• Nederland en de vrijheidsstrijd in Nieuw-Guinea

    Nederland en de vrijheidsstrijd in Nieuw-Guinea

    Norman is het romandebuut Merel Hubatka. Zij is een veelzijdig kunstenares: ze schrijft verhalen, ze zingt, ze is stadsdichter van Zutphen en heeft dan nu haar eerste boek geschreven.
    De hoofdpersoon in het boek is Norman Taborsky; hij solliciteert na zijn middelbare school naar de positie van bestuursambtenaar op Nieuw-Guinea. Na een ietwat merkwaardig verlopen sollicitatiegesprek, – hij voldoet aan weinig eisen – wordt hij toch aangenomen. Hij vertrekt in de zomer van 1959 en wordt direct ver in het oerwoud te werk gesteld, in Akimoega. Daar moet hij de vrede zien te bewaren tussen verschillende stammen en tegelijk de plaatselijke bevolking voorbereiden op zelfstandigheid. Van een gedegen opleiding is nauwelijks sprake. Hij geeft zich helemaal, raakt diep verbonden met de Papoea’s en verliest bijna elk contact met de buitenwereld. Hij heeft dan ook te laat door dat Nederland bezig is de strijd met Indonesië over de zeggenschap over het eiland te verliezen. Wanneer in 1963 Indonesië de macht overneemt ervaart hij zijn terugkeer naar Nederland als een onverwachte bittere pil.

    Monument voor overleden vader

    De belevenissen van Norman worden in het boek afgewisseld met persoonlijke ontboezemingen van vooral minister Luns, prins Bernard, John F. Kennedy en president Sukarno over de onderhandelingen over Nieuw-Guinea. Die passages vormen een schrijnend contrast met het dagelijkse leven van Norman, soms hilarisch om te lezen.
    Uit die passages blijkt hoe de politici in Nederland hun doel om Westelijk Nieuw-Guinea onafhankelijk te maken niet hebben weten te realiseren. Vooral de vijandige houding van Nederland tegenover het Indonesië van Sukarno en het streven om Nieuw-Guinea niet aan Sukarno over te dragen resulteerde uiteindelijk in het tegendeel. Toen Nederland de steun van de VS verloor, was het pleit beslecht.  Daarmee heeft het zijn belofte om Nieuw-Guinea zelfstandigheid te verlenen tegenover de Papoea’s verbroken.

    Hubatka wil met dit boek een monument oprichten voor haar overleden vader, die tussen 1959 en 1963 op Nederlands-Nieuw-Guinea verbleef als bestuursambtenaar. Na zijn gedwongen terugkeer naar Nederland heeft hij zich zijn hele leven sterk gemaakt voor de Papoea-gemeenschap en is hij het streven naar onafhankelijkheid altijd blijven steunen. Het personage van Norman is gemodelleerd naar de vader van de auteur. Na zijn dood vond zij meer dan honderd brieven die hij aan zijn familie en aan een vriend in Nederland had geschreven.

    Politieke oproep

    In haar nawoord vraagt Hubatka aandacht van de Nederlandse politici voor het lot van de Papoea’s in Nieuw-Guinea, en om steun voor hun strijd voor onafhankelijkheid, die zij nu al meer dan een halve eeuw vreedzaam voeren. Zij hoopt dat Nederland zich alsnog wil inzetten voor die onafhankelijkheidsstrijd.
    Tot op heden zijn er geen tekenen die daarop wijzen.
    De opstelling van Nederland tegenover de Papoea’s lijkt meer te vergelijken met die tegenover de onafhankelijkheidsstrijd van de Molukken; zij hebben daarvoor weinig tot geen steun gekregen van Nederland en dat lijkt ook te gelden voor die van de Papoea’s.

    Hubatka heeft een mooi monument voor haar vader opgericht. Prettig leesbaar, goed geschreven in korte zinnen.
    De betrokkenheid van Nederland bij de Papoea’s is echter verleden tijd. Of de publicatie van Norman voldoende zal zijn om Nieuw-Guinea weer onder de aandacht van Nederlandse politici te brengen, is maar zeer de vraag.

     

  • Sofia’s zoeken naar zichzelf

    Sofia’s zoeken naar zichzelf

    Na zijn grote succes met De acht bergen krijgt ook het eerdere werk van Cognetti nu de aandacht die het verdient. Na De buitenjongen uit 2013 dat vorig jaar in Nederlandse vertaling verscheen, beleeft Sofia draagt altijd zwart in 2019 de ene na de andere druk. Kan De buitenjongen worden gezien als een vingeroefening voor De acht bergen, Sofia draagt altijd zwart gaat over de moeizame volwassenwording van Sofia.
    Haar geboorte is prematuur en ze moet worden gereanimeerd. Sofia wacht geen gemakkelijk leven en blijkt altijd op de vlucht: voor haar ouders, voor haar vrienden, voor haar geliefden maar bovenal voor zichzelf. Op haar zestiende doet ze een zelfmoordpoging en wordt ze opgenomen in een kliniek.

    Evenals in De acht bergen weet Cognetti het thema prachtig te beschrijven, met veel inlevingsvermogen. Je begrijpt de worsteling van Sofia met haar existentie, met haar ouders, – vooral haar moeilijke verhouding met haar depressieve moeder speelt haar parten -, met haar zoektocht naar geluk en de zin van het leven.

    Constructie

    Vanaf haar geboorte tot aan haar zevenentwintigste jaar lezen we over het leven van Sofia. Cognetti heeft daarbij gekozen voor een bijzondere constructie om het verhaal te vertellen, wat het voor de lezer niet altijd gemakkelijk maakt.
    Allereerst gebruikt hij verschillende invalshoeken. Hij schrijft vanuit haar eigen perspectief als ze nog jong is, vanuit het perspectief van haar ouders (gezamenlijk en apart) en nog door dat van een aantal anderen (o.a. minnaar, tante, studievriendinnen). In de tweede plaats kijkt hij in die verschillende perspectieven voor- en achteruit in de tijd. Daarmee brengt hij in feite een tweede laag in het verhaal aan, die de lezer wat in verwarring kan brengen. Niettemin blijft het boeiend om te lezen over Sofia’s pogingen om gelukkig te worden.

    Eigenlijk zijn de afzonderlijke hoofdstukken meer als scènes uit een film waartussen niet veel verband bestaat. Misschien zit de documentairemaker Cognetti de schrijver Cognetti in de weg. Een voorbeeld moge dit verduidelijken.
    Wanneer Sofia met haar vader een paar dagen op vakantie is, schrijft Cognetti: ‘Zittend op een rots bestudeerde Roberto Muratore, acht jaar en een paar maanden voor zijn dood, zijn dochter terwijl hij net deed of hij de krant las.’ Met die mededeling doet hij in het desbetreffende hoofdstuk niets en verder in het verhaal komt zijn overlijden ook niet voor.Zo zijn er andere voorbeelden te geven van de manier waarop Cognetti de chronologie van de vertelling onderbreekt door vooruit te lopen of terug te blikken op de gebeurtenissen.

    Waardering

    Bovenstaande kritiek laat onverlet dat Cognetti prachtig schrijft. Niet alleen heeft hij een mooie stijl, hij weet ook in elk hoofdstuk te boeien en met veel inlevingsvermogen het ‘donkere’ leven van Sofia – ze draagt niet voor niets altijd zwart – uit te beelden. Met veel emotionele zeggingskracht en psychologisch inzicht beschrijft Cognetti de worsteling van Sofia om gelukkig te worden.

     

  • Wandelen langs de rivier

    Wandelen langs de rivier

    De Zwitserse schrijver Gerhard Meier (1917-2008) is hier te lande niet zo bekend, hoewel hij een groot oeuvre van proza en poëzie heeft opgebouwd. Nu is voor het eerst een roman uit 1979 van hem vertaald, Dodeneiland.

    Het is een kort verhaal; twee oude vrienden, Baur en Bindschädler, wandelen langs de rivier de stad uit. Zoals de rivier door het landschap slingert, zo verloopt het gesprek tussen de twee mannen; althans het is Baur die aan één stuk door praat en Bindschädler die luistert en nadenkt. De vertelling meandert van diepe inzichten tot oppervlakkige observaties, het gaat alle kanten op: over de kersenbomen die door kraaien worden belegerd, over de bakkerswinkel waar zijn schoolvriendin Linda woonde, over de begraafplaats waar zijn neef Johann ligt, ‘de laatste landloper van onze streek’, over de vrouw van de cavaleriemajoor waaraan Baur geparenteerd was, over ‘de omineuze bootreis die ze achter zich hadden’ (naar Griekenland), enzovoort.

    Het is niet gemakkelijk te achterhalen wat Baur bezielt: waarom vertelt hij dit allemaal aan zijn oude vriend? En waarom reageert Bindschädler nauwelijks? Misschien is dit het antwoord:

    ‘”Waarom, Bindschädler, heeft men op zijn oude dag die krankzinnige behoefte – achterom te zien of in het verleden te leven, steeds weer die draden in de greep te krijgen die je verbinden met wat vergaan, vervlogen en onmogelijk weer terug te brengen is, wat op de een of andere manier is opgelost, maar toch aanwezig is en niet weg te poetsen? Wat uiteindelijk op een of andere manier met ons de grond ingaat waar het oplost, vervluchtigt of opgaat in het minerale, het stoffelijke, om dan in bloemen, in lelies bijvoorbeeld, in asters, in sneeuwklokjes, vergeet-mij-nietjes weer op te duiken, als hun geur (voor zover ze die wensen af te geven) en zo weer te vervliegen,” zei Baur.’

    Door er op deze manier over te praten houdt hij het verleden levendig en daarmee zijn leven. Dit citaat is ook illustratief voor het epische taalgebruik van Meier. Het is mooi geschreven, beeldend proza waarbij je je een goede voorstelling kunt maken van wat de beide vrienden onderweg tegenkomen, wat ze zien en welke associaties dat vooral bij Baur oproept. Baur is naar eigen zeggen een ‘ogenmens’, neemt veel waar, zowel wat hij tijdens zijn wandelingen langs de rivier ziet, als ook de herinneringen die bij hem bovenkomen van gebeurtenissen die zij samen hebben meegemaakt.

     

  • Goethes Stein des guten Glücks

    Goethes Stein des guten Glücks

    Op verzoek van de Franeker Kunst Stichting schreef Kees ’t Hart in 2011 een novelle van 72 bladzijden getiteld Het beeld van Goethe. Die Stichting is opgericht ter bevordering van kunst in de openbare ruimte. De novelle van Van ’t Hart was bedoeld als inspiratiebron voor huidige kunstenaars om het rijke verleden van Franeker te vertalen in moderne kunst. De verhaallijn in deze novelle is identiek aan de verhaallijn in De ziekte van Weimar.

    Het beeld van Goethe

    De senaat van de Academie van Franeker wil in 1807 een monument oprichten ter ere van de wetenschap en maatschappij, omdat de gevreesde sluiting door Napoleon is afgewend. Men heeft het oog laten vallen op een beeld dat in de tuin van het huis van Goethe staat, en wil zijn toestemming vragen om een replica te mogen maken. Dat beeld, Der Stein des guten Glücks geheten, bestaat uit een kubus met daarop een bol. De kubus representeert het rustende, de bol staat voor het beweeglijke, maar omdat de bol rust op de kubus, staat het geheel voor Het Geluk. Je moet het maar weten, maar gelukkig is er Wikipedia.
    ’t Hart situeert zijn roman begin negentiende eeuw wanneer Lodewijk Napoleon Koning van Holland is, de Verlichting over zijn hoogtepunt is en de tijdgeest romantischer wordt. In die overgang tussen twee tijdgeesten is de melancholieke, ietwat neerslachtige en introverte twintiger Albert van Huszen, de hoofdpersoon. Hij lijdt aan voortijdige zaadlozingen, wat zijn verhouding met vrouwen er niet gemakkelijk op maakt. Wanneer hij op afstand een mooie vrouw ontwaart krijgt hij ‘prematuur geschutsvuur’.

