek portret van een tragische en verziekte familiegeschiedenis. Een gezin met een te vroeg gestorven vader, een depressieve moeder en de incestrelatie tussen broer en zus komt terug in de drie dromen, die telkens in een andere stijl worden geschreven. Door de donkere verhalen heen kan de lezer de zwarte familiegeschiedenis van de redacteur en zijn tragische evolutie ontdekken.

    Therapieën

    De redacteur probeert in het reine te komen met zijn verleden. Verschillende therapieën en behandelingen bleken nutteloos en de zus verdween noodgedwongen uit zijn leven. In de drie dromen onderneemt de jongen/man telkens een zoektocht naar de verdwenen zus. De eerste is een fantasy-verhaal met een hoog Game of Thrones-gehalte. Bij thuiskomst van jagende mannen blijkt het kasteel Droomredeom verwoest en geplunderd en vrouwen en kinderen zijn verdwenen. Wat volgt is een achtervolging op zoek naar de moeder en de zus met bloederige afloop.

    De naam van het kasteel is een omkering van het woord ‘moedermoord’, een verwijzing naar zijn eigen verleden. De moeder van de redacteur werd depressief omdat haar zoon niet te behandelen was en pleegde uiteindelijk zelfmoord. Hij ontdekte haar, hangend aan de trap. De tweede droom is een ware thriller. De zaak van de verdwenen zus eindigt net als het eerste verhaal tragisch en opnieuw speelt de man zelf een hoofdrol. Hij leert dat het leven an sich niets waard is en dat de dood het ultieme geluk betekent.

    Het laatste verhaal speelt in een futuristische, maar desolate wereld waarbij broer en zus het huis verlaten op zoek naar betere oorden. Zus gaat plots mee met een groep die rondtrekt en hij verliest haar uit het oog. Een zoektocht zonder einde is het vervolg. De drie dromen werken als een soort therapie voor de redacteur, maar net als vroeger, brengen ze weinig soelaas. In een allerlaatste droom komen engelen hem halen. Hij krijgt als toetje nog een vierde droom. Daarin komt hij tot besef van zijn zonde en is hij klaar (om te sterven?!).

    Taalvirtuoos

    De taal die Godijn hanteert is op zijn minst poëtisch te noemen. Bijwijlen zoekt hij het ver en bemoeilijken zijn ingewikkelde constructies en lange zinnen een vlotte lezing. Hij gebruikt veel stijlfiguren als synesthesieën, maar vooral ook tegenstellingen en oxymorons, als wil hij laten zien dat er voor elke negatief element ook iets positiefs bestaat. Of misschien wil hij hiermee aanduiden dat niets is wat het lijkt, een expliciete verwijzing naar het motto van Poe.

    Eenmaal aan de stijl gewend, staat de lezer verbaasd van de virtuositeit die aan de pen van Godijn ontspringt. Deze stijl, gecombineerd met de tragische inhoud, zorgt voor een onrustig gevoel, waarbij de lezer telkens uit zijn comfortzone wordt getrokken. Gelukkig wordt dit goed gemaakt door de vele humoristische knipogen en sarcastische reminiscenties aan onze hedendaagse maatschappij. Knap hoe de auteur een klassiek verhaal vertelt aan de hand van enkele populaire genres, alsof hij daarmee wil aantonen dat ook deze deel geworden zijn van de echte literatuur en als referentiekader kunnen dienen voor het leven. Maar natuurlijk ‘Literatuur is nergens goed voor… Niets is ergens goed voor’, zo relativeert Godijn opnieuw elke these.

     

  • Oogst week 17 – 2019

    Het beroep van mijn vader

    Deze week uit elk boek een klein citaat. Te beginnen bij Het beroep van mijn vader, de nieuwe roman van de Franse journalist en schrijver Sorj Chalandon (Tunis, 1952).

    Hij begint als volgt:

    ‘Zaterdag 23 april 2011

    We waren maar met z’n tweeën, mijn moeder en ik. Toen het karretje met daarop de doodskist van mijn vader werd binnengereden, moest ik aan een serveerwagentje in een restaurant denken. De lijkdragers waren met zijn drieën. Vale gezichten, zwarte jassen, slecht geknoopte dassen, te korte broeken, witte sokken en slappe schoenen. Ze hadden niets plechtigs of ernstigs, wisten met hun blik en hun handen geen raad. Ik verjoeg een glimlach. Mijn vader zou worden afgevoerd door uitsmijters van een nachtclub.’

    Chalandon had geen gemakkelijke vader. In Het beroep van mijn vader, zijn meest autobiografische roman, stelt hij de vraag hoe je je als kind het beste kunt wapenen tegen de uitbarstingen van een paranoïde vader.
    Hij schreef het na de dood van zijn vader.

    Het beroep van mijn vader
    Auteur: Sorj Chalandon
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De kamer waar alle verhalen beginnen

    De kamer waar alle verhalen beginnen van Wouter Godijn (1955) gaat over een redacteur van thrillers, fantasy en sciencefiction die zo door zijn werk in beslag is genomen dat hij ervan droomt. Opvallend is dat hij droomt in de stijl van die genres, en de inhoud van de dromen is te herleiden tot de trauma’s die hij opliep in zijn eigen jeugd.

    Het boek begint als volgt:

    ‘De redacteur was zich aan het uitkleden. Zijn pantalon, als hij hem aanhad een nogal intimiderend kledingstuk, glanzend blauw als de avondhemel vlak voor het écht donker wordt, lag al in een enigszins ambivalente houding, een kruising tussen een prop en netjes opgevouwen, op een parmantig stoeltje niet ver van zijn bed. Hij stond voor een smalle, langgerekte spiegel, waar hij niet in keek en tegelijk wel, en knoopte zijn wit-lichtblauw gestreepte overhemd dat nu een beetje op een jurkje leek open, werktuiglijk speurend naar urinevlekken op het onderste deel (sinds de operatie was het risico daarop groter geworden) en andersoortige ongerechtigheden- hoewel hij de volgende dag sowieso een schoon overhemd zou dragen. Beroepshalve diende hij frisheid en reinheid uit te stralen.’

    De uitgeverij omschrijft De kamer waar alle verhalen beginnen als een ontroerend verhaal over waarschijnlijk de laatste nacht uit het leven van een man die zich heeft geprobeerd te verzoenen met iets wat dat leven heeft verruïneerd, en noemt het spannend, humoristisch en de verbeelding overstijgend.

     

    De kamer waar alle verhalen beginnen
    Auteur: Wouter Godijn
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Afhankelijkheidsverklaring

    De proloog van Afhankelijkheidsverklaring van theatermaakster Rebekka de Wit begint als volgt:

    ‘Het schijnt dat Aboriginals een absoluut gevoel voor richting hebben. Als ergens aan de linkerkant van een Aboriginal een gigantische rots staat te blinken in het zonlicht, zal hij die rots lokaliseren aan de hand van de windrichtingen. “Opmerkelijk”, zal hij mompelen. “Een blinkende rots in het noordoosten” Of er loopt een mierenkolonie voorbij, terwijl twee Aboriginals wat ditjes en datjes uitwisselen. Een van hen zou dan kunnen zeggen: “Kijk! Een Australische mierenoptocht, ongeveer tien centimeter ten zuiden van je enkel!”’

    Afhankelijkheidsverklaring is min of meer een logisch vervolg op haar debuut uit 2015 We komen nog één wonder tekort waarin De Wit schreef:

    ‘Ik zou een Declaration of Dependence willen schrijven, omdat dat veel minder bezijden de waarheid klinkt en troostender is dan de gebalde vuist, en independence me vrijwel uitsluitend doet denken aan het alleen zijn, wat er sowieso is.’

    En nu is die afhankelijkheidsverklaring er dus. Volgens Atlas Contact is het een bundel met bespiegelingen, verhalen en essays over het meest vanzelfsprekende. Rebekka de Wit probeert als een antropoloog te doorgronden waarom iedereen van zijn doodsangsten uitdagingen probeert te maken, waarom afhankelijkheid als falen wordt gezien en waarom mensen die graag te boek staan als ‘no nonsense’ doorgaans veel nonsens uitkramen.

     

     

     

    Afhankelijkheidsverklaring
    Auteur: Rebekka de Wit
    Uitgeverij: Atlas Contact (2019)

    QualityLand

    ‘Come to where the quality is! Come to QualityLand!’

    Zo begint de inleiding van het bij uitgeverij De Harmonie verschenen boek QualityLand.

