• Gillend wakker worden

    Gillend wakker worden

    Ik nam me voor elke ochtend een wandeling naar de rivier te maken. Om de weidsheid van het water te zien. Het leek me een goed begin van de dag. Het duurde even voor ik ook werkelijk ging. Er was veel dat zich tussen het voornemen en de uitvoering ophield. Maar vanmorgen liep ik dan met de man de tuin uit, het gangpad tussen de huizen door, het trottoir over, rechtdoor naar de rivier. Het wateroppervlak glinsterde ons tegemoet. In het midden smalle stroken land, bevolkt door ganzen. We vermaakten ons met voorspellingen over hoe hoog het water nog zou stijgen. Speelden met het idee van rampspoed.

    ‘Sinds de overstroming hoor je overal druppelen, kabbelen, stromen, kolken.’, lees ik in het openingsverhaal van Weertij.

    Maar wacht, zag ik nu een bootje. Daar, in de verte? Ik vertelde de man het verhaal van die vrouw in een roeiboot die ze in de chaos van mensen op de vlucht voor water van haar buurman had gestolen. Drie dagen roeide ze over ondergelopen land. Er verdrinken mensen, er drijft een koe. Dan, een overlevende grijpt zich vast aan haar boot. Ze hakt met haar zakmes in die hand. De hand laat los. Dat het zo gaat als je in nood verkeerd. Red eerst jezelf en daarna de ander is het adagio, toch?

    Het ene verhaal is als een voorspelling van rampspoed, in een ander verhaal zit je er middenin. Verhalen die spiegelend werken. Zou ik in de overleef stand ook zo radicaal handelen als die vrouw met de roeiboot?

    Eén verhaal liet me in verwarring achter. Ik las het nog eens, maar begreep het niet. De man zei, (alsof het een Rubik Kubus betrof waarvan ik de stukjes niet op hun plaats kreeg), zal ik het eens lezen? Het verhaal van de oude vrouw die met haar dochter een paar dagen aan zee logeert. Daar treft ze haar jeugdliefde, (of toch niet?). Later, als ze het dorp verlaten, ziet ze vanuit de bus een man die rozen snoeit. Ze herkent hem, (is dat hem dan?). De man las het verhaal. Hij vond het een mooi verhaal. Hij zei dat het een geval was van je de dingen anders herinneren dan degene waarmee je het beleefd hebt. Dat het daarover ging. Ik zei, O, ja!

    Verrassend is hoe personages en gebeurtenissen van het ene verhaal in een ander en een volgend verhaal overlopen. De weervrouw, die en passant door een tienermeisje op tv wordt gezien terwijl ze zich innerlijk voorbereid op een ontmoeting met haar vriendje waarbij ze het gaan ‘doen’, waarschuwt voor smeltende gletsjers en stijgend zeewater. In een volgend verhaal een vrouw op de vlucht (naar een pension aan zee) nadat ze in haar laatste tv optreden de waarheid over het klimaat vertelde en online wordt afgemaakt.

    Dat is het ook.

    Al die thema’s. Die op een ‘be the way’-achtige wijze worden aangestipt. Zoals de vrouw uit ‘De pas gearriveerden’, drie keer moet ze opnieuw inparkeren voor het lukt. Dan: ‘de nieuwe Audi is groter dan haar vorige auto’. Dat het leven ons te groot is geworden. Dat is wel een dingetje. Deze vrouw kiest voor modemerken, datingapps en wil haar puberzoon gelukkig zien. Ook zij overnacht met haar zoon in een pension aan zee. Wat een uitstapje lijkt, blijkt een raadselachtige onderneming. Raadselachtig, omdat ik het niet wil geloven. Want gaan mensen nu en masse wachten op een boot vluchtelingen in de hoop er een mee naar huis te kunnen nemen?

    En dan zijn er die hoofdjes van klei die in verschillende verhalen opduiken. Op een plank, in de vensterbank. Soms wel veertig bij elkaar. Het is de dagelijkse werkelijkheid die Van der Kind op soms hilarische wijze uitvergroot. Verhalen waarin het geluid van roeispanen weerklinkt. Er hangt een gele jurk in een boom in het ene-, en een vrouw draagt ‘haar gele jurk, haar vlecht hangt tussen haar schouderbladen’ in een ander verhaal.

    Ik zit op de bank. Kneedwezens, de laatste bundel van Judith Herzberg naast me. Die opent met een fragment uit haar toneelstuk, Leedvermaak. Hoe kinderen voor van alles en nog wat bang zijn. ‘Pien: (…) en angst, angst, angst! Voor van alles en nog wat. De een voor wezens van een andere planeet, de ander voor kneedwezens,…’

    Riet:
    ‘Kneedwezens?

    Pien:
    ‘Ja, dat heeft Rifka. Kneedwezens. Van klei of zo zeker. Ik weet het niet. Maar ze is er als de dood voor. Gillend ‘s nachts wakker worden en zo.’

    Ik dacht, ja, dit is het. De mens een kneedbaar wezen. Gekneed naar de omstandigheden. Van der Kind kruipt in het hoofd van haar protagonisten. Ze zet een sfeer neer die doet denken aan de verhalen van Vonne van der Meer. Het eigengereide van haar protagonisten die denken dat wat zij doen, goed is. Of in ieder geval kunnen ze niet anders. Dat je daar soms gillend van wakker wordt.

     

    Weertij / Michelle van der Kind / 146 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

  •  Eenzaamheid en aftakeling

     Eenzaamheid en aftakeling

    ‘Het ergste moet nog komen’. Deze veel aangehaalde woorden van Arthur Schopenhauer zijn een aansporing om tijdig de hoop op een happy end te laten varen. Omdat de meeste mensen zich er niets bij voorstellen, leven ze er doorgaans lustig op los totdat de feiten dwingen tot verandering. Het boekje Het leven moe van Detlev van Heest maakt de lezer getuige van een in de versukkeling gerakend bestaan.

    Schrijver Detlev van Heest is bekend als vriend en bewonderaar van J.J. (‘Han’) Voskuil en diens vrouw Lousje Voskuil-Haspers. Al eerder kwam Lousje Voskuil via Van Heest uitgebreid aan het woord in het boek Ik ben ik niet (Van Oorschot, 2014). Sindsdien zijn ruim tien jaren voorbijgegaan: Lousje is 99 jaar oud, enerzijds verward en kwetsbaar, en tegelijk opstandig en boos. Het een heeft ongetwijfeld met het ander te maken.

    Nog steeds is in deze hoogbejaarde dame Nicolien ter herkennen, de vrouw van Maarten Koning, hoofdpersoon van de befaamde 7-delige romancyclus Het bureau, die verscheen in de jaren 1996-2000. Nicolien is obstinaat, tegendraads, dwingend en eigenzinnig en toch tegen wil en dank: steun en toeverlaat van Maarten Koning. Nu Nicolien / Lousje de leeftijd der zeer sterken bereikt (zij is weduwe sinds 2008) laten eenzaamheid en aftakeling zich gelden.

    Konden eerder lezers om de slapstick der huwelijkse perikelen tussen Maarten en Nicolien nog schateren, de ontreddering die de ouderdom onvermijdelijk met zich meebrengt doet een mens het lachen wel vergaan. Uit een negental prozafragmenten – overwegend dialogen – rijst een ontluisterend beeld op dat de lezer met mededogen vervult. Lousje breekt een arm, ze wil geen gips, ze maakt haar mitella zoek. Ze weet niet meer wanneer dingen gebeuren, wat er is afgesproken. De poes die dood is beweegt nog, en begint weer te eten. Lousje beschuldigt de dierenarts van moord en zichzelf van medeplichtigheid. Ze durft de straat niet meer op. Ze is soms dronken en weerloos, en heel vaak heel erg moe. Het relaas zal voor veel mantelzorgers herkenbaar zijn.

    En voor wie de geschreven impressies nog niet overtuigend genoeg zijn, bevestigen bijna veertig foto’s van het interieur het verhaal nog eens indringend en onmiskenbaar: de tijd is in huize Voskuil tot staan gekomen. Niemand hoeft er meer naar op zoek, de details spreken boekdelen.

