• Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Wanneer je gezond bent, zul je niet snel een bundel over ziek zijn oppakken. Toch leeft meer dan de helft van de wereldbevolking met een chronische aandoening. Lezen over hun ervaringen in deze nieuwe bundel opent de ogen. Over ziek zijn is vernoemd naar het essay On Being Ill, dat Virginia Woolf honderd jaar geleden schreef. Zij verbaasde zich er toen al over dat ziekte zelden een hoofdthema is in de literatuur — in tegenstelling tot onderwerpen als liefde, macht, strijd en jaloezie. En dat is nog steeds zo: boeken waarin ziekte centraal staat, zijn schaars.

    Susan Sontag schreef in Illness as Metaphor (1978) over kanker en tuberculose. Thomas Mann behandelde tuberculose in zijn werk, Hanna Bervoets publiceerde de roman Welkom in het rijk der zieken (2021) over chronisch ziek zijn en nooit meer beter worden. Maar verder blijft het verrassend stil.

    Gezondheid is niet vanzelfsprekend

    De coronapandemie zorgde voor hernieuwde aandacht voor de impact van chronisch ziek zijn. In 2020 gaf uitgeverij HetMoet het essay van Woolf opnieuw uit, samen met twee hedendaagse essays van Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld. Inmiddels zijn we, vijf jaar later, alweer gewend aan een wereld waarin gezondheid vanzelfsprekend lijkt. Deze nieuwe bundel herinnert ons aan het belang van het thema en bevat twaalf essays van auteurs die zelf leven met een chronische aandoening.

    Virginia Woolf opent deze bundel opnieuw met haar essay. Een uitdagende start die concentratie vereist. Woolf kampte met uiteenlopende gezondheidsklachten — koorts, flauwvallen, hevige hoofdpijn, slapeloosheid en manisch-depressieve periodes. Haar essay leest als een hallucinatie, een koortsdroom waarin ze allerlei onderwerpen aanraakt. Ze gebruikt haar bekende stream of consciousness-stijl: associatief en rijk aan meanderende metaforen.

    Nadia de Vries reageert op Woolf met een essay dat eveneens aanvoelt als een koortsdroom, maar met heldere beelden en subtiele humor. ‘In de tram probeert een man mee te kijken op mijn telefoon. Om hem af te schrikken zet ik een filmpje van een hoornvliestransplantatie aan, waarop hij, de lafaard, gauw wegkijkt.’

    Michaël van Remoortere schrijft een filosofische tekst over zijn ziekte, waar hij eigenlijk niet over wíl schrijven. In ‘Geschiedenis van mijn waanzin’ reflecteert hij op ziekte en waanzin, geïnspireerd door Woolf en Sontag. Zijn conclusie: niet de mens is waanzinnig, maar de samenleving. De mens is juist het toonbeeld van gezond verstand.

    In ‘Gister fietste ze nog naar de bakker’ schetst Jan van Mersbergen een ontroerend portret van zijn moeder, die zichzelf volledig wegcijferde in haar werk en zorg voor anderen. Zelfs met een lichaam dat was verwrongen van de pijn, bleef ze doorgaan — tot ze er letterlijk bij neerviel.

    Stef Hulskamp schrijft over zichzelf als dakloze man met kanker. In korte, soms onaffe zinnen, vaak zonder leestekens. Daar waar hij weglaat komt de boodschap sterk binnen. Zijn besef dat liefde en vaderschap aan hem voorbijgaan, snijdt diep. Zijn conclusie: ‘Nooit ziek worden als je arm bent, is het niet waard.’

    Alexandra Phillipa onderzoekt in ‘Over ziekte en wachten’ het langdurige wachten dat ziek zijn met zich meebrengt. Wat doet ziekte met je? Welke gradaties van pijn zijn er? Hoe bepalend is taal om pijn uit te drukken. Hoe uit een baby die pijn heeft zich? En: ‘Hoe zou een zieke het verhaal van wachten moeten vertellen als het plotloos is.’

    ‘Panter’ van Marijn Sikken is een prachtige metafoor voor iemand die opgroeit in ‘een kooi van een chronische ziekte. (…) Net als een dier in de dierentuin betekent een chronische ziekte, tot op zekere hoogte, bestaan bij andermans gratie.’

    Maureen Ghazal wilde schrijver worden en ontwikkelde ‘zitvlees’. Zo extreem zelfs, dat ze door stekende pijn in haar bekken op een gegeven moment letterlijk niet meer kon zitten. Ze vond andere manieren om met haar situatie om te gaan – bijvoorbeeld via verbeelding. Ze accepteert haar lot, wat een teken van grote veerkracht is.

    Bewustzijn

    Virginia Woolf schreef over de ‘staanders’: degenen die gezond zijn, vechten en proza lezen. De ‘liggers’ daarentegen zijn de deserteurs, ze hebben hun wapens in stilte neergelegd. Ze lezen poëzie. Susan Sontag beschrijft twee koninkrijken, ‘het koninkrijk der gezonden’ en ‘het koninkrijk der zieken’. Twee werelden die onafgebroken naast elkaar voorkomen, waarmee het eeuwige wachten, de chronische pijn, het energie-lek, frustrerende politieke systemen, schaamte en zwijgen over pijn door de ‘staanders’ nauwelijks wordt opgemerkt. Ze beseffen niet wat chronisch ziek zijn betekent en nemen hun eigen leven voor lief. Terwijl de ‘liggers’ mede overleven dankzij acceptatie van hun lot, de betrokkenheid van geliefden en gevoelige zintuigen een veel dieper besef hebben dat ondanks hun ziekte het leven een verrijking kan zijn. Ze hebben een sterk bewustzijn dat ze leven.

    Dat het thema ziek zijn meer aandacht zou mogen hebben in de literatuur, maar ook in het dagelijks leven, staat buiten kijf. ‘Je moet in gesprek blijven met jezelf en met anderen. Het is belangrijk verbindingen te leggen en daarin vrijheid te vinden.’ Aldus Elte Rauch in het voorwoord. Over ziek zijn is een geslaagde bundel met twaalf verhalen die het thema van vele kanten belicht en een helder en empathisch licht werpt op leven met een chronische aandoening.

     

     

  • Dingen achterlaten

    Dingen achterlaten

    Wandelen zou ik, elke dag, in het Leudal van Limburg, waar het goed wandelen moet zijn. Maar eerst met de poes naar de dierenarts voor een check-up. Altijd goed dit te doen. Poes had een ontstoken kaak door een afgebroken hoektand. Het diertje had  er niets van gezegd, had nu dagelijks antibiotica nodig. Er diende zich de mogelijkheid van vakantie in eigen huis aan. Ik bekeek de omgeving met de ogen een vakantieganger. Ik zei, wat een prachtige tuin hebben ze hier, en die twee heerlijke hangmat-achtige met canvas beklede stoelen! Ik leunde erin achterover, staarde naar de hemel (blauw met witte wolkjes) zoals ik er nog nooit naar gestaard had. 

    De volgende ochtend gingen we naar een van de kleinste filmtheaters van Nederland in het nabij gelegen stadje Zutphen en zagen de film The Salt Path. Ik leefde mee met Moth en Raynor Winn die hun huis moesten verlaten. Met hun weinige bezittingen in hun rugzak het South West Coast Path liepen, zonder te weten wat ze konden verwachten. Beelden van sterke wind, gekookte pasta of rijst lepelend uit een pan, slagregens, koude nachten in een flinterdunne tent. Hoe ze dit samen doorstonden. Ik kon het niet helpen, tranen nauwelijks te bedwingen. Hoe beiden, de zorgzaamheid, de moed, om elkaar gaven, het was me wat. Dat het de liefde is die blijft, dat je het daarmee moet doen. Ik fluisterde naar de man, laten we de huur opzeggen, rugzakken inpakken, al wat verzameld is achterlaten. Hij glimlachte, begripvol. Ik veegde langs mijn ogen. Beelden van onverbiddelijk voortploeteren, de strompelende Moth. Niemand die hen begrijpt, hoe alleen ze staan. Dat liefde, echte liefde dus, een eenzame aangelegenheid voor twee personen is.

    Na de film dronken we een koffie bij de Italiaan. Ik was hongerig, ging naar de boekhandel schuin tegenover de Italiaan. De man naar de Hema, om sokken, voor als je weet maar nooit. Toen hij afgelopen zondag jarig was, zei de man, we moeten eigenlijk naar Den Haag, die rode lijn. En we gingen. Nu ik fluisterde over dingen achterlaten, rugzakken, wie weet. Bij de boekhandel rommelde ik wat bij de afdeling ‘wandelen’. Zag het prachtige boek Het wilde vrouwenpad van Brigitte Ars. Dat moest ik hebben. De man was geen pad te gek of hij liep het wel.

    Een boek over ‘stoere’ vrouwen die er alleen op uittrokken. ‘Dwalen met Emily Brontë’, ‘Op expeditie met Simone de Beuavoir’, een wandelreis van Nan Shepherd, en hoe Virginia Woolf haar dagelijkse wandelingen liep. ‘In Naar de vuurtoren worden wandelingen bijvoorbeeld gebruikt om de innerlijke gedachten en emoties van personages te verkennen.’

    Hoe ik dan toch weer bij schrijven uitkom. Ja, Willem Brakman, altijd ging hij wandelen. Voor vandaag lopen we van Ruurlo naar Zelhem, vijftien km zegt de man. Wandelen geeft het gevoel ergens aan te ontsnappen. Vooruit lopen, steeds maar door, en dan, de dingen die achterblijven. ‘So, there I go’.

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

  • Dat het steeds meer over mezelf zou gaan

    Dat het steeds meer over mezelf zou gaan


    Een gesprek met Obe Alkema naar aanleiding van zijn onlangs verschenen boek
    Bewogen Selfies. Over een verzameling selfies die veel weg hebben van (foto)beelden zoals we de selfie als ‘showing who you are’ kennen, maar dan in tekst. We spreken over een memoir, al kan dat wat pretentieus klinken, en ontbreken de jeugdherinneringen. Waarvan Alkema er volgens eigen zeggen niet veel heeft. Bewogen Selfies vraagt de aandacht en zet alles in beweging. Een reden de schrijver om een interview te vragen.

     

    We spreken af in De Utrechtse Boekenbar aan de Westerkade. Het is een zonnige vrijdagochtend eind februari. Als ik, door treinstoringen te laat, de Boekenbar binnenkom zit  Alkema al rechtsachter aan een tafeltje. Het is er gezellig druk, de zon verlicht de ruimte en door de openstaande deur komen flarden van een gesprek, de roep van een meeuw vanaf de kade naar binnen. We bestellen koffie, en vooruit, nemen er iets lekkers bij.

     

    Schrijver en dichter Obe Alkema (1993) debuteerde in 2018 met de dichtbundel Obelisque, in 2019 genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Hij studeerde Nederlands in Groningen en begon halverwege zijn studie met het schrijven van poëzie. ‘Best laat eigenlijk.’, zegt hij er zelf over. Over zijn schrijven van toen zegt hij nu: ‘Soms, als ik daaraan terugdenk, vraag ik me af wat ik toen aan het doen was. Het lijkt niet op het werk van nu. Er was toen heel weinig ‘ik’, alles bleef op afstand. Ik schreef heel fragmentarisch en nodeloos ingewikkeld.’ Alkema werkte jarenlang bij uitgeverij Ankh Hermes en sinds vorig jaar werkt hij als informatiespecialist bij de gemeente Utrecht.

     

    Bewogen Selfies is een boek dat niet in een hokje te vangen is. Het bestaat uit verschillende tekstdocumenten, scroll sessies, dagboek delen. Ook te lezen als confrontaties van de schrijver met zichzelf. Maar het boeit mateloos, om het anders zijn en de veelheid informatie die het prijsgeeft. Geen eenduidig verhaal, toch is dit het verhaal van een ontdekkingstocht. 


    Hoe is het ontstaan en hoe lang heb je eraan gewerkt? 

    ‘Vooraf wist ik nog niet wat het moest worden. Het is telkens van vorm veranderd. Eerst dacht ik aan een essaybundel. Ik had veel literatuurstudie gedaan, veel gelezen en geschreven over schrijvers, stukken die ik daarvoor wilde gebruiken. Maar die gedachte liet ik steeds meer los. Niet alles waar ik over wilde schrijven, had een verwijzing of een onderbouwing nodig. Ik heb er uiteindelijk  viereneenhalf jaar aan gewerkt. Ik zag toen wel dat dit boek steeds meer over mezelf zou gaan.’


    Met een selfie geef je jezelf bloot aan anderen. In deze memoir worden de selfies steeds gewaagder, intiemer ook als het over je seksleven gaat. Waarom wilde je deze teksten vrijgeven?

    ‘Bij sommige teksten heb ik me wel afgevraagd of het niet te veel was. Dat is ook waarom het boek zolang geduurd heeft, dat het maar niet afkwam. Omdat ik al vroeg wist dat er ook een stuk over mijn seksleven in moest, maar niet wist hoe. Wat hielp is dat literaire tijdschriften me soms om een bijdrage vroegen. In nY verscheen het stuk over mijn seksleven. Die publicaties waren een soort aanloop naar het boek. Wat me ook hielp, was de input van anderen, zoals van de redacties van literaire tijdschriften. Dat had ik nodig om verder te gaan.’


    Alkema voegt zich onder de ‘New Narrative Writers’, een stroming die eind jaren zeventig ontstond en geïnitieerd werd door de Amerikaanse dichters Robert Glück en Bruce Boone. Alkema memoreert aan de kleine hype die tien jaar geleden ontstond rond de debuutroman
    I love Dick van de Amerikaanse schrijfster Chris Kraus die wel met New Narrative geassocieerd wordt. Een feministische Cultklassieker. Vandaaruit las hij zich verder de ‘New Narrative’ stroming in. 

    ‘In 2016 ontmoette ik Robert Glück toen hij naar Amsterdam kwam. We hebben samen opgetreden in Perdu. Zo ontstond er een persoonlijker contact. Glück publiceerde dat jaar ook een essaybundel Communal Nude waarin veel staat over de ‘New Narrative’ groep en andere vertegenwoordigers van deze stroming. Zo opende zich een soort van bibliotheek van schrijvers voor mij.’


    Hoe heb je al die teksten die je in de afgelopen vierenhalf jaar geschreven hebt, de gegevens die je verzameld hebt, een plek gegeven in het boek?

    ‘Het boek is samengesteld uit een derde van het materiaal dat ik had. Heel veel heeft het niet gehaald. De lijst van headlines bijvoorbeeld was eerst geclusterd. In de eindredactie ontstond het idee om van de compositie van het boek ook een bewogen selfie te maken. Door de scroll sessies niet te clusteren maar juist af te wisselen, verdeeld door het boek. Door stukken een andere plaats te geven in het boek kwam ik er ook achter dat er hier en daar nog meer geschaafd en geschrapt kon worden.’


    Wat heb je met de overgebleven tekst gedaan?

    ‘Misschien komt er nog eens een soort B-side van de dingen die het boek niet gehaald hebben. Ik had bijvoorbeeld ook werkplannen voor subsidie aanvragen, residentieplekken erin opgenomen met het oog op de toezeggingen of afwijzingen. Als een soort van context van de ontstaansgeschiedenis van het boek. Die zijn er wel uitgebleven.’


    Je klinkt als een verzamelaar van teksten, verwijzingen en gevonden gegevens, maar ook als een schrijver die zichzelf steeds weer opnieuw onder ogen wil komen. Waar haalde je die scroll gegevens vandaan?

    ‘Die heb ik ooit verzameld toen ik jaren geleden van Facebook afging. Jarenlang heb ik daar op een knop van ‘Bewaren voor later’ gedrukt. Als ik iets tegenkwam wat ik interessant vond, maar niet direct tijd had om te lezen, bewaarde ik het voor later. Maar uiteindelijk doe je daar niks mee. Toch wilde ik die gegevens niet kwijt toen ik met Facebook stopte. Dus heb ik al die linkjes gekopieerd en in excel opgeslagen. Vervolgens heb ik er jaren niks mee gedaan, tot ik op een gegeven moment dacht, hier ga ik toch iets mee doen.’

    ‘Eerst waren het de links, toen dacht ik aan de headlines die aan die linkjes vasthangen. Zo werden ze allemaal geopend en werd het een tijdsbeeld van 2015/’16/’17. Daar zat een vrij sterk beeld van Metoo in bijvoorbeeld. Ik vond het interessant te zien hoe er in zo’n korte tijd, zoveel veranderd is.’

    ‘Daarom vond ik het belangrijk en passend, ook al was het niet dezelfde periode waarin ik aan dit boek werkte, het toch te gebruiken. Als een soort tijdsprong. Net als met mijn oude gedichten, daar kan ik op een gegeven moment ook iets mee.’


    Alles wat je hebt vastgelegd en is opgenomen in dit boek heeft een bepaalde urgentie van ik moet/wil hier iets mee. Hoe werkt die drang om te noteren in het dagelijkse leven?

    ‘Ik ben constant dingen aan het opschrijven, zeker nu ik in de ambtelijke wereld werk. Die ambtelijke terminologie vind ik heerlijk. Die zal ik zeker in een volgende dichtbundel gebruiken. Er is altijd een tweede spoor dat bij mij open staat. Ik sta altijd aan voor woorden, teksten.’ 


    Er is een memoir over de Amerikaanse auteur Kevin Killian, ‘Mijn Kevin, ons Parijs’, in het boek opgenomen. Een zeer persoonlijk document, waaruit grote bewondering voor deze auteur spreekt en gaat over de verwerking van diens dood, waarin Alkema zichzelf ‘een gênante nabestaande.’ noemt.
    ‘Kevin was als New Narrative writer voor mij een soort mentor. We hebben elkaar een paar keer ontmoet’ 


    Er staat een stuk in het boek waarin je schrijft over je opname op een psychiatrische afdeling. In een recensie voor het NRC van de bundel Is daar iemand van Micha Hamel (over zijn opname), liet je al eens terloops weten dat je zelf ook opgenomen bent geweest. Je bent daar vrij open over.

    ‘Vanaf dag één van mijn opname heb ik alles vastgelegd in een dagboek. Wetend dat ik hier iets mee wilde. Ik wilde begrijpen hoe angst werkt, hoe schaamte werkt, dat wilde ik doorgronden. Toch vond ik het spannend dit openbaar te maken.
    Wat ik ook heb opgenomen is een deel van de rapportage over mijn gedrag. Therapeuten moesten alles rapporteren en als patiënt had je het recht die rapportage in te zien. Dat bewerkstelligde wel dat patiënten zich gingen gedragen zoals gewenst was. Daardoor gingen ze zich bij een sessie zelf censureren. Voor mezelf had ik besloten die rapportage pas achteraf te lezen. Want ik heb ook sterk die neiging, uit angst om wat ze over me zouden kunnen zeggen. Ik kreeg het advies om me als een puber te gaan gedragen, onredelijk, als een etterbak. Dus het was echt muurtjes afbreken, sociale barrières overwinnen.’ 


    Zou je kunnen zeggen dat je je angsten en schaamte in de bek gekeken hebt?