    Albert van Huszen is assistent-pedel van de Friese Academie in Franeker; omdat hij zo goed Duits spreekt krijgt hij de opdracht om mee te reizen met enkele senaatsleden naar Weimar om Goethes toestemming te vragen een replica van het beeld te maken. De senaat is diep onder de indruk van dit beeld. Hoewel het beeld niet bijster bijzonder is, geven de diverse senaatsleden er hoog over op en ieder heeft zo zijn eigen hooggestemde uitleg. Goethe heeft het beeld laten vervaardigen als totem, als monument, al blijft onduidelijk wat nu precies zijn bedoeling ermee was.

    Albert van Huszen is verheugd dat hij Goethe gaat spreken. Hij heeft namelijk uit teksten in Das Leiden des jungen Werthers opgemaakt dat Goethe ook lijdt aan ejaculatio praecox. Hij hoopt van Goethe te vernemen hoe hij daar vanaf kan komen. Heeft Albert het bij het rechte eind? Historische bronnen geven daarover geen uitsluitsel.

    Het verhaal

    Het boek bestaat uit twee delen; het eerste deel speelt zich af in Franeker, het tweede deel behelst de reis per koets naar Weimar en vervolgens het wachten op een ontmoeting met Goethe. Het eerste deel is interessant vanwege de beschrijving van het leven van Albert in Franeker en van de maatschappij van destijds. Het boek begint – en eindigt -met zijn bezoek aan een tent waar Indianen uit Noord-Amerika worden tentoongesteld; de wetenschappelijk gefundeerde nieuwsgierigheid naar andere volken past in die tijd. We maken kennis met de leefwereld van Albert met zijn vriendinnen, met zijn zus, met zijn collega’s. Hij is een meester in het schaken en geeft les aan zonen van senaatsleden. ‘Schaken gaf hem het diepste gevoel van geluk. Tijdens het naspelen van partijen had hij soms het gevoel te snappen wat vrouwen voelden. Hij had nog nooit met een vrouw gepaard, ook niet met Louise, wel in haar schoot gelegen en zijn vocht geofferd, al voelde het niet als een offer.’  Hier legt ‘t Hart een bijzonder verband tussen schaken en lust: gaat het over de Verlichting versus de Romantiek?

    In het tweede deel – dat de helft van het boek beslaat – gebeurt daarentegen weinig interessants. Het is vooral een beschrijving van de reis van Franeker naar Weimar, van de ontberingen die het gezelschap onderweg lijdt, van het verblijf in Weimar en de moeilijkheid om met Goethe in contact te komen. Hier toont ‘t Hart zich een reisverslaggever die veel ‘onwetenswaardigheden’ opvoert. Het vergt nogal wat uithoudingsvermogen van de lezer.

    In het eerste deel worden personages opgevoerd die allen volgens de typeringen van Lavater (1741-1801) worden gekarakteriseerd. Lavater was in die tijd beroemd met zijn boek over fysionomie: het karakter van een mens is af te lezen aan zijn uiterlijk en dan vooral aan zijn gezicht. ‘t Hart gebruikt zijn typeringen veelvuldig in het eerste deel om de mensen met wie Albert in contact komt te kenschetsen, maar diept het karakter van de desbetreffende persoon niet verder uit. Lavater was in die tijd heel populair en opmerkelijk is wel dat Goethe niets moest weten van de denkbeelden van Lavater; in Das Leiden des jungen Werthers doet hij diens inzichten af als dweperijen.

    Waardering

    De titel blijft onduidelijk. Bedoelt ’t Hart met de ziekte van Weimar te wijzen op Goethe, die dezelfde ziekte zou hebben als Albert? Of duidt de titel op de chaotische toestand in Weimar in die tijd?
    Met name het tweede deel van het verhaal boeit maar matig. De rode draad, – de reis naar Weimar om Goethes toestemming te vragen voor een replica van het beeld –  is dun, er wordt voortdurend uitgeweid over zaken zonder dat het verband met andere elementen in het verhaal duidelijk wordt. Als lezer wacht je af, maar je verwachtingen worden niet ingelost.

    Tot slot moet je als lezer een behoorlijke kennis hebben over de periode waarin het verhaal zich afspeelt om je te kunnen inleven. De kennissen van Albert worden bijvoorbeeld ingedeeld naar het kenmerk: voor of tegen de onthoofding van Lodewijk XVI in 1793, zonder dat duidelijk wordt wat dat betekent voor de plaats van de betreffende persoon in de maatschappij van toen dan wel zijn karakter of denkbeelden.
    De dunne verhaallijn wordt nauwelijks gecompenseerd door interessante anekdotes, spannende ontmoetingen, leuke gebeurtenissen of wetenswaardigheden, wat het lezen van dit boek weinig vreugdevol maakt.

     

  • De wondere wereld van geloof, hoop en liefde

    De wondere wereld van geloof, hoop en liefde

    Wonderlamp van Désanne van Brederode is een verslag van een reis met haar zoon naar Israël en de Palestijnse gebieden. Zoals uit de titel mag worden afgeleid, speelt Aladdin in haar verhaal een belangrijke rol. Hij drijft in Bethlehem een winkeltje dat het ik-personage bezoekt en werpt zich op als hun gids. Hij leidt ze naar toeristische trekpleisters zoals de grot waar Arafat zich verborgen heeft gehouden. Langzamerhand ontwikkelt zich een vriendschap tussen beiden, hoewel zij op haar hoede blijft.

