• Vroeger is geweest

    Vroeger is geweest

    Of je nu muziekliefhebber bent of niet: opgroeien gaat altijd gepaard met een muzikale omlijsting. Victor Schiferli beschrijft in zijn debuut Dromen van Schalkwijk de jeugd van het personage Felix Swammerdam, een wat schuchtere jongen die opgroeit in een troosteloze buitenwijk van Haarlem. Schiferli typeert de tijdsgeest aan de hand van muziek. Onder andere Iggy Pop, Tom Petty, John Hiatt en bands met voor de jaren tachtig kenmerkende namen als The Meteors, The Stooges, The Tears, The Teardrop Explodes en The Cure komen terug in het boek. De roman zal bij de generatie die geboren is in de (late) jaren zestig direct herkenning en nostalgische gevoelens oproepen. Bij het vormgeven van het verhaal heeft Schiferli zich laten inspireren door het cassettebandje, een inmiddels bijna vergeten voorwerp. Het boek is opgedeeld in een kant één en kant twee, allebei voorzien van een aantal ‘tracks’ die de titels van de hoofdstukken vormen.

    De manier waarop Victor Schiferli zijn debuutroman heeft vormgegeven onthult iets van de achtergrond van de auteur. Schiferli is naast schrijver ook muzikant, dichter en redacteur en speelde in de vroege jaren negentig van de vorige eeuw in de band Girlfriend Misery, waarmee hij met name in Spanje successen heeft behaald. Zijn eerste dichtbundel, Aan een open raam (2000), werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en ook Toespraak in een struik (2008) was kanshebber voor een belangrijke poëzieprijs. In Dromen van Schalkwijk brengt Schiferli een ode aan de muziek, hij laat een tijdperk herleven en verzuimt gelukkig niet dit retrospectieve relaas te voorzien van een gezonde dosis ironie.

    Als je stoer wilde zijn in de jaren tachtig, dan luisterde je naar punk en new wave. Felix Swammerdam doet dat ook, hoewel hij op zijn slaapkamer stiekem wegdroomt bij Neil Young, gadegeslagen door een papieren Elvis Costello. Felix sluit vriendschap met een paar leeftijdgenoten die een band hebben opgericht, genaamd New Dark Age. Hij bezit zelf geen muzikaal talent, maar raakt als ’manager’ verzeild in een wereld vol cynische songteksten, beautiful losers, springende gitaarsnaren, wiet en bier. De puberale uitspattingen zijn een welkome afwisseling op de gespannen thuissituatie van Felix. Zijn ouders zijn al een tijd gescheiden, de moeder is hertrouwd met een conservatieve, haatdragende man die het verleden en de daarbij behorende mensen (zijn ex-vrouw en de vader van Felix) het liefst zou laten verdwijnen. De jongen weet zich staande te houden door zich terug te trekken op zijn kamer, die zich bevindt op een etage van één van de talrijke, asgrauwe flats die Schalwijk rijk is. Vader Swammerdam, een vrijzinnige fotograaf die sinds zijn mislukte huwelijk vele vrouwen heeft verlaten, bezoekt zijn zoon regelmatig, maar van een hechte band is geen sprake.

    Eén van de ergste beledigingen die je als ‘authentieke underdog’ naar je hoofd geslingerd kon krijgen, bestond uit het woord cliché. Helaas is Felix erg chlichématig. Aan het einde van de roman wordt hem dat gezegd door een leeftijdgenoot, maar voor de lezer was het al lang duidelijk. Zo verstaat het hoofdpersonage de kunst om met onuitsprekelijk alleszeggende woorden eigenlijk niets te zeggen: ‘De allesoverheersende wil tot het realiseren van een ondenkbaar verlangen. Herinneringen aan rusteloze avonden en nutteloze nachten. De wetenschap te hopen op het onmogelijke, het najagen van onbestaanbare idealen, ijdele verlangens. En ondanks die wetenschap vasthouden aan wat je weet dat onmogelijk is.’ Het object van het ‘ondenkbare verlangen’ is Charlotte, het meisje waarop Felix verliefd is. ‘Sinds ik haar voor het eerst zag, was ik verloren.’ Het is niet verbazingwekkend dat het meisje weinig onder de indruk is van haar bewonderaar.

    Dat het in de roman gaat om dromen, herinneringen, maakt Schiferli duidelijk aan de hand van zijn minimalistische benadering. De personages blijven vlak, psychologisering is onnodig. Aan de hand van de muziek, de omgeving en gebeurtenissen krijgt de lezer een indruk van de jeugd van Felix, zonder dat er wordt ingegaan op innerlijke motivaties. Het taalgebruik is eenvoudig, recht door zee, hoewel de poëtische kant van de auteur zich af en toe manifesteert: ‘De muziek is bijna afgelopen. We leven in de uitloopgroef van de geschiedenis.’ In sommige gevallen wordt de lezer enigszins onderschat en legt Schiferli te veel uit. Zo beschrijft Felix één van zijn vaders vriendinnen als ‘een onopvallend type dat zelf zei dat ze weinig aandacht nodig had, alsof het een vetplantje was dat bijna geen water hoefde. Je vroeg je af of ze het echt meende.’ Door de laatste zin wordt het cynisme onderuit gehaald met een knullige constatering. Dat zegt wellicht iets over het personage, maar het verwijdert tegelijkertijd de welkome scherpe randjes van de tekst.

    In Dromen van Schalkwijk schuurt er iets, ondanks de nostalgie en het jeugdsentiment. De muziek komt ongeschonden uit de puberale strijd, maar jongensdromen over een flitsend leven als authentiek kunstenaar lossen langzaam op. De idealen van de jonge bandleden van New Dark Age imploderen, vriendschappen verwateren. De onaantastbare status van David, frontman van de band en de personificatie van de kritische, grensverleggende en brutale tijdsgeest, brokkelt langzamerhand af. Grote plannen hebben is prima, maar ze moeten wel haalbaar zijn. Tijdens een optreden kun je het publiek uitdagen, maar je moet het niet schofferen. Drugs horen erbij, maar bij welke joint ga je over de schreef? Felix, de kleurloze, richt zijn blik uiteindelijk op de sterren. Beter omhoog kijken dan omlaag, want vroeger is geweest.

     

  • Internationale poëzie en Strak proza in Terras en De Revisor

    In de eerste editie van Terras,  geeft de achtkoppige redactie (waaronder Micha Andriessen, Kim Andriga, Erik Lindner, Hélène Gelèns en Miek Zwamborn) toe dat de naam Terras niet toevallig een anagram is van Raster (1977-2008). Raster is de inspiratiebron waar de redactie op vaart. De redactie is tevens de bewaarder van de literaire erfenis van Raster met een website. Evenals voorheen Raster, richt Terras de aandacht vooral op internationale literatuur.

    In het nulnummer van Terras ligt het accent op poëzie. Erik Lindner schreef een mooi portret van de Chinees-Taiwanese dichter Shang Ch’in (1930-2010). Op 15 jarige leeftijd wordt Shang Ch’in opgepakt door plaatselijke troepen en in een schuur opgesloten. Een schuur vol literatuur, waar hij eerst niets mee doet maar die hij later gaat lezen. Hierna volgt een leven van gevangenschap en ontsnappingen. Vanaf 1955 schrijft hij prozagedichten. Lindner ontmoette Shang Ch’in tweemaal in zijn leven waarover hij een mooi verslag schreef.
    Lindner is ook verantwoordelijk voor de inleiding bij de gedichten van de Zweedse dichter Lars Gustafsson in vertaling van Bernlef.

    De dichter K. Michel vertaalde de gedichten van de Amerikaan Russel Edson (1935) en schreef een inleiding op zijn werk, ‘nagenoeg allemaal prozagedichten die nog het meest doen denken aan duistere sprookjes’. Michel typeert Edson als een een soort kruising van Beckett, Charms, Michaux en Gerdrude Stein, waarbij hij zich tegelijk afvraagt wat deze typering bijdraagt aan het beeld van Edson. Als kennismaking met deze relatief onbekende dichter biedt het in ieder geval een kader voor wie hem kennen wil. Luister: ‘En zo kwam de zon door het raam van een kamer en wekte / een persoon die koffie schonk uit een mok in zijn hoofd.’ (Uit het gedicht: Verschijning)
    De poëzie van de Australiër Les Murray wordt ingeleid door Mischa Andriessen, waarbij hij ingaat op de ‘in een veelheid  aan vormen gevangen tegestrijdigheden’ van Murray’s poëzie. Hélène Gelèns gaf zich gewonnen voor de poëzie van de Duitse dichteres Monika Rinck met het gedicht, ‘vijver’.
    Van de Fransman Pierre Michon, een fragment uit zijn onlangs gepubliceerde boek, Elf.

