• Taal en literatuur als bijdragen aan zelfkennis

    Taal en literatuur als bijdragen aan zelfkennis

    Taal en literatuur als bijdragen aan zelfkennis

    Waarom schreef de Ier Samuel Beckett zijn Wachten op Godot in het Frans? En waarom de Rus Vladimir Nabokov zijn Lolita en Bleek Vuur in het Engels? Peter Bieri noemt Beckett en Nabokov als voorbeelden van schrijvers die een bewuste keuze maakten voor een andere taal dan hun moedertaal omdat ze daarin hun identiteit beter konden verwoorden.

    Voor Bieri is taal de belangrijkste component voor onze geestelijke ontwikkeling naar zelfkennis. Taal is ‘de sleutel tot alles’, ‘het fundamentele vermogen dat ons tot cultuurwezens maakt.’

    Die taal maken we ons eigen in vijf fases. In de eerste nemen we onze moedertaal in ons op als we leren praten. In de tweede worden we ons bewust van de grammatica, de woordenschat en welk woord het meest past bij wat we willen zeggen. De derde fase geeft ons het historische inzicht dat onze moedertaal verbonden is met een bepaald wereldbeeld dat we ons daarmee hebben toegeëigend. Daar kunnen we vraagtekens bij stellen zodra we een andere taal leren en merken dat andere volkeren een ander wereldbeeld en een andere culturele identiteit hebben. Dat is de vierde fase. Tenslotte kunnen we in de vijfde en laatste fase kiezen uit de alternatieven. De meesten blijven trouw aan hun moedertaal, maar mensen als Nabokov en Beckett (maar ook Brodsky en Conrad) maakten de overstap.

    Peter Bieri is voor de meeste lezers bekender onder zijn pseudoniem Pascal Mercier als schrijver van het veel geprezen Nachttrein naar Lissabon, Perlmanns zwijgen en De pianostemmer. Onder zijn eigen naam publiceert hij zijn filosofische werk, waarvan in 2006 in Nederlandse vertaling Het handwerk van de vrijheid uitkwam over de ontdekking van de eigen wil. Onlangs verscheen het veel compactere Hoe willen wij leven?, een bundeling van drie met elkaar samenhangende lezingen die hij in 2011 in Graz gaf.

    Grondtoon van de lezingen is hoe we zelfstandig kunnen leven, ons eigen leven kunnen regiseren, en tegelijk respect kunnen hebben voor andermans opvattingen en andere culturen. Van groot belang daarvoor is zelfkennis. Die doen we op door kritisch te reflecteren op onszelf, op onze gedragingen, onze gevoelens, onze stemmingen, maar ook door ons open te stellen voor alternatieven die er zijn. Die alternatieven pikken we op door contact met andere talen (zie hiervoor) en andere denkwijzen – ook binnen onze eigen cultuur. Daarvoor is literatuur ‘een machtige bondgenoot’.

    Het is enorm leerzaam om zelf te schrijven (ook al publiceer je niet) en romans van anderen te lezen: ‘Literatuur is kunstzinnige weergave van ervaring in taal.’ Wie schrijft maakt zich zijn eigen taal opnieuw eigen en ontdekt welke woorden en ritmes het best bij zijn eigen identiteit passen. Hij maakt zich bovendien van onbewuste zaken bewust.

    Het schrijven van een verzonnen verhaal, zo zou je kunnen zeggen, schept laboratoriumomstandigheden om met het middel van dramatische aanscherping een buitengewoon fel en helder licht op een deel van je onoverzichtelijke binnenwereld te werpen. [Het is niet] ‘paradoxaal als iemand om zichzelf te begrijpen een ander, een vreemde, verzint.’

    Het thema dat je tot onderwerp neemt, je vertelperspectief, je stijl, je woordkeuze: ze leren je allemaal iets over jezelf.

    Zo is ook het lezen van literatuur belangrijk. Het stimuleert onze fantasie, leert ons ons te verplaatsen in opvattingen en motieven van anderen en maakt ons ervan bewust dat er alternatieven zijn voor ons eigen handelen, willen en voelen. Dat stelt ons voor keuzes. Als we daarmee actief om kunnen springen draagt dat opnieuw bij aan onze zelfbeschikking.

    Zelden zal het aandeel vraagtekens op het totaal van de tekens in een boek zo groot zijn geweest als in Hoe willen wij leven? Inderdaad: het begint al met de titel van de bundeling. Maar ook elke lezing begint met een vraag. En in de teksten zelf legt Bieri zijn toehoorders / lezers voortdurend dilemma’s voor.

    Is ? het meest opvallende leesteken, het werkwoord dat Bieri het meest gebruikt, zou wel eens ‘leren’ kunnen zijn. Dat valt zelfs in de literatuurverwijzingen op, waarin de schrijver bijna voortdurend wendingen gebruikt als ‘…heb ik het meest geleerd van’, gevolgd door een schrijver of boek.

    Het is kenmerkend voor een bijzonder kernachtig en helder boekje dat je er vooral toe aanzet dóór te denken.

    Hoe willen wij leven?

    Auteur: Peter Bieri
    Vertaling: Marijke Koekoek
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek (2012)
    Aantal pagina’s: 94
    Prijs: € 15,90

  • Ambitieuze maar lichtvoetige ‘kunstroman’

    Ambitieuze maar lichtvoetige ‘kunstroman’

    Joy is een uitermate eigentijds literair werk, inclusief felrealistische scènes, straattaal, postmoderne montagetrucks en downloadbare soundtrack. Maar hij gaat over kunst, schoonheid en onvergankelijkheid en ruikt naar de 19e eeuw: Rodin, De Nerval, Baudelaire en Brussel. In zijn debuut weet Patrick Bassant uit die uiteenlopende ingrediënten een spannende en prikkelende cocktail te shaken.

    Joy begint met een motto van de 19e-eeuwse romanticus-zelfmoordenaar Gérard de Nerval: ‘Ik jaag achter een beeld aan, verder niets’. Maar daarna wordt de lezer de jaren ’80 van de 20e eeuw in gesleurd. Joy wordt geboren als ongewenst kind van lamzakkige ouders in een tijd vol doemdenken en neutronenbommen. De muziek van Joy Division geeft de stemming goed weer (ergens valt de naam van zanger-zelfmoordenaar Ian Curtis). Een lichtpunt in Joys eenzame bestaan is haar 5e verjaardag. Dan mag ze – ‘een meisje met kippenvel, spookogen en een glimmende onderbroek’- de hoofdrol spelen in een videoclip. De hele dag moet ze dramatisch over het strand hollen met een in zwart geklede band op de achtergrond en dreinmuziek in haar oren. De regisseur vindt haar een engel en een schoonheid, en vanaf dat moment komt het nooit meer helemaal goed.

    Sufgeblowde rasta
    Joy vereenzaamt in een huis met afwezige ouders. Haar spiegelbeeld is haar enige vriendin. Pa en ma sterven in hun auto op de bodem van een Turks ravijn, waarna ze verder wordt opgevoed door goedbedoelende machteloze grootouders. Ze pubert, spreekt de taal van de straat en heeft exhibitionistische neigingen: ‘Nee lauwe bobbel, je gaat me echt niet aanraken! Je mag me checken en met je bana spelen.’ Dat werk. De situatie wordt onhoudbaar als ze de sneue partnerruil-avondjes van opa en oma versjteert door de hond Viagra te voeren. Dakloos zwerft ze naar Brussel waar ze eindigt als levend standbeeld op de Grote Markt, getraind en gecoacht door Hoeka, een sufgeblowde Vlaamse rasta uit de jeugdherberg.

    Nee, dan de naamloze ik-figuur annex verteller. Hoofdpersoon, zeg maar. Die wordt als enig en zeer gewenst kind vertroeteld door zijn ouders, gaat studeren en wordt interim manager voor het geld. Op zijn twintigste krijgt hij een hartstilstand. ‘De dokter met reisfolderkop sneed mij lek, zaagde mij open, naaide mij dicht en verdween om een belangwekkend artikel te schrijven voor een medisch tijdschrift.’ In de hartkamer had hij een klein versteend embryo aangetroffen. Hoofdpersoon voelt een leegte in zijn hart, ‘alsof er een deel van mezelf was weggehaald.’

    Zacht glanzend brons
    In een museum in Lissabon wordt hij diep geraakt door een beeld van Auguste Rodin. Officieel ‘Het bronzen tijdperk´ (L’age d’arrain), maar de oorspronkelijke naam ‘De verslagene’ geeft beter weer waar het om gaat. Een beeldschone jongeling, wanhopig grijpend naar zijn gewonde hoofd, in licht getourmenteerde houding waardoor zijn fysieke verschijning optimaal uitkomt, in zacht glanzend brons. De volmaakte mix van vergankelijke kwetsbaarheid en onaantastbare schoonheid. Zo levensecht dat Rodin er van werd verdacht afgietsels van echte mensen te hebben gemaakt – daar zou geen kunst aan zijn. Hoe dan ook: in de ik-figuur is een passie ontbrand. Hij reist de wereld af op zoek naar andere kopieën – tot in het New Yorkse WTC toe… Langzaam rijpt in zijn van kunst en cultuur doortrokken brein het plan om Rodins beeld onherstelbaar te verbeteren. Vrouwelijker, meer naar het leven, dichter bij de dood, de ultieme vereeuwiging. Hij gaat op jacht naar een vrouw en maakt zich de ambachten eigen die nodig zijn voor de beeldvorming: bronsgieter (van origineel in klei tot beeld van brons) en preparateur (van rottend kadaver tot tijdsbestendig origineel). Hij verhuist naar Brussel – waar Rodin ooit woonde en Joy nu voor standbeeld speelt, en … Nee, ik zal de afloop niet weggeven.

    Mythe en beeldvorming
    Joy gaat over deze tijd, maar het gaat vooral over beelden en betekenis. Voer voor discussie is waarom de hoofdfiguur over het interpretatieproces praat als over gamen, als in videogames. Zie hoofdstuk Vampire Hunter 3.0. … ‘Ik was de uitdaging aangegaan met L´age d´arrain […] Het beeld is zo realistisch, naakt, gewond, politiek, trots en wulps dat het zo goed als onmogelijk is een van al deze interpretaties te verwerpen. Ik bleef steken op level 4, ik zag geen uitgang, geen magische sleutel.’ Interpretatie als videogame, als first person shooter, het is een idee, maar wel een tikkie gekunsteld. De kunstmatigheid werkt ook door in de structuur van het boek. Joy begint als fel realistische zedenschets, maar er zijn ook hoofdstukken met zorgvuldige uitleg over het gieten van bronzen beelden, de ontwikkelingsgang van Rodin, het villen en opzetten van katten en bespiegelingen over kunst – zoals we al zagen. Die worden dan weer doorsneden door vier delen ‘Memoires van een standbeeld’, over hoe het voelt om in regen en wind te staan, wat je ziet en hoe er naar je wordt gekeken, of je wel eens geil of ongelukkig bent – als standbeeld zijnde. Later wordt duidelijk waar die passages vandaan komen….