    Door haar reisverslag weeft ze persoonlijke anekdotes, sprookjes, en herinneringen aan haar huwelijk met de vader van haar zoon. De scheiding was niet haar keus, ze schrijft met mededogen en heimwee over haar huwelijk, het leven daarna heeft ze nog niet helemaal op orde. Ze toont zich gevoelig voor de charmes van Aladdin. Wanneer ze weer in Nederland is, krijgt ze via via een olielampje uit de winkel van Aladdin in bezit. Dat lampje, hoe kan het ook anders, blijkt magische krachten te hebben. Aanleiding om te filosoferen over persoonlijke gebeurtenissen zoals de scheiding, haar relatie met haar zoon, het moeizame huwelijk van haar ouders, haar relaties met andere mannen en over de Syrische vluchtelingen die ze kent.

    Het is bekend dat Van Brederode religieus is, evenals haar vader dat was: een pastor, een jezuïet, die zijn hele leven werkzaam was als ‘opfleurwerker’. Haar bezoek aan Israël roept allerlei religieuze gedachten bij haar op, vooral over de functie van het Christendom in de moderne tijd. De brieven van de apostel Paulus intrigeren haar en brengen haar op het idee om een roman over hem te schrijven. Al vrij lang heeft ze een fascinatie voor Paulus, ze voelt zich verwant met zijn opvatting over vriendschap en liefde. Ze onderbreekt dan ook haar reisverslag om een deel van haar boek aan hem te wijden en daarmee het begin van haar voorgenomen roman over hem te schrijven.

    Hoewel Wonderlamp een reisverslag is, is het ook en vooral een episode uit het leven van (het alter ego van) de schrijfster. De hiervoor genoemde verschillende elementen weet zij, als vanzelfsprekend  onderdeel te laten zijn van haar verhaal. Ze is een begenadigd verteller en weet je mee te nemen in wat ze meemaakt, in haar religieuze belevingen. Haar persoonlijke ontboezemingen, de filosofische vragen die zij oproept, hebben vaak betrekking op geloof, hoop en liefde in al zijn verschijningsvormen. Wat dat laatste betreft schrijft ze bijvoorbeeld over een bejaarde die op een bruiloft van een kleinkind  onvoorwaardelijk en zonder ironie in gelukkige liefde gelooft: ‘En niet omdat zulke huwelijkse liefde ook maar ergens op aarde voorkomt (…) maar omdat het woord liefde de vonk van de verbeeldingskracht zowel ferm oppookt als teder verandert in haar tegendeel: in overvloedig, overstromend bluswater dat de pijn kan doven in de ongeneeslijke schroeiplekken die de desillusie nu eenmaal achterlaat.’ Een bijzondere omschrijving van liefde. Of wanneer ze het over haar zoon heeft: ‘Hoe vreemder mijn zoon me is, hoe weidser mijn dankbaarheid. Een uitzicht in zichzelf.’

    Wel blijft er iets knagen wanneer je het boek uit hebt. Dat heeft te maken met het caleidoscopische karakter van het boek: het is zoals gezegd een reisverslag en een roman, maar omvat ook autobiografische elementen, afgewisseld met sprookjes en filosofische bespiegelingen. Dan wordt het eerste en derde deel ook nog eens onderbroken door een ‘brief’ aan (S)Paulus, wat de consistentie van het boek niet ten goede komt. Qua compositie kan Wonderlamp dan ook een wonderlijk boek genoemd worden.

     

  • Intellectuele robots en mensenlevens

    Intellectuele robots en mensenlevens

    In de roman Machines zoals ik wordt de 32-jarige Charlie, speculant in aandelen (waar hij niet goed in is), verliefd op de tien jaar jongere Miranda, zijn bovenbuurvrouw. Charlie vermoedt dat Miranda iets uit haar leven voor hem achter houdt, wat zijn relatie met haar alleen maar beïnvloedt. Een groot deel van het boek gaat over deze relatie. Daarnaast wordt veel ruimte besteed aan de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie, i.c. robots.
    De Britse wiskundige Alan Turing krijgt de rol toebedeeld van producent van twaalf Adams en dertien Eva’s. Turing heeft zijn beroemdheid te danken aan het feit dat hij in de Tweede Wereldoorlog het Duitse coderingssysteem wist te ontcijferen. Na de oorlog stond hij aan de wieg van de ontwikkeling van computerachtige machines (de Turingmachine). Ook heeft hij een experiment uitgevoerd (Turingtest) om erachter te komen of machines kunnen denken en menselijke intelligentie kunnen vertonen.

    Initiatief van robot

    Charlie koopt met geld uit een erfenis voor 86.000 pond de androïde Adam waarna hij volledig blut is. Eigenlijk had hij liever een Eva gekocht maar die zijn allemaal door Saoedie-Arabië opgekocht. Miranda en Charlie programmeren de kunstmens Adam zelf, zonder tegen elkaar te zeggen welke persoonlijke elementen ieder van hen aan deze robot-Adam toekent.
    Gaandeweg ontwikkelt zich een driehoeksrelatie, waarbij Adam op beider levens steeds meer invloed weet uit te oefenen, gelijk een mens. Gelukkig zit er een knop aan Adam zodat Charlie hem kan uitzetten maar desondanks dringt de robot steeds dieper hun levens binnen. Zo weet Adam op internet het geheim van Miranda eerder te achterhalen dan Charlie. Naarmate Adam meer vertrouwd raakt met Charlie en Miranda ontwikkelt hij ook initiatieven tot handelen die soms goed uitpakken en soms niet. Zo wordt Adam verliefd op Miranda, wat de relatie van Miranda en Charlie niet ten goede komt.

    Verleden en toekomst

    McEwan situeert zijn roman in 1982 ten tijde van de regering-Thatcher die toentertijd een smadelijke nederlaag leed tegen Argentinië in strijd om de Falkland-eilanden. Ook aan de maatschappelijke situatie in het Engeland van die tijd besteedt McEwan veel aandacht. Door de situering in de jaren tachtig van de vorige eeuw speelt het verhaal zich in het verleden af. Maar door de introductie van Adams en Eva’s – die tot op de dag van vandaag niet in die vorm bestaan en ontwikkeld worden door iemand die in 1954 is overleden – maakt hij er ook een toekomstverkenning van. Een die aansluit op de huidige discussie over kunstmatige intelligentie, over de robotisering van de samenleving, over zelfsturende auto’s, over de invloed van internet met zijn algoritmes op het leven van de moderne mens. Wat lichtelijk verwarrend werkt.

    McEwan schetst een samenleving waarin niet alleen veel routinehandelingen door een robot kunnen worden overgenomen maar waarin een robot een volwaardige (?) plaats als mens inneemt. Hij is niet alleen te programmeren, hij wil gesprekken met je voeren, hij geeft je advies, hij onderneemt actie, etc. De vraag dringt zich op hoe realistisch dit toekomstbeeld is en of dit beeld dichterbij is dan wij denken?

    Robot wordt mens

    Machines zoals ik is om een aantal redenen een intrigerend boek. Er is de centrale plaats die een robot in het verhaal inneemt; een kunstmens die meer menselijke dan machinale trekken heeft. Hij heeft een grote, zelfstandige invloed op de levens van Charlie en Miranda. Terwijl Charlie hem heeft gekocht om zijn leven te vergemakkelijken, is het eigenlijk ‘iemand’ die veel weet en alles beter kan en doet dan Charlie. Zo neemt Adam het speculeren op de beurs over van Charlie en dat legt hem geen windeieren. De fundamentele vraag die McEwan oproept is die naar het type samenleving waarin de technologische revolutie zo ver is voortgeschreden dat de mens robotten kunnen maken die de mens – volledig – kunnen vervangen. Een verbeterde versie van de mens kunnen worden.

    Tijdsituering

    Er is de wat vreemde tijdsituering van de regering-Thatcher in 1982. McEwan plaatst zijn verhalen meestal in een actueel maatschappelijk kader waaraan hij een sociologische betekenis weet te geven. Nu speelt het verhaal ruim 35 jaar terug in de tijd maar blijft onduidelijk waarom hij juist die periode heeft gekozen.
    De derde reden waarom het een intrigerend boek is, ligt besloten in de verhaallijn over de relatie tussen Charlie en Miranda. Die boeit, ook zonder de aanwezigheid en interventies van Adam. Er zijn veel elementen in het boek gestopt, wat de coherentie niet altijd ten goede komt. Ten opzichte van de aandacht die de figuur van Adam krijgt, blijven Charlie en Miranda betrekkelijk wazig. Toch is Ian McEwan een schrijver wiens boeken het lezen meer dan waard zijn en die, door hun actuele thematiek, altijd stof tot nadenken geeft.

     

  • Waar kleine dieven groot in zijn

    Waar kleine dieven groot in zijn

    De in Cairo geboren schrijver Albert Cossery (1913-2008) schreef een klein oeuvre waarvan Grote dieven, kleine dieven zijn laatste roman is. Het verscheen in 1999 en is nu in het Nederlands vertaald.
    Begin jaren dertig ging hij naar Parijs om te studeren maar daar kwam weinig van terecht: de verleidingen van de grote stad waren te groot en zijn vader haalde hem terug. Na de Tweede Wereldoorlog vertrok hij definitief naar Parijs, nam zijn intrek in een hotel waar hij tot zijn dood is blijven wonen.

    Het verhaal is gauw verteld. De hoofdpersoon, Oesama schuimt als een moderne Robin Hood dure wijken van de duizend jaar oude stad al-Kahira af, op zoek naar rijke mensen die hij geld afhandig kan maken. Om geen argwaan te wekken kleedt hij zich als een dandy en kan zich zo in rijke kringen bewegen. Het geeft Cossery de gelegenheid zijn weerzin tegen wat hij legale dieven noemt te spuien: zakenlieden, speculanten, bankiers, projectontwikkelaars, politici etc.
    Het mooie aan het verhaal is, dat het om meer gaat dan alleen het stelen van de rijken om te geven aan de armen. Oesama komt namelijk door het rollen van een portefeuille niet alleen in het bezit van geld maar ook van een belastende brief van een projectontwikkelaar aan een politicus. Hoe hij die projectontwikkelaar, samen met zijn leermeester in zijn greep krijgt is hilarisch, met een prachtig eind.

    Cossery was een zeer nauwgezet schrijver, ieder woord werd zorgvuldig gekozen en gewogen, moest op zijn plaats staan; iedere zin moest kloppen. Zijn bijnaam is niet voor niets ‘de Voltaire van de Nijl’. Ook deze roman voldoet aan die grote zorgvuldigheid. Zo omschrijft hij Oesama: ‘Hij was een jongeman van een jaar of drieëntwintig die, al was hij geen fatale schoonheid, niettemin een innemend gezicht had met zwarte ogen waarin eeuwige pretlichtjes glommen, alsof alles wat hij om zich heen zag en hoorde steevast enorm komisch was. Losjes en met zwier droeg hij een beige linnen pak en een ecru zijden hemd, opgeluisterd door een felrode das, en bruine suède schoenen. Deze niet aan de hitte aangepaste kledij kwam niet voort uit persoonlijke rijkdom of ijdelheid, maar uitsluitend uit de noodzaak om de risico’s die aan zijn vak kleefden te verminderen. Oesama was een dief, geen legale dief (…); hij was een bescheiden dief met wisselende inkomsten wiens activiteiten (…) in alle tijden en overal ter wereld beschouwd werden als een aanslag op de morele wet van de rijken.’
    Een roman die met veel precisie en humor geschreven is, zeer onderhoudend en vol spotlust. Voor liefhebbers van taal een must om te lezen.

     

  • Zomerlezen – Beste dikke boekenlijstje

    Geheime kamers

    Jeroen Brouwers’ Geheime kamers verscheen in 2000 en is in mijn ogen een meesterwerk, een van zijn beste boeken. De compositie van het verhaal, de taal waarin Brouwers het verhaal vertelt, zijn imponerende stijl, de metaforen en verwijzingen die hij gebruikt, de spanning die hij weet op te roepen, maken het lezen van dit boek tot een genotvolle tijdpassering. Het mooie is dat hij van een tamelijk simpel en een in de literatuur veel behandeld thema – de relatie tussen een man en een vrouw, in dit geval twee echtparen – een rijk boek weet te maken.

    In veel boeken van Brouwers komen zijn hoofdpersonen in situaties terecht waarin ze eigenlijk niet willen zijn: een lift die vastzit, een huwelijk dat eigenlijk voorbij is, een vader wiens kind eerder doodgaat dan hijzelf, een grijsaard die tegen zijn zin een cruise maakt over de Middellandse Zee. Ook in dit boek is de hoofdpersoon een deerniswekkend figuur die niets dan ellende ontmoet in zijn leven. Hij vindt zichzelf een non-valeur maar van alle figuren in het boek is hij eigenlijk de enige die deugt. Al doet hij steeds de verkeerde dingen op de verkeerde momenten maar weet toch te overleven.

    Brouwers weet dit verhaal zoveel breedte en diepte te geven, dat het uiteindelijk gaat om de fundamentele existentie van de mens, zijn moraliteit en zijn lust tot al dan niet te willen leven.

     

     

    Geheime kamers
    Auteur: Jeroen Brouwers
    Uitgeverij: Olympus

    De lijfarts

    Maria Stahlies De lijfarts verscheen in 2002; het is nog steeds een boek dat het lezen meer dan waard is.

    Het knappe van Maria Stahlie vind ik haar veelzijdigheid als romancier. Ze schrijft prachtig, componeert consciëntieus, met veel oog voor detail (schept er een genoegen in om met getallen te spelen en er een symbolische betekenis aan te geven) en tekent in heldere stijl scherpe psychologische portretten van haar personages, die tot op zekere hoogte worstelen met het leven.

    De lijfarts is een van haar mooiere boeken, vooral omdat het verhaal je in alle opzichten zo weet te boeien dat het je niet meer loslaat. Wanneer je De lijfarts hebt uitgelezen, vind je Egidius vast ook heel mooi.

     

     

    De lijfarts
    Auteur: Maria Stahlie
    Uitgeverij: Prometheus

    Het achtste leven (voor Brilka)

    Nino Haratischwili’s, Het achtste leven (voor Brilka), verscheen in 2014; een familie epos over acht levens uit zes generaties van de familie Jasji, in één ruk uit te lezen, althans als je even de tijd hebt. Het verhaal over deze familie uit Georgië speelt zich af in Rusland en beslaat de hele twintigste eeuw. Het knappe is dat de persoonlijke lotgevallen van deze familie ingebed worden in de politieke en sociale ontwikkelingen in Rusland, met name de jaren waarin Stalin aan het bewind was. Daarmee stijgt het ver uit boven het afzonderlijke leven van de diverse familieleden maar laat het ook zien welke invloeden die ontwikkelingen hebben op hun levens. Mooi geconstrueerd en prachtig beschreven door Brilka, de jongste telg uit het geslacht Jasji. Van haar wordt verwacht dat zij haar leven pas inricht nadat zij kennis heeft genomen van de levens van de voorgaande generaties. Haar tante Nitsa vertelt haar daarover en wij mogen meelezen.

    Een heerlijk boek om je in te verliezen.

     

     

    Het achtste leven (voor Brilka)
    Auteur: Nino Haratischwili
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Goudzand

    Wanneer je deze drie boeken uit hebt, wacht nog een mooi boek: Konstantin Paustovski, Goudzand bevat korte verhalen, dagboeken en brieven van de schrijver die nog niet eerder zijn gepubliceerd. Zijn zesdelige autobiografie De geschiedenis van een leven is één van de mooiste boeken uit de twintigste eeuw. Dan vraag je je af of daaraan nog iets kan worden toegevoegd: ja, dat kan dus! In Goudzand vertelt Paustovski de geschiedenis van Rusland vanaf de Eerste Wereldoorlog tot in de jaren 60. Deze geschiedschrijving lardeert hij met ontroerende brieven aan zijn vrouw, vrienden en collega-schrijvers. Hij moet ook oppassen met zijn publicaties omdat het Russische regime na de Tweede Wereldoorlog de kritiek van schrijvers op de Russische politiek en maatschappij niet duldde. Paustovski schreef kritische brieven aan Brezjnev en de partijtop wanneer er weer een collega werd gedwarsboomd in zijn werk of gevangen genomen werd.
    Een schitterend boek, prachtig geschreven, intrigerend om te lezen.

     

    Goudzand
    Auteur: Konstantin Paustovski
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot
  • De onbegrijpelijke muze van het boekenvak

    Jonathan Galassi debuteert met een satirische sleutelroman over de Amerikaanse uitgeverswereld Muse, vertaald als Toen boeken nog boeken waren. Galassi (1949) werkt al zijn hele leven in die wereld. Nu is hij directeur/uitgever van de New Yorkse uitgeverij Farrar, Straus and Giroux, bekend om haar Nobelprijswinnaars en de hoge kwaliteit van de boeken die zij uitgeeft. Galassi is behalve uitgever, ook dichter en vertaler van vooral Italiaanse boeken.

    Waar gaat zijn debuutroman over? Hoofdpersoon is Paul Dukach –alter ego van Galassi- die voor een uitgeverij, Purcell & Stern (P&S) gaat werken waar Homer Sterns (alter ego van Robert Straus) de scepter zwaait. De concurrerende uitgeverij, Impetus Editions, wordt gerund door Sterling Wainwright die de zeer succesvolle dichter Ida Perkins uitgeeft. Sterling is haar achterneef, met wie ze ook een relatie heeft gehad. Beide mannen gunnen elkaar niets en Sterns is erg jaloers op Wainwright; niet alleen omdat hij Ida Perkins uitgeeft maar ook omdat hij veel Nobelprijswinnaars in zijn fonds heeft.

