• Oogst week 6 – 2026

    De vogelgrens oversteken

    In haar debuutbundel vertelt Bernice Vreedzaam over de geschiedenis van Suriname ter gelegenheid van het bestaan van de vijftigjarige republiek. Ze doet dat door te vertellen over de mensen die onder dwang uit Ghana gehaald werden om te werken op de plantages. Een aantal van deze tot slaaf gemaakten wist te ontsnappen en wisten hun cultuur en taal te bewaren. Vreedzaam begint bij hun leven in Afrika en gaat langs jaartallen en gebeurtenissen naar het heden van Suriname en naar de emigratie van sommigen naar Nederland en de Bijlmer. Zo komen de slavenschepen in zicht, de onmenselijke behandeling die deze mensen moesten ondergaan, maar ook vertelt ze over moed, vrijheidsdrang en verzet.

    Het bijzondere van deze bundel is dat de gedichten geschreven zijn vanuit de mensen die het meegemaakt hebben. Bernice Vreedzaam dicht met passie over de geschiedenis van haar eigen volk. Ze laat daarmee zien hoe aannames en feiten die we op school geleerd hebben, kantelen wanneer je hetzelfde verhaal door de ander, die tot dan toe heeft moeten zwijgen, laat vertellen. Zij geeft het woord aan mensen die nooit zelf hun stem mochten laten horen. Daarmee bevestigt zij de identiteit van de Surinamers en hun verleden en tegelijk biedt ze een andere invalshoek aan Nederlanders vanuit een gedeelde geschiedenis.

    Halfbroer/halfzus/halfbloed

    Uw vrouw, die zelf geen kleur kreeg toegekend
    gaf onze vrouwen zwart
    gebruikt het vissengif tegen het kind
    in de baarkamer van de backyard

    Wij, met het uitzicht op de achterverblijven, met de waaiers in de hand
    zullen lijdzaam blijven toezien, bij afwezigheid van uw Gertrudis
    hoe u zich opdringt aan onze dochters en zusjes tussen al het geplant
    waardoor het zou kunnen zijn dat de beige broer een van hen is

    Uw vrouw, die nog altijd geen kleur bekent,
    wil niet weten dat zij zandkleurige jongens met uw gelijkenis
    schatplichtig is, en ging daarom over  tot het
    verdrinken van het ongewenst

     

     De vogelgrens oversteken
    Auteur: Bernice Vreedzaam
    Uitgeverij: AtlasContact

    Het liegend konijn 2025/2

    Het laatste nummer van Het liegend konijn is op 30 oktober 2025 verschenen. Het tijdschrift is jarenlang een begrip en een meetlat geweest voor alle poëzieliefhebbers. Het werd in 2003 opgericht door dichter Jozef Deleu (1932), die als enige redacteur ‘poëzie uit het nest roofde’, wat betekende dat hij een keuze maakte uit het werk van zo’n vijfentwintig dichters dat niet eerder gepubliceerd was. Een helse en een heerlijke arbeid. Twee keer per jaar verscheen dit tijdschrift met gedichten van zowel gerenommeerde dichters als debutanten. Voor beginnende dichters was plaatsing in Het liegend konijn vaak de springplank om in dieper water te kunnen zwemmen, bekendheid te krijgen en een eigen bundel te laten verschijnen.

    De naam van dit poëzietijdschrift doet denken aan een verhaal van Paul van Ostaijen uit Diergaarde voor kinderen van nu (1926), dat begint met: ‘Lang heeft het konijn de lach gezocht.’ Tijdens een bijeenkomst zou Deleu geroepen hebben: “Jullie liegen allemaal als konijnen”.  Het konijn heeft dus niet de lach gevonden, maar wel de leugen. De leugen die Nijhoff misschien bedoelde toen hij dichtte: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat.’ Of Bertus Aafjes die zei: ‘Dichters liegen de waarheid.’

    Er zijn 172 nieuwe gedichten opgenomen in de laatste onvolprezen uitgave van  Het liegend konijn. Wie het tijdschrift gekocht heeft: bewaar het, dit wordt in de toekomst een gewild verzamellaarsobject.

    Het volgende, willekeurig gekozen gedicht is van Peter Swanborn:

    Draad

    Zullen we een rollenspel doen, van plaats
    wisselen, jij in bed en ik waar jij nu bent?
    Ik wil ook wel eens weten hoe het is om te
    worden gemist. Zo’n spel is onzin, natuurlijk,

    maar onzin met een zin. Ik wil je terug
    en zolang jij praat is er een draad die ons
    verbindt. Ik wil, nee móét nu weten of je
    mij verstaat, of ik niet zomaar iets verzin.

     

    Het liegend konijn 2025/2
    Auteur: Jozef Deleu (redactie)
    Uitgeverij: Uitgeverij Pelckmans

    Ik sta in wilde schoonheid

    Susan Smit, schrijver en columnist koos voor deze bloemlezing meer dan honderd gedichten uit het Nederlandse taalgebied die geschreven zijn door vrouwen en die het lichaam van een vrouw bezingen. Smit heeft de gedichten verdeeld in drie afdelingen die de drie fasen van een vrouwenleven en vrouwenlichaam weergeven: maagd, moeder en wijze vrouw. De titel is gekozen uit een gedicht van Sasja Janssen.

    In de eerste afdeling wordt het lichaam van jonge meisjes bezongen: de prilheid, de eerste menstruatie, het ontdekken van erotiek, maar ook de gevaren die het bekijken worden door anderen met zich meebrengt. In de tweede afdeling staat de moeder centraal met onderwerpen als scheppend vermogen, zwangerschap, kinderloosheid. De laatste fase is die van de ‘crone’, de wijze oude vrouw, die zich mede door haar niet langer vruchtbaar zijn heeft vrijgemaakt van het oordeel van anderen.

    De gedichten zijn van bekende en minder bekende vrouwelijke dichters, voornamelijk uit het laatste kwart van de vorige eeuw en uit deze eeuw, maar er staat ook een gedicht in van Hadewijch en van Aagje Deken. ‘Naarmate de bundel recenter en de dichters jonger werden, werd de toon rauwer en directer’, schrijft Smit in het voorwoord. Vrouwen eisen duidelijker dan vroeger hun recht op om gezien en gehoord te worden, ‘om eigenaarschap te herwinnen’.

    Zo ook Vrouwkje Tuinman:

    Vruchtbaar

    Als mijn eitjes een beetje op mij lijken
    begrijpen ze dat ik echt niet wil.
    Ik zie het niet voor me: zorgen voor
    een kleiner iemand met daarin de helft
    van mij. Bovendien: statistisch ben ik
    gelukkiger wanneer ik deze kans

    voorbij laat gaan. En duurt het langer.
    Van de mensen ouder dan een eeuw
    heeft een derde helemaal geen kinderen.
    De rest kreeg er minder dan gemiddeld
    en maakte ze laat. Het kan nog,
    zeggen de eitjes eens per maand.
    Dan antwoord ik niet, en zwaai
    een kleine groep voor altijd uit.

     

    Ik sta in wilde schoonheid
    Auteur: Susan Smit (samensteller)
    Uitgeverij: Uitgeverij Lebowski
  • Vrijheid is ongrijpbaar als lucht en net zo onmisbaar

    Vrijheid is ongrijpbaar als lucht en net zo onmisbaar

    Dat de wereld zich uitgerekend tachtig jaar na het einde van WOII in een hachelijke situatie bevindt, is van een ironie die zelfs de Griekse goden niet hadden kunnen bedenken. De vrijheid die op 5 mei dit jaar gevierd wordt en die aanleiding was tot het samenstellen van Stip op de horizon, is daarmee allesbehalve eenduidig en eenvoudig geworden. Zoals de meeste abstracte begrippen laat vrijheid zich gemakkelijker omschrijven in negatieve dan in positieve zin door op te sommen wat het allemaal niet is. Daarvan hebben de meeste mensen desgevraagd redelijk snel een definitie klaar. De dichters in deze bundel zijn opmerkelijk lang van stof, en dan nog wordt er vaak geëindigd in iets vaags, een voorlopige conclusie, een werkhypothese, voor zolang het duurt.

    Wat het niet is

    Ongeacht de voorlopigheid zijn de omschrijvingen van vrijheid talrijk en veelkleurig. Voor de een is vrijheid het ontbreken van dwang, belemmering, gevangenschap; voor de ander is het vrij zijn van honger, armoede, tekort. Weer een ander verstaat vrijheid als ruimte om te zijn wie men wil zijn, niet beperkt of ingevuld door regels en verwachtingen waaraan moet worden voldaan. Soms is vrijheid simpelweg een dag waarop niets moet, zoals in ‘Zondag’ van Sophia Blyden. ‘(…) dagen waarop de boeken lonken in de kast, er tijd / is om gedichten te lezen, de wijnglazen van gister / nog op tafel … de lp-speler / overuren maakt en we dansen, de bank langzaam / verslijt, druppels op het dakraam, het enige wat ik / wil doen is niets( …)’

    Bibi Dumon Tak beschrijft vrijheid gezien door de ogen van een kalf. ‘(…) wij tweetenen / werden opnieuw bijeengedreven / en we voelden de wind in onze haren de zon / onderweg / de geur van gras die in onze neuzen drong / we knepen met onze ogen we strekten bij aankomst onze poten / voor de eerste keer / en waren voor heel even / uitbundig jong.’

    Die veelkleurige ideeën en invullingen vinden we terug in de gedichten van tachtig Nederlandstalige dichters. Om niet in de valkuil te trappen een orde van belangrijkheid te moeten aanbrengen – welke invalshoek heeft prioriteit, welke thematiek de meeste urgentie – is er alfabetisch gerangschikt. Juist dat doet de veelkleurigheid des te sterker uitkomen, omdat er geen chronologie of senioriteit is die de thematiek bepaalt: Tweede Wereldoorlog, de ‘vrije’ jaren zestig, de dichters die vanaf de jaren negentig in Nederland een veilig heenkomen zochten en hier een nieuw leven opbouwden.

    Hoe vrij is vrijheid eigenlijk

    Vanuit al die hoeken en windrichtingen worden ervaringen aangedragen die stuk voor stuk vertellen over wat vrijheid betekent zonder afbreuk te doen aan de beleving van een ander die, als een lichtstraal op een prisma, weer een ander aspect doet oplichten. Wie enigszins thuis is in de Nederlandse poëzie, herkent de unieke stijlkenmerken van deze of gene. Of de toon, de vorm, woordkeus, gedichten met een heldere cadans, of bijna als proza neergeschreven.

    Terecht merkt Stella Bergsma op dat gedichten over vrijheid tralies zijn voor dichters. ‘ieder jaar weer / rond dezelfde tijd / mag je je hok uit / metaforen smijtend / over het blad razen // ieder jaar de zinnen uit de dwangbuis / laten galopperen / zich te buiten buitelen / (…)’
    Want zo vrijblijvend en vanzelfsprekend is vrijheid niet als ze op gezette tijden en binnen strakke kaders moet worden bezongen. Als een dier dat even uit zijn hok mag. Het is niet iedereen gegeven om onder die druk werkelijk iets nieuws en geïnspireerds tot stand te brengen.

    Toch geeft dit thema een breed palet aan pennenvruchten te zien omdat elk vogeltje nu eenmaal zingt zoals het gebekt is. En omdat elk van de deelnemende dichters zingt vanuit een eigen culturele achtergrond en met een eigen geschiedenis, of dat nu de persoonlijke geschiedenis is, of geschiedenis zoals geleerd op school. Die is er hoe dan ook altijd.

    Herinnering aan vrijheid

    Opmerkelijk vaak gaat het over herinneringen. Een moeder die haar zoon niet wil belasten met de herinnering aan de dictatuur waaruit zij is gevlucht, om hem de kans te geven een nieuw leven te kunnen leven. Of omgekeerd, de herinnering aan vrijheid koesteren als een visioen, als een baken om op te koersen. En om het besef levend te houden hoe kostbaar die vrijheid is, en kwetsbaar ook. Noch de geschiedenis, noch de herinnering blijkt een gaaf, afgerond geheel, maar altijd rafelig, en pijnlijk onvoltooid. Zoals in ‘Aardse ochtend’ van Jan Backe.

