• Kafka’s leven in brieven

    Kafka’s leven in brieven

    Ik moet u zo ontzettend schrijven, een keuze uit de brieven van Franz Kafka, is een van de laatste vertalingen van Willem van Toorn (1935-2024). Hij vertaalde vrijwel alles van Kafka, ook de briefwisseling tussen Kafka en Max Brod – levenslange vriend en latere biograaf – waarvan veel brieven in deze bundeling zijn terechtgekomen. De titel is ontleend aan één van de brieven aan Milena, een van Kafka’s geliefden. Het is een ‘strikt persoonlijke keuze’ schrijft Van Toorn in de inleiding, het zijn de brieven die hem het meest vertelden over de mens en de schrijver Kafka. In 2024 verscheen ook nog een boekje met Van Toorns essays: Kafka voor beginners, als een afscheid van zijn lezers.

    De bijna driehonderd door Van Toorn gekozen brieven van Kafka zijn van 1900 tot 1920 geschreven aan vrienden, familie, geliefden, en uitgevers. Ze staan in chronologische volgorde, zodat ze een beeld geven van Kafka’s leven en ontwikkeling tot vier jaar voor zijn dood. De laatste jaren ontbreken helaas, misschien ontbrak het Van Toorn aan tijd de briefwisseling af te maken. De laatste vier jaar vat hij samen in één pagina commentaar, geen brief uit deze belangrijke periode. Ook omdat het vijfde en laatste deel van de uitgave van de Briefe van Kafka die door Hans-Gerd Koch is samengesteld, pas later dit jaar zal verschijnen. Alle brieven en kaarten in deze uitgave zijn voorzien van uitgebreide bronvermelding en commentaar. 

    Belangrijk materiaal voor biografen

    Achter de brieven in zijn vertaling heeft Van Toorn een korte toelichting geschreven, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van de beschikbare bronnen door Kafka-specialisten Hans-Gerd Koch, Hartmut Binder en Klaus Wagenbach. Helaas staat er in deze uitgave geen register op de ontvangers, dat het op- en terugzoeken van de brieven voor de lezers eenvoudiger zou kunnen maken.  

    De brieven en dagboeken zijn belangrijk materiaal geweest voor de biografen van Kafka, die na de eerste biografie van Max Brod uiteindelijk beter in staat waren een minder persoonlijk gekleurd en ongecensureerd beeld van Kafka te geven. Deze keuze uit de brieven Kafka is ook een unieke bron om de mens Kafka te leren kennen: een uiterst vriendelijke, gevoelige, fundamenteel twijfelende en ook humoristische Kafka. Zijn brieven, en niet te vergeten zijn dagboeken, omvatten bij elkaar veel meer tekst dan al zijn verhalen en romans bij elkaar. Kafka zelf zou waarschijnlijk, net als van zijn nagelaten romans en andere teksten, nooit gewild hebben dat ze werden gepubliceerd. Hij wilde die manuscripten zelfs laten vernietigen. Gelukkig heeft zijn vriend Max Brod die wens van Kafka niet echt serieus genomen en vrijwel alles laten publiceren dat volgens hem de moeite waard was. 

    Literaire juweeltjes

    Veel van Kafka’s brieven zijn literaire juweeltjes. In een van de eerste gekozen brieven schrijft de 20-jarige Kafka aan zijn vriend Oskar Pollak de beroemd geworden zin ‘We hebben de boeken nodig die ons treffen als een ongeluk dat ons veel pijn doet, zoals de dood van iemand die wij meer liefhadden dan onszelf, alsof we verstoten waren naar de bossen, ver van alle mensen, als een zelfmoord, een boek moet de bijl zijn voor de bevroren zee in onszelf.’ 

    Het grootste deel van de gekozen brieven is geschreven aan zijn geliefde Felice Bauer, van september 1912 tot begin 1918. Deze brieven ‘getuigen van een grote gespletenheid van Kafka ten opzichte van Felice’ schrijft Van Toorn in een van zijn commentaren. Het was een bijzonder moeizame relatie die verschillende keren aan en uit ging, zoals met de dramatische woorden van Kafka in een brief uit mei 2013: ‘Dit is dus het einde Felice met dit zwijgen laat je me los en maak je een einde aan mijn hoop op het enige geluk dat op aarde voor mij mogelijk is.’

    Ruim vier jaar later schrijft Kafka aan zijn zuster Ottla over een bezoek van Felice: ‘De dagen met F. waren erg (…) en de laatste middag heb ik meer gehuild dan in alle jaren in mijn kindertijd.’ In zijn ‘vermoedelijk’ laatste brief aan Felice Bauer: ‘Een ding wilde ik nog zeggen: er waren en zijn ogenblikken waarop voor mij (…) iets in wezen hogers door lijkt te breken, maar ik ben, zoals altijd, te zwak om het vast te houden of het tegenover mij in stand te houden’.     

    Brieven aan Milena Jesenska-Polak

    Naast deze brieven zijn er veel aan vriend Max Brod en de bekende brieven aan Milena Jesenska-Polak, met wie Kafka vanaf maart 1920 een intieme, niet alleen epistolaire liefdesverhouding onderhield. Over haar brieven schrijft Kafka aan Milena dat ze ‘als geheel, bijna in elke regel, het mooiste (zijn) wat mij in mijn leven is overkomen’. Ook schreef hij haar ‘Enige tijd geleden heb ik je gevraagd niet elke dag te schrijven, ik was bang voor de brieven; als er een keer geen kwam was ik rustiger; als ik er één op de tafel zag liggen, moest ik al mijn krachten verzamelen en dat was bij lange na niet genoeg – en vandaag zou ik ongelukkig zijn geweest als deze kaarten (…) niet waren gekomen. Dank je.’ 

    De laatste brief die Van Toorn koos, is aan Kafka’s zus Ottla over zijn aankomst in Matliary in de Tatra waar Ottla een kamer voor hem heeft gereserveerd. Zij was zelf niet meegekomen, zoals oorspronkelijk de bedoeling was, schrijft Van Toorn in zijn commentaar ‘omdat ze bang was voor besmetting’. Kafka had tuberculose. In Matliary zou hij student Robert Klopstock die ook aan tuberculose leed, ontmoeten. ‘Klopstock zou hem tot op het moment van zijn sterven terzijde staan.’
    Voor de brieven uit de laatste jaren tot juni 1923 is de lezer aangewezen op het laatste deel van de – oorspronkelijke, duitstalige – Briefe dat in november zal verschijnen.  



  • Oogst week 21 – 2024

    Kafka voor beginners

    Dit jaar is het honderd jaar geleden dat Franz Kafka stierf. Hij werd niet ouder dan 40 jaar en publiceerde tijdens zijn leven weinig. Toch worden begrippen als ‘kafkaësk’ en ‘kafkaiaans’ voor situaties waarin een individu wordt vermalen in bureaucratie en instituties, wijd en zijd gebruikt. Dat is vooral te danken aan zijn vriend Max Brod die tegen de wens van de schrijver na zijn dood al zijn geschriften, waaronder zijn drie romans, toch uitgaf. In Nederland is onder andere schrijver-dichter Willem van Toorn een groot ambassadeur voor Kafka. Hij vertaalde al zijn werk. Ter gelegenheid van de herdenking van de sterfdag van de auteur verzorgde hij nu ook twee uitgaven die prachtige inleidingen vormen op het oeuvre en de gedachtewereld van de ‘tovenaar uit Praag’. In Kafka voor beginners geeft hij een beknopt overzicht van zijn leven van zijn vroegste inspiratie tot zijn latere romans, zijn rake beschrijvingen, zijn ziekte en zijn vriendschappen en zijn humor.

    Hoewel velen bij Kafka vooral denken aan de romans ‘Het proces’, ‘Het slot’ en ‘Amerika’ of aan zijn korte verhalen als ‘De gedaanteverwisseling’ en ‘Een hongerkunstenaar’ zijn daarnaast zijn vele brieven indrukwekkend. Ook uit die brieven maakte Van Toorn een selectie in Ik moet u zo ontzettend veel schrijven. De brieven zijn uit de jaren  1900 tot 1920 en door Van Toorn voorzien van een toelichting.

    Kafka voor beginners
    Auteur: Willem van Toorn
    Uitgeverij: Athenaeum

    Walvistij

    Walvistij is de debuutroman van de Engelse  Elizabeth O’Connor (geb. 1992), die daarvoor bekend was van haar korte verhalen. De roman speelt zich af in de laatste vier maanden van 1938, kort voor de oorlog dus, op een afgelegen eiland voor de kust van Wales. Er wonen maar twaalf gezinnen, waaronder dat van de 18-jarige Manod, haar zus en haar vader (hoe het zit met de moeder wordt later in de roman duidelijk). Ze is geboren op 20 januari 1920, maar haar geboorteakte vermeldt 30 januari ‘omdat mijn vader niet eerder bij het bevolkingsregister op het vasteland kon zijn’.
    De komst van twee antropologen, Edward en Joan, die de bevolking en de geschiedenis van het eiland willen bestuderen, maakt dat Manod nieuwsgierig wordt naar het vasteland en ze ziet er een kans in om aan de bekrompenheid van haar omgeving te ontsnappen.
    Het verhaal krijgt een onheilspellende wending als een walvis aanspoelt waarvan de bewoners zich niet lijken te kunnen ontdoen:  ‘De walvis strandde ’s nachts op een van de platen voor het eiland. Hij dook op uit het water als een kat die onder een deur door kruipt. Hij werd door niemand opgemerkt, niet door de lichtcirkel van de vuurtoren op het water, niet door de vissers die ’s nachts op hun wijting en tong visten, niet door de boeren die bij zonsopgang hun vee over de heuvel leidden (…) Volgens enkele ouderen was het een teken, hoewel ze het er niet over eens waren of het een goed of slecht teken was. Meneer Jones, de dominee, las bijna elke week de Engelse kranten, maar volgens hem was er niets dat de komst van het dier kon verklaren’.

    Walvistij
    Auteur: Elizabeth O'Connor
    Uitgeverij: Ambo/Anthos

    Het Dalkey-archief

    De boeken van de Ier Flann O’Brien (1911-1966) worden bevolkt door bizarre figuren en de setting is meestal absurdistisch. In het in 2010 in het Nederlands verschenen Op twee-Vogel-Wad voerde O’Brien bijvoorbeeld een schrijver op die personages schept die tegen hem in opstand komen en in De derde politieman, dat in 1972 in het Nederlands verscheen pleegt een schrijver een roofmoord omdat hij een wetenschappelijk commentaar wil uitgeven op de natuurkundige theorieën van een waanzinnig geleerde, De Selby. Deze zelfde De Selby duikt op in Het Dalkey-archief, O’Briens roman uit 1964 (Dalkey is een slaperig kuststadje op 20 km van Dublin). De geleerde probeert deze keer de wereld te vernietigen door alle zuurstof uit de lucht te halen en whisky te laten rijpen door toepassing van de relativiteitstheorie: de drank kan dan in een paar uur decennia ouder worden. In de roman figureren verder Sint Augustinus, in gesprek met De Selby, en James Joyce die zijn overlijdensbericht vervalst heeft. En voor wie de verwikkelingen nog niet absurd genoeg zijn is er het klankrijke taalgebruik: ‘In deze landstreken, merkte De Selby op, wemelt het wonderbaarlijk van klaplopers, kwistenbiebels en kusmekloten’. Laat dat soort vertalingen maar over aan Robbert-Jan Henkes. Hij verzorgde ook een nawoord bij de roman.

    Het Dalkey-archief
    Auteur: Flann O'Brien
    Uitgeverij: Koppernik
  • Het oorlogscynisme van de Nederlandse bobo’s

    Het oorlogscynisme van de Nederlandse bobo’s

    In de Nederlandstalige letteren zijn geëngageerde schrijvers een zeldzame soort. Op het eerste gezicht lijkt de roman Morgenrood van Willem van Toorn de uitzondering op die regel te vormen. We hebben namelijk te maken met een schrijver die wel degelijk een activistisch schokeffect aan de lezer wil bezorgen. Hij wil ons duidelijk wakker schudden. Geen pagina laat Van Toorn immers onbenut om de meedogenloosheid, geweldzucht en onverschilligheid van de moderne mens te karakteriseren. En in deze grauwe portretstudie is Nederland tegen wil en dank zijn model, want ‘het is een cynische wereld en het pragmatische Nederland zingt de eerste stem in dit pecunia koor.’ Maar ook in een harde wereld worden verhalen verteld.

    Corduroy en Oorlog

    Van Toorn vertelt over de 27-jarige Thomas Corbelijn, die Duitse les geeft aan kosmopolitische bobo’s van wie hij vreest dat zij weldra zijn appartement in De Pijp in Amsterdam zullen overnemen. De tot dan toe sociale huisvestingsmaatschappij Morgenrood heeft besloten om de gebouwen te renoveren, waarna de eigenaars de huurprijs waarschijnlijk drastisch zullen verhogen. Enkel zijn in colberts en corduroy vesten geklede bobo-leerlingen zullen nog kapitaalkrachtig genoeg zijn om deze ‘schoftenstreken van het kapitaal’ te kunnen trotseren in deze ‘bezopen wereld’. Van Toorns uithalen tegen het neoliberale bobo-beleid zijn striemend en komen veelvuldig voor. Al bieden expliciet geformuleerde zinnen als ‘het uitverkopen van de democratie aan de macht die geen geweten heeft’ weinig literaire of inhoudelijke meerwaarde en worden die na een tijdje ronduit vervelend om te lezen.

    Gelukkig verweeft Van Toorn gaandeweg Thomas’ millennialsbestaan met fragmenten uit de oorlogsdagboeken van zijn betovergrootvader Maarten Corbelijn en diens eerste vrouw Klaartje, waardoor er wat meer ademruimte ontstaat. Susan, een kunstenares, heeft die dagboeken aan Thomas bezorgd en samen gaan ze op pad langs de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog om hun anekdotes te reconstrueren. Als journalist is Maarten éénmaal vanuit het neutrale Nederland, het ‘zo onwaarschijnlijk lijkende landje zonder oorlog’, naar het front afgedaald. Zijn primaire doel was echter niet professioneel van aard. Hij ging op zoek naar Klaartje, die vrijwillig dienstdeed als verpleegster aan het front en van wie hij plotseling geen brieven meer ontving. Vanuit het heden ten dage zo onwaarschijnlijk lijkende pragmatische landje ondernemen Thomas en Susan dezelfde tocht als Maarten:

    ‘We reden onder zacht namiddaglicht door het landschap van Klaartjes brief terug naar het huisje.’

    Cyclisch Cynisme

    Tijdens hun tocht ontwaart Thomas in de maankraters van de slagvelden niet alleen de restanten van een verschrikkelijke oorlog, maar ook de weerspiegeling van zijn eigen tijd. In deze cynische wereld zonder hoop wordt zelfs het toenmalige leed een marketingsproduct op ‘reizennaarWOI.nl’ en dienen grijsblauwe foto’s van soldaten autobestuurders naar een monument te lokken. In het schetsen van deze parallellen tussen de desillusies na de grote oorlog en ons huidig tijdsbestek is Van Toorn op zijn best, omdat hij de twee subtiel en humoristisch aan elkaar verbindt. Onderweg zien ze bijvoorbeeld hoe twee gescheiden ouders bruut hun kind van auto laten wisselen, vlakbij het verwoeste dorpje Naurnoy. En even later vertelt een Amerikaanse toerist aan Susan en Thomas dat een dakloze man in Canada besmet is geraakt met de uitgestorven gewaande ‘trench fever’. Net als de koloniale soldaten indertijd, enkel waardig bevonden voor het grafopschrift ‘mort pour la France’, betalen de zwaksten als eerste het gelag. De onderliggende boodschap hiervan lijkt dat zelfs de gruwelijkste geschiedenis zich herhaalt.

    Die wetmatigheid lijkt ook op te gaan voor Thomas’ familiegeschiedenis, waarin reactionaire vaders progressieve zonen krijgen en vice versa. Zo speelt Thomas’ overleden vader een belangrijke schaduwrol in deze roman. Hij was een charmante en excentrieke man, die meedraaide in de hoogste diplomatieke kringen. Na een tijdje verbraken zowel Thomas’ opa en moeder, als hijzelf het contact met deze pragmatische man van de wereld. Het is niet moeilijk om in dat personage de personificatie de voorloper van de bobo-mentaliteit te ontwaren. Die mentaliteit omvat de onverschillige exploitatie van de medemens en de planeet. Zo’n levenshouding is nauw verbonden met een imperialistische wereldvisie, die tot twee wereldoorlogen heeft geleid. Zo stelt Hella, Thomas’ moeder, over diens vader dat ‘hij steeds extremer leek te worden, steeds meer overtuigd van zijn eigen gelijk, van de domheid van de mensen, vooral van de politiek, van zijn eigen recht excentriek te zijn.’ Die verbittering staat in schril contrast met de sociale bevlogenheid van opa Herman, met wie Thomas opnieuw contact zoekt. Thomas beseft zelf dat hij het product is van op elkaar reagerende voorvaderen. Die cyclische familiedynamiek tussen progressief en conservatief verzwaart de noodlottigheid van deze roman, want wie durft er nu nog te voorspellen dat het de volgende generatie beter zal vergaan?

    Dualisme tussen twee levenshoudingen

    Dat cynisme wordt bij vlagen overwonnen door Thomas’ passie voor de literatuur. Geregeld verwijst hij naar schrijvers en boeken. Hij besluit zelfs een artikel te schrijven over de houding van schrijvers tegenover de Eerste Wereldoorlog. Ook hier creëert Van Toorn een dualisme tussen twee levenshoudingen. Hij plaatst de ronkende oorlogstaal van Ernst Jünger tegenover antimilitaristische schrijvers als Barbusse, van wie opa Herman veel in zijn kast heeft staan. Reeds op jonge leeftijd ondervindt Thomas dat het onderscheid genuanceerder ligt, wanneer zijn vader hem er fijntjes op wijst dat ook de humanistische Thomas Mann het geweld van de Eerste Wereldoorlog als reinigend beschouwde. Zulke discussies tussen vader en zoon zijn boeiender dan de meta-hoofdstukjes, waarin Van Toorn zich profileert als schrijver en opsommingen geeft over corona en de kwalijke gevolgen van ‘woke’-denken.

    Morgenrood is geen feelgood-roman, maar wel een roman die een pragmatische en schijnbaar neutrale levenshouding genadeloos ontmaskert als de kern van onverschilligheid. Het paradoxale aspect is dat Van Toorn zo nadrukkelijk het cynisme in de maatschappij wenst te portretteren dat de lezer er evengoed de brui aan kan geven, vanuit de gedachte dat alles toch al naar de vaantjes is. Dat is natuurlijk volstrekt legitiem, afgezien van de metatirades van de schrijver en de gemeenplaatsen over neoliberalisme. Enkel in de sluimerende liefdesverhouding tussen Thomas en Susan gloort nog wat hoop: een open toekomst in de gedaante van een mogelijk kind. In een mooie reflectieve passage citeert Thomas Kafka om te duiden dat zelfs deze pessimistische auteur in kinderen krijgen het hoogst haalbare zag waarin een mens kan slagen. Het is dezelfde schrijver die stelde dat er hoop is, maar niet voor ons. Slechts de generatie die pas écht radicaal breekt met de vorige, mag hopen op betere tijden. In het cyclische wereldbeeld van Morgenrood lijkt die hoop op verandering echter een pure wensdroom te zijn, een waanidee dat irreëler is dan een Derde Wereldoorlog.

     

     

  • Oogst week 42 – 2021

    Vier kippen leven genoeglijk in de achtertuin van de vrouwelijke verteller van Broed, de debuutroman van de Amerikaanse Jackie Polzin. Ze hebben namen, kakelen tevreden, leggen eieren en zijn zich niet bewust van de gevaren die hen bedreigen: de harde winter, de hete zomer, roofdieren, onzekerheid over hun bestaan. Tegen dat alles probeert de ik hen te beschermen, in het begin onwetend en onzeker.

    Dat dieren voor Polzin een thema zijn blijkt tevens uit het artikel dat ze schreef voor de StarTribune, een online nieuwskrant voor Minnesota. Ze vertelt hierin dat ze een rups in haar tuin vindt, die ze op een esdoorntak naar binnen haalt en verzorgt totdat de rups een cocon spint en uiteindelijk een vlinder wordt. Haar moeder, liefhebber van insecten, was haar voorbeeld met het jaar na jaar voeren en verzorgen van rupsen en cocons.

    In Broed is de moeder van de verteller een van de liefdevolle mensen in haar omgeving. Ook een vriendin probeert haar en haar ondoorgrondelijke echtgenoot bij te staan bij het verwerken van een miskraam. Is het houden van de kippen een manier om toch het moederinstinct te kunnen uitleven?

    Uitgeverij: Atlas contact

    ‘Alle dingen in de menselijke wereld zijn beelden die tot leven zijn ontwaakt,’ zei Franz Kafka, beroemd om zijn ongeëvenaarde verhalen. Maar in 2019 opende de Nationale Bibliotheek van Israël het Max Brod archief, waardoor de roem zich niet meer alleen tot zijn schrijverschap zal uitstrekken. In het archief werden tot dan toe onbekende tekeningen van de schrijver ontdekt. Hij maakte ze in de jaren 1901 – 1906. Tijdens zijn rechtenstudie aan de universiteit verveelde hij zich en krabbelde dan tekeningetjes op papier waarvan hij vond dat ze persoonlijk waren en niet mochten worden gedeeld met anderen. Aan zijn verloofde Felice Bauer schreef hij in 1913: ‘Ik was ooit een groot tekenaar, maar toen ben ik bij een slechte schilderes schoolse tekenlessen gaan nemen en heb ik mijn hele talent verknoeid.’

    Uitgeverij Athenaeum doet nu een luxe kunstuitgave het licht zien met meer dan 200 van Kafka’s tekeningen. 140 daarvan worden voor het eerst aan de openbaarheid prijsgegeven. De uitgave is samengesteld door Andreas Kilcher, Pavel Schmidt en Judith Butler. Zij voegden ook begeleidende essays en een verantwoording toe.

    Auteur: Redactie Andreas Kilcher
    Uitgeverij: Athenaeum

    Vleermuis in het ziekenhuis

    Soms toont de schrijver zich woedend in Vleermuis in het ziekenhuis, soms onthutst, maar altijd is hij tot in zijn vezels betrokken bij de gebeurtenissen in het ziekenhuis. Schrijver en dichter Leo Hermens is fysiotherapeut in een ziekenhuis waar hij onder meer werkt met mensen met een hersenbeschadiging. Tijdens de coronapandemie zag hij van dichtbij hoe zorgverleners tot het uiterste gingen om opgenomen covid-patiënten te redden en hoe zwaar genezende patiënten het hadden. Het publiek zag en hoorde via de media voornamelijk cijfers, interviews en verhalen van professionals over een dan nog streng afgeschermde wereld.

    Met de feuilleton van Leo Hermens op zijn facebookpagina kwamen er plotseling indringende en ontroerende verhalen rechtstreeks van de medische frontlinie beschikbaar. Op literaire en pakkende wijze deed Hermens verslag van de gebeurtenissen. De nieuwe uitgeverij Kwakman & Smet, gericht op specifieke projecten, gaf gehoor aan de oproep van vele facebooklezers om de verhalen en beschouwingen over het covid-jaar uit te geven.

    Vleermuis in het ziekenhuis
    Auteur: Leo Hermens
    Uitgeverij: Kwakman & Smet
  • Oogst week 27 – 2020

    De hel en andere bestemmingen

    Madeleine Albright (1937) werd in 1997 de eerste vrouwelijke minister van Buitenlandse Zaken onder Bill Clinton. Ze was lid van de Nationale Veiligheidsraad en ambassadeur voor de VS bij de Verenigde Naties. De hel en andere bestemmingen zijn haar memoires van 2001-2019.

    Toen Albright in 2001 terugtrad als minister van Buitenlandse Zaken, werd haar gevraagd hoe zij herinnerd wilde worden. Haar antwoord: ‘Ik wil niet herinnerd worden, ik ben er nog steeds en ik wil dat elke fase van mijn leven spannender is dan de voorgaande.’