    Ida Perkins werd al op jonge leeftijd geprezen om haar gedichten en zal haar hele leven blijven schitteren aan het literaire firmament tot zij in 2010 op vijfentachtig jarige leeftijd in Venetië overlijdt. Zij wordt beschouwd als een van de grootste dichters van haar tijd en president Obama heeft haar sterfdag uitgeroepen tot nationale vrije dag. Deze Ida Perkins is overigens een werkelijk fictief personage, zij staat niet model voor een bestaande Amerikaanse dichteres.

    Het hele verhaal is gedrapeerd rond Paul Dukach en zijn liefde c.q. obsessie voor de dichteres. Hij wil haar eigenlijk uitgeven maar zij zit bij de concurrent. Uiteindelijk weet hij op het einde van haar leven met haar af te spreken. Zij woont dan met haar man, graaf Leonello Moro di Schiuma, een notoire kunst- en vrouwenverzamelaar, in Venetië, in het zestiende eeuwse familiepaleis Palazzo Moro aan het Canal Grande. Wanneer Paul haar daar opzoekt wacht hem een aangename verrassing.

    Behalve over de relatie tussen Paul Dukach en Ida Perkins, gaat het boek vooral over het boekenvak in de VS. Veel bestaande schrijvers en de coterie eromheen passeren de revue; de lezer die goed is ingevoerd in het Amerikaanse boekenvak zal daarin veel herkennen, en kunnen (glim)lachen om de hilarische anekdotes die Galassi uit zijn rijke ervaring weet op te diepen en smeuïg opdist. Ook de Frankfurter Buchmesse en de wijze waarop uitgeverijen zich daar presenteren en handelen om uitgeefrechten komt uitvoerig aan bod. Wanneer verwacht wordt dat Ida Perkins de Nobelprijs voor de literatuur zal krijgen en gewacht wordt op de bekendmaking ervan, schrijft Galassie:

    ‘Na eindeloos lang wachten werd gezegd dat Hendrik David uit Nederland voldoende stemmen had weten te krijgen om de prijs in de wacht te slepen. Er werd gezegd dat hij dat al jaren verwachtte en dat hij elk jaar op de ochtend van de bekendmaking geduldig naast de telefoon zat.

    Maar het gerucht bleek niet waar te zijn. Dries van Meegeren, een andere, nog obscuurdere Nederlandse essayist, had gewonnen, en dat ontketende een ware run op de vertaalrechten, die nog beschikbaar bleken te zijn. Uitgevers uit de hele wereld, die nog nooit van de man hadden gehoord, dromden samen in de normaal gesproken lege Nederlandse hal in de hoop een Nobelprijswinnaar aan de haak te slaan. De stand van De Bezige Bij, de gelukkige uitgever van Van Meegeren, leek op een terminal van een vliegmaatschappij na een gecancelde vlucht. (David kwam de bittere teleurstelling nooit meer te boven en overleed enkele jaren later.)’

    Dit, voor de Nederlandse schrijvers niet zo complimenteuze citaat, is illustratief voor het boek. Het wemelt van dergelijke anekdotes en wie niet goed is ingevoerd in het Amerikaanse boekenvak, zal veel ontgaan. Veel personen passeren de revue, hun literaire prestaties, hun positie in de literaire Amerikaanse wereld, hun onderlinge verhoudingen en persoonlijke vetes, hun reisjes naar de Frankfurter Buchmesse, hun status aldaar, etc.

    Nu weten wij wel dat Hendrik David staat voor Harry Mulisch, maar Dries van Meegeren, wie wordt hier bedoeld? Wanneer je de talloze sleutels die in de roman staan niet kunt gebruiken, verliest het verhaal veel van zijn aantrekkingskracht. De schrijfstijl van Galassi geeft het boek ook meer het karakter van geschiedschrijving dan van een roman.

    En hoewel hij een vlotte pen heeft, kunnen al die anekdotes en plots een lezer die deze niet kan plaatsen niet tot het einde boeien. Zijn bedoeling om een satirisch inkijkje te geven in het wereldje van het Amerikaanse boekenvak, zal aan veel Europese lezers dan ook voorbij gaan.


    Toen boeken nog boeken waren

    Auteur: Jonathan Galassi
    Vertaald door: Lidwien Biekmann
    Uitgegeven door: Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen
    Aantal pagina’s: 238
    Prijs: €24,99

  • Nog steeds even mooi

    Nog steeds even mooi

    Weer was de langste dag voorbij.
    De dagen kortten nog nauwelijks
    merkbaar, maar wij wisten ‘t,
    ook deze zomer zou voorbijgaan’

    Zo begint het verhaal Mene Tekel in het gelijknamige boekje van Nescio en ik denk direct weer terug aan mijn middelbare schooltijd. Daar is mijn liefde voor literatuur ontstaan. Wanneer mijn leraar Nederlands geen zin had om les te geven, ging hij voorlezen en dan het liefst verhalen van Nescio. Dat kon hij heel goed en wij leerlingen waren een en al oor.  Het opnieuw lezen van Mene Tekel brengt die herinnering weer terug alsook de vreugde die het lezen van het proza van Nescio geeft. Het blijft een genot om hem weer te lezen!

    Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar publiceerde eerder al de deeltjes Dichtertje, Titaantjes en De Uitvreter, en dan nu Mene Tekel, mooi vormgegeven door Joost Swarte en geïllustreerd met zijn prachtige tekeningen. De tekstverzorging is van Lieneke Frerichs. En zo ontstaan kleine juweeltjes van boekjes.

    Mene Tekel verscheen vlak na de Tweede Wereldoorlog. Vier verhalen zijn tijdens of na de Eerste Wereldoorlog geschreven, de andere twee tijdens de Tweede Wereldoorlog. Des te meer valt het op dat in die vertellingen de oorlog geen enkele rol speelt, het gaat vooral om het leven in en buiten de stad en het filosoferen over het leven. Het mooie is dat de hooggestemde idealen van Bavink en zijn vrienden, hun ambitie om de wereld te veroveren zo relativerend wordt verwoord, dat het tegelijkertijd droefgeestig is.

