• Indringend familieportret blijft nog lang bij

    Indringend familieportret blijft nog lang bij

    Het is een bekend genre in de Duitse literatuur, familiegeschiedenissen waarin schrijvers op zoek gaan naar het oorlogsverleden van broers, vaders en grootvaders. In Mijn broer bijvoorbeeld (herdruk van de in 2004 verschenen versie), onderzoekt schrijver Uwe Timm (1940) de beweegredenen van zijn zestien jaar oudere broer Karl-Heinz om zich vrijwillig aan te melden bij de Waffen-ss. Onvermijdelijk dringt de vraag zich op: was zijn broer, lid van de Totenkopfdivision, ‘goed’ of ‘fout’ en bestaat er wel zo’n scheidslijn?

    Het boek opent met een herinnering. De auteur is een kleuter wanneer hij uit de tuin de keuken binnenkomt en zijn broer ziet staan, waarschijnlijk gekleed in Waffen-ss uniform. Karl-Heinz tilt hem op en voor de jonge Uwe voelt het alsof hij zweeft. Het is de enige herinnering aan een broer die niet veel later, slechts negentien jaar oud, sterft aan het oostfront. Toch is Karl-Heinz gedurende Timms hele jeugd zijn ‘metgezel geweest, afwezig en toch aanwezig, in het verdriet van mijn moeder, in de twijfels van mijn vader, in de vage opmerkingen die mijn ouders tegen elkaar maakten.’ 

    Blauwbaard

    Pas na de dood van Timms ouders en zus – van iedereen die zijn broer heeft gekend – lukt het hem om over zijn broer te schrijven. Ook dan pas durft hij voor het eerst diens oorlogsdagboeken te lezen. Eerdere pogingen de dagboeken uit te lezen deden hem ‘angstig terugdeinzen’, mooi vergeleken met zijn angst als kind om het sprookje van Blauwbaard uit te lezen, bang voor wat die op zijn kerfstok zou hebben. Of dergelijke gruwelijkheden ook voor Karl-Heinz gelden komt Timm niet te weten. Wel zijn er aanwijzingen via cryptische dagboeknotities als: ‘grote luizenjacht’, ’75 m rookt Ivan sigaretten, voer voor mijn MG’ en ‘veel buit!’

    Uwe maakt zich een voorstelling van ‘die Rus, die Ivan’ en in dit soort empathische overpeinzingen zien we een meesterverteller aan het werk. ‘Een jongeman die net een sigaret had opgestoken – zijn eerste trek, het uitblazen, genieten van de rook die voor de volgende trek van de brandende sigaret opstijgt. Waar zal hij aan gedacht hebben? Aan de aflossing, die niet lang meer op zich kon laten wachten? Aan de thee, een stuk brood, aan zijn vriendin, zijn moeder, zijn vader? Een uiteendrijvend wolkje rook in dat met vochtigheid doordrenkte landschap, sneeuwresten, smeltwater in de loopgraaf, het tere groen van de wilgen.’ 

    Met zijn onderzoek probeert Timm te doorgronden wie zijn broer was en hoe hij zich verhield tot zijn taak. Nam hij het moorden op de koop toe, omdat het nou eenmaal bij oorlog hoort? In zijn dagboeken en brieven naar huis maakt Karl-Heinz geen enkele notitie over het leed van de vijand terwijl hij zich wel beklaagt over de Engelse luchtaanvallen op Duitsland: ‘Dat is toch geen oorlog meer, dat is moord op vrouwen en kinderen – en dat is niet humaan.’ Timm staat voor een raadsel. Hoe kon een stille, dromerige, ietwat ziekelijke jongen als zijn broer overgaan tot het plegen van moorden, de vijand niet langer als mens te zien? 

    Autoritaire vadergeneratie

    Schrijven over zijn broer betekent voor Timm ook schrijven over zijn vader, een vindingrijke man met een knappe verschijning die plichtsvervulling en gehoorzaamheid hoog in het vaandel had staan. Een man die veel wist van geschiedenis en lange verhalen kon vertellen. Maar ook een rigide man met wie Uwe als tiener voortdurend in de clinch lag. Hij hekelde de naoorlogse opkomst van Americana en alles wat daarmee gepaard ging: spijkerbroeken, jazz, films, allemaal dingen waar de jonge Uwe zich voor interesseerde. Buitenshuis vierde de cultuur van de overwinnaars weliswaar hoogtij maar binnenshuis, de enige plek waar zijn vader en zijn autoritaire generatiegenoten nog konden commanderen, was die cultuur verboden.

    Toch lukte het Timm zich door de vrijere naoorlogse tijd te bevrijden van het strenge oudergezag. Die luxe had zijn broer niet gehad. ‘Er werd altijd gezegd dat hij (Karl Heinz) zich echt vrijwillig had aangemeld en dat mijn vader geen druk op hem had uitgeoefend. Maar dat was ook niet nodig. Het was niet meer dan een stilzwijgende uitvoering van wat mijn vader in overeenstemming met de samenleving wilde dat hij deed. Ik daarentegen had eigen woorden kunnen vinden, kunnen tegenspreken, kunnen vragen en doorvragen.’