    ‘Net zoals in het stilstaan, wat ik ben er nog betekent
    als één van hen, een onbekende getuige, een dader, overlever

    die toevallige waarheid, die op dezelfde manier bestond
    als die hele geschiedenis voordat ze geschiedenis werd.

    Zoals mededogers in gedachten, tegen de deur van een heldere nacht
    een aardse nacht, de mensen die zijn weggegooid, die ontbreken.

    Er is geen neutrale of heldere nacht, er is een aardse ochtend
    een afwezige ochtend, het verdriet van verdunde families.
    Kijken naar de mensen die er dan zijn, dan weer niet
    die in het verleden worden vrijgelaten

    die de omtrek van het slachtoffer moeten bewijzen
    de omtrek van het slachtoffer dat er niet had moeten zijn –

    en de sterren die er nog zijn, staan aan de hemel die er ooit was
    verlichten het speelgoed en de familiefoto op het dressoir

    dat er niet meer is in het huis dat er ooit was, een foto
    zonder zwaartekracht, de verwaaide zwarte rook en het puin

    van een huis zonder zwaartekracht, de stilte
    van de stad zonder stad, in een leegte die altijd al stilte was.’

    Een taak die nooit af is

    Reeds in de opzet van deze bundel gaat het om vrijheid tegenover de bezetting die eraan vooraf ging. Ergens in die reeks elkaar opvolgende gebeurtenissen zit het kantelpunt waar onvrijheid overgaat in vrijheid. Al die momenten van voor, tijdens en na dat kantelpunt worden door de diverse dichters op indringende wijze beschreven. Door Rosa Schogt bijvoorbeeld:

    ‘En na het verzet kwam daar de vrijheid aangelopen, maar / we aarzelden: was zij het echt? Zo hadden wij haar / niet bedacht, ze zou toch in een mooie jurk, / met blossen op haar wangen komen? We hadden het idee / van haar toch al die tijd gevoed, hoe kwam ze dan / zo mager en zo stil?’

    Eerst een ideaal, een verlangen dat aanzette tot verzet, nu een realiteit die moet worden vormgegeven want de steden liggen in puin. Er moet hersteld worden, aan materie èn aan mensen. Terecht merkt Anna Enquist op dat vrede makkelijker hanteerbaar en voorstelbaar is dan vrijheid. Vanwege de rust die vrede brengt; vanwege de strijd die vrijheid vraagt. Verantwoordelijkheid ook om die kwetsbare vrijheid te behoeden, om tot een consensus te komen over hoe en wat en vooral wie. Uiteindelijk gaat het om de ruimte die de ene mens bereid is aan de ander te geven, zoals Vrouwkje Tuinman beschrijft in ‘Opstelling’:

    ‘Het gaat tussen mensen die om zich heenkijken en degenen die
    alleen zichzelf zien.
    Dat laatste klinkt negatief, maar kan gunstig zijn: zij zijn het die
    hun vierkante meter steeds groter maken en de rest moet daarom
    opzij. …

    Tussen de hoge heren die de rest een beetje lopen te regeren, en
    de rest. En dan zijn er nog hen, hun, hullie die zich niet ophouden
    in de uitersten, maar ergens in de grijswaarden schuilen. …

    Je hebt degenen die kiezen, en degene die als laatste gekozen
    wordt, wat geen kiezen is, maar een verlies. Het gaat tussen mij en jou.’

     

     

  • Zuinig met grote woorden over verdriet en gemis

    Zuinig met grote woorden over verdriet en gemis

    Op 16 maart 2018 stierf de dichter F. Starik aan een hartaanval. Het was ook de dag waarop hij vijftien jaar samen was met zijn geliefde, de dichteres Vrouwkje Tuinman. Anderhalf jaar na zijn overlijden verscheen haar zesde dichtbundel Lijfrente, waarin ze vertelt over de dood van haar partner en de verwerking van haar verlies. Voor deze bundel kreeg ze in maart 2020 De Grote Poëzieprijs.
    Op de voorkant van de bundel een foto van een man die zijn hoofd door een opening steekt van wat een bunker lijkt. Hij draagt een keurig pak, nette schoenen, de manchet van zijn overhemd komt onder de mouw van het jasje uit. Het zou zomaar een begrafenispak kunnen zijn. De gedachte dat de man een kijkje neemt in de onderwereld waar de schimmen wonen, laat zich raden. 

    Iets nieuws staat te beginnen

    Het eerste gedicht van de bundel heet Maart, de maand waarin Starik gestorven is, maar ook de maand van het nieuwe begin: in de vijver groeien de eitjes uit tot kikkervisjes met de belofte van nieuw leven: ‘Vanmorgen evolueerde een van de streepjes / tot een komma. Er staat iets te gebeuren.’ Maar voordat Tuinman vertelt wat dat is, doet ze verslag van de revalidatie van Starik na zijn eerste hartaanval negen maanden eerder, zijn ziekenhuisopname en uiteindelijk zijn dood. Om het te boekstaven, om het niet te vergeten, maar ook om te kijken wat er voor haar is overgebleven nu ze alleen verder moet. Het motto van de bundel, een fragment uit Passengers van Iggy Pop, wijst daar op: ‘(…) So let’s take a ride and see what’s mine’.

    Er zijn een aantal van de klassieke rouwfases in deze gedichten aan te wijzen: ontkenning, woede, aanvaarding. De laatste strofe van het gedicht Automaat luidt bijvoorbeeld: 

    ‘Les twee: ontsluit, nog voor er twijfel kan ontstaan,
    met twee handen alle poorten. Maakt niet uit of
    er push staat of pull. Berust niet, sla desnoods
    degene die een deur voor je open wil houden
    voor zijn hoofd. Ga niet in op de belofte van een wonder.’