    Literaire constructie
    Joy is beslist niet de eerste roman over leven en kunst, beeld en authenticiteit. De Griekse beeldhouwer Pygmalion werd verliefd op zijn eigen beeld van de onbezoedelde Galatea en verzocht de goden het tot leven te wekken. Die mythe werd door Bernard Shaw omgewerkt tot een toneelstuk dat weer de basis vormde voor de musical My fair lady. Andere link: Oscar Wilde schreef het sprookje De gelukkige prins, over een standbeeld met een rijk gevoelsleven, dat bittere tranen schreit om het leed in de wereld. Enzovoorts. Rond het midden van het boek zijn twee beeldgedichten opgenomen die in hun opvallende vorm – vermoedelijk – de Spaanse trappen verbeelden. Het is een portret-als-opsomming van Rome, het andere een lijst van alle verblijfplaatsen van de kopieën van het bewuste beeld van Rodin. En dan is er ook nog een heuse ‘soundtrack’ van KOLBAK, die je kunt beluisteren via internet. Kortom: meer dan een ‘vlot verteld verhaal’, een literaire constructie die het kunstmatige van de beeldvorming verbeeldt. Geen middel wordt onbenut gelaten om duidelijk te maken dat het hier gaat om de kunst en niet om de natuur.

    Een dodo op zoek naar een ei
    Het is niet gering, allemaal, maar toch is Joy geen feilloos debuut: Soms wil je minder de gedachten lezen en meer de beweegredenen navoelen van de hoofdpersonen. Bassant is niet zo van de zielenroerselen; zelfs ontroering wordt afstandelijk geformuleerd. Over Rome: ‘Alsof ik in een fontein van Bernini zat en de stad zijn schoonheid uit de bek van een dolfijn over me heen spoog. Dan is een doekje gemaakt van cynisme niet voldoende om je af te drogen.’ Iets teveel ‘alsof’ dus. ‘Alsof’ maakt ruimte voor beeldspraak, maar creëert afstand tot wat woelt van binnen. En soms zijn de kunsthistorische beschouwinkjes wel wat erg vlot geparafraseerde collegedictaten, aangelengd met studentikoze diepzinnigheid. Veel wordt vergoed door de stilistische scherpte en rake oneliners. Hoofdpersoon loopt door New York ‘als een dodo op zoek naar een ei’ en zegt van zichzelf: ‘In mijn vrije tijd ontplooi ik me zo graag dat ik me iedere maandag weer moet opvouwen.’ Schijnbaar moeiteloos bouwt Bassant met literaire middelen een brug van laag-bij-de-gronds leven naar hooggestemd sterven. Alles voor de kunst en weg met de natuur. Indrukwekkend.

     

  • Almachtig, maar niet alwetend

    Almachtig, maar niet alwetend

     

    ‘In den beginne was alles…’

    De eerste zin van Vader van God maakt het meteen duidelijk. Dit boek gaat over God en de Bijbel, maar dan net iets anders dan we gewend zijn.

    God woont ergens daarboven en is druk met scheppen, terwijl zijn huishoudster wat om hem heen scharrelt met een stofdoek. Samen werpen ze een blik in Gods terrarium. ‘Dat met die Kelten wordt volgens mij niets…’ meent de huishoudster. En natuurlijk krijgt ze gelijk. Hoe hoopvol hij telkens ook weer is, vaak leidt zijn schepping nergens toe. Hij schept, creëert en worstelt. ‘Tot diep in de avond van die zo hoopvol begonnen dag zat God over zijn schepping gebogen en zag met lede ogen waartoe de vrije wil kon leiden: een saga van hartstochtelijk familietwisten, incest en verraad, van zingende helden die met bronzen zwaarden op aarden ringwallen stonden of hun eigen paleizen in brand staken met al hun gasten erin.’ Het is duidelijk: God is wel Almachtig, maar zeker niet Alwetend als het om de mensheid gaat. Hij klungelt maar wat aan en eigenlijk bakt hij er niet zoveel van. En begrijpen doet hij zijn schepping al helemaal niet.

    Na een zoveelste teleurstelling valt God oververmoeid in een diepe slaap. Hij slaapt lang, heel lang en Bartje de huishoudster maakt zich een beetje zorgen. Er meldt zich een bezoeker, Mozes, en Bartje is onder de indruk van zijn verschijning. Zij laat hem bij Gods lessenaar en daar leest hij de chaotische stapels notities die God voor de heilige boeken van de mensheid heeft gemaakt. Vol bewondering leest hij de aantekeningen over Gods schepping. Bartjes herinneringen zijn echter heel anders: ‘Hij was altijd al goed met de pen…’, mompelt ze.

    Als Mozes weer vertrokken is, ontwaakt God eindelijk uit zijn lange slaap. Hij ontdekt dat Mozes zijn aantekeningen heeft gestolen en begrijpt nu dat hij zijn schepping los moet laten. Hij schept dan wel alles, maar kan desondanks niet alles beheersen. Maar loslaten is makkelijker gezegd dan gedaan.  ‘Allengs begon God geroezemoes te onderscheiden: de stemmen van een mensheid die Hij aan haar lot overgelaten had, drongen steeds duidelijker tot hem door, en met dezelfde nieuwsgierigheid waarmee men volgt wat een voormalige geliefde met zijn of haar leven doet, bleef God luisteren.’ God besluit vermomd als herder naar de aarde te gaan. ‘Uiteindelijk besloot Hij hun een nieuwe kans te geven, zij het als een naijverige en toornige God die geen misstap zou dulden.’

    Gods verblijf op de aarde is geen succes. Na veel gedoe dat uiteindelijk leidt tot de vernietiging van Jericho keert hij ontgoocheld terug naar boven en bedenkt spijtig dat hij ook een bloementuin van de schepping had kunnen maken. Hij heeft helemaal genoeg van de mensheid en besluit nogmaals zich nergens meer mee te bemoeien, maar dan slaat de verveling toe. Hij legt zich toe op de training van vredesduiven en herleest de Bijbel. Het concept van de Verlosser dat hij er in beschreef, biedt kansen realiseert hij zich. Wat als hij nu eens zelf als Messias ten tonele verschijnt? Een mooie kans om de mens te leren begrijpen en dan heeft hij meteen de vader naar wie hij zo verlangt.

    Op dit punt verschuift het verhaal naar de aarde, naar Jozef, die zijn zoon tracht te behoeden voor zijn noodlot. Jozef lijdt en de engel Gabriël brengt hem vele therapeutische bezoekjes. Dit leidt tot jaloezie bij de andere engelen. Erg sympathiek is Gods engelenschare trouwens niet.

    ‘Er viel een traan op Jozefs gebruinde hand, en Gabriël had moeite zijn verveling te verbergen.’

    Erg veel steun heeft hij niet aan de engel en Jozef kan maar één oplossing bedenken: Jezus mag geen Messias worden. Hij mag zich in niets onderscheiden en moet onopgemerkt leven. Daarvoor moet hij aan het alziende oog van God onttrokken worden. Hij ziet maar een uitweg: hij slaat met Jezus op de vlucht. Niet erg gunstig voor Gabriëls imago: hij vreest de annalen in te gaan ‘als de weke therapeut die Jozef een proefverlof toestond.’

    Met Vader van God heeft Martin Michael Driessen, regisseur en vertaler, een origineel boek geschreven. Enerzijds is het een humoristisch, maar toch respectvol bijbelcommentaar, anderzijds is het een pakkende roman over vaders en zonen. Gods verlangen naar een vader en Jozefs drang om zijn zoon te redden vullen elkaar mooi aan. De stijl is mooi en warm en overtuigt, ondanks (of juist dankzij?) de vele anachronismen. Zo verlangt de huishoudster naar mooie winkelstraten en een nieuw servies, terwijl het nog niet eens in God opgekomen is om die te scheppen. Verwonderd vraagt hij zich dan ook af waarom zijn huishoudster vaak meer lijkt te weten hijzelf. De rol van Jozef is ontroerend en Driessen slaagt er zelfs in om God als een geloofwaardig personage neer te zetten, met wensen en verlangens, teleurstelling en onhandigheden. Maar uiteindelijk is de glansrol  voor de huishoudster!

     

  • Lezen met voorkennis

    Lezen met voorkennis

    In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw was de Duitser Lion Feuchtwanger (1884 – 1958) een grote naam in de literaire wereld. In zijn eigen land kwam hij echter steeds meer onder druk te staan. Toen zijn roman Succes in 1930 verscheen, weigerden sommige Duitse boekhandels het te verkopen en vertegenwoordigers van de uitgeverijen werden soms hardhandig de deur uit gewerkt. Met Succes was de joodse Feuchtwanger op de nationaalsocialistische tenen van de Duitsers gaan staan, en dat werd hem niet bepaald in dank afgenomen.

    In 1931 schreef de krant van Hitlers NSDAP, de Völkischer Beobachter een recensie over de roman en sloot deze af met het dreigement dat de auteur hiermee zijn toekomstige emigrantenpas rijkelijk verdiend had. Twee jaar later, in 1933, werd dit dreigement uitgevoerd. Hitler greep de macht en op de allereerste lijst van ongewenste personen die het naziregime opstelde, stond Feuchtwangers naam.

    Door een gelukkig toeval bevond Feuchtwanger zich op dat moment niet in Duitsland maar in de Verenigde Staten waar hij aan een lange lezingentournee bezig was. Toen Hitler de macht greep werd het hem duidelijk dat hij niet meer terug kon.

    Net als in Duitsland verscheen Succes in Nederland in 1930. De dichter Anthony Donker (pseudoniem van Nico Donkersloot) had de meer dan 600 bladzijden razendsnel vertaald en literatuurkenners als Menno ter Braak, Hendrik Marsman en Victor E. van Vriesland schreven er over.

