• De hersenschimmen van een dichter

    De hersenschimmen van een dichter

    Willem Jan Otten gebruikt in zijn nieuwe bundel Septemberzee een citaat uit het essay To Poetry van de Amerikaanse dichter en essayist Edward Hirsch. ‘Ik heb je een leven lang bemind / zonder te weten wat je bent / of hoe ik – help me alsjeblieft – je vind.’ Daarmee raakt hij aan een belangrijk thema uit Septemberzee, de ambiguïteit van onze ‘zwevende’ identiteit. Otten zoekt in zijn poëzie als een fenomenoloog naar de betekenis van zijn liefde voor beminden en vrienden, maar ook naar wie hij daarin zelf is.
    In ‘Nagekomen gericht gedicht’, over de poppenspeler en kluizenaar Jozef van den Berg formuleert hij die thematiek nog wat preciezer, ‘Er is in hem / en door hem heen gespeeld, / of moet je zeggen / dat hij met zich spelen liet’.
    Otten beseft hoezeer de taal hem beweegt, bespeelt en overmeestert. In deze versregels is hij tegelijk de dichter die blijk geeft van het ‘beyond’. Van het boven, onder, langs en voorbij aan wat wij werkelijkheid noemen. 

    Septemberzee is een verzameling van overwegend korte gedichten, alleenstaand of samengesteld en in diverse dichtvormen. Waarbij de haiku’s  verwondering oproepen. ‘Geloof je het heus – / dat ook maar één adem door / je zelf is gehaald?’ De eigentijdse ‘Rei van pas bevallen moeders’. ‘O Kerstnacht, / het is nu / het uur van / bevallen’, valt op door haar trapsgewijze notatie, op weg naar de dood en opstanding van het ‘kind’.

    Creatieve proces

    Als opmaat begint Otten met het vers ‘Tot een gestorven toneelregisseur’, opgedragen aan de overleden toneelregisseur Ger Thijs. Dit eerbetoon gaat zowel over de gestorvene als over de dichter die zich herkent in alles wat hij in de ander als waardevol ervaart. ‘Zeg precies wat er staat / en zoek de gaten in de zin.’ Pas dan kan wat er staat ontstaan, en kan er bij de lezer een eeuwigheidservaring worden gewekt. In het gedicht ‘Oevertekst’ komt de zee ons al tegemoet. En in ‘Vlinder van zee’ dwarrelt de vlinder, ‘vlak boven mij van ver voorbij’ als de geest over de wateren. Over het zeewater bereikt hij het droge.

    ‘Zelfs in de septemberzee, in dit
     onmerkbaar deinend ochtenduur,
     kon ik het niet laten, en vroeg ik
     waarom – alsof zij richting google
     dwarrelde, naar Darwins daarom,
     alsof zij niet net als geroepen kwam.’

    Het toeval van de langs dwarrelende vlinder als inspiratiemoment laat zich niet verklaren. In ‘Struik’ wentelt zich de gekromde struik met zijn aan de keerzijde krijtwitte bladeren zodanig dat de ik ‘het zwijgen, / in de wemeling van twijgen’ hoorde. Binnen ‘naast haar ademend lichaam’ hoorde de ik ‘met bonzend hart ik ben / te horen en ik word.’ In de stilte van de morgen ondervindt hij deze existentiële ervaring aan de ander van het ‘er zijn’. Dit moment van beminnen roept ‘in […] [haar] schoonheid’ zinnen in hem op. 

    Zijn adem een eeuwigheid

    Het gedicht ‘Alt’ is het begin van een fraaie en intense reeks, gewijd aan het overlijden van de vader van de dichter, de blokfluitist Kees Otten. In de herinnering leek zijn adem een eeuwigheid te duren, alsof ‘er geen adem meer in kwam’, te vergelijken met het zwijgen waartoe de man op zijn sterfbed vervalt. De herinnering aan de klanken omarmen de ik in zijn doorleving van diens sterven. De luitenbouwer krijgt nergens het ‘niets’ te zien, alleen ‘achter de snaren, onder het rozet.’ Zo weet de dichter zwijgend zich geroepen door de stem die hem roept. Op het moment dat de vader zich niet meer kon herinneren, bemerkte hij dat ‘zijn oude dag stond aan te breken’. Het ‘zelf’ had hem tot dan toe door menig dal getrokken. 

    ‘Dat zijn oude dag stond aan te breken
     bemerkte hij toen hij, ontwakende,
     zich niet meer lijfelijk herinneren kon
     wie hij gehoopt had eens te zullen zijn. 

     Waar was hij heen, de beraamde wijze
     die, bij alle graflegging en krakkemik,
     gedichten richtende, door geen opwarming
     opgejaagd, nader tot u zou zijn geraakt?

     Waar was de zelf die hem vooruit zou zijn gegaan?
     Die had hem toch door menig dal gewenkt,
     pientere gelatene, met zijn volgepeinsde brein?

     Ik ben niet mijn eigen werk, weer moest hij er aan,
     Als een jongste dag brak zo de oude aan –

    Ingevlochten religieuze betrokkenheid

    Otten vlecht in de daaropvolgende gedichten zijn religieuze betrokkenheid steeds meer in. Nu componist en dirigent Reinbert de Leeuw er niet meer is, staat hij voor een ‘muisstil / orkest van levenslang vermisten / alle maten van de leeggeschreven partituur.’ Een voltooide missie in hoorbare stilte. Op ‘Beloken Pasen’ is de jij bedroefd na de begrafenis van een beminde, als ware het Christus zelve, ‘gissend op huis / en Galilea aan gegaan.’  Ondanks de dood van Hans Holbein blijft het meesterstuk Maria Magdalena vitaal in zijn zeggingskracht: ‘buiten bereik / de poëzie van / in het graf geen lijk.’ In ‘Overgave’ spreekt de ik zijn twijfel uit over de overgave aan ‘uw wil’: ‘Van twijfel is mijn hoop verstekeling’. 

    De ik spreekt in ‘Echo van het hart’ de ‘U’, God, erop aan. Wie maakt er nu ‘zijn schepsel / tot een ontdane holte waarin niets weergalmt’. De schrik slaat hem om het hart. Nooit eerder besefte hij dat er ‘een laatste slag’ kan zijn. Het ‘faalhart’ is vastgesteld. Nu je aambeeld, je lichaam, ‘veertje onder hamer wordt, – nooit / heb jij meer de tijd gehad dan nu.’ Het euvel geeft de ik innerlijk ruimte, ‘Geef je dus mee, ga op’, nu de situatie is zoals ze is. 

    De omvangrijke cyclus ‘Met zonder mij’ vormt het kloppend hart van de bundelen en bestaat uit korte, vrije verzen. Otten zet van meet af aan in met vertrouwen. Nu een ‘stent’ in de bloedbaan moet worden geplaatst, op een proces dat voor hem overeenstemt met Christus’ verlatenheid, kruisdood en verrijzenis. ‘Wij zetten in op uw verrijzen, maar boeken eerst uw dood.’ De ik weet, zonder artsen ben je nergens. Voor even zal hij ‘in het donker fluiten’, woord voor woord en ‘met zonder mij van boord’ gaan. Wat nog te doen in de toegemeten tijd? Misschien de Rozenkapel van Matisse in Vence bezoeken, gebouwd aan het eind van zijn leven toen de schilder aan kanker leed.

    Tocht der verlatenheid

    De operatie roept bij de ik de vraag op naar de dood van God. ‘Of kan een mens / dat pas als hij van God / (die dan bestaat) aanvaardt / dat Hij hem tot en met zijn dood in leven laat?’ Dan schiet hem Psalm 46 te binnen: ‘God is ons een toevlucht en sterkte.’  Met een beetje geluk zing je ‘te Zijner tijd’ dat God met me is, ‘vrees niet’ voor het einde. De ik die altijd ‘proestende van taal’ was, ervaart onder deze omstandigheid de moeite van het vinden van dichterlijke woorden om zijn einde, zijn oorsprong te achterhalen.

    De beproeving van deze operatie herinnert aan Jezus’ verlatenheid in Getsemane. Maar waarom dit alles? God, ‘U schenkt de mensen de remedie eerst, / en daarna pas de kwaal. /[…] / Vertel mij, / Rabboeni, over de ziekte / die volgt op uw geschenk de poëzie – / is zij de pijn van niet te durven geloven in genezen?’

    Dan begint de tocht der verlatenheid: ‘Morgen wordt vanuit mijn lies de beloofde reis / aanvaard dwars door het lauwe / labyrint dat door mij stroomt’. De ik vraagt zich af of God daarbij, daarin aanwezig zal zijn. ‘Daar binnen, waar naar u de bloedlijn / afgesloten wordt, ballend speenvarkenhart, / daar in de wee met zonder mij, zult u daar bestaan.’  Daags voor de ingreep hoorde de ik nog in de Nicolaaskerk de engelen ‘hemelwaarts’ zingen. Daags na de ingreep in tranen, omringd door tongen van vuur, ervoer de ik Gods bestaan. De opkijkende vrouw in de stiltecoupé die hem niet aankijkt, vertegenwoordigt ten slotte de lezer die deze verrijzenis tot zich neemt.

    Otten kent in een postchristelijke samenleving een richtinggevende waarde toe aan spiritualiteit en religie. De omvangrijke cyclus ‘Met zonder mij’ getuigt daar op een intense en lofwaardige manier van. Zijn hersenschimmen rondom en gedurende zijn operatie tonen aan dat voor hem God niet dood is. Hij aanvaardt in Hem degene die in Christus de autoriteit is die aan het begin en einde van ons leven staat. Hij is de horizon waarop deze dichter zich in al zijn tegenstrijdige ervaringen subtiel maar onontkoombaar oriënteert.



  • De dichter als Richter

    De dichter als Richter

    Wie is die ‘je’ uit de titel tot wie Gerda Blees haar woorden richt? ‘[…] dat moet jij wel zijn, Willem Jan’, staat te lezen op de flap aan de binnenkant van dit kleine cahier. Het bevat een essay uit 2022 dat Gerda Blees als gastschrijver schreef voor het literair tijdschrift Liter, ter ere van het vijftigjarige dichtersjubileum van Willem Jan Otten, een dichter die zij bewondert. Elke avond, veertig dagen lang, schreef Blees precies honderd woorden, gericht aan Otten. Ze zal bewust gekozen hebben voor die afbakening: veertig dagen duurde ook de tijd waarin Jezus in de woestijn verbleef, waar hij door Satan op de proef werd gesteld, zoals in de Bijbel staat. Ook nu nog kennen katholieken de veertigdaagse vasten die voorafgaat aan het paasfeest, veertig dagen van inkeer en bezinning. Otten bekeerde zich in de jaren negentig tot het katholieke geloof en liet zich dopen; de symboliek van Blees’ onderneming zal hem vast niet zijn ontgaan.

    Inkeer en zelfreflectie, daar moet Gerda Blees zich ook van bewust zijn geweest toen ze zich ’s avonds op haar kamer richtte tot Otten in de uren die ze eigenlijk aan haar nieuwe roman had moeten besteden. ‘Romanontwijkend schrijfgedrag’ noemt ze het. Gerda Blees schreef eerder al een roman, een verhalenbundel en twee gedichtenbundels. Met haar roman Wij zijn licht won ze in 2021 de Literatuurprijs van de Europese Unie en de Nederlandse boekhandelsprijs. In het essay vertelt ze hoe ze Ottens poëzie had leren kennen toen ze zijn bundel Eindaugustuswind uit 1998 las. Hoe allereerst de klanken van dat woord haar aangrepen, hoe ze die terug zag komen in de rest van het gedicht. Klank is het begin van taal, stelt Blees vast. Dat geldt niet alleen voor de taalontwikkeling die ze bij haar zoontje kon waarnemen, maar ook voor de aantrekkingskracht van een gedicht. Eerst is er klank, dan volgt het beeld, nog later de betekenis en de interpretatie.

    Terloops geformuleerde zinnen

    De prachtige, haast terloops geformuleerde zinnen van Blees over dit procedé doen denken aan de educatie van Helen Keller, de doofblinde schrijfster die van haar lerares Anne Sullivan het vingeralfabet leerde toen ze zeven jaar was. In de weliswaar zeer geromantiseerde film The miracle worker uit 1962 is de euforie op het gezicht van een jonge Keller te lezen als ze voor de eerste keer begrijpt dat de vingertekens die in haar handpalm gemaakt worden een beeld uit de werkelijkheid voorstellen, namelijk als ze haar hand houdt in het water dat uit de pomp stroomt. Deze verbinding van taal met beeld die plotseling inzichtelijk wordt, maakt Blees duidelijk aan de hand van een ontroerend gedicht van Otten, waarin het water een belangrijke rol speelt:

    ‘Wij bereikten
    na een tocht door een druipend bos
    het Randmeer.
    Het was alsof een slapende haar ogen opende
    en ons kende.
    Jij zat voorop.
    Ik legde mijn hand
    op de warme kokosnoot van je schedel.
    Het licht keek ver je ogen in.
    Ik zei: dit nu is water.
    Wa-ter.
    Wa-ter.
    Wa-ter zei ik nog een keer.
    En jij zei: bwa-pl.
    Je zei het nog een keer.
    Het was zeker, zoontje van mij,
    dat wij hetzelfde niet begrepen.’

    Blees selecteert een aantal motieven die ze steeds ziet terugkeren in de poëzie van Otten:  vader, kind, water. De relatie vader-kind kan gezien worden als die van een gelovige tot God. Water is het symbool voor alle leven, met water wordt een kind gedoopt. Water kan ook een spiegel zijn waarin je zelf gereflecteerd wordt; een  gedicht heeft ook die functie, volgens Blees. Zowel dichter als lezer kunnen zichzelf tegelijk weerspiegeld zien in een gedicht en daardoor kunnen ze ook een glimp van elkaar opvangen. Deze verbinding, die dichter en lezer met elkaar aangaan via het gedicht, komt niet alleen door de dichter tot stand, maar evenzeer door de lezer, die zich een voorstelling tracht te maken van wat hij leest. Zowel de dichter als de lezer trachten via het gedicht net als Helen Keller greep te krijgen op de werkelijkheid. Wat doet de lezer met het gedicht, en wat doet het gedicht met de lezer? De dichter schrijft een gedicht, de lezer zet het om in klank en bedenkt daar een beeld bij, dat niet noodzakelijkerwijs hetzelfde hoeft te zijn als wat de dichter in zijn hoofd had toen hij schreef.

    Geschreven voor speciale lezer

    Blees kent aan de gedichten van Otten nog een extra dimensie toe: het gedicht dat geschreven is met een speciale lezer voor ogen. De titel van een bundel van Otten uit 2011 luidt: Gerichte gedichten. Hierin richt Otten zich tot God. Blees richt zich tot Otten. Volgens haar brengen ‘gerichte’ gedichten schrijver en lezer nog dichter bij elkaar, want door het richten schept de dichter zich aan de achterkant van het papier een luisteraar en aan zijn eigen kant een lyrisch ik, dat niemand anders kan zijn dan de dichter zelf. ‘En dat moet jij wel zijn, Willem Jan.’

