• ’t Wad

    ’t Wad

    Op een fietskaart van Noord Holland had ik ’t Wad gezien. Een grijze punt, een buurtschap boven Schagen. Ik rij er vanaf Wieringen naartoe, passeer de Ewijcksluis, in deze streek kreeg Lou de Palingboer een teken.
    ‘De Satan was de Satan niet, hij was een afsplitsing van God zelve.’ ‘Het was al, eer het was.’ Een man met vele vrouwen. Een palingboer als afgezant van God op een plek waar de Noordzee eeuwenlang getwijfeld heeft tussen zand en water. Nederlandser kan het niet. In de verte achter mij de contouren van Den Helder.

    Bij Oudesluis spreek ik mezelf toe, ik moet nu goed opletten zodra de weg omhoog gaat. Ik zie een straatnaambordje, Wadweg heet het hier. Ja, ik zit goed, passeer de dijk en rij nu, in mijn verbeelding, vanuit het water het vasteland op. Rij te ver door, wegen worden weggetjes, ik moet keren met mijn camper. Rij achteruit een tuinpad op, tik met mijn bumper tegen een tuinkabouter die even, zie ik in mijn zijspiegel, op zijn voeten schommelt. Parkeer uiteindelijk op een strook niemandsland en loop de Wadweg op in de richting van de Westfriese omringdijk.
    Een hardloper komt mij tegemoet, ganzen bekijken me nieuwsgierig, een man trekt in zijn moestuin met een voorn een gleuf. In de verte rijdt de intercity uit Den Helder.
    Ik stap de dijk op.
    Iets wat er niet meer is dat raakt me. Kan dat, dat juist de afwezigheid ontroert? Koeien grazen op een strak land, gewonnen op de zee. Vanaf hier was alles water. Het lijkt alsof ik door de tijd gereisd ben en de watervlakte voor me zie. Ik voel me thuis. Wie kijkt er zo als ik nu kijk?
    Ik ben geboren aan de kust, reisde met mijn gezin 1200 kilometer verderop om weer aan te komen bij een kust. Naar een kust kan je verlangen, terwijl je er al bent. Bij mijn reizen langs de waddenkust kreeg ik de dijk erbij. Die daagt me uit: wat denk je dat je ziet als je bovenop mij staat? De dijk, ik schreef het al eerder, had ik altijd beschouwd als een sta-in-de-weg die mij belemmerde. Dat is door deze reis veranderd, de dijk creëert verwachting, maakt nieuwsgierig.

     

     

    Ik lees de straatnaambordjes, in de richting van het zuidwesten is dit de Westfriese omringdijk, naar het oosten heet het Poolland. Poolland?
    Een vrouw op een rode fiets passeert. ‘Zoekt u iets?’ roept ze. ‘Waarom het hier Poolland heet,’ vraag ik.
    ‘Maar weet u dat dan niet?’ Ze praat schreeuwend. ‘Tot hier kwamen de ijsschotsen, u heeft toch wel van de IJstijd gehoord? Alles was hier de Noordpool, dat behoort u toch te weten?’ Ze stapt van haar fiets.
    ‘Ik ben in de Beemster geboren.’ Ze wijst over mijn schouder. ‘Op de kermis leerde ik een boerenjongen kennen. En toen was mijn leven bepaald. Ja, dat dacht hij, maar voor mij voelde dat helemaal niet zo, ik ben altijd goed in dwarsliggen geweest,’ ze komt dicht bij me staan. Ze houdt haar oor vlakbij mijn mond. Een dove hippie op een damesfiets, een gat in haar trainingsbroek.
    ‘Ik ben van 1936,’ schreeuwt ze. ‘Ik heb alles al meegemaakt.’ Een levendig gezicht, felle ogen. Een hoofddoek met een strik erop, een verouderde versie van Loes Luca uit Ja zuster, nee zuster.
    ‘Het water in de polders is veel te hoog, meneer, dat komt door die vogellobbyisten, die verromantiseren de hele boel, overdreven liefde voor getjilp en gekwetter. En het waterschap meneer, ik zit daar in een commissie, die ouwehoeren rustig mee en de fundamenten van de huizen van voor de oorlog rotten ondertussen door dat water weg. En weet u hoe ze dat oplossen, meneer?’ Ze komt nog dichter bij me staan, ze verwacht geen antwoord van me.
    ‘Je sloopt de boel en plempt de polder vol met nieuwbouwwijken. Ik heb mijn hele leven vanaf mijn huis hier aan de dijk naar Alkmaar kunnen fietsen. Maar nu? Bij de eerste de beste nieuwbouwwijk verdwaal ik. Dat is erg hoor, als je de kluts kwijt raakt in je eigen land.’ Ze stapt weer op en zwaait. Ik zwaai terug.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezocht de afgelopen drie jaar niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reisde van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Dit is zijn laatste blog van deze reis.

     

     

    Foto: Anneke van Kroonenburg

     

  • Wieringen

    Wieringen

    Glooiende wegen, kronkelpaden, aan alles is te merken dat dit een eiland was. Een oud landschap met een dijk van zeewier in het oosten en op de westpunt werd ooit de post per schuit bezorgd. Daar loopt nu een smalle weg. ‘Dam’ heet die, langs de kust verandert de naam in ‘Quarantaineweg’. Onderaan de dijk een bakstenen gebouwtje met een metalen windvaan, ‘1919’ staat erop. Op de gevel zijn de uit steen gehakte letters RIJKSPEILSCHAAL nog net te lezen. Hier werden met een ingenieus apparaat, de maregraaf, de standen van eb en vloed geregistreerd. Een door de tijd onaangetaste plek.
    Een volksliedje zal hier gezongen zijn.

    Wie wil er mee naar Wieringen varen,
    ’s morgens vroeg al in de dauw,
    met een mooi meisje van achttien jaren,
    dat zo graag naar Wieringen wou.
    Schipper ik hoor de hanen kraaien,
    schipper ik zie de vlaggetjes waaien.
    Stuurman laat je roer maar gaan,
    Dan zullen we spoedig op Wieringen staan.

    Een liedje uit de tijd van peilschaalwachters, allemaal in dienst van de rijksoverheid. Ze zouden zich verbazen over het definitief drooggevallen wad op deze westpunt. De Noordzee heeft het hier opgegeven.
    Als je van mediteren houdt, moet je op deze plek gaan zitten. In de verte Den Helder waar in 1811 Napoleon even kwam buurten en op zijn initiatief werd de stad een marinehaven. Achter mij was zijn vriendelijke broer Lodewijk Napoleon actief. Je doet  de ogen dicht en de chalets van zomergasten veranderen in barakken die daar tijdens zijn koningschap werden neergezet. Als zeelui besmet waren met een onbekende ziekte gingen ze hier in quarantaine. [Ik was hier voordat het virus uitbrak en toen was ‘quarantaine’ niet meer dan een woord. Bijzonder toch hoe het heden het verleden van betekenis voorziet.]

