• De hersenschimmen van een dichter

    De hersenschimmen van een dichter

    Willem Jan Otten gebruikt in zijn nieuwe bundel Septemberzee een citaat uit het essay To Poetry van de Amerikaanse dichter en essayist Edward Hirsch. ‘Ik heb je een leven lang bemind / zonder te weten wat je bent / of hoe ik – help me alsjeblieft – je vind.’ Daarmee raakt hij aan een belangrijk thema uit Septemberzee, de ambiguïteit van onze ‘zwevende’ identiteit. Otten zoekt in zijn poëzie als een fenomenoloog naar de betekenis van zijn liefde voor beminden en vrienden, maar ook naar wie hij daarin zelf is.
    In ‘Nagekomen gericht gedicht’, over de poppenspeler en kluizenaar Jozef van den Berg formuleert hij die thematiek nog wat preciezer, ‘Er is in hem / en door hem heen gespeeld, / of moet je zeggen / dat hij met zich spelen liet’.
    Otten beseft hoezeer de taal hem beweegt, bespeelt en overmeestert. In deze versregels is hij tegelijk de dichter die blijk geeft van het ‘beyond’. Van het boven, onder, langs en voorbij aan wat wij werkelijkheid noemen. 

    Septemberzee is een verzameling van overwegend korte gedichten, alleenstaand of samengesteld en in diverse dichtvormen. Waarbij de haiku’s  verwondering oproepen. ‘Geloof je het heus – / dat ook maar één adem door / je zelf is gehaald?’ De eigentijdse ‘Rei van pas bevallen moeders’. ‘O Kerstnacht, / het is nu / het uur van / bevallen’, valt op door haar trapsgewijze notatie, op weg naar de dood en opstanding van het ‘kind’.

    Creatieve proces

    Als opmaat begint Otten met het vers ‘Tot een gestorven toneelregisseur’, opgedragen aan de overleden toneelregisseur Ger Thijs. Dit eerbetoon gaat zowel over de gestorvene als over de dichter die zich herkent in alles wat hij in de ander als waardevol ervaart. ‘Zeg precies wat er staat / en zoek de gaten in de zin.’ Pas dan kan wat er staat ontstaan, en kan er bij de lezer een eeuwigheidservaring worden gewekt. In het gedicht ‘Oevertekst’ komt de zee ons al tegemoet. En in ‘Vlinder van zee’ dwarrelt de vlinder, ‘vlak boven mij van ver voorbij’ als de geest over de wateren. Over het zeewater bereikt hij het droge.

    ‘Zelfs in de septemberzee, in dit
     onmerkbaar deinend ochtenduur,
     kon ik het niet laten, en vroeg ik
     waarom – alsof zij richting google
     dwarrelde, naar Darwins daarom,
     alsof zij niet net als geroepen kwam.’

    Het toeval van de langs dwarrelende vlinder als inspiratiemoment laat zich niet verklaren. In ‘Struik’ wentelt zich de gekromde struik met zijn aan de keerzijde krijtwitte bladeren zodanig dat de ik ‘het zwijgen, / in de wemeling van twijgen’ hoorde. Binnen ‘naast haar ademend lichaam’ hoorde de ik ‘met bonzend hart ik ben / te horen en ik word.’ In de stilte van de morgen ondervindt hij deze existentiële ervaring aan de ander van het ‘er zijn’. Dit moment van beminnen roept ‘in […] [haar] schoonheid’ zinnen in hem op. 

    Zijn adem een eeuwigheid

    Het gedicht ‘Alt’ is het begin van een fraaie en intense reeks, gewijd aan het overlijden van de vader van de dichter, de blokfluitist Kees Otten. In de herinnering leek zijn adem een eeuwigheid te duren, alsof ‘er geen adem meer in kwam’, te vergelijken met het zwijgen waartoe de man op zijn sterfbed vervalt. De herinnering aan de klanken omarmen de ik in zijn doorleving van diens sterven. De luitenbouwer krijgt nergens het ‘niets’ te zien, alleen ‘achter de snaren, onder het rozet.’ Zo weet de dichter zwijgend zich geroepen door de stem die hem roept. Op het moment dat de vader zich niet meer kon herinneren, bemerkte hij dat ‘zijn oude dag stond aan te breken’. Het ‘zelf’ had hem tot dan toe door menig dal getrokken. 

    ‘Dat zijn oude dag stond aan te breken
     bemerkte hij toen hij, ontwakende,
     zich niet meer lijfelijk herinneren kon
     wie hij gehoopt had eens te zullen zijn. 

     Waar was hij heen, de beraamde wijze
     die, bij alle graflegging en krakkemik,
     gedichten richtende, door geen opwarming
     opgejaagd, nader tot u zou zijn geraakt?

     Waar was de zelf die hem vooruit zou zijn gegaan?
     Die had hem toch door menig dal gewenkt,
     pientere gelatene, met zijn volgepeinsde brein?

     Ik ben niet mijn eigen werk, weer moest hij er aan,
     Als een jongste dag brak zo de oude aan –

    Ingevlochten religieuze betrokkenheid

    Otten vlecht in de daaropvolgende gedichten zijn religieuze betrokkenheid steeds meer in. Nu componist en dirigent Reinbert de Leeuw er niet meer is, staat hij voor een ‘muisstil / orkest van levenslang vermisten / alle maten van de leeggeschreven partituur.’ Een voltooide missie in hoorbare stilte. Op ‘Beloken Pasen’ is de jij bedroefd na de begrafenis van een beminde, als ware het Christus zelve, ‘gissend op huis / en Galilea aan gegaan.’  Ondanks de dood van Hans Holbein blijft het meesterstuk Maria Magdalena vitaal in zijn zeggingskracht: ‘buiten bereik / de poëzie van / in het graf geen lijk.’ In ‘Overgave’ spreekt de ik zijn twijfel uit over de overgave aan ‘uw wil’: ‘Van twijfel is mijn hoop verstekeling’. 

    De ik spreekt in ‘Echo van het hart’ de ‘U’, God, erop aan. Wie maakt er nu ‘zijn schepsel / tot een ontdane holte waarin niets weergalmt’. De schrik slaat hem om het hart. Nooit eerder besefte hij dat er ‘een laatste slag’ kan zijn. Het ‘faalhart’ is vastgesteld. Nu je aambeeld, je lichaam, ‘veertje onder hamer wordt, – nooit / heb jij meer de tijd gehad dan nu.’ Het euvel geeft de ik innerlijk ruimte, ‘Geef je dus mee, ga op’, nu de situatie is zoals ze is. 

    De omvangrijke cyclus ‘Met zonder mij’ vormt het kloppend hart van de bundelen en bestaat uit korte, vrije verzen. Otten zet van meet af aan in met vertrouwen. Nu een ‘stent’ in de bloedbaan moet worden geplaatst, op een proces dat voor hem overeenstemt met Christus’ verlatenheid, kruisdood en verrijzenis. ‘Wij zetten in op uw verrijzen, maar boeken eerst uw dood.’ De ik weet, zonder artsen ben je nergens. Voor even zal hij ‘in het donker fluiten’, woord voor woord en ‘met zonder mij van boord’ gaan. Wat nog te doen in de toegemeten tijd? Misschien de Rozenkapel van Matisse in Vence bezoeken, gebouwd aan het eind van zijn leven toen de schilder aan kanker leed.

    Tocht der verlatenheid

    De operatie roept bij de ik de vraag op naar de dood van God. ‘Of kan een mens / dat pas als hij van God / (die dan bestaat) aanvaardt / dat Hij hem tot en met zijn dood in leven laat?’ Dan schiet hem Psalm 46 te binnen: ‘God is ons een toevlucht en sterkte.’  Met een beetje geluk zing je ‘te Zijner tijd’ dat God met me is, ‘vrees niet’ voor het einde. De ik die altijd ‘proestende van taal’ was, ervaart onder deze omstandigheid de moeite van het vinden van dichterlijke woorden om zijn einde, zijn oorsprong te achterhalen.

    De beproeving van deze operatie herinnert aan Jezus’ verlatenheid in Getsemane. Maar waarom dit alles? God, ‘U schenkt de mensen de remedie eerst, / en daarna pas de kwaal. /[…] / Vertel mij, / Rabboeni, over de ziekte / die volgt op uw geschenk de poëzie – / is zij de pijn van niet te durven geloven in genezen?’

    Dan begint de tocht der verlatenheid: ‘Morgen wordt vanuit mijn lies de beloofde reis / aanvaard dwars door het lauwe / labyrint dat door mij stroomt’. De ik vraagt zich af of God daarbij, daarin aanwezig zal zijn. ‘Daar binnen, waar naar u de bloedlijn / afgesloten wordt, ballend speenvarkenhart, / daar in de wee met zonder mij, zult u daar bestaan.’  Daags voor de ingreep hoorde de ik nog in de Nicolaaskerk de engelen ‘hemelwaarts’ zingen. Daags na de ingreep in tranen, omringd door tongen van vuur, ervoer de ik Gods bestaan. De opkijkende vrouw in de stiltecoupé die hem niet aankijkt, vertegenwoordigt ten slotte de lezer die deze verrijzenis tot zich neemt.

    Otten kent in een postchristelijke samenleving een richtinggevende waarde toe aan spiritualiteit en religie. De omvangrijke cyclus ‘Met zonder mij’ getuigt daar op een intense en lofwaardige manier van. Zijn hersenschimmen rondom en gedurende zijn operatie tonen aan dat voor hem God niet dood is. Hij aanvaardt in Hem degene die in Christus de autoriteit is die aan het begin en einde van ons leven staat. Hij is de horizon waarop deze dichter zich in al zijn tegenstrijdige ervaringen subtiel maar onontkoombaar oriënteert.



  • Poëzie-oogst week 41 – 2024

    Gezwommen worden

    De debuutbundel van Anke Senden gaat over water, zee, meeuwen en westenwind en over de manier waarop je daarnaar kunt kijken. Senden doet dat vanuit het perspectief van wat bekeken wordt. Hiermee zorgt ze voor een andere invalshoek voor de lezer. 

    ‘ik heb nog voor meeuw gestudeerd
     toen ik dacht de standvastigheid
     te kunnen volhouden als een rots
     die dient om de zee te breken
     –
     het water brak geen enkele meeuw,
     behalve mij, ik ben niet onderlegd
     in breedgevleugeld op alles neerkijken,
     ik kan niet hoog in de wind hangen
     terwijl onder mij in de vloed het strand
     het leven laat, ik beheer hoogstens
     het bloedrode krijsen dat iets
     over vliegen verraadt’

    De titel Gezwommen worden, geeft in deze passieve vorm aan dat het water de zwemmer draagt, zoals ook de omslagillustratie laat zien. Deze gedichten gaan dan over ervaringen, iets wat je gegeven wordt, wat je mag ondergaan. Zoals het water dat altijd verder stroomt, zo laat de dichter haar gedachten gaan in associaties over alles wat met de zee te maken heeft. Zoals de zee de zwemmer draagt, zo draagt haar taal de lezer.
    Anke Senden publiceerde eerder in Het Liegend Konijn en presenteert haar poëzie samen met muzikanten tijdens kleinschalige programma’s. 



    Gezwommen worden
    Auteur: Anke Senden
    Uitgeverij: Poëzie Centrum

    Tijdelijke helden. Verzamelde gedichten

    Dit voorjaar verscheen een tweetalige uitgave van de verzamelde gedichten van W.H. Auden, samengesteld en vertaald door Han van der Vegt. In dit vuistdikke boek zijn niet alle gedichten van Auden vrzameld, maar een groot gedeelte ervan. Auden (1907-1973) is een van de bekendste Engelstalige dichters, die in zijn poëzie persoonlijke zaken met politiek wist te verenigen. Door de film Four Weddings and a Funeral uit 1994 werd een versregel uit zijn gedicht ‘Funeral Blues’ wereldberoemd: ‘Stop all the clocks, cut off the telephone,/ Prevent the dog from barking with a juicy bone’. Willem Wilmink zorgde al eerder voor een vertaling van de bloemlezing Tell Me the Truth About Love in Vertel me de waarheid over de liefde. Ook Marko Fondse, Peter Verstegen en W. Hoogendoorn vertaalden enkele gedichten van Auden in tijdschrift De Tweede Ronde

    Deze nieuwe vertaling ontbeert af en toe het ritme en de klank van Auden. Zo maakte Van de Vegt van de beroemde versregel ‘We must love one another or die’ uit het gedicht ‘1 september 1939’: ‘waar geen liefde heerst, rest dood.’ Maar de vertaaltechnische hoogstandjes liggen in het vinden van variaties op Audens soms archaische en vaak allitererende taalgebruik, dat een uitdaging vormt voor iedereen die zich aan een vertaling ervan waagt.

     

    Tijdelijke helden. Verzamelde gedichten
    Auteur: W.H. Auden
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Het boek der beelden

    Rainer Maria Rilke (1875-1926) was een van de belangrijkste lyrische dichters in de Duitse taal. De bundel Das Buch der Bilder is ontstaan in de jaren van 1898 tot 1906. Een periode die gekenmerkt wordt door een belangrijke scheidslijn in Rilkes ontwikkeling als dichter en die een doorbraak naar een nieuwe manier van dichten betekende: van impressionisme naar modernisme, van lyricus naar observator.
    Er staan een groot aantal van Rilkes mooiste en bekendste gedichten in deze uitgave: ‘Herbsttag’, ‘Pont du Carrousel’ en ‘Schluszstück’, evenals de cyclus ‘Die Stimmen’, waarin Rilke geen waarde oordeel toekent aan de mensen die hij beschrijft, maar hen enkel optekent zoals hij hen ziet. De bundel is niet eerder integraal in het Nederlands vertaald. Gerard Kessels heeft dat op zich genomen, met als resultaat deze mooie, tweetalige uitgave. Hij vertaalde eerder van Rilke
    Het getijdenboek (Das Stunden-Buch) en Nieuwe gedichten & Nieuwe gedichten het andere deel (Neue Gedichte & Der neuen Gedichte anderer Teil).

    ‘Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.  
     Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
     wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben.’

    wordt in de vertaling van Kessels:

    ‘Wie nu geen huis heeft, bouwt er heus geen meer.
     Wie nu alleen is, zal het langtijds blijven,
     zal waken, lezen, lange brieven schrijven.’

     

     

    (Uit: ‘Herbsttag’)



    Het boek der beelden
    Auteur: Rainer Maria Rilke
    Uitgeverij: IJzer
  • Oogst week 36 – 2024

    In den vreemde – Kronieken

    Frida Vogels (1930) is bekend geworden met het driedelige De harde kern (1992) en vooral door het tweede deel waarvoor ze in 1994 de Libris Literatuur Prijs ontving. Tussen 2005 en 2014 zijn elf delen van haar dagboeken gepubliceerd, over de jaren 1954-1978. Vogels schreef meerdere boeken, en vertaalde uit het Italiaans. Haar onderwerp is haar eigen leven, altijd in relatie tot familieleden en vrienden die dan ook uitgebreid beschreven worden, soms als hoofdpersoon. Zichzelf en anderen doorgronden is wat haar drijft, en verantwoording afleggen – aan de onbekende lezer. Ze wil kennen en gekend worden.

    In de proloog van In den vreemde schrijft ze: ‘Ik schrijf woorden op het papier. De lezer zit op mijn schouder en leest mee. (…) Hij heeft me door. Dat is trouwens precies wat ik verlang. Ik stel me voor dat hij me ongenadig zal ontmaskeren, (…) dat ik woorden op papier schrijf is geen gekkenwerk; ik heb me te verantwoorden.’ Het is een veel directere stijl dan de meer omfloerste van haar vroegere boeken. In den vreemde beslaat haar jeugd in Bloemendaal en Laren, de oorlog, haar studietijd in Parijs en Milaan, haar huwelijk met de Italiaanse Ennio, haar leven in Bologna en de jaarlijkse gang van enkele maanden naar Amsterdam om er te schrijven.

    ‘Pappa en mammie hielden een Levensboek bij,’ zo begint ze, ‘over mijn eerste levensjaren en dat boek heb ik pas nu, nu ik tweeënnegentig ben, voor het eerst in handen gekregen. Dat ik ooit die bedrijvige, zorgzame kleine Frida ben geweest waar zij twee toen over schreven, “al zo echt een vrouwtje” zoals pappa tevreden constateerde, kan ik nauwelijks geloven, maar zo is het dus geweest.’

     

    In den vreemde - Kronieken
    Auteur: Frida Vogels
    Uitgeverij: Van Oorschot 2024

    Boven aarde, beneden hemel

    Kodokushi is een Japans woord voor mensen wier eenzame overlijden voor langere tijd door niemand wordt opgemerkt. Gespecialiseerde schoonmaakdiensten halen de lijken weg en maken de woning schoon. In Boven aarde, beneden hemel van de Oostenrijkse schrijfster Milena Michiko Flašar (1980, Japanse moeder, Oostenrijkse vader) is Suzu nieuw in het werk, waarvoor behalve eerbied en zorg vooral geduld en een sterke maag vereist zijn. In steden met een toenemend aantal mensen en een kleiner en duurder aanbod van woningen groeien de problemen. Mensen zijn afstandelijk, de grens tussen desinteresse en discretie vervaagt, kodokushi komen vaker voor. Suzu, die thuis haar eenzaamheid deelt met een goudhamster, vindt het moeilijk om met mensen om te gaan, inclusief haar eenzelvige collega die net als zij een gebruiksaanwijzing heeft. Toch leert ze in haar werk iedereen snel kennen. Ook de doden, waarvoor ze groot respect toont. Door hen en hun voorbije leven ontdekt ze de waarde van omkijken naar een ander mens. Ook de kleurrijke collega’s van de schoonmaakdienst helpen Suzu zich te ontwikkelen tot iemand die het belang van contact met andere mensen leert kennen en waarderen.

    Net als in Flašars Een bijna volmaakte vriendschap (2015), waarin een jongeman, een hikikomori, twee jaar het huis van zijn ouders niet uit is geweest, zijn de hoofdpersonages sociaal onhandige, geïsoleerde individuen. Langzaamaan laten ze anderen toe, durven ze toenadering te zoeken en de verbinding met een ander mens aan te gaan.
    Ondanks de zwaarte van de onderwerpen weet Milena Michiko Flašar haar verhalen op droogkomische toon lichtvoetig te vertellen.

     

    Boven aarde, beneden hemel
    Auteur: Milena Michiko Flašar
    Uitgeverij: Cossee 2024

    De vriendschap van bomen – Heropvoeding van een bioloog

    Bioloog Arjen Mulder leerde met bomen communiceren en schreef erover in De vriendschap met bomen. Eerder al schreef hij Vanuit de plant gezien (2019) waarin hij zich in planten verplaatste. Voor meer bomenkennis volgde hij een cursus bij fysisch geograaf en boomdruïde Maja Kooistra die in veel werelddelen onderzoek naar bomen deed. Mulder had al ontdekt dat hij met bomen kon communiceren. In De vriendschap met bomen legt hij uit dat bomen onder- en bovengrondse netwerken hebben waarmee ze met elkaar communiceren en ook met dieren en mensen. Bomen kunnen een stemming oproepen, of actief de menselijke somberheid doen verdwijnen en op vragen reageren, schrijft Mulder. Maar of het allemaal echt zo is weet hij niet. Wel heeft hij ontdekt dat je deze wereld alleen kunt kennen via gevoel, intuïtie en zelfkennis. Als je met bomen wilt communiceren moet je de aannames van het psychologisch model loslaten.

    In het radioprogramma Vroege vogels vertelt hij over zijn ervaringen. Hij merkte dat bomen op hem reageren. Of een boom werkelijk zijn onbewuste kan lezen weet hij niet. ‘Ik heb geen flauw idee. (…) Misschien klopt het idee van hoe wij in elkaar zitten wel niet en kunnen wij met ons lichaam veel meer registreren zonder dat we er erg in hebben, maar leren we onszelf om dat niet te doen.’ In het begin nam hij de beslissing om geen verklaringen te zoeken maar het gewoon mee te maken. Hij ontdekte dat er meer mensen waren met dezelfde ervaring. ‘Toen wist ik zeker dat ik niet gek aan het worden was.’

     

    De vriendschap van bomen – Heropvoeding van een bioloog
    Auteur: Arjen Mulder
    Uitgeverij: De Arbeiderspers 2024
  • Krachtig essay-debuut

    Krachtig essay-debuut

    De wereld een lichaam is het opmerkelijke essay-debuut van Melani Reumers, waarin zij zichzelf onderwerpt aan een intrigerend en diepgaand onderzoek. Aan de hand van haar eigen lichaam, dat van vroeger en nu, legt ze verbanden met de literatuur, filosofie en de kunstwereld. Reumers is gefascineerd door haar eigen lichaam, zonder dat het klef of ijdel wordt, integendeel ze bekijkt zichzelf objectief en schuwt de zelfspot niet. Ze verdeelt haar zoektocht over vijf hoofdstukken: Lichaamsdelen, Verlengstukken, Sporen en projecties, die worden afgewisseld met Waterwezen I en II.

    In Lichaamsdelen bouwt ze uit een bouwpakket met tien kartonnen platen het menselijk geraamte. Ze krijgt er een instructieboek met tekeningen, een plastic zakje met honderden splitpennetjes en een paar haken bij en kan beginnen met de wervelkolom. Al knutselend, wat soms moeizaam gaat, dwaalt ze af naar haar eigen lichaam. ‘Ik houd van botten. In mijn eigen lijf vind ik het fijn om ze te zien en te voelen: wervelkolom, borstbeen, ribben, sleutelbeenderen. In mijn beeldhouwtijd deden mijn meest geslaagde beelden denken aan botten.’ Reumers ontleedt het bot en benoemt de verschillende vormen – zoals hamer, aambeeld, stijgbeugel – en komt verder associërend uit bij muziektheatergroep Bot. Ze eindigt in een abattoir waar ze een paardenkaak haalt, dit ontdoet van vleesresten en schoon schuurt om er een quijada van te maken, een percussie-instrument, wat haar een brug naar een bizar verhaal van de Argentijnse schrijfster Mariana Enriquez geeft.

    Langzaam vordert het kartonnen skelet, dat ze nu Kas (van karkas) noemt, aan zijn haak in haar woonkamer. Ondertussen maakt ze uitstapjes naar gerelateerde onderwerpen. Het anatomisch museum Vrolik in het AMC bijvoorbeeld. Waar de lege oogkassen haar aanstaren en de skeletontwikkeling van foetus tot bejaarde te volgen is. Als Kas voltooid aan zijn haak hangt wordt Reumers geconfronteerd met herinneringen aan haar vader aan het eind van zijn leven, toen hij nog maar dertig kilo woog.

    Oogbollen, huid en haar, tanden

    De film Chien Andalou (1929) van de Spaanse cineast Buñuel, waarin hij samen met Salvador Dali vorm geeft aan hun droombeelden, geeft Reumers aanleiding om de beroemde scène van het scheermes dat in een oog snijdt te beschrijven. Voorts neemt ze de lezer mee op reis naar India, haar eigen nachtmerries en haar fascinatie voor de schilder Odilon Redon. Kijken, gezien worden, luisteren, Reumers trekt haar beelden heel breed. ‘Het oog en identiteit: “eyedentity” geeft maar liefst 518.000 treffers op Google. De conclusie is van een verpletterende eenvoud: mijn oog, dat ben ik!’

    Reumers had als kind een zware haardracht en vaak hoofdpijn. Na een asymmetrisch kapsel in haar tienertijd gaat ze nu met een geschoren schedel door het leven, wat veel stof tot bespiegeling oplevert. Ze schrijft over de confrontatie met vooroordelen, verwijst naar haardracht in andere culturen en slaat historische, mythologische en culturele zijwegen in. ‘Al wordt kaal vaak geassocieerd met kracht, ik zie er ook veel kwetsbaarheid in. De omhulling van een haardos is weg, het gezicht moet het helemaal zelf doen.’
    De auteur gaat ook uitgebreid in op haar gebit, ze heeft een diasteem en oligodontie: een spleet en te weinig tanden. Reden voor haar om er dieper op in te gaan, onder andere met het voorbeeld van de Argentijnse schrijver Eduardo Berti die met het idee speelt dat iemands herinneringen liggen opgeslagen in zijn gebit.
    Het is knap zoals Reumers zichzelf in de wereld om zich heen plaatst aan de hand van haar lichaamsdelen. Samen met herinneringen aan gebeurtenissen uit haar jeugd, haar ouders en haar kennis van de wereldliteratuur (veel Spaanstalig werk), gedichten, muziek en beeldende kunst weeft ze haar essays fraai ineen.

    Waterwezen

    In haar jeugd wilde Reumers het liefst onzichtbaar zijn, zonder lichaam. Wanneer ze lang genoeg haar adem inhield, lukte dat bijna. ‘De drang naar onzichtbaarheid werd een overlevingsmechanisme…’ Ze zag zichzelf meer als een tussenmens. Haar dagelijks zwemmen in natuurwater brengt haar de essentiële vrijheid. ‘Het water is mijn habitat geworden, de plek waar ik me altijd goed voel […] Zwemmen is me overgeven, me durven laten dragen […] Strijden tegen de elementen, maar altijd samen met het water. Alles loslaten.’

    Reumers gaat daarin heel ver. Ze zwemt naakt van eind maart tot begin december, soms in water onder de tien graden. Afgezien van het zwemgenot, loopt ze ook tegen zichzelf aan en wordt teruggefloten door haar lichaam met duizelingen, een TIA, een maandenlang slapende voet. Toch is het moeilijk om maat te houden, de vrijheid van het zwemmen is een verslaving. Ze voelt zich verwant aan een sirene en haalt opnieuw Odilon Redon aan, met zijn schilderij ‘De sirenen boven de zee.’ Ze zwemt zomer en winter, ’s nachts, bij mist of windkracht negen. Het opzoeken van de grens en er meestal net overheen gaan, is haar hoogste doel, genot, obsessie. We zien een vrouw met een sterke persoonlijkheid maar het zijn verontrustende stukken want Reumers schroomt niet om de dood te tarten.

    In Verlengstukken gaat Reumers terug naar haar jeugd, herinneringen aan haar vader, ‘de man met de pijp’, die te jong sterft aan longkanker. Via de dementie van haar moeder die de wijzers van de klok manipuleert, associeert ze naar de Duitse Emma Hauck, die begin vorige eeuw met schizofrenie in een inrichting verbleef en brieven schreef. Ze schreef deze brieven met een potlood. Ze zijn nauwelijks te ontcijferen, maar ze leverden wel een kunstwerk op in de vorm van een animatiefilm van de The Quay Brothers. Reumers schrijft zelf ook graag met potlood, wat mooie mijmeringen oplevert in dit subhoofdstuk met de veelzeggende titel ‘Plooirokjes van cederhout’.

    Hoe echt is onze schaduw

    In het laatste deel Sporen en Projecties belicht Reumers nog twee boeiende aspecten van het lichaam: het litteken en de tatoeage. Ze gaat in op haar eigen pijn na een herniaoperatie. ‘Littekens herinneren ons eraan hoe kwetsbaar we zijn. Maar ook hoe veerkrachtig we zijn.’

    In de literaire observaties van De wereld een lichaam ontbreekt de dood niet, evenmin als – verrassend genoeg – de schaduw. ‘Mijn schaduw en ik zijn tot elkaar veroordeeld. Zonder mij kan zij niet bestaan, zonder haar is het alsof er iets aan mij ontbreekt.’ Ook bewegingen horen tot de beeldtaal van het lichaam en de auteur haalt het project Mortus Mori aan, een voorstelling met dansers die de klein menselijke motoriek ontrafelen in herhalende patronen. Reumers is gefascineerd en doneert haar eigen bewegingen, die door een danser intensief worden bestudeerd en verbeeld.

    Het boek sluit af met een indrukwekkende bibliografie van de aangehaalde literatuur, van Paul Auster tot Stefan Zweig.
    Melani Reumers is afgestudeerd geofysicus. Ze vertaalde literaire teksten uit het Spaans, ze ontdekte het schrijven en volgde de Schrijversvakschool. Enkele van de in dit boek opgenomen essays verschenen eerder in De Gids, Liter, en Dietsche Warande & Belfort. Fragmenten van door haar uit het Spaans vertaalde gedichten verschenen eerder in Terras, Tirade, Tortuca en Pluk. Reumers’ essays zijn persoonlijk en openhartig, in een frisse, heldere stijl geschreven en dankzij haar brede intellectuele bagage, uitermate boeiend om te lezen.

     

  • Een eenpersoons fanfareorkest

    Een eenpersoons fanfareorkest

    In 2013 verscheen bij uitgeverij Van Oorschot het boek Gedundrukt van S. Carmiggelt. Deze uitgave viel op door de gedistingeerde uitvoering: smal en hoog, netjes in linnen band, echt in katernen genaaid gebonden, uitgevoerd met leeslint, stofomslag en buikbandje. Het omslag prijkt met rustige en klassieke typografie, wat verwijst naar het werk van Helmut Salden, eertijds de befaamde huisboekverzorger van Van Oorschot. Na het Carmiggelt-boek verschenen in deze aansprekende uitvoering méér uitgaven van Nederlandse auteurs, mannen en vrouwen, levend en ‘reeds aan de overzijde’. Denk daarbij aan namen als Theo Thijssen, Annie M.G. Schmidt, Mensje van Keulen, Kees van Kooten, Marga Minco en Godfried Bomans. 

    In april van dit jaar verscheen in deze reeks een uitgave met proza van Heere Heeresma (1932-2011), onder de titel Houdbaar. Heere Heeresma was een productief en veelzijdig auteur. Tussen 1954 en 2006 pende hij een omvangrijk oeuvre bij elkaar, dat bestond uit verhalen, romans, gedichten en al dan niet autobiografisch getinte opstellen, schimpscheuten, radiocolumns en boutades, alsmede enkele brievenboeken. Sommige van zijn titels verwierven een klassieke status, zoals Een dagje naar het strand (1962), Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972) en Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming (1973). Meermalen zijn er verfilmingen van zijn werk gemaakt en Heeresma’s boeken werden regelmatig herdrukt. Toen zijn schrijverscarrière wel zo ongeveer voorbij leek te zijn, verraste Heeresma vriend en vijand met de gestileerde herinneringen aan zijn jeugdjaren tijdens de Tweede Wereldoorlog onder de titel: een jongen uit plan Zuid, dat verscheen in 2005. Een literaire prijs van enig belang kreeg Heeresma nooit; en hoe vaak zijn werk tijdens zijn leven ook werd gedrukt, herdrukt, verzameld en opnieuw uitgegeven, vrijwel zijn gehele oeuvre is thans alleen nog antiquarisch verkrijgbaar. 

    Onmogelijke man

    Heere Heeresma was ‘een onmogelijke man’. Iemand met een uitgesproken reputatie van dwarse eigenzinnigheid, over wie talrijke anekdotes bestaan. Hij was een volstrekte eenling die vaak met zijn omgeving overhoop lag. Heeresma had geen telefoon, gaf zijn adres aan niemand, correspondeerde via zijn postbusnummer en wenste alleen contant betaald te worden voor het werk dat hij leverde. Omdat hij zich niet kon verenigen met het Nederlandse onderwijssysteem nam hij zijn zoon van school en onderwees hem zelf, thuis. Heeresma’s weerbarstigheid blijkt ook uit het grote aantal uitgevers met wie hij zijn boeken maakte. Telkens vertrok hij met ruzie of bedong hij ergens anders betere voorwaarden. Hij stichtte met kennelijk plezier verwarring met verhalen over zijn inkomsten uit exploitatie van een keten wasserettes in Frankrijk of over het manuscript ‘Kaddish voor een buurt’, een meermalen aangekondigd boek dat desondanks onder die titel tijdens Heeresma’s leven niet verscheen.        

    Houdbaar bevat een dertigtal verhalen, opstellen en romanfragmenten. De langste beslaat 24 bladzijden, de kortste en niet toevallig (?) laatste bijdrage is slechts anderhalve pagina lang. Daarin noemt Heeresma zichzelf een ‘eenpersoons fanfareorkest’ en de literatuur ‘een nering in de kleren van de keizer’. De lezer is dus terdege gewaarschuwd, zij het helemaal aan het eind van het boek. Deze dundruk is vintage Heeresma, zoveel is duidelijk. Scherpe observaties, verhalen met opvallend oog voor detail, en een kenmerkende mengeling van weerbarstigheid en melancholie. Een mooi en kernachtig voorbeeld van dit laatste is te vinden in de afdeling ‘Dronken deuren uit een verzopen verleden’. Daarin krijgen we korte, dagboekachtige notities te lezen over te veel drankgebruik – en de gevolgen. 

    Dagcafé Koninck

    ‘Fietsenrek niet meer aanwezig. Twaalf halve litertjes Dommelsch bier; flesje cola, kop koffie; vleesstang; 9 vieux. Niets hielp. Door ruit achterkamer gevallen maar geen letsel van betekenis. Ter ontnuchtering opgesloten hoofdbureau gemeentepolitie ’s-Hertogenbosch. Schone cel. Betonnen vloer die cementstof afgeeft. Geen slaapgelegenheid. Een kruk aan de muur. Om half zes vrijgelaten. Koffie gekregen van oude adjudant die begrip toonde. Gehuild.’    

    Teksten die worden gemist

    Houdbaar is samengesteld door radioprogrammamaker en Heeresma-biograaf Anton de Goede, die veel met de auteur heeft samengewerkt. De meeste bijdragen in Houdbaar (zes in totaal, 17 blz.) komen uit Zacht gelag, een bundeling radio-voordrachten die verscheen in 1996. Uit de befaamde bundel Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming uit 1973 werden vier van de in totaal vijf verhalen overgenomen (in totaal meer dan 80 blz. in Houdbaar), waarmee deze bundel dus nagenoeg integraal is herdrukt; alleen het verhaal ‘Anna’ ontbreekt. Juist uit twee van Heeresma’s bekendste boeken, Een dagje naar het strand uit 1962 en Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972) werd geen enkel fragment geselecteerd. De verantwoording van de keuze uit Heeresma’s oeuvre had wel wat uitgebreider gemogen. Zo is bijvoorbeeld niet vermeld waarom  er geen poëzie is opgenomen.

    Volgens welke volgorde de fragmenten en verhalen worden gepresenteerd is onduidelijk. Chronologisch in elk geval niet – integendeel, zoals blijkt uit de inhoudsopgave. Ook is niet vermeld aan welke edities de teksten zijn ontleend, wat toch relevant is bij een auteur wiens boeken zo dikwijls werden herdrukt. Er zijn ook verschillen tussen de teksten in de eerste uitgaven van Heeresma’s boeken en de verhalen in Houdbaar, wat de vraag om opheldering qua precieze tekstkeuze enkel groter maakt.

    Dit alles laat onverlet dat Houdbaar – prachtig vormgegeven en smaakvol uitgevoerd – een uitgelezen kans is tot kennismaking met het werk van een auteur die de aandacht ten volle waard is. Om zijn pronte stijl, zijn stroeve troost en om zijn volstrekt eigen en bij vlagen uitzinnige humor.            

     

     

  • Oogst week 17 – 2024

    Een ander leven

    Als Bart Moeyaert met zijn moeder bij haar thuis komt na een bezoek aan zijn dementerende vader in het ziekenhuis overhandigt ze hem een oranje schoenendoos met agendaatjes waarin ze een soort dagboek heeft bijgehouden: ‘Ze drukt me op het hart dat ik er niet met mijn broers over mag praten. Ik mag alles lezen, maar liever niet morgen. Bij voorkeur na haar dood, als ik er klaar voor ben. Ik zeg dat ik de dagboeken op een veilige plek zal bewaren. Daarop mag ze rekenen. Ik herhaal dat ze bij mij veilig zijn.
    Onderweg naar huis staat de schoenendoos op de passagiersstoel. Ik leg er af en toe mijn hand bovenop. Er zit een half leven naast me. Op een bepaalde dag, op een bepaald moment, zal ik het deksel van de schoenendoos halen en aan het verleden van mijn moeder beginnen (…) Thuis sla ik een van de agendaatjes open, de dag nadat ik de doos heb gekregen. Ik doorblader het jaar haast met afgewende ogen. Ik wil – voor nu even snel – alleen maar te weten komen op welke manier mijn moeder notities heeft gemaakt. Houdt ze het kort of schrijft ze hele volzinnen?
    Natuurlijk houdt ze het kort. Natuurlijk vertelt ze haast niets ’.

    De aantekeningen van de moeder vormen maar een deel van het pas als Privé-domeinreeks 328 verschenen Een ander leven van Moeyaert. Hij beschrijft daarin zijn positie als jongste in een gezin met zeven kinderen, waarin hij zich niet gezien voelde. Er was een dominante vader en een bescheiden moeder. Toen zij 70 werd nam Bart haar mee naar Parijs in de hoop wat meer van haar te weten te komen. Dat lukt aanvankelijk niet. Tot een toevallige ontmoeting met een Amerikaanse vrouw haar confronteert met haar eigen levensloop en zij Bart vertelt dat ze ‘een ander leven’ had gewild.

    Een ander leven
    Auteur: Bart Moeyaert
    Uitgeverij: Arbeiderspers

    Mes

    Salman Rushdie werd op 12 augustus 2022 met vijftien messteken toegetakeld door een moslim-fundamentalist, op het moment dat hij zich klaar maakte voor een lezing. Rushdie overleefde de aanslag wonderbaarlijk. Sindsdien mist hij het zicht in één oog en kan hij een hand niet meer goed gebruiken. Een half jaar lang was hij zo aangedaan dat ook schrijven niet meer lukte.

    Tot hij begon aan Mes, waarin hij verslag doet van de moordaanslag en welk effect die had op zijn persoonlijk leven. Ook probeert hij zich te verplaatsen in de dader door een fictief gesprek met hem aan te gaan: ‘Ik wil zijn naam niet gebruiken in dit verslag. Mijn Aanvaller, mijn would-be-Assassino, de Achterlijke man die Aannames over mij maakte, die met mij een bijna dodelijke Afspraak had… Ik merkte dat ik hem in gedachten, het zij me misschien vergeven, Asshole noemde. Maar ten behoeve van deze tekst zal ik hem iets welvoeglijker ‘de A.’ noemen. Hoe ik hem in de privacy van mijn huis noem is mijn eigen zaak.
    Deze ‘A.’ nam niet de moeite iets te weten te komen over de man die hij had besloten te vermoorden. Hij gaf zelf toe dat hij nauwelijks twee bladzijden van mij had gelezen en een paar YouTube-video’s van mij had bekeken, meer was niet nodig. Hieruit kunnen we opmaken dat de aanslag in elk geval niet over De duivelsverzen ging.
    In dit boek zal ik proberen te begrijpen waarover dan wel’.

     

    Mes
    Auteur: Salman Rushdie
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Tijdelijke helden

    De ondertitel van Tijdelijke helden van H.W. Auden, Verzamelde gedichten, is niet helemaal terecht. De selectie bevat niet alle gedichten maar een, met meer dan zeshonderd (tweetalige) pagina’s,  zeer ruime bloemlezing. De gedichten bestrijken een breed spectrum van politiek tot religie en van puur menselijke tot culturele thema’s. Al zijn beroemde teksten zijn er in terug te vinden, zoals het bij een breed publiek bekende ‘Funeral Blues’ dat gebruikte is in de film Four Wedddings and a funeral uit 1994, waarvan de eerste strofe luidt:
    Stop all the clocks, cut off the telephone,
    Prevent the dog from barking with a juicy bone,
    Silence the pianos and with muffled drum
    Bring out the coffin, let the mourners come.

    Het werd al meerdere keren in het Nederlands vertaald. Willem Wilmink bijvoorbeeld maakte ervan:
    Zet stil die klokken. Telefoon eruit.
    Verbied de honden hun banaal geluid.
    Sluit de piano’s, roep met stille trom
    de laatste tocht van deze dode om.

    De vertalingen in Tijdelijke helden zijn van Han van der Vegt. Bij hem begint ‘Funeral Blues’ zo:
    Zet stil de klokken, hoorn nu van de haak
    zorg met een sappig bot dat de hond geen heibel maakt,
    sluit de piano’s en, met trom omfloerst,
    draag uit de baar te midden van de stoet.

    Tijdelijke helden
    Auteur: W.H. Auden
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Roman in briefvorm

    Roman in briefvorm

    Je sluit het boek dat eindigt met een man die blootsvoets rennend zijn huis verlaat, zijn bloedhond, genaamd Sok, als een dolle achter hem aan. Het staat in een van de laatste brieven, geschreven 11 augustus 1987. Hoofdschuddend breekt er een lach in je door. Meesterlijk einde, een knipoog naar de toch wel stoere man die zich het hele boek door middel van brieven, gericht aan vriend, vijand en een ex-geliefde, de gekte buiten de deur probeert te houden. Als correspondentieschaker, ooit op Europees niveau spelend, schrijft hij brieven die niet eens allemaal verstuurd worden. De gedachte aan de geadresseerde is hem genoeg om zijn leven in beweging te houden.

    Na een aarzelend begin, waar sprake is van een in de nek hijgende vertegenwoordiger van de overheid die het op het huis van de kluizenaar gemunt heeft, gemijmerd wordt over een verloren geliefde (een liefde, zo blijkt ,die hij nooit heeft durven bekennen) – maar waar de brieven langer worden, al snel hele stukken ademloos leest. Door de prachtige verhalen die deze Allard van Benniq Methorst in zijn brieven vertelt. Kunnen we het hebben over bloemrijke taal? Als een merel tegen het raam gevlogen is, schrijft hij daarover aan zijn vriend Lop. ‘Ik stond juist thee te zetten toen ik de vogel in volle vaart op mij af zag komen. De botsing deed de ruit trillen. De merel stuiterde terug, schudde het kopje alsof ze zich verwonderde en stortte neer op het pad. Vrijwel direct kwam er uit het snaveltje bloed dat een dikke druppel ter grootte van een stuiver vormde op de tegel. Helrood, als zegellak. Vergeefs woelde de wind tussen de veren naar een hartslag.’ Dat beeld van woelende wind en het ontbreken van een hartslag.

    Brieven lenen zich ervoor om uit te weiden, dingen te vertellen die ‘face to face’ niet verteld worden. Allard schrijft aan een vrouw die hij via een verkeerd verbonden telefoonnummer heeft leren kennen, ze besluiten elkaar te schrijven. De onzekerheid van de vrouw bezweert Allard met: ‘De vele doorhalingen waar je je aan het slot van je brief voor verontschuldigt, zijn allerminst storend. Integendeel. Het toont mij de zoekende briefschrijfster, de eerste ingevingen. De doorgehaalde woorden zijn vaak het eerlijkst.’ Zo brieven te schrijven, zonder zelfcensuur.

    Geleidelijk aan ontstaat er in de brieven een bouwwerk waarbinnen het leven van deze ex-schaakmeester zich aftekent, waar hij vandaan komt, eindigt als kluizenaar. Je denkt aan de brieven van Gustave Flaubert in Haat is een deugd. Waarin hij vriend en minnares op de hoogte houdt van zijn staat van zijn. ‘Waarom vind ik zo’n troost in de eenzaamheid?’, schreef Flaubert in 1853 aan Louise Colet. Hoewel je een lach niet kon onderdrukken bij de laatste brief aan vriend Lop, waarin Allard verslag doet van zijn vlucht naar het dorp, is het natuurlijk droevig dat hij uit zijn kluizenaarshol verjaagd werd. Je denkt voorts aan al die verhalen die in dit boek vertelt worden. Er gaat een bepaalde betovering uit van de taal van Baneman, de beschrijving van een gelaat, het uiterlijk van iemand. Met deze roman in briefvorm waan je je soms in de sfeer van de brieven van Toergenjev, Brouwers, Flaubert, en dat door een hedendaagse jonge schrijver. 

     

     

    De schim van Raamswolde / Alexander Baneman / 235 p. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, op zoek naar een goed verhaal.

  • Menselijke contacten

    Menselijke contacten

    Toen zondag de week tot stilstand kwam, was het lente. De tuin trok maar je bleef binnen. Je werd ergens verwacht maar meldde je af. Er dreigde hoofdpijn. Lezen in Martelaarschap, Dagboeken 1965-1974 van J.J. Voskuil was de enige manier om rust te vinden. Niets fijner als lezen hoe anderen dagelijkse verplichtingen trotseren, vriendschappen onderhouden, standhoudt in het huwelijk. Dingen waarin je wel eens verstek laat gaan. Na de hoofdpijn kwam de slaap, waarna alles weer helderder werd. Op 4 september 1971 noteerde Voskuil hoe hij opknapt van een hoofdpijnaanval.‘ ‘s Avonds, als die langzaam wegtrekt, de bekende helderheid die alles doorziet en wijsgerige rust geeft. De eerste voorzichtige slokjes alcohol, die de hoofdpijn verder terugdringen. Een gelukkig man.’ Dan weet je dat de som van migraine geluk is.

    In Martelaarschap staan lange brieven waarin menselijke relaties worden uitgemeten. Brieven die je gretig leest, daarbij jezelf direct (in het uitspinnen van gedachten) op achterstand voelt staan. En dan de momenten van wrijving, ruzie met L.. Het elkaar niet begrijpen, het achteraf uitspreken van wat er verwacht werd (en waar opnieuw ruzie van komt) is fenomenaal. De aanschaf van een nieuwe stofzuiger gaat niet zonder slag of stoot. L. is voor een Siemens, hij een Miele. Op 12 juni bezochten ze de V&D en de Bijenkorf. Op 14 juni 1973 wordt op de Prinsengracht een Miele gekocht. Op 16 juni staat deze nog steeds in zijn verpakking, ‘Aan eigendom moet je langzaam wennen.’ noteert hij fijntjes die dag. Dat maakt het lezen van deze dagboeken zo heerlijk, op zeker moment de zelfreflectie.

    Op zaterdag 30 juni noteert hij dat hij na het eten de rem van L.’s fiets heeft gerepareerd. Zij verwachtte dat hij kwam afdrogen, waarover onenigheid. Hij stelt voor te gaan fietsen. Hij had moeten vragen (van L.) of ze eerst boodschappen moesten doen. Want, ‘Ze heeft al boodschappen gedaan, en ze had willen fietsen, maar het had een verrassing moeten zijn.’ Als ze dan toch fietsen, hij voor zij achter, is ze geërgerd ‘dat we rechtsaf slaan’. Even later roept ze kwaad ‘dat ik aan de verkeerde kant van de verkeerspaal langsrijdt’. Later vraagt hij welke kant ze liever op wil. Zij zegt dat hij geen rekening met haar houdt. Even daarvoor had ze gezegd dat hij geen rekening met haar hoefde te houden. De betekenis van iemand die zegt dat je geen rekening met hem/haar hoeft te houden, is meestal dat je er wel rekening mee moet houden. Dat moge duidelijk zijn.

    De dunne lijn waarop het huwelijk balanceert. Op zijn verjaardag 1 juli, zitten ze bij Américain. ‘L. met een pils en ik met een sorbet, omdat ik het er op mijn verjaardag eens van wilde nemen, wat L. weer wat verdrietig maakte achteraf, omdat ze het niet aardig vond dat zij voor die ene keer niet ook een sorbet had genomen.’ Waarna hij concludeert, ‘Zonder L. zou ik helemaal nergens zijn.’

    Op 11 juli ziet hij bij thuiskomst een onbeschreven girobiljet op zijn bureau liggen. “‘Wat moet dat girobiljet daar”, vroeg ik, geprikkeld en bereid om overal ruzie over te maken.’ God, wat neemt die man zich voor je in, hij zou het liefst de wereld de rug toekeren maar zal dit nooit doen. Alleen al door L., die hem bij de les houdt. Zouden huwelijken met de heftigste ruzies het langst duren?, denk je opeens. Je moet aan Joan Didion denken, die na het overlijden van haar man John Dunne (waar ze zeer trouw aan was gewesst) zei dat ze niet gelukkig waren. ‘Hij had een driftig humeur, werd driftig om alles.’

    Op 7 augustus noteerde Voskuil, ‘Vannacht werd ik zo triest wakker dat het even duurde voor ik wist waar ik was. Ik kwam tot de conclusie dat het kwam door al die geforceerde menselijke contacten die me dag in dag uit worden opgedrongen. Een onnatuurlijke toestand. Ik zou boer moeten zijn.’ Dat de mens maar een bepaalde hoeveelheid menselijke contacten per week, per dag kan hebben. Dat je alles het best uit kunt houden met een boek op de bank. Dat je van beroep het liefst lezer was geworden, of boerin op een klein stukje land.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column.

     

     

  • Ode aan de allenigheid

    Ode aan de allenigheid

    Er zijn boeken waarnaar je kunt verlangen ze opnieuw te lezen. Zoals anderen jaarlijks De avonden van Reve herlezen, las ik jaren achtereen Een braaf meisje van Philip Roth tijdens de kerstvakantie. Ook naar de Faxen aan Ger van Mizee of In koelen bloede van Capote kan ik verlangen, of dat ene boek Wat behouden blijft van Wallace Stegner. Om de sfeer, de kunst van het schrijven die ik eruit af wil lezen. Het laven aan levens die op papier hun beslag vinden. Ik zoek naar uitdrukkingen die kunnen verklaren waarom Café Dorian me zo bezighoudt dat ik het nog eens ging lezen. Waardoor het me opnieuw betoverde. Ik genoot van elk borreltje dat er geschonken werd, de beschrijvingen van de personages ‘Als de avond valt zit je op een krat voor Abu’s winkel terwijl hij zakjes kikkererwten en linzen uit dozen haalt, ze schikt in het rek daaronder.’ Ik had het net uit, maar pakte het snel mee toen ik een trein naar Amsterdam moest halen. Alsof er geen stapels boeken op tafel voor het grijpen lagen. 

    Er is een vrouwelijke verteller die jaren geleden door haar geliefde werd verlaten. Ze was zwanger van hem. Ze heeft het hem vergeven, maar is hem niet vergeten. Tien jaar later zoekt  ze zijn naam op Facebook. Hem daar te vinden brengt een schok teweeg, een schok die haar doet besluiten hem tot personage te maken in een stad aan een rivier in een Zuid-Europees land met een café en allerlei mensen die door zijn leven bewegen. En een zoon. De geliefde heette Guillaume, als personage krijgt hij de naam Hollander. Ze schrijft hem een nieuw leven in, een leven zoals zij hem zou gunnen.

    ‘Ik had geen account, snap niet waarom ik er na al die jaren een aanmaakte om je op Facebook te gaan zoeken. Nee, dat snap ik wél: als je nog ergens bestond dan had je uitgerekend dat ons kind op 25 oktober tien jaar zou moeten worden. Ik vond je meteen en liet verder alles uit mijn handen vallen: dagenlang kreeg ik geen woord op papier.’ In die schok zit een weten dat pas op de laatste pagina’s onthuld wordt. Het boek geeft langzaamaan een andere werkelijkheid prijs.

    Hollander koopt cadeautjes voor het kind waarvan hij niets weet maar waarvan de vertelster het hem laat weten. Ze schrijft hem naar het kind toe, laat hem het kind zien terwijl het bij haar op de fiets zit. ‘Over drie dagen is de jongen jarig. Het kind dat je steeds helderder voor ogen ziet wordt tien en op de avond voor zijn verjaardag zal zijn moeder in een storm van scharen, plakband en rollen papier cadeaus inpakken’, schrijft ze.

    Toen je laat in de avond weer in de trein zat, wist je opeens waar dit boek aan raakte. Je dacht aan die andere roman Het jasje van Luis, over de verdwijning van een ‘vaderlijke’ vriend. Je meende dat dit boek geschreven is om die vriend eindelijk dat zo gegunde leven na zijn levenseinde te geven. Met deze gedachte ga je natuurlijk te ver, dat weet je ook wel. Maar zo mooi is literatuur, zo mooi is dit boek. Dat je een wending kunt geven aan de werkelijkheid, aan meegegeven intenties. Café Dorian is een prachtige, zachtmoedige roman. Een roman waaruit een verlangen naar de omkeerbaarheid der dingen spreekt. Daarmee een ode is aan de allenigheid van de mens.



    Café Dorian / Gilles van der Loo / 237 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een boekencolumn.

  • Oogst week 5 – 2024

    Lichtspel

    De Duitse schrijver Daniel Kehlmann  (1975) heeft zijn grootste bekendheid te danken aan zijn virtuoze verweving van de levens van de veelzijdige avonturier en natuuronderzoeker Alexander von Humboldt en de wiskundige Carl Gauss in Het meten van de wereld uit 2005 (in Nederland in 2007 verschenen). Voor zijn nieuwe boek Lichtspel dook hij opnieuw in de (Duitse) geschiedenis. Ditmaal het leven van Georg Wilhelm Pabst (1885-1967), één van de grootste filmregisseurs van zijn tijd, bekend van films als Die Büchse der Pandora en Westfront 1918. Hij gaat begin jaren ’30 van de vorige eeuw in de VS werken omdat hij het niet eens was met de nazi’s. Als blijkt dat ze in Amerika niet op zijn films zaten te wachten keert hij teleurgesteld terug, onder andere vanwege zijn ernstig zieke moeder. Dan krijgt hij te maken met Goebbels die hem als filmer wil inzetten voor de nazi-propaganda.
    Als motto gebruikt Kehlmann een citaat uit Unter Schwarzen Sternen uit 1966 van Heimito von Doderer die in de Tweede Wereldoorlog lid was van de NSDAP: ‘Hoe deden we dat trouwens toen, ’s ochtends opstaan, telkens en telkens weer? Omhooggetild en voortdrijvend op een brede golf onzin, hoewel we het toch wisten en zagen, en dat maakt het des te erger! Maar op het laatst was het alleen dit weten waardoor we het overleefden, terwijl anderen, die veel beter waren dan wij, werden verzwolgen’.

    Lichtspel
    Auteur: Daniel Kehlmann
    Uitgeverij: Querido

    Alles wat ze dragen kon

    Het begon allemaal met een tas die Tiya Miles, hoogleraar geschiedenis op Harvard, zag nadat die op een vlooienmarkt was gevonden. Vanwege haar speciale interesse in Afro-Amerikaanse vrouwengeschiedenis bezocht ze veel musea over de slavernij, maar iets aangrijpends als deze tas had ze niet eerder gezien. Haar boek erover verscheen in 2021 en is nu vertaald in het Nederlands onder de titel: Alles wat ze dragen kon. De reis van Ashleys tas, het aandenken van een Zwarte familie (niet alleen in deze ondertitel maar in de hele wordt Zwart met een hoofdletter geschreven; wit begint steeds met een kleine letter). De tas was ooit van een zekere Ruth Middleton geweest. Ze had er de volgende tekst op geborduurd (zonder interpunctie): ‘Mijn overgrootmoeder Rose moeder van Ashley gaf haar deze zak toen ze op 9-jarige leeftijd in South Carolina werd verkocht er zat een afgedragen jurk in 3 handenvol pecannoten een vlecht van Roses haar  Vertelde haar dat hij gevuld zou zijn met mijn Liefde altijd ze heeft haar nooit meer teruggezien Ashley is mijn grootmoeder Ruth Middleton 1921’. De tekst zette Miles op het spoor van drie vrouwenlevens die verbonden zijn met de tas.

    Alles wat ze dragen kon
    Auteur: Tiya Miles
    Uitgeverij: Nijgh en Van Ditmar

    Dezelfde maan

    Het is een populaire opvatting in zelfhulpboeken dat je altijd een keuze hebt. Maar is dat zo? Hoe ruim zijn die keuzes? Wat sluiten we aan mogelijkheden uit als we één weg kiezen? En op grond van welke keuzes zijn we aanbeland waar we nu zijn? Dorien Dijkhuis stelt deze vragen in haar boek Dezelfde maan, een mengsel van beschouwingen, gedichten  en essays. Het hoofdpersonage trekt zich terug op een eiland om omringd door de zee te overdenken wat haar tot dit punt in haar leven heeft gebracht: ‘Ik ben hier om te schrijven. En om ruwe dingen te onderzoeken. Oesterbanken. Zeepokken op rompen van schepen. Om de scherpte van een vers verdriet te laten slijten. Het te polijsten aan hun grillige kartels en randen.

    Het eiland is altijd mijn toevluchtsoord geweest. Als kind ging ik er op vakantie met mijn ouders. Als volwassene vond ik er sterrenhemels, stilte, inspiratie en troost. Ik denk niet dat ik overdrijf als ik zeg dat het eiland me heeft leren schrijven. Mijn eerste verhaal – ik zal tien geweest zijn, hooguit elf – ging erover. Over een strandjutter die een schat vond die hij opnieuw begroef en nooit meer terugvond. Ook mijn eerste gedicht schreef ik hier.

    Hoe vaak zijn we samen op het eiland geweest? Tien keer? Vijftien keer? Nu ben ik hier alleen, in een huisje in de duinen, in het uiterst bewoonbare oosten. Oostelijker gaat niet. Daar val je van de wereld af’

    Dorien Dijkhuis (1978) debuteerde in 2019 met Waren we dieren. Ze publiceerde verhalen en gedichten in verschillende literaire tijdschriften.

    Dezelfde maan
    Auteur: Dorien Dijkhuis
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Oogst week 2 – 2024

    Woo is me

    Als René Van den Bosch, hoofdpersoon in Woo is me van Frans Stüger (1946), zeventien jaar is loopt hij weg uit het pleeggezin waar hij woont. Al sinds hij op achtjarige leeftijd hoorde dat hij is geadopteerd en zijn werkelijke achternaam De Graaf luidt, is hij op zoek naar zichzelf. In Frankrijk en België beleeft hij een gevaarlijk avontuur. Hij komt in komische, absurde en tragische situaties terecht, moet moeite doen om zich staande te houden en wordt flink op de proef gesteld. Sommige gebeurtenissen zijn waar gebeurd, zoals het overlijden van Stügers pleegmoeder, zijn verblijven in verschillende pleeggezinnen en internaten en het vinden van zijn biologische moeder. Wat niet wil zeggen dat alles wat in het boek voorkomt zo is gebeurd.

    Fragmenten uit het boek zijn eerder verschenen als korte verhalen in de literaire tijdschriften Tirade, Hollands Maandblad en De Tweede Ronde. De titel Woo is me komt van een spottende, oud Engelse opmerking, die zoiets betekent als ‘Kijk mij nou toch, wat een pech heb ik’.

    Frans Stüger besloot al jong om schrijver te worden. Om geld te verdienen had hij allerlei baantjes, ergens tussendoor studeerde hij een jaar Nederlands. In 1975 verscheen zijn debuut De gedachte. De jaren erna volgden nog talloze romans en korte verhalen. In 1996 richtte hij met anderen De Schrijversvakschool op. Hij schreef enkele schrijfboeken en doceert korteverhalenschrijven aan groepen en particulieren.

    Woo is me
    Auteur: Frans Stüger
    Uitgeverij: Uitgeverij Gopher 2023

    Dag voor dag

    De Duitse Helga Schubert (1940) studeerde psychologie en werkte jarenlang full time als psycholoog. Op een gegeven moment werd dat parttime, want de behoefte om te schrijven was al sinds haar tienertijd aanwezig. Ze publiceerde een serie kinderboeken over het alledaagse leven in Oost-Duitsland en later verhalen en romans voor volwassenen. Zelf woonde ze in Oost-Berlijn. Ze schreef ook toneel- en televisiestukken, hoorspelen en filmscenario’s. Meer dan tien jaar stond ze onder toezicht van het Ministerie van Staatsveiligheid in de DDR. Voor haar boek Altijd weer opstaan – over haar leven in de DDR – ontving ze in 2020 de Ingeborg Bachmann Preis.

    Dag voor dag – Een getijdenboek van de liefde gaat over de liefde tussen twee ouder geworden mensen. In een verhaal van een dag laat Schubert zien hoe de hoofdpersoon haar eigen psychische kracht bewaart terwijl ze de hand van haar zieke echtgenoot vasthoudt. Meer dan vijftig jaar leven ze al samen. Met zijn overlijden in zicht wordt het leven klein en beperkt, nog net niet geïsoleerd. Ondertussen komen verhalen voorbij van hun persoonlijke en hun gezamenlijke geschiedenis met liefde en genade. Schubert beschouwt het ouder worden en alle beproevingen die daar meestal bij komen kijken grondig. Dag voor dag is vooral een verhaal over de liefde tussen twee mensen.

     

    Dag voor dag
    Auteur: Helga Schubert
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim 2023

    Martelaarschap – Dagboeken 1965-1974

    Martelaarschap is het derde deel van de dagboeken van J.J. Voskuil en beslaat de jaren 1965-1974. Voskuil verkeert in een existentiële crisis. Halverwege 1966 stopt hij met dagboekschrijven. Wel gaat hij verder met Binnen de huid, dat een afrekening met zichzelf moet worden. Als het boek eind 1968 af is, schrijft hij niets meer. Pas in 1972 gaat hij er fanatiek weer mee verder.

    Martelaarschap geeft inzicht in zijn professionele leven als wetenschapper. Zijn werk bij het Meertens Instituut – waarvan de romancyclus Het Bureau de neerslag is – vergt veel van hem. Onverbloemd meldt hij dat hij Dick Blok en Jo Daan (respectievelijk Jaap Balk en Dé Haan in Het Bureau) wel wil doodslaan of -schieten. Hij onthult zijn worstelingen met het leven en de botsingen met Lousje, hun gedachten en meningen. Het zijn soms bizarre verslagen van kleine, alledaagse gebeurtenissen en observaties die samen een genuanceerd en levendig beeld van Voskuils leven en werk vormen. Ironisch en komisch, zoals hem eigen is.

    Hij observeert scherp en gaat gedetailleerd in op de dagelijkse beslommeringen en de complexiteit van menselijke relaties. Martelaarschap draagt bij aan een dieper begrip van J.J. Voskuil als persoon en schrijver en het is, zoals zijn andere (dag)boeken ook een tijdsdocument. Het voegt een dimensie toe aan zijn literaire nalatenschap.

     

    Martelaarschap - Dagboeken 1965-1974
    Auteur: J.J. Voskuil
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot 2023
  • Verslavend

    Verslavend

    In de nacht klonk door het open raam de roep van een uil, twee uilen. Of was er een mens in nood? Je dacht aan de buurvrouw twee huizen verderop. Aan hoe je haar moest redden, of je degene die naast je sliep daarbij moest betrekken. Toen verdween het menselijke uit het roepen in de nacht, was er de zekerheid van een uil. Het was prachtig, je ging er eens goed voor liggen, zei, ‘Hoorde je dat?’, maar degene naast je hoorde niets. Later zocht je het op, uilen gaan in december al een nestgebied uitzoeken. Het mannetje begint luid te roepen als hij een plek vindt waar muizen zijn. Achter in de tuin bij de composthoop leven genoeg muizen om een uilenfamilie te onderhouden. Een uil is net zo slim als een boer die op het land dat hem moet voeden gaat wonen. Het tot zijn territorium maakt met hekken en tractor geraas, zo roept de uil luid zijn onzichtbare omheining in het rond.

    ‘Het gezang buiten wordt luider en lijkt nu als een lasso om ons heen te slaan. Ik kan het niet laten de tent een stukje open te ritsen. De stem blijft zingen en sterft dan weg. Even later zwelt het lied weer aan, op een andere plek, meer vanuit de kant waar de aalscholvers nestelen.’ Dit schrijft Miek Zwamborn in Onderling, Langs de kustlijn van Mull. Ze viert Kerst met haar vriend R. op een afgelegen strand. Vanuit Knockvologan, waar ze sinds 2016 woont, zijn ze in twee uur naar het strand gelopen. Ze bouwden een tent, maken vuur om hun ‘driegangenmenu’ op te warmen. Tegen de ochtend worden ze wakker van gezang, denken aan ‘fairies’, aan bos-, moeras- of zeegeesten. Ze ritsen voorzichtig de tent open, het gezang verplaatst zich. Er is het schijnsel van een lamp, dan een visser die zijn fuiken binnenhaalt, en de stem van een radiopresentator die iedereen een zalig kerstfeest wenst. ‘R. en ik laten ons schaterlachend terug op de mat vallen.’

    Hier is het bijna Kerstmis. Er moet van alles gedaan. Je maakt lijstjes, schuift met de tijd, kijkt naar de stapel boeken op de grond. Voor elk gelezen boek, kocht je drie nieuwe. Je reisde in een week twee keer naar Amsterdam, bezocht de boekhandel op het Spui, kocht daar Onderling van Miek Zwamborn. Nu ben je steeds op weg naar de bank, om dat ene boek te pakken. Een neerslag van hoe Zwamborn zich tot het eilandleven verhoudt, het eiland tot haar. ‘Het veen eigende zich een onderbeen toe (stelde zich tevreden met een kaplaars), een rotsspleet deed me bijna voorgoed verdwijnen en in een van de beken loste ik nagenoeg op.’

    Dit boek is reden genoeg om uit de dag te stappen. Je bekijkt foto’s, tekeningen, leest een gedicht, de brieven die Zwamborn schreef aan kunstenaars en dichters die zij bewondert. Ze schreef aan Rosa Luxemburg, geïnspireerd door een brief in het brievenboek van Luxemburg, geschreven in 1917 vanuit de gevangenis waar ze toen verbleef. Zwamborn schrijft:
    ‘Lieve Rosa, / Wat klink je uitgelaten. Zijn er veel dagen als die je beschreef? Na het lezen van je brief heb ik Wagners Die Meistersinger von Nünberg afgespeeld en ik begrijp nu hoe het lied je naar de zomer voerde.’ Om Rosa dan te vertellen over de stand van zaken op het eiland, de windhozen, boompjes die geplant zijn. Hoe schrijvers over eeuwen heen een inspiratiebron zijn, zo inspireert dit boek uit te kijken naar een eiland.

    Je kijkt naar de afbeelding van een ‘urinewiel’. ‘Ooit getekend door een dynastie van artsen op het eiland die hun eigen onderzoek vastlegden. ‘Aan de hand van kleur, geur en smaak van urine dacht men de kwaal van de desbetreffende patiënt te kunnen vaststellen.’  Zwamborn vond het in een vademecum. Ze dacht terug aan het moment dat haar inwijding in de eilandcultuur moet zijn geweest.

     

    Dat was in de eerste maanden van haar verblijf op Mull, ze was uitgenodigd door een van de dichters van The Ross of Mull Poets. De dichter, een man van in de tachtig, liet haar die middag zijn werk zien, ‘(…) in houten panelen gekerfde gezichten en op doeken geborduurde verzen waaromheen hij uit stof geknipte en geschilderde dieren gerangschikt had.’ Bij het afscheid stak de dichter haar een twee liter melkpak gevuld met een gelige vloeistof, of ze die wilde afgeven bij zijn vriendin. ‘Sue (…) nam snel het vocht in ontvangst terwijl ze wel drie keer een excuus mompelde.’ Toen begreep Zwamborn wat de inhoud van het melkpak was: ‘vloeibaar goud waarmee je reusachtige frambozen kunt opkweken en nog veel meer.’

    Tijdens het lezen werd je een gevoel van perfectie, van in het moment zijn, gewaar. Je kijkt de tuin in, denkt, je zou het hier moeten toepassen. De toewijding, de waarnemingen, het lezen van het landschap. Je voelt een mengeling van jaloezie, een soort heimwee naar iets dat je gekend hebt maar vergeten moet zijn. Dit boek is de weerslag van een nimmer aflatend verkennen van een leefomgeving. Het onderzoekende, het creëren, het commitment, het maakt je op een prettige manier sprakeloos. Wat een prachtig, verslavend boek.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem.