• Oogst week 2 – 2020

    Vanuit het duister stralend licht

    De oogst van dit nieuwe jaar bevat twee titels uit het oude jaar, waaronder een literair tijdschrift, een nieuwe uitgave van de duizend-en-één-nacht vertellingen en de deze week verschenen roman over David Livingstone.

    Toen de Schotse ontdekkingsreiziger David Livingstone in 1873 in een klein gehucht in West-Afrika overleed, besloten zijn rouwende bedienden zijn lichaam naar de dichtsbijzijnde havenstad te brengen om hem te verschepen naar zijn thuisland voor een waardige begrafenis. Een tocht van tweeënhalf duizend kilometer wordt te voet afgelegd, het ontzielde lichaam van Livingstone op schouders gedragen. Met dit gegeven, en na veel onderzoek naar de feiten, schreef de in Zambia geboren schrijfster en advocate Petina Gappah de roman Vanuit het duister stralend licht. Ze heeft voor deze roman meer dan tien jaar historisch onderzoek gedaan, maar benadrukt dat het een roman is. In de proloog wordt op de geschiedenis vooruit gelopen: ‘Tijdens de lange, gevaarlijke tocht om hem naar huis te brengen, verloren tien leden van ons gezelschap het leven.’ Het verhaal van de tocht wordt verteld vanuit twee perspectieven, de mondige Halima en de diepgelovige Jacob.

    Vanuit het duister stralend licht
    Auteur: Petina Gappah
    Uitgeverij: AtlasContact

    De vertellingen van duizen-en-één-nacht

    De verhalen uit Duizenden-en-een-nacht zijn zo oud als de mensheid. Aanvankelijk dacht men dat de verhalen oorspronkelijk Perzisch waren. Later ontdekte men dat deze verhalen afkomstig zijn uit verschillende Arabische landen, deels van het Indiase subcontinent en uit Afrika. Het verhaal gaat dat het meisje Sjarazaad zich vrijwillig aanmeldt als een van de meisjes die koning Shahriaar elke nacht uit het volk kiest om met haar te slapen, de volgende ochtend wordt het meisje van die nacht omgebracht. Dit, omdat de koning eens bedrogen werd door zijn vrouw, wat hem niet weer zal gebeuren als hij ze steeds ombrengt. Maar Sjarazaads vertelt hem elke nacht zo’n mooi verhaal dat hij hongert naar meer. Ze houdt dit 1001 nachten vol, waarna de koning zoveel van haar houdt dat hij haar tot zijn definitieve vrouw maakt. Wat een mooi sprookje, en al haar verhalen zijn over de hele wereld heen vertaald. Richard van Leeuwen vertaalde al in de jaren negentig deze erotische sprookjes. Voor deze uitgave koos Van Leeuwen de mooiste passages die Floris Tilanus met prachtige pentekeningen illustreerde.

    De vertellingen van duizend- en-één-nacht zijn veelal liefdesverhalen, erotische passages, (imaginaire) reisverhalen en zelfs schelmenromans.

    De vertellingen van duizen-en-één-nacht
    Auteur: Gekozen en vertaald door Richard van Leeuwen
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Terras

    Het halfjaarlijkse literaire tijdschrift Terras bevat net zoveel pagina’s als waarin een goede roman verteld wordt. Deze zeventiende editie draagt het thema ‘Theater’. De redactie onderzocht wat er met een tekst gebeurt als je hem in het theater brengt. En wat je moet doen met een tekst om er theater van te maken. En vervolgens: wat gebeurt er als een toneeltekst in een literair tijdschrift verschijnt? Van Terras is bekend dat het de literaire grenzen opzoekt, eroverheen gaat, zo ook met het thema ‘Theater’. Met een niet eerder vertaalde theatertekst van schrijver Roland Barthes, De kracht van de klassieke tragedie, in vertaling van Walter van der Star. Een stuk uit 1968 van de Italiaanse auteur en filmmaker Pier Paolo Pasolini, Manifest voor een nieuw theater, vertaald door Piet Joostens, is gericht aan ‘De lezers’ en begint zo:
    ‘ 1) Het theater waar jullie op zitten te wachten zal, ook al is het volkomen nieuw, nooit het theater kunnen zijn waar jullie op zitten te wachten. Immers, als jullie op een nieuw theater zitten te wachten, dan doen jullie dat onvermijdelijk in de context van de ideeën die jullie al hebben, meer nog, iets waar jullie op zitten te wachten is iets wat op een bepaalde manier al bestaat.’ Wat een meesterlijke gedachte is en waarmee de redactie van Terras voortschrijdend uit de voeten kan; niets is volgens de verwachting in dit tijdschrift, maar des te prikkelender als je je erin verdiept. En wie verdieping zoekt, komt terecht bij Terras.

    Verder bevat dit nummer onder meer bijdragen van de Cubaan Carlos A. Aguilera, de Noor Johan Harstad, de Zwitser Jürg Federspiel en de Oostenrijkse Kathrin Röggla. Binnen het Nederlands taalgebied haalden ze toneelauteurs Bruno Mistiaen en Dounia Mahammed uit de literaire schaduw.