    ‘Jazeker. Na de opname die ik beschrijf, is er nog een vervolgtraject geweest van acht maanden. Elke woensdag de hele dag therapie en dan de andere dagen om te oefenen, het zelf te proberen. Het gaat nu goed, angst en schaamte zijn flink afgenomen. Soms denk ik, ben ik dat? Natuurlijk zijn er mindere dagen, zoals iedereen die wel heeft.’


    Heb je veel gelezen in die periode?

    ‘Tijdens de opname vond ik het fijn om me terug te trekken om te lezen. Ik ontdekte veel vrouwen die over gekte hebben geschreven. Virginia Woolf, Astrid Roemer, Sylvia Plath, The Bell Jar. Lezen was een manier om mezelf te spiegelen. Uit The Bell Jar, over iemand die is opgenomen, is ook een citaat in het boek terechtgekomen.’


    Wat komt er na dit boek?

    ‘Ik heb het plan om elke tien jaar zo’n boek uit te brengen. En dan is er nog mijn dichtwerk, waar ik alweer mee bezig ben.’

     

     

    Auteursfoto: Jared Meijer


     

     

     

     

     

     

     

    Bewogen Selfies / Obe Alkema / 256 blz. / Het Balanseer

     

     

     

  • Een kamer voor jezelf en geld om te kunnen schrijven

    Een kamer voor jezelf en geld om te kunnen schrijven

     

    Fien Veldman (1990) studeerde literatuurwetenschappen en schreef meerdere essays over het thema klassenongelijkheid. In 2021 won ze de Joost Zwagerman Essayprijs met ‘Not really making it’. Een essay over een zedenzaak in een achterstandswijk in Leeuwarden waar zij zelf opgroeide. Deze zomer verscheen van haar het essay, ‘In onze maatschappij word je nooit een kwartje – hooguit een dubbeltje op een andere plek’ in het NRC.

    Als kind las Veldman van alles door elkaar. Vanaf haar twintigste, toen ze Literatuurwetenschappen ging studeren, kwamen de klassiekers aan de beurt. Aan het eind van haar studie begon ze te schrijven voor verhalenwedstrijden om wat geld te verdienen. Ze won verschillende prijzen en ontdekte dat schrijven ook een loopbaan kon zijn. Daarna won ze twee belangrijke essayprijzen, met een behoorlijke geldprijs waardoor ze tijd kon vrijmaken om te schrijven. 

    ‘Virginia Woolf schreef ‘A room of one’s own’, waarmee ze meer bedoelde dan alleen die kamer voor jezelf. Eigenlijk zei ze, je hebt een kamer én geld voor jezelf nodig. En dat besefte ik wel, dat ik geld nodig heb om te kunnen schrijven. De Elise Mathilde-prijs was een enorme gift [10.000 euro] waardoor ik ruimte zag om me met schrijven bezig te houden.’

    Dit jaar debuteerde Fien Veldman met de roman Xerox als prozaschrijver. Een roman over een jonge vrouw die van onderaf de maatschappelijke ladder beklimt. Komend vanuit een achterstandswijk valt dat nog niet mee. Ze werkt als klantenservicemedewerker bij een kantoor in een niet nader genoemde stad. Het motto in haar werk tot nu toe is dat opgroeien in een achterstandswijk je hele verdere leven op achterstand stelt. Een zwaar thema, maar luchtig en met humor verteld.


    Wat wilde je laten zien?

    ‘Ik wilde het kantoorleven laten zien door de ogen van iemand die zich niet naar de gangbare, gewone wereld kan voegen. Voor iemand die deel uitmaakt van de middenklasse, is het niet denkbaar dat een ander bepaalde omgangsvormen en codes niet begrijpt.’ 

    De naamloze jonge vrouw lijkt op het eerste gezicht het type ‘loser’, maar blijkt een scherp observeerder van het menselijk onvermogen en heeft een nogal kritische, soms ronduit botte mening over haar collega’s, maar sluit zonder bedenkingen vriendschap met een vuilnisman. Wat zij belangrijk vindt, zijn niet de behoeften van haar collega’s die tot de ‘havermelkelite’ gerekend kunnen worden. Ze is niet ambitieus en bekritiseert elke ambitie bij anderen. Haar printer is het enige waarmee ze communiceert. Daar is een heel hoofdstuk aan gewijd, aan de gedachten en meningen van de printer. Over haar baan denkt ze, ‘Wat als ik rijk was geweest? Dan had ik deze baan nooit gehad. Dan was het niet eens in me opgekomen dat dit werk bestond.’ Het besef dat de ene klasse niet voor de andere klasse bestaat hakt er dan wel in. 


    Wat is ze voor iemand?

    ‘Ze komt in een wereld terecht die ze niet begrijpt en die veel weg heeft van leeg consumentisme. Mensen die elkaar vertellen hoe belangrijk ze zijn op de werkvloer, maar inhoudelijk weinig te bieden hebben. Klassenmigratie betekent dat je je bewust bent van alles om je heen: dat je let op alle sociale regels die je niet van huis uit hebt meegekregen. Dat je je in het concertgebouw moet aanpassen aan de cultuur die daar heerst. Daar wordt op een stille manier gesproken, er wordt bepaalde kleding gedragen en het drankje is bij de toegangsprijs inbegrepen terwijl jij je consumptie wilt afrekenen. Kleine details waar je niets van weet. Niemand gaat het je leren, dus je wordt je er hyperbewust van hoe de anderen het doen. Dat geldt ook voor mensen uit een andere cultuur, er is een kloof die ze zelf moeten dichten.’ 

    Ze functioneert niet in haar baan, wordt op non-actief gesteld en uiteindelijk ontslagen. Dan gebeurt er iets waardoor het verhaal kantelt. Als ze op kantoor is geweest om haar ontslag te ondertekenen, besluit ze bij het verlaten van het pand haar printer mee te nemen. Ze zoekt hem in een opberghok. Ze sluipt door het gebouw en als ze bij het berghok is aangekomen, denkt ze: ‘Nog twee stappen, dan ben ik de Styx overgestoken.’ 


    Wat gebeurt daar?

    ‘Ze leeft erg in een onder- en bovenwereld, op de grens daarvan. Ze steekt de Styx over om in een ander universum te komen. Na haar ontslag denkt ze: dit is mijn transformatieve moment. Daar zit ook de beweging in dat ze actief moet meedoen en niet alles maar over zich heen moet laten komen.’ 


    In zowel het boek als het essay is er sprake van een verdwenen meisje, van seksueel misbruik. Is het boek ontstaan vanuit het essay ‘Not really making it’?

    ‘Het was eigenlijk andersom. In 2019 begon ik aantekeningen voor het boek te maken en in 2020 begon ik eraan te schrijven. Er zit wel eenzelfde thematiek in: sociale klasse en hoe je omgaat met je sociale achtergrond. Ik wilde het vooral hebben over hoe iemands sociale klasse doorwerkt in haar volwassen leven. 

    Ik wilde me niet verplicht voelen recht te moeten doen aan de waarheid, aan wat er echt gebeurd is in mijn eigen bestaan. Om scherper naar mijn personage te kunnen kijken, moest ik daarvan loskomen. Ik wilde geen autobiografisch verhaal schrijven, maar ik moest wel iets met dat verhaal om het uit mijn systeem te krijgen, dat het uit mijn schrijven zou verdwijnen. Zodat ik daarna helemaal op de fictieve toer kon gaan voor dit boek. Daarom schreef ik eerst het essay.’

    De personages zijn naamloos of worden genoemd naar hun functie, ‘marketing’, ‘sales’, ‘administratie’. Als iemand in het boek haar aanspreekt, staat er: ‘Hé [mijn naam].’ 


    Waarom wilde je het naamloos houden? 

    ‘Ik vond het belangrijk dat ze op een redelijk generieke manier beschreven wordt. Je weet ook niet hoe ze eruitziet, het zou eigenlijk iedereen kunnen zijn. Dat past wel bij de manier waarop zij zichzelf en de wereld ervaart. De wereld is vaag voor haar. Ze kan zich bijvoorbeeld ineens afvragen of het kantoor waar ze werkt wel echt bestaat. Alsof haar leven niet echt is.’ 

    Het boek opent met een citaat van Rilke: ‘Als er tussen de mensen en uzelf geen verbondenheid is, probeer dan de dingen nabij te zijn: zij zullen u niet in de steek laten.’ Het lijkt haar personage op het lijf geschreven.


    Kun je zeggen dat zij slachtoffer van haar eigen keuze is?

    ‘Ze staat wel heel ambivalent ten opzichte van de middenklasse omdat ze naar een wereld toe groeit die ze niet begrijpt. Ze is daardoor ook totaal niet ambitieus, waardoor ze geen aansluiting met haar collega’s vindt die wel willen opklimmen in hun werk. 


    Wat was je ingang tot het boek?

    ‘Het begon met de stem van het personage dat in mijn hoofd opkwam, haar innerlijk leven. Dat was de leidraad voor de rest van het verhaal. De manier waarop zij naar de wereld kijkt – ze is best arrogant, denkt alles beter door te hebben dan de rest – is een hele specifieke manier van kijken en daar had ik veel aan. Dat zorgde er ook voor dat het boek een bepaalde stijl heeft gekregen.’

    Op een dag wordt ze door een gemeentewerker met zijn vuilniswagentje aangereden. Het is een man zonder oordeel. Ze worden goede vrienden, hij is voor haar een soort heilige. ‘Ik had altijd al zo’n scène in mijn hoofd van een personage die langs een gracht loopt en wordt aangereden door een achteruitrijdend vuilniswagentje. Dat zag ik altijd al voor me – dat is een sleutelscène in iets wat ik ooit ga maken.’