    Timms portret van zijn vader is nietsontziend, toch leest het nergens als een afrekening. Ronduit liefdevol zijn de scènes – soms mooi in de tegenwoordige tijd geschreven – waarin hij zijn vader even tot leven wekt en tegelijk zijn tragiek zichtbaar maakt. Zo zit zijn vader achter de bontnaaimachine die hij na het bombardement op Hamburg uit de puinhopen viste en ‘naait de eekhoornhuiden aan elkaar, strijkt de haartjes opzij, die zo fijn en dun zijn dat er bij het kleinste zuchtje wind grijze schaduwen overheen glijden. Een moeizaam friemelwerkje, waarbij mijn vader steeds weer vloekt omdat er haar tussen de naad is gekomen. (…) Het was de eerste bontmantel die mijn vader in zijn leven maakte.’

    Geen eenduidig antwoord

    Liefdevol zijn ook de portretten van zijn gelijkmoedige, nimmer klagende moeder en zijn grotendeels genegeerde en onfortuinlijke zus wier ‘wensen nauwelijks werden geregistreerd.’ Maar schrijven over zijn familie betekent voor Timm ook schrijven over zichzelf. Want hoe is hij zelf geworden wie hij is? En zou hij hetzelfde hebben gedaan als zijn broer? Zou hij zich ook ‘vrijwillig’ hebben aangemeld om vervolgens op commando te doden? In zijn zoektocht naar antwoorden neemt hij zijn conformistische opvoeding onder de loep. Als de lens van een camera zoomt hij uit en bekijkt zichzelf op afstand, schrijft dan in de derde persoon en probeert zodoende inzicht te krijgen in zijn eigen levensgeschiedenis en vorming. ‘De jongen kan zich niet herinneren ooit door zijn ouders aangemoedigd te zijn om niet te gehoorzamen, ook niet door zijn moeder – je erbuiten houden, voorzichtig zijn, dat wel, maar niet nee zeggen, nooit weigeren, nooit ongehoorzaam zijn.’

    Toch blijft de gesneuvelde broer de rode draad in het verhaal en het is dankzij Timms immense talent als schrijver dat we het zicht op Karl-Heinz nooit kwijtraken; overal lijkt hij aanwezig. In amper 152 bladzijden wordt Timm heen en weer geslingerd tussen zijn broer begrijpen en niet begrijpen, kennen en niet kennen. Het is een constant gissen naar motieven, tasten naar antwoorden, gebeurtenissen bij elkaar puzzelen. Maar een eenduidig antwoord bestaat niet en Timms worsteling met dat feit maakt het verhaal aangrijpend en diep menselijk. 

     

  • Op zoek naar geluk voor de mensheid

    Op zoek naar geluk voor de mensheid

    Over zijn oudere broer die bij de waffen-SS zat en in 1943 omkwam aan het oostfront, schreef Uwe Timm ruim 15 jaar geleden een autobiografische roman. De opkomst van Hitler en de Tweede Wereldoorlog, een tijd die hij alleen als kind meemaakte, houden hem nog altijd sterk bezig. In het nawoord van Icarië komt naar voren dat de schrijver al in 1978 startte met het werk aan dit project. Het lukte hem echter aanvankelijk niet om een goede structuur te vinden. Onderzoek en documentatie gingen ondertussen door en leveren nu een roman op van meer dan 400 pagina’s, waarin Timm de ontwikkeling van de eugenetica en de (Duitse) rassenleer beschrijft.

    Van Utopia naar de gaskamers
    De titel Icarië verwijst naar een op sociaal-utopische leest geschoeide commune, gesticht in de 19eeuw in de VS. Vanuit ideeën over gemeenschappelijkheid en gelijkheid ontwikkeld door de Fransman Étienne Cabet, werd hier een poging ondernomen de menselijke samenleving te verbeteren. Twee personages uit het boek van Timm voelen zich met dit ideaal verwant en leggen begin 20eeuw een bezoek af aan de kolonie. Dit loopt voor beiden echter uit op een teleurstelling. Daardoor raakt de ene, Alfred Ploetz, ervan overtuigd dat er naast de gewenste sociale revolutie ook een biologische revolutie nodig is, in de vorm van rassenhygiëne waarmee het voortbestaan van bepaalde eigenschappen gestimuleerd en die van andere afgeremd wordt. De tweede, Wagner, onderkent direct de gevaren van deze denkrichting:

    Nee, heb ik gezegd, het zijn juist de zwakken die voor verandering zorgen, het zijn de zwakken die de onvolkomenheden kennen, het zijn de zwakken die de hoop belichamen dat de doffe, van kracht en bloed dampende natuur niet in zijn recht staat, het zijn de zwakken – en tegenover dood en ziekte zijn wij allemaal zwak -, zij zijn het die voor ons en voor de andere ongelukkigen het geluk opeisen (…)’.

    Ploetz kan echter niet op andere gedachten worden gebracht door zijn vriend. Hij laat zijn oorspronkelijk links georiënteerde idealen los en klimt al snel op tot een belangrijke geleerde in de jaren 30 in Duitsland. Zijn ideeën over rassenverbetering geven onder meer legitimatie aan het systematisch vermoorden van ‘sociaal ongewensten’ in instellingen en ziekenhuizen. Wagner ondertussen, die als socialist bekend staat, belandt in Dachau en moet na zijn vrijlating jarenlang onderduiken voor de nazi’s.

    Het uur nul
    Deze geschiedenis, sterk op feiten gebaseerd, zit in een merkwaardige compositie gegoten. Het perspectief van de roman ligt bij een Amerikaanse soldaat van Duitse afkomst in het net overwonnen Derde Rijk. Michael Hansen is als officier verbonden aan het snel oprukkende Amerikaanse leger; eigenlijk vinden er alleen nog enkele schermutselingen plaats. Vanwege zijn beheersing van de Duitse taal krijgt hij de opdracht om onderzoek te doen naar de overleden wetenschapper Alfred Ploetz, en wel via de man die hem zo goed kende. Avond aan avond voert Hansen daarom vraaggesprekken met Wagner, wat ook in de vorm van een interview zijn weerslag krijgt in de roman. Wagner vertelt, Hansen stelt vragen. Daarnaast is er een alwetend perspectief van waaruit beschreven wordt wat de Amerikaanse officier meemaakt in het land dat zojuist een catastrofale oorlog verloor. En tenslotte komen er fragmenten voorbij in dagboekstijl, waarin Hansen zijn persoonlijke ervaringen noteert. Vooral deze laatste passages maken de tekst onnodig warrig en overtuigen ook stilistisch niet.

    De compositie van het boek is erop gericht zoveel mogelijk informatie kwijt te kunnen over het onderwerp waar Uwe Timm zich jaren in verdiept heeft. Icarië voelt daardoor aan als non-fictie in romanvorm. Dit komt de stof die behandeld wordt ten goede: in een mum van tijd neem je kennis van de ontwikkeling van de nationaalsocialistische rassenleer, waarvan de wortels bijna honderd jaar teruggaan. Voor het romanelement pakt dit minder goed uit. Nog los van de gekunstelde en rommelige structuur is Icarië in dit opzicht vrij zouteloos; de weergave van het kapotgeschoten Duitsland kent geen verrassingen. Zo valt meermaals te lezen dat er bijna geen volwassen mannen in het straatbeeld opduiken. De wederwaardigheden van Michael Hansen, inclusief diverse plichtmatige avontuurtjes, komen binnen dat fletse decor maar niet tot leven. Ook qua stijl kan Uwe Timm weinig bijzonders brengen, op misschien de opening van het boek na.

    Schuivende belangen
    Overigens verliest de Amerikaanse legerleiding vrij snel zijn belangstelling voor het onderzoek waar ze Hansen mee belastten. Het is zelfs nog sterker, want tegen het einde verschuift het vijandsbeeld alweer van de nazi’s naar de communisten, en is het de oude Wagner die als gevaar wordt gezien in plaats van Ploetz en diens denkbeelden. Degenen die onder het bewind van Hitler floreerden, claimen opnieuw hun rechten. Deze pijnlijke verandering vindt op allerlei fronten plaats, zonder dat het van commentaar wordt voorzien. Dit is fraai gedaan.

    Icarië kan dus onderhoudend en informatief worden genoemd, maar de literaire vorm die Uwe Timm gekozen heeft is vooral een kapstok om zijn uitgebreide bronnenonderzoek aan op te hangen. Daarmee is dit niet de grote roman geworden over rassenwaan en Stunde Null die vooral de Duitse pers ervan heeft willen maken.

  • Oogst week 44

    De dochter van Crusoe

    Deze week een vertaalde roman uit 1985 van Jane Gardam, poëzie van Karel Wasch, een kerstverhaal zonder woorden van Frank Flöthmann en een roman van de Duitse schrijver Uwe Timm.

    Jane Gardam (1928) publiceerde meer dan dertig boeken waaronder romans, verhalen en kinderboeken. Ze is de enige auteur in Engeland die twee keer met de Whitbread/Costa Award werd bekroond. Toch maakten wij in Nederland pas in 2017 kennis met haar door de uitgave van de Old Filth-trilogie bij uitgeverij Cossee die direct een groot succes werd.
    De roman De dochter van Crusoë uit 1985 werd onlangs vertaald. Het boek is deels gebaseerd op Gardam’s eigen jeugd en die van haar moeder in het Yorkshire van begin vorige eeuw.
    De zesjarige Polly Flint wordt bij twee vrome tantes achtergelaten in een huis aan de Engelse kust. Met om zich heen niets anders dan de duinen en een uitgestrekt landschap leest Polly zich de dagen door. Daarbij ontwikkelt ze een grote verwantschap met Robinson Crusoë: zij leeft immers net als Crusoë eenzaam en verlaten aan de kust en ze zijn beiden de held van hun eigen verhaal. De beschrijvingen van het leven van Polly strekt zich uit over acht decennia. Ze ontmoet de liefde en de overzichtelijke Victoriaanse eeuw maakt plaats voor de grote veranderingen van de twintigste eeuw. We worden meegenomen in de veranderingen in het leven van Polly en hoe het huis aan de Engelse kust omsloten wordt door woonwijken en autowegen.

    En ja, het is zoals de schrijver Ian McEwan al zei: ‘Jane Gardams boeken behoren tot de grote schatten van de Engelse literatuur.’

    De dochter van Crusoe
    Auteur: Jane Gardam
    Uitgeverij: Cossee, Uitgeverij

    Icarië

    In het werk van Uwe Timm (1940) spelen autobiografische apsecten en het verleden van Duitsland een grote rol. Zijn boek Mijn broer bijvoorbeeld (2003) gaat over zijn zestien jaar oudere broer die bij de Waffen-SS diende en in 1943 in Oekraïne is gestorven. Het werd door NRC Handelsblad geselecteerd als een van de beste boeken van 2003. In eigen land ontving hij dit jaar de prestigieuze Schiller-Preis voor zijn hele oeuvre.

    Ook in Icarië dat zich afspeelt in het Duitsland van 1945, verweeft hij feiten met fictie. De oorlog is verloren en geallieerde troepen rukken op langs verwoeste steden. De Amerikaanse officier Michael Hansen krijgt opdracht van de geheime dienst uit te zoeken welke rol de vooraanstaande rassenhygiënicus dr. Alfred Ploetz heeft gespeeld in het Derde Rijk. Hansen verricht zijn werk vanuit een geconfisqueerde villa, legt beslag op een luxe cabriolet en wordt verliefd op de jonge Duitse weduwe Molly.
    Uwe Timm wilde al meer dan veertig jaar over dr. Alfred Ploetz – die de grootvader van Timm’s vrouw is en van grote invloed was op de rassenleer van de nazi’s – schrijven. Nu het zich eindelijk liet schrijven is het evenals Mijn broer bijvoorbeeld, een zeer persoonlijk werk geworden waarvoor hij een indrukwekkende hoeveelheid research pleegde.

    Icarië
    Auteur: Uwe Timm
    Uitgeverij: Podium

    Het geluid van denken

    Dichter, biograaf, columnist en essayist, Karel Wasch, publiceert voor het eerst een gedichtenbundel bij uitgeverij In de Knipscheer. Zijn gedichten gaan over liefde en schuld, en indringende thema’s als een tragische vriendschap, een zieke moeder, katholieke rituelen als een processie en spanningen in een gezin. In deze bundel neemt de dichter de lezer mee op een odyssee door zijn leven, maakt hem deelgenoot van zijn ontheemding, de turbulenties in zijn geest. Volgens de uitgever is Het geluid van denken ‘een bundel voor de poëzieliefhebber, persoonlijk, gedurfd en buiten de gebaande paden van de mediawerkelijkheid.’
    En kan gelezen worden als een poëtische autobiografie ‘waarbij de lezer als een blinde een beeld aftast, voelt wat het voorstelt en er zo zijn eigen betekenis aan geeft.’

    Het geluid van denken
    Auteur: Karel Wasch
    Uitgeverij: In de Knipscheer

    Stille nacht

    De tekenaar Frank Flöthmann maakte al eerder van traditionele vertellingen een getekende versie; zonder tekst. Daarbij is het steeds weer verbazend hoeveel informatie Flöthmann kwijt kan in enkele simpele beelden.
    Zo hertekende hij verhalen van Shakespeare, maar ook maakte hij een animatiefilm over het Kindeke Jezus waarbij de enige woorden gebruikt worden voor de inleiding die aldus luiden: ‘Er zijn verhalen die zo groot zijn, dat ze geen woorden nodig hebben’.

    Zo heeft hij nu ook het kerstverhaal met tekeningen vertaald naar deze tijd. Waarin vragen naar voren komen als: ‘Wat geef je een kind dat de hele wereld in zijn hand houdt? En als dat kind de zoon van God is maar niet wil slapen, houdt zijn stiefvader dan ook nog van hem? En is het wel verantwoord van de Drie Wijzen om een klein kind zo veel geschenken te geven?’ Een kerstverhaal met humor en liefde voor detail en zonder woorden: dat prikkelt de verbeelding.

    Er wordt gezegd dat zijn boek over het kerstverhaal behoort tot de hoogtepunten van de stille strips.

    Stille nacht
    Auteur: Frank Flöthmann
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Bezoek voor een eenzame vogelwachter

    Bezoek voor een eenzame vogelwachter

    De macht van begeerte (2013) van de Duitse schrijver Uwe Timm (1940) is het verhaal van Christian Eschenbach die terugblikt op zijn leven en relaties. Hij werkt op het Duitse waddeneiland Scharhörn als vogelwachter in een beschermd natuurgebied. Zijn dagelijkse werkzaamheden bestaan uit het observeren en tellen van broed- en trekvogels en bijhouden van wat er zoal dagelijks aanspoelt op het strand. Ondertussen werkt hij voor een enquêtebureau aan een onderzoek over begeren. Het werk bestaat uit het rangschikken en becommentariëren van interviews die hij vijf jaar geleden heeft afgenomen voor een reisboekenuitgeverij. Hij vat ze samen in een notitie met als titel ‘Over de merkwaardige, langdurige, hardnekkige hartstocht van een vrouw’. En hij is bezig met een essay over Jona(s) en de walvis. In de resterende tijd verdiept hij zich in Falling Man, een roman van Don DeLillo uit 2007 over de aanslag op de Twin Towers en in Het leven der dieren van Alfred Brehm.

    Dan krijgt hij een telefoontje van Anna die hem op zijn eiland wil komen bezoeken. ‘Het was zes jaar geleden dat hij haar stem voor het laatst had gehoord:  Alsjeblieft, bel me niet meer. Ik wil en kan niet meer. Begrijp je. Voorgoed. Dat was haar boodschap op zijn voicemail geweest’

    Een man alleen op een eiland in een observatiehut. Eschenbach praat met zijn geesten uit het verleden, zowel vrienden als vijanden. Zo leren we zijn achtergrond en de mensen uit zijn leven kennen. Zijn echtgenote Bea en dochter Sabrina, zijn latere vriendin Selma, Anna, haar man Ewald en hun twee kinderen. Langzaam ontstaat een beeld van de gebeurtenissen van de afgelopen zes jaar. Hoe Eschenbach na zijn studie theologie een succesvolle ondernemer in de ICT wordt en uiteindelijk alles verliest. Hoe de twee vriendenparen elkaar ontmoeten en beter leren kennen. Eschenbach en zijn vriendin Selma, een sieradenontwerpster, die Hopi-armbanden (na)maakt. En het andere paar, Anna, de kunst- en talendocente met haar Ewald, de architect met zijn grote bouwprojecten in China. Eschenbach en Anna voelen zich tot elkaar aangetrokken, wat resulteert in een ‘tastend, verbazend samenzijn, vervuld van twijfels.’ Na drie maanden kan Anna niet meer tegen de leugens en ze wil een punt zetten achter de stiekeme relatie. Maar elke poging om uit elkaar te gaan was weer een nieuw begin. ‘We mogen elkaar niet meer zien’, zei ze. Anna wil kiezen voor haar huwelijk, voor duurzaamheid van gevoelens.

    Begeren en begeerte komen volop aan bod in deze roman. Gedachten en dialogen zijn verweven met de interviews die Christian aan het uitwerken is en met de paringsrituelen in de vogelwereld, uit Het leven der dieren. Volgens Eschenbach is  ‘de herinnering  /../ een schatkist. Soms doe ik hem open en rommel ik er wat in’. .  Liefde houdt in dat je afstand doet van dingen – begeerte niet. ‘Dat is de macht van begeren, het kan geen afstand doen’.

    Het boek werkt toe naar het al op de eerste bladzijde aangekondigde bezoek van Anna. De vaart van het boek wordt af en toe afgeremd door zijpaadjes, oppervlakkige beschouwingen over de besluitvorming bij aanbestedingen van bouwprojecten in China, stereotypen over datingsites op internet, het bankwezen, en dochter Sabrina die met miljoenen schuift. De verwijzingen naar literair werk van o.a. Gide en Shakespeare voegen niet echt iets toe. De passages over Jonas en de walvis sluiten aan op de theologiestudie van Eschenbach. Mooi is de beschrijving van een scène uit de film  La Peau douce van Truffaut. Zijn vriendin Selma waardeert het dat de seks in die film niet expliciet is, alleen maar gesuggereerd wordt door een shot voor de gesloten deur van een hotelkamer: een poes zet ’s morgens zijn poten op het dienblad en likt van de melk en honing.

    De beschrijvingen van het waddeneiland, de zandduinen, de zee en de vogels zijn niet echt verrassend:  krijsende meeuwen, wuivend helmgras, afgewisseld door een rake beschrijving van een oude bol waar vissers hun netten aan vastmaken: ‘het donkere blauw van de glazen bol was voor de helft grijswit uitgeslagen, op de blauwe helft ware dunne groen-bruine streepjes alg aangekoekt.’

    In het laatste hoofdstuk krijgen alle puzzelstukjes op ingenieuze wijze hun plaats. Duidelijk wordt waarom Anna na zes jaar haar vroegere minnaar opzoekt. De lezer leert Anna het beste kennen, de vogelwachter blijft op afstand, hij wordt ook niet met zijn voornaam aangeduid, maar met Eschenbach. Hij blijft de informatie analyticus, ook op het gebied van liefde en lust.

    De oorspronkelijke titel van het boek is Vogelweide. Anna zegt bij het laatste samenzijn tegen Eschenbach: ‘Volgens mij voel je je hier heel erg thuis – op je vogelweide’.  Voor de Duitse lezer zal Vogelweide en de naam Eschenbach waarschijnlijk de associatie oproepen met de middeleeuwse minnezanger Walther von der Vogelweide. In het boek wordt hiermee gespeeld als een bijfiguur aan Eschenbach vraagt of hij verwant is met de Eschenbach uit de middeleeuwen. ‘Nee, Helaas niet.’
    De Nederlandse titel is misschien minder aansprekend, maar lezers moeten zich daardoor vooral niet laten afschrikken. Gerrit Bussink maakte voor Uitgeverij Podium een vlotte vertaling.

     

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Boeiende verwerking van de nazi-tijd aan de hand van het tragische leven van een van de eerste Duitse vliegeniersters

    Marga Von Etzdorf was ten tijde van de opkomst van de nazi’s in Duitsland een van de eerste vliegeniersters. Ze werd geboren in 1907 en leefde maar kort. In 1933 schoot ze zichzelf dood in Syrië na een mislukte landing tijdens een tussenstop op weg naar Australië. Daarvoor had ze ook al brokken gemaakt. Dat was echter niet de reden om zich het leven te benemen. Ze was vooral teleurgesteld over een geëindigde romance met de Duitse vliegenier Christian von Dalhem, die ze ontmoette nadat ze in Japan was geland. Ze ging met hem mee naar een huis van een vriend, die echter maar één logeerkamer had. Dalhem stond zijn slaapruimte af aan Marga en legde zich te ruste achter een kamerscherm. Ze praatten gedurende de nacht veel over hun passie, het vliegen, maar Dalhem liet haar uiteindelijk in de steek.

    De gebutste sigarettenkoker van Dalhem neemt een belangrijke plaats in het boek in. Het voorwerp ketste een kogel af tijdens een gevecht in de lucht. Later geeft hij hem als aandenken aan Marga en tenslotte komt hij in handen van de beheerder van het Invalidenfriedhof in Berlijn waar Marga als enige vrouw temidden van allemaal mannen ligt.

    Wat vooral opvalt aan het boek is de vorm. De verteller is iemand uit 1940 die veel ballast over de oorlog meedraagt en als de alter ego van de schrijver mag worden beschouwd. Op zoek naar het graf van Marga treft hij een grijze man, de beheerder, die hem een en ander vertelt over de aanwezige doden, veelal militairen. Gedurende het bezoek van de verteller klinken er telkens stemmen op van overledenen die het met elkaar oneens zijn over wat er werkelijk is gebeurd in de oorlog, die de vliegavonturen becommentariëren en zich afvragen of Marga lesbisch was. Soms is het ook niet duidelijk wie er aan het woord is in de flarden van stemmen en meningen.

    Een van de belangrijkste stemmen komt van Miller, een toneelspeler die het naziregime onwelgevallig was. Nadat hij de hoge nazi Heydrich beledigde werd hij naar Rusland gestuurd om aan het front de Duitse soldaten te vermaken. Hij heeft Dalhem en Marga persoonlijk gekend en zegt dat Marga veranderd was na de nacht met Dalhem. Andere stemmen komen van Udet, een kunstvlieger en een zuipschuit, van een schrijver die zich niet bekend wil maken en van een ongenaakbare vrouw die zwanger was gemaakt door Miller en die naar diens vrouw ging om te ontdekken dat zijn echtgenote zelf ook zwanger was.

    Het boek begint raadselachtig met een scène waarin een bebaarde man op een buffel zit. Later blijkt het te gaan om de tekening op het kamerscherm dat tussen Marga en Dalhem in staat, waarop Confusius staat afgebeeld die wijsheid verspreidt. ‘De luchtig met Oost-Indische inkt getekende dennen, bergen, paden en lichte wolken laten zien dat het in onszelf is hoe de dingen eruit zien.’

    Dit citaat sluit aan bij de titel van het boek. Ergens halverwege zegt de grijze man tegen de verteller:
    ‘Wie vroeger heeft gepraat, blijft praten, wie niets heeft gezegd, blijft zwijgen, en wie niets te zeggen had, heeft ook later niets te zeggen. Het is gewoon een kwestie van herhaling. Geen veranderingen meer, alles vast en eender. Als een bliksem herhaalt het zich. De twijfels, de verlangens, de fouten. Hier valt niets te corrigeren. In het licht is beweging. Het ervoor, het erna, het nu, de keuzemogelijkheid. Hier is alles willekeurig. We kunnen de dingen tot op zekere hoogte uitkiezen, er misschien een beetje licht in brengen, een halfschaduw, een schemering. Niets is helemaal duidelijk. Zodra we ons over het gebeurde buigen, werpen we er onze schaduw op. U weet hoe vertekend die kan zijn.’

    ‘Zo zou het gegaan kunnen zijn,’ zegt de grijze man aan het eind van het boek geheel in lijn met zijn eerdere betoog . Daarmee moet de lezer het doen. Timm, die veel research heeft verricht en zich terdege heeft gedocumenteerd, is geen plottist en dat hoeft ook niet. De onbetrouwbaarheid van Dalhem en de tragische zelfmoord van deze jonge vrouw in een donkere tijd blijven sterk bij.

    Op Literair Nederland verscheen eerder een recensie over Halfschaduw door Margo Zuidema.

    Halfschaduw

    Auteur: Uwe Timm
    Vertaald door: Gerrit Bussink
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Prijs: € 19,50

  • ‘Alles is ver weg, er ligt zoveel zand op.’

    ‘Alles is ver weg, er ligt zoveel zand op.’

     

    Op het ‘Invalidenfriedhof’, één van de oudste begraafplaatsen in Berlijn, liggen veel Pruisische militairen begraven; er liggen mensen die gedood hebben en mensen die gedood zijn. Weinigen zijn een natuurlijke dood gestorven. Er liggen veel generaals, admiraals, kolonels, majoors en bekende jachtvliegers. En tussen al deze graven bevindt zich het graf van een vrouw, het graf van Marga von Etsdorf, één van de eerste vliegeniersters van Duitsland. Op haar grafsteen, een zwerfkei, staat de tekst: Vliegen is het leven waard.

    ‘Ja,’ zegt de ik, ‘zij is de reden waarom ik hier ben. Ik dacht eerst dat ze was neergestort, maar las dat ze zich na een crash in Syrië, in Aleppo, had doodgeschoten. Dat wekte mijn nieuwsgierigheid.’ De verteller in de roman Halfschaduw wordt rondgeleid over de begraafplaats door een man van vijftig die vertelt over degenen die er begraven liggen. Deze gids heeft tijdgenoten van Marga gesproken en bezit nog een sigarettenetui van haar met de inscriptie M v E en Ch v D.

    Het gesprek tussen de verteller en de gids wordt regelmatig verstoord door stemmen:

    ‘Wat is dat voor gefluister? …

    Jigadal wejitkadasj sjemee raba…’

    ‘Alles is ver weg, er ligt zoveel zand op.’

    ‘Daar heb je hem weer. Wat mompelt hij?

    Koud. Koud.’

    ‘En dat daar, dat geschreeuw, dat gepraat van die hoge stem, ademloos, hijgend, vrijwel onverstaanbaar? Wat hijgt hij?’

    Het zijn de doden die zich met het gesprek gaan bemoeien. De gids vertelt de verteller, en de lezer, van wie de stemmen zijn die opklinken uit de graven.

    Uwe Timm heeft zich voor zijn roman Halfschaduw gebaseerd op documenten uit het leven van Marga von Etzendorf. Zij is de eerste Duitse vrouw die solo van Berlijn naar Japan vloog. In de roman lopen fictie en werkelijkheid door elkaar en laat de schrijver een liefdesgeschiedenis opbloeien tussen de vliegenierster en een Duitse consul. In het verhaal wordt Marga na haar solovlucht in Japan als een held onthaald. Onder de wachtenden op het vliegveld is Christian von Dalhem, de Duitse consul. Omdat alle hotels volgeboekt zijn, biedt Von Dalhem Marga aan dat zij op zijn kamer mag overnachten; hij zal op de gang gaan liggen. Maar dat wil Marga niet en ze besluiten de kamer door middel van een gordijn te splitsen. Von Dalhem vertelt dat hij in de oorlog jachtvlieger geweest is. In het halfdonker praten ze over de vliegerij en delen ze herinneringen. In die nacht wordt Marga iemand anders. Ze hebben wel bij elkaar maar niet met elkaar geslapen, maar het is duidelijk dat zij bepaalde gevoelens voor hem heeft, zij meer voor hem dan hij voor haar.

    Von Dalhem is gaan vliegen om de loopgraven te ontvluchten; hij is nu consul met een speciale missie in Japan en net teruggekeerd uit China van een geheime missie. Marga is van jongs af aan geïnteresseerd in vliegen en ziet haar vluchten als een daad om de mensen over zee een hart onder de riem te steken na de vernedering van Duitsland en het schandalige verdrag van Versailles. Marga beschouwt zichzelf als ambassadeur van het vreedzame Duitsland. Voor Von Dalhem is vliegen geen propaganda, maar een vorm van snel bewegen.

    Marga vliegt driemaal naar andere continenten: naar Afrika, naar Azië en naar Australië. In Syrië maakt zij een fout: zij landt met rugwind. Het toestel raakt zwaar beschadigd. Zij wordt opgevangen door Franse militairen en naar hun officiershuis gebracht. Daar verstuurt ze eerst een telegram en gaat daarna naar haar kamer. Even later horen de Fransen twee schoten: Marga von Etzdorf heeft met een machinepistool een eind aan haar leven gemaakt.

    Het liefdesverhaal is maar een deel van de roman. Het verhaal van de ontmoetingsnacht van Marga en Von Dalhem wordt afgewisseld met herinneringen van de overledenen aan Marga, maar zij vertellen ook verhalen over de Duitse oorlogsgeschiedenis. Af en toe is er een kakofonie van stemmen die spreken en is het niet duidelijk wie wat zegt. Maar dat is niet storend. Met de gespreksflarden van overleden nazi-grootheden en hun slachtoffers heeft de schrijver een unieke manier gevonden om de gruwelen van het fascisme weer te geven. Uwe Timm heeft met Halfschaduw een bijzondere roman toegevoegd aan zijn indrukwekkende oeuvre.

    Uwe Timm werd in 1940 in Hamburg geboren. Hij studeerde filosofie en germanistiek. Met de roman De ontdekking van de curryworst brak Timm internationaal door. Zowel in De ontdekking van de curryworst als in het succesvolle Mijn broer bijvoorbeeld werpt Timm een nieuw licht op het Naziregime van Duitsland. Uwe Timm wordt in Duitsland als een van de belangrijkste schrijvers van zijn generatie beschouwd.

    Halfschaduw

    Auteur: Uwe Timm
    Vertaald door: Gerrit Bussink
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Prijs: € 19,50

  • De deserteur loopt op sokken

    De deserteur loopt op sokken

    Lena Brücker uit Hamburg is volgens de verteller de ontdekker van de curryworst. Hij kent mevrouw Brücker uit zijn kinderjaren en bezoekt de inmiddels blinde en bejaarde vrouw in het verzorgingstehuis omdat hij wil weten hoe zij tot de ontdekking kwam. Het is een lang verhaal, dat Lena wel wil vertellen onder de voorwaarde dat de verteller voor taart zorgt. In zeven middagen met koffie en taart vertelt zij het verhaal over de oorlog, liefde en curryworst….
    Eind april 1945

    Lena (40) staat In de rij voor de bioscoop en ontmoet daar de 16 jaar jongere marinesoldaat Hermann Bremer. Na de film gaat hij met haar mee naar huis en de volgende ochtend besluit hij bij Lena te blijven. (Hij moet als marineman zich melden bij een anti-tankeenheid en weet dat hij dat vrijwel zeker niet overleeft.) Als deserteur loopt hij het risico doodgeschoten te worden dus kan hij zich niet op straat vertonen. Op zijn sokken loopt hij door het huis zodat ook de buren niet merken dat er iemand is.
    Lena gaat gewoon naar haar werk en geniet van Herman’s aanwezigheid. Hij maakt dat zij het ouder worden kan vergeten.
    Maar dan kapituleert Duitsland en Hitler pleegt zelfmoord. Dit zou betekenen dat Herman weggaat en Lena besluit hem nog even niet te vertellen dat de oorlog afgelopen is. Wel vertelt ze over de foto’s van de concentratiekampen, wat Bremer niet gelooft. Ze vertelt over de Engelsen die in Hamburg zijn waardoor Herman denkt dat Duitsland samen met Engeland tegen Rusland verder zal vechten…
    Natuurlijk komt Bremer het op een dag te weten en hij verdwijnt in het pak van Lena’s man. Zijn marinekleding heeft hij bij haar achtergelaten met daarop een ruitersinsigne. Deze insigne zal nog een grote rol spelen in de ontdekking van de curryworst.

    Lena vertelt het verhaal in haar tempo en laat zich niet opjutten. Het is een markante vrouw die ondanks haar vergevordere leeftijd nog zeer aanwezig is. Het is ook een bijzonder verhaal omdat vanuit Duitse kant over de oorlog wordt verteld. Over het verraad maar ook de saamhorigheid. Lena zelf vind de oorlog vreselijk en wil ook van Herman geen verhalen horen. Zij heeft het druk met zorgen voor voedsel en is daar erg vindingrijk in. Lena wordt als persoon zeer beeldend neergezet.
    De curryworst speelt eigenlijk nauwelijks een rol in het verhaal maar het geeft een leuke aanleiding om Lena haar verhaal te kunnen laten vertellen