• Dingen achterlaten

    Dingen achterlaten

    Wandelen zou ik, elke dag, in het Leudal van Limburg, waar het goed wandelen moet zijn. Maar eerst met de poes naar de dierenarts voor een check-up. Altijd goed dit te doen. Poes had een ontstoken kaak door een afgebroken hoektand. Het diertje had  er niets van gezegd, had nu dagelijks antibiotica nodig. Er diende zich de mogelijkheid van vakantie in eigen huis aan. Ik bekeek de omgeving met de ogen een vakantieganger. Ik zei, wat een prachtige tuin hebben ze hier, en die twee heerlijke hangmat-achtige met canvas beklede stoelen! Ik leunde erin achterover, staarde naar de hemel (blauw met witte wolkjes) zoals ik er nog nooit naar gestaard had. 

    De volgende ochtend gingen we naar een van de kleinste filmtheaters van Nederland in het nabij gelegen stadje Zutphen en zagen de film The Salt Path. Ik leefde mee met Moth en Raynor Winn die hun huis moesten verlaten. Met hun weinige bezittingen in hun rugzak het South West Coast Path liepen, zonder te weten wat ze konden verwachten. Beelden van sterke wind, gekookte pasta of rijst lepelend uit een pan, slagregens, koude nachten in een flinterdunne tent. Hoe ze dit samen doorstonden. Ik kon het niet helpen, tranen nauwelijks te bedwingen. Hoe beiden, de zorgzaamheid, de moed, om elkaar gaven, het was me wat. Dat het de liefde is die blijft, dat je het daarmee moet doen. Ik fluisterde naar de man, laten we de huur opzeggen, rugzakken inpakken, al wat verzameld is achterlaten. Hij glimlachte, begripvol. Ik veegde langs mijn ogen. Beelden van onverbiddelijk voortploeteren, de strompelende Moth. Niemand die hen begrijpt, hoe alleen ze staan. Dat liefde, echte liefde dus, een eenzame aangelegenheid voor twee personen is.

    Na de film dronken we een koffie bij de Italiaan. Ik was hongerig, ging naar de boekhandel schuin tegenover de Italiaan. De man naar de Hema, om sokken, voor als je weet maar nooit. Toen hij afgelopen zondag jarig was, zei de man, we moeten eigenlijk naar Den Haag, die rode lijn. En we gingen. Nu ik fluisterde over dingen achterlaten, rugzakken, wie weet. Bij de boekhandel rommelde ik wat bij de afdeling ‘wandelen’. Zag het prachtige boek Het wilde vrouwenpad van Brigitte Ars. Dat moest ik hebben. De man was geen pad te gek of hij liep het wel.

    Een boek over ‘stoere’ vrouwen die er alleen op uittrokken. ‘Dwalen met Emily Brontë’, ‘Op expeditie met Simone de Beuavoir’, een wandelreis van Nan Shepherd, en hoe Virginia Woolf haar dagelijkse wandelingen liep. ‘In Naar de vuurtoren worden wandelingen bijvoorbeeld gebruikt om de innerlijke gedachten en emoties van personages te verkennen.’

    Hoe ik dan toch weer bij schrijven uitkom. Ja, Willem Brakman, altijd ging hij wandelen. Voor vandaag lopen we van Ruurlo naar Zelhem, vijftien km zegt de man. Wandelen geeft het gevoel ergens aan te ontsnappen. Vooruit lopen, steeds maar door, en dan, de dingen die achterblijven. ‘So, there I go’.

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

  • De sleutel

    De sleutel

    Ik lees graag over schrijvers, hoe ze het doen, of ze van wandelen houden bijvoorbeeld. Willem Brakman vertelde in de jaren tachtig in een interview dat hij gaat wandelen als hij vastzit met schrijven. Brakman schreef ondoorgrondelijke boeken. Dat wandelen maakte hem zo menselijk dat ik mij er nog eens aan waagde. De menselijke kant van een schrijver bepaalt hoe ik zijn werk lees. Elk menselijk gedrag brengt mij iets dichter bij de schrijver die ik wil zijn.