    Er lopen verschillende verhaallijnen door het boek. De vriendschap met haar vriendin van vroeger, de buurt waar ze uit voortkomt, een printer als personage, een kwijtgeraakt pakketje, de vuilnisman. 


    Ontstonden die verhaallijnen tijdens het schrijven?

    ‘Gaandeweg ontdekte ik haar probleem door hoe ze tegen de printer praatte, dat was een teken dat ze sociaal niet meekomt. Dan wordt ze gediagnosticeerd met een burn-out en moet ze vrij nemen van haar baas. Ik volgde haar in hoe ze dacht en wat ze deed en daaruit volgden de scènes. Zoals de therapiesessies bij de bedrijfscoach die haar nogal voor de hand liggend advies geeft, maar haar niet echt helpt.’ 


    Is dat de huidige bedrijfsmentaliteit, een coach inhuren?

    ‘Startups met jonge mensen, millennialkantoren, hebben richting nodig en daar huren ze mensen voor in. Sommigen doen echt wel nuttig werk, maar vaak is het gewoon gebakken lucht, zijn het ervaringsdeskundigen die zelf weleens een burn-out hebben gehad. En dat er bij problemen altijd iemand moet worden ingehuurd om het geheel te begeleiden, is eigenlijk een trieste zaak, dat ze het niet intern kunnen oplossen.’


    Welke schrijvers hebben je geïnspireerd?

    ‘Tijdens het schrijven heb ik veel gelezen. Alle Faxen boeken van Mizee, om de manier waarop ze naar haar omgeving kijkt. Ook Het bureau van Voskuil heeft me geholpen bij het schrijven. En in de periode dat ik aantekeningen maakte voor het boek, las ik onder meer Jaag je ploeg over de botten van de doden van Olga Tokarczuk, met een geweldig personage dat zich heel anders tot de planten en dieren verhoudt dan de rest van de wereld.’ 


    Kreeg je uit je vroegere buurt reacties op je essay?

    ‘Er zijn vrienden uit die tijd die ik nog steeds zie. Ik heb het aan iedereen voorgelegd die erin voorkwamen en die ik nog kende, ze vonden het allemaal acceptabel dat ik ze erin schreef. Maar niet iedereen uit de buurt was er blij mee, sommige mensen zien het als een beledigend stuk. Het is natuurlijk ook geen rooskleurig beeld van de buurt, maar wel een realistisch beeld. Anderen vonden het juist heel goed dat ik zoiets aankaartte. Uiteindelijk is het in het belang van de kinderen die in zulke buurten opgroeien, je wilt ze net zoveel kansen geven als de kinderen die in Amsterdam-Zuid opgroeien.’ 

    ‘Ik had het nodig om een zo waar mogelijk verhaal te vertellen, terwijl veel mensen het fijner zouden vinden als ik dit verhaal in een positiever narratief zou gieten, dat ik mensen zou beschrijven als mensen met weinig kansen maar dat ze wél heel lief zijn voor hun kinderen, of de moeder van die en die was verslaafd aan alcohol, maar ze was wél heel leuk. Daar houd ik niet van, ik wil het zo eerlijk mogelijk vertellen.’

    ‘Mijn moeder heeft mijn boek twee keer gelezen. De eerste keer vond ze het grappig, maar bij de tweede lezing vond ze het eigenlijk een heel treurig verhaal.’

     

     

    Foto: Laila Cohen


     

     

     

     

     

     

     

    Xerox / Fien Veldman / 224 blz. / Atlas Contact

     

     

  • Literaire poging om het leven stil te laten staan

    Literaire poging om het leven stil te laten staan

    Waarom zou iemand anno 2023 de nieuwe uitgave van de vijfennegentig jaar geleden verschenen roman To the Lighthouse van Virginia Woolf willen recenseren? Voor een antwoord daarop was een verdieping in de receptiegeschiedenis van deze roman in Nederland nodig. Naar de vuurtoren is betrekkelijk laat naar het Nederlands vertaald; in 1981 door Jo Fiedeldij Dop. Sinds dat jaar zijn er vier andere drukken van deze vertaling verschenen, de laatste in 2020. De vertaling door Barbara de Lange is dus de tweede transfer van de klassieker naar het Nederlands en als zodanig verdient Naar de vuurtoren zeker kritische aandacht. 

    De vertaling is van een hoog niveau gezien de uitdaging van de stijl waarin Woolf schreef. De lange meanderende zinnen, onderbroken door aanhalingstekens en streepjes om de gedachtegangen en oprispingen van het gevoel van de personages weer te geven, zullen het het vertaalproces bemoeilijkt hebben. De Lange is er echter in geslaagd om een vertaling te maken die prettig leest en de oriëntatie van de lezer in de vele lange zinnen niet belemmert. De vertaalster kan ook geprezen worden voor haar omgang met de voetnoten: deze verduidelijken de intertekstuele verwijzingen, gelegd in de mond van personages, een verzameling Engelse intellectuelen, die er hun redes mee doorspekken. De voetnoten komen echter weer niet zo vaak voor dat de leeservaring er door verstoord wordt. 

    Meditatief lezen

    De ‘stream of consciousness’ waarmee de gedachten en gevoelens van de familie Ramsay en hun gasten weergegeven worden, zorgt ervoor dat het boek om een specifiek soort aandacht vraagt. De lezer moet zich focussen om te kunnen volgen door wiens bewustzijn de beschreven indrukken gefilterd worden. Tegelijkertijd wordt de aandacht steeds verlegd, golft van het ene personage naar het andere, zoals de zee rondom het eiland Skye waar de roman zich afspeelt.  Het lezen van deze roman kan met meditatie vergeleken worden omdat dit ook de focus doet vernauwen. Naar de vuurtoren is dan ook geen roman die zich laat lezen in een rumoerige trein, of slaperig in bed. 

    De aandacht die de roman vraagt, wordt echter rijkelijk beloond. Het bijzondere aan de personages zoals mevrouw Ramsay, de moeder van acht kinderen, Lily Briscoe, de schilderes, of William Bankes, de wetenschapper, is dat ze ontvankelijk zijn voor de geheimzinnige en bijzondere dingen in de  routineuze en alledaagse aspecten van het leven, zoals de natuur om hen heen, hun ervaringen. Ze stellen zich verwonderde vragen over de aard van eigen waarnemingen. ‘Wie weet wat we zijn, wat we voelen?’ Of over interpersoonlijke relaties. ‘Wie kan zelfs op het moment van vertrouwelijkheid weten: dit is iemand kennen?’ Dit kan ertoe leiden dat de lezer tijdens het lezen zelf ook meer aandacht opbrengt voor zijn eigen waarnemingen en de verbazingwekkende kanten van de schijnbare vanzelfsprekendheid van het bestaan. 

    Mevrouw Ramsay het middelpunt

    Hoofdpersonage mevrouw Ramsay vormt het centrum waaromheen de structuur van de roman is gebouwd. Zij is de kern om wie alle andere personages draaien, die het thuisgevoel voor haar kinderen en man creëert. Door de ogen van het zesjarige zoontje James wordt de volgende scène van woordeloze communicatie tussen zijn moeder en vader verbeeld: ‘Hij moest de verzekering krijgen dat ook hij in het hart van het leven had geleefd; nodig was […]. Flitsend met haar naalden, zelfverzekerd, met rechte rug, schiep ze zitkamer en keuken, vulde ze alle met licht; nodigde hem uit om zich daar te ontspannen, in en uit te lopen, te genieten.’

    In het derde deel van de roman die zich tien jaar na het eerste deel afspeelt, vormt mevrouw Ramsay nog steeds het middelpunt, ook al is ze inmiddels overleden. De meeste personages uit deel een komen weer terug naar Skye en herleven betekenisvolle momenten van tien jaar geleden. De focus in het derde deel vloeit heen en weer tussen meneer Ramsay, zijn jongste kinderen op een boot op weg naar de vuurtoren, en Lily Briscoe die bij de zee schildert. De gedachten van Lily cirkelen rondom haar herinneringen aan mevrouw Ramsay, die voor haar de schakel vormt die alle aanwezige mensen in het huis met elkaar verbond. 

    ‘Wanneer ze aan haarzelf en Charles met die keilende steentjes dacht, en aan dat hele tafereel op het strand, leek het allemaal vaag afhankelijk van mevrouw Ramsay […] ze voegde dit en dat en nog wat samen, en vormde op die manier […] iets – dat tafereel op het strand bijvoorbeeld, dat moment van vriendschap en genegenheid – wat overeind bleef, na al die jaren intact.’

    Het monument dat Virginia Woolf met woorden heeft opgericht voor deze vrouw die in sommige opzichten op haar moeder en in andere op haarzelf lijkt, heeft na vijfennegentig jaar niets van haar betoverende kracht verloren. Deze poging om de eeuwige, universele vragen naar de betekenis van het leven vast te leggen, voelt vandaag nog steeds relevant. Het hoopvolle geloof in de kracht en het vermogen van kunst om dat te doen waarvan de roman doordrongen is, voelt als verfrissende tegenhanger voor de sceptici van vandaag. 

     

  • Deze schrijver

    Deze schrijver

    Bij gebrek aan ‘Boekenmendel’, uit het gelijknamige verhaal van Stefan Zweig over de joodse boekensjacheraar, een levend lexicon ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, google ik naar informatie over Kees Verheul. Op wikipedia vond ik een tiental publicaties en vertalingen. En een recensie van T. van Deel over Villa Bermond, deel l van de romancyclus De Tutcheffs.