     

     

    Via een slingerweggetje naar Stroe, vanuit de verte zie je dat dit dorp hoger ligt, ga ik naar het Wieringer Museum. Er is een tentoonstelling over rouw en kleding. Vrouwen mochten aanvankelijk niet op de begrafenis van mannen komen, later werd dit onder restricties toegestaan. Alleen de ogen mochten zichtbaar zijn. Ze zijn op foto’s afgebeeld met wat we nu een nikab noemen.
    Een man vertelt me dat veel mensen die voor het eerst op Wieringen komen het ervaren als een onbekende wereld, alsof ze in een andere tijd zijn aangekomen. En staand voor de vitrine met de foto’s van de vrouwen concluderen we dat met de tijd de cultuur verandert. En dat dit per plek verschilt. Zaken die we eerst verbieden staan we later toe en andersom. Net als bij de inrichting van het landschap, wat we mooi of lelijk vinden wijzigt met de tijd. ‘God’ wordt niet meer met een hoofdletter geschreven. Goed en kwaad blijkt relatief.
    Een groep jongeren uit deze streek neemt dat laatste heel letterlijk.
    Zo wordt de  familie Schmidt uit Hippolytushoef, de ‘hoofdstad’ van Wieringen, al jaren uitgescholden. Eieren worden tegen de ramen gegooid en wanneer zij hun Joodse feestdagen vieren, wordt hun huis beklad met hakenkruizen.

    Ik rijd de provinciale weg op – de ‘Korte afsluitdijk’ wordt deze dam genoemd – en besef hoe vaak je onderweg geen tijd neemt voor een afslag. Haastig aan een plek voorbij gaat waar de tijd heeft stil gestaan. En ik besef ook dat ‘het stil staan van de tijd’ zowel een romantisch beeld is als een somber.

     


    Hans Muiderman bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Niet per se in die volgorde.

    foto: Anneke van Kroonenburg

     

  • Wilhelmshaven

    Wilhelmshaven

    De bus vanuit Jever scheurt door een buitengebied met aangeharkte grindpaden voor keurige twee-onder-een-kapwoningen die allemaal op elkaar lijken. Aan de lantarenpalen de resten van affiches van politieke partijen. ‘Grenzen sicheren’ lees ik. En even later ‘Diesel retten’ en ‘Heimat bewahren’. Voor een winkelruit hangt het bordje ‘Mittagruhe’. Het leven is eenvoudig hier en ik ben op weg naar Wilhelmshaven. Vanwege een herinnering aan een ansichtkaart die als kind diepe indruk op me maakte. Het enorme plein voor het toenmalige Grand Hotel – ik woonde daar vlakbij in Scheveningen – kende ik als een strak gazon waarop je niet mocht voetballen. Maar op de ansichtkaart stond het vol met motorfietsen, kleine vrachtwagens, aanhangwagens, stapels houten kisten en op de stoep een groep soldaten. Ze wachtten ergens op.
    Het vreemde contrast met de witte gevel van het Grand Hotel, een chique plek voor rijke mensen.
    De ansichtkaart is uit 1945, gemaakt een jaar voor mijn geboorte. ‘Duitse soldaten gaan terug naar Wilhelmshaven,’ zoiets stond erop. Waarom die afbeelding zoveel indruk op me maakte weet ik niet, het geheugen gaat zijn eigen gang. Misschien was ik al veel ouder toen ik die foto zag, maar parachuteerde dat beeld me terug in de tijd naar de speelplekken uit mijn vroegste jeugd. 

    In het scheepvaartmuseum in Wilhelmshaven herinnert weinig aan die tijd, in een hoekje zijn er wat foto’s waarop soldaten mager en vermoeid van boord gaan. De verliezers. Nee, neem dan de expositie ‘Souvenirs von Fremden Küsten’ met een ‘Königsstuhl’ uit Kameroen en een prachtig uit hout gesneden ‘Modell eines Renbootes’ en daarnaast een Pritsche (draagtafel) van de ‘Admiralitätsinsel – Bismarck Archipel in Melanesien’. Toe maar, de Pruisen die wisten wel wat ‘Heimat bewahren’ was, vooral de Heimat van een ander.
    In 1853 kochten ze van de landheren van het Jadegebied de enorme monding van de rivier de Jade plus bijbehorend land. Je kon zo de zee op. Een mooie plek voor een haven en leuk voor oorlogsschepen. Maar alles mislukte aanvankelijk. De eerste havenmond slibde voortdurend dicht en niemand wist wat er moest gebeuren. Pas toen keizer Wilhelm II (ja, die asielzoeker uit Doorn) zijn oorlogsvloot ging bouwen kreeg Wilhelmshaven zijn bestemming: een marinehaven. 

     

     

    Vanaf het museum loop ik in de richting van de haven, niets doet meer denken aan een stad waar de matrozen zingend door de straten liepen. Het is hier stil en levenloos, beslist geen rijke stad, veel leegstand in de winkelstraten. Ik wandel langs de Nordhafen, de Ausrüstungshafen, Großer Hafen, Handelshafen, Marinehafen en de Kanal- en Arsenalhafen. Het kan niet op. En om dit allemaal een beetje bij elkaar te houden de Verbindungshafen en de Kaiser Wilhelmbrücke. Behalve een rondvaartboot vaart er hier geen schip.
    In de buurt van de brug hoor ik het Russische volkslied uit een speaker en direct daarna het Duitse. Sleepboten positioneren zich voor en achter een enorme driemaster, mannen met gele helmen gooien de touwen los, jonge mannen maken foto’s met hun telefoon, matrozen zwaaien. Het is een Russisch opleidingsschip dat via de Jadebocht en de Waddenzee de open zee op wordt gesleept. Een echtpaar houdt de Russische vlag omhoog, zij rekt zich uit en zwaait met een witte zakdoek, de vader slikt zijn tranen weg. Daar gaat hun zoon. De Kaiser Wilhelmbrücke draait open, wat zal het mooi zijn als zo’n klassiek schip straks vol in de zeilen gaat.

    Als ik terugloop naar het station – de Mittagruhe duurt hier de hele dag – lijkt het alsof de drukte en beweging van daarnet slechts een gedachte is, niet meer dan een herinnering aan een haven waar ooit de matrozen brullend over de kade liepen of zich duimendraaiend doodverveelden. Een havenstad waar men zich aanvankelijk overwinnaar waande, waar tussen 1925 en 1939 het ene na het andere oorlogsschip van stapel liep, maar die na 1945 nooit meer een marinehaven mocht worden. Het werd een plek voor de aankomst van verliezers, trots mocht je op deze stad niet zijn.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken, niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Plinius

    Plinius

    Ik heb de man niet aan zien komen, hij staat schuin achter me. Op de rand van een steile afgrond begint hij onverwacht tegen mij te praten. Nou ja, ‘steile afgrond’ is wat overdreven, dat gevoel komt door mijn hoogtevrees.
    ‘De meeste mensen, toeristen zoals u,’ zegt hij, ‘vragen zich af hoe het eeuwen geleden hier zo hoog geworden is. Maar weinigen beseffen dat het juist de afgravingen zijn die dat gevoel van hoogte veroorzaakt hebben.’ Hij doet een stap naar voren en komt naast me staan, hier op de wierde van Ezinge.
    ‘In de tijd gemeten is het nog niet zo lang geleden’, hij spreekt traag en docerend, ‘dat men inzag dat de grond van de wierde uiterst vruchtbaar was. Zelfs huizen werden er voor afgebroken om die grond af te graven en te verhandelen. Goede mest bracht geld op. Veel geld. Pas veel later kreeg die grond concurrentie van de kunstmest.’
    Hij heeft zich naar mij omgedraaid, zijn duimen achter de bretels.
    ‘En meneer, met die afgravingen werd niet alleen goede grond gewonnen maar ook onze geschiedenis blootgelegd. Als Van Giffen (ik noteer de naam in mijn notitieboekje) er niet was geweest hadden we nooit geweten wie de bewoners waren toen de wierde niet hoger was dan een bultje in het landschap.’
    De man kijkt naar de lucht alsof hij ergens boven de kerktoren zijn inspiratie vindt. Hij heeft iets van een filosoof.
    ‘Arm was het, meneer, toen het hier allemaal begon. Arm en nog eens arm. U moet maar eens beneden in het museum lezen wat die Romein Plinius daarover dacht, toen hij hier aankwam. En als u daar toch naartoe gaat vergeet dan die Van Giffen niet, die professor. Wat hij omhoog spitte, een kleine eeuw geleden, was wel even uit 500 voor Christus. De resten van tachtig huizen, boerderijen…’ Hij onderbreekt zichzelf.
    ‘Een fijne dag nog, daar naar beneden, het museum ligt op nog geen tien minuten.’
    ‘En bij het bruggetje moet u naar rechts,’ roept hij me na.

     

     

    Even later bekijk ik de foto’s van Van Giffen. Je herkent hem gelijk in het midden van een groep mannen die bij de afgraving staan. Hij is de kleinste, een scherpe blik, een houding van ik-ga-u-eens-wat-laten-zien’. Het liefst nam hij zelf de schop ter hand.
    Verderop in het museum de tekst van Plinius de Oude, een jonge officier die met de Romeinen voer in de richting van de Eems. Het is niet de eerste keer dat ik dit lees op deze reis, de tekst bestaat in vele variaties:
    ‘…met aarde verwarmen ze hun voedsel en hun lijf, verstijfd door de noordenwind.
    Een meelijwekkend volk. En als vandaag de dag deze stammen overwonnen worden door het Romeinse volk, noemen ze dat slavernij! Zo is het inderdaad: het lot spaart velen door ze te straffen.’

    Maar als ik rondloop in het museum, de tekst van Plinius herlees, – een klerk noteerde wat hij zag: de koeien met de poten in het water, de doordringende stank van zout en slib en niets dan armoe – dan is er toch een groot contrast met wat Van Giffen hier ontdekte. Door enthousiastelingen werd zijn werk wel het ‘Pompeï van het noorden’ genoemd. Dat is natuurlijk overdreven, maar duidelijk werd dat, in de tijd dat Plinius hier passeerde, de mensen in huizen woonden en het vee gewoon op stal stond.
    Was die Plinius niet een verwende jongeman, een rijkeluiszoon, gewend aan een rustige Middellandse Zee met helder water en geen gedoe met eb en vloed en springtij? Elke dag een goede fles wijn op tafel en ’s avonds naar het badhuis. Dat je met een plak gedroogde koeienstront de kachel heel goed aan kon maken, daar schrok hij van, die voortdurend geciteerde Plinius. Ik vermoed dat hij nooit in Ezinge is geweest.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • De nieuwe man

    De nieuwe man

    De heer Bepol, eigenaar van de scheepswerf zou beledigd zijn, maar hij was niet de man om dat te laten merken. Ik had het plan om langs het Damsterdiep te fietsen, tot ruim een eeuw geleden de verbinding tussen Groningen en de zee, maar na een paar kilometer ontdek ik dat ik langs het Eemskanaal fiets. En juist de aanleg van dat kanaal betekende voor Bepol het einde van zijn welvaart. Hij bleef nog wel leiding geven aan de werf, maar ‘…bij gebrek aan problemen kreeg hij steeds meer een filosofische inslag met een onbedwingbare neiging tot beeldspraak.’
    Bepol is de hoofdfiguur in de roman De nieuwe man (2003) van Thomas Rosenboom. Ik herlas het in de omgeving waar het verhaal zich afspeelt. Het dorpje Wirdum, dichtbij Appingedam, was het doel van mijn fietstocht.
    Een romanfiguur kan ‘in je systeem’ gaan zitten. Je beeldt je in hoe hij eruit ziet, hoe hij beweegt en praat. De stem van Bepol zal deftig klinken en even denk ik dat hij binnenkomt bij restaurant De Landman in Termunterzijl waar ik een visje eet. Goed gekleed, alleen de sandalen onder zijn pantalon – het woord ‘broek’ past niet bij Bepol – detoneren. De bediening behandelt hem met egards. Als hij gaat zitten kijk ik hem op de rug: hij draagt bretels. Precies zoals Bepol dit gezien moet hebben bij Niesten, de sterke zwijgende kracht op de werf: ‘… bretels, die tussen zijn schouderbladen bijeenkwamen zodat zijn broek van achter op één plaats, in het midden, omhooggetrokken werd.’

    Pas via de brug over het Eemskanaal, ik heb zo’n tien kilometer omgefietst, nader ik Appingedam en kom weer thuis in het boek van Rosenboom. De rondvaartboot Damsterveer ligt achter de Nicolaikerk, mensen gaan aan boord en even verderop ligt café ‘De eerste aanleg.’ Hier zal Bepol een glas gedronken hebben voordat hij naar de bank en de notaris ging.
    Hij hield van een sigaar. Op de hoek van de St. Annastraat en Dijkstraat lees ik onder de kap van een hoog huis ‘H. Martens, sigarenhandel’. Achter de gevel uit de tijd van de Jugendstil is er nu een Primera. ‘Koop uw staatslot,’ staat er op een bord. Bepol zou gedraald hebben bij zo’n aanbod. Rond 1920, de tijd waarin het verhaal zich afspeelt, ‘kelderden de vrachtprijzen, de schippers verdienden niets meer […] en als de kustvaart nog het hart van de scheepsvaart was, dan het hart van een dode.’
    Ik loop wat rond, vind het trekpad langs het Damsterdiep aan de rand van een nieuwbouwwijk, een man maakt zijn bootje winterklaar en sopt met een schuursponsje de reling. Bepol zou zich geërgerd hebben aan dat kleine gedoe. Je moet groot denken. Maar verder dan dit inzicht kwam hij niet. Wat hij vooral deed was veel praten.
    ‘Door even snel te praten als de tijd praatte hij de klok tot stilstand, maar toen hij zweeg ging het tikken toch weer door.’

