• Suikerfeest

    Suikerfeest

    Ik zag haar op het station, leunend tegen de muur van het gebouw: een heel oude vrouw, gekleed in de traditionele bonte klederdracht van de noordelijke stammen in Marokko. Ze was blijkbaar net aangekomen en stond te wachten totdat iemand haar kwam halen; ze had een grote koffer bij zich, op bezoek bij familie in Nederland. Ze keek rond, vriendelijk en nieuwsgierig naar de mensen die zich haastten naar de trein of juist vlug naar huis wilden gaan. Zij keken op hun beurt onderzoekend naar de kleine oude vrouw, die daar stond als een vlammend schilderij van Delacroix in zijn oriëntaalse periode. Ze viel op, niet alleen door haar kleurrijke verschijning, maar door haar levenslust en haar belangstelling voor alle nieuwe dingen om haar heen. De ouderdom had alleen haar uiterlijke verschijning aangetast, maar het kind dat uit haar ogen keek, was nooit helemaal weg geweest. 

    In een impuls liep ik naar haar toe, en nadat ik mijn kleine beetje Arabisch had afgestoft en opgepoetst begroette ik haar en wenste haar een goede vastentijd en alvast een gezegend Suikerfeest, want het einde van de maand ramadan was op handen. Tot mijn verbazing was ze niet verrast door het feit dat een onbekende in een vreemd land zomaar ineens haar taal sprak: haar gerimpelde gezicht met de kwieke oogjes begon plotseling te stralen alsof de zon erop scheen, ze hief haar handen ten hemel en strooide haar dankbetuigingen over me uit in radde en opgetogen taal, waarvan ik alleen het woord ‘binti’, mijn dochter, verstond. Haar hoge vogelstem was vrolijk en ze liet haar woorden vergezeld gaan van haast dansende gebaren, terwijl ze mijn handen vastpakte. Ik verstond niets en begreep alles. Voor heel even waren er geen grenzen, niet van taal, leeftijd of land van herkomst. 

    Als daar muziek voor is, wil ik het horen:
    ik wil muziek voor oude mensen, die nog krachtig zijn,
    en omgeploegd met lange, diepe voren
    en ongelovig. Die de wellust en de pijn
    nog kennen. Die bezaten en verloren.
    En àls er wijsheid is,
    die geen vermoeidheid is,
    en helderheid, die geen versterving is,
    wil ik die zien, wil ik die horen.
    En anders wil ik zot en troebel zijn.

    (Vasalis, uit: Vergezichten en gezichten, 1954)

    Uit mijn ooghoek zag ik een jonge man naar ons toe komen met een bos autosleutels in zijn hand, misschien degene die de oude vrouw kwam halen, een kleinzoon of een achterkleinzoon. Daarom nam ik afscheid van de oude vrouw die nog steeds de zegeningen van de hemel over me afsmeekte. Ik liep naar het spoor op het station zonder te wachten op de man om uitleg te geven over wie ik was en wat ik deed: ik wilde niet onbeleefd zijn, maar hoe had ik hem van dit eeuwige moment moeten vertellen? Zo geweldig is mijn kennis van het Arabisch nu ook weer niet.

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Hospice

    Hospice

    November is voor de doden. De ochtendmist trekt langzaam op als we de stad uitrijden naar een hospice in de polder. Je kunt daar sterven met uitzicht op nieuwbouwwijken. Een man verwelkomt ons met zijn elleboog. ‘Voor de herdenking?’ Er is koffie, een roomsoesje. In de huiskamer klinken de stemmen van zo’n twintig mensen. Daar zijn alle voorzorgsmaatregelen verdwenen. Mondkapjes hangen aan polsen, geen anderhalve meter. Tussen de mensen herken ik een gezicht van vroeger, een gepensioneerd diëtist. In de afgelopen maanden zijn hier zeventien mensen gestorven. Ook de vriendin van mijn vriendin. Een hospice draait veelal op vrijwilligers en goede wil. Daardoor was ik getuige van de lastige balans tussen afstand en nabijheid. Een vrouw met een door zonnebank en drank getekend gezicht, heet iedereen welkom. Al improviserend vecht ze vanaf het begin tegen haar tranen. Bij het noemen van de overledenen klinken toevoegingen als ‘dat was ook een lieverd’ en ‘och, we zullen haar nooit vergeten’.

    Naast haar stond de diëtist met een glas rode wijn in zijn hand. Om zijn emoties onder controle te houden, knipperde hij bij elke naam zenuwachtig met zijn ogen. Een andere vrijwilliger zong een lied en schoot ook vol. Ze beet op haar lippen, schudde haar hoofd terwijl een karaoke-piano op cd nog een halve minuut Droomland afspeelde. Al die tijd vermeed ik naar mijn vriendin te kijken. Haar manier van rouwen is gieren van het lachen – en alles wat nu gebeurde, voedde haar. Een medeplichtige blik zou werken als ventiel. Het ritueel duurde kort. Familie mocht iets op een kaartje schrijven en aan een roos bevestigen. Voor elke overledene werd een waxinelichtje aangestoken, er was een korte één- minuut-stilte en toen, als een opluchting, kwamen uit de keuken bladen vol rode en witte wijn en prosecco. De diëtist verruilde als één van de eersten zijn lege glas voor een vol. Ik vroeg om Spa Rood maar die bleek niet koud te staan. Dan maar water uit de kraan. 

    ‘Het hoort er helemaal bij,’ fluistert mijn vriendin. ‘Als ik op bezoek kwam, zaten ze bij elkaar in de zusterpost te pimpelen. Elke keer weer.’ Haar vriendin, die best lang in het hospice had doorgebracht, had haar smakelijk verteld over een vrijwilliger die medicatie kwam brengen:
    ‘Goedenavond, dit zijn uw pillen tegen de diarree.’
    ‘Diarree? Ik heb helemaal geen diarree.’
    ‘O.’ Blik op het doosje. ‘Het zijn pillen tegen de pijn.’
    ‘Maar ik heb geen pijn!’
    ‘Dan zijn ze ergens anders voor. Wel met water innemen.’

    Ik zag er wel een hospiceroman in. Bestaat die al? Een vrouw wacht op haar einde en noteert in een geheim schriftje wat ze meemaakt. ’s Nachts schiet ze soms wakker van het geraas en gerinkel in een glasbak. Poëzie, dat had ik gemist vandaag. Het werkelijke moment van verstilling. Daarom zocht ik toen we terug naar de auto liepen naar Vasalis op mijn telefoon.

    ‘Sub finem’

    En nu nog maar alleen
    het lichaam los te laten –
    de liefste en de kinderen te laten gaan
    alleen nog maar het sterke licht
    het rode, zuivere van de late zon
    te zien, te volgen – en de eigen weg te gaan.
    Het werd, het was, het is gedaan.

     

     


    Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.