    Trouwe Bureau-lezers moeten zich dit werkje niet laten ontgaan. En los daarvan is het voor iedereen een relevante oproep: memento mori, gedenk te sterven, eens, ooit. En meer nog misschien voor nu, vóór het te laat is: pluk de dag.

     

    Detlev van Heest / Het leven moe / 88 blz. / uitgeverij Hof van Jan / beeld: Michèle Baudet / prijs € 18,-

     

  • Oogst week 9 – 2026

    Oogst week 9 – 2026

    Jong en eenzaam

    Jong en eenzaam van Kevin van Vliet is een verslag, in romanvorm, van een jonge journalist op reis langs de ruïnes van zijn verleden. Na vijf jaar in Zuid-Afrika gewoond te hebben komt hij terug naar Nederland om een nieuw werkvisum aan te vragen en ineens wordt hij geconfronteerd met zijn vroegere zelf. Alles staat op het spel, hij dreigt zijn werk, maar ook zijn verstand te verliezen. Jong en eenzaam, een verwijzing naar Oud en eenzaam van Gerard Reve, opent de aanval op de huidige stand van de Nederlandse literatuur.

    Van Vliet (1993) werkte bij HP/De Tijd, toen in Hilversum, vervolgens bij diverse kranten – en hij is nu correspondent in Zuid-Afrika voor Trouw en Het Financieele Dagblad.
    Zijn literaire debuut, de novelle Wolfsjong (2019) werd genomineerd voor een Bronzen Uil. Evenals de korte roman Bobbejaanskloof (2023)

    Jong en eenzaam
    Auteur: Kevin van Vliet
    Uitgeverij: Prometheus

    Het zwarte schip

    In de allereerste scène van deze verhalenbundel van Nicola Pugliese doemt uit de donkere nacht geruisloos een zwart schip op. Is het een collectieve zinsbegoocheling, een slecht omen of een waarschuwing? De komst van dit mysterieuze schip zet een reeks verontrustende, kafkaëske verhalen in gang, waarin het dagelijks leven in de stad van de rails loopt.

    De unieke schrijver Pugliese beschrijft in een donkere en betoverende stijl de meest onverwachte en vreemde gebeurtenissen, die iedereen in hun greep lijken te houden en alles staat op losse schroeven. Nieuwe agenda’s lopen niet meer synchroon, een steeds ontsnappende gevangene lijkt nooit echt vrij te kunnen komen; Tijdens een crisis wordt Kerstmis afgeschaft. De kettingrokende Carlo Andreoli is het alter ego van Pugliese en een terugkerend personage. In de krant leest hij over zijn aanstaande dood. De verhalen spelen zich af tegen de vage contouren van Napels.

    Nicola Pugliese (1944 – 2012) was een eigenzinnige Italiaanse schrijver en journalist. Malacqua is zijn enige boek, dat in 1977 verscheen. Het werd een soort cultroman, die niet mocht worden herdrukt van de auteur. Na Puglieses dood, verscheen Malacqua echter opnieuw in Italië. Ook hier heeft Carlo Andreoli, de melancholische journalist, een rol. Hij verslaat de mysterieuze gebeurtenissen die in Napels plaatsvinden. Dankzij vertaalster Annemart Pilon kwam het boek ook in Nederland uit.

    Het zwarte schip
    Auteur: Nicola Pugliese
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Omgeslagen dagen

    Omgeslagen dagen van Mensje van Keulen is het vervolg op haar dagboeken Alle dagen laat, Neerslag van een huwelijk en Moeder en pen. Met de haar zo kenmerkende scherpte en humor neemt Van Keulen de lezer ook in het vierde deel van haar dagboeken mee in het immer woelige schrijversleven in de jaren tachtig te Amsterdam. We volgen Van Keulen van 1983 tot 1987. Inmiddels is ze gescheiden en een gevierd schrijfster. Ze werkt aan de verhalenbundel De ketting (1983), haar roman Engelbert (1987) en haar jeugdboek Tommie Station (1985), dat een groot succes wordt. Toch gaat het schrijven, met een zoontje dat naar de basisschool gaat en een nieuwe liefde, bepaald niet vanzelf, maar Van Keulen zet door.

    Van Keulen debuteerde met de veelgeprezen roman Bleekers Zomer. Eerder was zij, van 1970 tot 1973, redacteur van het studentenweekblad Propria Cures, waar zij – naast verhalen – onder het pseudoniem Josien Meloen gedichten schreef. Later maakte zij samen met onder anderen Gerrit Komrij, Theo Sontrop en Martin Ros jarenlang deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift Maatstaf.

    Zij schreef niet alleen voor volwassenen, maar ook enkele kinderboeken.

    Omgeslagen dagen
    Auteur: Mensje van Keulen
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Sturende kunst

    Sturende kunst

    Het aansturen van dingen, daar geloof ik wel in. Ik bedoel, als mijn moeder op zondagochtend riep dat er een grote pan soep gemaakt moest worden omdat ze onze oom en tante met hun autootje volgepakt met kinderen uit Groningen verwachtte, dan kwamen ze ook. Dat was nog voordat een huistelefoon gewoon was.
    Ik zoek me een weg door deze februaridagen. Ik ging naar het Nul-Museum Eicas en zag de documentaire over de Belgische kunstenaar Paul Van Hoeydonck (1925 – 2025), The Fallen Astronaut. Ik wilde die helemaal niet zien, kwam voor een andere tentoonstelling. Van die dagen. Een suppoost van het museum hoefde alleen maar te zeggen, ‘Als u voortmaakt, bent u precies op tijd voor de documentaire over Paul Van Hoeydonck.’ En hup, daar ging ik al.’

    Ik kende Van Hoeydonck niet. Toen hij zei, ‘I’m always expected that I become more famous than Picasso.’ It was just in contrary, people hated me.’, werd ik nieuwsgierig. Hij maakte het kunstwerk ‘verloren handschoen’: een gehelmd astronautenhoofd met een losse handschoen ernaast. Hij zei dat kort daarna een astronaut op de maan een handschoen verloor. Hij keek erbij alsof hij het nog steeds niet geloofde, toch was het echt gebeurd.

    In ‘Het blauwe notitieboekje’ van Sander van Leeuwen gebeuren ook zulke dingen. Over een detectiveschrijver die nu eens een ‘boek van betekenis’ wil schrijven. Ter inspiratie leest hij zijn hele boekenkast leest. Capote, Thoreau, Ishiguro. The New York Trilogy van Paul Auster speelt een belangrijke rol in dit verhaal vol onverwachte wendingen. Die beginnen met een blauw notitieboekje gevonden in een ‘eigenaardig soort’ boekwinkel. Op eerste pagina van het verder lege boekje staat, Wees voorzichtig met wat je opschrijft. P.A.. De dingen worden raadselachtig op een geloofwaardige manier.

    Om op gang te komen schrijft hij een paar willekeurige zinnen in het notitieboekje, ‘De telefoon gaat. Verkeerd verbonden. / Een kat schiet voor de tram langs. Verdwijnt in een steeg. / Op de hoek ruikt het naar herfstbladeren en koffie.’ Dan, wandelend met zijn vrouw, ziet hij een kat voor een passerende tram oversteken, in een steeg verdwijnen. Krijgt zijn vrouw een verkeerd verbonden call. Er gebeurt wat hij geschreven heeft. Het verhaal verrast na elke alinea meer. Zal ik verklappen dat de schrijver Paul Auster ontmoet, (of is het toch niet Paul Auster?).

    Deze hele Tirade staat trouwens vol prachtige verhalen en gedichten. Er klopt iets, er verschuift iets.

    Van Elisa Veini een serie getiteld ‘Winter was hard’. Ik lees ze als notities over de tijd waarin we leven, elke regel is raak. Ik bedoel, ik zie, voel het. ‘de krant schrijft wat iedereen allang weet / en wat nu gebeurt // krijgt een stem / pas als het niemand meer treft // dan zullen allen er altijd al tegen zijn geweest’. Dat dat het is, de dingen ongrijpbaar, de dagen gebeuren.

    In het verhaal ‘Cuidado’, van Marijn Sikken gaat een vrouw voor het eerst alleen op vakantie naar de Canarische eilanden. Een man zoekt contact, waar ze niet op ingaat. Hij duikt op waar zij ook gaat (dit is een lijntje in een verhaal over hoe een vrouw gezien wordt als een object). Er komt politie aan te pas om haar te bevrijden van deze man. Al heeft hij haar met geen vinger aangeraakt, het kwaad is al geschied, ‘ook als hij er niet is, niet fysiek, zal ze de rest van de tijd op haar hoede zijn. Ze is niet meer alleen.’ Dat alleen willen zijn ook in de openbare ruimte iets is waar de ander van af moet blijven.

    Thomas Heerma van Voss schreef ‘Het interview’. Als interviewer in het boek De prullenmand heeft veel plezier aan mij, beschrijft hij de omgeving en reacties van de geïnterviewde, oude schrijvers die in de vergetelheid zijn geraakt. ‘Het interview’ is vanuit de geïnterviewde geschreven, een omgekeerd perspectief. Dat levert sterke beschrijvingen op in hoe de schrijver zichzelf als interviewer waarneemt. De geïnterviewde: “‘Er is hier in geen maanden iemand op bezoek geweest,’ zeg ik. Hij knikt kalm, maar ik zie ook iets anders in zijn blik: gretigheid. De oogopslag van iemand die iets bruikbaars opvangt.’” En dat je denk te weten wie de geïnterviewde, de verteller is. Heerma van Voss is een zuiver balanceerder op het lijntje waar verdichting en werkelijkheid met elkaar oplopen.

    Dan dit nog. ‘Jij kiert zo prachtig / tussen mijn donkerblauwe gordijnen / iedere ochtend opnieuw // Ik ben van jou ik ben van au, / ik ben van koperzeer en van kou, / ik ben van wankelmoed en trouw’, dicht Frans Kuipers in ‘Proloog’.

    Een Tirade met opvallend veel sterke en mooie bijdragen, ook van Lena Claassen, Paul Demets, Lisa Rooijackers, Inge Marleen Anton Minne, Anouk Bosch, Caspar Dulaart, Julien Staartjes, Ingmar Heytze, Daan Doesborgh en Fien Vanderbeke.

    Gun jezelf zo’n literair tijdschrift. Vind in deze februaridagen de weg naar buiten.

     

    Tirade nr. 151 / redactie: Sophia Blyden, Nikki Dekker, Daan Doesborgh e.a. / Van Oorschot / 108 blz. /


    Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest.

     

     

  • Pats, boem, Shakespeare

    Pats, boem, Shakespeare

    Tamelijk onopgemerkt verscheen in mei 2025 een nieuwe vertaling van de 154 sonnetten van William Shakespeare (1564-1616). De eerste Engelse uitgave van deze gedichten dateert uit 1609. In de 19de eeuw verscheen voor het eerst een volledige vertaling, door L.A.J. Burgersdijk (die trouwens ook alle toneelstukken van Shakespeare in het Nederlands vertaalde). Deze nieuwe integrale vertaling van deze wereldberoemde sonnetten is de zestiende.

    Het is verleidelijk om al die zestien verschillende vertalingen eens bij elkaar te zetten en te gaan vergelijken, integraal of gedicht voor gedicht. Maar aan die verleiding is vooralsnog weerstand te bieden. Laten we het hebben over déze uitgave. Want alles eraan is prettig. Het formaat, het papier, de in katernen genaaide en gebonden uitvoering, de mooie tweekleurendruk en de lichtvoetigheid waarmee de tekst wordt gepresenteerd. Of beter gezegd: niet wordt gepresenteerd.

    Want de uitgave bevat geen inleiding, geen verantwoording of bronvermelding, en ook geen Engelse tekst naast de Nederlandse vertalingen, gewoon pats, boem: gedichten om te lezen. Laat één voorbeeld iedereen ervan overtuigen dat vertaler Frans van Deursen het Engels van Shakespeare van meer dan vierhonderd jaar geleden soepel overzette in hedendaags Nederlands.

    In boeken uit reeds lang vervlogen tijd
    zie ik de knapste lieden uitvergroot;
    hoe schoonheid wonderschone verzen wijdt
    aan jonkvrouwen en ridders, mooi maar dood.
    Met zwier doet de antieke pen verslag
    van hand, van voet, van voorhoofd, oog en mond.
    Breedvoerig rijmend maakten ze gewag
    van schoonheid die vóór jou niet eens bestond.
    Dus al hun odes zijn slechts profetie,
    een toekomstbeeld waarin jij wordt voorzegd.
    Toch wordt het nergens grote poëzie:
    geen van die zieners zag jou immers echt.
    En ik, die hier en nu de muze dien,
    ben sprakeloos terwijl ik je kan zien.

    Hedendaags – en niet alledaags, verre van. In heel veel andere sonnetten weet de vertaler met zijn rake woordkeus en ‘een gezonde dosis overmoed’ de poëzie van Shakespeare te vertolken. Keurig conform de impliciet vereiste regels, met behoud van regellengte en metrum, en dat zonder enige kramp of nadrukkelijkheid. Eeuwige ontroering, gevangen in een ogenblik, telkens veertien regels. Heel warm aanbevolen.

     

  • Op de grond spuwen

    Op de grond spuwen

    Dat ik nooit een boek kan vinden, daar lig ik wel eens wakker van. Het boek dat ik nu zoek, heeft een stevige omslag, wit van kleur. Zoals Een sterfgeval in de familie van James Agee, Romeinse koorts van Edith Wharton. Die dikte ook. Dacht ik. Ik liep mijn boekenkasten erop na. Als ik nu maar wist wie de schrijver was.

    Het kwam door De stenen engel van de Canadese schrijfster Margaret Laurence. Hoewel ze in het rijtje van Margaret Atwood en Alice Munro thuishoort, had ik nog nooit iets van haar gelezen. Ik las over een leven op de prairie waar een vader in een klein stadje een kruidenierswinkel runt. Waar een meisje met haar broer tussen de kieren van het plankieren trottoir naar muntgeld vist. Verloren door drinkers die op zaterdagavond slingerend over die plankieren op huis aangingen. Laurence schrijft over een samenleving van pioniers, ploeteraars, alcoholisten. Een tijd waarin geen enkel mate van geluk werd nagestreefd. Ze hadden wel wat anders te doen.

    De wereld is gebouwd op de verhalen die we elkaar vertellen. Denk Adam en Eva, een verhaal. Zonder verhaal geen houvast. Blijkbaar zoek ik naar houvast, een reling waarlangs ik de berg die ik in alles zie, kan beklimmen.

    Hagar, de vrouwelijke verteller in De stenen engel, denkt als oude vrouw terug aan haar leven in het pioniersstadje, haar huwelijk met een brute man. Hoe ze alles doorstond, ervandoor ging toen het moment daarvoor aanbrak. De kracht, overlevingsdrang die je alleen ziet bij onderdrukking. Denk Myanmar. Wacht. Ga niet te ver. Houd het bij het boek dat ik niet kon vinden. Het houdt mijn hoofd bezet.

    Het ene verhaal roept het andere op. Alsof mijn hoofd een internetverbinding aangaat. Klik, zie ik opeens het beeld van mannen, rokend, fluimen op de grond spuwend rond een kachel in een kruidenierszaak. Het was iets met Winesbury in de titel.

    En ja, er is een berg. Een uitnodiging een eerste exemplaar van een boek in ontvangst te nemen, of ik dat wilde. Maak mij niet zenuwachtig.

    En dan gebeurt me zoiets. Een onvindbaar boek is alsof de wereld stilstaat. Vroeg in de ochtend ga ik naar zolder, zoek dozen door. Vind niets. Ga nu maar schrijven aan dat andere, voor het weer deadline werk wordt.

    Toen was er opeens een naam, ik riep het uit, Sherwood Anderson. Natuurlijk, Sherwood Anderson. Voor de zoveelste keer neem ik de drie treden van het houten trapje om in de bovenste rij langs de letter A te gaan. Ik lijk wel gek, kan dit niet wachten? Nou ja zeg, het staat er gewoon. Winesburg Ohio. Wel de helft dunner dan ik dacht.

    Kijk, daar staan ze, bij de kachel. ‘Ze hadden overalls aan en in de winter droegen ze daar zware jassen overheen die vol modder zaten. De handen die ze naar de gloed in de kachel uitstrekten waren rood en gekloofd. Praten viel hen niet gemakkelijk, daarom zwegen ze meestal.’ Dat ik dat van die fluimen en op de grond spuwen er zelf bij bedacht heb. Dat alles een zelftest is.

     

     


    Inge Meijer schrijft over dingen die ze leest.

     

     

     

  • Een prachtige, poëtische en theatrale roman

    Een prachtige, poëtische en theatrale roman

    Volgend jaar viert Peter Handke zijn zestigjarig jubileum als schrijver. In 1966 verscheen zijn debuut Die Hornissen (De wespen, 1979) en trok zijn toneelstuk Publikumsbeschimpfung (Hooggeëerd publiek, 1968) internationale aandacht. Geboren in Oostenrijk, woonde de jonge Handke in de DDR. Later reisde hij over de hele wereld en sinds 1990 woont hij in de regio van Parijs. Handke is een bijzonder productief auteur, maar zelfs van een Nobelprijswinnaar wordt niet alles vertaald. Al kun je je afvragen waarom de roman Der Hausierer (1967) als enige van zijn vroege werk nooit in het Nederlands werd vertaald.

    Wanneer Handke, zoals vaak, zijn werk in Oostenrijk situeert, dan gaat het eigenlijk om een klein stukje van dat land, het deel van Karinthië dat grenst aan Slovenië. Zoals in Nog altijd storm (Immer noch Sturm, 2010) vertaald door Miek Zwamborn. Zij is dichteres en wellicht daardoor geschikt om deze tekst te vertalen die leest als een roman, maar ook als een toneelmonoloog. Zowel in Duitsland als in Oostenrijk kreeg dit boek een theaterprijs. ’t Barre Land speelde in april dit jaar, ter gelegenheid van de verschijning van Zwamborns vertaling een aantal monologen daaruit. Toch is de tekst moeiteloos als een poëtische, theatrale roman te lezen.

    De verteller en zijn overleden familie

    De verteller, die gezien zijn familiegeschiedenis sterk lijkt op Handke zelf, zit aan het begin van het verhaal op een bank naast een appelboom voor een boerderij in het Oostenrijkse Jaundal, aan de grens met Slovenië, dat Handke voor de gelegenheid als Jaunfeld heeft herdoopt. Er doemen plots overleden familieleden op die op deze plek hebben gewoond. Zijn grootouders en hun vijf kinderen: drie ooms, een tante en zijn moeder, leden van de ‘Svinec-clan’. Een of meer familieleden spreken de verteller toe. Als een clanlid zwijgt, houden de anderen hun adem in. De ‘droom’ van de verteller begint in 1936, ‘een gelukkig jaar’. Twee jaar voor de Anschluss, waarbij de ‘austrofascistische Bundesstaat Österreich’ werd ingelijfd in het Derde Rijk. Daarna volgen er scenes uit 1942, het geboortejaar van de verteller, ook het jaar waarin de drie broers moeten dienen in het Duitse leger, en uit 1945, het jaar van de Duitse capitulatie.

    De moeder van de verteller wil van het leven genieten. Haar zuster Ursula was werkster en woont daarna teruggetrokken in de koestal. De oudste broer Gregor heeft slechts een oog, studeerde over de grens in Joegoslavië voor fruitboom verzorger en heeft het ouderlijk erf van een appel- en perenboomgaard voorzien. Hij werd daarin een echte expert. Wanneer Gregor voor militaire dienst in Nederland verblijft, is zijn hoogtepunt dat hij oog in oog komt te staan met de Schone van Boskoop. Broer Valentin is een rokkenjager en een wereldburger. Hij wil per se goed Engels leren spreken en misschien ooit emigreren naar Amerika. Het nakomertje (Benjamin) valt in zeven sloten tegelijk en heeft een hekel aan alles en iedereen.

    In de oorlog zit Gregor als soldaat in Nederland, verveelt Valentin zich in Noorwegen en bevindt Benjamin zich in de Oost-Europese steppen, vanwaaruit ze brieven naar huis schrijven.

    Omdat de moeder de brieven van haar broers voorleest, speelt ze een belangrijke rol in het tweede deel van het boek. Daarbij is haar grote liefde, de vader van de verteller, een Duitser. Het kind wordt dan ook door de clan verwenst. Peetoom Gregor over de baby: ‘Ja, hij daar is mijn vijand. De koekoek die ons inheemsen tot op de laatste piep en donsveren uit het nest zal smijten. Futiel schepsel, vormbeginsel van de grote vijand, van de usurpator. Familievijand – volksvijand. De wieg uit met jou, het hondenhok in met dat bastaardkind.’

    Stel je voor: de verteller hoort dit aan, op de bank als bejaarde man, ouder dan zijn grootvader tegenover hem, in aanwezigheid van de zuigeling die hij ooit was. Fascinerend, maar ook ontroerend.

    Taal als motief

    Taal vormt een cruciaal motief in Nog altijd storm. Tijdens de oorlog is het in het Reich verplicht om in het openbaar Duits te spreken. Daarom is het Sloveens van de clan door de Duitsers verboden als ‘ondermensenkoeterwaals’, dat de censor in de soldatenbrieven van de broers zwart kleurt. Zelfs de namen worden officieel verduitst: Svinec wordt Swinetz. De grootvader vervloekt daarom alle Duitsers, ‘van Arnulf tot Ziegfried, van de Anneliesen tot de Zieglindes’.

    De clan heeft een visie op de eigen taal. Allerlei woorden mogen van de grootouders in hun huis niet worden gebruikt. Zoals ‘liefde’, ‘geschiedenis’, ‘tragedie’ en ‘ik’. De moeder van de verteller herkent haar zoon aan zijn taal, zoals ook de rest van de familieleden: ‘Aan jouw taal herken ik je, apenzoon. Wij allen hier verzameld zijn te herkennen aan onze taal (…). Niemand in het hele land spreekt zoals wij, zal zoals wij gesproken hebben.’

    In de oorlog sneuvelen twee broers. Ursula sluit zich aan bij de partizanen, gevolgd door broer Gregor, die deserteerde uit het Duitse leger. Na veel ontberingen en sterfgevallen heeft hun lokale verzet van Sloveense Karinthiërs uiteindelijk een deel van de streek in handen. Trots dat ze al voor het einde van de Tweede Wereldoorlog als enige verzetsgroep in heel het Derde Rijk zelf een gebied hebben veroverd. Waardoor Oostenrijk zelfs na de Nazi capitulatie bij de onderhandelingen met de geallieerden in een gunstige positie kwam te verkeren.

    Mede daarom en tot de grote teleurstelling van ‘dappere hazenharten’ als oom Gregor, kwam het Sloveense deel van Karinthië uiteindelijk niet bij Joegoslavië. Handke gaat hier verder niet op in, maar het nabije Tolmin, dat door Joegoslavische partizanen werd bevrijd, ging in 1947 wel degelijk van Italië naar dit buurland. Ondanks het ‘familievijand – volksvijand’ heeft oom Gregor een bijzondere band met zijn petekind, ook omdat hij de oorlog heeft overleefd. Overigens in een land dat de hevig ontgoochelde Gregor niet meer herkent, zijn boomgaard is afgebrand en vervangen door een parkeerplaats voor pantserwagens.

    Levensgeschiedenis als materiaal

    De boerderij, de grootouders en hun vijf kinderen komen ook in ander werk van Handke voor. Soms in iets andere gedaanten en omstandigheden. Het gaat er dan ook niet om, zo dicht mogelijk bij de werkelijke levensgeschiedenis van Peter Handke te komen, maar om de verschillende manieren waarop de schrijver die als materiaal gebruikt. Al in zijn debuutroman spelen brieven van en associaties over een oom Gregor die in november 1943 sneuvelde, een belangrijke rol. In Dwars door de dorpen (1981), net als Nog altijd storm een soort dramatisch gedicht, keert een Gregor terug naar zijn vaderland dat hij niet meer herkent. Vervolgens, in het epos Herhaling (1986) lezen we Filip Kobals zoektocht naar zijn verdwenen broer Gregor. En een zekere Gregor Keuschnig is een personage in zowel Het Uur van de Ware Sensatie (1975) en Niemandsbaai (1994) als Nacht op de rivier (2008).

    In Mein Tag in anderen Land. Ein Dämonengeschichte (2021) lijkt het personage dat jarenlang door demonen wordt geteisterd sterk op de fruitboomteler oom Gregor, met het petekind als de verteller en ‘chroniqueur’. Helemaal aan het slot van Nog altijd storm herinnert de verteller zich een epifane ervaring in een voormalig goudgraversdorp in Alaska, dat hij ooit bezocht. Tussen het massale gekrioel van de toeristen ontdekte hij een paar inheemse bewoners. Die bleken een eigen code te hanteren om over en door de toeristen heen met elkaar te communiceren.

    De lezer moet onmiddellijk denken aan de moeder van de vertellen die hem hierboven toevertrouwde: ‘Wij allen hier verzameld zijn te herkennen aan onze taal, kunnen elkaar zo tenminste herkennen, ieder van ons kan de ander als een van ons herkennen.’

    Handke herinnert ons hiermee aan de realiteit dat er tot op de huidige dag – en misschien meer dan ooit – veel en veelsoortige ontheemden in onze wereld bestaan. Daarmee is Nog altijd storm meer dan een prachtige, poëtische en theatrale roman alleen.

     

  • De vader een hond

    De vader een hond

    Tijdens het lezen van Het jubileum van Andrea Bajani, voelde ik dezelfde verstilling en eenzaamheid als in Het hoogste goed waarin een jongen zijn verdriet als een trouwe hond altijd bij zich weet. Het is het eerste boek waarin Bajani over verwaarlozing en mishandeling uit zijn kind- en jeugdjaren in romanvorm schrijft. In Het boek van de huizen speelt datzelfde verdriet een rol. Er komt een schildpad in voor die voor verstilling van de tijd staat. Alles op een afstand beschreven, niets maakt de lezer van dichtbij mee, er wordt door de vader geen hand geheven, toch die dreiging.

    Het was een herfstige mooie zondag, er moest gewandeld worden. Ik nam de trein naar een dorp verderop. Vanaf het station liep ik terug, langs weteringen, door stukken bos. De jongen uit Het hoogste goed vergezelde me, hoe hij in het huis van zijn ouders onopvallend, (om de lieve vrede) om hen heen bewoog. Er met zijn hond (het verdriet) steeds op uitgaat om niet thuis te hoeven zijn.

    Er stond een bankje aan een zandweg. Ik las alsof ik iets zocht, iets dat zich buiten de geschreven woorden bevond. Ik nam een potlood uit mijn zak, schreef in de kantlijn ‘zogend kind vult zich met leegte van moeder’, omcirkelde een stuk over het verdriet van zijn vader dat zo groot was, ‘dat de vader het amper aan de riem wist te houden.’ Verdriet dat zich losrukte, anderen aanviel, zoals de zoon. ‘Hij sperde zijn bek open, blafte en daarna hoorde je de schreeuw van degene die was gebeten.’ Dat die bedekte manier van schrijven (alsof het jou niet aangaat) het mogelijk maakt om dat wat je niet van je af kunt schudden, enigszins te benaderen. Verdriet moet je in de bek kijken, dat dus.

    Wat de schrijver in Het jubileum ook werkelijk doet. In deze kleine roman komt alles aan de oppervlakte. Bajani schrijft voor het eerst in niet mis te verstane bewoordingen over mishandelingen door- en het controlerende gedrag van de vader. De inmiddels volwassen zoon heeft zijn ouders tien jaar lang niet gezien. Met die afstand begint hij een zoektocht naar wie ze waren, en dan vooral zijn moeder wil hij kennen. Het tweede hoofdstuk begint met, ‘Ik heb nooit geschreven over mijn moeder.’ Waarna hij op zoek gaat naar die moeder. En hoewel hij weet dat zij degene was die het eten kookte, de afwas deed, de was opvouwde, kan hij haar in die rol niet visualiseren. Wel herinnert hij zich dat haar ene been dunner was dan haar andere ten gevolge van polio. ‘Ze werd gedefinieerd door een ietwat manke tred, (…) als ik haar kuit zag, dat is zeker, ervoer ik iets van smartelijke vertedering.’ Na vele pogingen om zijn moeder in beelden te kunnen vatten, eindigt hij dit hoofdstuk met, ‘Of het wel of niet is gebeurd doet er nu niet toe, dit is het begin van de roman.’

    Hoe de schrijver laveert tussen werkelijkheid en verzonnen versie. Dat hij zijn moeder, de dingen die hij zich niet van haar herinnert, alleen in romanvorm tot leven kan brengen. Wanneer hij als kind met zijn zus en moeder de vakantie doorbrengt bij de ouders van zijn moeder, de vader daar wegblijft, beschrijft hij een moment waarin de moeder een brief ontvangt, zich daarmee terugtrekt op haar kamer. ‘Wat een soort intimiteit is, of tenminste, dat is het gevoel dat opkomt tijdens het schrijven van deze scene.’ Hoe hij zijn moeder zoekt, haar naar zich toe tracht te halen, wat niet lukt. Zoveel kan ik wel zeggen.

    En dat moment, als de zoon zich aan het losmaken is, voor het eerst met kerst niet thuiskomt. Hoe de vader hem via de telefoon toebrult: “Hou je koest! Kop dicht! Koest, hond!”’ Dat die vader opeens als het ‘grote verdriet’ dat de jongen als een hond begeleidde, in dit boek naar buiten breekt. Lees deze boeken. Begin met Het hoogste goed, dan Het boek van de huizen en Het jubileum. Verschillende gradaties van het verhaal over een destructieve familie. Geweldig knap geschreven.

     

     

    Het jubileum / Andrea Bajani / vertaling Manon Smit / Van Oorschot


    Inge Meijer schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

     

     

  • Dolend in de eindtijd

    Dolend in de eindtijd

    Libris Literatuurprijswinnaar (2020, Uit het leven van een hond) Sander Kollaard schreef de kloeke roman Einde Verhaal, die veel dikker en groter qua thema is dan zijn vorige boeken. Van de lezer wordt veel gevraagd. Hij moet zijn aangeboren of ingebouwde ‘reality check’ thuis laten, zoals vaker tegenwoordig want in steeds meer boeken wordt met speculatieve fictie de wereld van nu geduid. Niet per se via een afschrikwekkende dystopie, maar met een beschrijving van een ‘onmogelijke wereld’. Een goed voorbeeld daarvan is het succesvolle Gebied 19 van Esther Gerritsen over een nieuwe, onbekende planeet waarnaar een deel van de mensheid wordt getransporteerd.

    Einde verhaal heeft als hoofdpersoon aartsengel Astoreth die naar de aarde is afgedaald met een missie. Die missie is de strijd aanbinden met God en de Bijbel, hier de Schrijver en zijn Boek genoemd. Astoreth transformeert daarbij geleidelijk tot mens. Het uiteindelijke doel van zijn strijd is het weerleggen van de notie dat dat Verhaal van het Boek de uiteindelijke waarheid en het ultieme verhaal zou zijn. Astoreth noemt dat een ‘narratieve guerilla’. Hij gelooft niet in één, vaststaand Einde Verhaal. Daar moet de wereld voor worden behoed en daarom is de gevallen aartsengel begonnen met het schrijven van zijn eigen verhaal. Hij begint daarmee ‘in de duisternis van een supermarktmagazijn in Eslöv, op die betonnen vloer, tijdens de uren of dagen of weken die ik daar lag’. De kernzin van het boek is: ’Het groeide uit het simpele besef dat geloof een poging is om elk ander verhaal te overstemmen.’ Tegelijk is Astoreth bescheiden over zijn eigen pretenties: ’Ik ben een lezer, geen schrijver, dus het kan zijn dat mijn verhaal klinkt als een valse kraai, maar dat is het punt niet: als het maar klinkt.’

    Prozaïsche tocht

    Kollaard situeert zijn roman in de Eindtijd die net is begonnen en overal in de wereld tot onzekerheid en chaos leidt. Astoreth valt op aarde neer, verliest daarbij zijn vriend Areopatigica, maar wordt min of meer liefdevol opgevangen door een bont gezelschap dat voor de eindtijd op de vlucht is. Van een onder water lopend en verdrinkend Nederland, meer in het bijzonder Amsterdam, vlucht het gezelschap naar het Zweedse platteland, waar Kollaard zelf woont.

    Van die vlucht maakt Astoreth een eigen verhaal over de apocalyps, wat niet dat van het Bijbelboek Openbaringen is, met zijn apocalyptische ruiters en het hemelse Jerusalem met straten van goud. Integendeel, Astoreths verhaal is een nogal prozaïsche tocht vol ontberingen van Nederland naar Zweden, vol spannende avonturen. Vol onwaarschijnlijkheden ook, maar ja wat zijn hier onwaarschijnlijkheden?

    Dus schrik niet van mensen die opstaan uit de dood, van een nogal aparte hond met menselijke eigenschappen en een sprekende zeug. Verwonder je niet over de wonderbaarlijke belevenissen onderweg in het gammele busje dat van Nederland miraculeus in Zweden belandt. Waarom Zweden? Omdat het bonte gezelschap waarin Astoreth terechtkomt bestaat uit een gepensioneerde Zweedse politie-inspecteur, diens zuster en een opstandige dochter: Otto, Greet en Erin. De chauffeur van het busje is een jonge schilder, Gustav, die op zoek is naar zijn in Nederland vermoorde zus, lange afstandszwemster Jonna. Ze wordt gevonden en haar as gaat mee om op het Zweedse platteland te worden verstrooid.

    Rolmodel

    Astoreth zelf muteert onderweg van engel naar mens. Zijn vleugels verdorren, zijn lichaam krijgt vorm, tot en met zijn onderlijf, wat de interesse van dochter Erin opwekt. Alle hoofdpersonen in het verhaal zijn een afzonderlijke combinatie van lichaam en geest. Er zijn enerzijds denkers en tobbers en anderzijds mensen die hun lusten en instincten volgen. Otto is de ratio. ‘Otto’s zucht naar orde had veel van een geloofsartikel, een essentieel principe dat zijn bestaan zin en substantie gaf. Orde betekende leven: een orde van spul dat zichzelf aan de gang houdt, van verandering die behoud betekent, zo lang het duurt natuurlijk.’ En zo heeft iedereen in het groepje mensen (en dieren) dat door de Eindtijd trekt een eigensoortig, soms heel eigenaardig karakter. Astoreth plooit zich daar makkelijk in en vormt voor de groep een interessant rolmodel om zich aan te spiegelen, zeker in de barre tijden van de apocalyps. Tegelijk leert Astoreth veel van de mensen op aarde bij zijn eerste ontmoeting met een voor hem nieuwe soort. De enige die de relatieve vrede in de dolende groep midden in de Eindtijd verstoort is de orthodoxe en ‘true believer’ aartsengel Gabriël. Hij probeert met alle middelen, waaronder opsluiting, Astoreth op het rechte pad van het geloof te houden.

    Het boek draait behalve om de Eindtijd en het al dan niet ene Verhaal om de omgang van de groep zwervende mensen met Astoreth, die zelf ook op zoek is naar wie hij is. Die omgang was niet vanzelfsprekend. ‘Het had me veel moeite gekost om Otto, Greet en Erin ervan te overtuigen wie en wat ik was. Nadat ik ze mijn vleugels had laten zien, meteen al, tijdens de maaltijd met de linzensoep, waren ze weliswaar bereid om te luisteren naar mijn onwaarschijnlijke verhaal, maar niet om het te geloven. Ik kon het ze moeilijk kwalijk nemen: ik beweerde een uit de hemel gevallen engel te zijn, als onderdeel van een grotesk verhaal, en inmiddels in de greep van een proces van menswording dat ook voor mijzelf een raadsel was.’ En dan volgt een cruciale dialoog met de rationele Otto. ‘”Ik wil je best geloven” had Otto gezegd, “maar ik zou geholpen zijn met wat feiten.” Ik deed mijn best. Ik vertelde over de hemel en mijn taken (…) maar hij werd met elk feit onrustiger, logisch natuurlijk want de feiten die ik hem gaf waren meer dan onbegrijpelijk – ze waren onmogelijk.’

    Af van somber doemdenken

    De bijzondere tocht van dit samengeraapte groepje mensen, de ‘extended family’, eindigt in een nog vredig, bijna idyllisch Zweeds dorpje, vredig vergeleken met de desolate gebieden waardoor de reis zich voltrekt, met hier en daar een dode. ‘De zon schijnt. De vensterbanken in de salon staan vol met zaailingen: sla, tomaat, prei, pompoen. De tuindeuren staan open. Ik hoor vogels, het geblaf van Schele en het geluid van de schop waarmee Otto het voor hem bestemde graf dichtgooit – in een hoog tempo als demonstratie van herwonnen vitaliteit.’ En net als wat tijdens de tocht gebeurde voelt Astoreth een aards verlangen naar liefde.

    Zijn verhaal is ten einde en de lezer beseft dat het einde der tijden misschien wel dichtbij is. Gelukkig zijn er losse eindjes. Dit is de eindtijd, maar misschien ook niet. Het eind van het verhaal is niet eenduidig, maar meerduidig. Einde Verhaal is een bijzonder boek, waarvoor je je bril van de ratio en geloof in de waarheid af moet zetten. Misschien is het wat te gecomponeerd, maar het is ook meeslepend geschreven, met bizarre avonturen van menslievende mensen met ruwe kanten. Toch blijven ze een gemeenschap vormen en de aartsengel Astoreth wordt geïnspireerd door die gemeenschap, maar helpt hen ook af van het sombere doemdenken dat bij een bepaalde manier van geloven hoort. Misschien schetst Kollaard wel het paradijs op aarde, daar op het hem bekende Zweedse platteland en wil hij ons de kans geven daarvan mee te genieten. Er is hoop, bedoelt Kollaard, ondanks alle sombere voorspellingen over het einde van de planeet, en hoop doet leven.

     

  • Oogst week 22 – 2025

    Hazenklop

    Hanneke van Eijken (1981) is hoogleraar Rechtsstaat en democratie aan de Universiteit Utrecht. Als dichter publiceerde ze in literaire tijdschriften, waaronder Tirade, Het Liegend Konijn en Deus ex Machina. Ze debuteerde met de bundel Papieren veulens (2013), waar ze de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs mee won. Ook ontving ze de Zeeuwse boekenprijs accolade voor het beste debuut en werd met dezelfde bundel genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. In haar vierde poëziebundel Hazenklop verkent ze in zorgvuldige en beeldende taal de begrippen tijd en ruimte en het deel uitmaken van een kudde.

    ‘Honger

     Iedereen krijgt een klomp klei
     een koude, grijze homp
     op mijn tafel ligt een toekomst
     die zich vermomt

     we modelleren zachte lijnen, warme handen
     een buik die plat is nodig, vruchtbaar
     wanneer gewenst

     aandacht is mooie klei waarvoor ik een hoog cijfer krijg

     hoe klamp ik me vast
     aan wie in mij staat te stampen?

    Hazenklop
    Auteur: Hanneke van Eijken
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Onvolledig alfabet

    Annelie David (1959) is danser, choreograaf, dichter en vertaler Duitse poëzie. Vanaf 2003 verscheen haar werk in verschillende literaire tijdschriften. Haar poëzie werd in 2004 bekroond met de Dunya Poezieprijs. Haar debuutbundel Machandel verscheen in 2013. Voor haar bundel Schokbos (2020) werd ze genomineerd voor de Grote Poezieprijs. De thema’s in Davids poëzie zijn ontheemding, migratie en natuur.

    In Onvolledig alfabet onderzoekt zij in de vorm van prozagedichten vragen over identiteit, familiegeheimen, verlies van plek en taal. Gesitueerd in de intieme wereld van een tuin, van oudsher beschouwt als paradijselijk, ervaart de lezer door de sporen van een verloren taal iets over de gevolgen van gedwongen vertrek, de onvolledigheid van herinneringen en het verlangen naar het onbekende.

    ‘V staat voor

     vluchten afgeleid van vlucht [ontvluchting]. Als kind had ik er geen
     beelden voor. Het woord weerkaatste nooit van de vredige muren, werd bui-
     ten de kamers, het huis, de tuin gehouden die schuilplaats waren, refugium,
     vergeetruimte, plek om te helen, het gemis te dempen onder een deken van
     zwijgen. Vluchten is een naamloze aanwezigheid die schuilgaat in het licht
     van de stille dingen…

     

    Onvolledig alfabet
    Auteur: Annelie David
    Uitgeverij: PoëzieCentrum

    Soms blijft iets

    Froukje van der Ploeg (1974) debuteerde in 2006 met de dichtbundel Kater. Sindsdien publiceerde ze nog drie dichtbundels. Ze ontving de Hollands Maandblad Poëziebeurs en werd genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs. Regelmatig wordt haar werk in literaire tijdschriften en in bloemlezingen gepubliceerd, en treedt ze op festivals op. 

    In haar nieuwe bundel trekt Froukje van der Ploeg lering uit alles wat beklijft. Met humor en zonder schroom onderzoekt ze het ongemak, de verandering en het welbehagen van lichamen, noteert ze de levensverhalen van andere mensen en toont ze hoe een spin die met klompen over de slaapkamermuur loopt grote gevolgen kan hebben. In brieven aan Imke en op weg naar huis, door het park, maakt ze de balans op. Een godin zaait verwarring op aarde, een vrouw kijkt opgerold de tijd weg en huizen doen huizen na.

    Femicide

    Neem altijd de kortste route door het park
    kijk, je ogen wennen aan het donker, zie
    scherp de sterren boven de bomen, de egel
    in de bosjes, slapende mannen zonder dak  

    De maan fietst met je mee, want de dood
    wacht voor jou nooit in dit park
    87 procent van je gevaar woont in huis
    zit op je bank, je vriend of bijna-ex  

    Je vader, broertje, buurman. Zij willen
    bezit van je nemen, weten waar je was
    met wie je sprak, wat je zei, fiets verder
    door vergeten wijken van een stad  

    En leer nieuwe vrouwen kennen
    in je klas, in de kroeg, als je rent
    langs het water en neem soms een man mee
    door het bos, want met jou zijn ze veilig.

     

    Soms blijft iets
    Auteur: Froukje van der Ploeg
    Uitgeverij: Querido
  • Een dystopie die schrikbarend dichtbij komt

    Een dystopie die schrikbarend dichtbij komt

    In De Alpenfederatie voert Gregor Verwijmeren ons naar een toekomst die verontrustend en tegelijk pijnlijk actueel is. De wereld zoals we die kenden is ingestort: het fictieve Newholland is verzwolgen door de zee, sociale structuren zijn weggevallen, en de overgebleven samenleving draait slechts om overleven. Otto, voormalig stadsbotanicus, woont met zijn vrouw Tilly en dochter Sophia in een grauwe flat in het zuiden van het land. De leegte thuis is niet alleen het gevolg van armoede, maar ook van het vertrek van hun zoon Iwan. Hij heeft zich van zijn familie afgekeerd en strijdt samen met andere jongeren tegen de elite, onder het motto ‘Eat the Rich’.

    Wanneer Otto de kans krijgt om te werken in de luxueuze orchideeënkas van een welgesteld echtpaar in de Alpen, ziet hij dit als een ontsnapping uit hun uitzichtloze bestaan. Wat hij echter niet weet, is dat zijn keuze hem en zijn gezin juist in het hart van het conflict plaatst: in hetzelfde gebied bereiden Iwan en zijn medestrijders een aanval voor op de rijke elite die zich daar heeft verschanst.

    Breed scala aan thema’s

    Aanvankelijk lijkt de roman een breed spectrum aan actuele thema’s te behandelen — van klimaatverandering en ecologische rampen tot terrorisme en sociale ongelijkheid. Toch voelt het verhaal nergens fragmentarisch. Verwijmeren opent met de ondergang van Newholland door de stijgende zeespiegel, waarmee de ecologische én humanitaire crisis direct als achtergrond voor de vertelling wordt neergezet. Tegelijk komt de extreme sociale ongelijkheid direct aan de orde, met een kloof tussen rijk en arm die niet meer te overbruggen is. Naarmate de roman vordert, verschuift de focus naar de vraag hoe ver mensen bereid zijn te gaan voor hun idealen, met morele dilemma’s rondom verzet als kernmotief. Door deze thema’s geleidelijk en met precisie te introduceren, schept Verwijmeren een gelaagd verhaal, stilistisch verfijnd en inhoudelijk diepgravend.

    De morele conflicten als kern van het verhaal

    Al is De Alpenfederatie rijk aan thematische lagen, één vraag staat centraal: welke morele keuzes maken we als individu in een wereld die wordt gekenmerkt door groeiende ongelijkheid, ideologische verdeeldheid en ecologische ontwrichting? Zowel in de dialogen als in de innerlijke conflicten van de personages speelt deze ethische worsteling een bepalende rol.

    Uit liefde voor zijn gezin kiest Otto voor een baan bij de elite en belichaamt daarmee de morele compromissen die velen sluiten in een onrechtvaardig systeem. Zijn keuze is geen lafheid, maar het resultaat van een innerlijke strijd tussen verantwoordelijkheid en druk van buitenaf. Verwijmeren laat deze spanning genuanceerd zien en daagt de lezer uit na te denken over diens eigen morele grenzen.

    Sophia vertegenwoordigt de jonge generatie die zich verzet tegen de status quo, maar worstelt met de vraag waar verzet omslaat in destructie. Haar dilemma draait om trouw blijven aan haar morele kompas of zich aansluiten bij een beweging waar ze ook twijfels bij heeft. Haar broer Iwan is geen held, maar een ambigue leider van de opstand. Zijn strijd met de ethiek van geweld en leiderschap onderstreept het centrale thema: dit is geen verhaal over goed of kwaad, maar over hoe systemen mensen dwingen tot onduidelijke keuzes.

    Verwijmeren dwingt je niet om partij te kiezen, maar roept op tot reflectie: hoe verhouden wij ons tot een wereld waarin de spelregels scheefgegroeid zijn — en wat betekent dat voor onze eigen verantwoordelijkheid?

    Satire waar je niet omheen kunt

    Wat op het eerste gezicht welhaast over het hoofd wordt gezien, is de subtiele satire in de roman. Verwijmerens heldere taal is doordrenkt van droge ironie – een stijl die niet luid is, maar onderhuids wringt. Door serieuze beschrijvingen te combineren met eigenaardige details en technocratische nieuwspraak ontstaat een vervreemdend effect dat de absurditeit van de geschetste wereld des te indringender maakt.

    De satire schuilt vooral in het taalgebruik: Verwijmeren ontmaskert met bijtende precisie hoe taal wordt ingezet om controle te verkopen als vooruitgang. Technocratische termen, zogenaamd ambachtelijke producttaal en modewoorden als bodyshaming, zero waste, of het mystificerende colXBri dienen niet om helderheid te bieden, maar om morele en beleidsmatige ideeën aantrekkelijk te verpakken. In werkelijkheid bevorderen ze uitsluiting en gedragsdwang.

    In deze hybride mengtaal — tegelijk commercieel, beleidsmatig en ideologisch — is de auteur zo bedreven dat de roman op momenten hilarisch wordt. Juist doordat de personages haar zelden ter discussie stellen, valt eens te meer op hoe absurd de werkelijkheid is geworden. Verwijmeren overdrijft niet zomaar, maar spiegelt op scherpe wijze het soort taal dat ook in onze wereld steeds normaler wordt gevonden.

    De setting versterkt dit effect. Newholland is de groteske afspiegeling van Nederland: een kunstmatig geconstrueerde natiestaat waarin bureaucratie, identiteitsdenken en nationale symboliek tot in het absurde zijn doorgevoerd. Alles lijkt gecalculeerd, ontworpen, gecontroleerd — een samenleving als maakbaar project. De naam ‘Newholland’ is daarbij een spottende verwijzing; naar de koloniale erfenis, en naar het technocratisch streven naar een vernieuwde, beheersbare nationale identiteit. Verwijmeren toont hoe deze façade hol en gevaarlijk wordt.

    Elk personage een eigen stijl

    ​​Wat De Alpenfederatie in stilistische zin bovendien bijzonder maakt, is de afwisseling in stijl: per hoofdstuk komt de stem en innerlijke wereld van een personage aan bod. Otto’s hoofdstukken ademen een melancholische, poëtische sfeer. Iwans passages zijn rauw en energiek, doorspekt met Engels en activistisch jargon. Sophia’s hoofdstukken zijn introspectiever en filosofischer, met droomachtige beschrijvingen die haar existentiële twijfels voelbaar maken.

    Wanneer de rijke elite aan de beurt is, verandert de toon: afstandelijk, zelfverzekerd, met een abstracte, verheven stijl die de wereld van privileges weerspiegelt. Deze stilistische schakelingen versterken de thematische gelaagdheid van de roman. Ze maken de kloof tussen de verschillende klassen niet alleen zichtbaar in de plot, maar ook voelbaar in de taal zelf. Daardoor slaagt Verwijmeren erin om de psychologische en morele complexiteit van zijn personages verder te verdiepen, en de sociale ongelijkheid in de roman tastbaar te maken.

    De Alpenfederatie is geen roman die geruststelt. Hij biedt geen oplossingen, geen houvast, en zeker geen sluitende moraal. Verwijmeren stelt vragen, niet om ze netjes te beantwoorden, maar om ons eraan te herinneren dat wij ze vaak niet eens meer durven te stellen. Deze roman spoort niet aan tot actie omdat dat ‘moet’, maar houdt ons een spiegel voor. De ware kracht ligt in de confrontatie: durven we te kijken naar wat we zien, en kunnen we nog leven met de keuzes die we maken? In een wereld die zijn eigen ondergang met logica en beleid rechtvaardigt, is dat misschien wel de meest urgente boodschap van allemaal.

     

     

  • Leven in de tussentijd

    Leven in de tussentijd

    De lijst met fictie over ziektes en afwijkingen groeit met de dag. Van Hanna Bervoets (Welkom in het Rijk der zieken) tot Wytske Versteeg (Quarantaine). Ook dichtbundels van bijvoorbeeld Eva Meijer (De grenzen van mijn taal) en een kinderboek als Lennox en de gouden sikkel van Zindzi Zevenbergen behoren daartoe. En tussenvormen die niet in een hokje passen, zoals Kleinzeer van Nadia de Vries, Op een andere planeet kunnen ze me redden van Lieke Marsman en Variaties op aanwezigheid van de al eerder genoemde Eva Meijer.

    Het debuut van Emma Laura Schouten (1994), Nachtschade, gaat over in dit geval een hersenziekte (migraine) én valt niet in een hokje te stoppen, al wordt het op de achterflap als een roman gekarakteriseerd. Zou de thematiek er aanleiding toe geven dat er op veel boeken in dit genre eigenlijk geen eenduidig etiket past? In ieder geval beheerst Schouten, docente Nederlands, verschillende genres: essays, proza en poëzie.

    Haar taalgebruik is vaak poëtisch. Ze heeft het over ‘stilstaande tijd’ en ‘stilleven’. Dat is knap, want een fysieke ervaring als migraine laat zich eerder uitdrukken in (haar eigen) tekeningen – die op enkele plaatsen in het boek staan – dan vangen binnen de grenzen van de taal, om de titel van de bundel van Meijer te parafraseren. Tekeningen van bijvoorbeeld een spiraal of gekartelde halvemanen, vormen van pijn die ook mensen met oogmigraine zien en zullen herkennen.
    Want Schoutens ik-figuur is niet de enige die aan migraine lijdt. De auteur noemt die ziekte naar de naam van de oud-Griekse migrainedemon Antaura en stelt haar voor als levensgezel. De titel van het boek verwijst naar het dieet dat iemand haar aanraadde: geen planten uit de nachtschadefamilie eten. Maar het is ook de nacht, het donker dat bij een aanval een toevlucht biedt. Donker richt geen extra schade aan maar dempt de pijn.

    Op zoek naar Anne Conway

    Andere vrouwelijke denkers en schrijvers met migraine, zoals Hildegard von Bingen, Jane Austen en Virginia Woolf komen door het hele boek terug. Telkens op één pagina per persoon opgesomd. Kijkt de ik of er een lijn in zit waar zij wat aan zou kunnen hebben?
    Het is met name Anne Conway die haar boeit, een zeventiende-eeuwse Engelse filosofe die tegen het cartesiaans dualisme ageerde. In die visie worden lichaam en geest gescheiden van elkaar voorgesteld. Conway schreef al even fragmentarisch of caleidoscopisch als Schouten. De ik, student, wil een scriptie over haar maken en gaat ter voorbereiding daarvan naar Londen, waar Conway is geboren en gestorven. Dat wil zeggen: de ik ‘was niet op zoek naar Anne de filosofe’, ze ‘zocht Anne, de zieke vrouw’.

    Het scriptieonderzoek levert niet direct op wat ze ervan verwachtte. Ondertussen geeft zij Nederlandse les, wat haar steeds beter af gaat en zit of ligt ze de tussentijd van een migraineaanval – die soms twee dagen duurt – uit. De beschrijving ervan doet denken aan wat Sylvia Plath eens benoemde als ‘een zieke, pijnlijke bijna-doodslaap’.
    De ik neemt pakken printpapier uit school mee om er ‘een muur, een iglo, een nest’ om haar bed in haar kamer in een met andere studenten gedeeld huis mee op te trekken. Haar huisgenoten ontdekken het en reageren ronduit vijandig. ‘De sociale afwijzing was vernietigend definitief en zou door mijn hersenen op dezelfde manier verwerkt worden als fysieke pijn’. Die laatste probeert ze te lijf te gaan met de inhoud van ‘blauwe doosjes’. Of met een helm op het hoofd.

    Rafelige breukzones

    Ze verhuist naar een donker souterrain, dient haar ontslag op school in en gaat steeds meer op in ‘Anne de mens, Anne de jonge vrouw (…), haar lelijkheid, haar ongeduld, de hautaine Anne die geloofde dat haar een onrecht werd aangedaan en die weerstand bood aan de verpletterende zinloosheid van zoveel pijn’.
    Bij dat onderzoek laat Schouten haar ik-persoon associatief te werk gaan. Een gedeelte naar aanleiding van een ‘wazige notitie door John Ward, pastoor van Stratford-upon-Avon: “Lady Conway heeft hevige pijn in haar hoofd, haar schedelnaden open”’ wordt gevolgd door een alinea op driekwart van de volgende pagina, over de structuur van de aardkorst met alle naden van dien. ‘Rafelige breukzones als moeizaam geheelde wonden.’
    Toch komt ze niet dichter bij Anne, noch bij alle andere, overleden vrouwen die aan migraine leden. De enige die ze echt kent is haar levensgezel Antaura.

    Nachtschade is een sterk debuut, fragmentarisch en caleidoscopisch in de zoektocht naar vrouwen met migraine. Naar Anne en naar die andere vrouwen, inclusief zijzelf. Dat levert stillevens op met verschillende invalshoeken en lege plekken. Zo heeft de auteur het lijden aan migraine vormgegeven, zoals ook enkele andere auteurs die over ziekte schrijven dat op vergelijkbare wijze deden.
    Hoewel Schouten het zichzelf en de lezer zo niet makkelijk maakte, zou je willen weten hoe het de ik-figuur nu vergaat, nadat ze tot de conclusie is gekomen dat zowel de zoektocht naar Anne, als naar andere lijders aan migraine en naar triggers van jongs af aan (menstruatie, demonen die opduiken, een te zure vrucht, stroboscopisch licht, onweer, storm en sneeuw) weinig hebben opgeleverd. Niet in een boek van of over een zieke vrouw, maar van een getalenteerd schrijfster die over welk onderwerp dan ook schrijft en er vorm en stem aan weet te geven.