    Sinds die tijd houdt ze zich bezig met schrijven, lesgeven, reizen, lezingen geven, strijden voor democratie, opkomen voor vrouwen, campagne voeren voor politieke kandidaten en haar kleinkinderen. Ze is een strijder pur sang en met haar schrijven geeft ze een stem aan miljoenen mensen die respect verdienen, ongeacht hun gender, achtergrond of leeftijd.

    Volgens de uitgever is Madeleine Albright op haar best in dit boek: ‘openhartig, grappig, persoonlijk en serieus’.

    De hel en andere bestemmingen
    Auteur: Madeleine Albright
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    De dagen

    Willem van Toorn (1935) heeft een lange staat van dienst als roman- en verhalenschrijver, dichter en essayist. Daarnaast schreef hij de biografie van Emanuel Querido, de grondlegger van Uitgeverij Querido. 

    Onlangs verscheen van hem de dichtbundel De dagen bij uitgeverij Querido. Een bundel met heldere gedichten die hun oorsprong vinden in alledaagse ervaringen en waarnemingen. Van Toorn woont een groot deel van het jaar in Midden-Frankrijk, de dagelijkse werkzaamheden daar – zoals houthakken voor de winter, omgang met eeuwenoud gereedschap, het overtrekken van kraanvogels, krijgen soms een plaats in zijn poëzie. Weer andere gedichten ontstaan uit confrontaties met de dood, zo is daar de aanwezigheid van een overleden vader, de herinneringen van Dora Diamant aan Franz Kafka, en het delven van een graf voor een kleine hond.

    Voor zijn poëzie ontving Willem van Toorn de Jan Campertprijs, de Herman Gorterprijs en de A. Roland Holst-penning 2000.

    In het juryrapport van die laatste prijs: ‘Willem van Toorn ergert zich aan het feit dat mensen betrekkelijk machteloos staan tegenover een voortdurend veranderende samenleving, die helaas ook steeds onpersoonlijker wordt, die ons haar regels oplegt en ons een bestaan laat leiden dat we niet zelf hebben gekozen. […] Dit is wat Van Toorn bezighoudt. De melancholie om het verval, de liefde voor het landschap, het ironisch geamuseerd zijn, het meegevoel, het verlangen om iets vast te houden in taal […] De taal overleeft.’ 

    De dagen
    Auteur: Willem van Toorn
    Uitgeverij: Querido

    Zeeangst

    Als jongetje van dertien was schrijver L.H. Wiener bijna verdronken, of zoals hij het zelf zegt, had hij, ‘het verdrinkingsproces zo goed als geheel ondergaan.’ Deze gebeurtenis heeft de zee tot zijn vijand gemaakt, die aldus bestreden moet worden. In zijn logboek Zeeangst doet Wiener daar verslag van. Wiener maakte als schipper met zijn vriendin en hun poes een zeiltocht langs de Engelse zuidkust en het eiland Wight.

    Naast een logboek is het ook een scheepsjournaal van een schrijver die een glas whisky brengt naar het graf van Malcolm Lowry, een saluut brengt aan Virginia Woolf. Inzake de poes die meevaart, spreekt de schrijver ook Paul Leéautaud nog aan.

    Achterin is een mooie lijst met zeilbegrippen opgenomen, zoals: ‘zeemijl – nautische afstandsaanduiding: 1.852 meter’. Dat maakt het meevaren als lezer inzichtelijker.

    Zeeangst
    Auteur: L.H. Wiener
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Oogst week 16

    Een zomer in Venetië

    In de oogst van deze week een kleine roman van de Poolse schrijver Włodzimierz Odojewski, evenals van de Duits/Franse schrijfster Cécile Wajsbrot, nagelaten werk en brieven van Franz Kafka en het laatste deel uit de Cazelets-reeks.

    Włodzimierz Odojewski (1930-2016) schreef vele romans, verhalen, theaterstukken en gedichten. Zijn werk werd onder meer in Frankrijk, Duitsland en Spanje vertaald. Een zomer in Venetië is het eerste boek van Odojewski dat in het Nederlands vertaald is.

    Een zomer in Venetië gaat over het negenjarige jongetje Marek dat op vakantie gaat naar Venetië. Hoewel hij pas negen is, weet hij alles over de stad. Maar de zomer van 1939 heeft andere verrassingen voor hem in petto. Vanwege de dreigende oorlog moet hij in Polen blijven en wordt hij naar zijn tante Weronika op het platteland gestuurd. In haar landhuis ontdekt hij op een dag een plas water in de kelder, die snel groter wordt. Een heilzame bron!

    Zijn lievelingstante Barbara gaat meteen met dit idee aan de slag. Stoelen worden bruggen, de pingpongtafel wordt het San Marcoplein. En terwijl buiten uit de blauwe lucht de eerste bommen vallen, beleeft Marek onder de lampionnen in de verduisterde kelder een reis die het echte Venetië ver overtreft.

    Een zomer in Venetië
    Auteur: Wlodzimierz Odojewski
    Uitgeverij: Querido

    Caspar David Friedrichstrasse

    Tijdens de oorlog waren de ouders van Cécile Wajsbrot naar Frankrijk gevlucht waar zij in 1954 als dochter van Poolse joden in Parijs geboren werd. Tegenwoordig leeft ze afwisselend in Parijs en Berlijn.

    Caspar David Friedrichstrasse is een bitter relaas van een leven voor en na de muur in Berlijn. Over levens die verscheurd werden. De Duitse kunstenaar Caspar David Friedrich (1774-1840) was een schilder uit de romantische periode. In het Berlijn van na de muur wordt een straat naar de kunstenaar vernoemt.

    Een dichter wordt gevraagd te spreken op de openingsceremonie van de straat, hij laat zich meeslepen door herinneringen aan een geliefde aan de andere kant van de muur. Midden in zijn  gepassioneerde lezing over het werk van de romantische schilder, verbindt hij heden met verleden. Dan verandert zijn toespraak in een bekentenis over een leven dat even verscheurd is als de geschiedenis van zijn land.

    Caspar David Friedrichstrasse
    Auteur: Cécile Wasjbrot
    Uitgeverij: Vleugels

    Veranderingen

    Voor de trouwe  Cazalets lezers is er goed nieuws (of niet). Het vijfde en laatste deel van de Cazalets-serie van Elizabeth Jane Howard (1923-2014) is verschenen. Op zesendertigjarige leeftijd debuteerde Howard met The Beautiful Visit. Na een aantal mislukte huwelijken maar wel succesvol als schrijfster, werd ze de tweede vrouw van Kingsley Amis. Het was op aanraden van haar stiefzoon, de schrijver Martin Amis dat Howard in 1982 begon aan de romanreeks geënt op haar eigen familiegeschiedenis, de Cazalets.

    In het vijfde en laatste deel Veranderingen is het halverwege de jaren vijftig. De baronie is overleden, en met haar is een heel tijdperk voorgoed verdwenen. Hoewel de oorlog al tien jaar voorbij is, voelen de Cazelets kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen nog steeds de naschokken ervan. Veel staat er op het spel, het voortbestaan van hun geliefde Home Place, het familiebedrijf, familierelaties en huwelijken. En de nichtjes Polly en Clary proberen het huwelijk en moederschap te combineren met professionele ambities.

    Veranderingen
    Auteur: Elizabeth Jane Howard
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap

    Franz Kafka (1883 – 1924) schreef voornamelijk proza, waarvan zijn romans Het proces (1925), Het slot (1926) en Amerika (1927) de bekendste zijn. Later vonden ook enkele prozavertellingen hun weg naar het grote publiek. Pas in de jaren dertig van de negentiende eeuw groeide de belangstelling voor zijn werk, dat mede dankzij zijn vriend Max Brod postuum verscheen.

    ‘Mijn schrijven ging over jou,’ luidt Kafka’s oordeel over zijn eigen literaire werk in Brief aan mijn vader. Veel van de teksten in deze verzameling alsook veel van de ‘Aforismen’ gaan over de verhouding van het individu tot de ander, de samenleving, de macht.

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap bevat een keuze uit nagelaten verhalen en fragmenten. Kafka schreef de Brief vijf jaar voor zijn dood, in 1919. Opmerkelijk is dat hij de brief typte, waaruit kenners opmaken dat hij met deze brief niet enkel privé bedoeling had. Toch was de brief wel degelijk voor zijn vader bedoeld, al durfde Kafka hem niet zelf op te sturen. Hij vroeg zijn moeder de brief door te geven, maar zij weigerde. Het is een uiterst persoonlijk, pijnlijk en aangrijpend document waarin de vaderfiguur bijna mythische vormen aanneemt.

     

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap
    Auteur: Franz Kafka
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Epische beschrijving van een mensenleven

    Epische beschrijving van een mensenleven

    Ook in deze nieuwe bundel van Willem van Toorn (1935) zijn de kenmerken terug te vinden die vanaf zijn poëziedebuut in 1959 zijn gedichten een constant herkenbaar karakter hebben gegeven: traditioneel, sober en eenvoudig. Zonder eindrijm maar met een vaste metriek en vormen. Beschrijvingen van ogenschijnlijk kleine voorvallen die een grote invloed hebben op de hoofdpersonen. Op het eerste gezicht lijkt de bundel een autobiografie in verzen: het levensverhaal van ene W. wordt gevolgd vanaf een vroege herinnering tot aan de ouderdom van nu.

    Het ligt voor de hand aan te nemen dat Van Toorn over zichzelf dicht. Toch heeft de dichter in interviews regelmatig benadrukt dat zijn werk niet alleen over hem gaat of over mensen uit zijn omgeving. Hij brengt de personages in zijn gedichten voor het voetlicht alsof ze figureren in een toneelstuk dat gebaseerd is op de werkelijkheid. Een dichter kan, evenals een schrijver van proza, spreken over ‘ik’ zonder dat hij daarmee zichzelf bedoelt. Niet alles wat hij de ‘ik’ laat vertellen of overkomen, wordt daarmee automatisch autobiografisch. Hij heeft een personage geschapen, waarin heus wel autobiografische elementen zullen zitten – iedere schrijver stopt iets van zichzelf in zijn werk – maar dat kan zelfstandig bestaan en heeft ‘het vertelperspectief van het gedicht in handen’, volgens Ingmar Heytze in het tijdschrift Onze Taal. De reden daarvoor is volgens Heytze ‘het scheppen van afstand om daardoor beter te kunnen kijken naar het verleden en naar zichzelf’. Van Toorn doet dat in zijn gedichten alsof hij kijkt naar foto’s uit een familiealbum, die momentopnames van de tijd laten zien. Hij roept de beelden als het ware uit zijn geheugen op.

    Vastgelopen leven

    De jongenskamer heeft als ondertitel ‘Een gedicht’, omdat het één lange epische beschrijving is van een mensenleven. Toch bestaat de bundel uit twee delen: het eerste deel beslaat tweederde van de bundel en vertelt over het leven van W. tot op het moment waarop hij besefte dat zijn huwelijk en zijn leven vastgelopen waren en dat het tijd werd zich te bezinnen op een verandering voordat het te laat zou zijn: ‘Er is nog steeds een wereld daarbuiten, weet W natuurlijk ook.’
    In het tweede, veel kortere deel sluit het eerste gedicht hier rechtstreeks op aan, terwijl de dichter vanuit een ander huwelijk en een ander land, levend in het nu, terugkijkt op zijn vroegere leven:

    Hoe herinner ik mij dit nu – alsof er iets begon
    wat niet langer uitblijven kon, zich had samengebald
    voor een moment, een sprong. Zo dus. […]’

    Proza als opmaat

    Regelmatig worden de gedichten afgewisseld met een bladzijde proza, dat als opmaat gebruikt wordt voor de daaropvolgende gedichten of als terugblik en samenvatting van de voorafgaande. Poëzie en proza zijn in het werk van Van Toorn onlosmakelijk met elkaar verbonden: in een interview noemde hij zichzelf ‘een dichter die af en toe in proza de wat grotere commentaren levert’. Op deze manier loodst Van Toorn de lezer door het leven van W. in de wereld waarvan hij deel uitmaakt: de bezoeken aan de grootouders in de provincie, de Tweede Wereldoorlog en de bevrijding, het studentenleven, een baan als leraar, de eerste liefde, huwelijk, kinderen, scheiding. Hij laat zien hoe maatschappelijke en politieke veranderingen door de tijd hun weerslag hebben gehad op het persoonlijke leven van W. Maar W. is minstens zoveel beïnvloed door de reizen die hij maakt en de boeken die hij leest. Daarom heeft Van Toorn zijn gedichten doorspekt met citaten, namen en titels van schrijvers en boeken, zoals in het gedicht dat gaat over een poëziefestival in de jaren zestig, waarin Van Toorn talloze versregels citeert van bekende binnen- en buitenlandse dichters.

    Cyclus van gedichten voor leeftijdgenoten

    Dat heeft te maken met het feit dat Van Toorn ook veel vertaald heeft. De lezer dient over een goede bibliotheek en een brede algemene ontwikkeling te beschikken om alle namen en citaten thuis te kunnen brengen: Seeräuber Jenny,  Updike, Breytenbach. Ook de namen van beroemde zangers komen voorbij en fragmenten uit hun liederen: Bob Dylan, Bing Crosby, Brassens’ Il n’y a pas des amours heureux; politieke acties en kopstukken uit het nieuws: de Griekse junta van kolonels, Checkpoint Charlie, de Praagse lente: voor wie ze kan herkennen is het een bevestiging van de eigen herinneringen, maar voor met name jonge lezers blijft het slechts een opsomming van vaag klinkende namen en gebeurtenissen uit een onbekend verleden.

    Daarmee lijkt De jongenskamer een cyclus van gedichten te zijn geworden voor leeftijdgenoten van de dichter, die zich met weemoed kunnen herkennen in de levensloop van W..  Voor jongeren zal de bundel minder aantrekkelijk zijn, omdat de gedichten geen beroep doen op hun eigen ervaring, hoewel dat juist ook kan prikkelen tot nieuwsgierigheid. Maar voor ieder die het lezen wil heeft Van Toorn een prachtig en bij wijlen ontroerend tijdsdocument geschreven in een reeks gedichten waarin hij het verleden levend maakt op een licht melancholische wijze. Niet met grote woorden of veel pathos, maar met subtiele verbindingen van een individueel leven met de wereldgeschiedenis die zich om hem heen voltrekt.

     

     

  • De andere kant van het land van beloften

    De andere kant van het land van beloften

    In de eerste alinea van de roman Amerika van Franz Kafka ziet de protagonist Karl Rossmann tijdens de nadering van de haven van New York het Vrijheidsbeeld: ‘Haar arm met het zwaard wees omhoog alsof ze hem net had opgestoken en om haar gestalte waaiden de vrije luchten.’ Een veelzeggende zin die in een paar woorden de belofte van vrijheid verbeeldt en tegelijk de achterkant daarvan: de toorts is vervangen door een zwaard. Dat belooft niet veel goeds.

    Rossmann is zeventien jaar. Hij is door zijn arme ouders naar Amerika gestuurd omdat hij – grote schande – een dienstmeisje heeft bezwangerd. Zijn aankomst is meteen het begin van een serie absurdistische verwikkelingen die veel vraagtekens zetten bij het beeld dat in het begin van de 20ste eeuw in Europa bestond over Amerika. Maar ook zegt deze roman veel over de situatie van Kafka zelf toen hij het werk aanvatte.

    Kafka schreef Amerika tijdens crisisjaren in zijn leven. Hij vroeg zich tussen 1911 en 1914 af of zijn leven uit schrijven zou kunnen bestaan – de keuze die hij het liefste zou willen maken – toen zijn ouders hem juist dwongen om te gaan werken voor de kost en zijn mogelijke huwelijk met Felice Bauer voelde als een bedreiging voor zijn literaire aspiraties. Het is niet vreemd om ervan uit te gaan dat Kafka die jaren beleefde als een gevangenis waaruit hij wilde ontsnappen. Juist in die tijd gold Amerika als het land van de onbegrensde mogelijkheden. Een verlokking die Kafka, hoewel hij nooit veel reisde, moet hebben meegekregen, omdat enkele familieleden in Amerika woonden en rond een miljoen landgenoten uit het Habsburgse Rijk er daadwerkelijk naar toe emigreerden.

    Kafka zelf zette de stap niet. Misschien niet zozeer omdat hij er te bang voor was, maar vooral omdat hij ook de schaduwkant zag van het als zo paradijselijk voorgestelde land. Niemand anders zag het zwaard in de hand van het Vrijheidsbeeld zoals hij dat deed.

    Vertrekken
    De existentiële worsteling bleef niet beperkt tot Kafka’s persoonlijke leven. Ook de totstandkoming van Amerika getuigt van een groot gevecht. De roman kreeg zijn titel pas na zijn dood door toedoen van zijn vriend en beheerder van zijn nalatenschap Max Brod. Kafka zelf publiceerde bij leven alleen het eerste hoofdstuk De stoker (naar de stoker op het schip waarmee Karl Rossmann de overtocht maakt en in wie hij zijn eerste ‘vriend’ ontmoet) en gaf dat als ondertitel mee: of de verdwenen jongen. Die verwijst rechtstreeks naar Kafka’s behoefte om in die crisisjaren alles en iedereen achter zich te laten. Of om een tafereel uit het ultrakorte verhaal Het vertrek (1921) te citeren: ‘Waarheen rijdt u, heer? [vraagt de knecht]. ‘Ik weet het niet’, zei ik, ‘alleen hier vandaan. Voortdurend hier vandaan, alleen zó kan ik mijn doel bereiken.’

    Dat Amerika hem de nodige hoofdbrekens kostte, is er aan af te zien. Hij rondde de roman nooit af. De eerste zes hoofdstukken vormen een nogal uitwaaierende geschiedenis waarvan  de lezer zich af kan vragen waar de schrijver precies naar toe wil. Een plot is er niet. Kafka voegde later nog moeizaam hoofdstukken toe, of beter: fragmenten van hoofdstukken. Eén ervan breekt bovendien net na het begin van een nieuwe zin af. Het op één na laatste fragment, over ‘Het Grote Theater van Oklahoma’, vat in 33 pagina’s bondig samen waarom het Kafka te doen was.

    Grotesk
    Het verhaal van Amerika is niet eens zo bijster interessant. We volgen Rossmann pakweg een jaar op zijn pad door het onbekende Beloofde Land. Hij is in het begin voortdurend op zijn hoede als het gaat om zijn spullen, zijn paraplu, zijn koffer en zijn hoed. Hij houdt er angstvallig aan vast, maar raakt ze alle drie kwijt in de meest absurde situaties en ontmoetingen. Hij vindt aanvankelijk onderdak bij een rijke oom, die alles van zijn seksuele escapade met de dienstmeid blijkt te weten en hem op straat zet als hij vindt dat Karl niet loyaal aan hem is. Het brengt hem achtereenvolgens in aanraking met twee louche mannen die hem uitbuiten, bezorgt hem een baantje als liftboy in een hotel en – na zijn ontslag daar – een betrekking als verzorger van een corpulente en tirannieke ex-zangeres.

    Interessanter dan al die feitelijke gebeurtenissen is het groteske van de verwikkelingen en de humor waarmee Kafka ze beschrijft. In deze roman is het ‘kafkaeske’ volledig aanwezig. Rossmann komt in de meest bizarre situaties terecht. Zo zijn er herhaaldelijk scènes waarin hij zijn oriëntatie verliest. Al op het schip raakt hij de weg kwijt in een doolhof van gangen, ten huize van vrienden van zijn oom kan hij de weg naar de uitgang niet vinden en uit de flat van de ex-zangeres kan hij evenmin ontsnappen.

    Daarenboven raakt Karl zijns ondanks steeds verzeild in compromitterende situaties terwijl hij juist bezig was op te komen tegen onrecht dat een ander is aangedaan. Met al zijn goede bedoelingen is hijzelf tenslotte degene die wordt aangeklaagd op vage gronden die niets met zijn persoonlijke bedoelingen uitstaande hebben.

    Negro
    Het contrast tussen Amerika als land van onbeperkte mogelijkheden en het overgelaten worden aan je lot, komt het meest kernachtig naar voren in het al genoemde tekstfragment over ‘Het Grote Theater van Oklahoma’. Dit belooft op aanplakbiljetten werk voor iedereen: ‘Iedereen is welkom’, staat erop. Karl trekt naar de meldplek, maar ook die blijkt, net als eerder de boot en de huizen waarin hij was, een doolhof. Hij kan nergens de inschrijvingspost vinden en bereikt die uiteindelijk pas door een theaterpodium vol dansers over te steken. Eenmaal aangekomen is er een veelheid van loketten. Omdat Karl in Duitsland kort gestudeerd heeft voor ingenieur meldt hij zich bij ‘het bureau voor ingenieurs’. Dat verwijst hem vanwege het gebrek aan diploma’s naar ‘het bureau voor mensen met technische kennis’. Maar ook daar slaagt hij niet. Omdat hij zijn school niet afgemaakt heeft moet hij bij ‘het bureau voor voormalige scholieren’ zijn. Maar niet dus. Er volgt een nieuwe doorverwijzing naar ‘het bureau voor Europese middelbare scholieren.’

    Daar wordt hij aangenomen als toneelspeler, zonder dat duidelijk is tegen welk salaris. Dan dreigt een laatste probleem toch weer roet in het eten te gooien. Karl heeft geen persoonsbewijzen bij zich. En op de vraag hoe hij heet, durft hij uit angst dat zijn verleden een rol zal gaan spelen, zelfs zijn eigen naam niet te noemen. Hij noemt de eerste die hem invalt: ‘Negro’ (een verwijzing van Kafka naar de slavernij?). Ongeloof bij de klerken of dat een verzinsel is, blijkt zijn toelating uiteindelijk toch niet in de weg te staan. Uiteindelijk krijgt hij een armband om met zijn functie. Die blijkt niet toneelspeler te zijn, maar ‘technisch arbeider’.

    Inderdaad: Amerika is niet zo geslaagd als Het proces of Het slot of verhalen en novellen als De gedaanteverwisseling. Het is wel ontegenzeglijk een ‘kafkaeske’ geschiedenis. En bovendien één die als een metafoor kan worden gezien voor een belangrijke episode uit het persoonlijke leven van Kafka, de man die nooit in Amerika was, maar er al wel de dubbelhartigheid van zag.

     

     

  • Oogst week 51

    Argus

    Dit is de laatste ‘Oogst’ van dit jaar. De komende twee weken zullen we – onregelmatig- bijdragen publiceren in het kader van de Winterrubriek 2016, met daarin de reacties van onze recensenten op de vraag: ‘Wat zijn jouw leeservaringen van het afgelopen jaar. Uit welke boeken heb je citaten genoteerd? Van welke boeken heb je genoten?’
    Er zitten inspirerende bijdragen tussen!

    Dan terug naar de Oogst, de rubriek waarin wij u attent maken op nieuwe uitgaven. Ik wil beginnen bij Argus, een nieuwe twee-wekelijkse krant door ‘oude rotten’. Hij ligt nog niet op onze burelen, maar is wel de moeite van het vooraankondigen waard: een krant, zoals ze zelf schrijven ‘zonder content, maar met inhoud’ en ‘vanuit een eigenzinnig perspectief’ over binnenlandse en buitenlandse ontwikkelingen, economie, cultuur en sport. Artikelen geschreven door ervaren, maar gepensioneerde journalisten die voor uiteenlopende kranten en tijdschriften geschreven hebben.

    Rudie Kagie en Kees Schaepman vormen samen de hoofdredactie, het boekengedeelte staat onder leiding van Anton de Goede. Hans Vervoort is een van de medewerkers. Het zal in deze rubriek vooral gaan om herinneringen aan en de boeken van oudere schrijvers.

    Argus gaat van start als er ten minste 1.500 Argusvrienden gevonden zijn die iets zien in het blad en bereid zijn een jaarabonnement van € 50,- te nemen. Die start zal plaats vinden op 1 maart 2017.

    Ga naar de website www.argusvrienden.nl  voor meer informatie en een 0-nummer. Vanaf het eerste nummer is Argus alleen op papier verkrijgbaar.

    Argus

    Eden

    Eindelijk is het er dan bijna, Eden, de nieuwe roman van Marcel Möring en het derde deel van de DIS-trilogie. Het kan los van de andere twee (DIS en Louteringsberg) gelezen worden, maar maakt van de drie titels één geheel. In maart 2014 zei Möring in het NIW (Nieuw Israëlitisch Weekblad) over dit boek:

    Het eerste deel bestrijkt de periode eind 15e eeuw tot onze tijd; het lijkt op een historische roman. Het tweede deel speelt zich af in een psychiatrisch ziekenhuis in Drenthe. Dat zijn twee volstrekt verschillende boeken met verschillende schrijfstijlen. Maar hoe verder je in het boek bent, hoe meer je de verbondenheid ziet. Meer kan ik er niet over zeggen, anders haal ik de angel eruit.’

    Op 5 januari a.s. zal Petra Possel in het programma Kunststof Radio (19:00 uur) in gesprek gaan met de auteur over Eden. Een dag later zal Connie Palmen het eerste exemplaar in ontvangst nemen in boekhandel Donner in Rotterdam.

    Eden
    Auteur: Marcel Möring
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Amerika of de verdwenen jongen

    Amerika of de verdwenen jongen verscheen in 1927 voor het eerst in Duitsland, maar in een door Max Brod bewerkte vorm. Pas in 1983 verscheen een editie in de vorm zoals Kafka het geschreven had.

    Kafka is nooit in Amerika geweest, maar dat heeft hem er niet van weerhouden om dat land wel als decor te gebruiken, zij het in een naar zijn eigen hand geschetste werkelijkheid.

    In de roman komt een jonge Duitse immigrant Karl Rossmann in Amerika terecht. Hij wordt in eerste instantie liefdevol ontvangen door een rijke oom, maar als hij op straat gezet wordt, is dat het begin van een lange zwerftocht door het onbegrijpelijke land. Hij heeft een baantje als liftboy in een enorm hotel en ontmoet bizarre randfiguren. Uiteindelijk verdwijnt hij op een lange treinreis in het niets.

    Hoewel het veel minder bekend is dan Het proces en Het slot behoort het nooit voltooide Amerika ook tot de grote werken van Franz Kafka.

    Amerika of de verdwenen jongen
    Auteur: Franz Kafka
    Uitgeverij: Athenaeum

    Oden voor komende nacht

    Van Jacques Hamelink (1939) is onlangs een bloemlezing uit zijn beste werk verschenen: Oden voor komende nacht. Hierin spelen zowel de natuurwereld als het erotische en het seksuele een toonaangevende rol.

    Jacques Hamelink (1939) schreef altijd over Zeeuws-Vlaanderen en heeft diverse grote literaire prijzen gewonnen (o.a. de Busken Huetprijs, de Herman Gorterprijs en de Constantijn Huygensprijs, of was er voor genomineerd (o.a.VSB Poëzieprijs).
    Hij publiceerde in onder meer Merlyn, Nieuw Vlaams Tijdschrift, Ons Erfdeel, Podium, Raster en Tirade.

     

     

     

     

    Oden voor komende nacht
    Auteur: Jacques Hamelink
    Uitgeverij: Querido
  • Lofzang op het landschap en het platteland

    Lofzang op het landschap en het platteland

    Het landschap waarin een mens zijn leven doorbrengt is een van de meest fundamentele elementen die de waarde en de waardigheid van zijn leven bepalen. (…) Een landschap bestaat voor zijn bewoners behalve uit fysieke kenmerken uit een ongelooflijk complex weefsel van ervaringen, herinneringen, sporen, verhalen, kennis, tekens die hij nodig heeft om zijn weg erin te vinden, nieuwe ontdekkingen een plaats te geven, zijn keuzes voor de toekomst te kunnen funderen op lessen uit het verleden. Het landschap is een spiegel van het menselijk bestaan. Het is daarom van het grootste belang erover na te denken aan wie we de zorg ervoor toevertrouwen.’

    De verwoesting van het landschap
    Met deze persoonlijke filosofie opent schrijver, dichter en vertaler Willem van Toorn zijn essaybundel waarin hij zijn liefde voor het landschap en het platteland beschrijft. Dat doet hij door naar gebieden te reizen die door schrijvers als Louis Paul Boon, Cesare Pavese, Bert Schierbeek en anderen zijn beschreven om te zien wat er van geworden is. Dat is meestal niet best, de meesten zijn aangetast door de moderne tijd, die volgens van Toorn gekenmerkt wordt door het vrijemarktdenken. Dat denken verwoest het platteland. De toon waarmee hij de verantwoordelijke bestuurders veroordeelt voor het verloren laten gaan van het landschap en het platteland is ongemeen scherp. Zijn beschrijving van het mislukte project ‘Blauwestad’ in Groningen – ‘vervalsing van het landschap’ noemt hij het – laat dat duidelijk zien. Ook een project over het Groene Hart waar hij als adviseur bij betrokken was, deed hem versteld staan. Alras bleek namelijk dat het perspectief van waaruit naar het landschap gekeken werd, de stad was.

    Het landschap werd gezien als recreatiegebied voor stedelingen, niet als gebied met een historie waar mensen wonen. Van Toorn hield het snel voor gezien.

    Het Franse platteland
    Van Toorn bezit al heel lang een huis op het platteland in Frankrijk en in een aantal verhalen in deze bundel beschrijft hij de ontwikkelingen aldaar, de mensen die vertrekken, de mensen die er komen wonen. Wat opvalt is dat er nauwelijks sprake is van leegloop; huizen en boerderijen die leeg komen te staan worden verkocht aan jonge mensen en blijven bewoond door mensen met liefde voor de omgeving. Daar, in zijn ‘lieu-dit’ , het gehucht waar hij woont, ervaart hij de intimiteit van het nog authentieke leven op het platteland. Daar is het hedendaagse leven nog verbonden met de historie van het gebied. En dat is precies wat Van Toorn zoekt.

    Dilemma
    Op dat moment komt zijn persoonlijke dilemma om de hoek kijken. Omdat Van Toorn in Nederland in de grote stad woont, ervaart hij aan den lijve het verschil tussen de moderne stadsmens en de plattelander. Duidelijk is dat het leven op het platteland zijn voorkeur heeft, maar tegelijk wil hij het leven in de stad niet missen.

    Van Toorn verwondert zich erover dat hij aan de ene kant moet leven met de ‘in onbegrensde welvaart opgegroeide westers consumptiemens’, die in staat is ‘op veel plaatsen het geheugen van het landschap uit te wissen met gedachteloze megaprojecten’ en aan de andere kant laat hij zich ‘verrassen door een dorps echtpaar met twee halve varkens, mensen in wie de generatie van mijn grootouders onveranderd lijkt voort te bestaan. Ik lijk met die twee werkelijkheden te moeten bestaan’.

    En zo is het; toch maakt hij duidelijk dat de werkelijkheid van het platteland hem vele malen boeiender voorkomt dan welke modernisering dan ook. Wanneer hij het over dat laatste heeft, neemt zijn woede toe en moeten al degenen die geen oog hebben voor de historie en de schoonheid van het landschap/platteland het ontgelden. Hij beschouwt het landschap als iets dat ‘onder invloed van menselijke behoeften in een lange periode van aanpassingen op menselijke schaal is ontstaan’ en het nieuwe platteland als iets ‘van de tekentafel’. Met dit laatste doelt hij op de grote ruilverkavelingen in Nederland die het gevolg zijn geweest van het beleid van Sicco Mansholt. Voor zijn beleid heeft van Toorn geen goed woord over.

    Van Toorn beschrijft in heldere bewoordingen zijn liefde voor het landschap en het platteland. De verhalen over zijn leven in het Franse gehucht zijn mooi om te lezen, maar contrasteren wel erg met zijn aanklacht tegen de verwoesting van het platteland. Daarin schiet hij soms door, maar dat zij hem vergeven. Iemand zoals hij, die zich al zijn hele leven inzet voor het behoud van het waardevolle van het landschap, verdient ons aller waardering.

     

  • Oogst week 19

    door Carolien Lohmeijer

    Heeft het vertrek van Wouter van Oorschot bij zijn uitgeverij G.A. van Oorschot een direct verband met het verschijnen van Verborgen boeken dat eind vorige maand bij Querido verscheen? Daar lijkt het wel op. Verborgen boeken kon geschreven worden omdat bij uitgeverij G.A. van Oorschot persoonlijke documenten van Querido’s eigenaar Emanuel Querido werden gevonden. Het kan haast niet anders of Wouter van Oorschot heeft zijn kantoor ‘opgeruimd’ willen overdragen aan zijn opvolgers en toen de documenten gevonden die zijn vader jarenlang bewaard had. Zijn vader, Geert van Oorschot, was door Emanuel Querido als zaakwaarnemer aangesteld vlak voor diens deportatie naar Sobibor. Tot voor kort wist men niet beter of het archief van de uitgeverij was bij de inval van de Duitsers verbrand om de joodse auteurs en medewerkers te beschermen.
    Bijzonder feit is dat uitgeverij Querido dit jaar honderd jaar bestaat; een mooier cadeau kan de uitgeverij zich niet wensen.

    Willem van Toorn beschrijft de geschiedenis van Querido Verlag, waar Duits-joodse schrijvers vanaf de jaren dertig hun werk konden publiceren. Arjen Fortuin belicht de rol van Geert van Oorschot als zaakwaarnemer in oorlogstijd. En Hugo van Doornum schetst de jaren na de bezetting.
    Verborgen boeken. EM. Querido’s Uitgeverij tijdens en na de bezetting, Arjen Fortuin, Hugo van Doornum, Willem van Toorn, Uitgeverij Querido, 140 pagina’s, € 18,99

     

    De Israëlische trilogieSchwob is een initiatief voor de ‘beste onbekende boeken uit de wereldliteratuur’. Op Schwob-avonden gaan auteurs met elkaar in gesprek over hun favoriete vergeten boeken.
    Arnon Grunberg sprak tijdens zo’n avond over Marek Hlasko (1934-1969). Hlasko was een populaire schrijver in post-stalinistisch Polen, die toen hij in 1958 Polen verliet, geen toestemming kreeg om terug te keren. Hij leefde daarna in West-Europa, de VS en Israël. Hij was geen Jood, maar voelde zich zeer betrokken bij de Poolse Joden in Israël, en schreef in dat land een aantal meesterwerken, waaronder De tweede hondenmoord, Bekeerd in Jaffa en Ik zal jullie over Esther vertellen.

    De boeken van Hlasko zijn geen vergeten boeken meer. Bovengenoemde drie romans zijn nu opgenomen in De Israëlische trilogie die bij uitgeverij Athenaeum verschenen is. Zij schetsen een beeld van de mensheid vol zwarte humor. De stijl is direct en filmisch.

    De Israëlische trilogie, Marek Hasko, vertaald door Karol Lesman en Gerard Rasch, Uitgeverij Athenaeum, €19,99

     

    Franz KafkaIn Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte analyseert Saul Friendländer Kafka’s leven en werk. Hij geeft een beeld van de auteur als jonge man die wordt verscheurd door gevoelens van schuld en schaamte. Over dit beknopte biografische essay wordt gezegd dat het het beeld doorbreekt van de verlegen literaire heilige dat werd geschilderd door Kafka’s vriend Max Brod. Aan de hand van brieven en dagboeken schetst Friedländer de afgronden van persoonlijke angst, van seksuele ambiguïteit, van ziekte en van de permanente wanhoop waarin Kafka’s werk wortelde. Hierdoor ontstaat een nieuw beeld van de ‘verknoping tussen persoonlijk lijden en een uniek literair oeuvre’.

    Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte, Saul Friedländer, vertaling Jabik Veenbaas, Uitgeverij Bijleveld, € 19,50

     

     

  • Zwevend in de lucht met de voeten in de aarde.

    Zwevend in de lucht met de voeten in de aarde.

     In deze verhalenbundel brengt Van Toorn een novelle uit de Muggenreeks (2000), ander  werk dat al eerder verscheen (2003) samen met nieuwe verhalen. Die laatste, een viertal reisverhalen, zouden door Nooteboom geschreven kunnen zijn en blikken melancholiek terug op dichtersfestivals verspreid over Europa: in het eerste zijn we tijdens de Golfoorlog in een hotel waar een cynische Amerikaanse vliegtuigbouwer met genoegen de precisiebombardementen op de televisie bekijkt, in het tweede treedt de schrijver op het strand in contact met een beroemde Israëlische collega, in het derde wil hij optreden in Zuid-Afrika maar mag hij het land niet in omdat hij geen werkvergunning heeft, in het vierde bevindt hij zich ten zuiden van Napels.

    Hoewel Van Toorn beeldend schrijft vroeg ik me, ook omdat er weinig plot in de verhalen zit, af of dit herinneringen zijn van een oude vermoeide dichter met een bepaalde staat van dienst. In het eerste verhaal schildert hij zelf ook al het verschil tussen het zweverige dichtersleven en het alledaagse bestaan. ‘Thuis hadden ze, hoe beroemd ook, zoiets als een dagelijks leven waarin de vuilnisbak buitengezet moest worden en de huur betaald, waarin kinderen ondraaglijk lastig waren of waarin de uren op het kantoor waar ze hun geld moesten verdienen hen omlaag trokken naar de banaliteit.’

    Dat zweverige verdwijnt met een aangrijpend verhaal in het Bosnië van na de Joegoslavische oorlog. Alter ego Erik Leeman maakt een bustocht van veertien uur van Zagreb naar Serajevo die spannend wordt als ze worden aangehouden door Servische soldaten. De irritaties tijdens het dichtersfestival en de nasleep ervan in een tijdschrift zijn niet alleen politiek, maar vooral menselijk van belang.
    Vervolgens komen we aan bij het prachtige Haarlem Station dat ik al kende uit de Muggenreeks, maar dat nog meer aan kracht leek te hebben gewonnen. Het gaat over een zeventienjarige Amsterdamse kletsmajoor (‘Dat is onze taak als mensen, de dingen dramatisch te maken. Uit zichzelf doen de dingen namelijk niks.’) die na een vriendenbezoek met zijn vriendin Sara in zijn eentje in Haarlem uit de trein stapt omdat zij niet meer met hem verder wil leven. De ontheemding wordt langzaam duidelijk, de monoloog interieur is prachtig.

    Het titelverhaal De geur van gedroogde appels is charmant. De schrijver herkent op verschillende woonlocaties de geur van appels, ook tijdens een vakantie in Frankrijk in 1969 als hij midden in de nacht naar de maanlanding kijkt, terwijl een opoe naast hem partjes appel aan een draad rijgt en niet gelooft dat de mens werkelijk op de maan geland is. Als de schrijver later buiten naar de maan kijkt, ziet hij niets bijzonders. ‘Als je niet beter wist, zou je net als de oude grootmoeder denken dat het niet echt gebeurd was, maar in Parijs bedacht voor kinderen.’
    In het verhaal Apollo Henkie komt hij daarop terug naar aanleiding van oude banden, die gevonden zijn van de uitzending met Henk Terlingen over de maanlanding. Van Toorn vraagt zich af hoe het kon dat een eerdere versie van het titelverhaal zich in de middag afspeelde en concludeert dat het geheugen een bedrieglijk iets is.

    Rest ons tenslotte nog een aantal kortere verhalen.
    Het Nieuwe Meer is een sfeervol verhaal over een prille liefde met een aardige ontknoping; de indrukwekkende uitvoering van Der Tod und das Mädchen staat in schril contrast met de schatjes van kinderen die naast de schrijver op de kerkbank zitten; tijdens een vergadering herinnert Van Toorn zich een droom over de onlangs overleden Michaël Zeeman.
    Tenslotte is er nog een levenslustig verhaal over een vakantie op Kreta in het huis van een gemankeerde held en een impressie van een familiereünie in Zuid-Italië, die smaakt naar meer.
    ‘Je ziet in de smalle, steile straatjes die naar het piazza leiden kromme, geheel in het zwart geklede grootmoeders die nooit het dorp uit zijn geweest behalve om op het land te gaan werken, gearmd met punk-kleindochters uit Duitsland met alleen shorts en een bh aan en haar als gestolde rode en groene vlaggen. Onder de bogen van de portici aan het piazza waarin de bar is verscholen zitten de oudere mannen aan de koffie ? schoon wit overhemd, zwarte broek, soms een zwarte hoed ? en luisteren naar de verhalen van thuisgekomen zoons en neven.’

    Waarmee Van Toorn me weer helemaal voor zich heeft ingenomen.