     

    De lucht wordt donker, ik fiets richting Wirdum. In de crisistijd riep Bepol dat ‘recreatie de toekomst heeft’. Hij voegt de daad bij het woord, iets wat hij zelden doet, en laat in Wirdum ‘een openbaar bankje met uitzicht’ plaatsen. Het in gebruik nemen van het bankje was een officiële gebeurtenis met speeches en fanfare. ‘Het was een stoffige middag, maar de schetterende muziek haalde er een vochtig doekje over zodat hij nu weer klonk als een trompet.’
    Als hommage aan Thomas Roosenboom werd er in 2004 bij Wirdum, aan het Damsterdiep, een bank geplaatst met uitzicht op de brug. Als je daarop staat zie je rechts een witte schuur, daarachter was de werf, is mij verteld.
    De eerste druppels vallen, het rommelt in de verte. In mijn gedachten zie ik het bankje, een polonaise daar omheen, muzikanten spelen. De eerste lichtflits. Ik keer om. Laat de fictie maar de fictie blijven.

    Een kwartier later zit ik weer in Appingedam, in café Hof van Daam. Door het raam aan de achterkant zie ik de hangende keukens aan de gevels. Buiten regent het. In het midden van de zaak ligt een tuba op de grond. Reizen is het toeval ontmoeten, ik moet gelijk aan de fanfare in Wirdum denken. Aan een tafeltje in de hoek zitten drie mannen. Ze hebben alle drie een snor die naar beneden hangt. Ik vermoed dat de mannen van het muziekkorps ook snorren droegen maar dan met de punten omhoog gekruld, het verschil tussen de jazz en de fanfare.
    Ze praten over hun repertoire. De ene neuriet ta-ta-dam, ta-tá-dam, de ander zegt ‘dat ‘s I am blue’ en neuriet mee. ‘Billy Holiday, die durfde af te wijken,’ zegt de derde. Dan gaan ze staan. Even denk ik dat ze hier speciaal voor mij gekomen zijn, dat de tijd een spelletje met me speelt.  Ze spelen. Baby be good.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg

     

  • Wir schaffen das

    Wir schaffen das

    Emden

    ‘Ach, wat stelt die stad nog voor,’ zegt de directeur van de Johannes a Lasco bibliotheek waar de tentoonstelling Reformation und Flucht te zien is. ‘Ooit werd Emden het Venetië van het noorden genoemd. Het waren in de 16e eeuw de Nederlandse vluchtelingen die de stad groot maakten. Het aantal inwoners verdubbelde hier in korte tijd.’
    De receptioniste roept dat de rondleiding is begonnen.

    ‘De paus was natuurlijk corrupt,’ hoor ik de gids zeggen. Een vrouw van een eindje in de zeventig. In alles een onderwijzeres zoals dat beroep bedoeld is. Duidelijk stem, inspirerend en op elke vraag een antwoord.
    ‘En Luther en zijn protestanten zijn nog niet begonnen of ze beginnen elkaar gelijk uit te sluiten,’ vervolgt ze. Dat ‘uitsluiten’ herinner ik me van de familie van mijn vader. ‘Nee, die komt niet meer bij die,’ vertelde een achternicht me ooit op een begrafenis, ‘en ja, die tante van jou, die wil haar dochter niet meer zien…’ Over de interpretatie van een bijbeltekst vielen families uit elkaar.
    ‘Mede door gravin Anna werd het hier een vrijplaats voor de geloofsvluchtelingen,’ vervolgt de gids, ‘anders waren die door hertog Alva in de pan gehakt. Bij meer dan duizend protestanten ging gewoon hun kop eraf.’ Ze laat even een stilte vallen. Ze is waarschijnlijk zelf protestants. Ik heb op deze reis ook gehoord dat je juist de protestanten van toen met de IS van nu kan vergelijken. *)

    ‘Volgens de Spaanse overheersers zou één geloof de staat stabiliteit geven, er was maar één godsdienst de juiste.’ ‘Er zijn heel wat landen die nu nog zo denken,’ mompelt ze. Haar gezicht wordt roder. Met stemverheffing vervolgt ze ‘… en het waren niet allemaal arme sloebers die de Ems overstaken, zeker niet, er waren veel Kaufleute bij. Emden werd een liberale stad, niet alleen in de handel maar ook in de kerkregels. Geen kerk zal over een andere kerk heerschappij voeren!’ Ze moet zich inhouden haar vuist niet in de lucht te steken.
    Als ik even later zeg dat ik uit Nederland kom, gaan alle remmen los. Ze vliegt me bijna om de hals. ‘Weet u dat er hier eeuwenlang op de kansel in het Nederlands uit de bijbel werd voorgelezen? Ach ja, onze taal heeft dezelfde wortels. Nationalisten willen daar niks van weten, maar taal kende geen grenzen.’
    ‘Weet u, die Luther was eigenlijk heel modern, wat nu twitter is waren toen zijn pamfletten en cartoons. Zijn woordkeus was heel toegankelijk, nu noemen we dat een populist. De tijden van toen en nu lijken op elkaar.’
    ‘Vergeet u niet in het stadsmuseum naar gravin Anna te kijken?’, zegt ze als ik vertrek. Ze praat over die Anna alsof het haar moeder is. ‘De vluchtelingen moesten het hebben van die sterke vrouwen,’ roept ze me na.
    Ik ga op zoek naar de gravin, althans naar een afbeelding van haar, een tekening of een schilderij. Zonder beeld heb ik geen houvast, dat heb je nodig bij geschiedenis.
    Gravin Anna ziet er liefdevol uit, vermoed ik, en vriendelijk en betrokken bij wat er in de wereld aan de hand is. Zonder haar hadden de Nederlandse vluchtelingen geen schijn van kans gehad.

    Nu sta ik voor haar, in het stadsmuseum van Emden. Dat is even slikken, ik zie een steile calviniste die me hooghartig aankijkt. Naïef van mij om te denken dat iemand die goede dingen doet, er ook lief uit moet zien. Ze redde niet alleen de Nederlanders, maar ook de Walen, de Polen, de Engelsen en andere geloofsvluchtelingen. Onder haar bewind kreeg het onderwijs een voet aan de grond hier in Ostfriesland, ze voerde voor kinderen van 5 en 6 jaar de leerplicht in. Ze was een van de eerste vorsten die de vrijheid van godsdienst predikte.
    En zo ontstonden – ach ja, de eeuwige logica van de geschiedenis – ook groepen vluchtelingenhaters. ‘Die stadt Emden ist so voller Sekten dass man sie mit Jerusalem, ja mit Sodom vergleichen kann,’ lees ik.
    Als ik weer buiten sta zie ik aan de andere kant van het plein de gids fietsen. Een gedreven mens, net als die Anna. Wir schaffen das.

     

    In Het Merk Luther (2016) laat Andrew Pettegree, expert op het gebied van de boekdrukkunst, zien dat Luther ’s werelds eerste massamediafenomeen was. Hij gaf eigenhandig het merk ‘Luther’ vorm.

    *) zie blog De Allerhoogste


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Duitse taal

    Duitse taal

    Bingum

    Ze springen geruisloos in het gelid, alsof de man, vrouw en zoon erop geoefend hebben. Vanachter de toonbank van de bistro/pizzeria kijken ze mij dankbaar aan, de zoon geeft me het menu. Voor alle Turkse gerechten staat ‘Neu’ in vette letters. Wellicht zijn ze nieuwe eigenaren. Ooit klotste de Eems hier in de achtertuin tegen de Bingumer Deich. Het landje rond de pizzeria is afgezet met oude vangrails, het gras is hoog. Het gebouw staat er verloren bij. Het is te zien dat er wel plannen zijn om dit landschap achter de dijk tot leven te wekken, maar dat is er nog niet van gekomen. Al jaren lang ‘nog niet’, denk ik. In de verte richting Leer zie ik de toren van de brugwachter boven de dijk uitsteken.
    De Rotwein die ik besteld heb is met prikkels.

    Ik kies voor een Turkse pizza ‘Lahmacun Kebab, Hackfleisch vom Drehspieß, Salat und Tzatziki’. Achter elk gerecht op de menukaart staan een of meerdere kleine cijfers. Aan de achterkant een toelichting onder de titel ‘Enthaltene Inhaltsstoffe’. De dubbeling van ‘enthaltene’ en ‘Inhalt’, de keurige voetnoten die per gerecht vermeld zijn – Spaghetti Carbonara heeft er 10 – intrigeren me: de nadrukkelijke precisie en volledigheid van het Duits.
    Op een plank aan de muur liggen folders. Een paar kilometer naar het westen waar de Eems steeds breder wordt kan ik vanaf Ditzum naar het eiland Borkum varen, lees ik in het Fahrplan Borkum.
    Die Kraftfahrzeugbeförderungstarife schlieβen den Fahrzeugführer auf der Seestrecke mit ein’ en dat tarief is inclusief ‘3,5% Kaigebühren’. Bij dit type zinnen ga ik altijd direct mijn kleding controleren, of ik geen tzatziki-saus gemorst heb op mijn broek. Maar alles ist in Ordnung. De kebab smaakt goed, ik laat de Rotwein staan en neem een Krombacher Pils.

     

    Bingum was een eiland dat ontstond door de Katastrophenflut in de 14e eeuw. De dijk waarop ik uitkijk werd daarna aangelegd. In de eerste eeuw na Christus schreef de Romeinse officier Plinius de Oudere al over deze streek, hij zou de Eems bevaren hebben.

    Langzaam raak ik thuis in het jargon van de wadden. Ik weet nu wat oog betekent, en plaat en slenk en waard, en wiel en koog. In Ostfriesland passeer ik plaatsnamen die eindigen met Marsch, Moor, Torf en Siel. In het museum in Leer lees en vertaal ik de legenda van een oude landkaart: kwelder, moeras, veen en sluis. Ook weet ik ondertussen, alhoewel je in veel gevallen nog met munten en biljetten moet betalen, dat pincode Geheimzahl is en de sticker op het toeristenmagazine een Aufkleber heet. In het Duits noem je de dingen bij de naam.

    Ik had aan de familie achter de toonbank moeten vragen waar ze vandaan kwamen, ze spraken nauwelijks Duits. Bent u gevlucht of is het uw vrije keuze? Dat had ik zeker moeten vragen. Was ik de enige klant die dag? De man aan wie ik betaalde, glom van trots toen ik afrekende alsof hij een vette prijs in de lotto had gewonnen. Ik zou ze verteld hebben dat ik Duits een moeilijke taal vind en dat ik het niet wilde leren op school. Ik had kunnen vragen of ze op Duitse les zitten.
    Nu heb ik een hekel aan Engels zou ik zeggen, niet aan de taal, zeker niet, maar vanwege het gemak waarmee we onze eigen taal daarvoor inruilen. Dan kan je dat veel beter doen met Duits. En ik had hen verteld over de Schwalbes op het voetbalveld, dat er zaken zijn die je rücksichtslos moet aanpakken en andere weer met Fingerspitzengefühl. En ik zou zeggen dat als er aan zijn toonbank een Nederlander verscheen die veel het woord überhaupt gebruikt dat het waarschijnlijk iemand is die veel praat maar weinig te zeggen heeft.

     

    Voor lezers die van taal en vertalen houden, lees: Hij kan me de bout hachelen met zijn vorstendommetje, over Anna Karenina en de kunst van het vertalen van Hans Boland.


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Niet per se in die volgorde.

     

     

     

    Foto: Anneke van Kroonenburg

  • Man in rood jack

    Man in rood jack

    Eemshaven

    Hoe kan het dat ik van de provincie Groningen nog het rijtje ken en niet alleen de plaatsnamen maar ook de landkaart heb onthouden. De groene kleur van boven, geel daaronder en die vreemde punt rechts naar beneden, die eindigt bij Ter Apel. Rodeschool, hoog in het niemandsland aan het einde van een spoorlijn. Daar was het afgelopen.
    De provincie Groningen was de eerste landkaart die ik leerde, stampen was het. En doordat het de eerste was, heb ik die het meest herhaald, denk ik. Herhalen was dé voorwaarde voor onthouden.
    Sinds kort kan je nog noordelijker met de trein: van Groningen naar Eemshaven. Maar net op de dag dat ik dit wil uitproberen worden bussen ingezet. Ik neem de camper.
    Ik ben geen fan van fabrieken en steenkolencentrales maar ik wil naar de monding van de Eems. De boot naar Borkum vertrekt daar, niet dat ik al plannen heb in die richting maar ik hou van veerboothavens. Net als van vliegvelden. De wachtruimten, de tijd die vertraagd lijkt en de leegte die, ver weg nog, een verwachting in zich draagt. Haastige mensen met rolkoffers als contrast.

