• Droomachtige scènes en surrealistische zijpaden

    Droomachtige scènes en surrealistische zijpaden

    De manier waarop we waarnemen verschilt per persoon. Maak met zijn tweeën een wandeling door een willekeurige stad en de kans dat je andere dingen ziet dan de ander is bijzonder groot. De debuutroman, Waterland van Pieter Kranenborg gaat voor een groot deel over het verschil tussen kijken en zien. Dat leidt regelmatig tot surrealistische taferelen, waarbij de vraag opkomt wat is waar en wat niet. Waterland begint nochtans als een roman waarin gebeurtenissen plaatsvinden die nogal alledaags aandoen. Aangezien de verteller Ingmar na zijn studie Chinees stuurloos ronddobbert, besluit hij in een  opwelling buschauffeur te worden.

    Hoewel hij elke dag een vast rondje tussen Waterland en Amsterdam rijdt is hij tevreden met zijn nieuwe leven, want het geeft hem grip en structuur in zijn leven waar hij tot op dat moment naar op zoek was. Zijn broer, een succesvol sterrenkundige, heeft een baan in de Verenigde Staten aangeboden gekregen en vreest dat zijn verlaten en in onbruik geraakte observatorium vreemd volk zal aantrekken als niemand er een oogje in het zeil houdt. Hij vraagt Ingmar om zijn intrek te nemen in een klein huisje vlakbij de sterrenwacht dat toevalligerwijs aan zijn busroute ligt. 

    Droomachtige scènes

    De zaken nemen een vreemde en onvoorspelbare wending wanneer Ingmar een telefoontje van zijn vriend Egon krijgt. Hierdoor denkt hij terug aan het verleden. Tijdens één van de concerten die ze samen bezochten, ontmoette Ingmar de mysterieuze leadzangeres K. met wie hij een onenightstand beleefde. Egon vertelt dat K. hem een cassettebandje met haar muziek heeft gegeven en wil per se dat Ingmar en hij er samen naar luisteren. Er blijkt iets vreemds met de muziek aan de hand te zijn, want zodra ze die opzetten, lijkt alles ineens fluïde te worden en zijn ruimte en tijd zeer relatieve begrippen. Het aquarium in Egon’s appartement loopt door een plots ontstane scheur leeg en vult de hele woonruimte met water waardoor Ingmar en Egon door het hele appartement rondzweven. Het is slechts één van de vele droomachtige scènes die vanaf dat moment volgen. Geïntrigeerd als hij is door K., besluit Ingmar naar haar op zoek te gaan. 

    Raar wordt normaal

    Kranenborg neemt voor een debuutroman nogal veel hooi op zijn vork door allerlei filosofieën los te laten op de persoonlijke zoektocht van Ingmar. Hij wordt onder andere beïnvloed door de Chinese wijsgeer Zhuang Zi. ‘Ik dacht aan de vlinder van Zhuang Zhi. Aan hoe de scheidslijn tussen het bekende en het onbekende vloeibaar was en de wereld zoals je die kende zomaar vreemd kon worden en de raarste dingen doodnormaal.’ In Waterland wordt door Kranenborg constant gespeeld met deze scheidslijn. Als Ingmar na zijn bezoek aan Egon naar buiten gaat en de jongen van de fietsstalling hem vraagt of hij hen nu echt zag zweven in dat appartement, dan is dat door de manier waarop de scène wordt beschreven zowel surrealistisch als geloofwaardig. Dat is best knap en zegt iets over het verteltalent van de schrijver. 

    Iets teveel van het goede

    Toch overtuigt de roman niet helemaal door de vele surrealistische zijpaden die worden bewandeld en de diverse personages die nogal doelloos in en uit de plot wandelen. Zo is er de intellectuele Astronoom die verder niet bij naam wordt aangeduid en die Ingmar kritisch naar de sterren leert kijken en Kelvin, een barman, die treurt om het verlies van een geliefde. Het zijn stuk voor stuk karakters die heel interessant zouden kunnen zijn, maar uiteindelijk toch een beetje aan de oppervlakte blijven drijven. Ook Ingmar dobbert met de diverse verhaallijnen mee zonder dat zijn keuzes enige invloed op de gang van zaken in het verhaal lijken te hebben. Waterland gaat meer over stijl dan over inhoud en dat is bij een labyrintische vertelling van ruim driehonderd pagina’s misschien iets te veel van het goede.  

     

     

  • Spoorzoeker

    Spoorzoeker

    De meeste sporen die we achterlaten vergeten we. De weg die je ging, wie je ontmoette, de liefde. Er geen actieve herinnering aan hebben (hier begrijp ik opeens Rutte beter), omdat je gaande was, anders was. Dat iemand niet actief in je geheugen zit, heet vergeten. Tot er iets gebeurt waardoor je toegang krijgt tot zo’n vergeten episode. Het overkomt Erik Lindner in 51 manieren om de liefde uit te stellen als hij op de aftiteling van een film een naam herkent.  ‘…en dan lees ik de naam Karmele Soler. Ze bestaat, hier is het bewijs dat ze werkelijk is, dat het geen verzinsel is.’
    Het is 1996 als hij dit na afloop van de film
    Tierra in een filmzaaltje in Amsterdam ziet. Het staat ergens midden in het boek, maar voelt als het beginpunt van de exercitie die Lindner aanging. Karmele is het beginpunt van dit verhaal. Daarna kijkt hij alle films waaraan zij meewerkte, leiden alle wegen naar Karmele. 

    Zo’n tien jaar daarvoor, jaren tachtig, was hij in San Sebastián om een stuk te schrijven voor een tijdschrift. Toen ontmoette hij de Baskische jonge vrouw Karmele Soler, een make-up specialist voor films, voor het eerst. Ze werden elkaars minnaars voor een week, toen moest hij terug naar Nederland. In de jaren daarna gaat hij nog eens terug met een boek, in de hoop haar te zien. Hij geeft het af bij het huis van haar vader, geen spoor van Karmele. 

    In de films waaraan zij meewerkte, speurt hij naar een teken van haar werk, het schminken. Het heeft iets romantisch (niet te verwarren met geluk). Als Lindner de film Palmeras en la nieve ziet waarvoor zij ook de schmink deed, schrijft hij. ‘Ze heeft haar sporen, haar handtekening achtergelaten op lichamen die op het scherm voor me op het veldbed liggen.’ Met deze beelden krast hij groeven in zijn ziel. Het verhaal intrigeert, de vrouw die hem bezighoudt, die hij zoekt en weer kwijtraakt, benadert en weer afstoot. Wat voor vrouw is dit? En wat voor man? 

    Ik moet dringend op zoek naar de dvd Hable con ella, gekocht in 2003 in Lissabon. Dit was wat we in die jaren met onze vrije dagen deden, met de Citroën Dyane vanuit Seia naar het driehonderd kilometer verderop gelegen Lissabon rijden. Een pension namen, boekwinkels bezochten, naar de FNAC om muziek, films te halen. In Hable con ella, (Pedro Almodóvar) heeft Geraldine Chaplin, de enige naam die ik kende, een bijrol, en van zanger Caetano Veloso, die er zichzelf in speelt. Ik vind hem in een doos op zolder, en zie, helemaal links onderaan in zeer kleine letters staat, ‘Maquillaje: Karmele Soler’. Daar is ze, vanuit het boek op de dvd in mijn hand, Hable con ella.

    Dit verhaal, de verhalen in de zijwegen die Lindner inslaat, ik ben er niet zomaar klaar mee. Het is een ontwikkelingsverhaal, een liefdesverhaal, een mentale ‘tour de force’, voor alles een rijk boek waarin alles de moeite waard lijkt. Er komen stukken in voor van de schrijver als jongen in Scheveningen waar hij opgroeide, over zijn werk als redacteur van een tijdschrift (denk Terras). En dan die films! Door alles heen ontstaan de lijnen van een plattegrond, wordt een mensenleven zichtbaar.

    ‘Maar zie haar wegen krullen op de kaart.
     Mijn leven dwaalt zo sierlijk: elke omweg
     lijkt de moeite waard.’ 

     

    Citaat uit het gedicht ‘Reisdoel’ van Marjoleine de Vos, uit: Hoe verschillig.


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft columns met het raam open.

  • Brieven aan zijn Mieske, een waar revolutionair

    Brieven aan zijn Mieske, een waar revolutionair

    Soms komt een boek op het juiste moment. Dat geldt voor Wissel op de toekomst van Soetan Sjahrir (1909-1966), waarbij Soetan geen voornaam is maar een titel. Eerder werd er in 1945 van deze Indonesische nationalist, Indonesische overpeinzingen uitgegeven dat meerdere drukken kende. Wissel op de toekomst komt op het juiste moment omdat het in de slipstream van vijfenzeventig jaar onafhankelijkheid van Indonesië verschijnt, waardoor de belangstelling voor de koloniale geschiedenis in ons land toeneemt. Zo kwam de naam Sjahrir ook bovendrijven in het boek Revolusi van David Van Reybrouck, zijn naam neemt in het register bijna een hele kolom aan verwijzingen in beslag, met toevoegingen als: premier, arrestatie en ballingschap, gevangenschap en overlijden.

    Nu is er dan een vollediger beeld van hemzelf beschikbaar in de vorm van brieven die hij schreef aan zijn Hollandse geliefde Maria Duchâteau, die hij Mies of Mieske noemde. De brieven zijn bezorgd door Kees Snoek, die in Indonesië heeft gewoond, onder meer de biografie van Eddy du Perron publiceerde en poëzie vertaalde van Sitor Situmorang en Rendra. De brieven omvatten de periode 1931-1945, van het idee van Soekarno om een nieuwe partij op te richten tot de dekolonisatieperiode. De laatste brief dateert van kerst 1945. In voetnoten wordt telkens de politieke achtergrond – die meeklinkt in de brieven – geschetst, zodat de kennis daarvan voor de lezer wordt verdiept.   

    Toekomstplannen

    Sjahrir heeft toekomstplannen voor zijn land die hij met zijn geliefde deelt, maar hij is bang dat de Indonesiërs vijandig tegenover de Hollandse Maria Duchâteau zullen staan, temeer daar ze nog getrouwd is met Sal Tas, voorman van de SDAP. Deze houding blijkt ook uit, ‘maar Mies was van het begin tot het einde een waar revolutionair. Standvastig en principieel.’
    Het is altijd jammer niet te weten hoe zij hier zelf over dacht, want haar brieven zijn helaas niet bewaard gebleven. We moeten het doen met verzuchtingen van Sjahrir in de trant van: ‘Als je hard en koel schrijft (…) doe je mij zoveel verdriet aan en Mieske het is niet waar’.   

    Sjahrir maakt zich per brief ook losser van haar en hecht sterk aan zijn werk en aan Ita, een vrouw waarmee hij, zoals we nu zeggen, een knipperlichtverhouding heeft. Hij lijkt Mies daarnaast vooral nodig te hebben om zijn verhaal kwijt te kunnen. Hier past enige schroom, want zijn brieven zijn in eerste instantie niet voor onze ogen bedoeld en al helemaal niet om ons oordeel op los te laten. Toch ontkom je als lezer niet helemaal aan deze beeldvorming, waarbij aangetekend dat het Sjahrir zelf de eerste is die zijn eigen tekortkomingen meteen weer relativeert: ‘Mijn eigen lot interesseert mij maar matigjes’, schrijft hij nadat hij in maart 1934 gevangen is genomen en naar Boven-Digoel werd verbannen, samen met onder meer Mohammad Hatta, de opvolger van Soekarno als partijleider. Later werd Sjahrir overgeplaatst naar Banda. Bovendien moeten we als lezer natuurlijk ook niet vergeten, dat de brieven werden gecensureerd.
    De reden van zijn gevangenneming en verbanning is, dat hij als ‘gevaarlijk voor de openbare rust en orde’ wordt beschouwd (volgens de wet van 1854). Een wreedheid die volslagen in tegenstelling is tot enkele mooie natuurbeschrijvingen die Sjahrir geeft van Nieuw-Guinea.

    Tegenstellingen

    Het zijn juist zulke tegenstellingen die schrijnen, en die ook het begin vormen van een ander recent verschenen boek, De strijd om Bali van Anne-Lot Hoeks. Zij zag in 2013 foto’s uit het album van een veteraan. Gruwelijke foto’s die ze niet kon rijmen met een bezoek dat ze eerder, in 2011 aan Bali bracht. De veteraan, vertelde zij tijdens een bijeenkomst in Spui25 in Amsterdam, wilde echter, toen ze hem in Parijs bezocht, vooral zijn eigen verhaal kwijt, terwijl Hoek in de eerste plaats op zoek was naar het grote, koloniale verhaal. Wat ze overigens ook ondersteunt met brieven, die een belangrijk onderzoeksobject blijven.

    Opvallend is, dat Sjahrir op een gegeven moment schrijft dat Mies ‘weer zo heerlijk sterk’ in hem leeft. ‘Overal voel ik je nabijheid en soms zie ik je zo voor mij staan. Heerlijk is dat liefste.’ Het lijkt of Sjahrir de lezer in zijn gevoelens over hem en Mies telkens een stapje voor is. Hij is niet bitter meer dat zij zo weinig schrijft, want de brieven die hij krijgt beuren hem in de situatie waarin hij verkeert op. Het lukt de lezer steeds beter zich in beider posities in te leven, hij ver van zijn vrouw en kinderen, zij met de kinderen ver van hem, met wie ze in september 1935 ‘met de handschoen’ trouwt.

    En toch schrijft Sjahrir opeens weer dat hij zich aangetrokken voelt tot het geestelijk nihilisme van Eddy du Perron, met wie hij contact heeft. Het geeft duidelijk zijn verwarring weer, want hij weet dat hij elk moment zou kunnen worden doodgeschoten. 

    Biografische schets

    Na de brieven volgen zo’n tachtig pagina’s met een biografische schets. Hierin leren we Sjahrir kennen als een analytische geest, hoewel de romantiek soms van zijn brieven afdruipt. Wat niet wegneemt dat hij ook Mies gebruikt als instrument om zijn hart te kunnen luchten en als makker in zijn revolutionaire strijd. Hij wordt ongeduldig als het niet gaat zoals hij wil. Tijdens zijn gevangenschap krijgt een zeker fatalisme vat op hem, dat na zijn overplaatsing naar Banda plaats maakt voor meer onverschilligheid.

    De notities van Kees Snoek bevestigen wat de aandachtige lezer al in Sjahrirs brieven had bespeurd, dat Sjahrir en Maria Duchâteau niet in staat zijn om zich in elkaars situatie in te leven. De biografische notities gaan door waar de brieven stopten. Sjahrir is inmiddels premier (november 1945-juni 1947) en Maria verdwijnt helemaal naar de achtergrond. Ze hebben elkaar nog een keer gezien: op 2 april 1947 in New Delhi, tijdens een door Nehru belegde conferentie. Het was een pijnlijk en nogal koel weerzien. Ze scheiden en hertrouwen beiden. In 1962 wordt Sjahrir beschuldigd van betrokkenheid bij een aanslag op Soekarno. Hij wordt gevangen genomen en op verzoek van zijn vrouw voor medische verzorging na enkele beroertes overgebracht naar Zürich, waar hij in 1966 zal overlijden.

    Door hun gelaagdheid en de aanvullende informatie zijn de brieven van Sjahrir aan Maria Dûchateau interessant voor een breed lezerspubliek. Voor lezers die geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van het kolonialisme in het algemeen en die van Indonesië in het bijzonder. En voor hen die geïnteresseerd zijn in de vraag hoe een huwelijk, hoe twee geestelijk aan elkaar verwante mensen al dan niet bestand zijn tegen een fysieke scheiding. Minder voor lezers die mooie, letterkundig hoogstaande liefdesbrieven willen lezen, maar dat was primair ook niet de bedoeling van deze uitgave. 

     

  • De wereld is groter dan onze blik weet te vangen

    De wereld is groter dan onze blik weet te vangen

    De in Zweden wonende schrijver Sander Kollaard won in 2020 de Libris Literatuurprijs voor zijn roman Uit het leven van een hond. Geboren in 1961 debuteerde hij vrij laat met de verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde (2012), waarna nog een verhalenbundel en een roman verschenen. Kollaard schrijft geen spectaculair grote verhalen of romans in ruime gebaren en ronkende taal. Hij schetst in een fijnzinnige stijl de beweegredenen van mensen, soms van dieren en voegt daar subtiele humor aan toe. Inhoud en vorm vallen uitermate goed samen. Ook in De kleuren van Anna is dat het geval. Wat begon als een “blind boekje” (serie jubileumuitgaven van uitgeverij Van Oorschot ter viering van het 75-jarig bestaan), met als titel Rood, is uitgegroeid tot een prachtig verhaal over Anna, over de kleuren, over de wereld waarin we leven, ja, over wat niet?

    Het raamwerk van dit boek: vier hoofdstukken gekoppeld aan de kleuren rood, geel, blauw en groen, waarin Kollaard allerlei voorbeelden geeft van feiten en gebeurtenissen waarin deze kleuren een rol spelen of waar ze symbool voor staan. Hij koppelt dit aan diverse actuele gebeurtenissen waarin de zorg om het milieu, de coronacrisis en het vluchtelingenprobleem steeds terugkomen. Hij verwijst naar de Metamorfosen van Ovidius: corona zorgt voor een verandering van de aarde, van de verhouding tussen mensen. De manier waarop de mensheid met het milieu omgaat draagt daar ook een steentje aan bij. Kollaard is kritisch, maar zachtmoedig. Hij weet de oplossingen ook niet.

    Anna

    De tweede verhaallijn gaat over Anna. De ik-figuur komt op zijn wandelingen met zijn hond in het Zweedse dorp waar hij woont Anna tegen, even in de zeventig, die ook met haar hond in en rond het dorp wandelt. Er ontstaat een band tussen deze twee heel verschillende personen. Anna vertelt de ik-figuur het verhaal van haar worsteling met een engel, toen ze een jong meisje was. Het was ’s morgens vroeg, ze voerde de kippen, er lag sneeuw. De engel bezorgde haar een heupblessure waardoor ze nog steeds wat moeilijk loopt.

    Het is een verwijzing naar het Bijbelse verhaal van Jacob die met de engel worstelt, zoals er in dit boek veel verwijzingen naar de Bijbel en de Bijbelse taal staan, evenals naar de oude Griekse filosofen. Anna gelooft dat de worsteling werkelijk heeft plaatsgevonden, omdat ze een paar dagen daarvoor ontdekte dat ze zwanger was: ‘Door die ontdekking lag ik open. Alles kwam binnen. (…) En dus staat alles me nog bij.’

    De ik-figuur waardeert Anna’s openheid en kwetsbaarheid. Er ontwikkelt zich een uitwisseling van allerlei standpunten, oordelen en meningen over van alles en nog wat: actualiteiten, de gebeurtenissen in het dorp, de toestand van de wereld, milieuvervuiling, boskap, de coronacrisis. En over de woede in de wereld die zich onder andere uit in de polarisatie rondom de vaccinaties, in Trump en in eerdere tijden in Hitler en Rosa Parks. ‘Wie woedend is, behandelt zijn naasten als prooi. Wie woedend is bevindt zich niet langer in een menselijke staat”.
    En over macht: ‘Zo bezien is macht een vorm van Literatuur. Machthebbers vertellen een verhaal en gebruiken vertrouwde technieken als retoriek, drama, conflict, intrige, loutering en afronding. Net zoals in de literatuur wordt het grondwerk gelegd door suspension of disbelief: het opschorten van ongeloof.’

    Kleur draagt minder oordeel

    Het virus zorgt ook voor verbinding in het dorp. Bewoners zorgen voor elkaar, doen boodschappen voor de buren, koken voor elkaar. Zo komt de ik-figuur steeds vaker bij Anna thuis, eten ze samen en maakt hij kennis met Zilan, een Syrische asielzoekster voor wie Anna zorgt. Dat is de positieve kant, die Kollaard ook erg benadrukt.
    De schrijver stelt veel vragen in dit boek. Wat zit er in het hart van onze rusteloosheid? Wat beweegt ons? Wat zoeken we? Hij probeert antwoorden te vinden in de wereldliteratuur, in de Bijbel, in de filosofie, bij de oude natuurvolkeren.

    De ik-figuur en Anna filosoferen heel wat af tijdens hun wandelingen. Over kleur bijvoorbeeld: ‘Dankzij jou ben ik het gaan zien, Anna, zei ik. Kleur. Als je er eenmaal op let, is er veel kleur in de wereld. Wie de wereld wil begrijpen, zal kleur moeten begrijpen’. En ook: ‘Kleur draagt minder oordeel in zich dan taal.’ Anna relativeert veel van wat de ik-figuur poneert: ‘Dat lijkt me een tikje overdreven, schrijvertje, zei ze, maar ik begrijp je punt.’
    Anna heeft van een professor zijn bibliotheek geërfd en leest deze van A tot Z. Ze vertelt het verhaal van Gregor Samsa uit Die Verwandlung van Kafka als iets wat de professor is overkomen. De ik-figuur corrigeert haar en vertelt dat het een verhaal van Kafka is. Maar Anna is nog niet bij de K. En bovendien: ‘Dat het verhaal feitelijk niet helemaal juist is, maakt niet uit. Het laat zich goed voorstellen dus wat zou het.’

    Activiste

    Anna overlijdt en de ik-figuur mist haar verschrikkelijk. Hij licht Zilan, die even weg is geweest, in over Anna’s dood. Samen zoeken ze naar manieren om deze te boven te komen. De ik-figuur volgt pluisjes wol van Anna’s baret die aan de takken in de bomen zijn blijven haken in de hoop dat ze zijn rouw verlichten en maakt zo heel wat omzwervingen in het bosrijke gebied rondom het dorp. Hij probeert het raadsel van haar routes te ontrafelen.

    Zilan ondertussen vindt een drone in Anna’s schuur. In het geheugen van de camera ontdekt ze een handvol filmpjes van de boskap en van de ravage op een gekapt perceel. Ook ziet ze allerlei middelen die Anna blijkbaar heeft gebruikt om te protesteren tegen de kap van de bossen, inclusief materiaal om brand te stichten. Anna is een milieuactivist geweest die niet schroomde om grove middelen in te zetten. Als eerbetoon aan de activiste Anna stellen Zilan en de ik-figuur een daad. De gevolgen zijn behoorlijk ernstig, zoals ook de kleinkinderen van Anna ontdekken, die het er wel mee eens zijn.

    Kollaard komt ook te schrijven over de krankzinnige verhalen over het coronavirus die de ronde doen en de mensen die allerlei complottheorieën aanhangen. Hij vergelijkt een Amerikaanse verpleegkundige die ervan overtuigd is dat het vaccin je magnetiseert met Franciscus van Assisi die voor de vogels predikt. De ik-figuur ziet op een illustratie dat de vogels om Franciscus heen zitten en lijken te luisteren naar wat hij predikt. Wat de ik-figuur verontrust is dat ze stil zijn. ‘Het was niet het verhaal dat ik verontrustend vond, maar onze aandacht. We zouden onze stilte als een onheilspellende stilte die zelf de aandacht opeist, moeten opeisen, waarin elk credo, elke ideologie verloren gaat.’
    De kleuren van Anna is een roman  die je over veel zaken laat nadenken en die rijk is aan beelden, humor, historie en inzicht.

     

     

  • Tegen het vergeten

    Tegen het vergeten

    Het was de week van de prijzen. Arnon Grunberg kreeg de P.C. Hooftprijs. Max Verstappen won een race in Qatar (ik weet niets van sport), waar mensenrechten niet worden nageleefd. Er is een foto waarop Verstappen voor zijn bolide knielt, met deemoedig gebogen hoofd, als legt hij het in de schoot van zijn moeder. Grunberg zal beslist een vreugdedansje hebben gemaakt bij het horen van de toekenning. Aleksej Navalny, gevangen in een van de beruchte strafkampen van Rusland kreeg deze week de Sacharovprijs voor de Vrijheid van Denken uitgereikt. In oktober toen hij van de toekenning hoorde, schreef hij op twitter, ‘this is not only an honor, but also a great responsibility.’ Voor je het weet vergeet je mensen die niet vergeten mogen worden. Ik had lang niet meer aan Sacharov gedacht, was Navalny in zijn gevangenschap al bijna vergeten (wat ook de bedoeling is voor wie in Rusland gevangen zit).

    Een prijs is een notitie voor de eeuwigheid. Sacharov zelf werd in 1980 verbannen naar het toenmalige Gorki, de KGB bewaakte hem dag en nacht. Toen Gorbatsjov in 1985 aan de macht was, kwam er een monteur bij Sacharov huis, installeerde een telefoon. Sacharov vroeg waarom, de monteur zei ‘Wacht maar’. De volgende dag belde Gorbatsjov, ‘Meneer Sacharov, u mag terugkomen naar Moskou.’ In Moskou werd hij als een held ontvangen. Dat dacht Navalny waarschijnlijk ook toen hij vanuit Berlijn, waar hij was hersteld van een vergiftiging, terugkeerde naar Rusland, dat hij als een held zou worden ontvangen. Inderdaad stonden er honderden mensen op hem te wachten bij het vliegveld waar hij zou aankomen. Maar de verkeersleiding stuurde op het laatste moment zijn vliegtuig naar een ander vliegveld, waar Navalny direct werd gearresteerd.

    Op de radio hoorde ik een Russisch vertaalster desgevraagd vertellen welke berichten Navalny via social media naar buiten stuurt. Dat het goed met hem gaat. Dat hij in het naaiatelier werkt. Functieomschrijving ‘naaister’, dat vond hij vreemd. Op twitter schreef hij ‘En ik maar denken dat ze dat doen om mij te pesten. Maar er bestaat geen woord voor ‘naaier.’ De vertaalster zei dat een van de mannen die hem gevolgd hebben na zijn vergiftiging, ook ‘Naaier’ heette. ‘Dat vindt Navalny grappig.’ Wat op een geweldige geesteskracht duidt voor een strafkampgevangene. Ze vertelde ook dat Navalny dankbaar is voor zijn strakke dagindeling, om vijf uur opstaan en op tijd naar bed. Dat was hem thuis nooit gelukt, liet hij weten. Hij is ook een ironicus. 

    De boom van hoop is een boek tegen het vergeten. De titel is ontleend aan een verhaal van Varlam Sjalamov over een klein dennenboompje in de Goelag-Archipel dat na snijdende en koude winters zich steeds weer opricht. Grunberg schreef voor deze bundel over Daniil Charms, die om zijn absurdistische verhalen door Stalin gevangen werd gezet. Grunberg leerde van hem, ‘hoe vrolijk – schijnbaar vrolijk – men het slachthuis kan beschrijven.’ Een vrolijkheid waar ook Navalny aan lijdt. Hij schrijft op 26 maart dat hij last heeft van zijn been. ‘In hele delen heb ik geen gevoel meer. Leun ik op mijn rechterbeen dan val ik om. Het is vrij frusterend – de laatste tijd ben ik gewend geraakt aan mijn been. Ik doe er liever geen afstand van.’ Toen Grunberg hoorde dat hij de P.C. Hooftprijs kreeg, moest hij meteen aan zijn ouders denken. Ik vroeg me af of Navalny aan zijn ouders dacht toen zijn dochter in zijn naam de prijs in ontvangst nam. Of hij zijn hoofd in de schoot van zijn moeder zou willen leggen.

     

    De boom van hoop, Navalny in de traditie van onrecht in Rusland / verschillende auteurs / 175 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft columns.

  • Oogst week 49 – 2021

    Een geest in de keel

    Caoineadh Airt O Laoghaire is een gedicht van de Ierse Eibhlín Dubh Ní Chonaill uit de 18de eeuw. Het is een ‘keen’, een traditionele klaagzang over de dood zoals die in de Schotse en Ierse orale literatuur bekend zijn. De ‘Airt O Laoghaire’ uit de titel is de man van de dichteres, die in 1773 werd doodgeschoten. De 21ste eeuwse Ierse Doireann Ní Ghríofa (1981) kende het als kind al van school.

    In haar debuutroman Een geest in de keel is ze een moeder van vier kinderen die tussen het stofzuigen en kolven door een verweerde kopie van de klaagzang terugvindt. Ze herleest en het gedicht gaat steeds meer spoken in haar keel. Ze zet zich aan een vertaling, maar verdiept zich ook in het leven van de dichteres en zet dat af tegen dat van haar zelf. Zo wordt Een geest in de keel een confrontatie tussen twee levens die in tijd twee eeuwen uit elkaar liggen en toch een verwantschap hebben. Het boek begint en eindigt met de diverse malen als een mantra herhaalde zin: ‘Dit is een vrouwelijke tekst’.

    Een geest in de keel
    Auteur: Doireann Ní Ghríofa
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Altijd weer opstaan

    Helga Schubert was tachtig jaar toen ze in 2020 de Ingeborg-Bachmann-Preis kreeg voor haar autobiografische verhalenbundel Vom Aufstehen. Ein Leben in Geschichten. Het opvallende was niet zozeer deze bekroning, want voor eerder werk sleepte ze ook al eens prijzen in de wacht, maar dat deze bundel het eerste boek van haar is dat na een stilte van achttien jaar weer eens verscheen. Ze noemde in een interview dat deze verhalen het beste waren dat ze geschreven heeft. Helga Schubert is het pseudoniem van Helga Helm.

    De verhalen in de bundel die nu in het Nederlands zijn vertaald als Altijd weer opstaan (ook de titel van het laatste verhaal) bestrijken een periode van ongeveer haar hele leven. Ze beschrijven in de ik-vorm haar tijd in de DDR en na de Wende in het nieuwe Duitsland en geven daarmee ook een persoonlijke schets van acht decennia Duitse geschiedenis. Sommige (jeugd)verhalen zijn verschrikkelijk (over haar liefdeloze moeder en over de controle door de Stasi bijvoorbeeld), andere juist poëtisch en begripvol. 

     

    Altijd weer opstaan
    Auteur: Helga Schubert
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Om het hart terug te brengen. Liefde en geweld in Zuid-Afrika

    In Om het hart terug te brengen gaat de sinds 2004 in Nederland wonende Annemarié van Niekerk terug naar haar geboorteland Zuid-Afrika. Ze heeft op 15 augustus 2015 bericht gekregen dat haar vriend Ruben Gouws en diens moeder Tannie Hermien zijn vermoord. De twee moordenaars, twintigers, waren bekenden van Ruben. De reis terug is er niet alleen één in geografische zin, maar ook naar de tijd van haar jeugd.

    Het eerste deel van deze ‘memoir’ zet de schijnwerpers, onder de titel Die dag, op de dag van de moord in het onooglijke boerengehucht Ida in de Oostelijke Kaapprovincie. Op die 15de augustus wordt er op de deur geklopt van de woning bij het winkeltje van de moeder. Schoolhoofd Ruben woont bij haar in huis: ‘”Wie in vredesnaam kan dat zijn op de late zaterdagmiddag?” hoort Ruben zijn moeder roepen. “Dat komt wel heel erg ongelegen”. Nu is het hún tijd samen en die laat ze zich niet zomaar afpakken.
    “Blijf maar, Mammie, ik ga wel even kijken.” Als hij langs het keukenraam loopt ziet hij ze staan, Lucy en Matoni. Een paar jaar geleden had hij ze nog in de klas.’

     

    Om het hart terug te brengen. Liefde en geweld in Zuid-Afrika
    Auteur: Annemarié van Niekerk
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week 48 – 2021

    Nicolien Mizee's Vogelboek

    Nicolien Mizee (1965) schrijft romans en briefbundelingen. Ze werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs en de BookSpot Literatuurprijs. Vorig jaar kreeg ze voor haar boeken De kennismaking – Faxen aan Ger en De porseleinkast – Faxen aan Ger de Henriette Roland Holst-prijs, die driejaarlijks wordt uitgereikt aan een literair werk dat niet alleen van hoog niveau is, maar ook sociale betrokkenheid toont.

    Behalve auteur is Mizee ook vogelspotter. Ze houdt met de precisie van een schrijver bij welke vogels ze al heeft gezien, inclusief rake en grappige beschrijvingen. Daarnaast tekent ze de vogels. In Nicolien Mizee’s Vogelboek zijn deze teksten en illustraties gebundeld.

    Nicolien Mizee's Vogelboek
    Auteur: Nicolien Mizee
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Oktober is de mooiste maand

    Johanna Spaey (1966) debuteerde in 2005 met de misdaadroman Dood van een soldaat. Hiermee won ze de Gouden Strop en de Hercule Poirot-prijs. Vervolgens schreef ze meerdere romans. Oktober is de mooiste maand is haar nieuwste boek. Het gaat over Stefan, die in de jaren tachtig tot levenslang wordt veroordeeld in Duitsland.

    Na twintig jaar komt hij vrij, al mag hij Duitsland niet verlaten. Dit doet hij toch, want zijn vroegere geliefde woont in België. Terwijl hij haar al vluchtend voor de politie probeert te vinden, overdenkt hij zijn leven: ooit was hij een gewone geschiedenisleraar die veranderde in een moordenaar.

    Oktober is de mooiste maand
    Auteur: Johanna Spaey
    Uitgeverij: De Geus

    Een kleine geschiedenis van de (grote) neus

    Caro Verbeek (1980) is kunsthistoricus en geurwetenschapper. In 2021 promoveerde ze op kunsthistorische geuren. Ze werkt als conservator bij het Kunstmuseum in Den Haag en doceert aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Haar boek Een kleine geschiedenis van de (grote) neus is een lofzang op de neus.

    Verbeek leidt de lezer door de geschiedenis, langs grootheden als Rembrandt, maar ook langs speelgoediconen als Barbie. Ook gaat ze in op schoonheidsidealen, zo werden grote neuzen vroeger nóg groter gemaakt, want dat straalde status uit. De neus van Cleopatra blijkt een knap stukje politieke strategie, dodenmaskers werden aangepast (wij zouden nu ‘gephotoshopt’ zeggen) om de neus van de overledenen nóg markanter te doen lijken en zelfs hashtags neemt Verbeek onder de loep.

    Een kleine geschiedenis van de (grote) neus
    Auteur: Caro Verbeek
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Een levendige tegenstrijdigheid

    Een levendige tegenstrijdigheid

    Het is een bijzondere gewaarwording om direct na het herlezen van Tonke Dragts De brief voor de koning – dit jaar voor een prikje te koop in het kader van ‘Geef een boek cadeau’ – Willem die Madoc maakte van Nico Dros te lezen. Beide boeken ademen eenzelfde sfeer en toch ook weer niet. Het eerstgenoemde, een kinderboek, gaat over de bijna-ridder Tiuri. Het tweede over de bijna-geestelijke Beda, en begint op het moment dat hij op het punt staat de gelofte af te leggen in een Benedictijns klooster. Wat beiden vooral gemeen hebben is dat ze het goede of de goede zaak in het leven zijn  toegedaan. 

    Van ridderlijk naar intellectueel

    In de tweede helft van Willem die Madoc maakte heeft Beda de naam Madoc aangenomen. Hij is er met zijn hoofd vaak niet bij, reizend van de ene naar de andere plaats. Hij verkeert bij gedichten en vrouwen, in het bijzonder bij Veerle die hij op een late avond ontzette en wordt haar ridderlijke figuur. Op weg naar Parijs, een gevaarlijke tocht, wordt hij onderweg door de geestelijke Hincmar, graaf van Mourille, benoemt tot secretaris. Madoc is, zoals veel troubadours, onder de indruk van de onbereikbare kasteelvrouwe Adelina, die hem ’s nachts weet te vinden.

    Het kloosterleven ligt al ver achter hem wanneer Madoc zijn vuurdoop met wapens ondergaat, waardoor hij prikkelbaar en introvert wordt. Tijdens een gevecht ontdekt hij dat hij tweehandig is: links heeft hij kracht en met rechts doet hij het fijne werk, zoals schrijven. Het geeft Madocs dualisme weer, dat in het boek knap tot in alle finesses wordt doorgevoerd. De Franse filosoof Emmanuel Levinas noemt dit een ‘levende tegenstrijdigheid’. Eentje die leidt tot ‘een ingrijpende zwenking’ in het levensverhaal van Madoc, die op zijn reis naar Parijs zijn schrijverschap ontdekt. Een ‘omslag van het ridderlijke naar het intellectuele’, waarbij Madoc het geestelijke leven achter zich laat, gelijk opgaand met de metamorfose van Adelina van kasteelvrouwe tot mondaine dame. Hij verdwijnt in gedachten over de relatie tussen filosofie en theologie, bij Aristoteles’ ‘leer van de dubbele waarheid, waarin openbaring en rede zich niet zozeer verzoenen, maar als twee afzonderlijke wegen naar het enige, ware inzicht voeren’.

    In Parijs ontmoet Madoc een priester uit Wales die op grond van een nachtelijk droomgezicht van de bard Maelgwn, Madocs herkomst onthult als de kleinzoon van twee koningen: Owain en Madog. De Welshmen verlangen naar een vorst die de strijdende partijen voor eens en voor altijd kort en klein slaat.

    Een drama in het Diets

    Verder zuidwaarts ontmoet Madoc onderweg Wijchje, die de doopnaam Hadewijch heeft, net zo’n twijfelaar als hij is. Zij zingt Occitaanse liefdesliedjes aan de ene kant en kent de ‘spirituele vervoering van de begijnen’ aan de andere kant. Dat levert zielsverwantschap op. Wanneer hun levens elkaar kruisen, is Madoc op weg naar het zuiden en zij op weg naar het noorden. Hij besluit met haar mee te gaan en trouwt haar. Zij raakt zwanger en verandert ‘in een puur aardse vrouw’. Hun dochtertje sterft kort daarna. Waarna Hadewijch afdrijft ‘naar al te ijle sferen’, naar Antwerpen evertrekt en intreedt in het Begijnenhuis. Madoc wil wraak nemen op het geloof dat hem Hadewijch deed verliezen, en schrijft een drama in het Diets. ‘In een lucide vervoering die in sommige opzichten deed denken aan eenzelfde mystieke extase, als waar Wijchje bij vlagen door werd meegesleept’. 

    Behalve in het Diets, schrijft Madoc ook een in het Latijn gesteld dichtwerk Duo Somnia (Twee dromen). Hierin uit hij zich in termen als een openbaring die zich in zijn geest uitstortte, ‘in momenten van luciditeit’. Hij moet voor een schepenbank komen, op verdenking van ongeloof. Daar komt hij tot de synthese tussen zijn oude geloof en nieuwe ongeloof: ‘Mijn geest werd in een dichterlijk visioen geconfronteerd met een profetie waarin de grenzen van de christelijke leer worden overschreden’. Hij wordt veroordeeld ‘wegens buitensporige blasfemie in geschrifte’ en wordt – speling van het lot – ingemetseld gelijk een incluse als zuster Bertken, die de laatste zevenenvijftig jaar van haar leven in een nis in een kerkmuur doorbracht.

    Prachtig en actueel boek

    Deze roman van Nico Dros kent een meerlagigheid die het boek uittilt boven veel andere historische romans zonder dat de lezer er verstrikt in raakt of het spoor bijster is. Het is – net als De brief voor de koning van Tonke Dragt – zelfs een ware ‘page turner’, al mag zo’n opmerking, die vaak voor een wat populairder boek wordt gebruikt – het prachtige boek van Dros met zijn tot in de finesses uitgewerkt dualisme niet te kort doen.
    Ten diepste ontdekt de lezer, hoe actueel het boek is: de weg van Beda tot Madoc (kerkverlating), Beda die in het klooster werd opgevangen, nadat hij als schipbreukeling (bootvluchteling) was aangespoeld, de in het klooster levende, Godvruchtige monnik Elmus, die ook dingen deed ‘waar de kinderen met geen woord over spraken’ (ontucht in de rooms-katholieke kerk). Ook dit ligt er, net als de filosofische achtergronden, niet dik bovenop, maar is er als lezer zelf uit op te maken.

     

  • Bats, en klaar is Kees

    Bats, en klaar is Kees

    Steen, schaar, papier is een spelletje met de handen, een nulsomspel, een soort kop of munt, elk kind kent het. Een van de verhalen van Maxim Osipov heet, ‘Steen, schaar, papier’. Waarin een oudere vrouw Ksenia Nikolajevna Knysj, de schoolmeester Sergej Sergejevitsj en Roxana, een zwijgzame jonge vrouw, de rol van een van deze handgebaren vertegenwoordigen. Onder het communisme deed Ksenia ‘haar plicht op de grens van geloof en ongeloof, net als iedereen.’ Na het communisme bekeert ze zich tot het christendom. Haar dochter verwijdert zich van haar, sterft jong. Dat is de schuld van de intellectuelen, van de schoolmeester. Hij heeft de geest van haar dochter met literatuur vergiftigd. Literatuur maakt de wereld groter en laat angstige moeders achter. Angst is als een knijper op je neus, je stikt langzaam.

    Ksenia bezit een restaurant, laat veel mensen voor zich werken die nooit worden uitbetaald. Ksenia draait met alle winden mee. Zij is de steen, niets beklijft. Roxana is bij haar in dienst. Dan belandt Roxana in de gevangenis. De man die haar belaagde stak ze dood. Ksenia bezoekt haar, neemt worst mee, wat Roxana niet belieft. Ze wordt daarom door Ksenia bewonderd, want heeft een vrouw in zo’n situatie iets te willen? ‘Ze wil op Roxana lijken, op haar niveau staan. Gaat dat lukken? Ksenia voelt zich dom en oud naast dit plotseling volwassen geworden kind: haar daad heeft haar tot onbereikbare hoogten opgetild, tot dicht bij het mysterie! Ksenia heeft zich heel haar leven in allerlei bochten gewrongen, altijd maar in de weer, gissend, stapje voor stapje vooruit schuifelend, onderhandelend met al die… en bij Roxana, bats, en klaar is Kees. Helemaal zelf! Ze heeft haar eigen lot in handen genomen, de rechtbank, de straf!’ Ja, bats, door roeien en ruiten om de wereld open te breken.

    Osipov schrijft dicht op de huid van de menselijke verhoudingen, forceert een denktrant, negeert aannames. Een nieuw pad dat gegaan moet worden, ja, ja. Stilzwijgend (als houd ik de adem in) lees ik door. Hoe Roxana de Islam aanhangt. Ksenia dat ook wil. ‘Ksenia heeft nog nooit iemand zo geloofd als haar nu.’ Waarom de USSR uiteen is gevallen, dat weet Roxana, ‘Ze hebben teveel naar het Westen gekeken. Naar het duivelse Westen. Ze werden ontrouw aan hun voorbestemming.’

    En dan de schoolmeester, man van het papier, hij heeft het laatste woord: ‘En tenslotte, ik ben vrij.”Verheug je in de eenvoud van je hart, verheug je vol vertrouwen en wijsheid,” zeg ik tegen de kinderen en mezelf. Ik heb dat niet zelf bedacht, maar wel zo vaak herhaald, dat het ook van mij is. Het hoort net zo bij mij als slaperige kinderen in de klas, Russische literatuur en heel Gods mooie schepping.’ Na deze laatste regels sluit ik het boek, staar voor me uit. Om een verhaal van schuld en boete zo te eindigen is haast als een verlossing. In Osipovs verhalen is de wereld hoe dan ook niet stuk te krijgen. Overrompelende verhalen, geweldig boek.

     

    De wereld is niet stuk te krijgen / Maxim Osipov/ 380 pag. / Vertaling: Yolanda Bloemen en Seijo Epema / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

     

     

  • Oogst week 35 – 2021

    Wissel op de toekomst

    Wissel op de toekomst Brieven van de Indonesische nationalist aan zijn Hollandse geliefde, van Soetan Sjahrir. 

    Soetan Sjahrir (1909-1966) was oud premier van de Republiek Indonesie. Gedurende de dekolonisatie van Indonesië (1945–1949) was een belangrijke rol weggelegd voor deze kritische jongeling. Toen hij eind jaren twintig ging studeren in Amsterdam, ontmoette hij de Hollandse Maria Duchâteau. Zij werd Sjahrirs geliefde en strijdkameraad voor een vrij Indonesië. Zij volgde hem naar Indië, waar hij een politieke partij zou opzetten, maar werd teruggestuurd door het koloniale gouvernement. Vanuit die positie ontstond een briefwisseling. De brieven die Sjahrir aan Duchâteau schreef zijn zeer afwisselend, met een scherpe visie op de geopolitieke situatie en koloniale werkelijkheid, maar ook brieven vol verlangen en heimwee naar elkaar. In 1936 huwden zij ‘met de handschoen’, pas  in 1947, anderhalf jaar nadat Sjahrir was uitgeroepen tot premier van de Republiek Indonesië, zagen zij elkaar weer.

    Keuze uit de brieven is gemaakt en bezorgd door Kees Snoek, aangevuld met een biografische schets.
    Athenaeum Boekhandel publiceerde de eerste brief.

    Wissel op de toekomst
    Auteur: Bezorgd door Kees Snoek
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Toen ik klein was, was ik niet bang

    Gershwin Bonevacia (1992) is dichter, spoken word artiest en de huidige stadsdichter van Amsterdam. Kort geleden verscheen zijn nieuwe dichtbundel, Toen ik klein was, was ik niet bang. We maken kennis met Gush, de 10-jarige Gershwin Bonevacia die opgroeit in Rotterdam-Zuid. Een rebels en onbevangen kind, ondanks dat hij moeilijk meekomt op school en worstelt met dyslectie en racisme. Maar Gush is niet bang. Pas later vroeg Gershwin zich af: ‘Gush, waarom was je niet bang?’

    In deze bundel gaat Gershwin Bonevacia in dialoog met zijn 10-jarige ik middels een reeks zelfportretten en herinneringen over zijn worsteling met dyslectie, migratie, onveilig opgroeien en zijn droom om ooit astronaut te worden. Een onderzoek naar familiebanden, onverwerkte trauma’s, vergeten geschiedenis en kind-zijn. Toen ik klein was, was ik niet bang is een ode aan zijn jonge onbevreesde ik en een verwoede poging om die weer meer onderdeel van Gershwin Bonevacia te maken. Hier enkele strofen uit de bundel:

    ‘Tussen de middag’

    er zijn goede en slechte kinderen
    de slechte kinderen zijn verlaten door hun vader
    de goede kinderen gaan tussen de middag naar huis
    alle slechte kinderen worden opgehaald
    door een neef
    soms komt de neef niet
    de goede kinderen gaan naar de camping
    alle slechte kinderen worden gepest
    meisjes worden voorbereid op een cyclus
    zwarte kinderen worden profvoetballer
    ben je een gebroken kind
    dan word je gelijmd
    maar alleen als je ophoudt je te schamen
    (…)

    Toen ik klein was, was ik niet bang
    Auteur: Gershwin Bonevacia
    Uitgeverij: Das Mag

    Harlem Shuffle

    Colson Whitehead (1969) is een New Yorkse romanschrijver. Met De jongens van Nickel (2019) won hij de Pulitzerprijs.

    Zijn laatste roman, Harlem Shuffle, gaat over meubelverkoper Ray Carney, die een fatsoenlijk leven probeert te leiden. Zijn buren in 125th street in Harlem zien hem als beschaafd man, maar weten niet dat Ray afkomstig is uit een familie van bendeleden en boeven. Ray heeft er alles aan gedaan daar los van te komen. Hij heeft veel bereikt, zijn vrouw is in verwachting, beter kan het gewoon niet.

    Dan begint zijn brave burgermansbestaan barsten te vertonen. Barsten die steeds groter worden dankzij zijn louche, onfortuinlijke neef Freddy, die dankbaar gebruikmaakt van Rays keurige façade – en hem ondertussen de Harlemse onderwereld in sleurt. Terwijl Ray worstelt met zijn dubbelleven wordt het hem steeds duidelijker wie de touwtjes in handen heeft in Harlem. De vraag is of Ray hier zonder kleerscheuren vanaf komt, zijn burgermans leventje weer herpakken kan.

    Harlem Shuffle
    Auteur: Colson Whitehead
    Uitgeverij: AtlasContact
  • Een liefdesroman met de filmwereld als decor

    Een liefdesroman met de filmwereld als decor

    De roman 51 manieren om de liefde uit te stellen van Erik Lindner bestaat uit een lange reeks korte, titelloze hoofdstukken. Het boek begint met een inleiding van amper een bladzijde lang, waarin de ik-figuur zich afvraagt: ‘Kan ik iemand tevoorschijn schrijven die er niet is?’ Een vraag die aan het eind van het verhaal herhaald wordt en de lezer uitdaagt het antwoord te geven. De roman is een chronologisch opgebouwd verslag van de liefde die de ik-figuur opvat voor Karmele, een vrouw die opgeleid is in de grime- en opmaakstudio van haar moeder en die ambities heeft om zich verder als maquillista (visagiste) te vestigen in de filmwereld. De chronologie van het verslag wordt geregeld onderbroken door een hoofdstuk tussen twee asterisken te plaatsen. In zo’n hoofdstuk wordt van ruimte gewisseld, hoewel niet altijd duidelijk wordt welke ruimte dat is.

    Karmele Soler

    Karmele en de ik-figuur ontmoeten elkaar in de Baskische stad San Sebastián, die gelegen is aan een baai van de Golf van Biskaje. Het is een aantrekkelijke badplaats voor toeristen en bekend vanwege zijn internationale filmfestival dat al sinds 1953 daar gehouden wordt. De ik-figuur werkt als journalist aan een tijdschriftartikel over het onafhankelijkheidsstreven, de culturele eigenheid en de identiteit van de Basken. Hij ziet Karmele met een vriendin een bar binnenkomen, maar het eerste oogcontact wordt vanuit het perspectief van Karmele beschreven: zij zwaait bij haar vertrek naar de ik-figuur die naast de dj zit te schrijven.

    De dagen daarna ontwikkelt zich in snel tempo het contact tussen de twee: van elkaar verhalen vertellen over hun werk tot vrijpartijen in het appartement van Karmele, die voor de ik ‘een geur tussen Carmen en karamel’ heeft. De taal geeft problemen, maar belemmert niet hun hartstocht voor elkaar. De ik-figuur spreekt geen Spaans en Karmele geen Engels, om die reden verlopen hun gesprekken moeizaam in het Frans, een taal die ze beiden niet goed beheersen. Karmele is geen fictief personage, maar een bestaande Baskische visagiste die in de internationale cinema belangrijke prijzen heeft gewonnen, zoals de Goya-prijs (2012) voor de grime in La piel que habito, van regisseur Pedro Almodóvar en de Zinemira Award (2015), een oeuvreprijs voor 25 jaar grimeren en kapsels verzorgen in ruim 50 films. De roman is hierdoor niet alleen een liefdesroman, maar tevens een eerbetoon aan Karmele Soler, zoals ze in werkelijkheid heet. 

    Een afstandelijke aanwezigheid

    Wanneer Karmele aan het werk is, verzamelt de ik-figuur materiaal om verder aan zijn artikel te werken, maar sinds zijn ontmoeting met Karmele is zijn motivatie om dat te doen duidelijk minder geworden. Daarbij wordt in de roman duidelijk dat Karmele na hun kennismaking in San Sebastián nog amper contact met de ik-figuur zoekt. Ze concentreert zich volledig op haar werk in de internationale cinema. Wat 51 manieren om de liefde uit te stellen tot een bijzonder boek maakt, is het noemen en navertellen van talloze Spaanstalige films, die in verband worden gebracht met het reilen en zeilen van de ik-figuur.

    De inhoud van de genoemde films loopt parallel met de gevoelens van de ik-figuur en geeft hem een zekere mate van inzicht in de activiteiten van Karmele. Althans, hij denkt dat het zijn inzicht is; in feite is het meer zijn verbeelding die geactiveerd wordt. Opvallend is de verwijzing naar punk- en rockgroepen in de roman, zoals de Engelse groep Wire, Nick Cave en de experimentele band Tuxedomoon uit Californië. Daarnaast wordt ook ‘Pirate Jenny’ van Kurt Weill en Bertolt Brecht in de uitvoering van Nina Simone vermeld. De teksten van de songs worden in de tekst verbonden met de ervaringen van de ik-figuur. 

    Verhalen van films

    Mooi is de verwijzing naar de verfilming van De kus van de spinnenvrouw (1976) van de Argentijnse auteur Manuel Puig. Molina, een veroordeelde homoseksueel, en Valentin, een marxistische verzetsstrijder, zitten in een gevangeniscel in Buenos Aires. Molina vertelt ’s nachts verhalen aan Valentin om de tijd te doden; hij wordt door de geheime politie gedwongen om Valentin informatie te ontfutselen. Ook 51 manieren is gebouwd op verhalen van films die de ik-figuur ziet op momenten dat hij niet in de buurt is van Karmele. De ik-figuur en Karmele lijken in de 23 jaar waarin ze elkaar niet zien uit elkaar te groeien. Het verlangen van de ik-figuur wordt sterker, elke keer wanneer hij een film ziet waaraan Karmele meegewerkt heeft. Het telkens opnieuw wachten van de ik-figuur op de aftiteling van de film waarin de naam van Karmele vermeld staat krijgt iets aandoenlijks. Zo komt Karmele steeds meer in de ik-figuur tot leven. Voor de ik-figuur is zij de vrouw ‘die ongezien is omdat ze mensen mooi maakt.’ De films, waarin Karmele als visagiste werkt en die de ik-figuur ziet, zijn hun deelgenoot.

    De titel, 51 manieren om de liefde uit te stellen wekt de nieuwsgierigheid. Na het schrijven van een artikel en het schrijven van brieven aan Karmele die niet beantwoord worden, gaat de ik-figuur korte teksten schrijven: ‘Ik noem ze manieren om de liefde uit te stellen en het moeten er in totaal 51 worden zodat ze uitgegeven kunnen worden als kaartspel.’ Hij onttrekt één kaart aan het spel: een vrouw, een aas, een joker of eventueel een instructiekaart. De kaarten zijn voor de ik-figuur een speels alternatief voor brieven of artikelen schrijven. Het is voor hem een vastlegging en een cultivering van zijn eigen uitstelgedrag. Zo creëert hij een ‘afstandelijke aanwezigheid’ van Karmele. Iets van: ze is er niet, maar toch weer wel.

    Zorgvuldig verteller

    De roman is een construct. Soms bewandelt de auteur teveel een zijspoor, maar er is geen sprake van een blokkerende werking op het verloop van dit liefdesverhaal op afstand. Dat komt mede omdat Lindner niet alleen binnen zijn romanwerkelijkheid, maar ook in de samenvattingen van de films een zorgvuldig verteller is. Hij heeft, als het om beschrijvingen van steden en dorpen gaat, een sterk visueel geheugen en is een goed waarnemer en een bekwaam stilist. Elke plaats die hij bezoekt, beschrijft hij nauwkeurig tot in de kleinste details.

    Deze roman is een aantrekkelijk boek voor filmliefhebbers. Vooral bekende Spaanse films worden genoemd, besproken en gekoppeld aan het leven van de verteller. Om er enkele te noemen: Tierra (1996) van Julio Médem, Hable con ella (2002) van Pedro Almodóvar en El olivo (2016) van Icíar Bollaín. Voor wie de films gezien heeft die in de roman een rol spelen, krijgt de inhoud van het boek meer betekenis. Je kunt het ook omdraaien: na het lezen van deze roman ben je geïnteresseerd geraakt in de genoemde films en wil je deze alsnog gaan zien. Dat zal een verrijking van de leeservaring zijn. 

     

  • Oogst week 27 – 2021

    Een modern verlangen

    Hanna Bervoets (1984) is auteur van onder meer romans, scenario’s, korte verhalen, essays en toneelstukken. Haar boeken worden regelmatig genomineerd voor belangrijke literaire prijzen. In 2017 kreeg ze de Frans Kellendonk-prijs voor haar gehele oeuvre.

    Dit jaar schreef zij het goed ontvangen boekenweekgeschenk Wat wij zagen, waarvan de vertaalrechten al voor het verschijnen aan zeven landen werden verkocht. Vrijwel gelijktijdig verscheen Een modern verlangen, een bundel met veertien korte verhalen over, op het eerste gezicht, gewone mensen, vaak met een licht ironisch tintje.

    Alles in deze verhalen draait om menselijke relaties terwijl de personages zoeken naar hun plek in de wereld.

    Een modern verlangen
    Auteur: Hanna Bervoets
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Osebol

    De Zweedse journalist Marit Kapla (1970) woont in Göteborg, maar komt oorspronkelijk uit Osebol, een plaatsje dat vierhonderd kilometer bij Stockholm vandaan ligt. Als tiener verliet ze het dorp en als volwassen vrouw keert ze er terug om het leven van de inwoners in kaart te brengen. De meeste bewoners zijn naar de stad vertrokken, de winkels zijn gesloten en verkeer is niet welkom op de toegangsweg naar het dorp.

    In Osebol vertelt Kapla de verhalen van de volwassenen die er nog wél wonen. Het resultaat is een meeslepende, poëtische ode aan het Zweedse platteland. In Kapla’s thuisland werden meer dan twintigduizend exemplaren van Osebol verkocht.

    Osebol
    Auteur: Marit Kepla
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De Parelduiker

    Op de cover van De Parelduiker de prikkelende vraag: ‘Kreeg Elisabeth Eybers terecht de P.C. Hooftprijs?’ Dat zou je toch denken, voor wie hem toegewezen krijgt die ook verdient. Jurist en letterkundige H.U. Jessurun D’Oliveira vraagt zich af, met de uitreiking van de in Zuid-Afrika wonende Nederlandse dichte Alfred Schaffer, die in het Nederlands schrijft, hoe het heeft kunnen gebeuren dat in 1991 de Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eylbers deze prijs kreeg terwijl de reglementen dat eigenlijk niet toestonden; zij schreef in het Zuid-Afrikaans. En hoe het kan dat de P.C. Hooftprijs nooit aan een Vlaming, die toch in het Nederlands schrijft, werd toegekend.

    Van Lieneke Frerichs, waarvan onlangs de biografie van Nescio is verschenen een bijdrage over Japi, de hoofdpersoon in De uitvreter. Lang werd er gespeculeerd wie daarvoor model stond. Frerichs onderzoekt de verschillende speculaties, zoals die van Schrijver Eelke de Jong en K. Schippers, die in de Haagse Post van november 1971 de naam van ene Arie Rezelman noemden als zijnde ‘mogelijk model’ voor de uitvreter. Interessant stuk met verrassende uitkomst.

    Een stuk over een vergeten bloemlezing, UitverkorenVerhalen en gedichten over vervolgde mensen, (1979) samengesteld door onderduikster en verzetsstijdster Beccy de Vries. Ellen Krol vraagt zich af waarom deze bloemlezing met bekende en onbekende auteurs over de Jodenvervolging vergeten is. En wie was Beccy de Vries eigenlijk?

    Verder een stuk van Peter Daerden over de Waalse schrijver Conrad Detrez, die in de jaren zeventig als radioreporter in Lissabon belandde: het theater van een wedergeboorte, gedrenkt in verlangens naar gebronsde jongelui, de poëzie van Pessoa en de onoverkomelijke saudade. Jelto Drenth schrijft over de operaheldin en mannenverslindster Lulu van Frank Wedekind. Vic van de Reijt gedenkt journalist Igor Cornelissen (1935-2021). En enkele vroege gedichten van Doeschka Meijsing.

     

     

    De Parelduiker
    Auteur: Eindredactie: Hein Aalders
    Uitgeverij: Van Oorschot