    Het begon met Tirade die laatst op de deurmat viel, een vrij dunne, maar evengoed met een keur aan bijdragen die niet onderdoen voor een doos exquise bonbons (er is even niets anders bij de hand). Een prozastuk van Delphine Lecompte, ‘Frauke naast de composthoop’, brengt smaken van herkenning door de ‘chagrijnige vroedvrouw’, ‘blinde beiaardier’, ‘weergaloze bietenboer’, ingezet om Frauke, die Lecompte een nier wil aftroggelen, te weerstaan. Er is een prachtig essay van Sander Kollaards over De jaren van Virginia Woolf, dat ik natuurlijk zelf had willen schrijven. Ik las zijn ‘Woolfiaanse choreografie’.

    Wat vindt Kollaard van De jaren van Woolf? Hij vindt het samen met Mrs Dalloway, een paar essays het beste wat hij van Woolf las. In de autobiografie van Leonard Woolf las Kollaard dat hij De jaren geen goed boek vond, maar omdat het Woolf jaren had gekost het te schrijven en Leonard bang was dat ze eraan onderdoor zou gaan, liet hij zich lovend uit over het boek. ‘Zonder de lof van Leonard zou ze het boek denk ik hebben vernietigd en daarmee zichzelf’, schrijft Kollaard. Zijn mooiste oordeel over het boek is wat het spiegelt, ‘de afgronden die steeds weer opengaan tussen mensen, zonder dat ze het willen, (…) en waarin wat er was aan liefde, intimiteit, vriendschap, oprechtheid, (…) kennelijk gedoemd is te verdwijnen.’ Dan Kees Verheul (1940), schrijver, slavist, vertaler, essayist, ik kende hem niet. Zijn bijdrage, ‘De Tutcheffs’, ondertitel: ‘mensen zonder kinderen, notities voor een roman’, is een hernieuwd oppakken van de romancyclus die hij in 1992 begon en in 2006 moest laten liggen omdat hij kanker kreeg. Nadat hij genezen was, werd hij mantelzorger voor zijn man, Kees Smit die aan alzheimer leed.

    Over hun tweeënvijftig jaar samenleven schrijft Verheul, ‘Geen enkel boek, geen krantenartikel ging ter publicatie de deur uit voordat Kees de tekst gelezen en bekritiseerd had.’ Buiten dat hij zijn meelezer mist, is ook zijn schrijven zelf veranderd. Zijn woordkeus, het tempo van zijn zinnen. Er zit niets anders op, ‘mij schikken naar wat ik als tachtiger kan’. ‘Je est un autre – ik is een ander’, zou Verheul als devies boven zijn ‘Uiteindelijk wel of niet voltooide vierluik’ willen zetten. Denkend aan Rimbaud die in mei 1871 ‘deze subliem ongrammaticale zin bedacht’, nog maar zestien was. Waarna de tekst van deel lll begint, lees die tekst in Tirade 487.
    T. van Deel schreef in 1992, ‘Het autobiografische schrijven van Verheul heeft met Villa Bermond een imposante vernieuwing ondergaan. De intensiteit, waarmee hij ‘verzinsels’ (…) vermengd met de nauwkeurige herschepping van de eigen jeugd, maakt grote indruk.’ Inderdaad, grote indruk! Ik vond Kees Verheul in een literair tijdschrift, nu zijn boeken nog. Iemand?

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

  • Fotosynthese 24 – Kippendichteres uit Massachussetts

    Fotosynthese 24 – Kippendichteres uit Massachussetts

     

    Een klik op de foto toont de (actuele) achtergrondfoto in zijn geheel.


    Sander Kollaard won de Libris Literatuurprijs 2020 met Uit het leven van een hond. Toen ik deze roman over het baasje van hond Schurk las, gingen mijn gedachten uit naar andere boeken met een prominente rol voor een hond. Reizen met Charley van John Steinbeck, Flush van Virginia Woolf, De staart van Patricia de Martelaere, Het complete Rekelboek van Koos van Zomeren, en Mijn leven met Tikker van Jan Siebelink. Er waren jaren dat ik dieren uit de geschiedenis en de literatuur verzamelde in een schriftje. Alleen paarden en honden – je moet ergens een grens trekken. Mijn schriftje groeide uit tot een indrukwekkende mini-encyclopedie, maar alle inspanning die ik erin heb gestoken bleek verspilde energie toen het door internet steeds makkelijker werd om lijsten en collecties aan te leggen.

    Het schriftje is al decennia kwijt en bij lezing van Kollaards boek smoorde ik mijn  neiging om de opsomming hierboven uit te breiden onmiddellijk in de kiem. Toch bracht deze foto opnieuw en met weemoed mijn oude ‘hobby’ in herinnering. Nee, kippen heb ik nooit verzameld. Buiten de honden en paarden zijn er in de marge van mijn geheugen alleen anekdotische dieren blijven hangen. De kat Hodge van Johnson waarvoor zijn baasje  (volgens zijn biograaf James Boswell), speciaal oesters ging kopen. En de goudvis die Gabriele d’Annunzio in een hotel aantrof en Adolphus doopte. Toen hij later vernam dat de vis het loodje had gelegd liet hij hem in de tuin van het hotel begraven om er even later zijn tranen op de laatste rustplaats te komen plengen. D’Annuzio schijnt trouwens boeken te hebben laten drukken op rubber zodat hij ze kon lezen als hij gezellig met zijn eigen goudvis in bad ging.

    Excentriek geval

    De foto verhaalt van een nog excentrieker geval. De kippen vielen me meteen op, en toen ik in het bijschrift las dat het hier ging om ‘the chicken poet of Massachussetts’, kon ik mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Een kippendichter? Ik moest denken aan Gerrit Komrij, die graag vertelde dat hij in 1944 in een kippenhok was geboren waarin zijn ouders voor luchtaanvallen waren weggekropen. Maar zijn gedichten zijn niet vergeven van hoenderachtigen. De kippendichter blijkt Nancy Luce te heten. Wikipedia keurt haar een intrigerend lemma waardig, alleen in het Engels én – hoe merkwaardig – in het Arabisch. Nancy Luce (1811-1890) werd geboren op het eiland Martha’s Vineyard, ten zuiden van Cape Cod, dat een paar honderd jaar extreem veel doven telde. Is er over de hele wereld één op de zesduizend mensen doof, op dit eiland was het er één op de honderdvijftien. Dat hadden de Vineyarders te danken aan een voorvader die de aandoening generaties lang in zijn genen doorgaf. De doven leerden met elkaar communiceren door een geheel eigen gebarentaal te ontwikkelen.

    De gelovige gemeenschap op het eiland kende grote gezinnen, maar de ouders van Nancy, Philip en Anna, hadden het door hun zwakke gezondheid bij één dochter moeten houden. Toen Nancy een eind in de twintig  was waren haar ouders zo verzwakt dat ze in haar eentje hun boerenbedrijfje voortzette. Zoveel stelde dat niet voor: ze hield kippen, molk een koe en een geit en verbouwde groenten. Ik ken ook een foto van die boerderij: die was, inclusief woongedeelte, niet groter dan een schuurtje. Toen haar beide ouders kort na elkaar stierven probeerden buurtbewoners haar onder curatele te laten stellen wegens krankzinnigheid. Waarschijnlijk zat daar hebzucht achter: (boeren roken een kans om hun erf uit te breiden met het perceel van wijlen Nancy’s ouders), want volgens de geraadpleegde arts was Nancy voldoende compos mentis. (Nancy’s biograaf Walter Teller veronderstelde dat ze aan neurasthenie, een zenuwzwakte, moet hebben geleden).

    Naamlijst voor kippen

    Nancy bleef haar verdere leven alleen met haar dieren. Die kregen allemaal een naam. De koe die ze in een achterkamer hield, heette Susannah Allen. Een naamlijst van haar kippen vormt een eigenaardig klankspel dat is weer te geven als een sonnet en vermoedelijk zijn de namen een mengeling van Engels en het dialect van de Wampanoag-indianen die er in Nancy’s tijd nog woonden:

    teedie lete,
    phebea peadeo,
    letoogie tickling,
    jaatie jafy, 

    reanty fyfante,
    speackekey lepurlyo,
    pondy lily,
    kalallyphe roseiekey, 

    tealsay mebloomie,
    levendy ludandy,
    appe kaleanyo, 

    meleany teatolly,
    aterryryree roseendy,
    vailatee pinkoatie.

    Nancy dichtte over de zonden der aarde, over God, over de wonderen der natuur. En over haar kippen. Elke hen die doodging kon rekenen op een grafsteen en een treurdicht met al haar namen en troetelnamen. Zoals in het volgende (vrij vertaalde) fragment over Tweedle-Tedel-Beebe-Pinky. De kip stierf, zo tekent Nancy aan, in haar armen op 19 juni 1871 om kwart over zeven ’s avonds op de leeftijd van vier jaar. 

    Arme lieve hartje,
    Pijn brak haar,
    En ik blijf achter met een gebroken hart
    Zij was mijn eigen hart
    Ze was slimmer dan zomaar iemand
    Ze is ontkomen aan het kwaad dat nog wacht.

    Zij die me hebben gekend, kennen – me – niet – langer,
    Alles komt aan zijn eind
    En zij, en ik, zullen elkaar weerzien in de hemel.

    Selfie avant la lettre

    Haar gedichten werden niet overgeleverd vanwege hoge literaire kwaliteiten maar vanwege de bijzonderheid van de auteur. Nancy zorgde zelf voor die publiciteit. Ze liet van de gedichten dunne boekjes drukken die ze aan voorbijgangers verkocht. Die kwamen in steeds grotere getale en de grafstenen voor de kippen groeiden uit tot een toeristische attractie. Bij die boekjes was ook deze foto van Nancy met haar kippen Ada Queetie en Beauty Linna te koop, een soort selfie avant la lettre. 

    Na haar dood ontfermden bewonderaars zich over haar erfenis. De gedichten, de grafstenen van de kippen, haar brieven en krantenartikelen over het houden van pluimvee, alles is bewaard gebleven in een klein museum in Edgartown op Martha’s Vineyard. Ze zit er zelf ook, een wassen beeld met hoofddoek, zoals op de foto. Iets verderop, in West Tisbury, staat haar eigen zerk, erbovenop een stenen kip. Eromheen kippen en kuikens van steen, plastic en rubber die er jaarlijks op haar sterfdag door toeristen worden neergelegd.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • Een kleine veldtocht over ziekte in de literatuur

    Een kleine veldtocht over ziekte in de literatuur

    Gezien het feit dat een ieder van ons vroeg of laat, persoonlijk of van dichtbij te maken krijgt met ziekte, is het als je erover nadenkt bijzonder dat ziekte als literair thema niet even vaak voorkomt als bijvoorbeeld liefde, jaloezie en macht. Helemaal ongebruikt is het thema evenmin, getuige recente titels als Welkom in het rijk der zieken van Hanna Bervoets, Veldheer Banner van Marie Kessels en Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers dat de Libris Literatuurprijs 2021 won. Vanwege de Covid-19 pandemie zijn ziekte en de consequenties daarvan onderwerp van gesprek geworden in alle lagen van de maatschappij. De essaybundel Over ziek zijn verschijnt dus op het juiste moment.

    Uitgeverij HetMoet heeft het door de Britse schrijfster en feminist Virginia Woolf (1882-1941) geschreven essay On being ill, dat bijna honderd jaar geleden voor het eerst verscheen, uitgebracht in een vertaling van Monique ter Berg. Naast het werk van Woolf zijn er in de bundel bijdragen van drie hedendaagse schrijvers te vinden. De in 1968 geboren Britse dichter Deryn Rees-Jones schreef het voorwoord (ook vertaald door Monique ter Berg), de Nederlandse schrijver en dichter Lieke Marsman (1990) en de eveneens uit Nederland afkomstige letterkundige en dichter Mieke van Zonneveld (1989) beschrijven hoe het is om getroffen te worden door ziekte en welke weerslag dat heeft gehad op hun leven.

    In het voorwoord van Over ziek zijn beschrijft Deryn Rees-Jones hoe ze na haar besmetting met Covid-19 veel herkenning vond in het werk van Woolf, en dan met name in het essay On being ill. Ze vergelijkt haar langdurige tijd van ziek zijn met een ‘logé die niet alleen mijn ruimte innam maar ook mijn onmacht aan het licht bracht’ en wordt er al lezend aan herinnerd dat er eigenlijk geen scherp onderscheid bestaat tussen ziek en gezond. We zijn immers allemaal stervelingen. 

    Ongekende dimensies

    Na dit prachtig geschreven voorwoord word je als lezer vervolgens omvergeblazen door de tekst van Virginia Woolf, die in haar eerste volzin van een halve pagina lang uiteenzet dat ziekte ongekende dimensies in ons leven kan losmaken. In de literatuur is daar volgens Woolf (te) weinig aandacht voor; schrijvers hebben het hoofdzakelijk over het doen en laten van de geest, terwijl ‘de grote oorlogen die het lichaam met de geest als zijn slaaf in de eenzaamheid van de slaapkamer tegen een koortsaanval of opkomende zwaarmoedigheid voert, worden genegeerd.’ Woolf schreef het essay in 1925, tijdens heftige periodes van allerlei lichamelijke en psychische kwalen. Ze schrijft in diezelfde tijd ook aan een aantal romans waarin ze de thema’s ziekte en de ruimte die ziek zijn in een leven teweegbrengt aansnijdt. Volgens Woolf maakt ziekte het bijvoorbeeld mogelijk om ‘in een gedicht te kruipen’, omdat ziek zijn bij het lezen en waarnemen een zintuiglijke reactie uitlokt. Daarnaast gaat ziekte volgens haar samen met een kinderlijke openhartigheid.

    Het leven van Woolf werd enorm gekleurd door ziekte en lijden, zowel fysiek als psychisch; ze had bijvoorbeeld op haar dertiende al voor het eerst een zenuwinzinking. Met de kennis van nu wordt gesteld dat ze waarschijnlijk een bipolaire stoornis had, ontwikkeld als gevolg van seksueel misbruik in haar jeugd. Deze toen nog onbekende ziekte kreeg zozeer de overhand dat ze in 1941 zelfmoord pleegde. Tijdens periodes van ziek zijn wendde Woolf zich bij voorkeur tot de dichters. Patiënten hebben volgens haar immers geen zin in de lange ‘veldtocht’ die proza vergt.

    De Hel

    Lieke Marsman schreef het essay Hoe gaat het met je? Ze beschrijft daarin hoe ze als jonge twintiger na een jaar van toenemende klachten geconfronteerd wordt met de diagnose van een kwaadaardige tumor in haar schouder. Haar eerste reactie daarop is opluchting; er is echt iets aan de hand. Vervolgens beschrijft ze hoe ze na haar operatie veel terugdenkt aan haar jeugd en zich verdiept in boeken (van Audre Lorde en Susan Sontag) waarin persoonlijk en emotioneel respectievelijk extreem rationeel omgegaan wordt met de diagnose kanker. Het stelt haar voor de vraag hoe zij zich gaat verhouden tot haar ziekte. ‘Zevenentwintigjarige lijven horen […] niet ziek te zijn, en als ze al ziek zijn, dan vanwege een of andere tropische ziekte opgelopen tijdens een wereldreis. Ervaar ik kanker als De Hel omdat ik dat echt zo voel of omdat dat nu eenmaal de reputatie van kanker is, al helemaal voor wie het op jonge leeftijd krijgt?’ 

    Ze ervaart haar herstelperiode als eenzaam en vindt afleiding in het beoefenen van maatschappijkritiek. Haar conclusie is dat in de bijstand belanden evenmin iets met pech te maken heeft als kanker krijgen. Ze beschrijft haar angsten voor het terugkomen van de ziekte, de voor haar noodzakelijke illusie dat ze invloed kan uitoefenen op haar ziekteproces, de treurige keerzijde van mantelzorg en het belang van de wezenlijke vraag: hoe gaat het met je?

    Niet de bedoeling

    In het laatste essay Gods ruïne van Mieke van Zonneveld (1989) kijkt de schrijfster jaren later terug op de periode na de diagnose van acute leukemie die ze op haar eenentwintigste kreeg. De feiten kan ze feilloos opdreunen. De emotionele achtbaan waarin ze na de diagnose terechtkwam kan ze moeilijker reconstrueren, alhoewel ze in het ziekenhuisbed steun vindt in haar Bijbelvaste opvoeding. ‘Wat mij troostte was een gedachte die op het eerste gezicht niet troostend lijkt. Ik meende dat de dood niet alleen iets akeligs was, met name voor nabestaanden, maar ook iets verkeerds. Het feit dat iedereen sterft – de grootste zekerheid die we hebben – leek me even onomstotelijk als ongewenst. Het leek me niet de bedoeling, althans, oorspronkelijk niet. Het moest het gevolg zijn van een val in ongenade en nu liepen we allemaal rond in een verkeerd want sterfelijk lichaam als een herinnering aan die val.’ Ze gaat eerbied voelen voor haar lichaam, ook al verkeert het in een erbarmelijke toestand en is het vervallen tot een ruïne. Ook Van Zonneveld ervaart steun in de literatuur wanneer ze op zoek gaat naar het thema vreugde, in de Bijbel en in werken van Chesterton, C.S. Lewis en Dostojewski. 

    ‘We read to know we are not alone’. Dit bekende citaat, toegeschreven aan de Iers-Britse schrijver C.S. Lewis, is op veel boeken van toepassing, maar in het geval van Over ziek zijn biedt de quote een extra dimensie. Tijdens de eenzame ervaring die ziekte vaak is kun je namelijk, hoewel lezen een solitaire bezigheid is, toch in ‘gesprek’ blijven met anderen, verbindingen leggen en daarin vrijheid ervaren, zo blijkt uit de essays. Als er al een minpunt genoemd zou moeten worden van Over ziek zijn, dan zou het de geringe omvang van het boek kunnen zijn; het telt slechts een krappe tachtig bladzijden. Indachtig de voorkeur van Woolf om zich bij ziekte bij voorkeur niet te wagen aan de ‘veldtocht’ die een roman kan zijn hoeft de omvang echter geen nadeel te zijn. Het is zeer wel mogelijk dat lezers dezelfde afleiding en troost in dit werk zullen vinden die de verschillende schrijfsters van de essays op hun beurt ook gezocht en gevonden hebben in de literatuur.

     

  • Nieuwe woning

    Nieuwe woning

    Toen ook de jongste dochter het ouderlijk huis verliet, begonnen de kamers van de kinderen één voor één het herkenbare, persoonlijke stempel kwijt te raken dat elk kind erop gedrukt had; ze veranderden in logeerkamer of opslagruimte voor achtergelaten spullen. Ik dacht weer aan A room of one’s own van Virginia Woolf. Ik wilde al zo lang een kamer voor mezelf; we besloten dat een van de verlaten kamers voortaan van mij zou zijn. Het werd die met het mooiste uitzicht, aan de achterkant van ons huis, waar ik ’s morgens heel vroeg kon zien hoe de opkomende zon de mist verjoeg die over de groene velden hing.

    Ik koos de kleur die de muren zouden krijgen en de deur, ik tekende een plattegrond van hoe de kamer eruit zou moeten zien. Ik vertelde mijn man, die beloofd had boekenkasten te maken, hoe ik ze het liefste wilde hebben: het aantal, de hoogte en de afmetingen van de ruimte tussen de planken. En aan het eind van elke dag werd de kamer steeds een beetje meer van mij: er kwam een bureau te staan, een schommelstoel, een goede leeslamp, en verder boeken, boeken, boeken aan alle kanten om me heen. Ik had die kamer nodig. Hier kon ik ademhalen als het tumult van de dag dreigde te verhinderen dat ik de stilte kon horen. Hier kon ik me terugtrekken als ik daar behoefte aan had. Hier kon ik alleen zijn met wat Rilke ‘meine heilige Einsamkeit’ noemde. Hier was ik gelukkig, heel wat gelukkiger dan de vrouw die slechts een geparkeerde auto tot haar beschikking had om even alleen te kunnen zijn. Voor haar had Hannes Meinkema het volgende gedicht geschreven:

    Eventjes

    – voor Maja –

    ik ga eventjes werken zegt ze tegen de kinderen
    eventjes
    moeten jullie me niet storen

    en de precieze beelden die ze maakt
    zijn de schrijnende en
    levenslange
    brons geworden veelheid van gevoel
    van iemand die als ze het niet langer uithoudt
    eventjes
    in de auto voor de deur alleen moet zitten zijn.


    Toen een vriendin van me verhuisd was, nodigde ze me uit om te komen kijken naar de nieuwe woning. Ze gaf me, samen met haar man, een rondleiding door het hele huis. Het was inderdaad prachtig geworden, om jaloers op te zijn. In het souterrain deed haar man een deur open en zei dat deze kamer speciaal voor zijn vrouw was. Toen ik nieuwsgierig naar binnen keek – zou ze ook zo veel boekenkasten hebben als ik? – zag ik een wasmachine, een wasdroger, een strijkplank met daarop een strijkijzer en twee wasmanden. Handig, zei haar man, om alles bij elkaar te hebben, dan kon ze alles achter elkaar in dezelfde ruimte afwerken. Zijn vrouw knikte, maar niet heel enthousiast. Ik ben nog mee naar buiten gegaan om de tuin te bewonderen, maar ondanks hun aandringen ben ik niet gebleven voor het eten. Ik wilde naar huis, naar mijn eigen kamer, naar mijn man, om hem te vertellen dat ik van hem hield.

     

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Bevochten vrouwenrollen begin twintigste eeuw

    Bevochten vrouwenrollen begin twintigste eeuw

    Nacht en dag (1919), de tweede roman van Virginia Woolf, vertelt op het eerste gezicht het geijkte verhaal van een aantal mensen die door onhandige keuzes en ongelukkig toeval in een precaire situatie terechtkomen waaruit geen uitweg mogelijk lijkt. Maar ondanks dat particuliere verhaal is Nacht en dag vooral ook maatschappijkritisch van ondertoon. In de nieuwe vertaling van Barbara de Lange is de roman honderd jaar later nog even relevant. 

    Mary Datchet, een overtuigd feministe, valt voor een man die haar niet ziet staan, advocaat Ralph Denham. Ralph heeft sterke gevoelens voor een ander, de knappe maar ondoorgrondelijke Katherine Hilbery, die uit een gegoede intellectuele familie komt. Katherine verlooft zich op haar beurt met William Rodney, een pseudopoëet die nogal vol is van zichzelf, en William wordt nog tijdens hun verlovingsperiode hopeloos verliefd op Katherines nichtje, Cassandra Otway – met alle pijnlijke én komische gevolgen van dien. Klinkende porseleinen theekopjes, de grauwe straten en gehorige huizen van Londen en de typisch Britse omgangsvormen waarachter zoveel meer schuilgaat dan alleen beleefdheid, nuffigheid of ongemak maken Nacht en dag een karakterstudie en zedenschets ineen.

    Vals ideaalbeeld

    De onbegrepen liefdes, vileine grappen en talloze (thee)visites aan familie en kennissen doen denken aan Jane Austens Trots en vooroordeel, met als significant verschil dat daar, ondanks alle verwikkelingen, uiteindelijk toch het geluk zegeviert. Waar Elizabeth Bennet Fitzwilliam Darcy eerst veracht, moet ook Katherine Hilbery aanvankelijk niets van Ralph Denham weten. Keer op keer schatten ze de gevoelens van de ander verkeerd in. Maar als Katherine en Ralph elkaar uiteindelijk toch naderen, probeert Katherine de betovering tussen hen beiden te verbreken. Ralphs liefde is haars inziens een idee-fixe; geen echte verliefdheid, maar eerder het nastreven van een vals ideaalbeeld van de voor hem perfecte vrouw. Daardoor blijft er, ondanks het toch min of meer geruststellende einde, slechts een voorzichtig sprankje hoop op een goede afloop achter bij de lezer.

    Contrasten in personages

    Nacht en dag is uitgesponnen, maar nooit saai. Dat is onder meer te danken aan de diepte van Woolfs personages. Ze vertonen grote contrasten, zowel innerlijk als uiterlijk. Katherine Hilbery, met haar rationele, ongenaakbare uitstraling en rijzige schoonheid, verschilt als dag en nacht van haar nichtje Cassandra Otway (een speaking name), die lijkt op een frêle Française en haar aandacht nooit lang op één persoon, gesprek of hobby  kan vestigen. ‘De nichten leken samen een heel scala voortreffelijke eigenschappen te bezitten die nooit in één persoon verenigd en zelfs zelden in een handvol mensen bij elkaar wordt aangetroffen,’ schrijft Woolf, spottend haast. Ralph Denham is advocaat, schrijft zo nu en dan journalistieke stukken en draagt zorg voor zijn moeder, een weduwe, en zijn broers en zussen. Hij is het tegenbeeld van William Rodney, de onaantrekkelijke dichter met literaire ambities die Denham in de hitte van hun “strijd” om Katherines liefde bestempelt als een ‘veinzende, ijdele, bizarre fat’. Toch vervalt Woolf nergens in flat characters. Het scherpe contrast dient een doel, het serveert de lezer steeds een andere veronderstelde werkelijkheid, bezien en bevraagd door de afzonderlijke hoofdpersonages, en bewerkstelligt uiteindelijk compassie met hen die elk op hun eigen manier twijfelen over de zin van het bestaan.

    Karakterontwikkeling

    Woolf dwingt haar lezer zich onder te dompelen in hun psyche. Met scherpe blik en psychologische diepgang schetst ze de mechanismen die schuilgaan achter een handbeweging, het voorbereiden van de theebijeenkomst of de overdenkingen tijdens een namiddagwandeling. Elk gebaar, elke uitspraak is in het licht van hun eigenschappen volkomen geloofwaardig. Woolf kent haar personages als waren ze haar kinderen, maar spaart ze niet. Het uitgebreide onderzoek dat waarschijnlijk aan de karakteriseringen vooraf is gegaan legitimeert de soms wijdlopige stijl. De enige kanttekening is de dramatische ironie. Bij voorbaat wéét je dat er iets mis zal gaan, en dat gaat het dan ook. De uitgebreide innerlijke dialogen zijn dan eigenlijk overbodig. Als je als lezer al weet dat een handeling onherroepelijk ergens toe zal leiden is de gedachtestroom die daaraan voorafgaat minder boeiend. Maar omdat de karakterontwikkeling misschien wel een van de belangrijkste pijlers van het verhaal is, is dit niet iets om Nacht en dag op af te rekenen. De gemene deler is dan ook de verandering die zich voltrekt als personages hun eigen gedrag beginnen te ontleden. Katherine zou zich bijvoorbeeld liever op de wiskunde storten dan tegen wil en dank de literaire nalatenschap van haar opa, de beroemde dichter Richard Alardyce, te editeren. Ralph wil zijn toga aan de wilgen hangen en een knus huisje kopen, ver van zijn familie. Uiteindelijk komt de rode draad van Katherines rationaliteit langzaam maar gestaag los als ze tegenstrijdige gevoelens ervaart. Ralph beseft hoeveel zijn familie eigenlijk voor hem betekent en hoe moeilijk het is om zijn verantwoordelijkheid naast zich neer te leggen.

    Onderhuidse borreling

    Woolfs analyse van en kritiek op de overkoepelende culturele ideeën en mores maken Nacht en dag een roman van grote sociale en maatschappelijke urgentie. Opvallend zijn de strikte sociale regels en de onderkoelde maar uiterst beleefde wijze waarop iedereen met elkaar omgaat in het Londen van het begin van de twintigste eeuw. Nooit verheft iemand zijn stem, nooit bevecht iemand zijn lot op het scherp van de snede, maar onderhuids borrelt er van alles. Uit de relaties die de personages aangaan spreekt bovendien een zekere voorwaardelijkheid. Of, zoals Katherine in gesprek met Mary constateert: ‘Misschien zijn onze affecties wel de afschaduwing van een idee, Mary. Misschien bestaat er niet zoiets als affectie op zichzelf…’ De gegoede intellectuele kringen waarin vooral Katherine verkeert (en die tot op zekere hoogte parallellen vertonen met het milieu waarin Woolf opgroeide), worden op de hak genomen. De vooroordelen en hypocrisie die schuilgaan achter het perfecte beeld voor de buitenwacht brengt Woolf met haar stream of consciousness meesterlijk in beeld.
    Het is dan ook geen toeval dat Katherine Hilbery en Ralph Denham in een van de sleutelscènes juist in de Londense dierentuin vrijuit van gedachten kunnen wisselen: daar voelt Katherine zich geen ‘gekooid wild dier’, daar lijken hun vooroordelen voor het eerst echt weg te vallen. Maar ook de tijdens hun verloving opgebouwde spanning tussen Katherine en William leidt tot een explosie. Het is prachtig en pijnlijk tegelijk.