    Ter Braak vond, kort gezegd, de roman stom vervelend. Zijn vriend E. du Perron deelde die mening en noemde Succes in een brief ‘een dom, dik boek’. De dichter Hendrik Marsman vond het lezen zelfs een kwelling en kwam niet verder dan de helft. Van Vriesland daarentegen was laaiend enthousiast. Volgens hem gaf het boek een prachtig tijdsbeeld weer.

    Succes is nu opnieuw uitgegeven in de oorspronkelijke, wat opgepoetste vertaling van Anthony Donker. Het is interessant om 82 jaar na de eerste verschijning te kijken waarom de nazi’s zo boos waren op dit boek en in hoeverre Ter Braak, Du Perron en Marsman gelijk hadden in hun kritiek. Had Lion Feuchtwanger echt zo’n slechte roman geschreven, of lezen wij dit boek tegenwoordig heel anders dan de critici in 1930? Het laatste is zonder meer het geval. De nazi’s waren boos geworden op de inhoud van de roman, Ter Braak, Du Perron en Marsman stoorde zich vooral aan de vorm.

    In zijn essay Het Schrijverspalet, dat men kan waarderen zonder het er mee eens te zijn, rekent Ter Braak keihard af met Feuchtwanger. Ter Braak had een uitgesproken afkeer van beschrijvingen in de literatuur en hij vergeleek Feuchtwangers stijl met die van een filmregisseur – en dat was niet complimenteus bedoeld. Ter Braak hekelde de onpersoonlijke, documentaire stijl die Feuchtwanger in Succes hanteerde: ‘Zou het iemand schokken, als men hoorde, dat drievierde van Erfolg door Feuchtwanger’s generalen staf in het bijkantoor was vervaardigd?’

    Ook Marsman bekritiseerde uitsluitend de vorm van de roman en liet de inhoud onbesproken. Dat is merkwaardig omdat juist de politieke inhoud van Succes zo opmerkelijk is. De nazi’s in Duitsland maakten zich niet voor niets kwaad over dit boek. Een gegeven waarvan het drietal Ter Braak, Du Perron en Marsman in 1930 de relevantie nog niet inzagen. Weinig mensen hadden duidelijk geen idee wat deze roman hen over de te komen jaren probeerde duidelijk te maken.

    Succes is een sleutelroman (alleen van Vriesland merkte dat op)  waarin onder meer de opkomst van Hitlers NSDAP en zijn mislukte poging tot een staatsgreep in 1924 versleuteld beschreven worden. Tegelijkertijd is Succes ook een historische roman over een periode in de geschiedenis van Beieren die, op het moment dat het boek verscheen, nog maar zes jaar oud was. Feuchtwanger stopt de roman vol met weetjes die voor lezers uit 1930 overbekend en zelfs vervelend zullen zijn geweest, maar nu overkomen als fraaie, historische details.

    Het boek begint met het verhaal van de kunsthistoricus en conservator Martin Krüger die door het Beierse gerecht wordt veroordeeld voor meineed en daarvoor drie jaar onschuldig vast komt te zitten. De ware reden voor zijn veroordeling is een door hem georganiseerde schilderijententoonstelling die de politieke elite in het verkeerde keelgat is geschoten. Krüger wordt gezien als iemand die de moraal ondermijnt, een subversieve geest die monddood moet worden gemaakt. Hij is een slachtoffer van een onverdraagzaam, politiek systeem.

    Krüger is echter niet de hoofdpersoon van de roman. Feuchtwanger beschrijft in korte hoofdstukken de gebeurtenissen vanuit het gezichtspunt van een aantal personen, van wie er niet één de hoofdrol opeist. Het gebrek aan een echte hoofdpersoon heeft als nadeel dat er weinig is na te voelen en de roman doet zeker in het begin daarom wat zielloos aan. Maar het is Feuchtwanger duidelijk te doen om het weergeven van een tijdsbeeld en het volgen van personen wordt daaraan ondergeschikt gemaakt.

    Het proces van Krüger en zijn uiteindelijke veroordeling geeft een uitermate zwart beeld van de Beierse justitie tijdens de Weimarrepubliek. Krüger wordt met een valse getuigenis veroordeeld voor een zaak die niets te maken heeft met de door hem tentoongestelde schilderijen. Het vonnis staat van te voren vast, de rechters zijn allesbehalve onafhankelijk en het is de Beierse minister van Justitie die achter de veroordeling van Krüger zit.

    Krüger verdwijnt na zijn veroordeling gaandeweg wat meer naar de achtergrond om meer ruimte te maken voor een aantal personen uit de Münchense rechtspraak, politiek en cultuur. Het onrecht dat Krüger is aangedaan lijkt ook wat te verbleken wanneer het politieke klimaat in München duidelijk verhardt en de straffeloosheid toeneemt.

    Een aantal van Feuchtwangers personages komt in de ban van een zekere Rupert Kutzner en zijn beweging van de Nieuwe Duitsers. Het is niet moeilijk om in Kutzner Adolf Hitler en in zijn beweging de NSDAP te herkennen en de moderne lezer weet dan ook wat komen gaat. De Ware Duitsers gebruiken geweld en antisemitisme als politiek middel en schrikken ook niet terug voor het vermoorden van politieke tegenstanders.

    Krügers lot blijft echter toch de rode draad in de roman. Ondanks het groeiend aantal misdaden van de Ware Duitsers en de sfeer van straffeloosheid blijft Feuchtwanger stilstaan bij het onrecht van een enkeling. Ieder mens telt, zo luidt de eenvoudige boodschap.

    Kutzners Ware Duitsers zorgen ervoor dat de spanningen in de tweede helft van de roman enorm oplopen. Tegelijkertijd wakkert de enorme hyperinflatie de onrust nog eens verder aan. Beiden ontwikkelingen komen samen tot een bijna rampzalig hoogtepunt dat ook de plot van de roman vormt. De dollar wordt miljarden mark waard en Kutzner doet in een bierhal een greep naar de macht. Maar aan beiden crises wordt het hoofd geboden. Kutzners staatsgreep mislukt en de hyperinflatie verdwijnt door maatregelen uit Berlijn als sneeuw voor de zon.

    Er is weinig door Feuchtwanger bedacht als het om deze twee crises gaat. Hitlers staatsgreep in de Bürgerbräukeller in 1924 mislukte, en de genoemde wisselkoersen komen rechtstreeks uit de krant van die tijd. Een aantal figuren die een rol speelt in Kutzners couppoging is dan ook te herleiden tot historische personen. Gustav von Kahr, de Beierse politicus die grote sympathie had voor Hitler maar desondanks diens staatsgreep deed mislukken, wordt in de roman Franz Flaucher genoemd. De fictieve generaal Vesemann is te herleiden tot de destijds zeer bekende Generaal Ludendorff.

    Behalve rond Kutzner/Hitler zijn er in de roman nog andere personen van wie het aardig is de sleutel te kennen. Krügers vriend Kaspar Pröckl lijkt bijvoorbeeld sterk op Berthold Brecht, Feuchtwangers vriend en collega. En de figuur Balthasar Hierl is gebaseerd op de komiek, schrijver en regisseur Karl Valentin.

    Ook een aantal kleinere gebeurtenissen in de roman vertonen grote overeenkomsten met historische feiten. De moord op het dienstmeisje Amalie Sandhuber, in de roman straffeloos gepleegd door de Ware Duitsers, is gebaseerd op de dood van Maria Sandmayer. En één van de schilderijen die Krüger tentoonstelt en hem zo veel problemen brengt, doet sterk denken aan een kruisbeeld van Ludwig Gies, dat voor de opkomst van de nazi’s al tot woedende reacties aanleiding gaf.

    Helaas bevat de nieuwe uitgave van Succes uitsluitend de tekst van de roman. Er is geen inleiding, geen nawoord of index en wie meer wil weten over de sleutels in deze roman, zal het internet op moeten. Dat is een gemiste kans want er valt veel te zeggen over Succes.

    Met de stijl van Feuchtwanger valt het overigens reuze mee. Langdradig saai wordt de roman nergens, al had het hier en daar best wat korter gekund. In de eerste honderd bladzijden worden weliswaar veel personages geïntroduceerd, maar Feuchtwanger verdient een compliment voor het voorkomen van verwarring; de roman blijft erg overzichtelijk.

    Ter Braak heeft trouwens wel een punt wanneer hij wijst op het, volgens hem ergerlijk gebruik van bijvoeglijke naamwoorden, die vaak in twee- of drietallen voorkomen. Inderdaad kom je af en toe een lelijke zin tegen als: ‘De mooie, zinnelijke vrouw sprak, met diepe, rustige stem in de nacht.’  Maar zo slecht geschreven als Ter Braak wil doen geloven is deze roman allerminst.

    Het is verleidelijk om naar aanleiding van Succes te beweren dat men in 1930 had kunnen weten dat Hitlers een groot gevaar voor de wereldvrede zou worden. Maar zo eenvoudig ligt het toch niet. Aan de motieven van Hitler hoefde weliswaar niemand na het lezen van Succes nog te twijfelen maar Feuchtwanger eindigt zijn roman opmerkelijk genoeg erg hoopvol. Nadat de gevaren van Kutzners staatsgreep en hyperinflatie zijn geweken beginnen de verschillende hoofdpersonen voorzichtig te bouwen aan een betere toekomst. Alsof de nazi’s hun enige kans op de macht hadden laten mislukken en hun ‘beste’ tijd gehad hadden. Die hoop doet na 82 jaar bijna pijnlijk naïef aan en bevestigt tegelijkertijd het idee dat we met kennis van de geschiedenis heel anders lezen.

  • Omweg of aanloop?

    Omweg of aanloop?

    Poëziecriticus en dichter Hans Groenewegen is met zorg en vlijt de dichtkunst toegewijd. Niet alleen laat hij van tijd tot tijd scheppend werk van eigen hand verschijnen, maar tussendoor bundelt hij ook zijn poëziebeschouwingen.

    Onlangs verscheen een fikse bundeling van 33 in lengte sterk wisselende maar alle in klein lettertype afgedrukte essays over gedichten en hun dichters, Met schrijven zin verzamelen. Over poëzie in de Lage Landen. Een deel is eerder, al dan niet in andere vorm, gepubliceerd in literaire tijdschriften, een deel is geheel nieuw. Het zijn essays in de ware betekenis van het woord: probeersels, pogingen vat te krijgen op het onderwerp, in casu: de Nederlandstalige poëzie. Nu is Groenewegen in de wereld van de poëziebeschouwing niet de eerste de beste. De flaptekst heeft het over ‘meer dan een kwarteeuw’ dat Groenewegen reeds op het aambeeld van de Nederlandstalige dichtkunst hamert. Hij gaat daarbij de gedichten niet volgens een standaardmethode te lijf. Geen ingesleten leesgewoonten. In plaats daarvan pleit hij voor het memoriseren van de gedichten. Het uit het hoofd leren zou namelijk het lek boven water kunnen halen, omdat die versregels of woordcombinaties welke zich moeilijk in het geheugen laten griffen, een mogelijkheid bieden het vers binnen te dringen. Maar dan heb je nog slechts een beginnetje. Een lange weg moet vervolgens worden bewandeld om het hele vers af te leggen. ‘Blader niet los lezend en snel oordelend door poëzie’, houdt hij zijn lezer vermanend voor. Poëzie lezen is dan ook een oefening in geduld. Eerdere lezingen zullen niet zelden moeten worden hernomen, stellingen verlaten, verwachtingen opgegeven. Eerst op een striptease van vooringenomen standpunten kan een aarzelend aankleden volgen van nieuw gelegde verbanden en associaties. En lang niet altijd zal het gedicht in kwestie in een passend kostuum van adequate uitleg en interpretatie kunnen worden gehesen. Dat zou ook niet des Groenewegens zijn. Hij wenst de gedichten genoeg weidegrond te geven opdat ze niet verstikken in de wetenschappelijke megastallen, waar het gelijk van de poëzieprofessor meer telt dan het welzijn van het vers. Groenewegen heeft dus goede papieren. Maar levert hij daarmee een goede essaybundel af?

    Wat voor Groenewegen pleit is dat hij bepaald niet de krenten uit de pap selecteert voor zijn beschouwingen. Niet uitsluitend dichters met een A-status. Maar hij verantwoordt zijn eigen keuze helaas niet. Het heeft er de schijn van dat hij een willekeurige greep heeft gedaan uit het Nederlandse en Vlaamse poëzieaanbod van de afgelopen, pakweg, 15 jaar. Met een diepgravend essay over Karel van de Woestijne als welkome vreemde eend in de bijt. De enige behandelde dichter die langer dood is dan dat hij heeft geleefd. Wie Groenewegens essays gelezen heeft kan niet zeggen dat hij de hoogste toppen van de poëzie uit de Lage Landen heeft bestegen. Eerder trekt een legertje dichters voorbij van wie men alle namen niet zal kunnen onthouden en bij een enkeling daarvan valt dat zelfs weinig te betreuren. Want lang niet alle gedichten die de revue passeren zijn in gelijke mate de moeite waard. Naast de mindere goden is ook een stelletje zwaargewichten present, onder wie Leonard Nolens, Dirk van Bastelaare, Benno Barnard, Charles Ducal, Gwy Mandelinck, Peter Verhelst en Kees Ouwens. Maar Groenewegen pretendeert niets met zijn keuze en dat valt eigenlijk toch te betreuren. Op een kwaliteitsoordeel van deze essayist wacht men hier dan ook vergeefs. Wie aan deze bundeling begint met de hoop een abc van-hoe-de-hedendaagse-poëzie-te-lijf-te-gaan aangereikt te krijgen, zoals Paul Rodenko destijds de moderne lezer in zijn Goed-Wonenstoel de Vijftigers liet begrijpen, komt bedrogen uit. Dat is Groenewegen zijn goed recht, maar heeft toch ook de lezer geen recht op een verantwoording van de hier gepresenteerde gedichten? Vond Groenewegen ze representatief voor het een of ander? Mooier, sprekender, overtuigender dan andere? Het blijft gissen. Een ander aspect waarin Groenewegen dan wel de Wereldbibliotheek zijn lezers niet tegemoet komt is de keuze om met eindnoten de dwangmatige notenkrakers onder hen tot wanhoop te drijven. Wanneer komt Brussel eens met een verbod op eindnoten? Gebruik toch de marge onderaan de pagina voor die dingen. Of plaats ze desnoods direct achter het essay, maar nooit meer op een hoop geveegd achterin het boek…

    Een vraag diende zich gaande het boek aan: welke lezer heeft de auteur op het oog gehad? Ten behoeve van wie is het geschreven? De toon is niet licht te noemen. Eerder eentje die past bij iemand die zich nauwgezet tot de poëzie bepaalt, maar het academische jargon buiten de deur houdt. Groenewegen haalt intussen wel een en ander overhoop: Van de dichters die niet zelf hoofdonderwerp van handeling zijn kom je God, Lucebert, Kouwenaar en Rimbaud het vaakst tegen, maar ook Karl Marx, Walter Benjamin, John Stuart Mill, Maurice Merleau-Ponty draven langs. Maar ze dienen niet louter als schoudervulling voor ’s mans wijsheid, want daarvoor heeft Groenewegen zich te goed de wijsheid van het als motto gekozen citaat van Canetti ter harte genomen: ‘Der Größenwahn des Interpreten: er fühlt sich um seine Interpretation reicher als das Werk.’

    Zeker is wel dat zijn lezers over een stevige maag moeten beschikken en zich niet door dichtbedrukte pagina’s uitleg over poëzie uit het veld moeten laten slaan. En niet moeten geeuwen bij passages als deze: ‘De consequentie van de dialogische instelling is dat Nolens zich in zijn poëzie bij voortduring op ‘de buitenwereld’ richt. Hoewel met het begrip ‘bres’ een nieuwe subjectiviteit in zijn oeuvre  aan het woord komt – een wankel ‘wij’ waarover in een ander verband veel te zeggen is – is de ethische vraag naar aard en kwaliteit van de verhouding tussen ‘ik’ met zijn private (binnen)wereld en de ander daarbuiten voortdurend aan de orde.’ Heel soms ontstond er met het lezen van Met schrijven zin verzamelen iets van tegenzin tegen verder lezen. In zulke gevallen leken de gedichten makkelijker te volgen dan Groenewegens exposé daarover. En dat kon toch niet de bedoeling zijn. Dat zijn uitleggingen tussen de lezer en de gedichten gingen staan. Een interpretatie moet een aanloop tot het gedicht tonen en geen omweg.

    Maar zijn uitgebreide beschouwingen over Ouwens, Van de Woestijne, Nolens, Gerbrandy en het meer polemisch getoonzette eerste betoog Een gedicht een ketting losse noten, mogen er stuk voor stuk zijn. In laatstgenoemde essay klinkt ook meer van Groenewegen zelf door, deelt hij hier en daar een stootje uit aan deze of gene en komt zowaar iets van humor om de hoek in een zin als: ‘Zo verloopt het bij alle andere auteurs, alsof die allemaal lid zijn van een verzetsgroep tegen close reading.’ Misschien mist dat het meest in deze bundel: persoonlijke toon, beetje venijn en ietwat humor.

    Het zal duidelijk zijn dat dit naar een eindoordeel van enerzijds/anderzijds tendeert. Met die tweeslachtigheid waarin het boek je achterlaat blijf je enigszins in je maag te zitten, want liever steek je onvoorwaardelijk de loftrompet over Groenewegens pogingen om in deze tijden niet zuinig voor de dag te komen met zijn onvermoeibare toewijding aan de dichterij. Wie zendt er anders nog een essay van 14 pagina’s over wijlen Kees Ouwens de wereld in?

    Toch bleef er na lezing vaak te weinig hangen van zijn betoog. Wel weet hij je ervan te overtuigen hoezeer uit de door Rimbaud gedane uitspraak dat het fout is ‘om te zeggen “ik denk”. Het zou moeten zijn; “Men denkt mij”’ de consequenties zijn getrokken door menig dichter, tot in onze tijd toe. In een nieuw boek van Groenewegen zou hij zijn persoonlijke verhouding tot de poëzie wat scherper mogen laten uitkomen. Iets van zijn neutraliteit inruilen voor partijdigheid. Graag een boek waarin hij ronduit gaat zeggen wat hij mooi vindt aan de gekozen gedichten en waarom, als het even kan. Eenvoudigweg een gedicht van a tot z doorlopen is één ding, maar lezers attenderen op de verbluffende schoonheid van een enkele regel kan ook het aandeel poëzie in onze 2.0 cultuur in waarde doen stijgen. Dat zulks hard nodig is iets waarover Groenewegen niet de minste twijfel laat bestaan. Zijn inzet verdient dan ook veel sympathie.

     

  • Flat characters in een roman vol verrassingen

    Flat characters in een roman vol verrassingen

     

    Is het mogelijk om volkomen onbevangen een boek te lezen? Wel een mooi idee, dat je een willekeurig boek in de bibliotheek leent en je mening zuiver en alleen vormt op basis van de tekst. Talloze auteurs zouden op die manier heel wat meer tot hun recht komen; marketing zou niet uitmaken, laat staan recensies, literaire prijzen, de reputatie van de schrijver, etc. Maar de literatuurwetenschap heeft dit idee reeds lang verlaten: een lezer is nóóit onbevangen. De kaft is van belang, de winkel waarin je het boek koopt, de persoon van wie je het boek cadeau krijgt, het lettertype en de lettergrootte, een eventuele opmerking van een kennis, de taal, de titel, de flaptekst, papierkeuze, het humeur van de lezer. Het is dit gebrek aan ‘lezersonbevangenheid’ dat Helse eendjes de das omdoet – je kunt alleen teleurgesteld raken bij het zien van een koning, als je een keizer had verwacht.

    Arto Paasilinna is een illustere naam binnen de Finse literatuur. Zijn werk is in vele talen vertaald en hij won een aantal (ook buitenlandse) prestigieuze prijzen. Slechts een klein deel van zijn romans is in een Nederlandse vertaling verschenen – het meest recent is deze eer te beurt gevallen aan een werk uit 1998, met de hoogst indrukwekkende naam Hirtämmättömien lurjusten yrttitarha, ontnuchterend vernederlandst tot Helse eendjes. Op de coverfoto zien we een hondje met een motorcap en –bril. Dit, tezamen genomen met de achterflaptekst, doet ons blijmoedig denken: dit gaat een uitermate komische maar even zo spannende thriller worden, een roman (want dat staat letterlijk op de voorkant, ‘Roman’) met de literaire kwaliteiten die we van een Scandinavisch grootmeester verwachten mogen en met de noordelijke Kalevala-magie die het Suomi (Fins) natuurlijk zo eigen is…

    Maar dan begint het. We lezen over een geheim agent, Jyllänketo, een veertiger, die zich vermomt als een bio-inspecteur om een kijkje te nemen op een landgoed genaamd Peuravuoma, dat in handen is van de kille eigenares Kärmeskellio. Het landgoed huisvest een biologisch bedrijf waarop o.a. champignons worden verbouwd, en wel in een diep mijnschachtenstelsel. Er gaan geruchten dat er mensen op dit landgoed zijn verdwenen, en Jyllänketo is eropuit gestuurd om dit te onderzoeken. Spanning en sensatie dus. Nu is het jammer dat de oorzaak van deze verdwijningen reeds op de achterflap wordt gegeven. Een auteur moet wel stevig in zijn schoenen staan, als hij aan het begin van een thriller verklapt hoe de vork in de steel zit. Zou de CSI-serie ons nog steeds boeien, als we vanaf de aanvang weten wie de moordenaar is en hoe hij te werk is gegaan?

    Het boek moet ook grappig zijn. Dat impliceren althans de titel (naar welke motorrijdergroep zou die verwijzen?), de coverfoto en verscheidene opmerkingen in de tekst. En toegegeven, bij vlagen is het ook best humoristisch. Het hele thema is wat bizar en sommige personages zijn zulke stereotypen, dat het zo af en toe best tot glimlachen noodt. Maar meer niet. De vermoedelijk als lachwekkend bedoelde passages komen vaak wat gekunsteld, wat onnatuurlijk over; bij vlagen verliezen deze ‘komische’ uitstapjes alle verhaalrelevantie.

    Doch het meest in het oog springend is de karaktertekening. Deze is nagenoeg zwart-wit. Je hebt de ‘goeden’ (de bewoners van Peuravuoma) en buiten het landgoed heb je bijna uitsluitend ‘slechten’: graffitispuiters, motorfanatici, moordenaars, zakenlui, pubers en oude vrouwtjes. Er wordt geen nader onderscheid gemaakt binnen deze laatste groep – het zijn allemaal ‘schurken’ (deze term komt op bijna elke pagina weer bovendrijven). Het is direct duidelijk waar de sympathie van de schrijver ligt. Tegelijkertijd zijn het louter flat characters (de hoofdpersoon niet uitgezonderd): Paasilinna slaagt er niet in dieper door te dringen in de psyche van zijn personages. Of zou hij het juist zo bedoelen? Zou hij juist wíllen dat Jyllänketo en de zijnen simpele marionetjes zijn van de verhaalverteller? De roman lijkt hiertoe geen aanwijzingen te geven, dus het antwoord zal in het verdere proza van Paasilinna moeten worden gezocht. Maar dat voert hier te ver.

    Dit alles neemt niet weg dat men de auteur mag prijzen om zijn verregaande fantasie. Hij tekent een keur aan verrassende situaties die dan wel weinig diepgaand zijn, maar die desalniettemin zorgen voor een levendige lectuur. Paasilinna (of de vertaalster) bedient zich aan de lopende band van clichés, maar daar staat weer tegenover dat dit het lezen aanzienlijk vergemakkelijkt. Concluderend kunnen we dan ook stellen dat Helse eendjes voor de meer ‘literaire’ lezer geen aanrader is, maar dat ieder ander best een poging kan wagen. Aan verrassingen geen gebrek.

     

  • Een dictatuur om de vrijheid te bewaken

    Een dictatuur om de vrijheid te bewaken

    Westerlingen, het nieuwe boek van Arjaan van Nimwegen (1947) speelt in 1781. Toch is het geen historische roman, het boek heeft meer weg van een ‘gedachtenexperiment’ of een ideeënroman. Van Nimwegen koos voor 1781 omdat in dat jaar Kritiek der reiner Vernuft van Immanuel Kant verscheen. Kant beschrijft daarin ‘een eiland van zuivere rede’ en in Westerlingen brengt Van Nimwegen Kants ideaalbeeld tot leven. Maar een utopisch eiland is het niet.

    Een Hollands konvooi is op weg naar huis, maar komt terecht in een zware storm en leidt schipbreuk. Een aantal drenkelingen weet een eiland te bereiken. Ze zijn bang voor primitieve inboorlingen, maar maken kennis met een samenleving die erg op die van hun lijkt. Hun verhalen en indrukken worden afgewisseld met het leven van een aantal eilandbewoners.
    Al meteen wordt het duidelijk. De samenleving op het eiland lijkt misschien op een Westerse samenleving, maar er zijn grote verschillen. Hier heerst de rede. Kennis is afhankelijk van de manier waarop de rede onze waarneming ordent, betoogde Kant. Dit betekent dat kennis een combinatie is van zintuiglijke waarneming en begrippenkaders. Op het eiland wordt dit erg ver door gevoerd. Een wereld buiten het eiland bestaat niet, het verleden evenmin. ‘Geloof geen verhalen. Verleden en toekomst zijn spoken en spoken bestaan niet. De wereld achter de einder is een hersenschim. Niets blijft, alles verdwijnt, ook deze genoeglijke avond wordt vergeten. Niets is werkelijk nieuw. Alleen door te vergeten is de wereld elke dag nieuw. En meer is er niet.’ Verplicht vergeten dus. Verbeelding, passie en religie zijn onwenselijk en hardhandig optreden tegen overtredingen tegen deze afspraken is gerechtvaardigd. Om de vrijheden te waarborgen wordt het land met harde hand bestuurd: er heerst een dictatuur om de vrijheid te waarborgen. Mede daardoor brengt de rede geen vrijheid, maar leidt tot onzekerheid en angst. ‘De Gedingmeester voelde eens te meer de last van zijn ambt. Eerdere kleine verstoringen van de dagelijkse orde hadden hem al duidelijk gemaakt dat gelukzalige afwezigheid van kennis en ervaring ook onzekerheid meebracht.’ En als er dan ‘bewegende schepen, bemand met levende mensen’ voor de kust worden gezien, durven eilandbewoners hier niets over te zeggen uit angst om voor onrustzaaiers uitgemaakt te worden. Immers, er bestaat niets buiten het eiland. Dat is zo bepaald.

    Heel lang ontkennen de eilandbewoners dat er schepen gezien zijn, maar dan spoelen de eerste drenkelingen aan. ‘Argeloos ontwaakten de mensen uit de slaap die teleurstellingen en mislukkingen had uitgewist en het land, dit rijke land, lag weer open en wachtte op het werk van hun hand en hoofd. Dat was goed, ontegenzeglijk. Buiten de tijd begon alles telkens opnieuw. Maar er hing iets in de lucht, aangewaaid met de oosterstorm, dat zich niet door de reinigende westenwinden had laten wegjagen.’ We volgen een viertal westerlingen.

    David Rasch is de scheepsarts en als vrijdenker is hij erg enthousiast over het bestuur van dit vergeten eiland. Rede kan niets dan goed brengen, denkt hij. Dit in tegenstelling tot Delius, de starre en zeurderige predikant. Hij weet niet hoe hij het heeft, want naast het verbod op fantasie heerst er ook op religie een taboe. Uit zijn levensverhaal blijkt al dat hij niet erg geschikt is voor missiewerk, dus de paniek slaat toe. Hoe kan hij zich handhaven in dit goddeloze bolwerk? Taillefer, de Amsterdamse koopman verkent de handelsmogelijkeden bij dit ongrijpbare volk, terwijl Hannes, een goedzakkerige matroos verliefd wordt. Omdat deze vier mannen elk op hun eigen manier naar de voor hun onbekende maatschappij krijgen, weet Van Nimwegen veel aspecten van de samenleving voor het voetlicht te brengen. Hij doet dat op een goede manier: elk van de mannen heeft een geheel eigen stem en doet andere indrukken op.
    Het leven van de eilandbewoners verandert door de komst van de vreemdelingen. De onrust en twijfel nemen toe en omdat de machthebbers blijven vasthouden aan het oude, de rede, suddert er een opstand. De onrust en het toenemende verzet tegen de onderdrukking worden overtuigend beschreven. De revolutionaire Sélida, de Bloem van Vástóna, speelt een cruciale rol en dat maakt haar veruit de meest interessante eilandbewoner.

    In Westerlingen wordt een interessant gegeven uitgewerkt. Jammer is dat het primaire idee al vanaf het begin geen stand houdt. Denken en waarnemen zijn voortdurend op elkaar aangewezen. Ons denken biedt geen afspiegeling van de werkelijkheid. Maar zoals wij de werkelijkheid zien, zo denken wij. In Westerlingen ontkennen de eilandbewoners wat zij waarnemen (de boten voor de kust, drenkelingen in het water) in de hoop de werkelijkheid en dus hun denken aan te kunnen passen. Want doen zij dat niet, dan komen zij in conflict met de afspraken. En daar staan zware straffen op. Daarmee overheerst de rede dus niet, maar juist de ontkenning ervan.
    ‘Het was goed dat elke dag nieuw was, vol beloften en mogelijkheden.’ Van Nimwegen weet de lezer helaas niet te overtuigen dat vergeten en het ontkennen van heden en verleden hiervoor noodzakelijk zijn. In het boek wordt steeds gesteld dat dit zo is, maar het waarom wordt niet duidelijk. Is dat vergeten nodig om te voorkomen dat de bevolking een begrippenkader ontwikkelt?
    Dat neemt niet weg dat Van Nimwegen een goed schrijver is. De zinnen en beschrijvingen zijn mooi, de personages worden goed uitgewerkt en hebben allen hun eigen tone of voice. Toch slaagt hij er maar ten dele in een overtuigende nieuwe wereld neer te zetten. Veel blijft abstract en ongrijpbaar, maar misschien is dat wel inherent aan de filosofische insteek en de vorm, die van een ideeënroman. Het is jammer dat de toon de hele bijna 500 pagina’s zo serieus is. Vooral het onbegrip en de gebrekkige communicatie tussen de verliefde Hannes en zijn Rósila had zoveel luchtiger gekund. Omdat relativeringsvermogen en humor ontbreken is het boek af en toe erg taai en langdradig. Ook als lezer kun je dan niet wachten om weer op de boot naar huis te stappen. Maar de gedachte dat ons denken geen afspiegeling vormt van de werkelijkheid blijft intrigeren en dat maakt dat je als lezer het einde toch haalt!

    Arjaan van Nimwegen schreef eerder de romans Van Tol kijkt om (2002) en Welkom thuis (2003). Beide boeken hadden een maatschappelijke outcast als hoofdpersoon. In zijn roman Huisgenoten (2006) ging hij al een stapje verder, hij schreef niet over één randfiguur, maar over een huis vol. In die zin past ook Westerlingen goed in zijn oeuvre. Nu gaat het niet om een persoon als outcast, maar om een hele maatschappij.

     

     

  • Net iets te en daarom wat minder

    Net iets te en daarom wat minder

    Het is druk in de hemelse kamer de nieuwe roman van Huub Beurskens, dichter, schrijver en voormalig redacteur van De Gids. Niet omdat er veel romanfiguren in voorkomen, dat is niet het geval, maar omdat er zo heel veel wordt verwezen, geciteerd, uitgeweid en opgesomd. Of ze nu bekend zijn in de populaire cultuur of de hoge kunsten, namen als Julio Cortazar, Jack Bauer (24), Jacques Lacan, Ludwig Wittgenstein, Conny Froboess, John McEnroe en Pinocchio, komen allemaal langs en dienen als versiering voor wat tot de laatste honderd bladzijden een betrekkelijk gewoon verhaal lijkt te zijn. Maar dan…

    Hoofdpersoon en lange tijd verteller is Lino Nomellini, zoon van een Italiaanse ijsverkoper en een Nederlandse vrouw, en wonend in Amsterdam Noord. Hij wordt in zijn middelbare schooldagen verliefd op Inés, dochter van Spaanse immigranten en zij op hem. Lino heeft weinig oog voor iets anders dan zijn geliefde, ondanks de bezwaren van moeder Nomellini en de vader van Inés. De liefde tussen de twee is hemels tot op het moment dat het Spaanse gezin plotseling zonder bericht of spoor achter te laten, teruggaat naar Spanje.

    Bijna dertig jaar later woont Lino in Parijs en verdient zijn geld als klassiek muzikant. Natuurlijk is hij Inés nooit echt vergeten en hij schrikt op een dag dan ook als hij toevallig foto’s op internet ziet van een model dat wel heel erg op haar lijkt. En omdat het toeval ook een aanzienlijke rol speelt in dit boek, komt Lino dit model, dat in bijna alles een jongere versie van Inés lijkt te zijn, op een wandeling langs de Seine tegen. De twee belanden samen in bed en Lino lijkt zijn jeugdliefde opnieuw te beleven. Dan zijn er nog ongeveer honderd bladzijden te gaan.

    Zo samengevat is het verhaal voorspelbaar romantisch en bijna clichématig, maar de eigenzinnige zelfbewuste stijl waarin de roman geschreven is, voorkomt lange tijd elke gemeenplaats. Doordat Beurskens kiest voor de overdrijving en het bij vlagen openzetten van alle taalkundige en ironische registers, ben je als lezer blij met een eenvoudig verhaal. Voor moeilijke woorden en lange zinnen is Beurskens namelijk niet bang. Neem bijvoorbeeld de lange zin, afkomstig van bladzijde 181, waarin tegelijkertijd details worden opgesomd, over bijzaken uitgeweid en de lezer direct wordt aangesproken:

    Ik veronderstel dat u niet al hoofdstukken lang zit te wachter totdat ik eindelijk de muren heb gegranold, heb behangen of met schrootjes heb betimmerd, totdat ik de vloer heb voorzien van parket, linoleum of hoogpolig tapijt, en de Wassilystoelen, rotanmeubels of gecapitonneerde leren fauteuils er hun plek op heb gegeven, totdat ik lampen heb opgehangen, plafonnieres, luchters, spots, een tafellamp heb neergezet, eentje van Wilhelm Wagenfeld of de Wisteria van Tiffany & Co., totdat ik serviesgoed heb uitgekozen, of tot in den treure heb beschreven hoe Laurent dat eigenlijk allemaal voor mij had gedaan, maar dat u zich al lang een beeld hebt gevormd van mijn appartement in de Rue Bebuquin, het zelf gemeubileerd en verder voor me ingericht hebt, geheel naar eigen inzicht en met vast en zeker goede smaak.’

    Postmodern kun je een dergelijke stijl rustig noemen.  De hemelse kamer heeft veel van de kenmerken die je ook bij schrijvers als David Foster Wallace, Robert Coover en Thomas Pynchon tegen kunt komen (om er maar een paar te noemen). Denk aan het nadrukkelijk verwijzen naar zowel hoge (bijvoorbeeld Wittgenstein, Lacan) als lage cultuur (Jack Bauer uit 24), het opsommend beschrijven van dameskleding (inclusief prijs), het kort beschrijven van wetenschappelijke feitjes (diergedrag), de zelfbewuste verteller die bovendien de lezer toespreekt, het ironisch verwijzen naar psychoanalytische theorie en het zonder gêne gebruik van woorden als hemolymfe en hypothenusisch (blz 274).

    Beurskens heeft op zijn blog nog een rijtje met 330 ‘annotaties’ klaar gezet die wat uitleg verschaffen over de talrijke verwijzingen in zijn roman. Dat doet wel erg denken aan Foster Wallace die in zijn ook niet altijd even makkelijk leesbare meesterwerk Infinite Jest iets minder dan 900 voetnoten opnam.

    Beurskens’ stijl is enorm zelfbewust. Dat wil zeggen, dat tegelijk met het vertellen van het verhaal, er over gereflecteerd en commentaar op geleverd wordt. Vaak is dat komisch of amusant, soms intrigerend of ergerlijk, maar bijna altijd is de toon ironisch. En door de ironie wordt voorkomen dat de lezer zich echt mee laat slepen, zich verliest in het verhaal. Net als de schrijver blijft ook de lezer zelfbewust; hij wordt er steeds op gewezen dat hij een verhaal leest. Neem bijvoorbeeld de scène waarin de liefde tussen Lino en Inés tot hevige bloei komt. Het decor is de dierentuin Artis waar de leerlingen vragenlijsten over dieren moeten invullen.

    Ik had mijn vragen over de tokeh (Gekko gecko) beantwoord en schoof de volgende hoek van 135 graden naar rechts om, bij wijze van spreken van vitrine zes naar vitrine vijf. Tegelijkertijd – O, Almachtige… – , terzelfdertijd – O Dobbelgod! Schoof ZIJ linksom van vier naar VIJF!’

    Geestig? Misschien, en voor sommigen wellicht herkenbaar, maar nergens zul je hier serieus meegaan in de verliefde gevoelens van de verteller. Dit is een ironische overdrijving. We lachen eerder om de verteller dan we met hem meevoelen. Moet dat dan? Nee, niet noodzakelijk, maar dan moet die postmoderne overdrijving ons wel voortdurend blijven boeien en moeten we niet zo overdonderd worden met verwijzingen en commentaar dat nieuwsgierigheid en bewondering omslaan in ergernis.

    Beurskens is lange tijd goed op weg. Maar de laatste honderd bladzijden van de hemelse kamer zet veel in de roman op zijn kop. Het verhaal dat tot nu toe duidelijk en begrijpelijk was, verandert abrupt wanneer een nogal absurdistische, terroristische organisatie wordt opgevoerd. Lino blijkt nu het slachtoffer van een complot dat volkomen uit de lucht komt vallen. Daarbij neemt het aantal personages plotseling snel toe en wisselt het verhaal nog twee maal van vertelperspectief.

    Beurskens heeft zelf ook wel opgemerkt dat de terreurorganisatie voor veel lezers ‘uit de lucht komt vallen.’ Hij laat het de laatste verteller in de slotpagina’s als kritiek op het voorafgaande zelf beweren. Het lijkt erop dat een dergelijk vertoon van zelfbewustzijn mogelijke kritiek moet ondervangen. Dat doet het niet.

    Het mag de lezer best eens moeilijk gemaakt worden, zo lang deze zijn interesse maar niet verliest. Dat dreigt in deze nu wel heel volle kamer, hemels of niet, wel te gebeuren. Daarbij helpt het niet dat Beurskens ook nog eens nadrukkelijker dan in het eerste deel van de roman filosofische spelletjes begint te spelen. Hij citeert herhaaldelijk Wittgenstein, verwijst naar psychoanalytische denkbeelden en probeert sier te maken met flauwe beweringen als ‘de waarheid is gestructureerd als fictie’ en ‘alles hangt met alles samen’. Voor wijsgerige clichés blijkt opeens nog alle ruimte. Bovendien worden de grappen soms uitermate flauw. Zo rijdt Lino per trein naar Brussel en dan volgt de uit de lucht gegrepen een wel heel melige zin:

    Dat ik in de stationshal niet werd ontvangen door de heer Thielemans (Freddy, burgemeester van de Belgische hoofdstad, niet te verwarren met Jean Toots, de Brussels mondharmonicaspeler) en het Koninklijk Trompetterkorps, lag in de lijn der verwachtingen.’

    De plotselinge opkomst van een geheimzinnige terreurbeweging en het gegeven van een absurde complottheorie doen, zij het lichtjes, aan een postmoderne Amerikaanse schrijver denken: Thomas Pynchon. In diens werk, waarin de verhaallijn vaak net zo lastig is samen te vatten als de honderd laatste bladzijden van de hemelse kamer, spelen geheime genootschappen en complottheorieën ook een opmerkelijke rol. Dat Beurskens’ plotwending bizar is en dat zijn verhaal onoverzichtelijk wordt is dan ook niet het grootste bezwaar. Maar de uitvoering is net niet goed genoeg om de lezer bij de les te houden. Daar is ook het contrast met het voorafgaande deel van de roman te groot voor.

    Beurskens is met de hemelse kamer een postmodern experiment begonnen dat niet in alle opzichten geslaagd is. Hij kan uiteindelijk niet tippen aan Foster Wallace die geestiger, intelligenter schreef en bovendien de ironie kon laten varen. Die ironie en de onnavolgbare plotwending zitten hem uiteindelijk toch nog dwars.

    Maar of Foster Wallace, Pynchon of anderen, Beurskens nu tot voorbeeld hebben gediend of niet (hij noemt deze schrijvers niet in zijn uitgebreide annotaties), belangrijker dan het gedeeltelijk mislukken van het experiment is misschien wel dat het is uitgevoerd. Beurskens biedt met zijn roman iets geheel anders dan wat velen gewend zullen zijn en zoiets kan nooit kwaad. Bovendien kan Beurskens zeker schrijven en moet de complexiteit van het experiment niet worden onderschat. Wie zich wil wagen aan postmodernisme uit de polder moet gewoon in het diepe springen.

     

     

  • Een zoektocht naar het antwoord op de vraag: wie ben ik?

    Een zoektocht naar het antwoord op de vraag: wie ben ik?

    Kwantiteit zegt nog niets over kwaliteit, zo bewijst het boek Isis van Hans Dekkers. Het boek is helaas vrij dun; iedere pagina vraagt om meer. Dekkers is auteur van romans, korte verhalen, gedichten, essays en theaterstukken. Met name zijn dichterstalent komt terug in deze psychologische roman. Zijn woorden en korte zinsopbouw zijn gekozen alsof hij één lang gedicht heeft willen schrijven.

    Op basis van de cover van het boek, zou je zeggen dat het om een thriller gaat. Je ziet twee schimmige meisjes weerspiegeld tegenover elkaar staan, terwijl de wind door hun haren waait en op de achtergrond stormwolken te zien zijn. Het boek begint dan ook met de zin: ‘Er zit onweer in de lucht en de stad zucht onder de zwaarte van een asgrijze hemel.’ De identieke meisjes zijn een tweeling. De ene helft van de tweeling, de puber Isis, vormt de hoofdpersonage van het boek. Vanuit de ik-figuur wordt gesproken over hoe zij naar de wereld kijkt en over haar zoektocht naar het antwoord op de vraag ‘wie ben ik’? Hoewel het boek opbouwt naar een climax en daardoor soms lichtelijk spannend aandoet, is er geen sprake van een thriller, maar eerder van een psychologische roman.

    Isis lijkt een verveeld meisje dat opgroeit in dit digitale tijdperk in een moeilijk milieu – haar ouders zijn jong omgekomen bij een auto-ongeluk, zo is haar verteld, en sindsdien woont zij samen met haar zusje Galya en haar grootmoeder Boma, met wie zij niet goed kan opschieten. Alles wat Isis meemaakt in haar dagelijks leven, ervaart zij zeer associatief. Herinneringen, beelden, en zelfs geluiden worden in haar gedachten opgeroepen. Deze beelden zijn vaak afkomstig uit verschillende media. Zo denkt ze op pagina 11 terug aan een scène uit de film Hannibal. En ook flarden van muziek worden verscheidene malen bij Isis opgeroepen: ‘Het liedje in mijn hoofd versnelt. Blazende bastonen. I walk through mindfields so watch year head rock.’ (p. 9) Isis’ gedachten stromen over met dit soort associaties. De beelden in haar hoofd lijken op te gaan in de werkelijkheid, waardoor feit en fictie nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Isis bemerkt dit zelf ook en begint te twijfelen over haar identiteit. De stemmen en beelden zitten in haar hoofd, maar zij weet niet waar ze vandaan komen: ‘In mij gonst het van de stemmen en geluiden en het maakt mij niet uit of ze binnen of buiten mij klinken. Soms komen er stemmen in mij op die niet van mij zijn. Ze spreken vreemde woorden. Dat is omdat ik van vreemde woorden houd. Ik noem ze V-woorden en sla ze ergens in mijn achterhoofd op.’ (p. 8). Isis manipuleert haar ervaring van de werkelijke wereld dus met haar fantasie.

    Isis’ ervaringsbeschrijvingen van de wereld hebben veel weg van films als The Matrix en Inception, en – in iets mindere mate – The Black Swan: werelden die gedomineerd worden door technologie, waardoor de echte wereld vrijwel niet meer te onderscheiden is van droomwerelden. Isis probeert zelfs op te gaan in deze droomwerelden. Zij heeft namelijk op cyberspace een plek gebouwd, waar zij kopieën heeft gemaakt van alle mensen in haar leven. Deze Avatars in haar virtuele wereld noemt zij ‘X-..’. Zo is het verschil tussen Galya’s echte hond Georgie en X-Georgie, dat X-Georgie nooit ‘uit zijn bek [stinkt]’ (p. 18). Isis heeft de macht en controle over haar Avatars, niet over de werkelijke mensen. Toch weet Isis aan het begin van de roman nog niet zeker aan wie zij de voorkeur geeft. Kiest zij voor haar zelfverzonnen droomwereld, of blijft ze toch liever onderdeel uitmaken van de werkelijke wereld? Isis wordt iedere keer opnieuw met haarzelf geconfronteerd.

    Zodra Uncle X en Martijn ten tonele komen, wordt Isis wakker geschud. Uncle X is een onbekende oom van Galya en Isis, die Isis online heeft weten te vinden via Facebook. Hij stuurt Isis e-mails waarin hij opmerkt dat hij vindt dat de meisjes oud genoeg zijn om het ware verhaal omtrent hun ouders te weten te komen. Uncle X beweert dat Boma jaren heeft gelogen over de toedracht van de dood van de ouders van de tweeling. Uncle X wil alles niet meteen per e-mail vertellen, maar stuurt aanwijzingen, zodat Isis net genoeg informatie heeft om zelf op zoek te gaan naar het geheim over haar verleden. Ondanks dat Galya zeer afstandelijk tegenover deze oom en diens opmerkingen staat, gaat Isis niet alleen op onderzoek uit. Zij selecteert Martijn, een schoolgenootje, om mee op pad te gaan. Martijn weet zichzelf in Isis’ droomwereld te voegen, door bijvoorbeeld in haar taal te spreken; hij hanteert dezelfde pubertaal als Isis en ook hij weet al snel ‘V-woorden’ in de mond te nemen. Hun vriendschap mondt uit in een liefdesrelatie. Maar hoewel Isis zich letterlijk aan hem blootgeeft, lukt het Martijn niet Isis dusdanig aan hem te binden dat zij zich tevens figuurlijk aan hem bloot durft te geven. Isis blijft geremd en afstandelijk. Bindingsangst speelt Isis op alle vlakken parten in de werkelijke wereld. ‘Controle’ hebben, blijkt het kernwoord te zijn waar het gedrag van Isis aan op te hangen is.

    Isis is een geweldig boek. Niet alleen word je meegezogen in Isis´ werkelijke en psychische zoektocht naar het verleden, maar je wordt ook aan het denken gezet over het onderscheid tussen droomervaringen en werkelijke ervaringen, en over de invloed van techniek op ons denken en doen. Dekkers weet je non-stop te boeien. De climax en het einde van de roman zijn compleet onverwacht.

     

     

     

  • Een ode aan alles wat langzaam verdwijnt

    Een ode aan alles wat langzaam verdwijnt

    De bundel Schaduwgrens van Hans van de Waarsenburg opent met de reeks ’Consul’, waarin onmiskenbaar de hoofdpersoon uit Malcolm Lowry’s roman Under the vulcano wordt geportretteerd. Een consul, inderdaad, met eeuwigdurende dorst, die zich voortsleept van delirium naar kater, en hoopt dat zijn geliefde ooit terugkeert en alles goed zal komen. De toon van de bundel is gezet: melancholisch verlangen en hopen, in de zekerheid verloren te hebben. Heel veel vrolijker wordt het niet, maar uiteindelijk triomfeert de taal van de dichter over de treurnis van zijn lot.

    Waterpokken en waaiende wieren
    Ook in de tweede reeks van de bundel wordt de ‘schaduwgrens’ tussen waan en werkelijkheid in beide richtingen overschreden. ´Ik was nog niet wakker´ omvat 11 gedichten waarin een ik-figuur worstelt met het ontwaken uit een deliriumachtige slaap. Een zware kater, luidt de diagnose: veel snot, koppijn en onverdraaglijke herrie, en regels als ‘de uppercut op de kin, de doffe leverslag’. Dat alles samengevat tot ‘Ik hoestte zwaar in het slijm van de begeleidende kotsmuziek’. Dat lichamelijk ongemak wordt doorsneden door macabere droombeelden van een gestorven geliefde (wellicht verhangen, gezien een ‘henneptouw’, maar veel is onzeker hier), gehangen misdadigers, ‘doden op de rug’ en een verdronkene in een scheepswrak: ‘Ik vond een hoofd vol waterpokken en waaiende wieren.’ De gedichten ogen strak, drie maal vier regels elk, en in ieder gedicht duikt de titel wel ergens op, als een stokregel. Maar onder dat pantser van taal woelen surrealistische angstvisioenen en wraakgedachten (‘ik verlangde naar […] een moordwapen / om aan het talentloos geblaat te ontkomen.’). Het laatste gedicht in de reeks brengt geen verlossing, geen ontwaken en geen verzoening. Vier gedichten eerder bekent de dichter al: ‘Ik huiver / Als de tijd mij aanraakt’ en spreekt hij over ‘Dagelijks bezoek aan de Hades / En glaskoorts, wonden die niet heelbaar zijn.’

    De wijn ontkurkt
    In Schaduwgrens is een dichter op leeftijd aan het woord, die zich kwetsbaar voelt tegenover – jawel – het verstrijken van de tijd. Maar hij verwoordt die kwetsbaarheid in vitale beelden, rake woorden en regels die blijven hangen. De overige gedichten in Schaduwgrens zijn minder surrealistisch dan ‘Ik was nog niet wakker’. Zo beschrijft ‘IN’ een doorweekte wandeling door regenachtig Dublin, waar de dichter een meisje ziet dansen ‘Solo. Of ze niet te stoppen was. Of er leven / Te winnen viel na de dood.’ ‘Dreischor’ (gehucht op Schouwen-Duiveland), is een reeks kwatrijnen over een winter aan zee waarin veel Adriaan Roland-Holst meeklinkt, inclusief ballingschap, stemmen van overzee en ‘woeden tegen de tijd’. In 1980 zei Van de Waarsenburg in een interview: ‘Misschien ben ik wel een reïncarnatie van Roland Holst aan het worden.’ Daarvoor is zijn toon te nuchter, maar toch: zeker is dat de geest van Holst hier rondwaart. De reeks eindigt overigens voorzichtig optimistisch met de komst van de lente: ‘In het jonge riet wordt schoorvoetend de wijn ontkurkt.’

    Er zijn meer literaire verwijzingen te traceren: naar Percy’s song van Bob Dylan (Turn, turn, to the rain and the wind’), bij voorbeeld, en naar Dylan Thomas Under milkwood: ‘Call em Dolores, like they do in the stories’). Hugh Lane is wat lastiger thuis te brengen; het is de galerie in Dublin waar het atelier van de schilder Francis Bacon is tentoongesteld en tot op de snipper is gedocumenteerd. Niet tot genoegen van de dichter, die het heeft over ‘het atelier dat zielloos /Een dode voorstelt. Waanruimte.’ Andere reeksen zijn gewijd aan kunstenaars, wat het risico oproept van het mijmerdichten bij een schilderij, zoals in de reeks ‘Korenveld’, over de schilder Theo Kuijpers. En ook aan die andere valkuil van de virtuoze dichter ontkomt Van de Waarsenburg niet altijd: de woordspeling die al snel stijlbreuk wordt. ‘Ik […] schonk geen vermogen aan al die werelden die met een drie beginnen’, bijvoorbeeld. Of: ‘De dood / Zong in B. met een Z. ervoor.’ – in een gedicht over de componist Matty Niël.

    Wat taal wel en niet vermag
    Van de Waarsenburgs poëzie is onverkort romantisch, maar dan niet van de weemakende soort. Hij schrijft strofische gedichten, maar zonder eindrijm of metrum (maar des te meer ritme) en valt zeker niet in te delen bij de ‘klassieke’ sonnettenmakers als Rawie of Kal. Een ‘rijpe’ dichter, zoals dat heet, die in een halve eeuw (hij debuteerde in 1963) heeft geleerd wat taal wel en niet vermag: geen overwinning op de dood, maar sterke beelden en vitaal verzet. De Schaduwgrens verwijst naar de overgang tussen dag en nacht,  leven en dood (ergens wordt de dood aangeduid als ‘Een schaduwman in een tranende ooghoek’). Het laatste gedicht heet ´Schaduwgrens´ en beschrijft een vrouw en onderwaterlandschap tegelijk. Bevreemdend maar trefzeker. Moet vaak worden genoten en gebloemleesd. Vooruit dan, de laatste regels, op voorwaarde dat je de rest ook gaat lezen:

    […] Mijn lief,

    Ik wil niets meer dan dit uitzicht vol mooie, naar mij

    Zwaaiende vissen. De sluier van je haren en heuvels

    Die glooien. Een ode aan alles wat langzaam verdwijnt.

     

     

  • ‘een dood schommelt aan zijn vleugelpennen’

    ‘een dood schommelt aan zijn vleugelpennen’

    Sinds jaar en dag geldt het (post)modernisme als de voornaamste stroming in de Nederlandse kunst – en misschien wel het sterkst in de poëzie. Het is een behoorlijk gecompliceerd fenomeen, maar het uitgangspunt is simpel: zoek niet naar een verscholen boodschap, betekenis of Antwoord, want het enige Antwoord dat het kunstwerk je kan geven is dat dit Antwoord niet bestaat. Om een goede impressie van dit gedachtegoed te krijgen, doet men er goed aan het korte verhaal La continuidad de los parques (in het Engels vertaald als The Continuity of Parks) van Julio Cortázar te lezen, of, dichter bij huis, gedichten als ‘Oote’ van Jan Hanlo en ‘Koppig’ van Mustafa Stitou. Decennialang hebben de (post)moderne denkbeelden het culturele wezen bepaald. We danken er canonieke meesterwerken als Joyce’ Ulysses, Hermans’ De donkere kamer van Damokles en Mulisch’ Siegfried aan.

    De jaren ’90 waren overwegend postmodernistisch van aard, maar sinds het begin van dit millennium zijn er tekenen dat dit postmodernisme in kracht afneemt en langzaamaan plaats maakt voor een heropleving van twee sentimentele stromingen: een modern neoclassicisme en een moderne neoromantiek. En in dit licht neme men een blik op Hans Groenewegens dichtbundel Van alle angst ontdaan (2011).

    Als een dichtbundel begint met de zin ‘een dood schommelt aan zijn vleugelpennen’, maakt dit indruk. Het roept een lugubere sfeer op, doet denken aan de verhalen van E.T.A. Hoffmann en heeft een sterk beeldend karakter. We zien de dood zo voor ons. Dit beeldende aspect is tekenend voor alle poëzie van Groenewegen. Zijn gedichten zijn schilderijtjes met grote onderwerpen. Meestentijds zijn deze onderwerpen niet erg opgewekt. Ze missen het beweeglijke van Oosterhoff en het onschuldige van Tellegen. Ze handelen over angsten, over eenzaamheid en over passionele, maar van genegenheid beroofde liefde.

    Het zou te ver voeren alle gedichten uit de bundel hier afzonderlijk te bespreken, maar enkele juweeltjes mogen niet ongenoemd blijven. Zo is er een prachtig gedicht dat begint met: ‘hij draait zich om bij de deur/ de kinderen lopen de zee in/ de naaldbomen besluiten te blijven’, en dat hier vervolgens op varieert. Ook in dit gedicht zien we dat er veel beeldende taal wordt gebruikt. De sfeer is tragisch, maar de achterliggende gedachte lijkt niet donker. We hebben hier te maken met een bijzonder uitvloeisel van een 21ste-eeuwse neoromantiek, ontdaan van de christelijke signatuur die voorheen zo van belang was. Het gedicht schetst eenzame taferelen, met een tragische noot. Het slotakkoord laat ons in verwarring achter: hoe nu verder?

    Deze neoromantische insteek treffen we ook aan in zijn gedicht ‘groningen’, dat een landschap beschrijft dat zó van een schilderij van John Constable kan worden geplukt (‘in hope op zegen van behaaglijke/ veilige slaap onder dit oude hoge/ land in de schaduwval van de hoogzee’). Ook hier vinden we stilte, een vleugje weemoed en een liefde voor de natuur. In zekere zin lijkt dit gedicht op Marsmans beroemde ‘Herinnering aan Holland’, ware het niet dat Groenewegens poëzie romantischer is en, zoals de titel van de bundel ons meldt, ‘van alle angst ontdaan’. De wereld moge dan tragisch van karakter zijn, het is aan de mens om dit accepteren.

    Het zij duidelijk dat het hier méér betreft dan een louter poëtische tendens. In de filmwereld manifesteert deze moderne neoromantiek zich enigermate (zie bijvoorbeeld het immense succes van de fantasyfilms en van de heruitgave (!) van Walt Disney’s The Lion King), maar ook in de literatuur (de historische roman is welhaast ongekend populair) en zelfs in de muziek (beluister het fenomenale The Resurrection of the Wrong van Orange Skyline als voorbeeld).

    Een andere heropleving, die van het neoclassicisme, zien we ook terug in Groenewegens bundel, zij het in mindere mate. Het met stip mooiste gedicht uit zijn werk, getiteld ‘doodsengel te wierum’, doet denken aan dat schitterende beeld van Canova, Amor en Psychè. De hoofdpersoon van het gedicht, de doodsengel, wordt even teder afgeschilderd: ‘soms als hij hier is gaan zitten/ vouwt hij om zijn knieën zijn vleugels/ en heeft hij geen oog voor de velden’. Zijn waarnemingen van de wereld lijken uit Ovidius’ Metamorfosen te stammen. Wat de doodsengel om zich heen ziet, is Romantiek. Hij is classicisme.

    Het is erg zonde dat Hans Groenewegen niet is opgenomen in de canoniserende bloemlezingen van Komrij of Pfeiffer. En ja, natuurlijk zijn er ook enkele mindere gedichten in zijn werk aan te wijzen, zeker die waarin hij zich wat teveel vrijheid veroorlooft, maar ach, dit valt al met al in het niet bij de krachtige meesterwerkjes die Groenewegen verspreid door de bundel heeft geschilderd. Een glas wijn, een symfonie van Richard Strauss, Caspar David Friedrich aan de muur en dan als voorafje op Goethe of Victor Hugo een paar gedichten van Hans Groenewegen. Heerlijk.

     

     

  • Hoe de droom de werkelijkheid inhaalt en verstikt

    Hoe de droom de werkelijkheid inhaalt en verstikt

    Uitgeverij Wereldbibliotheek heeft Il Disprezzo (1954) van Alberto Moravia opnieuw uitgegeven in een voortreffelijke vertaling van Marieke van Laake. De roman was al eens eerder in het Nederlands vertaald als Het spoor der herinnering. Een vreemde titel die op het eerste gezicht geen lading dekt.

    Moravia ontvouwt er een verhaal van groeiend groot verdriet dat mensen gevangen houdt die niet meer van elkaar houden of, beter omschreven wellicht, waarbij de ene niet meer van de andere houdt om niet meteen duidelijke redenen.

    Het boek verscheen in 1954, even na de ondermeer geestelijke ontreddering die de Tweede Wereldoorlog met zich had meegebracht en die we meestal als existentialisme omschrijven wat dat (nu) ook nog mag betekenen.

    Alberto Moravia (1907-1990) schrijft schitterend en laat zijn personages een duiksprong maken in de poel van het menselijke streven, het geestelijke verlangen, het lichamelijke begeren.

    Riccardo Molteni houdt van Emilia en huwt haar. Hij droomt ervan een beroemd theaterauteur te worden. Voorlopig houdt hij zich financieel in stand door het schrijven van filmscenario’s voor filmproducent Battista die vrij attentievol is ten aanzien van Emilia. Riccardo is een en al bezorgdheid en wil nog wel even zijn grote droom opzij schuiven opdat Emilia zich goed zou voelen. Maar zij verwijdert zich blijkbaar steeds duidelijker van hem. Wanneer zij besluit niet meer in dezelfde kamer met hem te slapen, start zijn radeloos piekeren pas echt omtrent wat gebeurd zou kunnen zijn, om wat hij ongewild verkeerd  heeft gedaan. Er komt geen antwoord, tot zij uiteindelijk bekent dat zij hem minacht zonder weliswaar te preciseren waarom. Heel even denkt hij dat alles is orde komt als beiden op het eiland Capri in de villa van Battista hun intrek kunnen nemen. Het is de bedoeling dat hij er zich met zijn collega Rheingold zou terugtrekken om het scenario voor een film over de Odyssee te bedenken en te schrijven.

    Battista , Rheingold en Riccardo huldigen elk een verschillende visie omtrent de lange zwerftocht die Odysseus onderneemt vooraleer hij naar zijn vrouw Penelope terugkeert. De discussies daaromtrent zijn een belangrijk onderdeel van de subtiele en suggestieve manier waarop Moravia de relatie tussen Riccardo en Emilia onderbouwt en er een mythologische dimensie aan geeft. Drie benaderingen van een mythe reveleren drie karakters en drie levenshoudingen. De meest poëtische is tevens de meest schrijnende.

    Op enkele vreemde plotwendingen na aan het einde van het verhaal, is dit een krachtige en serene roman die bijwijlen fel beroert.

    Jean-Luc Godard heeft het boek in 1963 verfilmd als Le Mépris met Brigitte Bardot en Michel Piccoli in de hoofdrollen.