    En een verhaal van de Amerikaanse schrijver Richard Powers (1957), Gemeten maten. Waarin Powers een mensenleven afmeet tegen de leesgeschiedenis van een boek. De inleiding hierop werd geschreven door Jan Pieter van der Sterre.
    Bijdragen (zonder inleiding) werden geschreven door Janneke Wesseling, Tonnus Oosterhoff, Jan Baeke en Anneke Brassinga, auteurs van eigen bodem waarbij de redactie er waarschijnlijk van uitging dat zij geen voorspraak nodig hebben. Terras toont zich veelzijdig in haar opgenomen stukken. Enige minpunt is de layout, die leest niet prettig. Het geeft een wat rommelige indruk en dat heeft te maken met de inleidingen die steeds in twee kolommen per pagina gedrukt zijn. Hiermee wordt de illusie van een krantenpagina gewekt, maar de bladzijden zijn duidelijk te klein om met twee kolommen te werken.

     

    In de tweede editie van De Revisor, die toch net even wat lekkerder oogt en in de hand ligt, veel sterk proza. Het lastige met een literair tijdschrift is dat er een grote verscheidenheid aan literatuur in staat. Soms, heel soms kun je niet verder lezen, na een verhaal zoals De stok van Bart Koubaa, waardoor alle andere bijdragen in het niets verdwijnen. In een ritmisch dwingende stijl verhaalt Koubaa over een jongeman en een stok, die hij vond toen hij veertien was. Een is een rusteloze, ontheemde jongeman voor wie die stok het enige kader in zijn leven blijkt. Het is een gewelddadig verhaal, zonder dat er daadwerkelijk geweld in voor komt. Achter de woorden (niet ertussen, want die zijn hermetisch gesloten) is een wereld voelbaar van angst en voortvluchtig zijn. Adembenemend verteld.

    Elke Geurts schreef Terug naar huis. Het verhaal wordt verteld door de 15-jarige Erica, die samen met haar ouders in het ziekenhuis is waar haar doodzieke babyzusje Summer is binnengebracht. Een gezin dat niet in orde is. De moeder en vader zijn niet sterk begaafd en dochter Erica voelt zich voor het welzijn van haar zusje verantwoordelijk. Maar het verplegend personeel stuurt haar, als minderjarige, naar huis. Erica is een sterk karakter, met veel  ontwijkend gedrag. De scène waarin ze, alleen in de taxi naar huis wordt gebracht, verklaart veel. En zo zijn er meer, veel meer mooie stukken proza in De Revisor van onder meer Sanneke van Hassel, Rob van Essen, Richard de Nooy, een echt kort verhaal van Gerbrand Bakker en een intrirgerende brief(wisseling) in Je sneeuwvlokje, Brieven aan Christophe Vekeman, van Peter Terrin. Victor Schiferli schreef een mooie reeks gedichten met De man van vroeger. Meer gedichten van o.a. Martijn den Ouden (die vorig jaar debuteerde met Melktanden), Anneke Brassinga en Hans Groenewegen. Jan van Mersbergen schreef een essay getiteld Helden, slachtoffers, rampen. Erik Lindner ontmoette Colin Newman, voorman van de punkband Wire. Hij was ooit fan, maar is inmiddels de punk ontgroeid. Des te beter kan hij de band volgen in hun ontwikkelingen. Want het ‘venijn’ van punk is geheel uit Wire verdwenen.

    De Fransman Daniel Cunin is literair vertaler, hij schreef: Van Duinkerken tot Vlieland, van Hadewijch tot Hafid. Het is de visie van een Franse lezer over de Nederlandse literatuur. Vertaald door Jan Pieter van der Sterre. Daan Stoffelsen schreef het redactionele stuk, een zoektocht – met veel vragen en twijfels -naar literatuur. De Revisor: een literair avontuur.

     

    Terras
    Uitgeverij Perdu
    verschijnt 3 x per jaar
    Prijs los nummer: € 12,50
    Abonnementen: € 30,-

    De Revisor
    Uitgegeven door:
    Querido / Stichting De Revisor
    verschijnt tweemaal per jaar
    Prijs los nummer: 19,95