• Oogst week 23 – 2021

    Niemand is waterdicht. De biografie van Bert Schierbeek

    ‘Niemand is waterdicht’, de regel van Bert Schierbeek, sierde in 2002 al eens het omslag van een boekje van Karin Evers over de jonge dichter en het literaire experiment. Nu is het ook de titel van ‘de’ grote biografie door Graa Boomsma. De titel ‘Keizer der Vijftigers’ komt alleen Lucebert toe, maar Schierbeek was er ook een voorman van. Hij was lang met Lucebert bevriend en Schierbeeks huis in Amsterdam was volgens Boomsma ‘een zoete inval’ voor de groep dichters. Lucebert noemde Schierbeek eens ‘de gewiekste waterrat met klompen aan en een goddelijke misthoorn in het achterhoofd’. Boomsma haalt deze waterrat in zijn Niemand is waterdicht uit de schaduw van Lucebert en andere Vijftigers.

    Tegelijk met de biografie wordt een opgefriste herdruk van Schierbeeks Het boek Ik uit 1951 uitgegeven.

    Niemand is waterdicht. De biografie van Bert Schierbeek
    Auteur: Graa Boomsma
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh

    Een biografie waarnaar al lang werd uitgekeken is Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh. Lieneke Frerichs werkte er 25 jaar aan. De Neerlandica schreef haar proefschrift over de ontstaansgeschiedenis van Nescio’s De uitvreter. Dat een biografie zo lang uitbleef had onder meer te maken met de terughoudendheid van de dochters Miep en Nel Grönloh als het ging om de openbaarmaking van het persoonlijke leven van hun vader.

    In verschillende interviews naar aanleiding van haar publicatie zei ze onder andere: ‘Dat hij zo worstelde met het bestaan, dat wist ik niet’ (de Volkskrant) en ‘Ik vond dat zo’n ontdekking: hoe Nescio eigenlijk altijd over zichzelf schreef. In later jaren doet hij een poging om zijn levensgeschiedenis te schrijven. Hij zet dat woord tussen aanhalingstekens en zegt dat zijn ware “ik” in zijn werk te vinden is.’ (NRC Handelsblad).

    Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh
    Auteur: Lineke Frerichs
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Het woord en het beeld

    Toen Jacq Vogelaar in 2006 zijn omvangrijke essay Over kampliteratuur publiceerde, was zijn grootste wens om een bibliotheek op te zetten waarin alle oorlogs- en kampliteratuur wereldwijd in het Nederlands zou worden opgenomen. Vogelaar (overleden in 2013) heeft zo’n bibliotheek niet meer mee mogen maken.

    Toch is er nu een bescheiden begin gemaakt met de verschijning van Het woord en het beeld, een essay van Henk Pröpper. Het is het eerste deel van ‘De literaire getuige. Verhalen van de Holocaust’, een reeks  waarin jaarlijks een essayistisch of literair werk verschijnt waarin de Holocaust centraal staat. Het boekje van 40 pagina’s gaat in op zowel het boek als de film Shoah en zoekt naar een antwoord op de vraag of de Holocaust wel in beeld en taal te vatten is.

    Het woord en het beeld
    Auteur: Henk Pröpper
    Uitgeverij: Tijdschrift Terras
  • Het verlangen naar oneerbiedigheid

    Het verlangen naar oneerbiedigheid

    Van de Amerikaanse dichter Charles Simic is door Wiljan van den Akker een flink aantal gedichten en enige korte prozafragmenten geselecteerd en in het Nederlands vertaald. Al vanaf zijn  poëziedebuut What the grass says uit 1967 combineert Charles Simic in heldere, verstaanbare gedichten de verheven verwondering met de prozaïsche werkelijkheid. Niet eerder werd in Nederlandse vertaling het dichterschap van deze dichter, die al vele internationale prijzen in de wacht sleepte, met zo’n ruime bloemlezing geëerd.

    Charles Simic werd in 1938 in Belgrado geboren en maakte als kind de naziterreur van de Tweede Wereldoorlog mee, een periode die zijn hele oeuvre kleurt.  Het zal weinig verbazen dat zijn poëzie geen geflatteerd portret van de menselijke soort laat zien. In zijn door verwondering geprikkelde verbeelding pendelt Simic op en neer tussen de van dreiging zwangere wereld uit zijn Balkankinderjaren en de volwassen wereld van nu. Wellicht dat de Engelse taal als kogelwerendvest diende om ongeschonden in zijn herinneringen af te dalen om zo de beelden als buitenstaander te kunnen becommentariëren. Alsof men luistert naar de voice-over van een balling, ‘iemand die in twee werelden leeft / waarvan er een onzegbaar is.’

    Een soort non-genre

    Aan de bloemlezing gaat een citaat van Simic zelf vooraf: ‘Ik streef naar het scheppen van een soort non-genre, gemaakt van fictie, autobiografie, essay, poëzie en, natuurlijk, humor!’ Het associatieve van jazz, waarmee zijn nieuwe vaderland hem als 16 jarige liet kennismaken, kenmerkt zijn poëzie. En die poëzie is steevast geworteld in zijn levenservaring en de getrainde blik het essentiële detail te ontwaren in de blinde vlek van onze grootste gemene delers. Een filmische, verhalende stem, kort gehouden door woorden die alleen het noodzakelijke verbeelden, op een laconieke, maar niet van de menselijke maat gespeende toon. Een wijze toon ook. 

    In zijn rede Defence of Poetry uit 1997 liet hij zijn licht schijnen over nut en noodzaak van gedichten: ‘Lyrische poëzie is niets anders dan een eeuwenoude poging om onze onsterfelijke zielen met onze genitaliën te verzoenen’. En: ‘De ontdekking dat het tragische en het komische altijd onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, deed me over de vloer rollen van geluk’. Hier en daar weet Simic á la Breugel een petite histoire de existentiële dimensie van het ware leven mee te geven, waarvan hij de gruwelijkheden naar de uiteinden van het gedicht verbant. Daar waar ze in eerste instantie niet, maar uiteindelijk des te onoverkomelijker tevoorschijn treden. Zoals in het gedicht ‘Bijbelles’, waarin een groepje sherry nippende ‘gezegenden’ zich zelfgenoegzaam warmt aan het geloof in een ‘andere, betere wereld / vol hemelse liefde en goedheid’. Maar ‘over het nieuws dat lange vrachttreinen / vrouwen en mannen dieper/ en dieper deze duistere eeuw insleuren’ geeft ieder van hen slechts ‘tactvol zijn mening’, zoals Simic in het bittere slot fijntjes opmerkt. Prettige bijkomstigheid in het werk van deze dichter is dat hij nergens dingen al te zeer bij naam noemt, maar uitwisselbare ervaringen oproept die iedereen met zijn eigen verbeelding kan inkleuren.

    Om helder te denken 

     Ik heb een varken en een engel nodig.
    Het varken om zijn snuit in een slobberbak te steken,
    de engel om zijn rug te krabben
    en lieve woordjes in zijn oor te fluisteren.

    Het varken weet wat hem te wachten staat.
    Geef hem hoop, engelenkind,
    met dat eeuwigheidsspul.
    Ga jezelf niet bewonderen
    in het slagersmes
    alsof het een hoerenspiegel is
    of hem pesten door een bloedbevlekt
    schort tot boven je knieën te tillen.

    Het varken is getopt met eten
    en staat peinzend tussen ons in.
    De kam van de haan vlamt al
    in de ochtendduisternis.
    Hij kraait nog niet maar zijn ogen staan woest
    wanneer hij over het erf paradeert. 

    Soepel lezende vertaling

    De door Wiljan van den Akker gekozen en vertaalde selectie gedichten worden in deze royale uitgave chronologisch gepresenteerd en gelardeerd met korte, titelloze prozafragmenten uit The monster loves his labyrinth; Notebooks van 2008. Deze laatste variëren van een ontnuchterende anekdote, soms ronduit waarschuwend van toon, tot pure belijdenis van de alles overstijgende kracht van poëzie. Naar het einde van deze bloemlezing oogt Simics werk zo mogelijk nog iets ongedwongener dan in het begin, alsof hij met het klimmen der jaren nog iets geraffineerder werd in het uitspelen van zijn troeven. 

    De Reddingboot

    Keek de koe die vannacht
    alleen in de wei werd achtergelaten
    naar de sterren?
    Hoe zit het met de krekel
    die zojuist is gaan zwijgen?
    Was hij verbijsterd over wat hij zag?

    De nachthemel is dol op mensen
    de bergen willen verzetten om dan
    iets vertrouwelijks omhoog te fluisteren.
    Ach, wat ik hem allemaal zou vertellen
    als ik in mijn eentje op zee
    in een reddingsboot zou zitten.

    Simics licht filosofische toon, die nergens routinematig wordt, komt voorbeeldig tot zijn recht in deze soepel lezende vertaling. Een eenmaal begonnen lezing breekt men niet makkelijk af.

    ‘Meerdanietsandersstaathetverlangennaaroneerbiedigheid aan de wieg van mijn poëzie. De behoefte om elke autoriteit voor schut te zetten. (…) in één adem door beweren dat je engelen hebt gezien en dat er geen god bestaat.’ Met zo’n credo is het goed voor de dag komen, maar je moet ermee uit de voeten kunnen om er aanstekelijke poëzie van te maken. En dat doet Simic!

     

     

  • Verhalen en een bepaald evenwicht in poëzie in Tirade

    Verhalen en een bepaald evenwicht in poëzie in Tirade

    Naast dat literaire tijdschriften een podium zijn voor literaire, niet eerder gepubliceerde bijdragen, is het ook een podium voor beeldende kunstenaars, al spelen ze een begeleidende rol. De cover van deze editie is gesierd met een linosnede van Anne Caesar van Wieren. Een schaap in de armen van een wolf (niet de wolf alleen in kleren, ook het schaap). De wolf huilt met opgeheven kop en gesloten ogen vol overtuiging naar een felrode maan, het schaap, met sluw toegeknepen oog, kijkt weg uit de omhelzing, als wil het zeggen: ‘geloof niets van wat u hier ziet’. Dan ontstaat de neiging te geloven dat wat er in deze editite aan literair werk is opgenomen, te maken heeft met verborgen agenda’s, versluierde waarheden. 

    Sasja Janssen opent met het gedicht ‘Virgula’. Is dit een godin, een plant? Nee, het is een middeleeuws interpunctieteken, gebruikt om in een tekst een rustmoment aan te brengen. Maar Sasja Janssen schept haar eigen Virgula, als getuige van een schakelmoment in een leven. Waar in kamers met een bed en koelkast, in een shagrokend tijdperk met een liefde geleefd wordt, tot die liefde eindigt: ‘en daar kom jij pas goed tot leven, Virgula, in het uitzicht op een grote sparrenboom, / in de groene eenzaamheid, ik slaap nog een laatste nacht bij de jongen, dan loeit de ochtend ineens vertrek en ik steel het lage bed met mijn wollen deken, stijf van / ouderdom // de witte kat huilt, en samen wachten we, we wachten tot iemand ons uit deze kamer haalt’ Virgula als interpunctie in het leven van een dichteres, schakelend naar nieuwe richtingen. 

    Bepaald evenwicht in poëzie 

    Vijf gedichten van Maarten Buser, waarin een zoeken naar houvast, wegzinken in beelden, in gedachten. Fijne gedichten die een bepaald evenwicht hebben bereikt tussen waarneming, woordkeuze en indeling van strofen.

    ‘Hoorbaar ademt het tuinafval
    Ik wil geloven want dat geeft vorm
    Onder de aangeharkte bladeren slaapt

     een wolf. Kan iemand me bijpraten
    over de regels, vandaag nog?
    Iemand heeft een wildrooster 

     gefiguurzaagd en ik blader door
    (…)’

    Van de Somalische dichter en schrijver Alara Adilow zijn drie gedichten opgenomen. Getiteld, ‘In het dagelijkse’, ‘Het spijt me moeder’ en ‘De grot’, indringende poëzie, over seksuele geaardheid, soms bezwerend, doortastend, vaak met een mythische lading, maar zeer aansprekend. De laatste strofe van ‘De grot’, Seizoenen verschroeien, / rivieren spartelen in de hitte als vissen op het droge. / We verliezen elkaar in het felle licht. / Kiezen op de dood te wachten / bij de oevers van een kaal geworden waterlichaam. De dood rijdt aan op een mank stekeldier.’ En lees meer van haar in Tirade.

    Meer poëzie van de Zuid Afrikaanse dichter Pieter Odendaal, vertaald door Jente Rhebergen en Willemijn van den Geest, van Sean O’Brien, vertaald door Willem Groenewegen, en Tonnus Oosterhoff. 

    Lees de verhalen

    Van Viktor Frölke een geweldig mooi verhaal over moeder/zoon relatie. ‘Waarom ik met mijn moeder ben getrouwd’. Zoon gaat met zijn moeder naar Parijs en vraagt zich gaandeweg van alles af over de aard van hun relatie. ‘(…) we besluiten te wandelen naar Hotel du Vieux Saule, een romantisch hotelletje in de Marais waar ik eerder met mijn vrouw sliep. Kan het Freudiaanser? Vast, maar voorlopig is dit me Freudiaans genoeg.’
    Ze delen dezelfde hotelkamer, hij begint te fantaseren hoe het zou zijn met zijn moeder te vrijen. ‘Een van de oudste en moreel diepst verankerde verbodsbepalingen uit de menselijke samenleving behoedt me hiervoor. Maar waarom (…)? In de pianiste van Elfriede Jelinek houdt een alleenstaande moeder haar dochter in gijzeling. Maar er is mij geen verhaal bekend van een moeder en een volwassen zoon die met elkaar naar bed gaan – gewoon, omdat ze dat leuk vinden. Aan de andere kant, misschien is het ook niet leuk – een beetje zoals zand eten. Het kan wel, maar is niet leuk.’ 

    Later bekijkt de zoon een foto, een selfie genomen toen ze in de wachtkamer van Gare du Nord zaten. De moeder in spijkerbroek, krant uitgespreid over haar benen, zoon lezend in Verzamelde Gerard Reve, ‘beiden content met elkaar en de situatie. Zo zit ik met mijn vrouw zelden, omdat zij geen hardcore lezer is.’ Ja, om het verhaal helemaal te lezen, lees deze Tirade. 

    Waarin ook een verhaal van Lia Tilon, schrijfster van onder meer de prachtige roman Archivaris van de wereld. ‘Los draad’ is een beklemmend verhaal met details die je op de feitelijke beelden drukken zonder dat er veel wordt uitgelegd. Over de bevreemding van een vrouw  ten opzichte van het harde leven. Ze denkt zich een leven waarin ze zwanger is, haar man aandachtig is, de dingen verzorgd worden. Tegen alles in gelooft ze dat het goed komt. ‘(…) met twee handen tegelijk duwt ze tegen de ijzeren schommel. Hij is niet stuk, hij kraakt alleen maar alsof. Eigenlijk denkt ze, klinkt het als de roep van een vogel, misschien een roodstaart.’ Prachtig beeld.

    Meer verhalen van Fabienne Rachmadiev, Alejandro Morellón, Sofie Lakmaker (fragment uit De geschiedenis van mijn seksualiteit), en een fragment uit een roman van Inge Bever waar nog aan gewerkt wordt. En alles wat in deze Tirade is opgenomen is waarachtig en toont de werkelijkheid in vele gedaanten.

     

    Hier is Tirade te bestellen.

     

  • Oogst week 10 – 2021

    Ernest Hemingway is gecanceld

    Ernest Hemmingway is gecanceld van Henk van Straten (1980) is een stevige roman over censuur cultuur, met vragen als waarom het (witte) man-zijn een probleem is, en wat is eigenlijk masculiniteit? De hoofdpersoon in het boek heeft twee linker handen, vindt zichzelf een zwakkeling die zich laat imponeren door twee dakdekkers die zijn dak komen repareren. Mannelijke mannen dus, wat leidt tot enige verrechtsing in denkbeelden en dan moeten er keuzes gemaakt worden. Naast dat politiek een rol speelt, gaat deze roman gaat ook over een vriendschap. Het boek is opgedragen aan Selim Lemouchi (1980 – 2014), frontman van de occulte band ‘The Devil’s Blood’. Op een van de laatste bladzijden is dit liefdevolle citaat te lezen:

    Moet je zien Semmie. Moet je nou toch zien. Hoe kan dit tegennatuurlijk zijn? Ik bleef het prevelen tegen mijn oude, dode vriend, voor wie mens-zijn een straf was en de mensheid een misdaad, gepleegd door de Demiurg die ons had vormgegeven, terwijl hijzelf, Semmie, zo mooi was, en ik nog steeds zo dankbaar voor zijn bestaan.’

     

    Ernest Hemingway is gecanceld
    Auteur: Henk van Straten
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Naar Lillehammer

    Er is een nieuwe roman van Vonne van der Meer (1952) verschenen, een schrijfster met een geheel eigen stem. Haar werk wordt gewaardeerd om haar lucide stijl en haar scherpe psychologische inzicht. Haar oeuvre telt dertien romans, verschillende verhalenbundels, novellen en theaterstukken. Haar personages raken vanuit herkenbare levens altijd verwikkeld in bizarre situaties. Stel je voor dat iemand je in een speeltuin vraagt even op haar peuter te passen, en dan niet meer op komt dagen? Dat is wat er in Naar Lillehammer gebeurt. De kinderloze Cécile neemt de zorg voor het kind op zich als de moeder verdwenen is. Maar algauw krijgt ze ook de zorg van de moeder erbij, de Nigeriaanse Gladys.

    Deze wil uit de prostitutie maar haar pooier laat haar niet met rust waardoor ze zich in de stad niet veilig voelt. Ze vlucht naar een afgelegen vakantiehuis in de bossen bij Lunteren, maar ook daar ontkomt ze niet aan de macht van haar pooier.
    Er komt een rechercheur in voor, een mortuarium en een verhoor. Evenals in haar andere boeken wordt er ook in Naar Lillehammer de vraag gesteld over goed en kwaad.

    Naar Lillehammer
    Auteur: Vonne van der Meer
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Hoe verschillig

    Marjoleine de Vos (1957) schrijft over kunst, literatuur en koken, en heeft een tweewekelijkse column in het NRC. Een selectie uit deze columns werd in 2000 gebundeld in Nu en altijd: bespiegelingen. In dat jaar verscheen ook haar eerste poëziebundel Zeehond graag, in 2003 gevolgd door Kat van sneeuw. In 2008 verscheen haar laatste en goed besproken bundel Het Waait.
    Haar nieuwe bundel Hoe verschillig bestaat uit veertig gedichten waarin ze de onmogelijkheid van de terugkeer onderzoekt. Hieronder een voorpublicatie uit de bundel:

    Melancholie van het heden

    Het maakt niet uit haast waar je bent,
    een plein of stad, het weidse land,
    elk uitzicht spreekt je van voorbij.
    Of nooit geweest, maar toch gemist.
    Niet jij maar iets in je, wat voelt of
    meetrilt met muziek, zoekt
    in de lucht, de sloten, geur van hooi
    het landschap dat je kent in jou,
    dat óók zo blauw en zomers was.
    Het komt betoverend tevoorschijn:
    gelach van ouders, zingen op de fiets,
    de sprong het juichend water in. Niets
    sprak tot je zoals nu en zei –
    oh onterecht – dat alles wat je leeft
    slechts echo is, een naklank. Bijna echt.

     

    Hoe verschillig
    Auteur: Marjoleine de Vos
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Oogst week 8 – 2021

    De leeuw van Alpi

    In maart 1785 werd in Gent middels een strooibiljet bekend gemaakt  ‘dat d’Heer Alpy in dese Stad is gekomen; hij komt van Lapland, en heeft met sig dry REENDIEREN, te weten: Het Manneken, het Wyfken en een Jong (…) Hy ho(o)pt dan van aen de Heeren der Natuer-kundige het vernoegen aen te doen van hun levendig te laeten sien, aengesien het meeste deel die maer door afbeeldsel, en door hooren seggen gezien en hebben. Hy versoekt de Heeren Liefhebbers van hunne natuerlyke Historie mede te brengen om het afbeeldende tegen het levende te vergelyken’.

    Giovanni Antonio Alpi moet rond 1755 geboren zijn, waarschijnlijk in Parma. Hij reisde kermissen af met wilde dieren en verkocht ze ook. In De leeuw van Alpi beschrijft Arie van den Berg het leven van de man, die onder andere beesten leverde aan de keizer van Oostenrijk en Lodewijk Napoleon.

    De leeuw van Alpi
    Auteur: Arie van den Berg
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De wereld is niet stuk te krijgen

    Maxim Osipov (1963) is een Russische cardioloog en schrijver, vooral van korte verhalen. Daarover zei hij twee jaar geleden in een interview met de Los Angeles Review of Books: ‘Ik denk dat korte verhalen, zelfs lange korte verhalen (waaraan ik persoonlijke de voorkeur geef), dichter bij poëzie kunnen staan dan bij romans. In korte fictie staat voor mij niet het onderwerp centraal, maar stijl en vorm; die zijn veel belangrijker dan de inhoud. Diepgaande kennis van je materiaal – in mijn geval van geneeskunde en in mindere mate van godsdienst, muziek, theater, politiek en zelfs schaken – is, hoezeer het ook kan helpen, niet essentieel. Ik schrijf het liefst over onderwerpen waarmee ik vertrouwd ben’.

    Osipov (zijn vrouw is pianiste) vergelijkt het lezen van korte verhalen met luisteren naar een sonate van maximaal 40 minuten: ‘Net als een sonate moet een kort fictiewerk veel elementen comprimeren en worden opgebouwd uit veranderingen in ritme, tonaliteit, enz. Dat zijn de aspecten die het verhaal drijven- niet het onderwerp’. De wereld is niet stuk te krijgen is Osipovs eerste verhalenbundel die in het Nederlands verschijnt. Het zijn stukken vol compassie en ironie.

    De wereld is niet stuk te krijgen
    Auteur: Maxim Osipov
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Gedachten over onze tijd

    ‘Rond de Saksische boerderij waar ik eens met mijn vader woonde worden de oude, glooiende essen langzaam maar zeker door landbouwmachines afgevlakt en verdwijnen de houtwallen in hoog tempo. Het betoverende coulissenlandschap maakt plaats voor graswoestijnen ten dienste van de intensieve landbouw, het bodemleven is zo goed als dood. Meststoffen en glyfosaat vervuilen het grondwater en driekwart van de insecten is verdwenen.

    Wie in Twente weidevogels wil horen kan ze het best beluisteren op waarneming.nl, want in het vrije veld zijn ze zowat uitgestorven’. Een typische Tommy Wieringaformulering die hij vorig jaar schreef in zijn wekelijkse column in NRC Handelsblad. Wieringa is bezorgd over onze omgang met cultuur, natuur, democratie en vrijheid. Gedachten over onze tijd geeft een indruk van het brede veld van cultuur, natuur, (misbruik van) vrijheid en democratie waarover de zorgen van Tommy Wieringa zich uitstrekken.

    Gedachten over onze tijd
    Auteur: Tommy Wieringa
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Hoe kan dat toch

    Hoe kan dat toch

    Er zetten zich allerlei dingen vast in mijn hoofd. De dreiging van een avondklok (waar komt dit vandaan, wie zei dit als eerste?). Dat Vicepresident Mike Pence, die vorige week nog zo kwaad was op Trump, gewoon met hem aan het werk gaat. Dat er geen persconferenties waren na de bezetting van het Capitool. Dat uitgevers geen boeken uitgeven omdat boekhandelaren ze niet verkopen kunnen. Dat de hamer niet meer werkt, festivals doorgaan zonder publiek, dat er een fittie is over badmatten en handdoeken. Hier aangekomen begreep ik dat enige afstand van lopende actualiteit noodzakelijk was. Er is een doofpot voor alle rafelige, misselijkmakende, kwalijke dingen. Geschiedenissen zijn er om onderzocht te worden, te zien hoe momenten van toen in het licht van nu betekenis krijgen. 

    Ik las over de geschiedenis van Marokko, een hartstochtelijk stuk van schrijver Asis Aynan, zoon van Berbers uit de Rif. Wist u dat het merendeel van de Marokkanen in Nederland, Riffijnse Nederlanders zijn? Ik niet, het doet iets keren nu ik het weet, er is een nuance aangebracht. Aynan onderzoekt zichzelf, zijn afkomst, de cultuur van zijn voorouders, hoe die verdween. Hij vroeg het zijn ouders die, eenmaal vertrokken uit de Rif, volgens de Islam gingen leven. ‘Vader, moeder, hoe kan dat toch? U weet toch dat iedere samenleving, iedere cultuur, net als het lichaam een samenspel van organen en ledematen is, net als de geest; een beetje religie, een beetje cultuur, net als de Marokkaanse stoofpot, van alles wat. Hoe kon u hier een leven inrichten waarin geen plaats was voor de dans, de liederen, de verhalen, de geschiedenissen, het bijgeloof van uw ouders? En laat ik de gedichten niet vergeten. Waar is de poëzie gebleven? Mierzoete gedichten, bijtende verzen, of rijmpjes die zelfs de grote God aan het lachen maken: God zij geprezen / neem de benen / Europa’s zegen / is beter dan uw regen.

    De vader van Aynan kwam in de jaren zestig vanuit de Rif naar Nederland. De Rif was een gebied waar honger heerste, oogsten mislukten als gevolg van mosterdgasaanvallen in de twintiger jaren vorige eeuw, het gif zat in de bodem, in bronnen. Hier komt het boek Hongerjaren van schrijver Mohamed Choukri bij me op, dat opeens een andere betekenis krijgt. Wat zijn we plat van geest als we de verbanden niet zien. Aynan schrijft over wat er kwijtraakt wanneer je alles achterlaat. In het geval van zijn ouders was dat hun taal, het Berbers, tradities, hun eigen geloof. Dan wil je in een ander continent iets nieuws opbouwen, maar Koning Hassan had lange armen, tot in Nederland legde hij zijn onderdanen op hoe te leven. ‘(…) eigenlijk moest de gehele cultuur van het volk verdwijnen. Het weerzinwekkende project dat die culturele genocide moest volbrengen droeg de naam het Zuiveren van de Marokkaanse Tong. Marokko moest een nieuw Arabisch koninkrijk worden, waar alle macht in de autocraat Hassan samenkwam.’ Aynan schrijft met een vurigheid die overslaat. Lees dit essay, ontdek dat we meer overeenkomen dan verschillen. Mèt recept voor erwtensoep, want ook in de Rif eten ze snert, heet het tamarakt.

     

     

    Eén erwt maakt nog geen snert, Het Rifgebergte, de dubbele nationaliteit en andere misverstanden / Asis Aynan / 71 pag. / Uitgeverij Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt antwoorden in een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

     

     

     

     

     

  • Beleefdheid en ander ongemak

    Beleefdheid en ander ongemak

    Beleefdheid, galanterie is een manier om de regie over te nemen van andermans leven. Schrijfster Frida Vogels heeft daar niets mee. Daarom lees ik haar boeken zo graag, om het eigene, niets conform de regels der omstandigheden.
    Deze zomer verscheen er zomaar nieuw werk van haar. Over de vader van haar man, Artenio (Ennio). Vogels vertrok in 1954 naar Milaan, waar ze in een studentenhuis haar man ontmoette. Ze stond te wachten op haar koffie toen een donkere jongen naast haar kwam staan, ook koffie bestelde. Bij het afrekenen betaalde hij gelijk haar koffie. Dat stoorde haar, dat ongevraagd met haar bemoeien. ‘Het ergerde me, en ik liep zodra ik mijn koffie op had zonder te bedanken weg.’ 

    De vader, Salvatore De Matteis werd door zijn aangetrouwde familie ‘behandeld met een verachting die mij razend maakte, maar hem zo te zien koud liet.’ Salvatore ging tot zijn twaalfde naar school, werd wijnbouwer, las later boeken van Marx, Engels, Rosa Luxemburg. Liep met notitieboekjes op zak, die hij maakte van ‘blaadjes papier van verschillende soort en grootte die hij met naald en draad aan elkaar naaide.’ Als hij zeventig is, hen in Bologna opzoekt, laat Ennio hem een wiskundetijdschrift zien waarin een artikel van hemzelf staat. Zijn vader wil er een exemplaar van meenemen voor de bibliotheek van San Severo. Ennio vindt dat belachelijk, ‘dat leest niemand’. Zijn vader vindt dat als het gepubliceerd is, er belangstelling voor is. Waarop Ennio’s zegt, ‘Als ik het overlees, begrijp ik het zelf niet eens meer.’

    ‘Hoe bedoel je dat, dat je het zelf niet begrijpt?’ vroeg zijn vader argwanend.
    ‘Omdat het moeilijk is. Ontzettend moeilijk! Je moet je erin verdiepen om het te kunnen begrijpen.’
    ‘Oja’, zei zijn vader, gerustgesteld, ‘het zal geen gemakkelijke lectuur zijn.’
    ‘Om dat mee te nemen naar San Severo is idioot,’ zei Ennio.
    ‘Je weet nooit hoe het te pas zou kunnen komen,’ zei zijn vader. ‘Bijvoorbeeld, als een Sanseverese jongen die vooruit wil komen in de wereld zich een idee wil vormen van de nucleaire wetenschap. Dan zou hij jouw artikel kunnen lezen om een indruk te krijgen.’
    ‘Dat is onzin!’ zei Ennio kwaad, ‘je weet niet wat je zegt!’
    ‘Net als iemand die in een diepe put kijkt,’ vervolgde zijn vader. Hij boog zich een beetje voorover. ‘Het is niet dat hij in die put wil afdalen. Hij wil er alleen maar eens in kijken. Hij denkt: nu wil ik wel eens zien hoe griezelig deze put is.’ Hij richtte zich weer op, grinnikend.’

    Fijn opgetekende gesprekken, waaruit een beeld ontstaat van een man die een eigen gedachtegoed ontwikkelde, eenvoudig en aantrekkelijk. Dit boekje is een ware kleinood, waarin hier en daar ook wat over haar huwelijk wordt losgelaten. Zo vroeg Ennio haar na drie weken kennismaking ten huwelijk, waarop ze prompt ‘ja’ zei. ‘Het heeft daarna nog jaren soms moeizaam leven met ons tweeën gekost voor ik mijzelf ervan kon overtuigen dat die Pavlov-reactie het juiste antwoord was geweest.’ Dat zijn mooie berichten vanuit Bologna, dat al die bezwaarlijke moeilijkheden waarover we lazen in De harde kern en Dagboeken, niet umsonst waren. Stemt moedig voor de moeilijke huwelijken onder ons.

     

     

    De vader van Artenio / Frida Vogels / 100 blz. / Van Oorschot (2020)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft na de laatste persconferentie nog steeds thuis, wast haar mondkapjes.

     

  • ‘Ik heb je nooit de waarheid beloofd’

    ‘Ik heb je nooit de waarheid beloofd’

    De vierdelige roman Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage kent twee hoofdlijnen – onder vele andere. De ene wordt gevormd door de gebeurtenissen van 21 augustus 1967 tot en met 20 augustus 1968, zoals Gesine die dagelijks leest in de New York Times; de andere door het leven van haar en haar familie in Duitsland onder de nazi’s en na de oorlog in de DDR, zoals Gesine dat aan haar dochter Marie vertelt. In deel 2 wordt uit de gesprekken tussen Gesine en Marie steeds duidelijker hoe de wereld van moeder en dochter uiteenloopt. Marie is veel meer bezig Amerikaanse te worden dan haar moeder. In hun nieuwe thuisland verschillen ze van mening over racisme en de Vietnamoorlog. Waar Marie de Amerikaanse politiek wil begrijpen is Gesine daar afkerig van.

    Verraad

    Dat komt voort uit het feit dat ze geen gedeeld verleden hebben. De verklaring van Gesine is dat Marie zich geen voelbaar beeld kan vormen van oorlog. ‘Ze kan de oorlog in Vietnam niet zien. Al te precies heeft ze van mij gehoord hoe een oorlog aan de buitenkant eruitziet (…) Ze kent de ruïnes tussen de Avenues Amsterdam en Columbus, maar die werden niet door de bommen van de vijand ginds veroorzaakt maar door de sloopkogels van de grondspeculanten hier. De kleine winkeltjes op Broadway geven niet de geest doordat erfgenamen in de oorlog sneuvelen, maar door de dollars van de huur en de maffia [enz enz]’. Dat verschil tussen Marie als buitenstaander ten opzichte van Vietnam en Gesine met traumatische herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog leidt soms tot verwijten. Als Gesine Marie toevoegt dat ze niet in de gaten heeft hoe de Amerikaanse politiek van leugens aan elkaar hangt, antwoordt haar dochter: ‘Jij hebt jouw oorlog niet tegengehouden, en nu moet ik het voor jou doen!’

    Andersom voelt Gesine hoezeer zij zelf buitenstaander is. Na de moord op Martin Luther King in april 1968 betuigt ze een zwarte medebewoner van haar appartement haar medeleven, maar krijgt als reactie: ‘Het spijt u niet Mrs. Cresspahl (…) Martin Luther King was een zwarte man zoals ik. U hoort bij de blanken’. Onder de indruk van die opmerking neemt ze Marie kwalijk dat zij als blanke een telegram aan Coretta King heeft gestuurd en maakt de weduwe daarvoor per brief zelfs excuses.

    Gesine probeert voorzichtig de verschillende werelden van haar en haar dochter te overbruggen door parallellen te trekken tussen de VS van dat moment en het Duitsland van de jaren 30 en 40. Als Gesine vertelt dat haar vader voor de Engelsen werkte wekt dat bij Marie verbazing. Ze ziet het als verraad aan het vaderland. ‘Maar had zijn land niet ongelijk?’ vraagt Gesine waarop Marie reageert: ‘Gesine, heeft dit land [Amerika] niet [voor jou] ook ongelijk? (…) Kom jij daarom in actie om het te verraden? (…) Iedereen van jouw familie heeft de nazi’s in de kaart gespeeld, en Cresspahl al helemaal. Nu wil je tenminste van één de eer redden, en het liefst van jouw vader.’

    Legpuzzel

    Johnson spant in Jahrestage een ingenieus en weids samenstel van draden, maar het is aan de lezer om van al die losse draden het tapijt te weven. Al lezend word je meegesleept in steeds nieuwe verhalen waarvan niet meteen duidelijk is wat ze met elkaar te maken hebben. Tot ze elkaar ineens blijken te raken en verknoopt raken. Maar dat kauwt Johnson niet voor. Daardoor wordt de roman een fascinerende legpuzzel die een actieve lezer vraagt.
    Je moet de fragmentarische informatie uit de vele verhaallijnen zelf integreren. Zo was er in deel 1 een passage over een zekere weduwe, Mrs Trowbridge. Er meldde zich een onbekende man op haar adres waar hij te horen kreeg dat ze is verhuisd vanwege geklaag van de buren over haar huilende baby. Waar ze naar toe is gegaan weet niemand. Het is een passage vol mysterieuze vragen. Wie was die man? Wie is Trowbridge? Haar man is blijkbaar gestorven. Was hij de vader van de baby? Maar vooral: wat heeft dit met Gesine te maken? Dat wordt pas in deel 2 geleidelijk duidelijk.

    Een ander voorbeeld is de val van Gesine als kind in een regenton. Op pagina 54 van deel 1 wordt de gebeurtenis een paar keer tussen neus en lippen door vermeld, maar pas op pagina 469 van deel 2, vertelt Gesine het aarzelend aan Marie. Ook dit voorval blijkt in dienst te staan van het grote verhaal over haar ouders, vooral dat van haar moeder Lisbeth, en van een trauma van Gesine zelf: waarom greep haar moeder niet in? Het dwingt je bijna eerdere stukken te herlezen (zoals de aandachtige lezer misschien na lezing van het laatste deel de koffers zou willen pakken naar een onbewoond eiland om de hele roman in opperste concentratie nogmaals tot zich te nemen).
    De regenton wordt een soort code tussen Gesine en Marie, als het verhaal van haar herinneringen stokt. Dat gebeurt bijvoorbeeld als Gesine vertelt over de Kristallnacht in 1938 waarin haar moeder de NSB-burgemeester een klap in zijn gezicht gaf. Ze breekt het verhaal af. ‘Is het een regentonverhaal?’ vraagt Marie dan.

    Waarheid

    Er schuilt bij Johnson dan ook altijd een groter verhaal achter elke petite histoire. Johnson schrijft heel precies, zowel wanneer het gaat over New York en Amerika in 1967 en 1968, als wanneer Gesine vertelt over de jaren 30 in Duitsland. De verteller in de roman is exact in adressen en data en wat Gesine leest in haar New York Times wordt al even nauwkeurig verteld. Er zijn letterlijke citaten uit de krant en het wemelt van details over bijvoorbeeld de oorlog in Vietnam. Maar die precisie is er ook in waarnemingen zoals in de bijna ontroerende beschrijving van de scène waarin Marie een kakkerlak ziet baren.
    Dergelijke details worden ook gegeven in de herinneringen van Gesine aan haar kinderjaren. Van een overlijdensbericht uit 1938 wordt niet alleen de exacte datum vermeld, maar ook de naam van de bezorger van de krant waarin het stond compleet met nummer van de jaargang en de abonnementskosten. Het zijn pogingen om de waarheid zo dicht mogelijk te benaderen. Maar wat zeggen die preciese feiten? Wat is die waarheid? Het is een punt dat eveneens opduikt in de gesprekken tussen Gesine en Marie over de herinneringen aan Duitsland:

    ‘Ik heb je nooit de waarheid beloofd’.
    ‘Zeker niet. Alleen jóúw waarheid’.
    ‘Zoals ik denk dat het was’.
    ‘Gesine, er zijn toch dingen die jij wél weet’.
    ‘(Gesine verwijst naar wat  ze verteld heeft over de manier waarop een NSDAP-burgemeester met een spreidstand de afstand van één meter mat) Maar ik weet niet waarom mijn geheugen dat heeft bewaard. Waarom niet een ander beeld, een zinniger gesprek?’

    Ondanks die precisie – en die is er ook in de nauwgezette beschrijving van karakters, houdingen en zelfs mimiek van personages – zijn die herinneringen juist sferisch. Later in deel 3 zegt ze zelfs dat ze de betekenis van gebeurtenissen niet ervoer ‘door wat hij [haar vader] zei, maar meer nog door de informatie die wordt overgebracht door stemmingen, manieren van kijken, gelaatsuitdrukkingen’. Het geeft precies weer wat Johnson doet. Hij laat je kijken, maar verklaart niets. Johnson vertelt de lezer niet hoe verschrikkelijk het was maar maakt hem tot een toeschouwer die zelf moet oordelen.
    Het is dan ook geen wonder dat Margathe von Trotta zich in 2000 toch aan een verfilming van het onverfilmbaar geachte Jahrestage waagde. Ze vond daarvoor juist steun in die werkwijze van Johnson om lezers een situatie in te slepen.
    In de trailer van deze (eveneens) vierdelige film zijn bijvoorbeeld het regentonincident en de klap in het gezicht van de burgemeester te zien.

     

    Zie hier de trailer: youtube.com/watch


    Dit is de tweede van drie besprekingen van de roman van Uwe Johnson. De eerste aflevering leest u hier.

     

     

  • Platonov en de lange adem van de vertaler

     

    Russisch vertaler Aai Prins werkt aan een vertaalproject dat alle verhalen, verschillende novelles en een roman van de Russische schrijver Andrej Platonov (1899-1951) omvat en in twee delen verschijnt in de Russische bibliotheek van Van Oorschot. Het eerste deel, Platonov Verhalen, verscheen in de zomer van 2019 en werd later in het jaar bekroond met de Letterenfonds Vertaalprijs. Het Letterenfonds roemt Aai Prins (1959) als ambassadeur van de Russische literatuur, al is ze daar zelf zeer bescheiden over.

    Als vertaler heeft Aai Prins een lange staat van dienst, maar ook op andere wijze bracht ze de Russische literatuur onder de aandacht. Zo heeft ze vele stukken geschreven over het werk van Poesjkin, Toergenjev, Dostojevski, Tolstoj, Nabokov en Brodsky, en minder bekende auteurs als Garsjin en Kononov. Van 2006 tot 2014 woonde ze in St. Petersburg waar ze Nederlands doceerde aan het Nederlands Instituut en de Universiteit van Petersburg. Een paar jaar geleden hertaalde ze werk uit de Russische bibliotheek van Gogol, Tsjechov en Pasternak. De vertaling van Platonov, het tweede deel, is in uitvoering.

    In april zou ik Aai Prins thuis  in Amsterdam bezoeken voor een interview. Toen gooide corona roet in het eten. Omdat de kans op een ‘live’ ontmoeting wel eens lang op zich kon laten wachten, spraken we elkaar via een Zoom verbinding. Aai Prins vanuit haar zogenaamde ‘datsja’, aan het Markermeer tussen Hoorn en Enkhuizen, met een wat haperende internetverbinding, en ik vanuit mijn eigen keuken. We spraken over het vertalen van Platonov, die er zijn eigen vreemde woordgebruik op na hield, over de lange adem van een vertaler en hoe bewerkelijk deze vertalingen zijn. 


    Hoe brengt een Russisch vertaler het tot ambassadeur van de Russische literatuur?

    ‘Ja kijk, als je begint met studeren weet je eigenlijk nog niet zo goed waar je aan begint. Het was wel uit liefde voor de Russische literatuur dat ik Russisch ging studeren. Ook wel om het exotische dat me erg aansprak. Het was 1977, de tijd van de muur, de Koude Oorlog. Al had ik toen niet de illusie dat ik zelf vertaler kon worden. Ik wilde het wel maar er gebeurde in die tijd niet zoveel in de Russische literatuur. De klassiekers waren grotendeels al vertaald door, of vergeven aan de gevestigde vertalers als Charles Timmer, Karel van het Reve, Kees Verheul, Tom Eekman. Ik had niet de illusie dat ik daar ooit tussen zou kunnen komen. Maar ik had wel de mazzel, dat toen ik afgestudeerd was, ik vrij snel met de Perestrojka mee kon liften op de stroom van literatuur die na de val van de muur opeens uit Rusland kwam. Ik was net klaar en kon gaan vertalen. Maar ik voelde me niet meteen een ambassadeur van iets hoor.


    Waar en hoe bent u met de Russische literatuur in aanraking gekomen, met Platonov? 

    ‘Mijn ouders hadden veel Russische schrijvers in de kast staan, zo ben ik ermee in aanraking gekomen. Platonov kende ik van mijn studie, hij stond bij ons op de leeslijst. Maar in die tijd was zijn hele werk nog niet ongecensureerd verschenen, dus daar was nog niet alles van bekend. We moesten hem lezen, maar eigenlijk ging het me grotendeels boven mijn pet. Het is een vreemde schrijver, hij gebruikt geen algemeen beschaafd Russisch. Dus ik had wel enige kennis van zijn werk. Maar toen ik een paar jaar geleden door Van Oorschot werd benaderd om Platonov te vertalen voor de Russische bibliotheek, ben ik hem pas echt goed gaan lezen en begrijpen.’


    Toen kon het vertalen beginnen, hoe was dat?

    ‘Het was een enorme klus. Een aantal jaar geleden is zijn volledige werk in zeven delen, ongecensureerd en zo volledig mogelijk uitgegeven. Ik geloof dat zijn dochter zijn boeken bezorgd heeft. Ik heb dat toen allemaal gelezen. Daaruit heb ik een selectie gemaakt voor Van Oorschot, het zouden twee delen worden, en ik heb een selectie uit de verhalen gemaakt. Enkele van zijn beroemdste verhalen waren al vertaald door Timmer, maar die vertaling was op basis van de gecensureerde versie. Ik ben nu bezig met het tweede deel.’ Ze houdt een omvangrijk boek omhoog, een indrukwekkende Russische uitgave. 

    ‘Voor het vertalen van die verhalen heb ik eindeloos veel specialisten moeten raadplegen.  Omdat zijn taalgebruik zo bizar is, moest ik heel vaak bij Russen te rade gaan. Dan vroeg ik of het afwijkend taalgebruik was wat Platonov gebruikte, en dat beaamden ze dan. En dan wilde ik weten waarin het afwijkend was. Dan zeiden ze dat je iets niet zo zegt zoals Platonov het zegt. Kijk, je hebt in het vertalen vaak te maken met een bepaald idioom, ‘fraseologische’ uitdrukkingen. Een simpel voorbeeld: in het Russisch zeg je ‘Piet klimt op de boom’, terwijl wij zeggen ‘Piet klimt in de boom’. Dus als er staat dat ‘Piet op de boom klimt’, wordt dat bij mij, ‘in de boom’. Maar er zijn ook veel gevallen waarvan ik denk dat het fraseologisch incorrect is. Dat moet ik dan wel zeker weten, wil ik het in het Nederlands net zo bizar vertalen als het er in het Russisch staat. Als je dan begint aan een boek van achthonderd pagina’s, dan ben je wel even bezig.’


    Er komen veel technische beschrijvingen voor in zijn verhalen, hoe is dat om te vertalen?

    ‘Platonov was zelf technisch onderlegd en dat ben ik niet, maar ik heb wel drie broers die in de techniek zitten, daar kan ik altijd bij te rade gaan, over elektromotoren en zo meer. Maar het gaat in die verhalen ook over ontspoorde wetenschappers. Die wel iets weten maar daarna technisch helemaal uit het lood raken. Dan moest ik weer gaan uitzoeken of dit normaal was, dat ze bijvoorbeeld de aarde konden laten verschuiven, of dat ze een steen de ruimte in konden katapulteren, of was dat totale onzin? Platonov was landbouwkundige, heeft veel expedities gedaan door de hele Sovjet Unie, er komen dan ook heel veel geologische termen in voor. Dan laat ik me adviseren door een geoloog. Dat maakt een vertaling best bewerkelijk.’


    Vertaalt u ingewikkelde beschrijvingen zoveel mogelijk naar het begrip van de Nederlandse lezer?

    ‘Ik wil het liefst dat de Nederlandse lezer zoveel mogelijk dezelfde ervaring krijgt bij het lezen als de Russische lezer. Dus als er iets technisch gepresenteerd wordt waarvan een Russische specialist denkt, nou dat zit aardig in elkaar, dat klopt wel met al die technische dingen, maar dit is een beetje vreemd, dan wil ik dat de Nederlandse specialist dat ook denkt. Ik heb een hele lijst aan specialisten, van banketbakkers tot monteurs. Dan vertel ik dat ik een boek aan het vertalen ben en of ze mij kunnen vertellen hoe dit of dat zit. Ik ben bijvoorbeeld een hele dag rondgeleid door het Spoorwegmuseum door een man die gespecialiseerd is in oude stoomlocomotieven, die heeft mij heel lief ontvangen. Al mijn vragen had ik van tevoren opgestuurd, hij heeft me alles laten zien, hoe het werkt met die ketels, de stookplaat, de koppelstangen.’


    De verhalen zijn chronologisch op jaartal geselecteerd. Het eerste verhaal, geschreven in 1892, is dat zijn allereerste verhaal?

    ‘Ja, en je ziet dat die eerste verhalen nog niet in die heel bizarre stijl zijn geschreven. Je kunt al wel zijn aanzet zien, tot wat in zijn latere verhalen meer naar voren komt, het bezield maken van voorwerpen. Animistisch heet dat, dat je ieder ding een geest geeft. Dat zie je in zijn latere werken veel vaker maar dat is in aanzet al in die eerste verhalen van hem te zien. Ik heb de verhalen zoveel mogelijk chronologisch achter elkaar gezet, maar daar is een zeker voorbehoud bij, want op een gegeven moment kon hij niet meer vrij publiceren. Hij heeft dingen geschreven die hij nergens kwijt kon. De roman die ik nu aan het vertalen ben, heeft hij geschreven rond 1928, maar werd nooit gepubliceerd. Na die roman heeft hij nog verhalen geschreven die wel weer in deel 1 zijn opgenomen. Dus helemaal chronologisch is het niet. Ik heb zoveel mogelijk de data uit de publicaties aangehouden. Maar er zijn ook verhalen die eerst in tijdschriften hebben gestaan, later in verhalenbundels zijn opgenomen, en dan klopt het qua publicatiedatum niet helemaal. Maar waar mogelijk heb ik de chronologie aangehouden.’ 


    Was Platonov een realist of een romanticus?

    ‘De term romanticus laat zich moeilijk met hem verenigen, maar toch zit er wel iets van een romanticus in hem. Maar in de eerste plaats is hij een bevlogen communist, die aanzet tot grootse daden, vaak heeft hij ook irreële hoop, en ondertussen was hij wel een gelovig communist met een keiharde benadering van alles. Dat realisme van hem, dat is in sommige van zijn sciencefiction-verhalen ook weer ver te zoeken. Maar de elementen waarmee hij zijn verhalen opbouwt zijn wel degelijk realistisch. De machines, en zo. Maar goed, zijn verhalen over de kosmos, de ruimtereizen, of dat realistisch is? Misschien, ik weet het niet.’


    Hij was een volgeling van Stalin maar zijn verhalen doorstonden de censuur niet. Stalin wilde hem zelfs uit de partij zetten. Toch bleef hij op dezelfde aanstootgevende wijze doorschrijven.

    ‘Ja, dat klopt, dat bracht hem steeds in de problemen. Hij was in feite een proletariër pur sang, kwam uit een armoedig gezin. Hij was iemand van de toekomst, tot op het bizarre af. Er is dat verhaal over de collectivisatie van de landbouw. Over die boeren die van hun land worden gejaagd, onteigend worden en naar Siberië moeten. De slachtoffers en de hongersnoden die daaruit voortgekomen zijn, heeft hij gezien. Maar hij vond, ‘waar gehakt wordt vallen spaanders’. Hij schreef daar een verhaal over en voerde daarin een paar personen op die een beetje geschift waren en helemaal niet bij het socialisme hoorden, ofwel geloofden in de goede zaak. Hij dacht dat hij bijdroeg aan de goede zaak, door de dingen zo te presenteren. Maar Stalin en zijn trawanten zagen daar een en al kritiek in. Dan kreeg hij op zijn donder, en begreep hij niet waarom. Dat is wel ongelofelijk: a: dat ie zo’n verhaal kon schrijven, er achter bleef staan ondanks dat ie gezien had wat er speelde, en b: dat hij niet snapte dat ie daardoor in de problemen kwam. Platonov is een ingewikkelde persoonlijkheid.’

     

    Wat betekent het winnen van de Vertaalprijs voor u, had u die verwacht?

    ‘Nee, nee, absoluut niet. Ik was ergens een tolkencursus aan het doen, notatietechniek voor synchroon tolken. En toen werd ik gebeld, dat ik die prijs gewonnen had. Het was een ongelofelijke verrassing. En het fijne aan deze prijs, vind ik, dat deze wordt toegekend door vertalers. Ik voelde me daardoor zeer vereerd.

     

    Ging u na de prijsuitreiking vrolijk door met het vertalen van het tweede deel?

    ‘Dat was wel de bedoeling, dat ik gelijk door zou gaan maar dat ging niet zo makkelijk. Nu ben ik aardig op stoom. Al weet ik nu al dat ik het weer niet op tijd zal inleveren. Het is gewoon waanzinnig veel, de roman, Tsjevengoer, die ik nu aan het vertalen ben, is alleen al ruim 400 pagina’s. Dan heb je de hele dag vertaald en aan het eind van de dag zie je die stapel bladzijden maar niet minder worden. Dat eerste deel had het voordeel dat het korte verhalen waren, dan vertaal je een verhaal en dan is het af. Dan kun je zo’n pakketje maken en zien wat je gedaan hebt. Maar met zo’n loeilange vertaling is het lastig om dat op te brengen.’


    Waar gaat die roman over?

    ‘Het is een verhaal over de verzonnen stad Tsjevengoer. Een paar enthousiaste bolsjewieken gaan daar het communisme vestigen. Ze spreken in een vreemd jargon, vol communistische termen, een beetje van alles door elkaar. Ze zijn zeer bevlogen maar wat moeten ze bijvoorbeeld met de  bourgeoisie? Ze schrijven hen een brief dat ze op het plein moeten samenkomen. Ze komen daar ook echt naartoe en worden dan afgemaakt. Kijk dat soort dingen worden hoppa gepresenteerd. Het is gruwelijk, maar het wordt gepresenteerd door welwillende bolsjewieken die daar orde op zaken komen stellen. Dat is een heel klein aspect van de roman, een fragment dat ik net heb gedaan.’


    Hoe werkt dit op u door, zulke passages?

    ‘Af en toe grijpt het me wel aan. Het is geschreven in 1928, en dan is die passage waarin de bourgeoisie uit het stadje gesommeerd wordt met een koffertje naar het plein te komen, haast profetisch. De Tweede Wereldoorlog moest nog komen. Zulke passage zijn hard om door te nemen, en ik weet dat er meer van zulke passages komen. Ik heb wel vaker akelige dingen in romans vertaald, daar had ik nooit zo’n last van. Maar opeens zag ik voor me wat daar, en later in het echt gebeurde. Het is natuurlijk een verzonnen stad, maar de gebeurtenissen zijn wel degelijk geënt op de waarheid. Als het ware werpt het zijn schaduw ver vooruit. Het is niet voor niks dat deze roman nooit heeft kunnen verschijnen in de Sovjet Unie.’


    Hoe lang heeft u gewerkt aan het eerste deel?

    ‘Lachend: ‘Dat durf ik niet eens te zeggen, ik heb er in ieder geval een jaar langer over gedaan dan was afgesproken. Ik denk dat ik er toch wel twee, tweeënhalf jaar mee bezig ben geweest. En ik vrees dat ik voor het tweede deel ook meer tijd nodig zal hebben.’ 

    Het is niet alleen de vertaling waar Aai Prins zich mee uiteen zet, bij het eerste deel schreef ze ook het uitvoerige en zeer lezenswaardige nawoord Een man die niet kon liegen, over de mens Platonov en zijn schrijverschap.

    ‘Het manuscript van zijn roman die ik nu aan het vertalen ben, liet hij aan Gorki lezen en die zei, “nou dat krijg je niet gepubliceerd”. Maar Platonov begrijpt niet waarom. Dan gaat hij allemaal brieven schrijven waarin hij zich erover beklaagt dat hij bestempeld wordt als een subversieve schrijver; maar dat komt allemaal in het nawoord van deel twee.’

     

     

     


    Platonov Verhalen / Andrej Platonov / vertaald door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot (2019)

     

     

     

     

     

     

    Foto: ©Gerard van der Wardt

  • Elke editie meer dan de moeite waard

    Elke editie meer dan de moeite waard

    Literair tijdschrift Tirade verschijnt dit jaar in een hogere versnelling. Waar in voorgaande jaren steeds vier edities verschenen, lijkt het blad dit jaar met vijf edities te zullen afsluiten, gezien de tweemaandelijkse plof op de mat. Het wordt er wel levendiger van, alsof er een vitaliserende druk achter zit. De dommelende lezer, die dacht nog wel even te hebben voor er een nieuw nummer verschijnt, moet zijn instelling veranderen. Dit jaar verscheen er een maart- /mei- en augustusnummer, en het oktobernummer is in aantocht. Elk nummer een feest aan verhalen, gedichten, essays, worden auteurs gememoreerd. Met hier en daar een nieuw geluid, een debuterend of in Nederland nog onbekend schrijver.

    Floyd-effect in de literatuur

    Tirade 480 opent met een redactioneel stuk waarin Julien Ignacio opmerkt dat na de gewelddadige dood van George Floyd, zwarte schrijvers in de spotlights zijn komen te staan, er een zogezegd Floyd-effect is ontstaan. Het eerste korte verhaal ‘Een doodgewone vrijdagochtend’, is dan ook van de vrij onbekende Afro-Amerikaanse dichter en schrijver Langston Hughes (1901-1967). Na het lezen van zijn verhaal, wil je gelijk meer van deze auteur lezen. Het verhaal, over het zwarte meisje Nancy Lee die op een witte openbare school meedoet aan een kunstwedstrijd, is schrijnend. Met haar werk wint ze een kunststudiebeurs. Dan komt de commissie erachter dat Nancy zwart is, krijgt ze de beurs toch niet. Hughes zoekt niet de scherpe randen van het goed en kwaad op,( wat voor de hand zou liggen), maar kiest geen partij.
    De leerkracht van Nancy, Miss O’Shay leert haar, nadat ze Nancy het slechte nieuws heeft moeten vertellen, dat, ‘Amerika alleen [is] wat wij ervan maken. Ik ben Ierse. Dit weet jij misschien niet Nancy Lee, maar jaren geleden werden we de smerige Ieren genoemd, en werden we door hordes in de grote steden aangevallen, en werden we verzocht om terug te gaan naar waar we vandaan kwamen. Maar we gingen niet. En we gaven niet op, omdat we geloofden in de Amerikaanse droom, (…) Degenen die jou deze studiebeurs ontzeggen, weten niet wat die sterren [in de vlag] betekenen, maar het is aan ons om het ze te vertellen.’ En Nancy tilde haar hoofd op, glimlachte. ‘Er komen wel andere prijzen, dacht Nancy Lee. Er zijn scholen in andere steden. Dit houdt me niet tegen.’ Caspar Wijers vertaalde dit verhaal van Hughes, en je hoopt dat er eens een heel boek van deze schrijver vertaald zal gaan worden.

    Nog met het verhaal van Hughes in het hoofd door naar de ‘Kwatrijnen’ van Tonnus Oosterhoff. Alsof ze daar en nergens anders geplaatst konden worden. ‘Er wordt ritmisch aan ons getrokken. / Door Wie? In welke richting? / We weten dat we waardevol zijn / omdat er aan ons gerukt wordt.’

    Honden in de literatuur

    Sander Kollaard over de roman Onderdak van Elisabeth van Nimwegen. Over hoe bijzonder deze roman is, met uitgelichte thema’s als de druk van de samenleving, moederschap, vrouw zijn en de wens helemaal te willen verdwijnen. Mooi is dat Kollaard hierin een vergelijking trekt met Bor de Wolf uit de Fabeltjeskrant, die voorafgaand aan elke zin eerst een huil (Hu!) liet horen. Bor wil met niks en niemand iets te maken hebben, het Enge bos is voor hem de ultieme plek om zich terug te trekken, net als Andrea uit Onderdak, die zich in een bergruimte op zolder heeft teruggetrokken, wil ook met niks en niemand meer iets te maken hebben. Verdraaid goede roman, Kollaard schreef er een fijn stuk over. 

    Guido van Hengel schreef over de hond in de literatuur, ‘Meelezen met de honden’. De hond in het werk van Virginia Woolf, Tsjechov en Kafka. En natuurlijk Sander Kollaard met zijn Uit het leven van een hond,en Ik wil geen hond zijn van Alma Mathijsen. ‘Waarom verschijnen er zoveel boeken over honden?’
    Poëzie van Maria Barnas, gebeeldhouwde woorden, regels als de tandjes van een rits, die in elkaar schuiven, sluitend zijn. Getiteld ‘Ha-ha’ naar de Ha-ha Wall: een droge gracht waarin een muur verborgen wordt als omheining.

    Eerdere edities 

    Uit de eerste editie van dit jaar, Tirade 478 is een verhaal van Julien Ignacio, geïnspireerd op de roman Alleen de bergen zijn mijn vrienden van  Behrouz Boochani, zeer vermeldenswaardig. Ignacio laat een cyborg een vriendschapsverzoek naar Behrouz sturen. Waarna ze gaan chatten, waardoor het leven van Behrouz dichtbij komt, dichterbij kun je haast niet komen, bij een mens, verslagen als vluchteling. Dan een bizar verhaal van Maria Kager, ‘Een unieke ervaring’, waarin de prijs van een schrijfwedstrijd een ontmoeting met Etgar Keret in Tel Aviv inhoudt. Van Marjolein van de Gender een gestileerd verhaal over verlaten zijn. En Yentl van Stokkum, die gefascineerd is door Emily Brontë, schreef daar prachtige gedichten over. 

    In Tirade 479 een bijdrage van Wouter van Oorschot, herinneringen aan de dit jaar overleden schrijver Carl Friedman, een mooi in memoriam. Lodewijk Verduin over het werk van H.A. Gomperts, ‘Maar wat is er dan gebeurd met H.A. Gomperts? Hij wordt zelden genoemd, zijn boeken worden niet driftig gezocht.’ Daar zou deze bijdrage wel eens verandering in kunnen brengen. Lees, lees, lees!
    Last but not least een prachtig verhaal, Ritueel, van beeldhouwer en schrijver Mohana van den Kroonenberg. In 2010 debuteerde ze met de verhalenbundel Moorddiner, sindsdien werd er op literair gebied weinig van haar vernomen. Goed te horen dat er wordt gewerkt aan een tweede verhalenbundel, Overlevingsstrategieën

    Elke editie is meer dan de moeite waard om aan te schaffen, door te snuffelen, te lezen, van voor naar achter en weer terug, verhalen houden nooit op.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Oogst week 43 – 2020

    Onzichtbare boeken Verdwenen boeken

    Thomas Heerma van Voss (1990) is niet alleen schrijver van romans als Stern en Condities, maar hij was ook actief als redacteur bij Babel & Voss, een uitgeverij die in 2009 werd opgericht door Reinjan Mulder. Deze uitgeverij was een frisse wind binnen het literaire veld, maar na een veelbelovend begin bleef het echte succes uit. In 2014 schreef Heerma van Voss daarom het afscheidsboekje Onzichtbare boeken. Ironisch genoeg werd juist dit werk een succes. De uitgeverij ging tóch door.

    Dit jaar viel het doek voor Babel & Voss definitief. Daarom schreef Heerma van Voss opnieuw een afscheidsboekje: Verdwenen boeken. Das Mag heeft Onzichtbare boeken en Verdwenen boeken gebundeld. In deze uitgave gaat het niet alleen over de pieken en dalen van een uitgeverij, maar ook over de band tussen Heerma van Voss en Mulder.

    Onzichtbare boeken Verdwenen boeken
    Auteur: Thomas Heerma van Voss
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.

    Aslast

    In 2010 debuteerde A.H.J. Dautzenberg (1967) met de verhalenbundel Vogels met zwarte poten kun je niet vreten. Sindsdien publiceert hij onder meer romans, gedichten, essays, theaterteksten en korte verhalen. Tien jaar na zijn debuut verschijnt Aslast, een novelle over P., een man van middelbare leeftijd. Hij bevindt zich niet alleen in een trein, maar ook in een absurdistisch grensgebied tussen binnen- en buitenwereld. Zo is de wagon opgeleukt met een tekening in de stijl van Mondriaan en beginnen de gekleurde rechthoeken opeens te bewegen. Dautzenberg gebruikt muzikale taal, waardoor deze novelle over eenzaamheid, lotsbestemming en individualiteit veel wegheeft van een lang gedicht.

    Aslast
    Auteur: A.H.J. Dautzenberg
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl

    Een bijzonder boek dat recent verscheen is Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl van Uwe Johnson (1934-1984), een vertaling door Marc Hoogma, met medewerking van Theo Veenhof, van Jahrestage. Aus dem Leben von Gesine Cresspahl dat tussen 1970 en 1983 in vier delen werd uitgebracht. Deze Nederlandstalige editie bevat ruim vijftienhonderd pagina’s en gaat over een jonge vrouw in New York die haar dochtertje vertelt over haar eigen jeugd in Duitsland. Niet alleen komen de nazi’s en het leven in de DDR uitgebreid aan bod, ook wordt de wereldpolitiek aan het einde van de jaren 60 belicht, zoals de oorlog in Vietnam, de Praagse lente en de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy.

    Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl
    Auteur: Uwe Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.
  • Een brok proza

    Een brok proza

    We hadden de camping op Terschelling besproken. Toen kwam het bericht dat mijn broer was verongelukt. De broer die een zwervend bestaan leidde. Zijn dood zette iets in beweging, veranderde iets. Na de uitvaart ging ik naar Terschelling, dacht meer aan mijn broer dan ik ooit gedaan had. Elke ochtend kroop ik om 7 uur m’n tent uit, fietste door de duinen, beklom de opgang naar het strand, liep de Noordzee in. Na een worsteling met het water sprak ik met mijn broer. Of hij wel eens op een eiland was geweest, dat hij de zee beslist zou mogen, dat het leven van strandjutter hem zou bevallen. Lege flessen, ijzeren doppen, hout, aangespoelde containers. Terug thuis ging ik kanoën op de Berkel, spierpijn als genade.
    Vorige week, 
    ik moest wat, fietste ik naar Lochem. Boekhandel Lovink hield zomeruitverkoop. Er stond ook een uitgever met de overgeschoten boeken van Ton Schimmelpennink, de boekverkoper uit Amsterdam die naar Friesland vertrok. De uitgever is een echte boekenliefhebber, had de boeken blind opgekocht, in met ducktape dichtgeplakte dozen. Hij zei, een goed boek verliest nooit zijn waarde.

    Op internet circuleerde een foto van mijn broer waar hij voor een boekenkraam op het Waterlooplein staat, boeken in een doos herschikt. Altijd bereid te helpen, zeiden ze over je. Ik kocht vijf boeken uit de dozen van Schimmelpennink, twee van Boekhandel Lovink. Daarbij zat Confituurwijk van Femke Vindevogel bij, een naam als een sprookje. Confituurwijk gaat over Marie De Geest, op haar drieëntwintigste wees. Haar moeder is al langer dood. Haar vader heeft, juist als het boek begint,  zelfmoord gepleegd. Was alcoholist, Virginia Woolf addict, laat haar met niets achter, ze moet het ouderlijk huis verlaten. Met een koffer vol partituren, blokfluit, laatste boek dat haar vader las en poes Emma gaat ze op pad. Naar de confituurwijk. ‘Een plek waar men twee keer per dag sponsbrood met choco of confituur at omdat men geen geld had voor charcuterie.’ Een tragikomisch verhaal, je zou erom gelachen hebben. 

    Marie heeft niks in haar nieuwe huis, geen bed, geen stookolie voor de kachel. Iemand brengt een luchtbed, dat ze het liefst weigert. Ze is woedend op alles en iedereen, het meest op zichzelf. ‘Ga weg, dacht ik. Blijf uit mijn buurt, ik ben de zandbank waartegen iedereen te pletter slaat.’ Als ze met haar blokfluit partituren oefent voor een auditie, zetten de buren schlagermuziek op, komen aan haar deur verhaal halen. Ze is bang, maar gelukkig woont mevrouwtje Vrank in haar, die zegt, ‘”Kom eens terug als jullie bereid zijn om dat schlagerfestival stiller te zetten. Dán hebben we iets om over te praten. Ondertussen oefen ik verder.” Het antwoord droop van mijn broekspijp.’ Waarna de buren met hun keukengerei de tussenmuur bewerken. ‘Ik nam mijn blokfluit en blies mijn longen moe. Als ze oorlog wilden, zouden ze oorlog krijgen.’ Soms raakte ik de draad van het verhaal kwijt, zoals in het echte leven. Een verhaal wordt gemaakt op het moment dat je het beleeft. Vindevogel schrijft geweldige metaforen, gebalde zinnen. De tegenslagen zijn hilarisch, woede en onmacht voelbaar, als de Noordzee die de benen onder je wegslaat, waardoor je lacht, huilt. Huilt tot je niet meer kunt, denkt, verdomme man. Het was een genot dit boek, gelijk een brok proza, te lezen. Ik werd er een stuk beter van.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, op zoek naar een goed verhaal.