    De zes schetsen spelen zich alle in Amsterdam en omgeving af. Vooral het titelverhaal, ‘Buiten-IJ’ en ‘Pleziertrein’ zijn sfeervol. Nescio’s beschrijving van het leven op het landlandschap en de opstelling van Bavink, Bekker en Hoyer die wel even de wereld zullen veroveren hebben weinig aan zeggingskracht verloren. Een voorbeeld uit Buiten-IJ:

    ‘Wij liepen van de stad af, wij stapten hard, de zolen van Hoyer, die heel waren, klepperden op de keien. Bavink zwaaide z’n stol boven z’n hoofd en ik gaf Hoyer een duw. Wij waren blij en uitbundig om niets, om ’t mooie weer, om den zonneschijn, om de lucht om ons heen, die wij ademden en om de lucht boven ons, die wij zagen. Wij gingen uit om de wereld te veroveren; alleen Hoyer geloofde daar niet aan, die wist niet beter dan datti op den Zeeburgerdijk liep, bij de slachtplaats.’

    Ook het laatste, zeer korte verhaal, geschreven op 3 augustus 1943, getiteld: ‘Dit jaar’, is een klein juweeltje:

    ‘Dit jaar kom ik nog al eens weer in Kortenhoef en sta dan op ’t kerkhofje, opzij van de kerk en kijk over ’t land naar den rand van het Gooi en den toren van Hilversum. Een laatste klaproosje ging verleden week heen en weer op een zuchtje wind. In ’t kromme pereboompje kregen de peertjes al wat kleur. Het is dan weer het begin van de eeuw. Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd. “Het leven heeft me veel geleerd”, zegt de oue sok.’

    De meeste van deze verhaaltjes zijn meer dan 100 jaar oud; het – weer – lezen en waarderen vraagt wel van de lezer datti zich kan verplaatsen in die tijd. Maar als dat lukt, kan hij genieten van het proza van Nescio dat nog steeds prachtig is om (voor) te lezen.

    Mene Tekel

    Auteur: Nescio
    Met tekeningen van: Joost Swarte
    Uitgegeven door: Nijgh & Van Ditmar Amsterdam
    Aantal pagina’s: 53
    Prijs: €18,99

  • Dood aan de Universiteit!

    Dood aan de Universiteit!

    Wijnberg heeft een absurdistische roman geschreven over de universitaire gemeenschap. Hoofdpersoon is een student van de ‘Janprofessor’, met een Ex, en een Fanclub met vriendinnen van de Janprofessor. Die Fanclub heeft hij van zijn professor aangeboden gekregen en hij mag zelf bedenken wat hij met de Fanclub wil doen. Dat lijkt de Janprofessor  beter dan dat hij alleen maar zou studeren, hij stelt hem zelfs vrij van de studie en geeft hem voldoendes voor tentamens die hij helemaal niet aflegt. De student krijgt van de Janprofessor het voorstel ‘te proberen de doden door hem te laten spreken’, hoewel de ik-verteller geen idee heeft hoe hij dat moet doen. Wel doet hij met die vriendinnen uit de Fanclub apart dingen, zoals de Italiaanse taal leren of goochelen. Soms komen ze bij elkaar en spreken over de meest uiteenlopende onderwerpen zoals ‘het klaarkomen’.

    Op de eerste bladzijde van het boek krijgt de absurditeit al direct vorm.
    Zo is er een Coca-Cola professor in marketing die drie mensen heeft doodgeschoten. Hij had een aanstelling in de VS en daarnaast een kleine aanstelling aan de VU. ‘VRIJE UNIVERSITEIT ONTSLAAT MOORDENDE PROFESSOR, koppen de Nederlandse kranten. Er is ook tenminste één Pepsico-professor in marketing. Die komt uit Nederland maar werkt in Dallas en Houston, al heeft hij ook nog een gastaanstelling in Tilburg  of Groningen of allebei.’ Daarnaast passeren de Persoonlijkheidstestprofessor, Grote Wanja, UHD Weltevree en UD Willem Twee de revue.

    Wat volgt zijn diverse bizarre voorvallen en gebeurtenissen die symbool staan voor het verval van de academische gemeenschap. Het zijn incidenten die weinig met elkaar te maken hebben, er zit geen lijn in. Soms hilarisch om te lezen, maar vaker niet. De realiteit is veelal zo ver te zoeken dat de ironie en het sarcasme hun doel voorbij schieten. Je kunt de absurditeit ook te ver doorvoeren en dan wordt het lastig om de aandacht van de lezer 200 bladzijden lang vast te houden.

    Het boek eindigt met een huilende Janprofessor, die ‘in de afgelopen week iets heeft opgeschreven over lang geleden, over wat ik me herinner van wat er vijfentwintig jaar geleden in Rotterdam is gebeurd, toen ik daar mijn proefschrift schreef en in de jaren daarna’. Dan volgt een heldere reconstructie van een conflict in een benoemingscommissie van de Erasmus Universiteit van Rotterdam waar de promotor van de nu Janprofessor een hoofdrol in speelde en slachtoffer van werd. Een reconstructie die herkenbaar is en model staat voor benoemingsconflicten ook op andere universiteiten.  Maar ook niet nieuw, want W.F. Hermans schreef er al in 1975 over (Onder Professoren) en wie de biografie van Otterspeer over hem heeft gelezen, ziet veel gelijkenis met de gang van zaken ten tijde van Hermans’ lectoraat aan de Universiteit van Groningen.

    Het is een te serieus einde van een lichtvoetig boek dat vooral een ironisch en sarcastisch portret schetst van de moderne academische gemeenschap.


    Alle collega’s dood

    Auteur: Nachoem Wijnberg
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Aantal pagina’s: 203
    Prijs: €18,90