     

    Terras
    Auteur: Onder redactie van Kim Andringa, Tommy van Avermaete, Herman van Bostelen, e.a.
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Trucs

    Trucs

    Al een paar dagen verkeer ik in het hoofd van een drieënzestigjarige man in de nabije toekomst. Er zijn robots op dienstverlenende plekken, iedereen heeft een basisinkomen, het leven lijkt eentonig. De man wordt nergens verwacht en het regent nogal veel. Ook denkt hij vaak: ‘Ik ging niet met hem in discussie hierover!’ Zijn moeder, die hij twintig jaar wekelijks bezocht, is op honderdjarige leeftijd overleden. Dan komt een oude bekende hem ophalen, waarheen het gaat is voor de man niet duidelijk. Alles blijft op afstand. Wat aanzet tot een verlangen naar empathische verhoudingen, naar contactmomenten. Na honderd bladzijden heb ik nog geen idee waar het heen gaat en wil ik uit dat hoofd.
    Ik lees een ander boek over  een liefdesrelatie die na twintig jaar door de vrouw verbroken wordt. De man ervaart het als een natuurramp, de vrouw als een bevrijding. Er zijn kinderen, die vinden het vooral gênant en onbegrijpelijk. Ik wordt er door geraakt, vraag me af wat liefde nu eigenlijk is. Tussen neus en lippen door lees ik verder in De goede zoon, waarbij ik ergens in de kantlijn krabbel: ‘langdradig, raakt me kwijt’. Wat ik mezelf verwijt.

    In het boek over de liefde: ‘Als je elkaar leert kennen is er ontzag voor de ander, een heel mens, met een heel leven, een geschiedenis los van jou, een mysterie dat zich voor je opent, een uitzicht dat zich ontvouwt, je bent behoedzaam en verbergt wat minder fraai is van jezelf, (..).’ Begint daar het bedrog, het misverstand dat de relatie onontkoombaar naar een einde voert?
    Een liefdesverbond  is dansen langs de afgrond want, ‘Je begint je te bemoeien met elkaars gewoonten, je begint elkaar te leren waar je je voeten moet zetten, wat je moet eten of dragen of zeggen, je stemt je smaak en je bedtijd op elkaar af, je voelt je verantwoordelijk voor het gedrag van die ander in het openbaar.

    In de laatste honderd bladzijden over de zoon voert een sprekende robotauto hem naar een onbekende bestemming. Tijdens de twee dagen durende reis ontstaat er een band tussen hen, er ontstaat contact. Er zijn prachtige scenes in een bos, de afstandelijke zoon wordt menselijk. Dan vertelt hij over zijn moeder, dat ze op een dag buiten zaten, over een heidevlakte uitkeken en zijn moeder op volkomen natuurlijke wijze zei, ‘Ach wat is dit prachtig’. Zonder komma. Ze zei het niet voor hem. Het klonk, zegt de zoon, ‘berustend, zonder al die trucs die ze zichzelf in het contact met anderen had aangeleerd omdat ze op die manier de meeste respons kreeg.’ Het is een openbaring zijn moeder als autonoom figuur te zien. Dit was het moment waarnaar je verlangt, het hele boek door. Als een E.T. ervaring, wanneer E.T. zijn vinger tegen het voorhoofd van het jongetje Elliot legt en met die trage stem: ‘Phone Home’ zegt. Ik had geen idee waar dit boek me brengen zou. Wat een ingenieus geschreven toestand.

     

    De goede zoon, Rob van Essen (Atlas|Contact)
    Cursiefgedrukte uit: Liefde, als dat het is, Marijke Schermer (Van Oorschot)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest dagelijks.

  • Oogst week 37

    Flessenpost uit Reykjavik

    Drie Nederlandse auteurs in de oogst van deze week, een schelmenroman, een reflectie op een leven als immigrant in IJsland en een poëziebundel, ontstaan in de strijd tegen tinnitus.

    Laura Broekhuysen (1983) studeerde viool aan het Conservatorium van Amsterdam, maar met schrijven was ze er al vroeg bij. In de laatste jaren van haar VWO opleiding schreef ze een jeugdboek Zand erover (Lemniscaat 2002). In 2014 verhuisde ze met man en kind naar IJsland waar ze het schrijven weer oppakte. Flessenpost uit Reykjavik is haar vierde boek, een reflectie op haar immigrant zijn, haar drietalige huishouden, op het pendelen tussen fjord en stad – en op het achtergelaten Nederland, dat naarmate de tijd verstrijkt steeds meer op een verhaal gaat lijken en IJsland de enige realiteit is want, ‘Het lastigste van IJsland is dat je er niet meer weg wilt als je er eenmaal woont,’schrijft ze in haar boek. Binnenkort de recensie!

    Flessenpost uit Reykjavik
    Auteur: Laura Broekhuysen
    Uitgeverij: Querido

    De heilige

    Twaalf jaar geleden was Martin Michael Driessen (1954) nog regisseur, dertig jaar werkte hij voor Duitse theaters en regisseerde vele toneel- en operavoorstellingen. Toen koos hij ervoor zich te settelen in Nederland, voor het isolement van Puttershoek om zich meer (in 1999 verscheen zijn eerste roman Gars al) op het schrijven te gaan richten. De heilige is zijn achtste roman en draagt als ondertitel Een schelmenroman.

    Over Donatien, geboren in het jaar van de Franse Revolutie en de verteller van deze roman. Hij leeft in de tijd van Victor Hugo, die hij ook ontmoet. Hij helpt bij het opstellen van de Schaal van Beaufort en rondt Kaap Hoorn tijdens een krankzinnige expeditie. Als struikrover maakt hij de Vogezen onveilig en wordt aanbeden door mannen en vrouwen
    Zijn persoonlijkheid is net zo veranderlijk als zijn moralistische instelling. Dan weer heet hij Donatien, dan weer Donatienne, en ten slotte Dieudonné. Uiteindelijk zal hij de geschiedenis ingaan als de heilige Dieudonné van Metz.

     

    De heilige
    Auteur: Martin Michael Driessen
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Niet het krassen van de kraai

    A.H.J. Dautzenberg lijdt aan tinnitus en noemt dit zelf: auditieve kanker. Meestal kan hij het kabaal in zijn kop redelijk verdragen, maar soms wordt hij nagenoeg gek van de nucleaire ruisgeluiden. Het is een steeds weer zoeken naar een manier om hiermee om te kunnen gaan. Tijdens een snorkelvakantie op het stille eiland Gozo kreeg hij echter een lumineus idee. ‘Wanneer ik weer eens opgesloten zit in een knipperende tl-lamp, een slijpende tandartsboor of een piepende remschijf probeer ik het atonale lawaai enige lyriek en schwung mee te geven, een cantabile melodie.’
    Dautzenberg keerde van het eiland terug met een bundel tinnitusgedichten. Waarmee hij zijn binnenwereld een beetje bewoonbaar houdt. Een bespreking van deze bundel is binnenkort te verwachten.

     

    Niet het krassen van de kraai
    Auteur: A.H.J. Dautzenberg
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Geluk met een hamer

    Geluk met een hamer

    Tussen de regels door ontstaat het inzicht, daar waar je het laat afweten verschijnt een witregel, naar behoefte in te vullen. Moeders zijn verantwoordelijk voor het geluk van hun kinderen en (oh nee) van hun man. Jawel, het komt (nog) voor dat vrouwen die gedachte aanhangen. Geluk moet zo nu en dan met een klap van de hamer uiteen geslagen worden om het contact met de werkelijkheid niet te verliezen. Ook het zoeken naar een betere, idealere versie van onszelf en de ander, het beter presteren, lief zijn en alles sans rancune, mag gestaakt worden.

    Andrea zit in het onderwijs en heeft samen met Tjibbe (oogarts, betweterig type) twee kleine kinderen. De compromissen, het eeuwige goede voorbeeld geven, de teleurstellingen, het venijn (altijd in de staart) die hun samenleven beheerst, maken Andrea wanhopig. Alles normaal, alle in orde, is het mantra waarmee ze haar leven op de rails houdt. Ze zegt enkel wat de ander wil horen. Haar gedachten zijn verontrustend. Zo laat ze in gedachten Tjibbe dood gaan in zijn slaap. Het zou haar het gedoe en de schaamte van een scheiding besparen. Ze zou oprecht verdrietig zijn, dat wel. Dan: als het werkelijk zou gebeuren, is het haar schuld, haar gedachte moet zijn dood wel in werking hebben gezet. Deze grenzeloze en moreel niet aanvaardbare gedachten geven aan hoe beklemmend het leven kan worden.

    In een van die opwellende gedachten ziet Andrea hoe ze haar tegenspartelende jongste van de commode afduwt of door  het openstaande raam naar buiten gooit. Weg ermee. Ze breekt een derde zwangerschap af zonder Tjibbe hierover in te lichten (wat niet weet, wat niet deert). Drie weken na de ingreep gaat ze naar een onderwijsconferentie in Helsinki. Op de ochtend van vertrek krijgt ze het stikbenauwd. Als een gewond dier verschuilt ze zich in het berghok op de zolder van hun huis. Drie tassen met boodschappen om de komende dagen (tot ze wordt terugverwacht uit Helsinki) door te komen, sleept ze mee naar boven. Terwijl Tjibbe denkt dat ze in Helsinki een conferentie bijwoont, ligt Andrea op zolder in een slaapzak op een matje haar leven te overdenken, scenario’s te bedenken over hoe nu verder en volgt ze gespannen de geluiden in huis als die opeens ernstig dichtbij komen.

    En dan is er de angst voor de onoverbrugbare afstand die ze tot Tjibbe voelt:
    ‘Ik kan die verwijdering niet benoemen zonder ons gezin kapot te maken. Alles is met elkaar verbonden. Zodra ik die worsteling woorden geef, is het onomkeerbaar, die woorden kruipen nooit meer terug in je strot. Ze zullen voor altijd de lucht doen trillen.’

    Onderdak van Elisabeth van Nimwegen is een beklemmende roman over samenleven, een gezin vormen. Zonder twijfel worden hier de benauwende gedachten van veel jonge mensen verwoord. Met een sterk en ja, hilarisch einde. Andrea zegt gewoon wat ze denkt. Wetend dat wat ze zegt niet is wat de ander wil horen.

     

    Onderdak werd uitgegeven bij Van Oorschot (2018).


    Inge Meijer is een pseudoniem. Ze leest de godganse dag en schrijft daarover.

  • Oogst week 22 – 2019

    Schemerland

    Drie titels van Nederlandse auteurs, Adam van Wanda Reisel, Ik ga het donker maken in de bossen van Tsead Bruinja en het debuut Schemerland van Berthe Spoelstra.

    Berthe Spoelstra (1969) is huisdramaturg van het Frascati Theater en schreef verschillende essays over het theater. Schemerland is haar romandebuut over een oude vrouw die niet meer praat en een passief leven leidt in haar Parijse appartement. Zittend in haar stoel kijkt Jeanne enkel naar het kleed aan haar voeten en de schilfers op het plafond. Haar kinderen vinden dat het zo niet langer kan en willen haar verhuizen naar een verzorgingshuis. Jeanne heeft ondertussen te maken met spoken uit het verleden en het onvermijdelijke einde. Zittend in haar stoel, aanschouwt ze via de televisie hoe de wereld, net als zij, ten onder gaat. De uitgever noemt het boek ‘een taalbouwwerk over menselijk onvermogen’.

    Schemerland
    Auteur: Berthe Spoelstra
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Ik ga het donker maken in de bossen van

    Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja (1974) debuteerde in 2000 met de Friestalige dichtbundel De wizers yn it read, in 2003 verscheen zijn eerste Nederlandstalige bundel Dat het zo hoorde. Hij is altijd in het Nederlands en het Fries blijven schrijven. Zijn recentste bundel is Hingje net alke klean op deselde kapstôk / Hang niet alle kleren op dezelfde kapstok (Afûk, 2018). Daar volgt nu de nieuwe bundel Ik ga het donker maken in de bossen op.

    In deze bundel figureren bomen, brommers, vliegtuigen, bossen, cirkelzagen, Nederland en politiek. En volgens zijn uitgever spat het talent ‘in al zijn facetten van deze nieuwe bundel af’ en is Bruinja een dichter die het gevoel en het experiment in zijn werk toelaat. ‘als deze wereld onderdeel is van iets wat één is / dan is dat één een één waaraan iets mist’.

    Volgens de benoemingscomissie ‘Dichter des Vaderlands’ is Bruinja ‘een bevlogen ambassadeur voor de poëzie in de breedste zin: als bloemlezer, performer op podia en in de media, organisator van evenementen en aanjager van kruisbestuivingen met andere kunstvormen. Hij beweegt in zijn vaak geëngageerde poëzie moeiteloos tussen binnenwereld en buitenwijk – en waar het wel moeite kost, levert dat spannende poëzie op.’

    Ik ga het donker maken in de bossen van
    Auteur: Tsead Bruinja
    Uitgeverij: Querido

    Adam

    Wanda Reisel schrijft sinds 1985 romans, filmscenario’s en theaterstukken. Adam is haar twaalfde roman en kwam begin dit jaar uit. Het gaat over een man die onder en boven de wet leeft en daarmee weg denkt te komen. Het boek opent met een spectaculaire beschrijving van een aanslag op het Monument op de Dam, dat met een klap uit elkaar knalt. Er zijn vele gewonden en doden. Adam Landau is ter plekke en neemt het besluit het geluk naar zijn hand te zetten. Dat doet hij door in het geheim miljoenen naar banken in het buitenland over te sluizen. Hij reist over de wereld, van Amsterdam, via Zürich en Shanghai, om zich later terug te trekken in een doodstil fjord in Noorwegen. Ondertussen worstelt hij met de consequenties van zijn daad en met zijn vrijheid.

    Adam
    Auteur: Wanda Reisel
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Poëzie vol spontane wendingen en lekkerbekkende woorden

    Poëzie vol spontane wendingen en lekkerbekkende woorden

    De disciplines die dichteres, actrice en beeldend kunstenares Roberta Petzoldt beoefent, leiden haar kunst langs vele wegen. Uiteenlopende invloeden die samenkomen in de stroom van gedichten in de bundel Vruchtwatervuurlinie. Woorden die verrassende beelden vormen, zinnen die een uitgesproken rol lijken te spelen en strofes die als een wonderlijk vuurwerk boven je hoofd blijven hangen. Petzoldt doet de taal sprankelen en brengt met haar veelvormige invalshoeken de lezer het hoofd op hol, zonder dat deze de gelegenheid krijgt af te haken. Niet voor niets dat de debuutbundel van deze avontuurlijke dichteres beloond is met een nominatie voor de C.Buddingh’-prijs 2019. Op 16 juni wordt bekendgemaakt wie van de vier debutanten (Obe Alkema, Gerda Blees, Roelof ten Napel, Roberta Petzoldt) met deze belangrijke trofee naar huis gaat.

    Wees welkom

    In Vruchtwatervuurlinie zijn de eerste regels van het eerste gedicht ‘Aspect ratio’ meteen al een uitnodiging om de wereld van Petzoldt te betreden: ‘Toen ik leerde dat het leven niet gratis was/ ben ik moed gaan verzamelen.’ Na een uiteenzetting van verschillende situaties waarin de dichter zich weerbaar weet te maken (‘Toen verzamelde ik moed om me te verdedigen/ ik trapte het meisje dat mij treiterde onderuit.’) eindigt deze opsomming met de vaststelling ‘ik heb nog niet genoeg moed verzameld om vrij te zijn.’

    Experiment

    Juist de vrijheid, en de moed om daarmee om te gaan, is kenmerkend voor de verzen in Vruchtwatervuurlinie. Met grote gebaren iets aanraken dat tegelijkertijd wordt teruggebracht tot een kleine en persoonlijke observatie. Dat is de krachtige vorm waarmee volop geëxperimenteerd wordt, geheel surrealistisch of op meer klassieke wijze. Zoals in:

    ‘Ik zou willen dichten over de leeuwerik’:

    die ik hoorde voor ik hem zag
    en langs
    zijn toonladder klimt naar het hemeldak.
    Biddend stipje zo hoog in het zwerk
    hoger dan de scherpe kerk
    die als een speld uit de horizon stak.

    Vertellen over hoe ik stopte en de lach|
    die door mij heen brak.|
    Daarna de tranen die stroomden en
    voelden als pijn en geluk tegelijk.

    Geluk dat de natuur nooit haar geloof
    in de schoonheid verloren had.
    Pijn dat ik het deze winter
    toch weer vergeten was.

    Maar hoe dicht ik over een vogel
    die zo vaak is bezongen.
    Wiens lied altijd hoger vliegt
    en me woordeloos heeft doordrongen.

    Knappe prestatie

    De eenvoud van de beleving wordt versterkt door het onverwachte rijm dat hier en daar opduikt als een opgestoken vingertje om de lezer bij de les te houden. Geen structureel rijm, dat zou het losse verband van dit vers in het harnas van de vaste vorm dwingen. Het is de haast Vasaliaanse toon die door Petzoldt wordt gebruikt, die deze gedichten zowel van een zweverige ruimte als een kernachtige nadruk voorzien. Dat is een knappe prestatie, waarbij de dichter zich zonder grenzen moet kunnen laten gaan omdat het anders een geforceerde exercitie dreigt te worden.

    Klankervaring

    De taal van Petzoldt vormt een breed universum aan goed geconstrueerde zinnen, vol spontane wendingen en lekkerbekkende woorden. Verzen die uitnodigen om hardop gelezen te worden om het ritme van bepalende woordgroepen ten volle te ervaren. In ‘Mesdag’ worden de eerste drie strofes in de steigers gezet door een opeenvolging van: ‘badderende rotganzen roddelend over de lente’ en ‘troggelde’ en ‘roffelde’ en ‘binnensmonds getokkel van de lekkere dikke fladderkippen’. Zo wordt poëzie een spel tussen muzikaliteit en mondbeweging, bijna zoals een singer-songwriter kan genieten van het ‘vette loopje’ in zijn tekst dat keer op keer herhaalt dient te worden.

    Na deze klankervaring die nog natrilt in het hoofd volgen een aantal regels die de surreële wereld extra gewicht geven, om uiteindelijk uit te komen bij een eindstrofe waarin de wonderlijke gevoeligheid van Petzoldts gedichten aan de oppervlakte komt:

    (…)
    De scherpe ochtend die door de gordijnen snijdt, mijn
    broze dromen opensplijt.
    Was de nacht uit mijn ogen en leg me terug
    op het witte lakenstrand
    laat het licht over mijn huid glijden
    neem de zon in mijn mond.

    Avontuurlijk dichtspel

    Zo ontroerend schrijven over zoiets eenvoudigs als ontwaken, dat tekent de reikwijdte van de poëzie van Petzold. Een aantal pagina’s verder stuiten we op de meer abstracte vorm, waarmee ze de beeldende kunst in haar verzen laat infiltreren. Het gedicht ‘Failure notice – Herrijzenis’ is verticaal op de pagina’s geplaatst en bestaat uit een doorlopend geheel dat is opgebouwd uit losse flarden tekst. Samen met een veelheid aan typografische interpunctie en andere symbolen vormt dit een beeld dat nog het meest op een uitvoerig en eenzijdig WhatsApp-gesprek lijkt. In kleine stukjes te consumeren, zoals onze hedendaagse mobiele communicatie, vormt dit avontuurlijke dichtspel een goede onderbreking in de bundel.

    Vele registers

    Ten slotte is het zaak nog eens te benadrukken hoezeer deze dichter verschillende registers weet te bedienen. Klein en intiem, groots en overheersend, van springerige abstractie tot de nauwkeurige weergave van een authentieke emotie. Het is vooral deze afwisseling die laat zien hoe het Buddingh’ waardige talent van Roberta Petzoldt naar alle kanten uitwaaiert en toch op het juiste moment weer samenkomt. Zoals in het magistrale gedicht:

    ‘Voor je het weet’

    Ik wist voor het eerst dat een jaar een getal bezat
    en schreef 1990 onder elke tekening die ik gemaakt had.

    Mijn broer verbood mijn moeder de manke strijkplank
    op straat te zetten
    ik bewaarde scherven van de eerste koffiepot die ik zag sneuvelen.
    Twee melancholische kinderen die als cipiers over
    het huisraad waakten.

    We huilden met het smelten van Sylvain de sneeuwman
    de vriend die dankzij de gratie van het vriespunt leefde
    en we begrepen dat je nooit iets twee maal maken kunt.

    Onder de douche dacht ik:
    Dit is misschien het hoogtepunt van mijn leven
    staarde naar steeds veranderende waterregen
    verbond de druppels op de badrand met elkaar.

    Ik zag hoe mijn kindertijd eindig was
    had heimwee naar de zelf die dit dacht.

    Gehypnotiseerd door cohesie en zwaartekracht
    liet ik de druppels tijd
    langs mijn lichaam
    door de afvoer glijden.

     

  • Een tirade van…

    Een tirade van…

    Het leek een leven geleden dat ik me onder flanerende wandelaars en fietsers bevond. Met geknepen ogen tegen het zonlicht fietste ik over de dijk. Halverwege knoopte ik mijn jas open, trok de sjaal los van mijn hals. Wat een lentedag. In de bocht van een landweg zat een zilverreiger in de berm. Toen ik dichterbij kwam, vouwde de reiger zich in een oogwenk om tot een liggende witte steen. Nu zag ik meerdere witte stenen, om een bocht in de weg te markeren. Een waarneming voor een gedicht. Het zou ‘origami’ kunnen heten. Maar ik ben geen dichter, wel een lezer van gedichten. In die hoedanigheid las ik een Tirade van eind vorig jaar. Lang voor de ‘Week van de Poëzie’ begon, was deze Tirade geheel gewijd aan poëzie. Je moet niet overal op in willen spelen zullen de makers van het blad gedacht hebben.
    In de laatste rubriek van het blad, ‘De tirade van…’ – waarin een schrijver zijn hart inzake de literatuur mag luchten – schrijft Alfred Schaffer ‘Poëzie mag best een beetje moeilijk zijn’.

    Schaffer gaat tekeer (nouja, tekeer,… hij is verongelijkt) tegen al diegenen die poëzie niks vinden. In het bijzonder tegen muzikante Eefje de Visser. Hij verwacht van Eefje – gezien haar teksten – enige affiniteit met poëzie te hebben. Dat heeft ze niet. Ze is oprecht wars van poëzie. Terwijl haar teksten pure poëzie zijn, meent Schaffer. Maar Eefje zou ze niet gedrukt willen zien, ze gelooft niet dat iemand dat wil lezen: poëzie. ‘Poëzie kan ik heel goed verdragen als het in popmuziek is verwerkt, maar poëzie lezen in een bundel vind ik maar zelden zeer interessant.’ Een opmerking te eenvoudig om je lang druk over te maken. Eefje is een niet-lezer van dichtbundels. Daar valt niets mee te beginnen als je het over poëzie wilt hebben.
    Zoals bij elke goede tirade, komt pas halverwege de aap uit de mouw, datgene waar het ten diepste om gaat.

    Bij Schaffer gaat het om de verwachting dat poëzie leesbaar en begrijpend moet zijn. Hij vindt dat poëzie niet alleen gericht op ‘directheid, verstaanbaarheid en instemming’ moet zijn. Dit onderstreept hij met een citaat van de Amerikaanse dichteres Dorothea Lasky: ‘Poets should get back to saying crazy shit. All of the time.’ Wat hij een (bijna) cliché vindt, maar ook: ‘clichés zijn waar’. Ik had nog nooit van Lasky gehoord, ook dit citaat was me onbekend. Als een gedicht teveel van me vraagt, blader ik door. Uit luiheid. Daar schaam ik mij nu wat voor, nu ik Schaffer over poëzie heb gelezen. En dan nog die laatste regels, waarin hij aanhaalt wat een leraar eens tegen dichteres Maud Vanhauwaert zei: ‘Maak jij maar iets waar niemand op wacht.’ Schaffer gunt iedereen zo’n leraar.
    Wie nu deze Tirade (nr. 473) in handen krijgt: lees eerst Alfred Schaffers tirade en dan de gedichten in het nummer. Want in het licht van Schaffer spelen er krachten mee die dwingen verder te kijken. Dan ga ik op zoek naar iets moeilijks, iets van Dorothea Lasky.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Oogst week 46

    Bakvis

    In de oogst van deze week twee verhalen van Yolanda Entius, een leesautobiografie in essays van Daniel Rovers, Zeeuwse verhalen van Carolijn Visser en een historisch boek over 300 jaar Nederlandse walvisvaarders.

    Wat je leest ben je zelf, of: wat je leest wordt je zelf. Bakvis is een verzameling essays van Daniël Rovers over boeken die hem vanaf zijn jongste jeugd hebben gevormd en tot schrijver hebben gemaakt. Te beginnen met Pluk van de Petteflet van Annie M.G. Schmidts, de jeugdromans van Thea Beckman, De vijf van Enyd Blyton, Dagboek van Anne Frank en verder opgroeiend met Franz Kafka, Penelope Fitzgerald, Nanne Tepper en David Foster Wallace. Door deze auteurs te lezen leerde hij spreken en schrijven over verlangens en gevoelens.
    Bakvis gaat daarnaast over de meest eenvoudige en tegelijk fundamentele vragen in de literatuur. Waarom geldt het als diepzinnig om cynische boeken te schrijven? Zijn tv-series werkelijk de romans van nu? Wat is eigenlijk het verschil tussen een gedicht en een geheim dagboek? De conclusie die je uit Rovers essays zou kunnen afleiden is dat als je iets van je leven wilt maken, je aan het lezen moet slaan.

    Bakvis
    Auteur: Daniël Rovers
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny

    De titel Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny vult het voorplat met tekst, daar tussendoor kruipen verschillende soorten slakken over de letters heen. Twee verhalen, met de lengte van een novelle over eenzame en zonderlinge figuren. Het verhaal van Benito Benin gaat over de vriendschap tussen het eenzame meisje Lieke en de slak Benito. Beiden zijn niet tevreden met hun leven, eerlijk gezegd zijn ze nogal ongelukkig. Vooruit dan, de eerste zin uit Het verhaal van Benito Benin luidt: ‘Dat hij verre van gelukkig was, met zichzelf en met zijn huis, ontdekte Benito toen hij op een ochtend in april voor het eerst van zijn leven in de spiegel keek.’

    In het tweede verhaal En dat van Fanny, volgen we de ontwikkeling van iemand die het leven ternauwernood aan kan, naar iemand die de grip op haar leven volledig verliest. Ze ontwikkelt in haar eenzaamheid een obsessie voor de beroemde Alma Hendriks, van wie zij alles volgt. Ze wordt geregeld opgenomen en haar zus is de enige die haar bijstaat.
    Ook hiervan de eerste zin: ‘Ze had met alles rekening gehouden: een gorsje, fluitend in een riethaag; een puttertje, happend in de pluizen van een paardenbloem; een vleermuis, hangend in een hoek van haar kamer; een gewone muis of mol – die nagels!’ Beide openingszinnen nodigen zeker uit om er meer van te willen weten.
    Yolanda Entius vond voor dit tweeluik inspiratie bij actuele thematiek, die ze met toegankelijke toon tot persoonlijke en ontroerende verhalen wist te smeden.

    Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny
    Auteur: Yolanda Entius
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Zeeuws geluk

    Wereldreizigster en schrijfster Carolijn Visser heeft inmiddels twintig titels op haar naam staan. Voor Zeeuws geluk hoefde ze niet ver te reizen. Op uitnodiging van een Zeeuwse zorgorganisatie logeerde ze op Walcheren en Noord-Beveland in woonoorden waar ouderen met dementie leven. Zij sprak met de bewoners en hun familie, met zorgmedewerkers en vrijwilligers over de watersnoodramp, klederdracht, de Duitse badgasten en de strenge kerk. Maar ook over de weidse landschappen, het silhouet van Veere en de levendige dorpscafés. De verhalen voerden haar terug naar haar eigen verleden, waarin ze op de fiets over Walcheren zwierf, waar ze vrienden maakte, en ruzie met een leraar kreeg en uiteindelijk vertrok.
    Ze sprak, at en wandelde met de bejaarden en tekende hun verhalen op. Met actuele landschapsgezichten en historische foto’s van de eerste helft van de 20ste eeuw.

    Carolijn Visser (1956) won vorig jaar de Libris Geschiedenis Prijs en de Zeeuwse Boekenprijs met ‘Selma’, over het dramatische leven van een Nederlandse vrouw in het China van Mao. In 2013 werd haar boek ‘Argentijnse avonden’ bekroond met de VPRO Bob den Uylprijs.

    Zeeuws geluk
    Auteur: Carolijn Visser
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Walvissen groot en vet

    Sinds 1986 is de jacht op walvissen verboden, maar daarvoor was het eeuwenlang een avontuurlijke maar ook risicovolle onderneming. Meer dan driehonderd jaar voeren Nederlanders ter walvisvaart naar het Hoge Noorden. Walvissen groot en vet is een bloemlezing waarin aan de hand van authentieke bronnen beschreven is hoe de jacht op de walvissen in het tijdperk van de arctische walvisvaart in z’n werk ging. In ijzige zeewateren speelden zich avonturen en rampzalige gebeurtenissen af. De teksten zijn veelal van opvarenden die het harde leven aan boord hebben meegemaakt en zijn hertaald door Hans Beelen en Ingrid Biesheuvel.
    Met afbeeldingen die het beeld bij de verhalen compleet maakt. Uit Walvissen groot en vet blijkt de historische betekenis van de walvis en de walvisvaart voor de Nederlandse economie, wetenschap en cultuur.
    Volgens de uitgever: ‘Een boek vol spannende en relevante verhalen!’

    Walvissen groot en vet
    Auteur: Diverse auteurs
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Knap geschreven en indrukwekkend verhaal

    Knap geschreven en indrukwekkend verhaal

    Alles wat je je bij een roman zou wensen, krijg je met de tweede roman van Marijke Schermer (1975) in de schoot geworpen. Sterke opbouw van het verhaal, een thema dat er inslaat, een ontwikkeling die je niet verwacht en met empathie beschreven romanfiguren. Vanaf de eerste bladzijde ontstaat het beeld van een hecht stel dat goed op elkaar is ingespeeld, maar trekt ook de dreiging, die dit schijnbare geluk wil vermorzelen, als een grauwsluier over dat beeld. Je stapt middenin het leven van Bruch (arts) en Emilia (statisticus), hun twee kinderen en de oppas.

    Het verhaal begint met de toenadering – tijdens een avondjes uit – van een goede vriend, die Emilia onverwacht van achteren om haar middel pakt en slingert haar uit haar veilige leven van collega, moeder en echtgenote van Bruch. Emilia valt terug in de tijd. De achtergrond van hun beider levens, hun kinderen, vrienden, het huis, zijn net voldoende uitgelicht om alles in het juiste licht te plaatsen.

    Emilia en Bruch zijn dertigers als ze elkaar voor het eerst ontmoeten. Ze gaan een aantal keren met elkaar uit, genieten daarvan, hebben plezier. Een langdurige relatie ligt in het verschiet maar dan wordt Emilia op een avond op brute wijze verkracht door een insluiper. Ze is er ernstig aan toe, ligt een week in het ziekenhuis en trekt zich vervolgens drie maanden terug om haar wonden te likken. Al die tijd heeft ze geen contact met Bruch. Wanneer ze na die periode denkt het leven weer op te kunnen pakken, belt ze Bruch voor een afspraak. Als reden voor haar onverwachte verdwijning zegt ze dat ze tijd nodig had om zeker te zijn van haar gevoelens voor hem.

    Levensbepalende gebeurtenissen

    Ze is niet van plan Bruch te vertellen wat haar is overkomen want: ‘Dat wat er gebeurd is bepaalt mij niet, pleitte ze tegen zichzelf, integendeel: het zal voor mij schuiven en hem het zicht op mij ontnemen.’

    De dader wordt niet gevonden maar blijft in het verhaal steeds nabij, je gaat zelfs verschillende mensen verdenken, zoals de broer die toch wel overdreven beschermend is, haar collega die verdacht wordt van seksuele intimidatie, die vriend die altijd komt eten. Maar Noodweer is geen detective, het gaat niet om de dader maar om de relatie tussen man en vrouw in een wereld waarin de man de norm aangeeft. Waarin een man seksuele intimidatie kan afdoen als: Ze was er toch zelf bij? En een vrouw zich schuldig voelt als zij seksueel overrompeld wordt.

    Wat niet weet wat niet deert

    En wat doet het met een relatie waarin de een iets verbergt voor de ander. Dat is het grondthema in deze roman. Geliefden willen openheid om elkaar te kunnen vertrouwen; geheimen leiden tot wantrouwen. Dat is wat er tussen Bruch en Emilia ontstaat. Sterk invoelbaar laat Schermer zien hoe Emilia en Bruch naar elkaars nabijheid  verlangen maar  steeds verder van elkaar verwijderd raken door een onuitspreekbare gebeurtenis en dat tussen hen in staat. Al zou Emilia haar geheim  willen prijsgeven, ze weet niet hoe.

    Omdat het haar gewoonte is om dingen niet te vertellen. In de eerste zomer dat ze hem kende, toen ze besloot hem niet te vertellen wat er was gebeurd, zette ze de toon.’

    Zwaarder nog dan de verkrachting weegt het feit dat ze het verzwegen heeft voor Bruch. Ze twijfelt of ze goed gehandeld heeft. Ze begint te drinken en verliest stukje bij beetje de controle op haar leven. Wantrouwen neemt het over van vertrouwen en overgave en dan kantelt er iets: Als zij iets verzwegen heeft, kan het best zijn dat ook Bruch een geheim in zijn leven heeft. En: ‘Het is vreemd dat zij al die jaren niets gezegd heeft, maar hoe vreemd is het eigenlijk dat hij haar al die jaren nooit iets heeft gevraagd?’

    Tragiek van de liefde

    Gelijk met de spanning die er tussen Buch en Emilia oploopt, grijpen de gebeurtenissen van de dag in. Er wordt een storm verwacht en ze moeten eigenlijk hun huis, dat tegen de dijk is aangebouwd, verlaten. De kinderen zijn ergens ondergebracht en Emilia en Bruch draaien om elkaar heen. Als een soort van laatste troef wil ze nog een kind met Bruch, een kind dat alles goed zal maken. Het water stroomt ondertussen hun huis binnen en ze trekken zich terug op de bovenverdieping. Dan doet Bruch, in de nacht dat het water hun huis binnenstroomt, overheerst het gevoel dat het, in al zijn tragiek, niet mooier had kunnen zijn. De apotheose van de roman is dan ook verbluffend onverwach.

    Op de bodem van deze roman liggen de pijn en het verdriet van wat niet deelbaar blijkt te zijn. De persoonlijke pijn die in stilte te beheersbaar lijkt, blijkt onverteerbaar wanneer je lief weet van de gruwelijke dingen die jou zijn overkomen. Een neveneffect van liefde is eenzaamheid die deel uitmaakt van dit verbond.

    Schrijver Daniel Kehlmann zei in VPRO’s Boeken, dat de perfecte roman niet bestaat, waarmee hij een uitspraak aanhaalde van Jorge Luis Borges: ‘Je hebt perfecte gedichten en verhalen maar geen perfecte romans.’ Als het criterium is dat in een perfecte roman elk woord, elke gebeurtenis op de juiste plaats staat, dan heeft Marijke Schermer met Noodweer een perfecte roman geschreven heeft.

     

     

  • Feestje

    Afgelopen vrijdagavond stond ik in de rij voor de kassa bij de Hema op het centraal station Amsterdam. Ik kocht er een klein rood parapluutje want er werd regen en storm verwacht en dankte in gedachten Annie M.G. Schmidt en Fiep Westendorp voor de verhalen en tekeningen van de onvergetelijke Jip en Janneke die dit rode parapluutje hadden mogelijk gemaakt. Waarna ik via de Prins Hendrikkade en het Singel naar de Keizersgracht liep. In de Rode Hoed werd de biografie van Geert van Oorschot gepresenteerd en het zeventig jarig bestaan van de uitgeverij gevierd. De schrijver van de biografie, Arjen Fortuin – wiens naam overigens een dag later, halverwege een recensie van Aleid Truien, als een woord morph was overgegaan in Fontein. Wanneer een naam verkeerd geschreven staat, verdwijnt het referentiekader en ontstaat er een geheel nieuw personage waardoor je als lezer verward raakt. Telkens wanneer in de betreffende recensie de naam ‘Fontein’ opdook, keek ik snel naar de titelgegevens in de linkerkantlijn van het stuk om me ervan te vergewissen dat het wel degelijk om de Van Oorschot biografie van Fortuin ging. Ik denk dat iemand op de boekenredactie er ontzettend veel plezier aan heeft gehad het zo te laten.

    Op het feestje van Van Oorschot waren veel schrijvers en publicisten. Zo zag ik Joop Goudsblom, Elma Drayer, Stephan Enter en Willem Jan Otten met zijn vrouw Vonne van der Meer. Naast me zat een schrijfster die steeds langdurig op haar mobiel keek en luid rollend lachte, ook als er niets te lachen viel. Voor me zat een man die steeds onrustig en met licht uitpuilende ogen achterom of voorlangs zijn buurvrouw de rij afkeek, als zocht hij iemand. Tussentijds stak hij wel eens een vinger in zijn neus of lachte kort en hard met de lachers mee.

    Ken je de boeken van de schrijver dan ken je de schrijver en kent de schrijver jou. Haha, dat zou me wat moois zijn. Dus ik liet Eva, de vrouw van Maarten Biesheuvel die zelf thuis was gebleven, voorbij gaan zonder haar aan te klampen met de vraag hoe het met haar man ging. En dat ik zijn advies (wat hij me ooit in een droom gaf waarbij ook zij aanwezig was) had opgevolgd. En toen het afgelopen was en ik de zaal wilde verlaten, keek ik recht in de ogen van Minke Douwesz, die ik om haar schrijverschap bewonder. Ik wilde zeggen: ‘Hallo, hoe gaat het en wanneer verschijnt je nieuwe boek?’ En dat ik haar vorige boeken Strikt en Weg meerdere keren heb gelezen. Dat ik denk er zelfs weer aan toe te zijn ze opnieuw te gaan lezen. Dat het niet erg is dat er geen nieuw boek komt, dat wat ze geschreven heeft al zo mooi en veel is dat ik er in ieder geval mijn hele leven mee toe kan.

    Maar ja, ik zweeg en schuifelde de zaal uit naar de garderobe en toen naar buiten. Jip en Janneke pluutje onder mijn arm geklemd zette ik er de pas in om mijn trein te halen.