    Zuinig op grote woorden

    Tuinman dicht niet met grote woorden en houdt de beschrijving van haar emoties klein. ‘Lief is zuinig op grote woorden, lees ik in jouw computer.’ Ze gaat terecht vanuit dat de lezer zelf wel kan aanvoelen wat er achter haar nuchtere observaties schuil gaat. Vooral in de langere prozagedichten is dat zeker zo, kan iedereen voelen hoe moeilijk het moet zijn geweest om thuis te komen in een leeg huis, kleding en persoonlijke spullen van de overledene uit te moeten zoeken en alles voortaan alleen te moeten doen. Het zijn heel persoonlijke, kwetsbare gedichten waarin geprobeerd wordt het verdriet in te dammen. Troost wordt er niet geboden, maar humor is een van de manieren om het beheersbaar te houden:

    Omgekeerde emancipatie

    ‘Nieuw aangeleerd cliché: ‘deze dingen doet mijn man normaal’.
    Het kastje van het zonnepaneel. De banden op spanning.
    De verstopte stofzuiger repareren. Rouw opent deuren – soms letterlijk,
    als het driepuntsslot kapot is en er een man, een andere dus,
    moet komen, die beweert dat dit al maanden speelt, gebeurt
    echt niet zomaar opeens, daar komt mijn cliché, en haalt zomaar
    tachtig euro van de rekening. Voel ik me schuldig? Soms, een beetje,
    want de meeste van die dingen deed hij helemaal niet,
    of ik deed ze al voor hem. Dan schreeuw ik tegen de schroefboor,
    verwijt hem dat er nooit iets lekker vanzelf werkt, het verdorie
    ook nog regent en ik een levende gemeenplaats ben.’

    De praktische aangelegenheden, die gebeuren moeten, zoals het uitzoeken van foto’s en het opruimen van medicijnen, worden in de gedichten afgewisseld met herinneringen aan het gedeelde verleden, waarbij het verdriet en het gemis wél de vrije loop krijgen. Maar steeds opnieuw vermant Tuinman zich, zit niet bij de pakken neer maar blijft bezig, omdat het moet. Het is die afwisseling van de nuchter constaterende en emotionele toon die deze bundel levensecht en zo aanspreekbaar maakt. 

    Pogingen tot afstand houden

    De manhaftige pogingen het verdriet op afstand te houden worden ’s nachts in dromen doorbroken: in twee gedichten, Opzichtige dromen 1 & 2 en 3 t/m 8 vertellen acht dromen van een hernieuwde ontmoeting met de geliefde op een festival, op het station, naast het bed. ‘(…) Ik houd je vast, jij mij niet.’

    In het lange prozagedicht Wachtkamer verderop in de bundel, is de tijd het onderwerp. Dit gedicht fungeert als een samenvatting van de bundel en beschrijft het gehele rouwproces van begin tot einde, van de dood van Starik tot aan het onbeschofte ongeduld van de omgeving: ‘Sorry, maar wanneer houdt dit zielige gedoe nu eens op?’

    Maar het is ook een algemeen aanvaard cliché dat het leven verder gaat. De gedichten kijken gaandeweg vooruit in plaats van achteruit en na een jaar is er voorzichtig sprake van een ander lief. ‘Het begint nu toch wel iets met mij te worden,’ vertelt de beginregel van Omtrekkende bewegingen.

    Met het laatste gedicht van de bundel is de cirkel rond: weer staat de dichter in de tuin, net als in het eerste gedicht. Ze heeft de tuin in velden verdeeld: 

    Gras

    ‘Aan de andere zijde is het groener.
    Op het ene veld staan de mensen die niet
    meer willen, een tuin verderop degenen die nog jaren
    vooruit kunnen, ware het niet dat hun ziekte –
    er valt niets te ruilen. […]
    Ik sta aan de rand van wat eigenlijk meer mos is
    dan gras. Mijn perk zit vol kuilen en oud blad, maar
    ook wonen er mollen in en wormen, er springen padden,
    ’s avonds landen er libelles. Ik neem een stap.’

    Deze bundel zou eigenlijk in elke wachtkamer van elk ziekenhuis, mortuarium en hospice moeten liggen. Iedereen die iemand heeft verloren zal zich herkennen in deze doorleefde bundel.

     

  • Vrouwkje Tuinman wint De Grote Poëzieprijs

    Vrouwkje Tuinman wint De Grote Poëzieprijs

    Maandagavond 30 maart maakte jurylid Norely Beyer in het radioprogramma Opium bekend dat Vrouwkje Tuinman met haar bundel Lijfrente De Grote Poeziëprijs heeft gewonnen. De jury koos unaniem voor deze bundel die Tuinman schreef in het jaar na het overlijden van haar partner F. Starik. Een bundel over de liefde en de dood.

    Volgens de jury zijn Tuinmans gedichten, ‘openhartig, soms licht absurdistisch. Niets meligs of pastelkleurigs. Niet makkelijk, wel toegankelijk. Nuchter, maar nergens onpersoonlijk of kil. Integendeel. Geen schoonschrijverij en juist dat levert de mooiste zinnen op. En troost, daar waar er eigenlijk geen beginnen aan is’.

    Voor de bekendmaking gaven de genomineerden, Ellen Deckwitz met Hogere natuurkunde, Peter Verhelst met Zon, Vrouwkje Tuinman met Lijfrente, Asha Karkami met Godfaceen en Marwin Vos met Het leven van sterren, op radio 4 een korte toelichting op hun bundel en droegen een gedicht voor. 

    Vrouwkje Tuinman las, Omtrekkende bewegingen

    ‘Het begint nu toch wel iets met mij te worden,
     zei jij, zeiden wij altijd, bij klein succes.
     De uitspraak kwam van je moeder en duidde erop
     dat, wat haar zoon ook aan voorspoed toeviel, 
     het van ‘worden’ waarschijnlijk nooit tot zijn
     zou komen, laat staan tot verleden tijd.
     Al bleef de twijfel, vandaar het ‘toch’.
     Er kon, al was het meer iets voor andere mensen,
     wellicht iets worden bereikt. En nu is het zover.
     Jij bent dood en dat doet wonderen voor je cv,
     voor dat van mij. Zonder enig diploma ben ik
     ineens bezorger, woordvoerder, min of meer
     bekende Nederlander, ik sta als ‘medewerker’
     aan jouw werk vermeld, rook namens jou
     een sigaret met andere geslaagden.
     Het begint nu toch wel iets te worden met mij.’

    uit: Lijfrente (2019)

    Daarna vertelde ze dat ze het eigenlijk wel grappig vond nu genomineerd te zijn, omdat F. Starik bij elke nieuw pubicatie van haar altijd riep dat ze daarmee alle mogelijke prijzen zou winnen. Haar reactie was dan dat hij dat niet moest zeggen, dat het de goden verzoeken was en ze juist niets zou winnen. Nu hij er niet meer is, niet kon zeggen dat ze zou winnen, wint ze deze prijs. ‘Genomineerd te zijn vond ik al heel mooi; zei ze nog.  Aan de prijs is een bedrag van 25.000 euro verbonden. Een deel van de prijs wil Tuinman besteden voor een poëzieproject in nagedachtenis aan F. Starik.