    En uur later zie ik het vervreemdende beeld van Eemshaven, zo’n plek waar je niets te zoeken hebt. Een mens komt hier niet voor zijn plezier. Alles wat gewoon is  – drie fietsers met bepakking – lijkt te worden opgeslokt door windturbines en enorme bergen waddenslib. De kolencentrale voor me en vrachtwagens in mijn achteruitkijkspiegel. Bij de eerste afslag kan ik naar rechts, bij Google op bezoek, maar ik vind houvast bij de wegwijzer naar Borkum. Er is maar één weg, lijkt het, die zich in lussen door dit gebied slingert.
    Ineens is daar de rails. Ik rijd er langs en zet bij het nieuwe stationnetje mijn camper neer. Op het gele stootblok staat de naam ‘Rawie’. Op het station van Groningen had ik de trein naar Eemshaven zien staan, Nienke van Hichtum stond erop. Ik herinner me hoe  prachtig Monic Hendrickx de rol van Nienke speelde in de gelijknamige film van Pieter Verhoeff.

     

     

    Naast het station is een trap naar boven met een hek ervoor. Ik trek eraan, onhandig, het klemt, ik ruk, als het zo tegenzit moet ik de Eemsmonding ongezien vaarwel zeggen. Een man met een fluoriscerend jack aan, helpt me. Da’s nieuwigheid, zegt hij. Na een paar treden sta ik boven op de dijk.
    Wat een enorme ruimte, wat een rust. Het waait nauwelijks, de golfslag lijkt getekend met gebogen lijnen als op een houtskoolschets.
    In de verte de kust van Ostfriesland waar ik al was. Af en toe vaart een boot uit. Op de punt van het havenhoofd staat een man in een rood jack. Even later loopt hij mijn kant uit. Zijn schouders wat naar voren, hij is gewend aan tegenwind. Op het moment dat we elkaar passeren groeten we met ‘moin’, net als aan de overkant.
    Als ik naar het water kijk zie ik de rust, als ik me omdraai naar het land heeft alles haast.
    Een boot vaart uit. De man in het rode jack staat stil en kijkt ernaar. Wanneer de boot het havenhoofd voorbij is, loopt hij weer door.
    We passeren elkaar voor de tweede keer.
    ‘Mooi schip,’ zegt hij.
    ‘Ja, ‘n mooi schip,’ zeg ik.
    Als ik weer op de dijk sta, zie ik hem lopen in de verte, en stilstaan als er een boot uit vaart. Hij kijkt. Ik kijk naar hem. Voor het eerst van mijn leven ben ik in Eemshaven. Waarschijnlijk staat hij hier elke dag.

     


    Hans Muiderman bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Niet per se in die volgorde maar heen en weer springend.

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Emil Nolde

    Emil Nolde

    Seebüll


    Je hebt tijdens het reizen soms het gevoel dat je ergens dichtbij bent. Niet zozeer in letterlijke zin, een plek of plaats, maar alsof een verwachting die sluimert elk moment kan worden ingelost.
    Tijdens deze reis door Sleeswijk Holstein lees ik Duitse les van Siegfried Lenz. Het speelt zich af aan het noordelijk gedeelte van de Duitse waddenkust, de afgelopen dagen fietste ik door dat gebied.*) Ik dacht plaatsen uit het boek te herkennen en hoopte dat die herkenning leidde tot een dieper, of onverwacht ander inzicht in het verhaal dat Lenz vertelde.
    Op het pad naar het Nolde-museum in Seebüll wordt dat gevoel versterkt. Het leven van de kunstenaar Emil Nolde – geboren in Nolde in Denemarken onder de naam Emil Hansen – heeft de schrijver geïnspireerd tot de figuur Max Hansen, die zijn woning en atelier had op deze terp aan de waddenkust. De ik-figuur Sigi uit het verhaal kwam daar vaak.
    In de verte, uitstekend boven de boomtoppen, zie ik de bovenkant van het huis, dat het woonhuis/atelier van Nolde was. Ik loop over de grond die Siegfried Lenz beschreef.

    In het restaurant van het museum bestel ik een koffie met Kuchen, een Noordseewelle, maar mijn pinpas (waarmee ik net een ticket heb betaald) weigert dienst. De dame die mij bedient, rukt de pas uit mijn handen en haalt hem met tegenzin door de scanner. Het geluid van een hinderlijke piep. Ze keurt hem af en wil het blad met koffie en Kuchen naar zich toe trekken. Ze heeft nergens zin in. Ik betaal contant.
    De Nordseewelle smaakt me niet. Mijn gevoel van verwachting is verdwenen. Hou ik wel van het werk van Nolde?

     

     

    ‘De vader van Sigi groette de schilder met een vaag gebaar ten afscheid voordat de wind ons uit de deuropening rukte,’ schrijft Lenz. ‘Buiten gekomen zette hij zich dadelijk met een schouder schrap tegen de wind [..] en liep voorovergebogen over het erf waar de wind stof opwervelde en een krant aan flarden reet.’ Zo’n wind heb ik gevoeld en onderweg een stuk krant gezien dat tegen het ijzeren vlechtwerk van een tuinhek drukte. Ik kijk uit over het erf.
    Ook heeft Lenz me de schilder laten zien. Hij was bezig met een zelfportret en in de spiegel tegenover zichzelf gaan zitten. Maar langzamerhand zag hij dat er geen gelijkenis meer was: ‘Ik zie mezelf eenvoudigweg niet, zei hij, niets wil blijven. Plotseling drukt de kleur geen vriendschap uit maar een toestand van voorbijgaande aard.’

    Mijn koffie is koud. Ik betrap me erop dat ik niet meer nieuwsgierig ben – ik voel bijna weerzin – om alle horizonnen en luchten van Nolde te gaan bekijken. Uiterlijke beelden. Ik heb genoeg aan mijn eigen herinneringen aan het landschap hier. Lenz hielp me met onthouden: ‘De scherpe randen van de geulen met hun vertakkingen naar open zee staken af tegen de bodem.’
    Even later loop ik langs de tentoongestelde werken. Te snel misschien.
    Ineens, volstrekt onverwacht, gebeurt het. In de ruimte die ooit het atelier van Nolde was, zie ik Abraham und Izaäk, de Pharisäer, en een veelluik over het leven en de kruisiging van Jezus. Grof, ruig en krachtig geschilderd. Nolde werd vooral geinspireerd door wat hij zag, dacht ik. Maar nu, hier bovenop de terp bij Seebüll, zie ik wat er in zijn innerlijk verborgen lag.

     


    Hans Muiderman bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Niet per se in die volgorde.

     

    foto: Anneke van Kroonenburg

    *) Zie ook de blog Verrekijker-kijkers 

  • Verrekijker-kijkers

    Verrekijker-kijkers

    Schlüttsiel-Langeneβ


    In de vroege ochtend fiets ik naar Schlüttsiel voor de veerboot naar de Hallig Langeneβ. Ik passeer de Holländerdeich, landinwaarts een gebied met alleen maar rechte lijnen. Over de dijk zie ik het wad met afdrukken van vogelpoten en daarboven een kraakheldere lucht. De Duitse schilder Emil Nolde woonde en werkte in deze streek. ‘Das Meer mit hell-violette Wolke’ schilderde hij hier.