    Deze veertig keer honderd woorden zijn gericht aan Willem Jan Otten, maar ze geven net zo goed een inkijkje in Blees’ eigen poëtica. Ze laten zien dat Blees zelf ook een heel goede dichter is. Ook al vergeet ze nooit dat ze schrijft voor een ander, toch laat ze onbevangen een deel van zichzelf zien dat de vorm lijkt aan te nemen van een dagboek. Ze maakt de lezer deelgenoot van haar gedachten die niet alleen gaan over de poëzie van Otten, maar ook over haar zoontje, haar schrijfproces, en over haar dagelijkse leven. Maar in haar laatste ‘brief’ aan Otten weet ze alles in honderd woorden te vatten wat ze daarvoor geschreven heeft:

    ‘[…] Als ik durfde, schreef ik je een gedicht, over water, een kind en een vader. Iets of iemand zou in het water schrijven, en dan kwam er een windvlaag, […] die het uitwiste, en vanuit een roeibootje in der hemel zagen we Nijhoff zwaaien, ‘Hoi WJO, hoi Gerda!’ en de wereld was nooit meer hetzelfde. Straks duw ik deze woorden af en worden ze door het feestcomité over de Sloterplas naar jouw bovenverdieping geroeid. Dan komen we ieder aan de andere kant van het spiegelglas te staan. Op hoop van zegen zal jij dan mijn lezer zijn en ik jouw gelezene.’

    Gerda Blees heeft een prachtige, oprechte brief geschreven als eerbetoon aan Willem Jan Otten. Zo doordacht, zo poëtisch, zo liefdevol; het kan niet anders of Otten moet hier heel blij mee geweest zijn.

     

     

  • De zomerboeken van Els van Swol

    De zomerboeken van Els van Swol

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.

    Els van Swol gaat tijdens de zomer  de volgende boeken lezen: 

    Willem Jan Otten – De Om
    Damon Galgut – De belofte
    Sasja Janssen – Virgula
    Philo van Alexandrië – De schepping van de wereld

     ‘De Om ga ik lezen omdat ik tijdens de pandemie verslingerd ben geraakt aan niet alleen wandelen, maar ook aan de serie ‘Terloops’ van Van Oorschot. Als het even kan loop ik de routes in Nederland na. De route van Willem Jan Otten in De Om gaat rond de Sloterplas in Amsterdam-Osdorp. De belofte van Damon Galgut kreeg ik van Literair Nederland ter recensie. Het boek speelt in Zuid-Afrika, en dat sluit prachtig aan bij een ander uitstapje: naar de expositie met werk van de Zuid-Afrikaanse schilder Deborah Poynton in het Drents Museum.  Op reis gaat ook altijd een dichtbundel mee. Dit keer Virgula (komma) van Sasja Janssen. Ik las er een lovende recensie over van Alfred Schaffer en besloot de bundel meteen te kopen; zo kunnen recensies dus uitwerken. Nog een boek van een uitgever wiens uitgaven ik volg: De schepping van de wereld van Philo van Alexandrië in een vertaling van Albert-Kees Geljon. Deze ga ik lezen ter voorbereiding van een cursus in het najaar.’

     

    Lees hier meer over Els van Swol

     

  • De naam een wens

    De naam een wens

    ‘Er is negen maanden geleden een afspraak gemaakt met iemand die ik nog nooit heb gezien,’ schrijft Willem Jan Otten in Kroniek van zoon die vader wordt, een prachtig essay, opgenomen in Een ridder van de Engelse drop. ‘Niets weet ik van hem af – alleen dat hij van nu af bij ons gaat inwonen en door ons onderhouden gaat worden.’
    Aan die negen maanden zitten wij nog niet, toch bevind ik me gek genoeg in dezelfde positie als een jaar geleden: in verwachting – van een nieuw jaar (schiet op, alsjeblieft) en een nieuw leven, maar in verwachting desalniettemin. Tegelijkertijd is er zoveel veranderd, zelfs mijn naam is nieuw.
    Een jaar geleden ook kocht ik een van mijn favoriete jeugdboeken: Het grote boek van Madelief. Verwachtingen had ik, over voorlezen en aan wie. Het liep anders en ik raakte het boek van Guus Kuijer niet meer aan. Verwijtend ligt het op het dak van de boekenkast, alsof het zeggen wil: daar kon ik niets aan doen.

    Geregeld sta ik voor die kast en verlies ik me, al wrijvend over mijn alsmaar groeiende buik, in mijmeringen over wat ik deze baby wil meegeven. IJdele gedachten natuurlijk, een kind krijgen is toch een beetje als het schrijven van een verhaal – alleen heb je in dit geval, met een beetje geluk, slechts het begin in de hand. Je reikt de eerste regels aan en schetst met je baarmoeder, je gezin en wat bijbehorende omstandigheden de openingsalinea’s. Vanaf daar moet je maar zien hoe het loopt, er het beste van hopen.
    Toen ik zeventien was en de lerarenopleiding Nederlands deed, haakte ik af bij de vraag wie ik was, wie ik wilde zijn als docent. Wel sloot ik in diezelfde tijd vrede met mijn naam. Het duurde even, maar langzaamaan was ik gaan begrijpen wat mijn ouders me wilden meegeven toen ze me Marijn noemden.

    Een naam is een wens, een duwtje in een mogelijke richting. Dat geldt voor mensen, maar ook voor personages: hoe kwaad was ik als kind geweest toen Bastiaan de prinses Maankind doopte in Het oneindige verhaal! Dat kon toch veel beter, dat deed haar toch geen recht? En die moeder die in Isabel Hovings De gevleugelde kat zegt dat het achteraf niet erg aardig was om de ene helft van haar tweeling, die ook nog eens overleed, Jericho te noemen? Instinctief begreep ik wat ze bedoelde, het gewicht van die boodschap. Mijn zoon zal ik nooit Remi noemen, maar voorlezen uit Alleen op de wereld zal ik wel.
    De naam, daar ben ik al over uit. Maar de rest van de wens? Die zit hem, onder andere, in verhalen. Ronja de roversdochter ligt al klaar, graag voed ik de kleine straks met verhalen over onverschrokken kinderen. Mogelijkheden – als je wilt, is dit wie je zou kunnen zijn, een beetje of een beetje meer. Het oneindige verhaal van Michael Ende hoort er natuurlijk bij.
    Maar laat ik beginnen met Madelief, een prima boodschap om aan een kind mee te geven.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Innemende dichters en meeslepende entr’acts

    De Nacht van de Poëzie, een evenement dat altijd op zichzelf stond, maakt dit jaar voor het eerst onderdeel uit van het International Literature Festival Utrecht (ILFU) en was een feestelijke afsluiter van het veertiendaagse festival. Gepresenteerd door het dichterlijke duo Ester Naomi Perquin en Piet Piryns, waarvan de laatste zijn 30ste Nacht presenteerde wat en passant gevierd werd.

    Waar blijft de tijd

    De Nacht wordt traditiegetrouw geopend door een ‘jonge’ dichter die het voorgaande jaar de Nacht heeft afgesloten. Deze 36e Nacht beet Vicky Francken het spits af met: ‘Liefde is een zwaar beroep, [naar Rogi Wieg] maar ook het dichterschap, want ze sterven te vroeg.’ Waarop ze de dit jaar overleden Menno Wigman – die haar dichterschap voor een deel bepaalde – toedicht: ‘Ik lees je / en ik hoor je / en ik weet dat / je nog leeft.’

    Tussen de optredens door worden op drie schermen opnames vertoond van Nachten van weleer. In zwart/wit beelden komen voorbij: Een jonge Campert met een even jonge Van Kooten, Hugo Claus met Hans van Mierlo, een piepjonge Ingmar Heytze, Vaandrager, Johnny van Doorn, Fritzi Harmsen van Beek, Gerrit Kouwenaar, H.C. ten Berge, Ischa Meijer, Adriaan Morriën, Annie M.G. Schmidt, en je denkt, waar blijft de tijd?

    Er zijn dichters die het niet alleen van lezers maar ook van luisteraars moeten hebben, zoals Delphine Lecompte. In de wandelgangen klinkt dat haar gedichten bij voordracht ‘waanzinnig beter’ overkomen. Zichtbaar gespannen brengt ze haar voordracht tot een daverend einde. Deze Belgische dichteres die strofen leest als: ‘bevangen door smog en weemoed’; ‘Een man verleidt mij met een woordspeling’; en bij wie iemand ‘klinkt als een gewonde reiger’, heeft een grote charme.

    Presentatie

    Arno Van Vlierberghe komt op in zwart hemd waaruit schouders en armen wit afsteken. Met sterke zinnen als – ‘de kunst van het risicoloos denken’; ‘doel dit gedicht is om alle anderen te onttronen’; ‘mooie holle woorden waar iedereen van houdt’ – schudt hij het moreel besef van het publiek flink op. Voor even lijkt hij verbonden met Rogi Wieg, waarvan deze Nacht een beeld voorbij kwam waarin Rogi met ontbloot bovenlijf achter de vleugel zit en zegt: ‘Je moet toch wat doen om op te vallen’.

    Gerenommeerde dichters

    Anton Korteweg refereert aan ‘de moeder de vrouw’ kwestie in de literatuur. Hij leest een gedicht waarin moeder de vrouw het onderwerp is en sluit geserreerd af met: ‘En dat had dan bijna niet gemogen’.

     

    Een van de hoogtepunten is het optreden van Judith Herzberg die ook tijdens een van de eerste Nachten acte de présence gaf. Toen was er veel gelachen, vertelt Piet Piryns, om haar grappige gedichten. Ook nu speelt haar onbevangen voordracht vrolijkheid in de hand. Al is niet alles om te lachen benadrukt ze bij het gedicht waarvoor ze zich heeft ingeleefd in een vrouw die meerdere baby’s ombracht en op zolder verborg. ‘Je moet je in alles kunnen inleven’, vond de dichteres. Herzbergs poëzie is eenvoudig, en steeds met een draai die bevrijdend werkt en de lach oproept. Hilarisch is het gedicht dat ze een ‘gestolen tekst’ noemt, van iemand die al zoekende door haar spullen in een koffer ging en mompelde: ‘ik zal toch niet…, heb ik nu,… waar zou dan,… nee hè…, deze niet,… heb ik nou, nee…, nou ja, zal ik dan… (…).

    Laat je gaan

    Deze 36e Nacht drijft op de woorden ‘Ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht’ van de dit jaar overleden en zeer gemiste dichter F. Starik. Thomas Möhlmann herdenkt Starik met een variatie op het gedicht ‘Gras’ dat Starik tijdens De Nacht van 2016 in grasgroen kostuum voordroeg.

     

    En dan wervelt daar opeens Willeke Alberti, (een van de entr’acts) gekleed in een wijdvallende rode jurk over het toneel. De 74-jarige vedette van het Nederlandstalige lied neemt met haar enthousiasme en nuchterheid (Spiegelbeeld: ‘Ha’, lacht ze, ‘je denkt toch niet…?’) het publiek voor zich in. Armen worden gespreid en het grote meedrijven is begonnen. Later zal de geweldige singer/songwriter, Tallest Man On Earth zijn bewondering uitspreken over deze Nacht en over ‘The Lady in the Red Dress: ‘We don’t have that in Sweden’.

    Aandachtig publiek

    Willem Jan Otten was 20 jaar geleden voor het laatst op De Nacht en zegt: ‘Poëzie kan afwachten’. Met zijn – ‘in u luisteren uitgebroed’ en ‘de rand van vloeiend glas’ – en zijn ‘Gerichte gedichten’ roept Otten een stilte op die magisch is. Zo maakte ook eerder op de avond dichteres Kreek Daey Ouwens met haar zachte stem en heldere taal de zaal opmerkzaam en luisterend.

     

    De Friese dichter Tsead Bruinja maakte indruk met zijn cyclus voor de priester Titus Brandsma (1881). In het Fries draagt hij  zeven minuten voor. Het publiek wordt geraakt door de klank van het Fries en de passie waarmee Bruinja spreekt. De dichter uit Rinsumageest, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als: ‘Zo’n dichter, dat je ook wel uit Rinsumageest had willen komen’.

    De laatste zal de eerste zijn

    Een Nacht als een diner waarvan de gerechten hemels zijn, de wijn niet te versmaden en met een nagerecht dat het geheel in perfectie afmaakt. Na het swingende optreden van de ‘Amsterdam Klezmer Band’ wordt de laatste dichter aangekondigd.
    Debutante Gerda Blees geeft het publiek op de valreep het gedicht ‘Aanwijzingen’ mee: ‘ga niet zomaar / met je hoofd op tafel liggen, mors geen rode wijn / blijf zitten hou je vast en laat de dwaallichten/ de dwaallichten en maak je zinnen af.’
    Een ding is zeker, deze dichteres zal bij de volgende ‘Nacht van de Poëzie’ de spits afbijten.

     

    Er is ook een Nachtpoëziebundel verschenen met gedichten van alle optredende dichters. Bezoekers ontvangen de Nachtbundel gratis, voor de liefhebber is deze nog te bestellen voor € 7,50 via Het Literatuurhuis.

     

     

    Foto’s: Patrick Post

  • Een andere wereld

    Een andere wereld

    Zelfs hij, die alle muziek
    bij naam en toenaam kende,
    wist niet wie zongen,
    noch de componist.
    Toch kende hij het stuk.

    Dit dichtte Willem Jan Otten in ‘De ene tel’ uit zijn nieuwste bundel Genadeklap. De hij is Ottens vader, blokfluitist Kees Otten, die bijkwam uit een coma, ‘volgend op gestorven zijn / en weer pneumatisch teruggebeukt.’ Hij had ‘daar’ een koor gehoord.
    Iets soortgelijks overkwam mij onlangs, ‘gewoon’ met twee benen op de grond, twee keer achter elkaar. De eerste keer hoorde ik op de radio een muziekstuk dat ik niet (her)kende, hoewel ik het overduidelijk leek te kennen. Een rare gewaarwording was dat. De tweede keer gebeurde het bij de als ‘muziek, geluidsontwerp’ omschreven toonband bij de toneelopvoering van Oedipus door Toneelgroep Amsterdam.

    Het eerste stuk, op de radio, bleek de eerste van zes Enigma’s te zijn op tekst van Leonardo da Vinci voor koor a cappella van de mij tot dan onbekende Oostenrijks-Zwitserse componist Beat Furrer (1952). Maar zoals dat gaat; eenmaal gehoord, kom je zijn naam daarna opeens overal tegen. Zo zal hij op 8 november dit jaar als dirigent van Klangforum Wien een eigen werk leiden in het Amsterdamse Muziekgebouw aan ‘t IJ. De radio zond dit ene Enigma uit in een uitvoering door het Helsinki Kamerkoor onder leiding van Nils Schweckendiek, ter gelegenheid van het feit dat Furrer de Ernst von Siemens Musikpreis 2018 had gewonnen, zeg maar de Nobelprijs van de muziek.
    Het tweede stuk, bij Oedipus, bleek muziek van de in Londen wonende sound designer Tom Gibbons te zijn, een naam die ik tot dan toe evenmin kende al klinkt er natuurlijk wel die van een collega-componist, Orlando Gibbons, in mee.

    Beide composities, van zowel Furrer als Gibbons, klonken nieuw en toch ook weer niet, alsof Mnemosyne haar werk had gedaan, de Griekse godin van het geheugen. En meer dan dat: alsof in het heden zowel verleden als toekomst meeklonken. Het werk van Furrer ademde tenslotte ook nog zoiets als het gedicht ‘Mondnacht’ van Joseph von Eichendorff:

    Es war, als hätt’ der Himmel
    Die Erde still geküßt.

    Muziek kan je immers, zoals Christien Brinkgreve in haar recent verschenen studie Het raadsel van goed en kwaad meteen aan het begin al schrijft, ‘meevoeren naar een andere wereld waar een gevoel van geluk heerst, van tijdloosheid, van bestaan en, tegelijk, opgaan in iets groters.’ Voor haar zijn dat Bachs Goldbergvariaties. Voor mij de afgelopen weken even de muziek van Beat Furrer en, in diens slipstream, Tom Gibbons.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

  • De lezer aan de ketting

    De lezer aan de ketting

    Momenteel lees ik Winter in Gloster House van Vonne van der Meer. Het lag op me te wachten in de bieb bij de teruggebrachte boeken, een fijne manier om boeken te ontdekken die ik anders zou zijn misgelopen. Het plezier van toevallige ontmoetingen!

    Ja, je kunt lezen alsof je bezig bent aan Eliza’s vlucht uit De hut van Oom Tom: springend van schots naar schots, zonder te weten waar je je volgende stap zult zetten. Door Van der Meers boek – dat in bijna sprookjesachtige vorm stelling neemt tegen het euthanasiasme, bijzonder boeiend – zou ik bijvoorbeeld weer eens iets van haar echtgenoot Willem Jan Otten kunnen gaan lezen, want ze gebruikt beeldspraak die ik herken uit diens Gerichte Gedichten: de pluizenbol van de paardenbloem, ketsende steentjes over het water. De titel stuurt me naar Shakespeare’s King Lear. Achterin noemt Van der Meer verschillende boeken van zichzelf, zoals je vroeger in een Suske en Wiske wel eens een voetnoot tegenkwam waarin werd verwezen naar een eerder avontuur.

    Zo hoeft een mens nooit lang na te denken over zijn volgende boek. Grappig, deze keten van toevalstreffers geeft me paradoxaal genoeg een gevoel van vrijheid, doordat hij me bevrijdt van mode en conformisme in de keuze van mijn lectuur.

    Zo heb ik het afgelopen half jaar mijn tanden stuk gebeten op Mijn heldere afgrond van Christian Wiman. Ik had erover gelezen bij Otten, die het vertaald heeft, en bij Stevo Akkerman. Het gaat over God en poëzie, lijden en dood. In taal, stijl – zoekend, hardop denkend – en sowieso qua onderwerp is het op en top een boek van Otten.

    Zijn vertaalwerk is niet alleen opvallend doordat je Ottens eigen stem lijkt te horen maar ook doordat hij neologismen verzint. ‘Pointless’ vertaalt hij met ‘puntloos’ en ergens staat ‘uitpieteren’ waar in het origineel naar ik aanneem ‘peter out’ staat. Op internet las ik trouwens dat hij de tekst enigszins gekuist heeft. Geen schuttingtaal zoals in het origineel.

    Doordat het boek zo op en top ‘een echte Otten’ is, twijfelde ik aanvankelijk aan de herkomst. Had hij misschien een nieuw boek gepubliceerd onder het mom van een vertaling? Die naam, Christian Wiman, had die niet veel weg van een pseudoniem? De ‘Christelijke Waarom-mens’? Maar nee, het internet leerde me dat Wiman bestaat. Boekbesprekingen, interviews, filmpjes op YouTube.

    Ik klikte een filmpje aan waarop hij een lezing houdt en toen gebeurde het: ik ontdekte een schrijver. Maar niet Wiman.

    Die begint zijn voordracht met een gedicht, en dat doet hij bijzonder goed: met grote ernst, indringend, langzaam en duidelijk articulerend. Hij richt zich tot zijn toehoorders als iemand die iets van groot belang wil overbrengen. Ik was meteen verkocht.

    Wiman voltooide zijn voordracht en ik bleek te hebben geluisterd naar het gedicht ‘The City Limits’ van A.R. Ammons. Nooit van gehoord.

    When you consider the radiance, that it does not withhold
    itself but pours its abundance without selection into every
    nook and cranny not overhung or hidden; when you consider
    that birds’ bones make no awful noise against the light but
    lie low in the light as in a high testimony; when you consider
    the radiance, that it will look into the guiltiest
    swervings of the weaving heart and bear itself upon them, (…)

    Zo begint het. De hele voordracht vindt u hier.

    Een indrukwekkend gedicht van een onbekende dichter: de gedachte dat er misschien een heel boek, wat zeg ik: een compleet oeuvre op me ligt te wachten, maakt me niet alleen nieuwsgierig maar ook hebzuchtig. Dat pakt soms faliekant verkeerd uit. Ooit heb ik het Verzameld Werk van P. N. van Eyck gekocht, onder de indruk als ik was van zijn gedicht ‘Gij zijt mij overal nabij’. Het gedicht ken ik nog altijd uit mijn hoofd; de zeven dundrukdeeltjes fungeren sinds jaren als boekensteun.

    En nu bezit ik dan Selected Poems van Ammons. Ik moet me de gedichten eigen gaan maken, een heel werk en altijd een ambivalente onderneming, want voor een verborgen schat moet je moeite doen. Je moet je niet door duisterheden uit het veld laten slaan of door alle woorden die je moet opzoeken. Je moet wennen aan stem en idioom. Proeven en keuren. Dat vraagt tijd en herhaalde aandacht. Ik moet, net als de straling uit het gedicht, m’n licht laten schijnen over alles wat zich aandient.

    Wie weet vind ik goud. Dankzij YouTube. Dankzij Wiman. Dankzij Akkerman. Dankzij Otten. Want een schrijver mag volgens Adriaan van Dis uit vele lezers bestaan, een lezer bestaat uit vele schrijvers. Zoals er een keten bestaat van boeken die op je pad komen, zo is er ook een keten van estafettelopers die je die boeken bezorgen.

     

  • Literair tijdschrift ‘Liter’ met Willem Jan Otten als gastschrijver

     

    De in maart 2012 uitgekomen editie van Liter presenteert zich met een titelloze, rood/wit gestreepte cover (zie foto). Een verschijning die veel weg heeft van een cahier dat nog beschreven moet worden. Een wat kale binnenkomer en ook de inhoud is wat schraal vergeleken met voorgaande edities. Veel tekstanalyses en besprekingen van bestaand werk. Veel poëzie en een enkele prozabijdrage.

    Daarentegen besteedt Liter jaargang 2012 – in alle vier zijn edities – speciale aandacht aan het  werk van dichter en schrijver Willem Jan Otten. Het is mooi een gewaardeerd dichter en schrijver nader belicht te zien. In het maartnummer resulteert dit in een interview met Willem Jan Otten door Tewin van den Bergh (boeken- en theaterman) en Gerda van de Haar (werkt aan een studie over Marcel Möring). Jaap Goedegebuure analyseerde Ottens roman in verzen De vlek en in de rubriek Maatwerk wordt dezelfde roman besproken door Menno van der Beek.

    De aandacht die er aan Willem Jan Otten wordt besteed, richt zich voornamelijk op zijn laatste werk De vlek waarin een man te horen krijgt dat er een vlek op zijn longen is gevonden en dat hij niet lang meer te leven heeft. Later blijkt dat de longfoto verwisseld is met die van een ander. In het interview geeft Otten het ontstaan van De vlek vrij. Het gegeven heeft hij van essayist Rudy Kousbroek, die op een dag de diagnose longkanker kreeg, met een levensverwachting van slechts enkele maanden. Een paar dagen daarna werd Kousbroek weer opgeroepen en kreeg hij te horen dat er een vergissing was gemaakt. De aangetaste longen waren niet van hem, foto’s waren verwisseld, Kousbroek was kerngezond. Otten vroeg zich in deze vooral af: ‘wie was degene met wie hij is verwisseld?’ Voor Otten is De vlek een eerbetoon aan Rudy Kousbroek. Het interview is geïllustreerd met een portretfoto van de auteur die een sterk vooroorlogse uitstraling heeft. Mooi beeld.

    Jaap Goedegebuure ontdekte in De vlek een parallel met Awater van de dichter M. Nijhoff en werkte dit breed uit. Menno van der Beek haalt in zijn recensie over hetzelfde boek Homerus aan. Van der Beek raadt de toekomstige lezers overigens aan de achterflap van het boek niet te lezen, daar de plot daarin verraden wordt en de verrassing bij eerste lezing daardoor ernstig wordt verstoord.
    Verder in Maatwerk (een rubriek voor recensies) onder meer Hilde Bosma die Stille zaterdag van Désanne van Brederode en In de voetsporen van Gerrit Achterberg van Wim van Amerongen bespreekt. Recenseert Elizabeth Kooman De bijbel volgens Nicolaas Matsier en Teunis Bunt de nieuwe dichtbundel van Hagar Peeters, Wasdom.

    In de rubriek Klinker & Medeklinker schrijft de dichter Edwin Fagel (de schepper, dus Klinker) hoe hij bij het schrijven van zijn nieuwste gedichtenbundel Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin op een muur stuitte. Als schepper van poëzie vindt hij dat elke opvatting over dit genre een doodlopende weg is. Openhartig en zoekend beschrijft hij hoe deze bundel is ontstaan. In Kijken (medeklinker) geeft Klaas Touwen een beschouwing over dezelfde bundel. Waarbij hij afsluit met de opmerkelijke conclusie dat de dichter zich wijdt aan autonome kunst en daarbij de ervaring opdoet een bundel te hebben gemaakt die hij niet beoogde.

    Van Maaike Meijer (auteur biografie van M. Vasalis) een bespreking van Een ziektegeschiedenis van de dichter (en als recensent aanwezig in deze editie) Menno van der Beek. Deze bundel las Meijer als een van de 165 bundels die zij in haar hoedanigheid van juryvoorzitter, las voor de VSB Poezieprijs 2011. Een raadselachtige bundel die Meijer ook na meerdere malen herlezen ‘niet helemaal in de vingers’ kreeg. In deze uitvoerige bespreking lijkt dat haar, zo op het oog, wel gelukt te zijn. Hoewel, net als met de Ballade van een gasfitter van Gerrit Achterberg blijkt ook Een ziektegeschiedenis ‘tot op zekere hoogte oninterpreteerbaar’. Boeiend is het zeker, deze anatomie van een gedicht te lezen.

    Verder een gedicht van W.B. Yeats De wederkomst, in een vertaling van Menno van der Beek. Van Dingeman van Wijnen schrijft een inleiding op het verhaal De degredatie van Sint Joris van de Italiaanse schrijver Eugenio Corti (1921). Benno Barnard bespreekt in Mijn gedichtenschrift een gedicht van Wiel Kusters uit zijn bundel Bewaarmachinist (2011).
    Meer gedichten van Hans Dingemans Laten we gaan,  Anthony Carelli Vers vertaald [1].
    Juliën Holtrigter (pseudoniem Henk van Loenen) dicht mooie beelden. Zoals in onderstaand fragment van De wind is gaan liggen (uit: Snijderseiland):

    ‘De wind is gaan liggen, de stad schoon geblazen.
    Erboven een hemel aan onsamenhangende strepen.
    en nevels. Alsof iemand een schoolbord
    vol heeft geschreven en daarin blind is gaan vegen.
    (…)
    Je kunt je ogen wel sluiten maar geuren
    zijn niet te negeren.’

    Liter

    Uitgegeven door: Stichting Liter
    Verschijnt 4 keer per jaar.
    Prijs los nummer: 9,50
    Abonnementen: € 33,- (studenten € 28,-, buitenland € 51,-)

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Na de eerder in 2011 verschenen dichtbundel en voor de VSB-poëzieprijs genomineerde Gerichte Gedichten, komt Willem Jan Otten met alweer iets nieuws: De Vlek. Een Vertelling. Niet in proza, maar een roman in verzen. Ooit de normaalste zaak binnen de literatuur (Ilias, Odyssee, Goddelijke Komedie), maar vanaf de 18de eeuw geleidelijk aan in het ongerede geraakt. Al heeft ook de Nederlandse literatuur haar 20ste eeuwse varianten gekend in de vorm van bijvoorbeeld Awater en Het Uur U van Martinus Nijhoff.

    De achterflap meldt dat ‘een roman schrijven met de pen die hij als dichter heeft leren voeren’ een voornemen was dat Otten al zijn leven lang heeft gekoesterd. Of hetzelfde verhaal in proza verteld, mij geloofwaardig had toegeschenen is zeer de vraag, maar door de andere wetten die voor poëzie gelden en vooral ook dankzij de vaart die de versvorm eraan geeft, heeft de vertelling haast iets van een pageturner gekregen. Want de verhaalkern is ijzersterk: door een menselijke fout wordt de tragiek van een enkel noodlottig geval per ongeluk over twee mensen uitgesmeerd. Omdat die twee mensen totaal van elkaar verschillen, krijg je twee verschillende manieren te zien om op hetzelfde lot te reageren.

    Abel Kans, een thans aan lager wal geraakte maar eens als Aby Chance bejubelde saxofonist, verneemt van de dokter dat hij een vlek op zijn longen heeft. Meteen als hij beseft dat hij verloren is, staat zijn besluit vast: geen vervolgafspraak ‘aan mijn lijf geen polonaise’ en hij verdwijnt. Twee dagen later blijkt echter dat er een vergissing in het spel is: de vlek behoort niet Abel maar een ander toe, een zekere pater Josephsson, iemand uit een medische controlegroep. Beiden trekken verschillende consequenties uit hetzelfde lot. Maar kan dit ‘wonder’ van de verwisseling Abel nog op tijd bereiken, hij heeft immers al gezegd dat hij niet in wonderen gelooft?

    Het verhaal wordt verteld door Abels tweelingbroer Ton, die zijn vertelperspectief zo nu en dan verruimt tot dat van een alwetende verteller. Dat valt goed te rijmen doordat Ton als beveiligingsbeambte achter de bewakingscamera’s zit waardoor hem maar weinig kan ontgaan. Tussendoor wordt nog even een vondeling in een achtergelaten sporttas voor een bom aangezien, bevalt de radiologe, die voor de misstap verantwoordelijk is, van een te vroeg geboren zoontje, en wordt geschetst hoe Abel en Ton als negenjarige tweeling het nieuws van de dood van hun moeder ter ore komt: tijdens hun vakantie op Vlieland, op het spoor van de kiekendief. Vanaf dat moment groeit de tweeling uit elkaar, al hebben beiden met de dood van hun moeder hun geloof in wonderen opgezegd. In deze vertelling wordt Ton gedwongen op zoek te gaan naar zijn broer, ‘eenzelvig geworden op het spoorloze af’, om hem te zeggen dat de vlek niet van hem is, dat hij niet dood hoeft…

    De vertelling bestaat uit 45 gedichten van uiteenlopende lengte (van tweeregelig tot een gedicht over zeven pagina’s) en van uiteenlopende versvormen. Van hexameter tot haiku. De Proloog is in hexameters, het ritme van Homerus: ‘Ik zing van een man die vandaag op zijn longen een vlek krijgt te zien’. En af en toe keert Otten terug bij deze vorm. Maar even lenig wordt er overgesprongen op een alledaagsere vorm. Zoals in deze vertelling onder andere verwijzingen zitten naar de Bijbel, Nijhoff en Tarkovski (de beroemde kaarsscène uit de film Nostalgia), zo kom je ook YouTube en Sky Radio tegen. Deze vertelling hoeft het niet van zijn waarheidsgehalte te hebben, maar van de toon, het ritme. Zo zou het in een prozaverhaal ronduit belachelijk zijn dat de saxofonist in zijn behandelend arts zijn grootste fan ontmoet, maar in een vertelling als deze komt Otten er op een of andere manier mee weg. Het mag allemaal in poëzie. Zijn toon die los is maar tegelijk ook geserreerd dwingt de lezer zich af te vragen waar hij zelf zou staan in dit verhaal: bij Abel die zijn lot vooruitsnelt of bij de pater die wil weten of er met alles niet een bedoeling is gemoeid? Om de onderlinge verschillen te accentueren is er de nodige symboliek in het verhaal gestopt, worden er wat lijntjes uitgezet. Even slik je als lezer, maar de soepele toon laat echter genoeg speling tussen symboliek en verhaal, genoeg althans om een eenduidige interpretatie uit te sluiten. Ook al heeft pater Josephsson overduidelijk het nodige met Jezus en Lazarus gemeen, Otten trekt het verhaal niet naar een sluitende christelijke interpretatie toe. Aan het eind liggen de hoofdrolspelers keurig naast elkaar op de intensive care. Zij die op sterven liggen en zij die nog met leven mogen beginnen. En zo heeft Otten in ieder geval de versregels: ‘er komt geen einde aan de reis naar het begin // wij afgestevenden op Ithaka, / levenslang op weg naar onze eerste zin.’ op poëtisch verantwoorde wijze waargemaakt.

     

    De vlek

    Auteur: Willem Jan Otten
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
    Aantal pagina’s: 89  (inclusief cd)
    Prijs: € 17,50

  • Religie in de literatuur – Zomer- en Herfstnummer Liter

    Recensie door: Ingrid van der Graaf

    De redactie van Liter heeft deze zomer een nieuwe rubriek geïntroduceerd, Religies van het boek. Schrijver, essayist en criticus Liesbeth Eugelink gaat in gesprek met een schrijver over religie aan de hand van citaten uit de werken van de betreffende schrijver. In Liter nr. 62 (zomernummer) praat Eugelink met Marcel Möring, die op zijn zevende de Donald Duck verruilde voor het, van zijn vader gekregen, Oude Testament. Door zijn verdieping in het heilige geschrift, beleefde hij zichzelf tot zijn zeventiende als, ‘lopend aan de hand van God’. En daarna was het over, diende het ‘echte’ leven zich aan en kon hij niet meer geloven. Maar het verlangen bleef. Het gesprek toont onvermijdelijk aan dat er veel ‘geloof’ en ‘zoeken naar ‘ in de boeken van Möring voorkomt.

    In het Liter nr. 63 (herfstnummer) interviewt Eugelink dichter en schrijver Wouter Godijn, waarin hij de uitspraak doet: ‘Als kunstenaar ben ik in de positie waarin ik mij met God kan verzoenen’. Daarentegen is Godijn antichristelijk opgevoed en voelde zich pas door het werk van Gerard Reve tot het geloof aangetrokken. Opgegroeid met Jan Wolkers, werd op tweeëntwintig jarige leeftijd zijn interesse gewekt voor Reve en de wijze waarop deze het geloof gestalte gaf. Wat duidelijk wordt in dit gesprek, is het streven van Godijn een bepaald soort mens/schrijver te willen zijn, waarin hij faalt, waardoor hij, zoals hij zegt ‘ongewild bij het dichterschap uitkomt’.

     

    Toen Liter nr. 62 werd samengesteld was de Joodse dichter Admiel Kosman (1957) in het land voor een optreden bij Poetry International te Rotterdam. Willem Jan Otten beschrijft in dat nummer welke indruk Kosman op hem maakte. De allereerste regel die Otten van de dichter las, ‘Orthodox me, my darling’, riep vele vragen bij hem op, o.a. of  ’to orthodox’ een werkwoord was.
    Het interview dat Otten met Kosman hield tijdens Poetry International, is opgenomen in Liter nr. 63. De brandende vraag van Otten, wat betekent ‘orthodox me’, kan Kosman niet beantwoorden. ‘Want hij schrijft geen gedichten’, is zijn antwoord. Kosman is nooit gaan zitten om een gedicht te schrijven, en zal dit ook nooit doen. De gedichten komen naar hem toe en hij moet er maar klaar voor staan om ze op te schrijven. Altijd potlood en papier bij de hand voor deze dichter. En wat er staat weet hij zelf ook niet goed, dus vragen naar een interpretatie heeft geen zin. Een interview waarin vragen vaak teruggespeeld worden met een wedervraag om vervolgens tot een doordacht antwoord te komen. Kosman grossiert in uitspraken als: ‘Ik ben pas gaan bidden toen ik niet meer bad’.  Een dichter die geen gedichten schrijft, maar zeer indringende liefdes, ‘gebeden’ publiceert.

    De eerste strofe uit het gedicht, Prayer,
    ‘Orthodox me now, my darling, / orthodox me now, around you, / orthodox me tight, my darling, / orthodox me tightly now.’
    Als een bezwerende mantra gonst zo’n gedicht door lijf en leden.

    In nr. 63 ook een fragment uit de nieuwe roman in wording van Oek de Jong. Het fragment speelt zich af in Zeeland in het jaar 1968. Een broeierig stuk proza waarin de middelbare scholier Abel met zijn vriendin op bezoek gaat bij zijn oud-lerares Frans. De Jong’s schrijfstijl brengt zijn personages tastbaar dichtbij. Verlangens worden verwoord in onhandig gedrag; dingen doen omdat het in de loop der dingen ligt en in vervoering raken zonder te weten waar het heen leidt, zo vertelt De Jong zijn verhaal waarbij onderliggende gevoelens zwaar op de schouders van de hoofdpersoon liggen. De roman verschijnt najaar 2012 bij uitgeverij Augustus. Iets om naar uit te kijken.

    In Liter nr. 62 een bijdrage van schrijver Benno Barnard over Herman de Coninck (1944-1997). Barnard ervaart de vriendschap met een dode als een bitter genoegen, vooral als die dode een schrijver (De Coninck) is. De vele duizenden woorden die van een schrijver achterblijven, werken Barnard op zijn zachts gezegd ‘op zijn zenuwen’. Maar nog altijd hoort hij zijn donkere stem. ‘Als tabak kon praten, klonk hij zoals Herman.’
    In nr. 63 enkele gedichten van Willem Barnard (Van der Graft) (1920-2010), vader van Benno Barnard. Gedichten die hij schreef in zijn laatste levensjaar. In datzelfde nummer nog meer van Admiel Kosman. Het essay, Lopen richting heiligheid, over een paar geschilderde arbeidersschoenen van Van Gogh, onderwerp van verregaande speculaties door verschillende kunstonderzoekers. Onder andere was er de aanname, dat de door Van Goghs geschilderde schoenen nog uit zijn vroege tijd in Nuenen zouden stammen, wat niet bleek te kloppen. Ontdekt is dat het schilderij van latere datum moet zijn. En de rede die Kosman hield tijdens Poetry International, Tussen Freud en Buber. En in de rubriek Maatwerk Teunis Bunt over Ted van Lieshout, waagt Tewin van de Bergh zich aan de nieuwe bundel van Willem Jan Otten, schrijft Elisabeth Kooman over Phillipe Claudel en Peter van Dijk over ‘Tree of live’.

    Vermeldenswaardig in Liter nr. 62 is het verhaal van Jan Sonneveld, De spiegel. Waarin de ouders van de verteller bij een vliegtuigongeluk omkomen. Het begint als volgt: ‘Op een ochtend zijn ze verdwenen.’ En na in droomtoestand het verongelukken van zijn ouders enigszins gereconstrueerd te hebben, eindigt het met de surrealistische scène: ‘Mijn ouders staan in de aankomsthal. Ik zie ze in tegenlicht. Mijn ogen knipperen. Ze omhelzen me en slaan me op de schouders. Fijn je weer te zien, jongen. Hoe was je reis?’ Waarin de wens doorklinkt het gebeurde ongedaan te maken. Liter: verrassend maatwerk dat niet alleen binnen de lijnen van het christelijk literaire gedachtengoed past.

     

    Liter
    Prijs losse nummers: 9,50
    Abonnementen: 33,-  (studenten 28,- )
    Ga naar website

     

  • Een zoektocht in woorden gevat

    Een zoektocht in woorden gevat

    Na de bundels Eindaugustuswind en Op de hoge lijkt dichter en essayist Willem Jan Otten in zijn nieuwe poëziebundel Welkom nog steeds niet te hebben gevonden wat hij zoekt. En dat hoeft ook niet, zo liet hij Vrij Nederland enkele jaren geleden weten, want: “Wie gevonden heeft, heeft slecht gezocht”. Maar toch is er een vorm van berusting: zijn gedichten zijn helderder en lichter van toon. Bovendien stelt Otten zijn vragen in deze bundel niet meer via omwegen maar rechtstreeks aan God. Het is of Otten je nu pas welkom durft te heten in zijn nieuwe denkwereld, die hij in de tijd rond zijn bekering in 1999 heeft leren kennen. Maar Otten is nog lang niet uitgedacht. Zijn bundel bestaat uit associatieve overdenkingen over afwisselende onderwerpen in gevarieerde stijl.

    Dat dit wederom een echte Otten is, lezen we direct in de eerste regel van het openingsgedicht van de eerste reeks gedichten met de titel ‘Ochtenden’: “Hoe kon ik, strekking, weten dat ik deze zin zou zijn”. Het woord ‘strekking’ kwamen we ook al tegen in het gedicht ‘Eindaugustuswind’ uit de gelijknamige bundel. Toen was de strekking het raadsel en nu de dorst; in beide gedichten gaat het om het gemis, maar er is iets duidelijk geworden: wát er gemist wordt. Als we verder lezen in de eerste reeks komen we meer van deze herkenbare taal tegen. Bijvoorbeeld bij de metaforen van een sneeuwvlok, wak en eiland (lees: Vlieland) en zinnen zoals “wat je wees dat was je zelf” of “laat allebei je fijn / besluitloze vleugels / los” uit het tweedelige gedicht ‘Via Negativa’. Of bij prachtige, zelf geconstrueerde samenstellingen in het gedicht ‘Kattenluik’: ‘kattenluikzwak’ en ‘beginzindun’. Tenslotte zien we ook duidelijk Ottens hand in het anekdotische gedicht over een man die een stok werpt voor zijn denkbeeldige hond Vidocq.

    Hij komt me tegemoet want nam
    het bospad andersom en losjes
    zwaait hij met zijn riem en roept
    met onbetwist gezag
    Vidocq,

    of werpt een stok die hij dan volgt
    met scherpe blik. Eén ding aan hem
    is vreemd, althans zo menen sommigen
    van ons: hij heeft geen hond.

    Een sprookjesachtig gedicht: je leest wat er niet is. Op deze manier slaagt Otten erin om zijn existentiële boodschap tot in het diepst van zijn poëzie over te brengen: de zoektocht naar het onmisbare, dat niet aanwezig hoeft te zijn om aan te nemen dat het er is.

    In de tweede reeks ‘Levenswerk’ zijn een aantal algemene gedichten samengepakt. Hierin wordt bijvoorbeeld een ode gegeven aan de linkerhand: de grote afwezige totdat de rechterhand uitvalt. Het gedicht is luchtig van toon, humoristisch ook:

    Nooit heb je terdege neus
    gepeuterd, nooit mijn rivaal
    de hand gedrukt, de bal geworpen
    naar de eerst honk.

    Otten gebruikt meer sportbeelden in gedichten over tennis, voetbal en wielrennen. In het gedicht over de wielrenner Bahamontes ga je met hem mee de berg op, terwijl hij zich al zwoegend afvraagt wie hem het zetje heeft gegeven. En ook hier weer de herkenbaar queeste van Otten. Wie begon met deze zwoegtocht? Gaf hij zichzelf het eerste zetje of deed iemand anders dat? Of, zoals Otten in een interview met het Nederlands Dagblad verwoordde: “Ik zoek, omdat ik word gezocht.”

    Otten schrijft geen belijdenispoëzie maar denkt, peinst en overweegt. Het meest concreet is hij in de derde reeks ‘Gerichte gedichten’, waarin hij poëzie en gebed met elkaar vermengt tot een zestal persoonlijke overdenkingen. Ottens denktocht eindigt in een oase van rust. Terwijl hij in zijn eerdere bundels nog vooral de schepping ondervroeg, de doop onderzocht en zijn bekering beredeneerde, richt hij zich nu rechtstreeks tot God. Niet meer vertwijfeld op zoek naar antwoorden, maar luchtig vragend in een berustende eenvoud en verklarende helderheid. Het meest geslaagd in deze cyclus is ‘Hoeveel weet ik van u’, waarin hij in een stapeling van beelden de ambiguïteit van zijn zoektocht weergeeft. Hij heeft gevonden, maar niet wat hij zocht.

     In het slotstuk van Ottens bundel, of zelfs van al zijn gepubliceerde poëzie, duikt het eilandbeeld weer op: voor Otten symbool voor een dichterlijke wereld, afgezonderd in taal en tijd. Het is stille zaterdag, de boot komt eens per jaar met Pasen. Op de boot staat de hoofdpersoon van het gedicht en hij ziet iemand op de kade wuiven. Hij wuift zelf ook. Maar wie begon met wuiven? Zie hier: weer het beeld van het begin van de zoektocht. Hij wordt in zekere zin aan het zoeken gezet, want vervolgens verkent de hoofdpersoon het eiland. Hij gaat op zoek naar het mysterie, waar hij alleen de taal van poëzie bij kan gebruiken. Het is een zoektocht waarin woorden worden gevonden, de rede wordt afgetast. Maar de rede heeft grenzen: het mysterie is niet verklaarbaar. En terwijl de hoofdpersoon zoekt, krijgt hij langzamerhand door dat er ook naar hem wordt gezocht. Aan het einde van de reeks namelijk een vergelijkbare situatie als aan het begin: nu staat de hoofdpersoon op de kade, op zoek naar degene die naar hem wuifde:

    Je moest de nieuwelingen aan de reling zien
    daar op de boot, eer je eindelijk begreep
    hoe ongeneeslijk welkom jij hebt willen zijn,

    toen jij daar wuifde, welkom als de zoon.

    Hij zoekt terwijl hij gezocht wordt. Hij was allang welkom geheten: op het moment dat hij met Pasen aankwam. Hierin vindt Otten het einde van zijn bekeringsproces. Terwijl hij in zijn vorige bundels nog deinde op open zee, is hij nu aangekomen op het eiland en: “Eenmaal / binnen zult u niet meer weg, / tot u omhelst wat u beseft.”

    Willem Jan Otten is er in deze prachtige bundel in geslaagd zijn zoektocht in woorden te vatten. Waarbij hij blijft afwegen, zoeken naar de juiste woorden, zinnen, beelden. Dat levert mysterieuze poëzie op, die je misschien tot op het bot kan analyseren maar waarvan het mysterie immer bewaard blijft. Poëzie die even mooi als kwetsbaar en bereikbaar is.

  • 'Welkom' nieuwe bundel Willem Jan Otten

    Poëzie vormt het grondakkoord van Ottens oeuvre. Dat zijn literair werk romans, toneelstukken, essays over uiteenlopende onderwerpen en opiniërende artikelen telt, laat het primaat van zijn poëzie onverlet. Welkom bevestigt dit opnieuw.

    Willem Jan Otten publiceerde onder meer de romans Een man van horen zeggen, De wijde blik, Ons mankeert niets en Specht en zoon (bekroond met de Librisprijs 2005). Voor zijn gehele oeuvre ontving hij in 2000 de Constantijn Huygensprijs.

    Mijn dag begon met trachten te vergeten
    wie ik toen ik droomde was: een molecuul
    geflipperd door het onherinnerde heelal.

    Willem Jan Otten
    Welkom ISBN: 978 90 282 40 988
    72 blz, €14, 90