     

     

    Er was ook een Jongerenprijs die bestaat uit een plaquette en werd uitgereikt aan Peter Verhelst voor zijn bundel Zon. Jongeren van verschillende scholen uit Gent en Amsterdam lazen de gedichten van de genomineerden. Hun keuze viel op Verhelst ‘omdat zijn gedichten mooi zijn, hij veel fantasie heeft en schrijft over liefde en over problemen van het leven nú’.

    De prijsuitreiking zou zaterdag 21 maart in de Brakke Grond in Amsterdam plaatsvinden maar kon door de maatregelen rondom het Coronavirus niet doorgaan.

    De Grote Poëzieprijs is een initiatief van verschillende organisaties in Vlaanderen en Nederland. Voor de prijs waren 118 bundels ingezonden.

     

  • De chemie tussen interviewer en schrijver en een festival

    Het speelde zich voor een deel af in de Cloud van TivoliVredenburg. Te bereiken met een roltrap zoals je je die ooit voorstelde bij het liedje Roltrap naar de maan van Klein Orkest. Het laatste stuk te voet, traptreden beklimmend met aan een kant een gapende diepte (je zult maar hoogtevrees hebben). Hét literatuurfestival van Utrecht, waar vertalers bevraagd worden naar het hoe en waarom van hun vertaling. Of hoe iemand erbij komt een Nederlands boek in het Catalaans of Estlands te vertalen, zoals Herman Kochs Het diner. Een festival waar schrijvers gevraagd worden naar het hoe en waarom door interviewers die zelf schrijven en/of recensent zijn. Waar films worden vertoond in Filmhuis ’t Hoogt; documentaires over de levens van literaire helden als Konstatin Paustovski en James Baldwin, de schrijver van Go Tell it on the Mountain die in I’m not your Negro, op indringende wijze tot leven word gebracht. Waar literaire prijzen worden  uitgereikt, songteksten gekoppeld aan literair werk maar bovenal waar gesproken wordt over boeken en hun schrijvers die – buiten de Nederlandse schrijvers – werden ingevlogen vanuit Engeland, China, Duitsland, Noorwegen en Zweden.

    Literaire groupies

    Het was de tweede editie van het Internationale Literatuur Festival Utrecht (ILFU). De accommodatie beviel – buiten een enkel zaaltje – niet zo goed als de accommodaties in voorgaande jaren. Daarbij denkend aan de jaren toen het festival nog Ciy2Cities heette en het literaire volk door de straten van locatie naar locatie trok op de hielen gezeten door literaire groupies en leesclubfans. Dat was nog eens wat. De onverwachte ontmoetingen, het rouleren van publiek en schrijvers bleef nu merendeels achterwege. Bezoekers bleven in de stille ruimtes tussen twee zalen (of verdiepingen) hangen of verloor zich in de klanken van een bierfeest – dat niets van doen had met dat waar we voor gekomen waren – en waar je je snel doorheen baande op zoek naar de chemie van het festival.

    Er was naar uitgekeken. Hans Bouman die de tweede avond inluidde met een interview met de Engelse schrijver Graham Swift. Een bedachtzaam man die met sonore stem zijn verhaal vertelt, zijn denkwijze. Over Moeders zondag, Mothering Sunday dat het in Engeland van oorsprong een christelijke feestdag was waarop gelovigen terugkeerden naar hun ‘moederkerk’, in de streek waar ze vandaan kwamen. En wat een schrijver zou willen met zijn boeken, over de ontmoeting met de lezer. Swift zegt dat het leven voor iedereen verwarrend is. Hij zegt zich net zo te voelen als zijn lezers, en het lijkt hem goed die verwarring te delen: ‘Auteur; betekent autoriteit. Ik wil geen autoriteit hebben over mijn lezer. Ik zit in hetzelfde schuitje als zij, in dezelfde zee van verwarring. Verhalen vertellen is een soort van navigeren door die zee van verwarring. Waarbij hij uitkomt op het begrip vertrouwen: Áls ik enige autoriteit als schrijver bezit, is dat op het gebied van vertrouwen.

    Swift kreeg alle ruimte waarin hij bedachtzaam zijn relatie van schrijver met lezers en zijn uitgangspunt als schrijver uiteen zette; niet weerhouden door enige beschroomdheid. De vraag naar het begrip ‘vertrouwen in relatie tot zijn autoriteit als schrijver’ was interessant geweest. Wat kwam was de retorische vraag: U schrijft geen contemporary literatuur? ‘Te journalistisch’, pareerde Swift de vraag. En: ‘Er is geen roman die volledig hedendaags is omdat tijd voorbij gaat: wat je nu schrijft behoort alweer tot het verleden. De reden waarom mensen lezen is dat je het gevoel hebt dat – in welke tijd het ook speelt – je het in het hier en nu beleeft. Ze worden deel van de geschiedenis en alles wat er gebeurt, overkomt hen ook. Lees je het boek opnieuw, dan beleef je het weer.’ Een schrijver die de kunst van het vertellen beheerst in een  grote zaal vol publiek met de mythologische naam Pandora. Blauwe spotlights weerspiegelen in de brillenglazen van het publiek en verder alles donker: Swift las ter afsluiting – duidelijk niet vrijwillig – maar op perfecte wijze de eerste bladzijden van zijn Moeders zondag voor. Geen chemie, mooi was het wel.

    De kantoorroman

    Arjan Peters in een kleinere zaal, Punt zes, met Paulien Cornelissen en de Duitse vertaler – van o.a. Het Bureau van Voskuil – Gerd Busse. Ook hier nieuwe literaire inzichten: heeft de kantoorroman de plaats van de streekroman ingenomen? Peters vraagt aan Cornelissen of louter het gegeven ‘kantoor’ een aanwijsbare invloed van Voskuil is. ‘Het is een aantrekkelijke fictiebiotoop’, volgens Cornelissen. ‘Vroeger zat je vast in je streek, in je buurt en had je de streekroman. Het is fijn te schrijven over een biotoop waar alles op elkaar zit. Neem toren C, The Office.’ Cornelissen las Voskuil toen ze twintig was, het was een eye opener voor haar. Ze hield niet van de boeken die op de leeslijst stonden, te saai en stom. Tot ze Het Bureau las. Het gesprek neemt geregeld een vrije vlucht, als Cornelissen het vragen stellen overneemt. Bevrijdend, soms hilarisch en Peters voedt het met opmerkingen als, ‘Nee, nee, ga je gang.’ Er komen dingen uit voort. Denk maar eens na over de vraag waarom Voskuil zijn alter ego Maarten, de achternaam ‘Koning’ gaf.

    Gerd Busse kreeg in 1998 het eerste deel te leen van een vriend. Hij verbleef  in een vertalershuis in Amsterdam, las het in bed en was verslaafd. Hij moest dit vertalen en zocht naarstig naar een uitgever. Het duurde 13 jaar voor hij die vond. Nu wordt Voskuil in Duitsland gelezen als een filosofisch werk en achtten ze hem Nobelprijs waardig.
    Cornelissen vertelt waarom Voskuil haar zo bevalt: ‘Alles klopt; wie en hoe degene is in het boek.’ Ze zegt gevoelig te zijn voor dingen die niet kloppen. Als een vrouw bijvoorbeeld over haar slipje spreekt, is Cornelissen er al klaar mee. ‘Maar wat is het dan?’, vraagt Peters. ‘Nou’, zegt Cornelissen, ‘de meeste vrouwen hebben het over onderbroek.’ Ah’, zegt Arjan, ‘leerzame avond’. Zelfs door het geroezemoes en de luide muziek van het bierfeest – dat door de glazen wanden heen dringt (hoe kan dat?) – op de achtergrond, kan dit interview niet stuk. Na afloop signeren, waarbij aangeschoven wordt. Ze vraagt of ik Sandra Koenders ken. Dat ik haar aan Sandra Koenders doe denken. Ik zeg er geen match mee te hebben. Ze lacht en dacht, nou ja.

    Enthousiasme

    Er is een gesprek met twee schrijfsters waarbij de interviewster zo oprecht enthousiast is dat ze de schrijfsters bijna het interview uitpraat. Ze springt erin (uit enthousiasme) als moet ze alles uit de doeken doen, niets vergeten. Waarbij ze (door haar enthousiasme) de auteurs vergeet te verwelkomen en praat de eerste minuten alleen maar over de inhoud van Gif, van Samanta Schweblin. Wanneer deze het woord krijgt, groet ze eerst de zaal: ‘Dit is mijn eerste interview in het Engels, wat moet ik zeggen…?‘ De interviewster is gewoon van zichzelf zo leuk (echt, ze is leuk) en enthousiast (je moet om haar lachen, ze graaft en ploegt zich door de materie), maar je hoort geen schrijvers, ze doen hun best maar vallen weg. Dan verder, naar de volgende ronde, en komt opnieuw in zaal Pandora.


    Carson McCullem en Suzanne Vega

    Daar zit Vrouwkje Tuinman in een van haar immer vrolijke jurken, en tegenover haar Suzanne Vega van Luka, waarnaar vroeger geluisterd werd als werd er een literaire romance voorgelezen: My name is Luka//I live on the second floor / I live upstairs from you / Yes I think you’ve seen me before.
    Vega’s uiterlijk doet beseffen dat je zelf ook niet meer de jongste bent. Tuinman is goed in een gesprek voeren en Vega een sympathieke partner daarin. De verbindende factor is schrijfster Carson McCullers (1917-1967). Vega, die sinds haar tienerjaren door haar gegrepen werd,  schreef een muzikale eenakter over McCullem waarin ze zelf de hoofdrol vertolkte. De liedjes daaruit zijn uitgebracht op cd: Lover, Beloved. Ze zong het nummer Harper Lee (haar stem, haar stem!, maar er was iets met de geluidsinstallatie waardoor er teveel geslist en ge-tsstt werd) en speelde dat ze McCullem was, nam een sigaret in haar rechterhand. Je wilde blijven maar er was een laatste trein te halen naar het oosten.


    De laatste dag

    ’s Middags in ’tHoogt voor I’m not your Negro, je wist waar je naar ging kijken, toen je keek wist je niet wat je zag. James Baldwin die steeds weer de vinger legde op de plek waar het schuurde, nog steeds schuurt. Een film die niet gemist mag worden. ’s Avonds in Cloud Nine –  die roltrap naar de maan en de open smalle trappen – zes genomineerden voor het C.C. Crone stipendium. Drie wonnen er waaronder Gerda Blees, die een belofte wordt genoemd om haar verhalenbundel en nu voor een dichtbundel het stipendium kreeg. Een Utrecht-stads gebeuren. Met wethouder en Nacht van poëzie initieerder. Het was feestelijk en Michael Stoker interviewde de een na de andere genomineerde alsof hij ze in de wandelgangen tegenkwam, een hart onder riem stekend, bewondering uitsprekend, prikkelend en bemoedigend.

     

    Klein en groot podium

    Theo Hakkert in gesprek met Marja Pruis en Nelleke Noordervliet waar een handvol publiek op afkomt, alsof het niet in het programmaboekje vermeld stond. De schrijfsters, de interviewer en het gesprek verdienden een volle zaal. Hakkert stelde vragen  over de wanhoop van de schrijver als er een oordeel wordt geveld over het gepubliceerde boek. En hoe een boek verdwijnt als het af is. En waar een biografie goed voor is.