    ‘Nolde heeft ons landschap uitgevonden’, wordt wel eens gezegd. In de verte lopen twee kinderen op het wad. De indrukwekkende roman Duitse les (1968) van Siegfried Lenz speelt zich af in dit gebied, een van de hoofdpersonen is geïnspireerd op het leven van Nolde. De ik-figuur, een jongen van een jaar of twaalf, zoekt met zijn zus naar vissen op het wad: ‘We hielden elkaar meestal bij de hand, stapten in een grauwe plas of tot aan de rand van een diepe geul en lieten ons gewoon wegzakken in het slijk, voelden en tastten met de tenen.’ Ik ben de enige fietser hier. In de verte ligt Schlüttsiel.

    Bij het haventje is het leger dan leeg. Elke beweging – een man die een vrouw een hand geeft, een fietser die afstapt – valt hier op.
    De salon in de kleine veerboot heeft de sfeer van een huiskamer, de man achter de koffiebar gebruikt geen kassa maar een portemonnee. We varen het verleden in. Duizenden jaren geleden brak de Noordzee door de gesloten lijn van strandwallen en overstroomde het lage land. Alleen de hoogste plekken bleven droog. Ik zie ze in de verte.
    Op het bovendek kijkt een jonge vrouw door een verrekijker naar Langeneβ, het doel van deze reis. Ik begrijp die verrekijker-kijkers nooit zo goed. Straks ben ik daar en zie ik alles van dichtbij. Het eiland, als een drijvend landschap-schip met een paar huizen tegen de horizon, verkrijgt zijn schoonheid juist doordat het nu ver weg ligt. Dichtbij komt straks vanzelf. Uit de handtas van de vrouw steekt een Marco Polo-gids.

     

     

    Ik fiets de Hallig op en ben alleen voor ik het weet. Vogelgeluiden. Af en toe een bord: ‘Achtung Radfahrer! Bei Gegenwind ist die Strecke drei mal so lang.’
    Het eiland heeft dertien terpen, bij een kerkje stap ik af. Op het pad naar boven staan twee zware sluisdeuren die bij te hoog water gesloten worden. Dat gebeurt jaarlijks zo’n 20 tot 30 keer. Bij de Flut (stormvloed) van 1962 werden veel terpen verwoest. Daarna werden de oude huizen vervangen door nieuwe met ‘vluchtkamers’ op de bovenste verdieping.
    Achter de kerkmuur hangt een jongeman de was op. Beddenlakens en kinderkleertjes. Ik hoor het geluid van een grasmaaier. Als ik weer beneden ben zie ik dat achter het woonhuis een schoolgebouw staat. Alsof kerk, huis en school elkaar beschermen. Langs een pad, van de terp naar beneden, komt een vrouw me tegemoet. Hoogzwanger, met een jongetje aan haar hand. Over haar blonde haar een strakke hoofddoek, daaronder een blozend gezicht. Een symbool van de toekomst, een scène uit een Deense film.

    Het beeld van die vrouw met dat kind laat me niet los. Misschien is het té lieflijk. Het zou de opening kunnen zijn van een film van Lars von Trier. Het lieflijke draagt vanaf het eerste beeld de dreiging in zich.
    Als ik terugvaar besef ik dat op de Halligen de jongeren niet meer willen wonen. Hoe gaan ze hier om met de klimaatverandering? Wat gebeurt er als de zeespiegel steeds verder stijgt? In de film Melancholia van Von Trier vernietigt de natuur de mensen. Als je zit te kijken in die donkere bioscoop vergeet je geheel dat het fictie is. Wellicht wordt het scenario voor een definitief Landunter, de Halligen teruggeven aan zee, al overwogen. Niet voor een fictie-film, maar als werkelijkheid.

    De vrouw met de verrekijker zit weer bovendeks. Ze bladert in de Marco Polo-gids. Ze ziet niet dat het eiland langzaam kleiner en lager wordt, tot dat het op de gladde watervlakte als een schip voor anker gaat.

     


    Hans Muiderman bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Niet per se in die volgorde maar heen en weer springend.

     

    foto: Anneke van Kroonenburg

     

    N.B. Deze blog is een vervolg op ‘Een lorriewagen door het landschap’ van 8 maart 2019.

     

  • Een lorriewagen door het landschap

    Een lorriewagen door het landschap

    Ik weet niet wat ik zie. Het lijkt een boomgroep met wat huizen eromheen die in de verte als een schip voor anker is gegaan. En links daarvan een oude treinrails op een dam vol kweldergras die ergens oplost in de zee. Achter mij gaat die roestige rails de dijk op om op het vaste land (Festland, noemen ze dat hier) zijn begin- of eindpunt te vinden, afhankelijk van of je vertrekt of aankomt.
    De boomgroep in de verte is een Hallig, lees ik later. De Halligen is een groep eilanden die geen natuurlijke bescherming hebben. Geen breed strand, geen duinen of een rotskust die het water keert. Het huis, de kerk, de boerderij is op een terp gebouwd en bij hoogwater loopt de omgeving onder. Landunter, heet dan het land.
    Als je op de Hallig Oland woonde kreeg je de beschikking over een lorrie (een hoge kist op wielen met twee bankjes) en met een zwengel kon je die kist via de dam op de rails naar Dagebüll rijden, achter de dijk waar ik nu zit. Zo was het. Dacht ik.

    Hoe bepaal je op zo’n enorme vlakte of er iets beweegt? Ik vergelijk twee punten met elkaar. Een witte paal op de kwelderdam, vanaf hier gezien de grootte van een lucifer en daarnaast een minuscuul zwart blokje.
    Gezichtsbedrog? Nee, verdomd. Zie ik het goed. Op de vlakte wordt de afstand tussen paal en blokje groter. Er beweegt iets. Een lorriewagen op de rails? Misschien komt de tijd van toen naar mij toe.
    De kist wordt groter, ik hoor de wielen bonken op de rails. Het wagentje heeft zelfs een dak, ik zie vier hoofden. Iemand zwaait naar me, steeds sneller komen ze mijn kant uit. Ik zwaai terug. De lorrie klimt de dijk op. Ik ren langs de rails, de kist passeert me.
    In een rommelige ruimte vind ik het eindpunt, er staan nog meer lorries. De mannen stappen uit en tillen zware tassen. Ik besluit dat ik alleen van deze plek vertrek als ik in die lorrie mee naar Oland kan.