    Maar eerst dit. Ik zat in de trein naar Amsterdam. Er was een boekpresentatie aan het Haarlemmerplein. Het was er druk, gezellig. Het boek werd ten doop gehouden met muziek, wijn, hapjes, speeches, meer muziek.  Wacht, ik zit nog in de trein. Het was druk in de coupé, er kwam een vrouw naast me zitten met nog bredere heupen dan ikzelf. Ik was blij dat ik De Parelduiker bij me had. Het begon gelijk al goed. Met een artikel over W.G. Sebald. Als ik aan Sebald denk, denk ik aan hoe hij is omgekomen bij een auto ongeluk. Dramatische dingen vergeet ik niet. Hoe jong hij was.

    Reinjan Mulder heeft Sebald eens ontmoet, daar schrijft hij over in De Parelduiker. Een stuk waar je al lezend door het leven van Sebald, en dat van Mulder wandelt. De vader van Mulder had ooit een maisonnette in het zuidoosten van Engeland gekocht, bij Harwich, ze brachten er hun vakanties door. Ook Sebald verhuist vanuit Duitsland daarheen. Aanvankelijk kon Mulder niet zo goed uit de voeten met de boeken van Sebald, pas door De ringen van Saturnus, een beschrijving van het Britse kustlandschap, werd hij enthousiast. Als Mulder in 1995 ‘die ik traditiegetrouw weer in Engeland doorbreng’ is, gaat hij Sebald thuis opzoeken voor een interview, maar ook om ‘langs wat geliefde locaties uit het boek te gaan.’ De schrijver kennen, betekent zijn werk begrijpen.

    Terwijl ik ingeklemd zit tussen de dame naast mij en de harde wand van de trein, lees ik dat Mulder genoot van, ‘zijn prachtige, zangerige Duits’. Maar ook dat Sebald na anderhalf uur plots het interview stopt. En terwijl Sebald door de weilanden met zijn labrador ging wandelen, werd Mulder door zijn vrouw, die hem over de stemmingswisselingen van haar man sprak, naar het station van Norwich gebracht. Mulder schrijft: ‘Na dat voortijdig beëindigde bezoek heb ik nooit meer heel lang niet aan die wonderlijke man in Engeland met zijn wonderlijke boeken gedacht.’ En hoe hij schrok toen op 14 december 2001 Sebald op zevenenvijftigjarige leeftijd in zijn auto overleed aan een aneurysma. Geen verkeersongeluk dus, hoe hardnekkig de flapteksten dit ook blijven vermelden.

    Dat Mulder zijn liefde voor Sebald nooit verloren heeft getuige het feit dat hij na zijn dood nog een paar keer is teruggegaan naar ‘East Anglia, ook toen onze maisonnette al was verkocht’. Hij begon Sebalds boeken in de oorspronkelijke Duitse versies te verzamelen. ‘Kocht te hooi en te gras secundaire literatuur.’ En dan. Tien jaar na Sebalds overlijden hoort hij Patty Smith op een literatuurfestival ter ere van Sebald in Aldeburgh, het gedicht Nach der Natur van Sebald zingen. ‘de zangeres [vertelde] ons aan het ontbijt hoe ze door haar vriendin Susan Sontag op Sebalds werk was gewezen.’ Ik las het allemaal gretig weg daar in de trein.

    Na Utrecht begon ik aan ‘Stukjes van mezelf’, over de usb-sticks van Anton Valens (1964-2021) – nog zo’n schrijver die veel te jong is overleden – door Johannes van der Sluis. Over de stukken tekst, onaffe verhalen, aanzetten tot een verhaal die hij op de usb-sticks vindt, geïllustreerd met prachtig werk van Valens zelf.

    Na de boekpresentatie liep ik door de Buiten Oranjestraat naar de Haarlemmerhouttuinen, tot het punt waar mijn broer verongelukte. Als je schrijft over wie gestorven is, dan komen ze voor even weer terug. Thuis begon ik te bladeren in De wereld in 48 stukken het boek dat die middag ten doop was gehouden.

    Ik zocht op schrijversnamen in het register, stuitte op Paul Léautaud (p. 143). Waar ik lees, ‘Het was met deze kennis dat ik de werkkamer van Hillenius (ook al decennia dood) betrad, en het was met deze kennis dat ik de rij Léautaud-titels, de opgezette kiwi en de piano en vele andere zaken kon bekijken. (..) in zekere zin is de manier waarop Hillenius naar een omgeving kijkt de sleutel geworden waarmee ik reis.’ Waarmee ik meten iets te pakken heb over de schrijver, dit boek, al weet ik niet helemaal wat het is. Daarvoor zal ik eerst het voorwoord dat Tijs Goldschmidt schreef bij de verzamelbundel Ademgaten. Denken over dieren, van Hillenius lezen. En verder dwalen door dit boek, ontdekken waar die sleutel allemaal op past.

     

     

    De Parelduiker hier te besellen. De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep vind je hier


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Waanbeelden aan de boslaan

    Waanbeelden aan de boslaan

    Een rouwkaart ontvangen, naar de begrafenis gaan en de nabestaanden condoleren zonder te weten wie er nu eigenlijk gestorven is. Het lijkt compleet van de pot gerukt. In de novelle Het Leesclubje van Willem Brakman is het de normaalste zaak van de wereld. Dat is althans het geval voor de hoofdpersoon in wiens kolkende gedachtestroom de lezer wordt meegezogen. Het boek dateert uit 1985 en deze heruitgave confronteert ons terug met het feit dat Brakman niet zomaar een verhaaltje met een spannend plot heeft afgeleverd. Het wordt al rap duidelijk dat we te maken hebben met een oude man, die op een zeer intense en zintuigelijke manier zijn omgeving ervaart. Het eten van een chocoladereep kan de aanleiding vormen tot een grondige mijmering over de mystiek van zo’n reep. Terwijl hij wel zonder verpinken op reis vertrekt naar de uitvaart van een iemand van wie de lezer nooit de identiteit zal achterhalen.

    Lijkbleke Kobolden

    Die rouwkaart voert hem terug naar zijn geboortedorp. Daar is hij allerminst bedroefd om, want zo kan hij wegvluchten van mevrouw Blauw, een weduwe bij wie hij zijn intrek heeft genomen. Het is een goed mens, maar ze werkt hem danig op de zenuwen. Steeds heeft hij schrik dat ze het op een gillen zal zetten. Eens verdenkt hij haar ervan dat zij aan zijn reep heeft gezeten: ‘Zelfs aan het blokje chocolade zelf had de geur zich gehecht en een doffe vlek op het gepolitoerde oppervlak zei mij genoeg.’ Die combinatie van extreme sensitiviteit en een paranoïde angst dat de wereld hem wil bedriegen zijn typerend voor het hoofdpersonage.  Zelf is hij zeer trots op zijn muzische wezen en zijn schrijverschap, dat heeft geleid tot zijn bekendste roman Gebroken wit.

    Brakman slaagt erin om de zielenroerselen van deze schrijver te laten uitmonden in beeldende, spitsvondige en ronduit komische zinnen, die je op het verkeerde been zetten en mogelijke plotlijnen steeds weer overboord gooien. Pendelaars die uit de bus stappen hebben een ‘apocalyptische drang op hun gelaat’ en het woord ‘maanmarmerenspook’ toont perfect hoe intens het hoofdpersonage een bleek iemand als mevrouw Zwaan aanschouwt. Eens aangekomen in zijn geboortedorp nodigt zij hem uit voor haar leesclubje, al vertrouwt hij haar voor geen meter. Vanuit zijn huis aan de Boslaan, dat dienstdoet als zijn onderkomen, ziet hij nog een hele rist aan verdachte dorpsbewoners de revue passeren.  Zo lopen er een paar vrouwtjes rond, die hij benoemt als ‘kobolden, uldra’s, in ieder geval iets vanonder een fikse paddenstoel met zwarte slijmdraden, maar als zodanig niet algemeen herkend en ingeschreven.’ 

    De angst van een algenman

    Het is quasi onmogelijk om een onderscheid te maken tussen de waanbeelden van deze oude man en hetgeen zich in de werkelijke wereld voltrekt. Romanpersonages uit Gebroken wit wekt hij tot leven en anderzijds trekt hij ook de hele tijd zaken in twijfel. Als lezer beland je onvermijdelijk in een delirium, maar voor hem is alles wat hij voelt even reëel. Zeker wanneer hij overgaat tot moord blijft het de vraag of de scène, die Brakman zo grotesk heeft geschetst, enige waarachtigheid bevat. Het behelst een zinloze geweldpleging op een dorpsbewoner, maar ook de voorgaande vraag blijft verstoken van enige betekenis. In dit absurde universum is de zinloze gang van zaken vanzelfsprekend: ‘Met een gevoel van herkenning dribbelde ik rond, kleine geluidjes uitstotend, mompelende instemmingen, die ikzelf ook niet verstond, maar toch wel begreep.’

    Die verzoening van zin en onzin gaat gepaard met de gewaarwording dat de wereld tegelijkertijd overrompelend en afstandelijk is. Achter zijn extreme sensitiviteit schuilt een diepe angst, die voortkomt uit zijn onvervulde wens om ‘een geliefd, bemind en gerespecteerd mens te zijn.’ Doorheen het verhaal spit Brakman de existentiële leegte onder de intense aardbodem stelselmatig meer naar het oppervlak, als ‘de onmiskenbare grondtoon van het duistere.’ De dorpsbewoners lijken hem uit te lachen en te bespieden of net door hem heen te kruipen en te sluipen alsof hij doorluchtig is. Bij momenten kan het hoofdpersonage echter lucide ingevingen bezitten. Zo bemerkt hij algauw dat de dorpelingen hem als een te mijden zonderling beschouwen: ‘Het zachte en geruisloze verslijmen begint blijkbaar alleen als er iets niet in orde is […] en opeens ben je dan een met algen bedekte man, een bemoste man, zo’n kleumend wezen dat ze huiverend nastaren, en dat is nooit goed.’

    Knotsgek en complex

    In Leesclubje verwoordt Willem Brakman de zinderende en soms angstaanjagend transparante waanbeelden van een oude schrijver in wie de dood al vanaf zijn jeugd is gevestigd. Met honderdzeventig pagina’s heeft hij er goed aan gedaan om het boek beperkt in omvang te houden, aangezien het gebrek aan plot en de rijke maar complexe zinnen veel van de lezer vergen. Wat het personage en uitgangspunt betreft, vertoont dit verhaal zonder meer gelijkenissen met Cliënt E; Busken, de laatste creatie van Jeroen Brouwers. Het diepgeworteld cynisme en de knotsgekke taferelen, verpakt in bloemrijk taalgebruik, doen dan weer denken aan het werk van respectievelijk Herman Brusselmans en Christophe Vekeman. Hoe het ook zij blijft Willem Brakman toch vooral een volstrekt eigenzinnige auteur en hopelijk is de heruitgave van Leesclubje de eerste spadesteek, die ons uitnodigt om zijn oeuvre opnieuw grondig om te woelen.

     

     

  • Becommentariëren van elkaars werk

    Becommentariëren van elkaars werk

    De brieven die de romanschrijvers Simon Vestdijk en Willem Brakman elkaar schreven in de jaren zestig, zijn samengebracht in een gebonden prachtuitgave en voorzien van de pakkende titel Gaven, giften en vergiften. Een derde letterkundige in dit boek is Nol Gregoor, wederzijdse vriend van de twee hoofdfiguren. Gregoor introduceerde Brakman begin jaren vijftig bij Vestdijk thuis in Doorn. Een persoonlijke kennismaking nadat Gregoor eerst Brakmans eerste verhalen onder ogen van Vestdijk had gebracht.

    Welke specifieke en merkwaardige rol deze Gregoor in de Nederlandse literatuur gespeeld heeft, komt in de inleiding van het brievenboek nauwelijks uit de verf. Samensteller Nico Keuning vermeldt over Nol Gregoor slechts: ‘rijksambtenaar, publicist en later radio-interviewer’.

    In vrijwel elke brief van de twee romanschrijvers, is Gregoor het mikpunt van spot die vooral toch als vriendschapsbetuiging van beide heren moet worden opgevat. Zij stelden de belangstelling van Gregoor zeer op prijs. Bij vele schrijvers was hij kind aan huis en als biograaf legde hij een mateloze interesse aan de dag voor niet zozeer het werk, alswel voor de persoon achter dat werk. Hij was gek op handschriften en manuscripten, en leidde een kleurrijk bestaan waarover talloze anekdotes de ronde deden. Wat in Gregoor voor de twee romanciers zo boeiend was blijft in de inleiding buiten beschouwing. In de daaropvolgende brievenverzameling is Gregoor dan ook niet meer dan een schimmige figuur.

    Nadat Brakman zijn debuut Een winterreis (1961) met een begeleidende brief aan Vestdijk had verstuurd , schreef Vestdijk hem terug. Dat was het begin van een langdurige correspondentie tussen Doorn en Enschede.
    Vestdijk prees in zijn eerste brief het boek van Brakman die daar zeer gelukkig mee was. De beroemde Vestdijk zag hem als een evenknie. De erkenning van de man uit Doorn die Brakman zeer bewonderde, zal zeker van invloed zijn geweest op de honorering van een ongewoon verzoek van Vestdijk in die eerste brief. Kon Brakman, die bedrijfsarts was, zelf tranquillizers slikte en als student in een psychiatrisch ziekenhuis ervaring had opgedaan, hem aan medicatie helpen om zijn gemoedstoestand te verlichten? Vestdijk leed sinds zijn jeugd aan depressies waardoor hij vaak tot zijn groot verdriet wekenlang niet kon schrijven. Hij gebruikte broom, een ouderwets kalmeringsmiddel dat in de jaren vijftig, begin zestig nog werd voorgeschreven maar waar hij weinig baat bij had. Andere psychedelica waren er wel maar werden zelden verstrekt.

    Evenals Brakman was Vestdijk arts. Alleen heeft Vestdijk na zijn afstuderen slechts korte tijd zijn vak uitgeoefend waarna hij voor de literatuur koos. Hooguit sprak de dokter nog in hem in de studies De zieke mens in de romanliteratuur (1964) en Het wezen van de angst (1968).
    De eerste brief van Vestdijk aan Brakman dateert van 2 juli 1961. In dat jaar was Vestdijk de zestig al ruim gepasseerd en zou hij nog een decennium te leven hebben. Brakman was in de dertig en stond aan het begin van zijn schrijverscarrière. Hij werkte als bedrijfsarts, een baan die hem niet dag en nacht opeiste en een zekere ruimte gaf om te schrijven. Na zijn debuut publiceerde hij in de voetsporen van Vestdijk vele boeken waarvan de eerste boeken sterk onder diens invloed staan. Brakman toonde zich vooral  gevoelig voor de schrijfstijl en humor in de Anton Wachterromans.

    Delibereren over toegezonden medicijnen en becommentariëren van elkaars werk vormen de hoofdbestanddelen van de brieven. Daarnaast gaat het over dagelijkse beslommeringen en het roddelend dwepen met Gregoors liefdesaffaires die Vestdijk en Brakman zelf volgaarne aanknoopten. Diep graven de brieven niet en de breed besproken leverantie van tranquillizers wordt op z’n zachts gezegd al gauw vervelend.

    Brakman schonk een productief schrijversbestaan aan Vestdijk maar of zijn belang werkelijk zo groot was als uit zijn brieven uit Doorn mag worden opgemaakt is zeer de vraag. In een kort voor zijn dood geschreven en postuum gepubliceerde getuigenis, noemde Vestdijk namen van artsen die met de perfecte medicatie zijn leven draaglijk hadden gemaakt en zijn schrijverschap hadden gered. De naam van Brakman was daar niet bij.
    Deze informatie is te vinden in de inleiding op de brieven, die zoals gezegd te weinig toelichting geeft. Verder verdient zij alle lof maar die valt zeker niet aan de daaropvolgende correspondentie ten deel.

    Een veel strengere selectie zou van deze brieven van Vestdijk en Brakman een onderhoudend geheel hebben gemaakt. Dan zou er een boekje uit de bus zijn gerold met een prachtige ‘petite histoire’ maar wel een dat te dun zou zijn uitgevallen. Beter nog zou een uitvoerig essay voor tijdschrift of bibliofiele uitgave zijn, bestaande uit de tekst van de inleiding en aangevuld met de mooiste brieffragmenten.

     

  • Oogst week 22 – 2018

    Gaven, giften en vergiften : brieven

    De correspondentie tussen Simon Vestdijk en Willem Brakman begint als Brakman Vestdijk zijn debuutroman toestuurt. ‘Beste Brakman’ en ‘Beste Vestdijk’ werd al heel snel ‘Beste Wim’ en ‘Beste Simon’. Dat zij elkaar niet alleen over literatuur en hun wederzijdse vriend Nol Gregoor schreven, blijkt uit Gaven, giften en vergiften, de door Nico Keuning verzamelde en ingeleide brieven uit de periode 1961-1969. Het gaat ook heel vaak over de gezondheid van beide literatoren, die allebei arts waren. Beiden hebben een aanleg voor zwaarmoedigheid en depressies. Vestdijk weet Brakman te vinden als hij advies en pillen nodig heeft. Uit het voorwoord van Nico Keuning blijkt hoe groot de invloed van zijn depressies op het werk van met name Simon Vestdijk was.

    Gaven, giften en vergiften : brieven
    Auteur: Willem Brakman en Simon Vestdijk
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)

    Ik bestaat uit twee letters

    In Privé-domein verscheen Ik bestaat uit twee letters, het dagboek dat A.H.J. Dautzenberg bijhield vanaf de dag dat hij 49 werd tot zijn vijftigste verjaardag. Het gaat hier niet om een alsnog publiek gemaakt dagboek, maar om speciaal voor deze reeks bijgehouden aantekeningen. Net als Ilja Leonard Pfeijffer is A.H.J. Dautzenberg iemand die in zijn werk speelt met het thema ‘werkelijkheid’. De vraag is of Dautzenberg van zijn verslag van zijn dagelijkse leven meer maakt dan alleen een literaire exercitie.
    De rode draad in Ik bestaat uit twee letters mag dan de relatie met tweelingbroer Hub zijn, aan wie hij al zijn hele leven vastzit, maar Dautzenberg doet ook uitgebreid verslag van wederwaardigheden in de literaire wereld. En dat kan interessant zijn, want in het vijftigste levensjaar was het onrustig bij zijn uitgeverij en ging Theo Sontrop dood.

    Ik bestaat uit twee letters
    Auteur: A.H.J. Dautzenberg
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2018)

    De melodie

    Na een succesvolle carrière lijkt chansonnier Alfred Busi verzekerd van een rustige oude dag. In zijn ouderlijk huis, een riante villa op een aantrekkelijke plek, zou hij tevreden terug hebben kunnen kijken op zijn leven, als in het dorp niet geplaagd werd door dieren die ’s nachts de vuilnisbakken plunderen; een projectontwikkelaar het niet op zijn villa voorzien had, een journalist niet om werk verlegen had gezeten en zijn vrouw Alicia niet was overleden.
    De melodie van Jim Crace wekt de indruk een realistische roman te zijn over actuele onderwerpen, maar er gebeuren teveel wonderlijke dingen om het symbolische over het hoofd te zien.

    De melodie
    Auteur: Jim Crace
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus (2018)

    Victorieverdriet

    Toen haar grote liefde haar tijdens een vakantie in New York verliet, kwam dat hard aan bij Elfie Tromp. Onmiddellijk daarna werd haar liefdesverdriet een onderwerp in haar werk. Haar eerste pijn schreef ze van zich af in haar columns, daarna maakte ze een theatervoorstelling. Ook haar poëziedebuut Victorieverdriet is een verslag van het rouwen en klagen dat hoort bij een dergelijk verlies. Victorieverdriet is een reis in drie etappes, die min of meer samenvallen met de stadia van verwerking. De gedichten zijn een vrij letterlijke verwoording van gevoelens.

    Victorieverdriet
    Auteur: Elfie Tromp
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus (2018)