    Weer later Abdel Kader Benali en de Georgische schrijfster (wonend in Duitsland) Nino Haratischwili over haar 1300 pagina’s tellende boek Het achtste leven. Er werd niet veel losgemaakt over de drijfveren van de schrijfster, het kabbelde op een podium te groot voor twee, de ruimte donker en gesloten (waar is de uitgang?). Het werd niet boeiender dan dat Benali haar ondervroeg over de verschillende personages waarbij het gesproken Engels niet vanzelf ging. Aan het einde van het gesprek werd het lichtelijk precair, alsof de interviewer er het hele gesprek op gewacht had deze vraag te mogen stellen: ‘Je hebt een kind bij je toch?’ ‘Ja,’ zei de schrijfster. ‘Hoe oud is ze?’ ‘Vier maanden.’ ‘Och,’ zei Benali en je zag hem zichzelf inhouden. Hoe hij niet zei: ‘Ik heb ook een dochtertje.’ Je zag het geluk van hem afbarsten maar hij glimlachte, zwijgend en wetende. Geluk is een hardnekkige rivaal.

    Toen moesten The Joni Mitchell Stories nog komen, met Mathilde Santing, Ingmar Heytze, Jordi Lammers en Nelleke Noordervliet. Daar was ook naar uitgezien, maar ach, die laatste treinen in de nacht, die wachtten niet. Zo kwam er een (onvoltooid) einde aan een veelomvattend festival in Utrecht, Stad van de Literatuur.

     

    Foto’s: Michael Kooren
    Foto Graham Swift: Liliane Waanders

     

  • Groepsportret rond de dood

    Groepsportret rond de dood

    Vrouwkje Tuinman (1974) is dichteres, romanschrijfster, journaliste en columniste. Naast een aantal dichtbundels schreef ze drie romans, Grote Acht (2005), Buurvrouw (2008) dat genomineerd werd voor de BNG Nieuwe Literatuurprijs en nu dus De rouwclub (2013). Eind 2010 ontving Tuinman de Halewijnprijs voor haar oeuvre tot nu toe.

    In De rouwclub staat de dood van Harold Wezeman centraal. De 35-jarige Harold is de grote man achter popfestival Walhalla. Tijdens een bezoekje aan Lovalicious, het muziekfestival van één van de concurrenten, ontstaat paniek. Harold komt daarbij in de verdrukking en raakt in coma. Uiteindelijk overlijdt hij, maar dat gebeurt pas op pagina 88. De aanloop is wel erg lang. Het duurt ook lang voor eindelijk duidelijk wordt wat er precies gebeurd is. Stagair Joris die bij het ongeluk aanwezig was, weigert over zijn ervaringen te praten. Zijn houding en onwil worden een, niet al te consequent uitgewerkt, lijntje in het verhaal.

    Harold zelf is de grote afwezige in dit boek. We volgen zijn vriendengroep. Het verhaal wordt deels vanuit het perspectief van zijn collega en beste vriendin Emma, zijn baas Elmer en beste vriend Victor verteld. Maar er is ook een alwetende verteller die inzicht geeft in de gevoelens van anderen, zoals Harolds vader Jan. Iedereen reageert op zijn of haar eigen manier op de coma en het overlijden van Harold.
    Aan zijn ziektebed is al een tweedeling te zien: ‘De staande mensen vormden samen met het bed een soort kerststal, een heilige familie. De zittende bootsten een stille verjaardag na.’ (44)
    Ook dan is al te merken dat iedereen anders met zijn emoties omgaat. ‘ “Hij gaat het niet redden,” zei Victor met een bijna onherkenbaar geknepen stemmetje. Nee, schudden de artsen.
    Niet gaan janken, dacht Emma, in het algemeen, en richting Victor in het bijzonder. Niet alleen aan jezelf denken.’ (77).

    De artsen adviseren de machines uit te zetten en Harold te laten sterven. Het is een heel gedoe om te beslissen wie bij het overlijden aanwezig moeten of mogen zijn. ‘Emma denkt stiekum aan het woord “fanclub”.’ (82) Na het overlijden van Harold, zoon, neef, vriend, collega, is er in eerste instantie veel te doen voor de mensen die hem omringen. Eerst het geregel, dan de rouw. Dan blijkt dat deze groep mensen op Harold na, eigenlijk niets gemeen had. Er breekt zelfs een soort wedstrijd uit, voor wie het overlijden van Harold nu eigenlijk het ergste is. Maar ondanks het onderlinge onbegrip en de irriraties heeft de groep elkaar ook nodig.

    De fanclub is inmiddels een rouwclub geworden, al neemt lang niet iedereen Emma dat woord in dank af. Maar het is wel een stuurloze rouwclub. En dat terwijl festival Walhalla gewoon door moet gaan. Het delen van hun gevoelens blijkt niet gemakkelijk. Want wie heeft het alleenrecht op herinneringen? En hoe ga je er mee om als anderen jouw herinneringen vertellen, alsof zij er zelf bij zijn geweest?
    ‘Met elke anekdote werd duidelijker dat hij een andere puzzel zat te maken dan zij.’  (263) Niet alleen rouwen doe je blijkbaar alleen, ook herinneringen ophalen. Maar is dat erg? Zoals Elmer zegt: ‘Geen van ons weet alles van hem. Maar samen weten we een heleboel.’ (286)
    En dan realiseren ze zich het. Ze zijn helemaal geen vrienden. ‘De hele rouwclub bestaat alleen maar omdat Harold er niet meer is. (239) En toch domineert diezelfde rouwclub hun hele sociale leven. ‘Andere mensen dan degenen in het ziekenhuis en daarna Harolds huis doen er eigenlijk niet meer toe.'(134)

    Tuinman beschrijft het gedrag van een groep mensen en het boek is het beste te typeren als een groepsportret. Het overlijden van een vriend en de stappen die daarop volgen zijn herkenbaar, maar daardoor ook erg voorspelbaar. Vooral ook omdat er nauwelijks sprake is van een spanningsboog in het boek. Toch blijf je lezen, de groepsdynamiek boeit. Je wilt weten hoe het afloopt met Emma, Elmer en Victor. En wat erg knap is, een zwaar onderwerp wordt licht beschreven.

    De rouwclub

    Auteur: Vrouwkje Tuiman
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
    Aantal pagina’s : 256
    Prijs: € 18,95

     

  • Talkshow Letteren &cetera in Spui25 te Amsterdam op 31 januari

    Agenda

    Pieter Steinz interviewt iedere laatste donderdag van de maand drie auteurs in Spui25 te Amsterdam.

    De schrijfsters Christine Otten en Vrouwkje Tuinman en de Virginia Woolf-vertaalster Boukje Verheij zijn te gast in de eerste aflevering van Letteren &cetera. In deze anderhalf uur durende talkshow spreekt Pieter Steinz (directeur Nederlands Letterenfonds), met drie auteurs die op verschillende manieren door het fonds gesteund zijn.

    Op donderdag 31 januari interviewt Steinz als eerste Vrouwkje Tuinman, die sinds haar debuut als dichter in 2004 poëzie afwisselt met proza. Deze maand verscheen haar nieuwe roman De rouwclub, over de nabestaanden van een plotseling overleden festivaldirecteur. Hoe verhoudt Tuinmans tragikomedie zich tot het steeds populairder wordende genre van de rouwroman? En hoe grappig mag je schrijven over de dood?.

    De tweede gast is Boukje Verheij, die voor de Perpetuareeks een nieuwe vertaling maakte van Virginia Woolfs negentig jaar oude meesterwerk Mrs. Dalloway. Hoe vertaal je een literair monument dat ook nog eens bekend staat om de uitzonderlijke stijl; de streams of consciousness en, de lange zinnen met bijstellingen, stukken tussen haakjes en strategisch geplaatste puntkomma’s die Mrs Dalloway de dromerige sfeer geven die de tragiek van haar personages des te schrijnender doet uitkomen?

    Ten slotte een gesprek met Christine Otten, een van de sterren van de Nederlandstalige literaire non-fictie. In haar zesde, autobiografische roman Om adem te kunnen halen beschrijft ze hoe ze zich met haar tachtigjarige vader verzoent en daarmee teruggaat naar haar jeugd in Deventer en de geëngageerde arbeidersmilieus van haar ouders. Steinz zal met Otten praten over puur autobiografisch schrijven, over het Nederland van zestig jaar geleden, en over het zo gedateerd lijkende ideaal van verheffing van de arbeidersklasse.

     

    Donderdag 31 januari
    Entree is gratis, wel reserveren via de website van Spui25.
    Tijd: 17.00-18.30.

    De volgende edities van Letteren &cetera vinden plaats op donderdag 28 februari, donderdag 28 maart, &cetera. Aanvang steeds om 17.00 in Spui25 in Amsterdam.

     

  • Blue Monday in De Balie

     Agenda

    Op de derde maandag van januari, officieel de meest deprimerende dag van het jaar, kan het publiek bij de SLAA zwelgen in een winterdepressie. Te gast zijn: Ton Anbeek, Marc van Uchelen, Vrouwkje Tuinman en Daan Heerma van Voss. Presentatie: Anton de Goede. Muziek: Kobra Ensemble.

    Zwaarmoedigheid en literatuur lijken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Op de derde maandag van januari, volgens psychologen de meest depressieve dag van het jaar, trekt de SLAA een avond uit om de zwaarmoedige kant van de literatuur te verkennen.

    Reve, Hermans, Slauerhoff, Heeresma – allen schreven zij literatuur waarin zwaarmoedigheid een belangrijke rol speelt. Hoewel er tal van voorbeelden te bedenken zijn van uitstekende zwaarmoedige literatuur uit verschillende buitenlanden (Edgar Allan Poe, Franz Kafka, Helle Helle), lijken schrijvers uit de lage landen zich bij uitstek thuis te voelen in dit genre. Waar de buitenlandse schrijvers eerder lijken te neigen naar het melancholische, haast het romantische, wringt er in de Nederlandse literatuur onophoudelijk iets, is er altijd een droge ironie voelbaar. Waar ligt dit aan? Heeft het te maken met onze lijdzame, calvinistische aard?

    Al te optimistische romans worden minder serieus genomen, zijn geen echte literatuur, zijn naief. Is dit terecht? En heeft deze opvatting altijd bestaan? Ton Anbeek praat over dit verschijnsel in een mini-college.

    Uiteraard passeren ook enkele voorbeelden van zwaarmoedige literatuur de revue. Acteur Marc van Uchelen draagt een passage voor uit het werk van Gerard Reve, zijn favoriete schrijver. Dichteres Vrouwkje Tuinman komt praten over zwaarmoedige poezie, zowel die van haarzelf als van anderen. Daan Heerma van Voss heeft speciaal voor deze avond een kort zwaarmoedig verhaal geschreven. Tussen de bedrijven door worden er liederen ten gehore gebracht door het dameskoor Kobra Ensemble. Na afloop van het programma gaat de bar open en kunt u samen met ons uw verdriet wegdrinken.

    Blue Monday
    21 januari 2013, 20.15 uur
    De Balie, Kleine-Gartmanplantsoen 10, Amsterdam
    Organisatie: SLAA
    Kaartverkoop: www.debalie.nl
    Meer informatie: www.slaa.nl

     

     

  • Olympiërs – verhalenbundel over de poëtische kant van topsport

    Gesignaleerd door de redactie

    Omdat de sportjournalist anno nu slechts op zoek is naar oneliners, records en schandalen, vroeg Literair Productiehuis Wintertuin negen schrijvers en dichters de magie van een Olympische sport te beschrijven. Wat maakt een wedstrijd op de Olympische Spelen zo bijzonder? Of, zoals Marcel Rözer in de inleiding van de bundel schrijft:  “Wie speelt heeft dromen. Dit is een bundel vol dromen, ver weg van de sportverslagen van gisteren en de voorspellingen voor morgen. Dromen over een gevecht zonder wapens, tegen een mens, een ploeg, de zwaartekracht. Met een winnaar en veel verliezers. In het besef dat verhalen in de sport altijd over de grote thema’s van het leven gaan, vullen jonge én ervaren auteurs deze bundel met de meest uiteenlopende verhalen.”

    In Olympiërs vraagt Ernest van der Kwast zich af wat schoonspringen tot een Olympische sport maakt, beargumenteert Jan van Mersbergen waarom wielrennen op de Spelen niet het praalstuk van de sport is en geeft Marcel Rözer een inkijkje in het Olympisch dorp. Ook Vrouwkje Tuinman, Frank Heinen, Nyk de Vries, Martijn Brugman, Rodaan Al Galidi en Elfie Tromp brachten de beeldende kracht van de topsport onder woorden.

    De bundel ligt voor € 10 in de boekhandel en is tevens te bestellen op wintertuin.nl/shop.