    Het gaat verder:

    ‘Je gaat dus voor het eerst van je leven op reis naar QualityLand. Voel je de spanning stijgen? Nou? Volkomen terecht! Want nog even en je zet voet in het land dat zo belangrijk is dat de stichting ervan een nieuwe jaartelling inluidde: QualityTime

    Na de zoveelste crisis in korte tijd onderneemt de regering actie: ‘Meegesleurd in de blinde paniek van de markten vroeg de regering de bedrijfsadviseurs van Big Business Consulting (BBC) om hulp, en zij besloten dat het land vooral een nieuwe naam nodig had. […]

    De bedrijfsadviseurs gaven de creatieve geesten van WereldWijdeWarenhuis (WWW) niet alleen de opdracht om met een nieuwe naam voor het land te komen maar meteen ook een nieuw imago, nieuwe helden, een nieuwe cultuur, kortom: een nieuwe Country Identity.’

    In QualtiyLand vertelt QualityPartner je wie het beste bij je past en zelfrijdende auto’s weten precies waar je naartoe wilt. Werk, vrije tijd en relaties, alles wordt door algoritmes bepaald.

    De Duitse auteur Marc-Uwe Kling is kleinkunstenaar en poetryslammer. Hij was zeer succesvol met zijn debuut De kangoeroekronieken.Daarvan werden in Duitsland een half miljoen exemplaren verkocht. Ook werden de filmrechten verkocht.

    QualityLand
    Auteur: Marc-Uwe Kling
    Uitgeverij: Uitgeverij De Harmonie (2019)
  • De moppentrommel van Wouter Godijn

    De moppentrommel van Wouter Godijn

    Wouter Godijns poëzie lijkt sterk onderhevig te zijn aan smaak, getuige de zeer verdeelde ontvangst van zijn bundels. Dat ligt aan de eigenaardige, wilde gedichten die Godijn schrijft, die door de een beoordeeld wordt als ‘[g]eniaal gezeur, kortom’ (Piet Gerbrandy) en door de ander als ‘een beetje pijnlijk en vermoeiend’ (Joep van Ruiten). Bovendien heeft Godijn nogal de neiging tot humor, en van alle kunsten lijkt humor nog wel het sterkst een kwestie van smaak te zijn. Zo vindt uw recensent Van Oekel’s Discohoek hilarisch, maar heeft hij ook gemerkt dat zeker niet iedereen zijn enthousiasme deelt. Godijns humor drukt een groot stempel op zijn poëzie, zo groot zelfs dat die het karakter van de gedichten lijkt te bepalen.

    Maar afijn, laten we eens inzoomen op de bundel De professor en de hyena, die uit drie delen bestaat. De vrij losjes opgezette afdeling ‘Hyena’, en de twee reeksen ‘Dat ik nog steeds niet geloof’ en ‘De professor’. De afdelingen komen losjes bij elkaar in het slotgedicht: ‘De dichter die eigenlijk de professor is die de hyena is / heeft een droom (is het wel een droom?)’. Maar voor het zover is gebeurt er het een en ander: Terminators dringen het huis binnen, een teddybeer is een hyena geworden, een professor krijgt een nieuwe naam: ‘Case. Test Case.’, en nog veel, veel meer. De gedichten zelf zitten vaak tot de rand volgepropt:

    Terminators in ons huis! Als we are killed
    zullen ze onze plaats innemen niemand nobody
    zal het verschil zien see the difference filmisch
    violence. Ik heb – eindelijk – een uzi,
    mijn vrouw zon geweer – naam vergeten – riot gun? –
    waarmee je dwars door een muur kun schieten (in slow motion rondvliegend,
    bijna in fladderende koolwitjes veranderend puin).
    Naar de zolder! Naar de zolder!
    De voormalige gouverneur van Californië verschijnt.
    Is even later weer verdwenen suddenly he disappeared he must save
    the neighbours. Kletterbattlebattleketter.
    Naar het dak! Ten slotte buigen wij
    over onze stil geworden lichamen
    wie won, waarom, wie zijn
    wij. We – en nu graag een tabaksbruine heldenstem –
    just don’t know honeyponey.

    De gedichten roepen veel associaties met het werk van andere dichters op. Godijn gebruikt regelmatig typografische eigenaardigheden en handgeschreven tekst, en maakt een keer een tekeningetje bij een gedicht. Die buitenissigheden doen aan Tonnus Oosterhoff denken, en nog wat verder terug in de tijd, aan Paul van Ostaijen. Godijn doet ook denken aan de breedsprakerige gedichten van zijn uitgeverijgenoot Micha Hamel. Daar moet je tegen kunnen; beide dichters kunnen vermoeiend worden in hun woordenstroom. Godijn houdt er bovendien een merkwaardig, vaak aan Lucebert herinnerend idioom op na. Kijk niet gek op van ‘kééééééfkefkefkef’, ‘ziegeenhandvoorogenwaarzijnwenu?’, ‘kalekloekklokkeplop’ of ‘brulslaaf’.

    Of De professor en de hyena je kopje thee is of niet, bepaalt de leesbeleving van deze bundel ontzettend. Het mee kunnen gaan met de gedichten maakt het verschil tussen een spannende wending en de zoveelste rare kwinkslag. Nu komt de ‘ik’ in dit stuk: ik kan er zelf niet tot nauwelijks in mee. Godijns humor is mijn smaak niet en al snel begon dat, in combinatie met het complete gebrek aan dosering, mij tegen te staan. Mag je een bundel op haar ongedoseerdheid aankijken? Ja hoor, dat mag best als het grootste deel van de gedichten in lange reeksen gepresenteerd worden.

    Je kunt je afvragen of Godijns poëzie van die reeksinsteek profiteert. De professor en de hyena is tjokvol, maar roept tegelijkertijd de vraag op of er eigenlijk wel zoveel gebeurt. Afwijkende typografie, het vreemde idioom, de tekening nota bene, ze zijn allemaal leuk en tot op zekere hoogte best vrolijkmakend, maar echt veel gewicht hebben die toevoegingen niet. Er mist een stevige bodem onder die Spielerei. De gedichten worden daardoor nogal vluchtig; soms lijkt één pufje genoeg om het gedicht de andere kant op te laten waaien. Dat Godijns gedichten zichzelf ondermijnen, zoals vaker over zijn poëzie is geschreven, is prima hoor, maar ze worden er ook vaak te vrijblijvend van.

    De moppentrommel staat vaak onveilig dichtbij in De professor en de hyena, en ofschoon doodserieuze poëzie ook allerminst een pretje is, mist er te veel een bodem om deze bundel echt beklijvend te achten. En nu ga ik deze recensie eens fijn ondermijnen: Maar misschien kijkt u heel anders tegen deze poëzie aan.

  • Lang leve de verbeelding

    Lang leve de verbeelding

    Hoe ik een beroemde Nederlander werd of: hoe een boek dat twee motto’s van respectievelijk Geert Wilders en Harry Potter meekrijgt, verdomd goed wegleest. Tja, dat zal raken aan het geheim van de dichter die de schrijver Godijn ook is. In het taalgebruik van romanschrijver Godijn ontmoet men namelijk ook de dichter Godijn. Veel registers bespelend, springend van detail naar groter geheel en net zo makkelijk weer terug, en alles in een verrassende soepele stijl die nergens de vaart uit de vertelling haalt. Voorwaar, geen geringe kunst!

    De keerzijde van Godijns manier van schrijven is dat er weinig schot in de vertelling komt. Die zwabbert maar wat heen en weer. Er is het jongensboekachtige verhaal van Wilfried met zijn jacht op de onvindbare snoek, het verlies van zijn moeder, zijn ridderlijke fantasieën, de zoektocht naar de prinses, zijn expeditie naar de top van de mysterieuze berg. En daarnaast gaat het verhaal van de met het schrijven van het Wilfriedverhaal, met zijn relatie, en niet het minst met zichzelf tobbende schrijver. Deze geportretteerde schrijver is  van het soort dat zich tot de kunstenaars met een grote K rekent maar zich wegens tegenvallende verkoopcijfers genoodzaakt ziet het publiek te verachten.

    Ofschoon tussen het verhaal van Wilfried en dat van de gefrustreerde schrijver de nodige parallellie zit in motieven als de snoek, de moeder, ridderfantasie, heldendom, een mysterieuze berg, een boze tovenaar, een fascistoïde politicus, is dit geen roman waarin alles even functioneel in elkaar zit: hoe zouden ook die snoek, die mysterieuze berg, ridder, tovenaars en wat al niet op enig logisch verband mogen rekenen? Maar als we in het begin hebben mogen lezen dat Martha keukenmessen verzamelt wil dat inderdaad zeggen dat zo’n keukenmesje verderop van pas zal komen…

    Het boek heeft de schijn van een met virtuoze schrijvershand geschreven roman die gedijt bij de vrijheid die hem wordt gegund. De verhaallijnen lijken vooral een excuus om eens uit te pakken in beschrijvingen van details en gevoelens, en en een manier om zich te wagen aan een scheutje fantasy of science fiction. Intussen zetelt Godijn als een spin comfortabel in zijn web en schakelt even speels als moeiteloos van het ene register op het andere, van het ene onderwerp op het andere  over. ‘Alles wees erop dat ik me er maar het beste bij kon neerleggen dat ik a: haar held en redder niet was, en b: dat ze zelf de heldin zou worden in een verhaal waarin geen hoofdrol voor mij was weggelegd.’ Om de trotse en bij vlagen falende schrijversfiguur goed in de verf te zetten, komen er de nodige flauwiteiten aan te pas. Zo grapt deze, eenmaal in Afrika beland, over de grote aantallen allochtonen die daar wonen. Ach ja. Dat uitgerekend deze met zichzelf gepreoccupeerde schrijver zich kwaad moest maken over het populisme van politicus Vaandels, in wie men de figuur van Wilders mag herkennen, bevreemdt daarom enigszins. Blijkbaar moest de woede en ontsteltenis over het fenomeen van het ‘hedendaags fascisme’ in dit boek een plaats krijgen. Al moet gezegd dat de daaraan bestede passages niet kunnen concurreren met de beste in het boek.

    Het predicaat van beste passage verdient de over vier pagina’s uitgesmeerde scène, waarin het dodelijke ongeval van de moeder van Wilfried door de blik van de laatste wordt bezien. Het vangt aan met het soort regieaanwijzing waar Godijn patent op heeft. ‘We zijn nu toe aan een scène die, als je de dagenlange nasleep niet meerekent, hooguit drie minuten heeft geduurd. Maar er is iets vreemds aan de hand: het lijkt alsof de scène nooit helemaal is geëindigd, alsof hij altijd – weliswaar steeds verder vervagend – op de achtergrond van Wilfrieds bestaan aanwezig is gebleven.’ De  beschrijving die volgt doet op meesterlijke wijze recht aan de kinderlijke beleving van de elfjarige jongen, bij wie uiteindelijk de verschrikkelijke waarheid broodnuchter binnendringt: ‘Naast haar hoofd groeit een bloedplas. Hij bedenkt dat hij geen moeder meer heeft – nou ja: een dooie moeder’. In het verhaal van Wilfried wemelt het van de observaties die kenmerkend zijn voor een jong kind, dat zomaar van een vol gehangen kapstok kan vinden dat daar ‘de jassen zich verdrongen als dieren rond een voederbak’.

    Toch valt misschien het meest te genieten van de verhaallijn waarin de egocentrische schrijver zich staande moet zien te houden en net zolang zijn minnares tegen zijn vrouw uitspeelt en vice versa tot de wal het schip keert. Het is verwant aan de lichtzinnige stijl van J. Kessels (Thomése) inclusief de daarbij behorende portie vette seks, maar dan met de speelse pen van Godijn beschreven. Zo merkt hij van zijn ‘bloedstollend getalenteerde schattebout’ op dat ze ‘slechts het stokstaartjesdeel van haar mogelijkheden verwezenlijkte.’ En het zoete stemgeluid van zijn liefje lijkt ‘geheel te zijn opgetrokken uit zonlicht, honing en neergutsende stralen roomwitte melk: ‘Ik heb zóóó naar je verlangd’ – en dan begonnen alle honingbijen tegelijk te zoemen bij het woordje ‘zo’. ‘ Tot rake observaties komt het hier ook. Als de figuur van Wilfried uiteindelijk dusdanig blijkt te zijn geëvolueerd en gelukkig getrouwd met een zekere Agnes, volgt de constatering: ‘Misschien omdat Wilfried niet zo tegen Agnes opzag als tegen Maria kwam het verlangen haar pijn te doen – bijvoorbeeld door de gedaante aan te nemen van iemand die bijna niet was lief te hebben – zelden bij hem op.’ Op het randje van de twijfel omtrent de vraag of Godijn de kunst verstaat op bevallige, laagdrempelige wijze postmodernistisch te zijn, balanceert de zin: ‘Ik zat charmant te zijn (of een genante poging daartoe te doen: geen idee of de waarheid tussen haakjes staat)’.

    Minder dan in zijn vorige boeken De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt en Mijn ontmoeting met God en andere avonturen, speelt Godijn hier met het autobiografische gehalte van de vertelling. Maar als de ik-figuur dermate moeizaam plaats neemt op een stoel dat de ander opmerkt: ‘Dat is niet makkelijk voor u, ik kan dat goed aan u zien’, lijkt hij hier toch even te refereren aan zichzelf als MS-patiënt.

    Godijn deelt de lezer zo nu en dan ook een plaagstootje uit: ‘De daaropvolgende weken heb ik die fauteuil een naam gegeven: ik noemde hem – nee, later.’ Het schrijfplezier mag dan van de zinnen afspatten, en de lezer mag zich verbazen over de snelheid waarmee de 219 pagina’s van dit boek ten einde zijn, de schrijversfiguur gaat het intussen minder voor de wind. De schrijfarbeid wil bij hem minder vlotten, en zijn vrouw noemt hem spottend ‘Floep’.

    Achter de lichtvoetige stijl gaat ook een waarheid schuil die minder lichtzinnig is. Aan een werkelijkheid die de fascistoïde Vaandels in het zadel heeft geholpen valt voor een schrijver immers weinig eer te behalen. Deze laatste  is in een kansloze missie verwikkeld om de geen kassakraker genererende auteur te verdedigen. Fantasie is de enige vrijhaven waar een schrijver nog straffeloos zichzelf mag zijn. Het door de schrijversfiguur bedachte personage Wilfried wordt gaandeweg steeds meer naar hem zelf gemodelleerd, maar krijgt een kans te ontsnappen waar hij zelf heeft gefaald. Wilfried zal munt weten te slaan uit zijn mislukking. Hij zal uiteindelijk om zijn drop-out status van regeringswege in het diepste geheim worden aangezocht de prinses te bevrijden en de mysterieus aangroeiende berg (die omstreeks Wilfrieds geboorte was ontstaan!) te slechten. En Wilfried, als ridder strijdend om de prinses, zal zegevieren. Ofschoon het koningshuis en de regering hem veel dank verschuldigd zijn, kan men hem, omwille van de geheimhouding, slechts onopvallend belonen in de vorm van een levenslange WAO-uitkering. Niettemin lukt het Wilfried zich na deze heldendaad met de werkelijkheid te verzoenen. Terwijl de schrijversfiguur na een sukkelig uitgevoerde en schromelijk mislukte aanslag op Vaandels (met het keukenmesje), het nog niet eens voor elkaar krijgt als gevaarlijke gek te worden opgesloten. Dat hij zich uiteindelijk toch gered acht, daar hij veronderstelt over ‘mediapotentie’ te beschikken, nadat hij heeft vastgesteld dat hij inmiddels tot het type behoort waarop Nederlanders verzot zijn: ‘mensen die de indruk wekten dat ze eigenlijk niet konden wat ze leken te kunnen’ heeft dan ook meer de schijn van een capitulatie dan van een overwinning. Wilfried lijkt beter af te zijn. Met behulp van de fantasie heeft hij zich uit het moeras van de werkelijkheid omhoog weten te trekken. dus! Al ontdekt Wilfried aan het eind dat hij de berg mist: ‘en dat hij diep in zijn hart niet alleen de man wilde zijn die de berg had laten verdwijnen, maar ook de man die hem opnieuw liet verrijzen.’

    En de titel Hoe ik een bekende Nederlander werd? Wie een stappenplan verwacht om die staat te bereiken is hier aan het verkeerde adres. Godijn legt nu eenmaal een voorkeur voor aandachttrekkende titels aan de dag, Zie Mijn ontmoeting met God en andere avonturen of:  Hoe H.H. de wereld redde. En daar past Hoe ik een bekende Nederlander werd gewoon wonderwel tussen.

     

    Hoe ik een beroemde Nederlander werd

    Auteur: Wouter Godijn
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 219
    Prijs: € 19,95