    Ook de uiteindelijke confrontatie tussen Katherine en haar vader is veelzeggend. In een felle discussie over de keuzes die ze maakt, laat ze haar emotie de vrije loop en weigert ze tegelijkertijd haar gevoelens tegenover hem te verantwoorden. Na hun ruzie stelt Trevor Hilbery voor samen Walter Scott te lezen. ‘Voordat zijn dochter kon protesteren of ontsnappen, werd ze al door tussenkomst van Walter Scott omgevormd tot een beschaafd mens.’ Die oplossing is illustratief voor hoe hij omgaat met problemen, en hoe alle generaties vóór hem deden: dek de onenigheid toe met de mantel der civilisatie, zorg voor remmingen en de zaak is gered. 

    Feminisme

    De feministische thematiek die Woolf in A Room of One’s Own (1929) zou uitwerken, schemert al door in Nacht en dag. Ze wordt niet alleen weerspiegeld in Katherines onwil zich te conformeren aan de gewoonten van haar familie, maar ook door Mary, die voor een suffragetteorganisatie werkt en thuis pamfletten schrijft om het onderwerp stemrecht voor vrouwen onder brede aandacht te brengen. Haar kamer wordt een broedplaats van verwachting, een symbool voor soevereiniteit: het in vrijheid nastreven van je idealen, zonder dat iemand over je schouder meekijkt. Vanuit de rollen die Katherine en Mary op zich nemen, toont Woolf genuanceerd verschillende vormen van feminisme. Katherine lijkt gevangen in haar familieomgeving en haar editeursrol, maar komt tegelijkertijd over als een onafhankelijke en ongenaakbare vrouw. Ze is in haar omgang met mannen rationeel en scherp, wat deze als bedreigend ervaren. Het traditionele huwelijk is eigenlijk niet aan haar besteed. Mary lijkt enerzijds star in haar overtuigingen, anderzijds minder streng voor zichzelf en haar vrienden, wordt hopeloos verliefd op Ralph en ontpopt zich vervolgens tot raadgever van alle ongelukkige geliefden. Uiteindelijk besluit ze toch haar eigen zakelijke plan te trekken en de prioriteit van een huwelijk te laten varen om de feministische zaak te dienen.

    Woolf laat zien wat er gebeurt als mensen een pasklaar referentiekader (werken, trouwen, een gezin stichten) over de grillige werkelijkheid plaatsen en op hun eigen onvolkomenheden en niet waargemaakte verwachtingen stuiten. Ze legt de lezer indirect universele vragen voor. Moet je trouwen om gelukkig te zijn, dien je in de voetsporen van je familie te treden of juist de status quo te doorbreken, en is het erg als je (nog) niet weet wat je doel in het leven is? Nacht en dag biedt een boodschap die resoneert, zeker in een tijd waarin identiteit en individuele beweegredenen expliciet worden bevraagd en herzien.

     

     

  • Kerstpudding en mistletoe

    Kerstpudding en mistletoe

    Iemand zegt: ‘Plum speech. Ik moet een Plum speech houden’. Ik word wakker, ben het zelf die dit murmelt. Het klinkt aannemelijk, speechen over pudding nu kerstmis nadert. Waarom ook niet. Er zijn veel dingen waarvan ik denk er iets mee te moeten doen. Zo moet er een sfeer van kerst in huis komen. Moet de kamer anders ingericht, moeten er meubels uit, er iets bij. Ik voel me als de vrouw in The sorrowful wife, van Nick Cave, ‘Who is shifting the furniture around’.
    Ik zie voor me een feestelijk gedekte tafel met damasten kleden in een eetkamer met krullerige versieringen, een kerstboom tot aan het plafond, honderden lichtjes, – man, wat een lichtjes. Kerstmis vieren zoals in films en op plaatjes. Compleet met een goudbruin gebraden kerstkalkoen op een bed van groen, flonkerende wijnglazen, pasteitjes en het dessert iets met sterretjes. Mistletoe in de deuropening, kerstsokken aan de schoorsteenmantel, rond de kerstboom een stoomtrein die af en toe fluit, stoom afblaast. De boom zelf onbereikbaar door pakjes in alle maten en vormen, berg van beloften. Van knuffels die knipogen, poppen die babyflesjes leegdrinken, boeken die zichzelf lezen.

    Dan komt de titel Een wereld van mooie plaatjes, van Simone de Beauvoir in mijn hoofd. Over het leven van een jonge vrouw in Parijs, door haar ouders gemodelleerd tot voorbeeldige vrouw, met enkel do’s and don’ts hoe te leven. Ze werkt in de reclamewereld, verleidt  mensen dingen te kopen die ze niet nodig hebben. Een wereld van valse schijn. Voor haar dochter wil ze het anders: ‘Een kind opvoeden, dat is niet er een mooi plaatje van te maken.’ Een veelzeggend boek, met innerlijke conflicten, nog steeds van deze tijd, (jongens lees dit boek!).

    De kamer staat op zijn kop en ik lees Nacht en dag van Virginia Woolf. Over verschillen in burgerlijke stand, met diners en theevisites, voortreffelijk geserveerde gerechten waarbij gasten zich volgens de regelen der conversatiekunst vermaken. En loop door de straten van Londen naar jongerenbijeenkomsten, waarbij toen al gezeten werd op matrassen op de grond. Maar ook hier is wat je ziet, de buitenkant – schijn. Een boek waarin de werkelijkheid, heimelijke gedachten betrapt, gedachten achter geënsceneerde plaatjes kijken.
    ‘Ineens kwam de gedachte bij Katharine boven dat iemand die op dat moment de deur opendeed waarschijnlijk zou denken dat ze zich vermaakten; hij zou denken: wat een heerlijk huis om in binnen te komen!, en ze moest vanzelf lachen en zei iets wat bijdroeg aan het rumoer – wat vermoedelijk vooral het huis tot eer strekte, want zijzelf was helemaal niet zo opgewekt.’
    Als iemand de deur naar mijn huiskamer zou openen, zou die hem gauw weer sluiten. En niet zien hoe ik me vermaak met deze geweldige roman van Virginia Woolf.

     

    Een wereld van mooie plaatjes / Simone de Beauvoir / vertaling Ernst van Altena / Agathon (1980)
    Nacht en dag / Virginia Woolf / vertaling Barbara de Lange / Arbeiderspers (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Oogst week 42 – 2019

    Nacht en dag

    Deze week in de oogst twaalf verhalen van de Britse schrijver Cynan Jones in vertaling van Jona Hoek, gedichten uit het nest geroofd in Het Liegend Konijn onder redactie van Jozef Deleu en een nog niet eerder vertaald werk van Virginia Woolf door Barbara de Lange.

    De laatste roman die Barbara de Lange van Virginia Woolf (1882-1941) vertaalde was De jaren, die Woolfs omvangrijkste roman werd genoemd. Naar blijkt kan het nog omvangrijker. Nacht en dag,  verschenen in 1919 is de tweede roman van Woolf, en nog omvangrijker dan De jaren. Hoewel Woolf werd gezien als modernist was de kritiek op Night and Day dat niet vernieuwend was maar volledig in de Engels romantraditie stond. Een roman waarmme Woolf in de voetsproren trad van  door haar bewonderde Engelse schrijfster, met name Jan Austen. De openingszin is dan ook een Engelse klassieker: ‘Het was een zondagmiddag in oktober, en net als veel andere jonge dames uit haar kringen was Katherina Hilbery bezig thee te schenken.’ Na die eerste zin wil je verder, duik je onder in ontmoetingen tijdens theevisites en diners en loop je mee op de vele omzwervingen door de straten van Londen.

    Nacht en dag
    Auteur: Virginia Woolf
    Uitgeverij: Athenaeum

    Het Liegend Konijn 2019/2

    Twee edities per jaar verschijnen er van Het Liegend Konijn, een compact boekwerk waarin vele dichters geregeld nieuw werk presenteren. In de oktober uitgave zijn honderdvijfennegentig nieuwe gedichten, uit het nest van negenendertig dichter geroofd, waaronder vier gedichten van Anneke Brassinga, Demetercyclus in tien afdelingen van  Anna Enquist, Heidi Koren met twee gedichten, Delphine Lecompte met drie gedichten, Maarten Buser met vijf gedichten, Paul Demets met Plattelandgedichten in acht delen en Willem van Zadelhoff, enkel om alfabetische volgorde, sluit af met een reeks gedenkgedichten getiteld: Zonder aanzien des persoons, waarin onder meer Menno Wigman, Wim Brands en Jan elemans herdacht worden. Met een ware slotrede: ‘envoi’ waarvan hier het eerste couplet: aan het graf geen eenzame dichter / laat zijn hei elders zoeken /naar levenden om te wekken / met verzen en veerkracht’.

     

    Het Liegend Konijn 2019/2
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Pelckmans

    De wetten van water

    Natuurelementen spelen een rol in het werk van de uit Wales afkomstige schrijver Cynan Jones (1975). In de novelle Inham vecht een man tegen de zee en wordt een man door de bliksem getroffen, bij De lange droogte is het een boer die de droogte van het land moet ondergaan. In De wetten van water, hebben de inwoners van een stad te maken met waterschaarste. De trein die de stad van water moet voorzien loopt het risico gesaboteerd te worden en mensen gaan de straat op om te demonstreren tegen het feit dat ze hun huizen moeten verlaten voor de bouw van een IJsdok. Een gebeurtenis waarbij veel emoties vrijkomen en raakt aan de tijd waarin we nu leven: die van de klimaatcrisis.

     

    De wetten van water
    Auteur: Cynan Jones
    Uitgeverij: Koppernik