     

    Een man – kalend, brilmontuur met gouden randen, een gepensioneerde internist, zoiets – maakt aanstalten om met de lorrie terug te keren. Ik begin een praatje. Hij heeft op Oland een huis gekocht en opgeknapt. Het is bijna klaar en hij heeft de werkers naar het Festland gebracht. Of ik met hem mee terug mag, vraag ik, even maar. Hij knikt vriendelijk maar weigert. ‘We willen sinds jaren geen bezoekers meer.’ Hij benadrukt het woordje ‘we’. Hij woont er nog maar net maar spreekt namens de anderen alsof het zijn beste vrienden zijn. Ik herhaal mijn verzoek niet, probeer hem af te leiden. Hij vertelt over de geschiedenis van de Halligen. ‘Ons erfgoed,’ zegt hij. ‘Als Halligers strijden we (toe maar) bij het Bundesland voor geld voor onderhoud. Het is immers een verdedigingslinie voor het vaste land vooral nu het klimaat verandert. In feite een wereldwonder…’

    Ik vertel hem dat ik publiceer over de wadden en dat ik graag zijn Hallig zou bezoeken. Hij kijkt omhoog, lijkt voors en tegens af te wegen. ‘Er komt een fotografe mee,’  zeg ik. Hij ziet zich staan voor zijn huis, een mooie foto van onderaf genomen. Afgedrukt in een glossy tijdschrift, dat achteloos op zijn salontafel ligt. Kan hij dat maken naar de andere bewoners die er al generaties wonen?
    ‘Nee,’ zegt hij te resoluut, ‘dat doen we niet.
    ‘Vanaf Schlüttsiel gaat er één keer per dag een veerboot naar de Halligen Hooge en Langeneβ. Als u langs de dijk fietst ziet u vanzelf de haven.’

    Met een flinke tegenwind ben ik na drie kwartier in Schlüttsiel. Een haventje, een restaurant, een openbaar toilet en dicht bij het water een wit hokje. ‘Tickets WDR’ staat erop een bord. Het is hier doodstil.
    Ik kan een kaartje kopen voor morgenochtend, de enige afvaart. Maar de dame achter het loket raadt het me af. Wellicht is er een plotselinge getijdeverandering of onverwachte storm, dan varen we niet uit, zoiets zegt ze, maar dan heeft u wel betaald. Ik weet niet of ik haar goed begrijp en krijg ineens ontzettende trek in een koud glas bier. Nee, ik koop nú een kaartje. Ze trekt haar schouders op.
    Bij het restaurant lees ik op de deur: ‘We zijn geopend van 11.30 tot 21.00 uur’. Op de deurpost een sticker: ‘Diesen Unternehmen sichert Qualität durch Ausbildung.’ Dat belooft wat, ik zie de tweede pils al voor me.
    Het is 17.30 uur. De deur is op slot.

    wordt vervolgd


    Hans Muiderman bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reist van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Niet per se in die volgorde maar heen en weer springend.

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Polonaise

    Polonaise

    Nergens aan de Duitse waddenkust heeft de mens zo duidelijk zichtbaar ingegrepen.
    Vanaf de 12e/13eeuw was ‘Wer nicht will deichen, der muβ weichen’ hier in Ditmarschen, ten noorden van de Elbe, het motto. De polders dragen namen van prominenten uit de geschiedenis. Kaiser Wilhelmkoog, Kaïserin Auguste Viktoriakoog en wat nu de Dieksanderkoog heet was ooit de Adolf Hitlerkoog. Toch, – ik sta nu op de dijk bij Warwerort -, is dit een plek waaraan de vooruitgang lijkt voorbij gegaan. Deze Duitse dijk – tot nu toe zag ik ze als strak, schoon en sterk – blijkt een gezellig rommeltje. Het gras is hoog, dat krijgen de schapen hier niet weg en de dijk zit vol kale plekken. Een bankje, hét uitzichtpunt op de horizon vol avondrood, staat stijf van de hard geworden meeuwenpoep.
    De eigenaar van de bistro/camping onder aan de dijk heeft op een strook krantenpapier mijn naam geschreven en mij de sleutel voor het toiletgebouw overhandigd. Die ouderwetserigheid bevalt me wel. Een vrouw met stok wandelt kromgebogen tussen dijk en bistro heen en weer, misschien is dat zijn moeder. Seeschwalbe heet het hier.

    De volgende ochtend tref ik de eigenaar in een wit astronautenpak, hij spuit met hogedruk de groene aanslag van de muren van de bistro. ‘Frühlingfertig machen?’ vraag ik in mijn beste Duits. Hij lacht. Ik schat hem even in de zestig, altijd in een goed humeur, vermoed ik.
    Achter de dijk fiets ik naar Büsum – ooit een eiland, nu een havenstadje. Onderweg stap ik af bij een strand aan de dijk. Het gras is hier met een handschaartje geknipt, strandstoelen in strak gelid, aan een lantarenpaal een houder met plastic zakjes met daarop ‘Hunde-Kot-Beutel’. Beneden aan de dijk een douche, een bankje en een kraan. Aan alles is gedacht. Twee vrouwen ondersteunen elkaar giechelend als ze hun voeten wassen.

    Om het strand op te gaan moet je een kaartje kopen. Ik vertel de man achter het loket (beambte heet dat hier, denk ik) over mijn bezoek aan het eiland Just*. ‘U heeft toch niet per ongeluk met uw handen in de zeeklei van Just gegraven?’ vraagt hij vanonder zijn morsige baard. ‘En onder uw nagels een stukje van ons beroemde erfgoed meegenomen? Pas op! Straks hebben wij niets meer op trots op te zijn…’

    In het museum van Büsum zie ik de werkelijke trots van deze streek: foto’s van dijkenbouwers en garnalenvissers. Ik leer dat ‘Krabbe’ niet ‘krab’ betekent maar Noordzeegarnaal, dat de Weinachtsflut uit 1717 een straf van God was, en dat de overlevenden zich verzamelden op de Kretjenkoog omdat daar de dijk het hield. Het is de plek waar nu mijn camper staat.
    Ook in Büsum ontstond de badcultuur. Hier werd een Kurhaus neergezet en het wadlopen ontdekt. Vanaf het einde van de 19eeuw wordt dit begeleid door een muziekensemble, jaarlijks wordt een Waddenburgemeester benoemd en dansen de Duitsers de Waddenpolonaise. De volgende is in augustus op het wad vlakbij camping/bistro Die Seeschwalbe, lees ik.
    In mijn camper lees ik ’s avonds De Wadden in gedichten, een bloemlezing van Henk van Zuiden. Morgen reis ik weer verder.
    Bij mijn vertrek betaal ik in een hokje aan de zijkant van de bistro. Daar zit de vrouw die ik kromgebogen met een stok zag lopen toen ik hier aankwam. Ze is niet de moeder van de eigenaar maar zijn vrouw. Ze heeft haar heup gebroken, ‘maar straks kan ik weer dansen’, zegt ze. Aan haar oogopslag zie ik dat ze hier de baas is, niets ontgaat haar.
    Als ik wegrij zie ik haar voor me op het wad, met haar man in dat witte astronautenpak. De waddenburgemeester geeft het sein. Het orkest zet in. Ze dansen.

    *) zie blog Kunsterzieher


     

    Hans Muiderman bezoekt graag de eilanden en de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg