• Oogst week 3 – 2023

    De Polderjapanner – Een Japanse in Nederland

    Van sommige televisieprogramma’s ben je blij dat ze ter ziele zijn. Zo kroop Wendy van Dijk pakweg 20 jaar geleden in de huid van de poppige, ietwat domme Ushi (want dat rijmt op sushi, ‘haha’). Deze karikatuur op wat Japan zou belichamen, was van het niveau Hanky-panky Shanghai, sambal bij en eenlettergrepige kungfu-imitaties. Fumiko Miura, schrijfster van De Polderjapanner – Een Japanse in Nederland, schrijft in haar biografie onder andere over deze culturele vooroordelen.

    Miura, in 1972 geboren te Shinsiro, begint in 2001 haar studie sociologie aan de Erasmus Universiteit. Vanaf dat moment blijft ze af en aan terugkeren naar Rotterdam. Naast sociologe is de auteur gecertificeerd taaldocent Japans, die heel de wereld doorkruist en workshops organiseert. Aangezien dit haar culturele bagage aanvult, wordt de Nederlander een nog merkwaardiger fenomeen. En dat blijft niet alleen bij het broodje kaas.

     

    De Polderjapanner - Een Japanse in Nederland
    Auteur: Fumiko Miura
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Loutering

    Op dertigjarige leeftijd maakt Luuk Imhann in 2016 zijn prozadebuut. Paradijs gaat over een expeditie door Maleisië heen, die na een vlaag van krankzinnigheid in gevaar komt. Al in 2012 echter verscheen Imhanns eerste poëziebundel, getiteld De onverschilligheid van rozen. Bovendien schrijft hij essays voor het platform Plat//Hoofd én is hij toneelschrijver bij NOX. Zijn genrerepertoire breidt zich uit, want kort geleden is zijn historische roman verschenen over communistisch Mexico: Loutering.

    Loutering vertelt het verhaal van Paco de Guerrero, die zijn vader verliest. Om hem terug te vinden, stelt hij zichzelf ten doel de grootste Mexicaan aller tijden te worden. Dit wringt natuurlijk met het communistische idee dat eenieder gelijk hoort te zijn. De beschrijving van De Schrijverscentrale over Luuk Imhann zal vast ook opgaan voor Paco de Guerrero: in zijn oeuvre verliest de mens zichzelf in grote ideeën, zelfzucht en geweld. Niet voor niets betekent ‘guerrero’ oorlogsvoerder. ¡Viva la revolución!

    Loutering
    Auteur: Luuk Imhann
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    De liefdesavonturen van Willy the Shake – sonnetten

    Engeland beschouwt zichzelf als de absolute elite op vele terreinen. Het bezat ’s werelds grootste gemenebest, ziet zichzelf als bakermat van het moderne voetbal en heeft volgens The Observer ook nog eens de ‘funniest man that ever lived’ aan boord: Ricky Gervais. Bovendien mag Duitsland dan wel het land van de Dichter und Denker zijn, Engeland heeft qua literaire invloed meer dan genoeg aan één meester. William Shakespeares hoogdravende, alom geprezen en gelezen sonnetten zijn uiteraard al vaak vertaald, ook in het Nederlands.

    In De liefdesavonturen van Willy the Shake kiest vertaler Marien de Bruijn eerder voor toegankelijkheid en eenduidigheid dan grandeur en semantische rijkdom. De titel is veelzeggend. De Bruijn, eveneens schrijver van het vuistdikke Met zijn grote gonzende hoofd, hanteert het vrije vers om Shakespeare naar het Nederlands over te zetten. En hoewel vele puristen deze ontheiliging De Bruijn zullen verwijten, kunnen ze er maar beter de humor van inzien. Zit de kracht van Engelse humor namelijk niet in de zelfspot?

    Auteur: Marien de Bruijn
    Uitgeverij: Uitgeverij Brave New Books
  • Moordenaar in het kwadraat

    Moordenaar in het kwadraat

    De tot nu toe verschenen delen van de Nederlandse vertalingen uit de door Hogarth uitgegeven serie met hervertellingen van toneelstukken van William Shakespeare waren gebonden, zwarte bandjes. Nijgh & Van Ditmar bracht het meest recente deel, het zesde, een dikke pil, uit in een slappe kaft. Zwart, grijs/groen en rood – symbolisch voor de inhoud van Macbeth. In het verhaal zelf, al even  zwart, grijs en rood. Het rood wordt soms nog eens extra aangezet wanneer de neus van de hoofdpersoon bloedt ten gevolge van brew.
    De auteur is dit keer de Noor Jo Nesbø, ‘de auteur van De sneeuwman en De dorst’ zoals op het omslag staat – een detectiveschrijver dus en de eerste niet-literaire auteur in de serie hervertellingen.

    Macbeth
    Waar gaat het origineel eigenlijk over? Het stuk speelt in Schotland, volgens Renate Dorrestein het land dat veel duisternis toelaat. De Schotten zijn in oorlog met Noorwegen en Macbeth is de bevelhebber van de Schotse troepen van koning Duncan. Drie heksen voorspellen dat hij zijn oom Duncan als koning op zal volgen en niet diens oudste zoon Malcolm. Banquo, een vriend, is getuige van die voorspelling. Macbeth heeft, vindt zijn vrouw, een duwtje in die richting nodig. Dat geeft ze hem, door op zijn eergevoel in te spelen. Door haar aangezet vermoordt Macbeth op een avond de koning in zijn slaap terwijl hij in hun kasteel logeert. De wachters had Lady Macbeth eerst dronken gevoerd. De dolken waarmee Macbeth Duncan vermoordde, stopt Lady Macbeth in hun handen. Macduff, een Schotse edelman die de opdracht had Duncan te wekken, ontdekt dat de koning dood is. Macbeth steekt, om de schijn op te houden, beide wachters dood. Vanaf dat moment raken de Macbeths, inmiddels koning en koningin, de controle over alles kwijt en verliezen in meer of mindere mate hun verstand en daarbij blijft het niet, want er vloeit steeds meer bloed.

    Nesbø
    Jo Nesbø vertelt het verhaal van hoofdcommissaris Duncan, hoofdinspecteur Macbeth en de politie-inspecteurs Banquo en Duff in hun strijd tegen de drugsbende Norse Riders begin jaren zeventig in een vervallen Schots fabrieksstadje. En hun strijd tegen elkaar, om hogerop te komen. Van hoofdinspecteur tot burgemeester. Maar er is nog een personage dat een grote rol speelt: een regendruppel. Hij staat telkens op het punt te vallen of valt echt – het noodlot verbeeldend. Of hij vermeerdert zich en valt als een regenbui die alles wat je ziet vervormt, overstemt of verandert in een regen van lood.
    Nesbø is diep tot het kwaad dat Shakespeare schetst doorgedrongen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een zin als: ‘En bedenk dat de veroordeling van het slechte en het zwakke in de mens ook gezien kan worden als een optimistische hulde aan het goede en het sterke’.
    De karakters zijn goed getekend en uitgewerkt, op een enkel sjabloon na, zoals de grijze en bebrilde adjunct-hoofdcommissaris Malcolm, die filosofie en economie had gestudeerd. Lady Macbeth herkennen we als een vrouw ‘met eigenschappen die andere mannen afschrikken. Haar kracht, haar wil. Haar intelligentie waarmee ze iedereen de baas was en die ze niet onder stoelen of banken stak.
    Nesbø blijft dicht bij het origineel, vertaald naar het hier-en-nu. Zo is Macbeth weliswaar gek, maar dat was hij als tiener eigenlijk al, van de speed op z’n tijd, die hij nog steeds gebruikt. En zo heet het dat ‘de oude auto slipte op het natte asfalt met olievlekken, maar was uit de stilstaande rij auto’s.  De wieldoppen klapten tegen de rechter trottoirband en toen de Volvo zich langs de galaxie perste en in het voorbijgaan de zijspiegel meetrok, schreeuwden beide auto’s het uit alsof ze pijn hadden.’
    Dat hij dicht bij het origineel blijft, is leuk voor lezers die Shakespeares toneelstuk kennen, maar waar het verhaal wordt losgelaten, wint het boek van Nesbø aan kracht en krijgt de auteur meer zijn eigen, bekende stijl en stem.

    Wereldbeeld toen en nu
    Ook het taalgebruik komt soms in de buurt van Shakespeare (of is het Shakespeare?): ‘Net als bij distels zullen ambities bij mensen zich altijd uitstrekken naar de zon en alles om zich heen overschaduwen en doden’.  Of zelfs in de buurt komt van het wereldbeeld van Shakespeare: ‘Nu bestuurden zij alles: de stad, het lot, de baan van de planeten’. Een wereldbeeld op de grens van middeleeuwen en renaissance, zoals Macbeth het slaapdonker verwoordde: ‘Ik hoorde stormklokken. Maar nu begrijp ik dat het de kerkklokken waren. Ze riepen op tot boetedoening, de biecht en kinderdoop.’
    Macbeth en Lady Macbeth zijn mensen ‘van het volk, voor het volk, met het volk’. Lady M. is ervan overtuigd dat ‘het leven mensen zoals wij niet zoveel kansen geeft (…). We moeten ze grijpen als we ze krijgen.’ Zij is dan welswaar opgeklommen tot directeur van een casino, van origine is ze prostituee. Ook Macbeth omschrijft zichzelf als ‘een eenvoudig man’ die alleen zegt wat hem van het hart moet en als hoofdcommissaris ‘een nederig dienaar van het volk’ is. Ook zijn collegae zijn erin gaan geloven, dat hij ‘iemand van ons is’. Hoewel: niet helemaal. De jonge politieman Angus gelooft niet dat Macbeth degene is voor wie hij zich uitgeeft. ‘Macbeth is geen verlosser, hij is een corrupte moordenaar’. Angus wil de stad bevrijden van Macbeth.
    Dit gegeven geeft aan het verhaal een extra laag, na de oorspronkelijke Macbeth van Shakespeare, de Macbeth in de jaren zeventig: een universeel-politieke laag én lading: die van het populisme die het oorspronkelijke stuk van Shakespeare te kijk zet, omdat populisten niet houden van het ‘zwaar gesubsidieerde nationale theater met zijn hoogdravende stukken, onbegrijpelijke dialogen en machtsbeluste koningen die in de laatste akte sterven’.

    Doorgaande lijn
    De doorgaande lijn, in zowel het boek als tussen heden en verleden, Shakespeare en Nesbø, is geweld en nog eens geweld in het kwadraat. Shakespeare kon er wat van, Nesbø doet er nog een schepje, zeg maar een lading bovenop en doet daarmee zijn naam als ‘de donkerste van alle Scandinavische schrijvers’ alle eer aan. Het zou best op z’n minst een onsje minder mogen zijn.
    Wat beklijft zijn de soms, ondanks alles, poëtische schrijfstijl (in een mooie vertaling) én de  regendruppel, die ook het laatste woord heeft. Adembenemend – maar dan op een subtiele manier. Jammer dat er niet meer wat subtiliteit in het boek zit. Het had er meer lucht aan gegeven. Nu drukt het boek wel erg zwaar op het gemoed.

     

  • ‘Hertalen die handel!’

    ‘Hertalen die handel!’

    Lang was Marita Mathijsen faliekant tegen het hertalen van boeken die kunnen bogen op een canonieke status in de Nederlandse literatuur. Ze zag niets in het inwisselen van door een schrijver weloverwogen gekozen woorden voor hedendaagse equivalenten. Hertalen deed in haar ogen geen recht aan het origineel. En het inkorten van een verhaal ook niet. Inmiddels is Marita Mathijsen om. ‘Liever een luie lezer dan geen lezer. Hertalen mag. Het is de enige manier om literatuur uit het verleden te redden van de vergetelheid’, liet ze zich vorige maand in een interview ontvallen.

    Ik snap haar oorspronkelijke bedenkingen. Waar Marita Mathijsen bang voor was, is dat literaire meesterwerken teruggebracht worden tot simpele verhaaltjes. Als literatuur staat of valt met de stem en de stijl van de schrijver wordt met het hertalen en/of inkorten van een tekst iets wezenlijks geamputeerd. Ik snap ook waarom ze terugkwam op wat ze vond. Ze wil dat Vondel, Multatuli, Couperus en al die andere voortreffelijke schrijvers uit het verleden gelezen en gewaardeerd worden door nieuwe generaties lezers. Taal mag wat ze te vertellen hebben niet in de weg staan.

    Het belang en de zeggingskracht van letterkundige werken van voor negentienhonderdnogwat wordt in Nederland onderschat. Of het ontbreken van een hertaaltraditie daar de oorzaak of een gevolg van is, laat ik in het midden. Maar betreurenswaardig is het ontbreken van die traditie wel.

    Een tekst die stevig in zijn schoenen staat, kan heel wat hebben. Neem nou Hamlet. Ik hou van Hamlet en die liefde werd tijdens mijn meeste recente verblijf in Londen bekroond met vier versies voor mijn verzameling die inmiddels meer dan honderd exemplaren telt. In lang niet al die exemplaren wordt het toneelstuk van William Shakespeare op de voet gevolgd. Sommige ver- en hertalers veroorloven zich heel veel vrijheden. Maar Hamlet blijft Hamlet. Als Hamlet het kan hebben dat hij grondig onder handen genomen wordt, waarom zouden Gijsbrecht van Aemstel, Max Havelaar en Eline Vere dat dan niet verdragen?

    Nederland is het bewerken van haar eigen klassiekers niet gewend, maar helemaal onbekend is het fenomeen hier ook weer niet.
    Eerstegraads docente Nederlands en schrijver van de roman Darko’s lessen Michelle van Dijk pakte de door Marita Mathijsen én Ronald Giphart – ‘hertalen die handel!’ is zijn motto – toegeworpen handschoen op en treedt daarmee in de voetsporen van onder andere Ivo de Wijs, Daniël Mok en Gijsbert van Es, die zich ontfermden over De geschiedenis van Woutertje Pieterse, De kleine Johannes en Max Havelaar. Michelle van Dijk maakt zich sterk voor Louis Couperus’ Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan. Haar hertaling die het origineel uit 1906 trouw volgt, is werk in uitvoering en verschijnt als feuilleton op haar blog.

    PS. Anders dan Marita Mathijsen suggereert is hertalen niet de enige manier om klassieke literatuur nieuw leven in te blazen. Verstrippen is ook een optie. Kijk maar naar Dick Matena en Viktor Hachmang. Hachmang werkte ruim drie jaar aan de graphic novel Blokken: de mislukking van een heilstaat en gebruikte daarbij gewoon de woorden van F. Bordewijk.

     

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Die ene zin, de plotselinge stilte

    Die ene zin, de plotselinge stilte

    Vrienden van mij zagen onlangs in het National Theatre in Londen een voorstelling van Shakespeares Macbeth (begin mei live in enkele Nederlandse bioscopen te zien). Hierin was, mailden ze, ‘een hoop geschreeuw (…), zelfs een echte disco’ te horen en te zien geweest. Het komt me bekend voor, het hard-harder-hardst toneelspel en af en toe ook het luid-luider-luidst muziek maken. Toch zit daar vaak een pareltje tussen dat alles min of meer goed maakt.

    Zoals laatst in het Amsterdamse Concertgebouw. Daar trad een pianokwartet op, drie Israëliërs en een Rus. Ze speelden onder meer het Pianokwartet opus 30 van Ernst Chausson, hard. Vooral hard, de klep van de vleugel wijd open. Dan, tegen het einde van het tweede deel, gebeurt het, Très calme. De primarius (aanvoerder) speelde drie dalende tonen, meer was het niet. Net voor de laatste noot hield hij even in, liet een Luftpause vallen. Dát deed het hem, want de kleine ‘secunde’ (interval tussen twee diatonisch opeenvolgende tonen en een toonbeeld van droefheid) werkt als een snik. Dat benadrukte op een prachtige, subtiele wijze het melancholieke karakter van het langzame deel. Het beklijfde. Ik weet: het is een foefje, maar als je het op het juiste moment op de juiste plaats toepast, mist het zijn uitwerking niet.

    Het is als met verzamelbundels poëzie. Het kan natuurlijk niet dat alles wat daarin is opgenomen je aanspreekt, het zijn enkele gedichten, soms zelfs maar een enkele zin die je hart een sprongetje doen maken. Neem de bundel Alle gedichten tot dusver van Kees Ouwens (520 pagina’s) en de zin:

    En de vonk valt waar de lamp wordt ontstoken

    Ik kan er uren over nadenken. Of de verzamelbundel Altijd weer dit leven, van Pieter Boskma (376 pagina’s) met onder meer een royale keuze uit de mooie bundel Het zingende doek & De Geheime Gedichten, maar ook prachtige zinnen als:

    knielen de wolken
    die mij op het hoogste punt
    brengen en daar achterlaten.

    Hoeveel gedichten, zo niet zinnen, zal ik straks niet aantreffen in Man met hoed, de bundel gedichten uit 2005-2017 van Lieke Marsman (192 pagina’s, ze worden steeds dunner) die op mijn verlanglijstje staat?
    Ik realiseer me dat de twee voorbeelden, van Ouwens en Boskma, met elkaar te maken hebben. Daarom zou ik willen concluderen dat het verdriet bij Chausson, de vreugde bij de gedichten en vooral de losse zinnen en fragmenten van Ouwens en Boskma elkaars keerzijde vormen. Sterker nog, dat ze allemaal – om met de filosoof Ben Schomakers in een recent boek Het begin van de melancholie te spreken – een mogelijke toegang verschaffen tot ‘wie de mens is.’Ook omdat ik geleerd heb nooit in algemene zin te zeggen ‘dát is mooi’ liever: ‘tot wie ík ben’.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

  • Oogst week 16 – 2018

    Hoe alles hier verandert

    Antjie Krog krijgt dit jaar de Gouden Ganzeveer. De in Nederland vooral als dichter bekende Krog maakte voor die gelegenheid een persoonlijke keuze uit drie van haar  non-fictie titels, waarin ze verslag doet van de ontwikkelingen in Zuid-Afrika en die relateert aan haar eigen gevoel van erbij horen.

    In De kleur van je hart (2000) volgde Krog de verhoren van de Waarheids- en Verzoeningscommissie. Een andere tongval (2004) gaat over een land dat opnieuw moet beginnen en de inspanningen die bewoners daarvoor moeten leveren. Het meest persoonlijke is Niets liever dan zwart (2010) waarin Antjie Krog zich rekenschap geeft van haar eigen positie als witte Zuid-Afrikaan met een politiek-correct ANC-verleden, die haar draai niet kan vinden in haar veranderende land.

    Hoe alles hier verandert
    Auteur: Antjie Krog
    Uitgeverij: Podium b.v. Uitgeverij

    Macbeth

    De voorspelling dat hij ooit koning van Schotland zal worden, maakt van generaal Macbeth een ambitieus en meedogenloos man. Als hij eenmaal op de troon zit, moet hij vrezen voor zijn leven. Ook dat is onderdeel van de toekomst die drie heksen voor hem zagen. Door angst geregeerd, leidt hij zijn rijk op tirannieke wijze. Macbeth gaat over lijken, maar dat helpt hem niet. Tot zover William Shakespeare.

    Toen Jo Nesbø een Shakespeare mocht kiezen om in het kader van ‘Hogarth Shakespeare’ te hervertellen, koos hij Macbeth. Het eenvoudige plot en het geringe aantal personages vormden voor hem de ideale kapstok om een hedendaags misdaadverhaal aan op te hangen. Nesbø’s Macbeth speelt in een fabrieksstadje in de jaren zeventig van de vorige eeuw. De politie neemt het op tegen drugsbaronnen. Inspecteur Macbeth wordt door één van hen uit de tent gelokt en laat zich manipuleren. Maar net zoals Shakespeare gaat het Nesbø niet alleen om de intrige. Beiden ontleden de mens en leggen het wezen bloot.

    Macbeth
    Auteur: Jo Nesbo
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar (2018)

    Een spreeuw voor Harriët

    Het oeuvre van H.C. ten Berge (1938) omvat poëzie, proza, essays, literaire antropologie en vertalingen. Het is niet opvallend omvangrijk, maar uitermate rijk als het gaat om bronnen en beelden. Ten Berge kijkt buiten voor de hand liggende kaders en verraadt in zijn werk belangstelling voor antropologie.
    In 2006 kreeg hij de P.C. Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre, omdat de jury zijn poëzie weigerde los te zien van zijn proza.

    Een spreeuw voor Harriët
    is de derde verzameling essays, dagboekbladen en veldnotities. Het zijn hele persoonlijke stukken, maar niet zoals literatuur tegenwoordig op het autobiografische af persoonlijk is. Ten Berge schrijft ook in zijn dagboekbladen en veldnotities niet primair over zichzelf. Het blijft hem ondanks die vorm gaan om waar hij aan werkt. Dat levert gedegen stukken op die van voorliefdes getuigen.

    Een spreeuw voor Harriët
    Auteur: H.C. ten Berge
    Uitgeverij: Atlas Contact (2018)

    Blokken

    De roman Blokken (1931) van F. Bordewijk toont een strikt geordende samenleving. Rechtlijnigheid is letterlijk en figuurlijk het devies van de Staat die het helemaal niet zo slecht met de mens voor lijkt te hebben, als die mens zich maar schikt en de wens om een individu te zijn opgeeft.
    Bordewijk voorvoelde vast dat er weer wat te gebeuren stond, maar kon onmogelijk vermoeden hoe de samenleving op de langere termijn zou veranderen richting zijn angstbeeld. Blokken is dystopisch, maar zonder al te scherpe randjes.

    Viktor Hachmang (1988) weet inmiddels hoe de wereld er voor staat. Zijn beeldroman Blokken: de mislukking van een heilstaat oogt grimmiger dan het origineel leest. Met zijn tekenstijl geeft hij vorm aan de hoekigheid van het regime. Het inzoomen op details en het kleurgebruik verhogen het onheil. Terwijl Hachmang goed beschouwd – het heeft zin Blokken te herlezen – de zakelijkheid van Bordewijk nieuw leven inblaast. Blokken: de mislukking van een heilstaat volgt de tekst van Bordewijk nauwgezet.

    Blokken
    Auteur: F. Bordewijk
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar (2018)
  • William Shakespeare kan er helemaal niets aan doen

    William Shakespeare kan er helemaal niets aan doen

    Losbandig. Die indruk kreeg de tiener Osama Bin Laden van de Britten tijdens zijn wekelijkse bezoeken aan het geboortehuis van William Shakespeare in Stratford-upon-Avon: ‘We went every Sunday to visit Shakespeare’s house. I was not impressed and I saw that they were a society different from ours and that they were a morally loose society.’ Deze woorden tekende Bin Laden vlak voor zijn dood op in een schriftje dat deel uitmaakt van de recent door de CIA vrijgegeven documenten die de Navy Seals tijdens de inval in het huis van Osama Bin Laden in Abbotabad aantroffen.
    Weliswaar maakt de volwassen Bin Laden enig voorbehoud: ‘I got the impression that they were a loose people, and my age didn’t allow me to form a complete picture of life there’, maar dan nog…

    Net als ik die ene keer dat ik het geboortehuis van Shakespeare bezocht – op 15 juli 1992: ik heb dan wel geen dagboek, maar ik kocht er een kaart met de tekst: ‘So I haven’t written much lately! So what? Neither has Shakespeare’, en heb het bonnetje bewaard – moet Osama Bin Laden zich gerealiseerd hebben dat hij bij het betreden van dat huis een flinke stap terug in de tijd deed. Als hij daar als veertienjarige niet bij stilstond, moet dat besef er toch geweest zijn op het moment dat hij het opschreef?
    Misschien vond hij – ik laat in het midden welke Bin Laden: de veertienjarige of zijn volwassen versie – elke week op zondag gewoon te veel van het goede? Daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Zelfs als je in Groot-Brittannië bent om de taal te leren, is elke zondag op de koffie bij een dode dichter een beetje overdreven.

    Zonder dat de context van die paar regels uit het opschrijfboekje van Osama Bin Laden over de bezoeken die de jongen die hij was bracht aan het huis in Henley Street precies duidelijk is – of waarschijnlijk juist daarom – koppen sommige sensatiebeluste kranten dat de weerzin van Bin Laden tegen het westen begonnen is tijdens de bezoeken aan het huis van Shakespeare. Daarmee toch ook suggererend dat een man die inmiddels al vierhonderd jaar dood is – dat werd vorig jaar nog uitgebreid herdacht – medeverantwoordelijk kan zijn voor de radicalisering van Bin Laden en daardoor misschien ook wel een beetje schuldig is aan 9/11.
    Hallo… Hoe vanzelfsprekend is het dat Bin Laden in 2011 nog precies wist wat hij in 1971 vond? Is er dan niemand op de gedachte gekomen om het geheugen en de bedoelingen van Bin Laden in twijfel te trekken?

    Ik wil heus wel weten wat Bin Laden, die zelf van goeden huize kwam, zo decadent en losbandig vond aan Groot-Brittannië, maar misschien is dat allemaal toch te vergezocht. Misschien stond de Shakespeare-cultus hem gewoon tegen. Meer niet.
    Ondertussen is William Shakespeare, die op een steenworp afstand van zijn geboortehuis begraven ligt, zich van geen kwaad bewust. Zijn hoofd over deze kwestie breken kan ook niet meer: honderdvijftig jaar geleden werd zijn schedel uit het graf geroofd. Zegt men.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Jerry

    Jerry

    De nieuwe jongen in onze klas heette Jerry. We waren veel gewend, maar geen Jerry. Jerry was zwart, maar dat was niet het belangrijkste. Jerry kon zijn bovenste oogleden binnenstebuiten keren. Voor hem was dat een fluitje van een cent. Ons lukte het never nooit. Terwijl hij het vaak genoeg in slow motion voordeed. Jerry was ook degene die revolutionaire knikkertechnieken op het schoolplein introduceerde, waarvan ‘duimpje druk’ de meest ontwrichtende was. Er schoten heel wat duimen uit de kom voordat Jerry voor de eerste keer door één van ons op zijn discipline werd verslagen.

    Toen ik afgelopen zomer op het voormalige schoolplein stond – van school en plein ontbrak elk spoor, alles was gras – dacht ik geen moment aan Jerry, maar hij schoot me onmiddellijk te binnen toen Osei Kokote zijn opwachting maakte in Nieuwe jongen van Tracy Chevalier. Osei – [O-see-ie] – is diplomatenkind en gewend om steeds opnieuw te moeten beginnen. Hij is inmiddels toe aan zijn vierde school, in dit geval een witte in Washington. Op de eerste schooldag gebeurt er veel: hij valt in de smaak, en is ook meteen het middelpunt van een hetze. In no time is de klas in kampen verdeeld en eist de een na de ander een rol op in een complot met min of meer dodelijke afloop. Het lijkt wel een Shakesperiaans drama, en dat is het ook. Nieuwe jongen is Othello in een nieuwe jas.

    Tracy Chevalier is de vijfde schrijver die zich in het kader van The Hogarth Shakespeare aan een van Shakespeare’s toneelstukken waagt. Ook aan haar de schone taak om heel veel poppetjes een plek te geven. Want daar ontkom je niet aan als je Shakespeare her-vertelt. Als baas van het spul voelde hij zich verantwoordelijk voor zijn spelers. Daardoor zijn zijn stukken soms behoorlijk overbevolkt en niet altijd even functioneel ingewikkeld.
    Omdat ze haar opdracht goed begrepen heeft en Shakespeare recht wil doen, kan Tracy Chevalier niet anders dan kiezen voor een omgeving die meer dan één hoofdrol, een heleboel bijrollen en het nodige gedoe garandeert. Een school in tijden van racistisch turmoil is dan het ideale decor.

    Terug naar Jerry die, realiseer ik me nu, geen Jerry maar Albert heette. Er zat wel een Jerry op school, maar die had Molukse wortels (en een broertje: Tommy). Ook Albert wachtte een eerste schooldag, maar onze school was minder wit dan die van O-see-ie in Washington. Wij wisten allemaal wat het was om ergens anders opnieuw te moeten beginnen, al waren onze vaders geen diplomaten maar soldaten die met de regelmaat van de klok overgeplaatst werden. En toch keken we op van Albert, die godzijdank niet bang was. Hij moet geweten hebben dat hij met zijn binnenstebuiten oogleden en knikkervaardigheid troeven in handen had.

     

     

  • Drietalige uitgave van Shakespeare’s Rape of Lucrece

    Drietalige uitgave van Shakespeare’s Rape of Lucrece

    In het derde hoofdstuk van Max Havelaar vertelt de Amsterdamse koffiemakelaar Batavus Droogstoppel, hoe zijn zoon Frits uit het pak van Sjaalman een lang gedicht van Heinrich Heine had opgevist. Het gebeurde tijdens een avondje bij de familie Rosemeyer.  De zoon had het voorgedragen en zou dat kunststukje, op dringend verzoek van de andere gasten, herhalen:

    ‘Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aanéénhing. Nee ’t hing niet aaneen. Een jong mens schreef aan zijn moeder, dat hij verliefd was geweest, en dat zijn meisje met een ander getrouwd was — waarin ze groot gelijk had, vind ik — dat hij echter, in weerwil hiervan, altijd veel van zijn moeder hield. Zijn deze laatste drie regels duidelijk of niet? Vindt ge dat er veel omslag nodig is, om dat te zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor Frits klaar was met die vertelling.’

    Ik moest aan deze Havelaar-passage denken bij het lezen van De schennis van Lucretia van Shakespeare. Dit lange gedicht verhaalt van de beeldschone Lucretia, echtgenote van een Romeinse vorst, die zozeer wordt begeerd door een edelman, dat deze haar  ’s nachts overrompelt en verkracht. Vervuld van schaamte en weerzin pleegt Lucretia, nadat ze haar man gesmeekt had haar te wreken, zelfmoord.

    Reuzensprongen door de tijd

    Deze samenvatting doet geen recht aan Shakespeare’s rijmende vertelling van 265 strofen van elk zeven regels. Toch komt het verhaal hier op neer. Shakespeare wijdt uit, vergelijkt en herhaalt. Hij schrijft, kortom, poëzie. Het is een serieus, soms schokkend gedicht dat ons met reuzensprongen door de tijd voert. De gebeurtenis zelf voltrekt zich ca. 500 jaar vóór onze jaartelling tegen de achtergrond van het ontstaan van de Romeinse republiek. Shakespeare ontleende zijn motief aan teksten van Livius en Ovidius van ruim een half millenium later. Shakespeare zelf  publiceerde dit gedicht in 1594. Het is een uitdaging dit lange en vormvast opgebouwde gedicht te lezen en de bekoring ervan te ondergaan. Hoewel een verkrachting zich moeilijk leent voor een poëtische behandeling, wordt het gedicht zeker spannend en dramatisch wanneer de lezer weet wat de sluwe verkrachter Tarquinus van plan is.​

    De werkelijke betekenis van deze publicatie zit in de toegang die tot de tekst wordt verschaft. Uitgever en vertaler – het moet gezegd – reiken de lezer hierbij optimaal de hand. Op de linkerbladzijde lezen we de Engelse tekst, rechts de metrisch parallelle en dus gelijkvormige vertaling van de hand van Peter Verstegen. De bonus van deze publicatie is verborgen in de noten en het commentaar. Per couplet wordt daar namelijk een letterlijke vertaling van de tekst gegeven, zonder het keurslijf van metrum en rijm. Dat zijn dus drie versies van Shakespeares tekst: het origineel, de dichterlijke omzetting in het Nederlands en de letterlijke vertaling.

    Engels van vierhonderd jaar geleden

    Shakespeare lees je het best in het Engels. Maar het Engels van vierhonderd jaar geleden begrijpen, is niet voor iedereen weggelegd. Waar vertaler Peter Verstegen zich aan de vormvastheid onderwerpt, is de vertaling teleurstellend. Je merkt hoe de vertaler zich in bochten wringt  om het Nederlands metrisch en qua betekenis gelijk op te laten gaan met het Engels, en daar lijdt het resultaat onder. Terwijl de vrije, letterlijke vertaling van  de tekst, (die ‘verstopt’ zit in het verklaringen- en notenapparaat), wel de noodzakelijke verduidelijking biedt:

    ‘This said, his guilty hand plucked up the latch,
    And with his knee the door he opens wide;
    The dove sleeps fast that this night owl will catch.
    Thus treason works ere traitors be espied;
    Who sees the lurking serpent steps aside;
    But she, sound sleeping, fearing no such thing,
    Lies at the mercy of his mortal sting.’

    De Nederlandse metrisch-poëtische vertaling luidt:

    ‘Hij zwijgt, waarna hij stil de klink oplicht,
    De deur wijd openduwend met zijn knie;
    De duif slaapt waar die nachtuil zich op richt.
    Zo werkt verraad eer ’t wordt bespeurd; al wie
    Een slang ziet, stapt meteen opzij, maar zie
    Hoe zij daar in haar onschuld ligt te slapen,
    Reeds prijsgegeven aan zijn dodelijk wapen.’

    De letterlijke vertaling in het notenapparaat is als volgt:

    ‘Na deze woorden lichtte zijn schuldige hand de klink,
    En met zijn knie opent hij de deur wijd.
    De duif slaapt diep die deze nachtuil wil vangen.
    Zo werkt verraad nog eer verraders bespeurd zijn;
    Wie de slang op de loer ziet liggen, stapt opzij,
    Maar zij, vast in slaap, niet vrezend voor zoiets,
    Ligt overgeleverd aan de genade van zijn dodelijke steek.’

    De lezer kan zelf vaststellen hoezeer in deze strofe de poëtische omzetting afwijkt van de originele tekst, en hoe weinig poëtisch de letterlijke vertaling is. Waar de schone Lucretia in het Engels is overgeleverd aan ‘the mercy of his mortal sting’ is dat in het dichterlijk Nederlands geworden dat zij ‘Reeds [is] prijsgegeven aan zijn dodelijk wapen’, terwijl Lucretia hier echter nog springlevend is. De Engelse ‘mercy’ is wel in de letterlijke vertaling te vinden.

    Vertaling te prozaïsch

    Kortom, de poëtische vertaling schiet zijn doel voorbij omdat die niet duidelijk genoeg is en vaak gewrongen en te vrij. De letterlijke vertaling is te prozaïsch om voor poëtisch te kunnen doorgaan. Op zijn best poëtisch proza, dus. Maar zo heeft de vertaler het vast niet bedoeld en zo presenteert de uitgever het ook niet.

    In strofe één, meteen al een omineus voorteken, staat: ‘Collatium begroet zijn duistere gloed, / Die niemand ziet […]’ Hoe kan dat nu? Iets begroeten wat ‘niemand ziet’? Shakespeare zelf dichtte over ‘lightless fire’, op zich vernuftig vertaald met ‘duistere gloed’, maar bij Shakespeare is dit ‘fire’ ‘in pale embers hid’ wat zich, met Verstegens letterlijke vertaling bij de hand, laat begrijpen als ‘het lichtloze vuur […] in bleke as verscholen’. Geen sprake dus van een begroeting van iets dat onzichtbaar is.

    Deze publicatie is een goede aanleiding  weer eens met deze poëtische en dramatische tekst van Shakespeare bezig te zijn. Het is voor het betere begrip van de Engelse taal jammer dat de poëtische vertaling tegenover het Engels is afgedrukt en dat de letterlijke vertaling in het notenapparaat is ondergebracht. Dat had beter andersom gekund, omdat het voortdurend bladeren tussen het Engels en het Nederlands dan niet nodig is. Tot troost kan strekken dat Frits Droogstoppel na zijn herhaalde voordracht van Heine’s gedicht bij het avondje van de Rosemeyers weliswaar niet de goedkeuring kreeg van zijn vader:  ‘… maar Louise schreide weer, en de dames zeiden dat het heel mooi was.’

     

     

  • Een kooltje-vuur uit een plas bloed

    Een kooltje-vuur uit een plas bloed

    Op een verlaten treinperron staat een mooi meisje, met haar rug naar de muur, tegenover een knappe jongen. Haar middel sterk naar hem toe gebogen haalt ze hem aan, smachtend naar een zoen. Maar hij staat er ongemakkelijk bij, preuts, met de handen in zijn zakken en zonder enige neiging in haar richting. 
De foto van het tafereel op het omslag van Venus en Adonis is een prachtige verbeelding van de zindering in dit lange verhalende gedicht van William Shakespeare.

    Het thema stamt al uit de Griekse mythologie, maar is het meest bekend door de versie die de Romein Ovidius er van gaf in zijn Metamorphosen. Diens werk was in Shakespeare’s tijd zeer populair. Bij Ovidius is de beeldschone Adonis bezeten van de jacht op wilde zwijnen, zeer tot verdriet van liefdesgodin Venus. Zij is doodsbang dat de jongen, op wie ze heimelijk verliefd is, iets zal overkomen. Dat gebeurt inderdaad. Hij raakt dodelijk gewond door een zwijn en Venus rest niets dan bij zijn lijk neer te knielen. Daar ziet ze hoe uit zijn lichaamsbloed een rode bloem opbloeit.

    Shakespeare zet het verhaal naar zijn hand. Bij hem is Venus niet afwachtend. Ze verleidt Adonis, die haar echter steeds afweert, vervuld als hij is van zijn verlangen om achter de zwijnen aan te gaan. Al haar kussen en vermaningen ketsen op hem af en haar liefdesspel is nutteloos, want uiteindelijk worstelt Adonis zich los van haar om op jacht te gaan. Met gelijke afloop als bij Ovidius. Hij sterft, verwond door een zwijn, zonder de liefde van Venus te hebben gesmaakt. En zonder zijn schoonheid aan nageslacht te hebben doorgegeven. Uit zijn bloed ‘daar op de grond verspild, / ontluikt een bloem van purper, wit gevlamd, / gelijkend op zijn bleke lichaam dat / met ronde, rode druppels was bespat.’ De bloem is een ‘adonis’, een ranonkelachtige, in het Nederlands wel aangeduid als ‘kooltje-vuur’, legt Peter Verstegen uit. Hij is de vertaler en commentator van deze nieuwe uitgave.

    Shakespeare is verreweg het meest bekend door zijn nog altijd gespeelde stukken. Maar in zijn eigen tijd oogstte hij veel meer roem om zijn twee lange verhalende gedichten Venus and Adonis en The Rape of Lucrece, over de eveneens aan de mythologie ontleende aanranding van de schone Lucretia.
 Uitgeverij Van Oorschot grijpt de geboorte van Shakespeare, 450 jaar geleden, aan om in 2014 met een vertaling van het eerste gedicht te komen; in 2016, als het 400 jaar geleden is dat hij stierf, komt de vertaling van Lucretia.

    Het is niet de eerste keer dat Venus en Adonis in het Nederlands verschijnt. In 1880 was er al een vertaling van A.S. Kok, maar die van L.A.J. Burgersdijk uit 1888 hield stand tot diep in de 20ste eeuw. Hij verscheen in het kader van het Verzameld Werk van Shakespeare en vanaf 1960 opnieuw in een bewerking door C. Buddingh’ voor de pockets van de Zwarte Beertjes.
 Nu is er de vertaling van de veelgeprezen (al in 1973 gelauwerd met de Martinus Nijhoffprijs voor zijn vertaling van Nabokov’s Pale Fire) Peter Verstegen. Bij Van Oorschot verschenen al eerder tweetalige edities van gedichten van Baudelaire, Verlaine, Emily Dickinson, Shakespeare (de Sonnetten) en Rilke, steeds in het Nederlands uit de pen van Verstegen. Die tweetaligheid verleent meteen al een aanzienlijke meerwaarde aan de nieuwste versie van Venus en Adonis, maar dat geldt zeker ook voor de uitvoerige annotaties van de vertaler die veel verduidelijken over verschillende interpretaties in de loop der eeuwen. Verstegen verhult daarin niet zijn eigen vertaalproblemen en licht zijn keuzes waar nodig toe. 
Maar bovenal is er zijn verfrissende, moderne taalgebruik, zonder dat hij populair wil doen. Zijn vertaling heeft een sensualiteit en, voor de aandachtige lezer, een humor, die de eerder edities van Kok en Burgersdijk / Buddingh’ niet bereikten. Verstegen houdt ritme en rijm (ababcc) van de oorspronkelijke tekst aan, maar blijft ook erg dicht bij de sfeer en kernachtigheid van het origineel. Vaak weet hij daarnaast nog een fraaie klankovereenkomst te bereiken, zoals in de laatste regels van strofe 194, met de i in het Nederlands waar Shakespeare een o heeft:

    Sith in his prime Death doth my love destroy,
    They that love best their loves shall not enjoy.

    wordt bij Verstegen

    De dood deed mijn ontluikend lief teniet,

    Dus zorg ik dat wie liefheeft niet geniet

    En mocht de lezer al ergens de kriebels krijgen van gesmokkel met rijm (Verstegen laat in strofe 199 bijvoorbeeld ‘zwingen’ – de vleugels van duiven – en ‘brengen’ op elkaar rijmen), dan is zelfs dat een te rechtvaardigen keuze omdat hij er al veel eerder op heeft gewezen dat Shakespeare evenmin star was (die laat in strofe 73 ‘move’ rijmen op ‘love’ en in strofe 90 ‘you’ op ‘adieu’).

    Bij Verstegen krijgt het 1200 regels omvattende gedicht bovendien een kader. Volgens hem schreef Shakespeare het voor Henry Wriothesley, graaf van Southhampton, die zijn beschermheer was. Diens voogd had voor Henry een bruid gearrangeerd, maar die wees hij af. Verstegen: ‘Het lijkt erop dat hier schertsenderwijze een parallel werd getrokken met zijn jonge weldoener die niet wenste te trouwen en niet taalde naar vrouwen.’

    De beste manier om duidelijk te maken wat de verschillen zijn tussen de versie van Verstegen en datgene waarmee we het tot nu moesten doen, is de vertalingen van Burgersdijk en hem vergelijken. 
Shakespeare schrijft in strofe 4:

    And yet not cloy thy lips with loathed satiety,

    But rather famish them amid their plenty,

    Making them red and pale with fresh variety,

    Ten kisses short as one, one long as twenty:

       A summer’s day will seem an hour but short,

       Being wasted in such time-beguiling sport.’

    Bij Burgersdijk werd dat:
    Maar ducht toch geen verzadiging, veeleer
    Zijt ge in ’t genot om de’ eeuw’gen dorst verwonderd;
    Gij gloeit, ik blusch, en daad’lijk gloeit gij weer;
    Tien kussen zijn als éen, éen lang als honderd;
    Een zomerdag schijnt u een korte stond,
       Bij zulk een spel en kortswijl mond aan mond.”

    Verstegen vertaalt, uiteraard moderner, maar ook veel speelser en sensueler:

    Zó dat je lippen nooit verzadigd raken
    En gretigheid nog groeit bij overvloed,
    Die ze afwisselend rood en bleek zal maken,
    Tien kussen snel; één traag, tien maal zo zoet:
    Een zomerdag lijkt tot een uur bekort,
    Want je vergeet de tijd bij deze sport’
    .

    Dan gaat het bij Verstegen toch een stuk meer kriebelen en herinner je je eigen eerste verliefdheid. Met je eerste verlegenheid of eerste hartstocht.