• Reizend op zoek naar politieke spanningen

    Reizend op zoek naar politieke spanningen

    Een aantrekkelijk reisverhaal schrijven is nog een hele kunst. Naast woordkeus is de stijl van essentieel belang. Het zijn vaak de beschrijvingen van de kleine dingen die een reisverhaal groot maken. Neem bijvoorbeeld deze zin:

    ‘Als de Italiaanse aanklager op een stille zaterdagochtend Boog het stadspark in leidt, turen de twee zonnebrillen het pad af om naderende wandelaars te monsteren op dreigingspotentieel.’

    Dit is een zin uit één van de reisverhalen van de bundel De zon is het probleem niet, van Daniël Rovers. In deze zin loop je mee met de aanklager. Je ziet voor je hoe hij stilstaat aan de ingang van het park, wachtend op een teken van ‘de twee zonnebrillen’. De zin krijgt nog meer effect door het humoristische aspect; er wordt niet gesproken over bodyguards, maar over ‘de twee zonnebrillen’. Juist de focus op deze details, maakt dit tot een fantastische zin. In dit verhaal is de hond Boog de hoofdpersoon. Boog woont in Pristina, Kosovo, samen met zijn baas die officier van justitie is en verder niet bij naam wordt genoemd. Dit verhaalperspectief is niet alleen erg origineel, maar geeft Rovers ook meer ruimte om het leven in Pristina te beschrijven. Als de schrijver had gekozen voor een meer standaard perspectief en de officier van justitie had laten vertellen over zijn werk en de politieke situatie in Pristina, dan had hij de dingen nooit zo uitvoerig kunnen beschrijven.

    Rovers houdt van aparte perspectieven. In De zon is het probleem niet gebruikt hij vaak een onverwachte invalshoek. Inhakend op actuele thema’s, reist hij af naar Limburgse Someren-Eind, waar in 2010 de PVV- stemmers de CDA’ers van hun zetels dreigen te stoten. Om een indruk te krijgen van de veranderingen die zich afspelen in de regio gaat Rovers niet in gesprek met de voorman van een politieke partij, zoals je zou verwachten, maar met een gewone inwoner van de stad. Zonder te spotten weet hij haar oer-Hollandse verhaal op humoristische manier te vertellen, waarbij de kracht weer ligt in het beschrijven van details als de inrichting van het huis en de inhoud van reclamefolders.

    Waar veel van de verhalen die zijn opgenomen in deze bundel nog een speels karakter hebben, is Rover’s stuk over Lampedusa veel serieuzer. In lange zinnen vol bijvoeglijk naamwoorden en komma’s beschrijft hij wie hij tegenkomt op zijn reis van Amsterdam naar een vluchtelingenkamp op het Italiaanse eiland. Hierin laat Rover zijn journalistieke talent schitteren. De gedetailleerde beschrijvingen over alles wat hij meemaakt op zijn reis worden aangevuld met scherpe observaties, duidelijke uitleg en mooie persoonlijke belevingen van zijn gespreksgenoten.

    Sommige van de verhalen in De zon is het probleem niet zijn al eerder gepubliceerd in kranten en tijdschriften. Andere worden nu voor het eerst aan de wereld getoond. Gebundeld tonen ze de kracht en het brede talent van een schrijver die nog meer mag gaan reizen om dit soort prachtige werken te schrijven.

     

     

     

  • Schimmige scheidslijnen tussen goed en fout

    Schimmige scheidslijnen tussen goed en fout

    Eindelijk een roman die speelt in de Eerste Wereldoorlog. Bovendien in Italië, een gebied dat hier nauwelijks onder de aandacht is geweest.
    Duitse en Hongaars-Oostenrijkse troepen rukken op en fusilleren Italiaanse militairen, die gevangen genomen zijn. Bovendien roven ze bezittingen en kwartieren hun soldaten in bij de rijkere Italiaanse adel, die over grotere villa’s beschikt.

    Dit lot valt ook de familie Spada ten deel. Ze krijgen Pruisische militairen in huis onder  leiding van baron von Feilitzsch. Hij vertegenwoordigt een wereld van adel en vergane glorie, die langzaam door de industriële revolutie op instorten staat. De grootmoeder van de Spada’s heeft echter diepgaande gesprekken met hem en er ontstaat een wederzijdse sympathie. De gesprekken doen denken aan Gloed van Sandor Marai. Ze overvleugelen de tegenstellingen.
    Wat Von Feilitzsch niet weet, is dat de grootmoeder de sieraden heeft verstopt op een geheime plaats zodat de plunderende soldaten alleen wat prularia bemachtigen. Ze is hem te slim af.
    De grootvader is  maar matig  ingenomen met de verhouding van zijn vrouw met de Duitser. Hij werkt in zijn zolderkamer aan een klassieke roman, die niet afkomt. Is dit een symbool voor de klassieke Europese beschaving, die op zijn grondvesten trilt? Zijn kamer is een plek waar de Duitsers nog niet komen.
    Hij deelt het geheim met zijn kleinzoon Paolo. Deze heeft contacten met het verzet, dat actief is tegen de bezetters. Zijn gedachten komen in de ik-vorm tot ons. En vormen een aangename afwisseling.

    Verder  worden we getrakteerd op de wandaden van de bezetters, maar evenzo van het verzet.
    De grootvader heeft het zelfs over ‘de bezetters van buitenaf  en de ‘bezetters van binnen.’ Ook de ratten in het verhaal hebben deze functie. Ze zijn een plaag voor de soldaten maar ook voor de muizen, die eigenlijk in de streek thuishoren. Zo creëert Molesini, die één van de belangrijkste literaire prijzen ontving voor dit boek, een niemandsland. Wie zijn er schuldig aan wandaden? Welke gevaren bedreigen de familie Spada? Wat is ware liefde? Hoe zit het met solidariteit?

    De andere zoon des huizes Renato helpt een Britse piloot, een daad die bestraft kan worden door de bezetter met de doodstraf. Op een listige manier weet de familie de troepenbewegingen van de vijand door te geven aan de Britten. Om de Duitsers af te leiden, zet de familie – met tegenzin – de mooie donna Maria in. Aan de ene kant keurt men haar uitdagende houding af aan de andere kant is ze vaak onmisbaar om de soldaten af te leiden, wanneer het verzet actief is. De spanning neemt toe. Zullen de Duitsers ontdekken, dat de familie het verzet helpt?

    Aanvankelijk blijft de villa gespaard voor het geweld en de ellende van de oorlog, die in alle heftigheid op het dorp neerstort. Daar vallen doden en gewonden door bommen en granaatvuur en worden deserteurs gefusilleerd. Het stinkt er naar dood en verderf. Maar wanneer ook de kamer van grootvader wordt geconfisqueerd door de bezetter is het laatste stukje privacy ook voor de familie Spada niet meer veilig. En gaan ze hun ondergang tegemoet. Maar dat gedeelte mag de lezer zelf gaan beleven. De vertaling van Marieke van Laake is sober maar zeer adequaat. Een gelaagd boek van een begenadigd verteller.

     

     

  • Niet alle smeerlappen komen uit Wenen – Andrea Molesini

    Gesignaleerd

    Bij uitgeverij Wereldbibliotheek verschijnt eind januari 2014 Niet alle smeerlappen komen uit Wenen, waarmee de Italiaanse schrijver Andrea Molesini de Premio Campiello, een van de belangrijkste literaire prijzen in Italië won.

    ‘In november 1917 vorderen oprukkende Oostenrijkse en Duitse troepen in het noordoosten van Italië het landhuis van de familie Spada. Enkele officieren worden er ingekwartierd. Aanvankelijk verloopt dit gedwongen samenleven harmonieus want de Spada’s en de commandant van de Duitsers, baron von Freilitzsch, zijn van adel en zij gedragen zich naar de omgangscodes die de Europese adel deelt.

    Al wordt de oorlogssituatie steeds grimmiger, toch ontstaat er tussen de baron en de vrouw des huizes een zeker respect en wederzijdse waardering. Maar de verhoudingen komen op scherp te staan wanneer de zeventienjarige Paolo, een van de leden van de familie, in contact komt met mensen van het verzet. Zonder dat hij daar echt voor kiest, wordt zijn rol in dat verzet steeds belangrijker.

    Wat voor Paolo begon als een spannend avontuur, wordt bittere ernst wanneer hij en enkele van zijn familieleden worden verraden en opgepakt.

    Andrea Molesini vertelt een verhaal over de betrekkelijkheid van het goede en de dictatuur van het kwaad. Zijn roman over een adellijke familie speelt zich af in de Eerste Wereldoorlog, de periode dat de teloorgang van de oude wereld onafwendbaar was geworden.’

     

    Niet alle smeerlappen komen uit Wenen

    Auteur: Andrea Molesini
    Vertaald door: Marieke van Laake
    Verschijnt eind januari 2014 bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 288
    Prijs: € 19,90

  • ‘Ik blijf qua lezen ongelezen’

    ‘Ik blijf qua lezen ongelezen’

    ‘Ik blijf qua lezen ongelezen’

    Hans Groenewegen was poëziecriticus, essayist, redacteur, en samensteller van boeken over dichters. En hij was dichter. Dit jaar overleed hij op 55-jarige leeftijd. Postuum verscheen blijven en verreizen, een bundel gedichten en teksten die 17 oktober 2011 tot 24 augustus 2012 bestrijkt.

    Blijven en verreizen is niet makkelijk; maar niet omdat de teksten complex, hermetisch of hoogdravend zijn. Niet het duiden, maar het lezen veroorzaakt ongemak. Geen poëzie voor in de leunstoel, maar abrupt afgebroken aanzetten, steeds weer andere vormen, stemmen en beelden. Meestal geen titel, maar enkel een aanduiding van datum, tijd en plaats of traject. De ‘ik’ zit bijna dagelijks in de trein, hij richt de blik, naar buiten (de natuur), op de medemens /medereiziger, of naar binnen. Soms vertelt hij over zijn kinderen, soms praat hij opschrift tegen een vrouw die op een ander continent ook on line onbereikbaar is (in de reeks ’tegenwerelden’). En soms noteert Groenewegen een knarsetandende bezinning op het voortschrijdende sterven.

    Mijn sterven onvoltooibaar
    Lezen in blijven en verreizen gaat bij voorbeeld als volgt. Onder ’13/2/ – 16:28 utrecht – rijswijk’ staat:

    hier had ik drie gehalveerde dialogen in de coupé weergegeven.
    iets van die helften intrigeerden me bij hun interactie in mij
    tijdens de reis. bij het herlezen hoorde ik niets dan schrappen.

    Een geschrapte en overschreven tekst, een palimpsest. Een verslag in dichtvorm van een mislukte poging de alledaagse onbenulligheid zin te verlenen door er een gedicht van te maken. Daarop volgt een strofisch, metrisch en rijmend gedicht (14/2 /23:55) – een soort surrealistisch kinderrijm:

    de hemel heeft zijn kat gevild
    en spant het vel over de daken –
    de hemel had een kind gewild […]

    De dag daarop: een mix van ambtelijke taal, sociale satire en natuurbeelden, opnieuw vanuit de trein:

    in de marge alleen maar verbeteringsvoorstellen
    de zon hijst zich uit de sloot en grijpt zijn rode badhanddoek
    complimenten voor zijn afgetrainde lichaamskenmerken
    we zeilen over het ijzer tussen de sneeuwoevers door […]

    Daags daarna is persoonlijker, met de indrukwekkende strofe

    gaf het niet op, raaf
    op mijn schouders, vos
    aan mijn voet, verwachten
    mijn sterven onvoltooibaar

    Op 17/02 ’11:08 rijswijk – amsterdam cs – den haag cs’ worden Facebook- en Twitter-literaten in een sarcastische donderpreek onder vuur genomen, inclusief 19de-eeuwse retoriek:

    maakt gij literatuur over wat ons allen beweegt.
    poëzie ligt op straat, zeg maar, gonst door de trein. […]
    gij moet het schrijvende echt zeggen, wat ik to the point vind
    is dan door u heel treffend voor allen getroffen. alvast dank

    En zo gaat dat een dikke honderd bladzijden voort, in een bonte variatie van genre, stijl en toon. Met soms een woordspelige oneliner als ‘de droeve muis balkeneindigde zich voor de deur van het catshuis.’ Of nogal schampere kritiek op de alledaagse medemens en zijn futiliteiten, en gemeesmuil op een samenleving die zichzelf uitlevert aan markt en commercie. In de afdeling cultuurkritiek valt onder meer te signaleren een uitval naar Gerrit Komrij en de luie lamlendigheid van zijn bloemlezing De 21e eeuw in 185 gedichten. Ook zij die zeggen ‘het is nu 5 jaar geleden dat mijn vriendtheovangogh werd vermoord’ krijgen een veeg uit de pan. Ze zijn als ‘veteranen in Wageningen’ (gevolgd door iets met een afgesneden oor en op elkaar genaaide lippen).

    Vaak wordt de natuur waargenomen, als door een treinraam, en blijft het daarbij. Of wordt de geliefde bezongen in nuchter maar poëtische taal. Zie 2/2 – 19:30:

    met jou woon ik waar ik zonder jou
    nooit woonde, ik durfde zonder je
    nergens thuis te blijven.

    Het is in dergelijke gedichten en teksten dat het onherhaalbare, het onvermijdelijke en het vergeefse en vergankelijke een klemmende verklanking vinden.

    Wisselstoring, herstel, marktwerking
    Enerzijds wekt de bundel de indruk van ‘nog een keer alles uit de kast’ als om te bewijzen wat poëzie en literatuur (en de schrijver) vermogen in het licht van de eeuwigheid, maar anderzijds zijn de teksten vaak doortrokken van verbittering over het onherroepelijke falen daarvan. Dat maakt het lezen van blijven en verreizen lastig. Je wilt geraakt worden, stelt je open voor wat komen gaat, maar voelt je door de auteur op afstand gehouden, eerder overdonderd door zijn beheersing van een breed scala van vormen en stijlen, dan geraakt door ’treffend getroffen’ verwoordingen. Wat variatie lijkt, kan ook stijlbreuk worden. Poëtische teksten laten zich lastig rijmen met bij voorbeeld een ‘letterlijke’ transcriptie van een aflevering van het KRO-therapieprogramma ‘De Rode Kamer’ (20/2 – 20:15) – hoe amusant vernietigend dat ook uitpakt: wat op tv nog kan doorgaan voor integere pogingen om over gevoelens te praten, wordt door het loutere optekenen ontmaskerd als afgesleten pathetische emotiepraat. De tekst, die zich uitstrekt over 6 bladzijden die van kantlijn tot kantlijn zijn volgeplempt met hoofdletterloze zinnen, onthult ook iets over de bundel als geheel: over het fundamenteel tekort schieten van taal en betekenis om te vatten wat ‘men’ voelt en denkt bij wat er gebeurt, en om de vinger te leggen op wat het leven waardevol maakt en wat het bewustzijn van sterfelijkheid daaraan toevoegt. Zo bezien is de rode-kamer-tekst een bouwsteen in een monument van machteloosheid.

    Ook het banaal alledaagse krijgt ruim baan in blijven en verreizen: een verrotte laminaatvloer, kinderen die wel of niet komen, treinen die wel of niet aankomen, en de komst van de lente: ‘de vlier, vriend, langs het zandpad loopt uit, fluitenkruid wordt wakker’… Uiteindelijk lijkt alles in deze toch zo vitale en springerige bundel te verwijzen naar de dood. De kleiner wordende wereld, de machteloze woede – en het afnemen daarvan, de steeds berustender klinkende dichtregels, steeds meer woorden die lijken te verwijzen naar de onontkoombare dood, te beginnen met de titel: blijven en verreizen roept onvermijdelijk vergaan en verrijzen op; opstandigheid, voor wie een stapje verder denkt. En wie dat te ver vindt gaan kan het houden op een verwijzing naar de vele treinreizen en vertragingen die worden gemeld.  Zoals bij voorbeeld in ’15:00 bergen / 16:15 alkmaar – rijswijk / 17:00 beverwijk’:

    wegens een wisselstoring, herstel, marktwerking
    is er geen treinverkeer mogelijk tussen
    reizigers in de richting van wordt aangeraden
    wie telt het op, de marktpartijen hebben geen tijd

    Tot een afscheid komen
    De sterk versnipperde bundel krijgt samenhang in een paar teksten waar de dichter zich lijkt te bezinnen op waar hij mee bezig is. Beter gezegd: waar het gedicht faalt, en de dichter het herneemt om duidelijk te maken wat hem beweegt. Zoals in ‘6-4- / amsterdam zuid / rijswijk 15:42′ (p.60), waarin iets doorschemert van wat hij nastreeft en waarom dat niet (meer) kan. Na een vergeefse poging om de eeuwig veranderende wolken te beschrijven neemt hij een overstap in Leiden en realiseert zich:

    wilde wat onder woorden brengen
    van zo’n onbekende afscheidsroute
    waarvoor ik normaal gekomen
    met alleen wat ander denken
    in het normale hoofd op het normaal
    functionerende lijf, alleen
    een licht verschoven woordenweefsel
    om daar afscheid te nemen
    en tegelijk zolang mogelijk te blijven
    achter het onontkoombaar verdwijnen […].’

    Groenewegen is geen mooischrijver, ondanks het arsenaal aan poëtische technieken en strategieën dat hij tot zijn beschikking heeft. Zijn poëzie is meer van het hoofd dan van het hart – en ook zwaar op de hand, af en toe. Soms wil dat compenseren, zo lijkt het, met woordspel en zelfspot. Zo in gedicht 2/7/ – 22:00, met warempel een titel: ‘joubert’.

    hier is het fijn
    stof – vergeef mijn kort
    van stofheid, humor
    mijn sterkste zijde
    niet meer […]
    de woorden zelf
    bevatten nauwelijks nog lucht
    deze verhaalstof stikstof

    Achter in de bundel is een CD-ROM bijgevoegd die nóg een bundel bevat. Comments die 36 dichters op verzoek van Groenewegen schreven bij de laatste teksten die hij schreef (vanaf 3/8, en inclusief een tekst uit maart 2013 die niet in de papieren bundel staat). Commentaren, maar ook pogingen om iets met het einde van dit oeuvre te beginnen; om het voort te zetten met andere middelen. Zo stroomt Groenewegens poëzie over in die van anderen om ‘zolang mogelijk te blijven / achter het onontkoombaar verdwijnen’. Of, zoals hij zegt in ‘struikeling’ (10/8/ – 22:53): ‘wat ik nieuw wilde schrijven vervloeit met opnieuw schrijven van wat al geschreven is.’


    blijven en verreizen

    Gedichten 17/10 t/m 24/8

    Auteur: Hans Groenewegen
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 110
    Prijs: 19,90

  • Het ontstaan van een vriendschap in een armoedig Napels

    Het ontstaan van een vriendschap in een armoedig Napels

    ‘Als je nog niet zo lang op de wereld bent, is het moeilijk om te zien welke rampen ten grondslag liggen aan wat wij als ramp ervaren, en misschien heb je er ook geen behoefte aan. In afwachting van morgen bewegen grote mensen zich in een heden waarachter een gisteren ligt of een eergisteren  [….]: aan de rest willen ze niet denken. Kleine kinderen kennen de betekenis van eergisteren niet, en evenmin die van morgen, alles is dit, nu: dit is de straat, dat is de voordeur, dit zijn de trappen, dit is mama, dit is papa, dit is de dag, dit is de nacht. Ik was klein en als het erop aankwam wist mijn pop meer dan ik. Ik praatte tegen haar, zij praatte tegen mij.’

    Op een kwade dag wordt Elena gebeld door Rino, de zoon van Lila, haar hartsvriendin uit haar kinds- en puberteitsjaren, met de mededeling dat zijn moeder is verdwenen zonder een spoor achter te laten. ‘Ik was verschrikkelijk boos. Laten we maar eens zien wie dit keer zijn zin krijgt, zei ik bij mezelf. Ik zette de computer aan en begon onze geschiedenis op te schrijven, alles wat ik me ervan herinner, tot in de details.’

    Elena en Lila groeien op in de jaren 50 en 60 in een Napolitaanse volksbuurt, door Ferrante prachtig beschreven in sfeervolle beelden: de armoede van de jaren 50 tegenover de eerste verschijnselen van de consumptiemaatschappij in de jaren ’60; de langzaam eroderende Napolitaanse masculine machocultuur gebaseerd op het verdedigen van de eer van de familie; het losbreken uit de verstikkende sociale beslotenheid van de familie en de wijk, het ontluikende zelfbewustzijn van vrouwen. Ferrante slaagt er heel knap in de typisch lokale Napolitaanse werkelijkheid van die tijd te transformeren naar de meer universele werkelijkheid van de jaren ’50 en ’60. Ook voor ons in Nederland is deze heel herkenbaar in de opkomst van de nozems, de rock and roll, de TV en de auto, en de botsing tussen generaties.

    Als Lila de pop van Elena weggooit achter het gaas van het souterrain van de in de ogen van de kinderen meest boosaardige man van de wijk, beantwoordt Elena deze gemene streek met het op haar beurt weggooien van de pop van Lila. In plaats van te huilen om het gebeuren, sluiten ze een bondgenootschap en spreken af samen de poppen terug te halen. Dit is het begin van een levenslange vriendschap, waarvan de verhoudingen meteen duidelijk zijn. Beiden zijn voortdurend op zoek naar de grenzen van hun mogelijkheden, waarbij Lila het voortouw neemt en Elena niet aflaat te volgen. Door het verhaal in de ik-vorm te vertellen, is het mogelijk intens mee te leven met de gevoelens van Elena: gevoelens van bewondering voor Lila tegenover eigen minderwaardigheid, gevoelens van wrok en haat tegenover solidariteit en liefde. Elena leeft in voortdurende concurrentie met Lila. Lila is de geniale vriendin van Elena. Lila is wat Elena wil zijn. Beiden trotseren de benepen wereld van hun omgeving door weliswaar ieder hun eigen weg te gaan, maar voortdurend in contact met elkaar. Uiteindelijk blijken zij beiden er niet in te slagen zich hieraan te ontworstelen. Lila treedt in het huwelijk met iemand die haar op haar eigen huwelijksdag al weet te verraden, terwijl Elena beseft dat ook zij niet in staat is te ontsnappen uit de gevangenis van haar achtergrond door zich te voegen naar de conventies van haar omgeving.

    Eigenlijk ligt hierin ook de oorsprong van het verhaal. Elena kan niet accepteren dat Lila er uiteindelijk toch in zal slagen zich aan haar omgeving te ontworstelen door te vertrekken zonder een spoor achter te laten.

    Elena Ferrante heeft een heerlijk boek geschreven dat leest als een trein. Het biedt een prachtig inkijkje in de geesteswereld van een onzeker pubermeisje in een overgangstijd. Ook compositorisch zit het boek knap in elkaar: het heden dwingt volwassenen tot terugkijken, het verleden werkt door in het heden met het oog op morgen: Elena is woedend omdat Lila alsnog lijkt te slagen waar zij faalde.

     

     

     

  • oever drinkt oever

    oever drinkt oever

    Het lege land oogt verlegen

    Het eerste gedicht ‘tij / grijst’ heeft slechts deze twee woorden nodig om een geheel gedicht te zijn. En ondanks, of beter, dankzij die twee woorden laat het zich direct herkennen als een gedicht van B. Zwaal (Vlaardingen, 1944). Want sinds zijn debuut fiere miniature uit 1984 heeft deze dichter in het woordminimalisme, liefst vrijwel titel-, leesteken- en hoofdletterloos beleden, zijn handelsmerk gevonden. Zij het niet zijn enige. Want zijn – met oever drinkt oever – elf bundels omspannende oeuvre, kent ook een heel andere variant: het in lange zinnen uitwaaierende, weinig van de bladspiegel heel latende gedicht.

    Maar deze laatste variant lijkt B. Zwaal inmiddels te hebben afgezworen. In oever drinkt oever worden de ultrakorte gedichten weliswaar afgewisseld met verhoudingsgewijs langere en woordrijkere gedichten, maar de langste versregel telt niet meer dan dertien woorden. Wie de bundel snel doorbladert ziet het wit dan ook van de pagina’s spatten. Zwaals gedichten mogen kort zijn, ze vergen wel de nodige leestijd om de daarin samengebalde kracht tot z’n recht te laten komen. Deze poëzie is sterk op het woord geconcentreerd. En dat woord is niet zelden zelfgeconstrueerd. Bij woorden als ‘schalbloes’, ‘ijsheidevruchten’ en ‘doorhangdressoir’ geven woordenboeken niet thuis. Zo nu en dan komt ook iets archaïsch langs als ‘leeghwater’, ‘hulpe van tast’ of ‘oor komt ter schelpe’. Wanneer men na een woord als ‘spotplanken’ in de volgende regel op ‘draagklucht’  stuit, beseft men dat bij B. Zwaal abstracte poezie niet noodzakelijkerwijs humorloos hoeft te zijn. Een woord als ‘zoetlip’ lijkt schalks te knipogen naar de naam van Zwaals, voor de VSB Poëzieprijs 2009 genomineerde bundel zouttong.

    Het woord bij deze dichter kan nukkig, stuurs en baldadig zijn. Het kan de verstaanbaarheid saboteren, zoals het geval lijkt in de regel: ‘de snijsnede is vormzedig maar redeloos tureluurs loops op draf’. Maar evengoed kunnen de woorden inschikkelijk zijn en het vers op speelse wijze aansturen, als in het frêle gedicht dat met ‘o’ opent en aldus vervolgt:

    odalyk
    odalisk
    odalisque

    woelde
    op onrustige
    zee

    bedroog
    op het wisselend
    water

    spoelde
    op rustige
    zee

    bedroog niet
    op het eeuwige
    water

    vatte land

    dronk kaninefaat

    ontsluierde
    pelvis

     

    Een in zijn zuiverheid oosters aandoend vers, waarvan de soepelheid, zodra het land is bereikt, opeens smoort. Alsof het oosterse kamermeisje, Odalisk, in het water alle kanten op kan, maar eenmaal aan land, vastloopt in ondoordringbare betekenis. Heeft het nut te bedenken dat de Cananefaten in de Romeinse tijd hun leefgebied hadden tussen de mondingen van de Rijn en de Maas, en Zwaal zelf van Vlaardingen geboortig is? Dat de pelvis (‘bekken’) voorkomt bij gewervelden en dat daarbinnen de geslachtsorganen hun plaats hebben? De erotische associaties duiken immers veelvuldig op in het oeuvre van Zwaal: ‘zoenige benen / onder rijmrok’ heet het elders bijvoorbeeld. De woorden lijken in deze gedichten niet in eerste instantie geselecteerd op hun mimetische functie. Klank, associatieve waarde en ritme gelden hier als voornamere criteria. De schoonheid komt in deze poëzie uit een andere hoek en enige raadselachtigheid moet men daarbij op de koop toe nemen. Het decor in deze gedichten is, als vanouds bij Zwaal, dat van het water en het landschap, inzonderheid het cultuurlandschap van het zowel door vrachtschepen als mens en dier bevolkte rivierengebied. Een enkele naam die voorbijkomt lijkt die van een schip te zijn. De mens gaat bij Zwaal naamloos op in dit decor. Er is sprake van christenen, heidenen, boeren, vissers, jagers, een kramer en zelfs van ‘wij’: ‘wij loden / onze dreggen/ trachten naar trecht’. Maar een individuele tekening blijft uit. Op de mens als soort, niet als individu, is hier gerekend. Door de verzelfstandiging van objecten, de gepersonifieerde natuur, krijgen allerlei associaties makkelijk vrij spel. Er gaat zodoende een sterk suggestieve werking uit van Zwaals compacte poëzie, die daarmee rijk en bepaald niet voor één gat te vangen is. De zinnen roepen onherroepelijk meerduidigheid over zich af. Zo kan het woord ‘ontsluierde’ als adjectief gelezen worden, maar evengoed als werkwoordsvorm. In dit gedicht komen in ieder geval het water en het drinken samen. Uit een regel als ‘fustfeesten roeren de trom en de duigen spannen tezamen’ blijkt immers wel dat het woordje ‘drinkt’ uit de titel van de bundel vooral ook letterlijk mag worden gelezen. Het drinken en het stromen laat Zwaal overigens meesterlijk contrasteren in de regels: ‘de drankdrang zakt de rivier af / de zee zwemt genadiglijk op’.

    Hoe karig ook, deze poëzie wil nergens voorspelbaar worden. Werden hierboven de erotische connotaties aangestipt, even subtiel wordt de lezer op het verkeerde been gezet als er opeens staat: ‘de lange lendenen van de schermer / geel van boter’. Juist ja! Als in het ene gedicht sprake mag zijn van ‘tepelpret’ wil dat nog niet zeggen dat hier alles botergeil wordt opgediend. Een enkele keer heeft de boertigheid zich te opdringerig getoond: ‘donkere borsten dempen / donkere bieren slempen’. Dan wreekt het dat een barokke lyricus zich op een dieet van taalabstractie heeft gezet. Het fraaist en treffendst zijn daarom die gedichten waarin de woorden zich gelijkwaardiger tot elkaar verhouden en de meerduidigheid niet wordt weggekaapt door een dominante connotatie van een enkeling. Het mooiste gedicht is daarom misschien wel het op een na laatste:

    het grind dat beharkt
    de zondag ontvangt

    veenderij
    de brug over

    op de tiendweg
    een veenblauwtje lopen

    smal boven een cope
    de kus verliezen

    het lege land oogt verlegen
    poetst zijn sloten

    Sterke beelden! Lopen elkaar niet voor de voeten, maar completeren een tijdloos beeld van een veenpolder waarin de mensen (eerder reeds als christenen weggezet) hun zondag en daarmee hun leven ondergaan. Een zin als ‘ het lege land oogt verlegen’ is een juweeltje. Vanwege de enorme woordconcentratie met de vele zelfgekozen varianten die eerst binnen het geheel van de bundel langzaam op hun plaats vallen, zullen de meeste gedichten pas bij latere lezing hun schoonheid willen prijsgeven. Opeens kan men dan vallen voor de schoonheid van regels als: ‘grienden droegen de wilgen / boomden hun wateren voort’. Voor liefde op het eerste gezicht lijkt deze bundel niet het meest geëigend, maar wanneer men er eenmaal door in de ban is geraakt, zal de liefde niet snel bekoelen.


    oever drinkt oever

    Auteur: B. Zwaal
    Aantal pagina’s: 72
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Prijs: €19,90

  • Het geheim van een auteur

    Het geheim van een auteur

    Er schuilt een wrange paradox in het interpreteren van teksten: hoe meer je het doet, hoe lastiger het lijkt te worden. Kinderen hebben het absoluut het gemakkelijkst. Als er staat geschreven: ‘Jan is boos’, dan ís Jan boos. Een mooie, eerlijke situatie – die echter beperkt is in zijn mogelijkheden. In de bovenbouw van de basisschool en op de middelbare school leren we daarom dat we een eigen interpretatie moeten geven aan een zin als: ‘Jan hoorde die belediging en er verschenen rimpels op zijn voorhoofd’: wat betekent het als er rimpels verschijnen? Gebeurt dat uit woede? Maakt Jan zich zorgen? Of is het verbazing? Goede romans, zo leren we, leggen zoiets niet uit, maar laten de lezer zelf die denkstap maken.

    Maar het allerergst is het in de grotemensenwereld. Het interpreteren is hier zelfs zo moeilijk, dat er een heuse studierichting voor bestaat: de hermeneutiek. Literatuurwetenschappers denken soms heel verschillend over het interpreteren van teksten; niet alleen ten opzichte van vroeger, maar zeker ook ten opzichte van elkaar. Tal van vragen doen de ronde, maar ze hangen allemaal samen. Willen we weten wat de achterliggende gedachte van een tekst is? Zo nee, waar letten we dan op? En zo ja, hoe komen we dat dan te weten?

    Vernieuwend aan Daniël Rovers’ essaybundel De figuur in het tapijt is dat hij een nieuwe manier van interpreteren voorstelt: niet door als een pietje-precies de zinnen te ontleden of door een groot contextgericht onderzoek op te starten, maar door een werk te beschouwen binnen het oeuvre van de auteur. Wat is een constante, een rode lijn, een ‘figuur in het tapijt’? Oeuvreonderzoek dus. Hij bespreekt op deze manier zes auteurs: Frans Kellendonk, Willem Jan Otten, Tonnus Oosterhoff, Marie Kessels, Marjolein (thans Maxim) Februari en Marc Kregting.

    Rovers zelf vat de moeilijkheid van de literatuurbeschouwing als volgt samen: ‘hoe te schrijven over de eigenheid van literatuur zonder meteen dat eigene in een uitspraak erover op te geven?’ (p.17). Hij wil zich in zijn essays juist wel richten op dat eigene. De titel van deze bundel is ontleend aan een verhaal van Henry James, The Figure in the Carpet, dat handelt over de zoektocht naar het ‘geheim’ van een auteur. Rovers maakt het minder sensationeel en stelt dat er steeds sprake is van een auteursfiguur en een figuurauteur. De auteursfiguur komt alleen naar voren in het oeuvre van de auteur, en is dus de auteur zoals we die enkel vanuit zijn teksten leren kennen. De figuurauteur daarentegen is het beeld dat we van een auteur hebben – door (auto)biografieën, interviews, recensies enzovoort. Dit laatste heeft, zo zegt hij zelf, consequenties voor zijn eigen essays, want ‘een beschouwer die pretendeert het laatste woord over een oeuvre uit te spreken door de auteursfiguur te benoemen, draagt daarmee in de eerste instantie bij aan de vorming van een nieuwe figuurauteur’ (p.37).

    Op deze verhandeling (en een vlot geschreven geschiedenis van de literatuurbeschouwing) volgen de eigenlijke essays. Opvallend is dat Rovers in deze essays maar weinig spreekt van het onderscheid tussen auteursfiguur en figuurauteur, hetgeen onwillekeurig de indruk wekt dat zijn oeuvreonderzoek minder systematisch was dan hij in de inleiding doet geloven. Maar tijdens het lezen vormt dit geen gemis. Vanuit tal van invalshoeken introduceert of belicht Rovers de afzonderlijke auteurs en hun werken, van stijl en poëtica tot media, pornografie en politiek. Sterk naar voren komt zijn immense kennis van de oeuvres; het kan haast niet anders dan dat hij (welhaast) alles gelezen heeft. Tezelfdertijd heeft hij zijn boek zó geschreven dat de gemiddelde leek zich er prima mee kan redden. Nimmer is het nodig om de besproken teksten vooraf te hebben gelezen; citaten en korte samenvattingen bieden voldoende houvast.

    Het essay, letterlijk een ‘probeersel’, is in meerdere opzichten een veilig genre. Een auteur hoeft er niet louter objectief te zijn, maar geeft ook zijn eigen opvattingen. Niet alles vereist wetenschappelijke verantwoording, de stilistische kant is minstens zo belangrijk als de informatieve. Maar het is bovenal een literair genre, en de schrijver Daniël Rovers, die ook de romans Elf (2010) en Walter (2011) publiceerde, kan er als geen ander mee uit de voeten. Zijn stof is uitermate diepgaand, maar hij brengt het boeiend en begrijpelijk.

    Bovendien zet hij met zijn oeuvreonderzoek een belangrijke stap binnen de letterkunde, zowel toegepast (dus met betrekking tot de specifieke auteurs) als theoretisch, met zijn focus op het oeuvre en op het onderscheid tussen de auteursfiguur en de figuurauteur. Al met al vormt De figuur in het tapijt daarom een voorname bijdrage aan, en een uitstekende inleiding in de literatuurbeschouwing.

     

    De figuur in het tapijt
    Op zoek naar zes auteurs

    Auteur: Daniël Rovers
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 318
    Prijs: € 29,90

  • Dat ‘kunst moge voltooien, wat de natuur begon’

    Dat ‘kunst moge voltooien, wat de natuur begon’

    Dat ‘kunst moge voltooien, wat de natuur begon’

    Recensie door Huub Bartman

     

    ‘Wat is het leven? Een mijnenveld.

    Wat is veinzerij? De voorwaarde om hogerop te komen.

    Wat is liefde? De mooiste van alle illusies.’

    Onlangs is van de hand van Karin Verhoeven bij uitgeverij Wereldbibliotheek een vertaling verschenen van Die schonende Abwehr verliebter Frauen van Adam Soboczynsky onder de titel: Bluf! De kunst van het veinzen. In drieëndertig verhaaltjes uit het dagelijks leven laat Soboczynsky ons zien voor welke dilemma’s de moderne mens kan komen te staan in zijn relatie met anderen zowel op het persoonlijke als op het zakelijke vlak. Om zich staande te houden in het leven is het noodzakelijk voortdurend te veinzen. Ook al krijgen wij bij het woord ‘veinzen’ doorgaans een wat nare smaak in de mond, Soboczynski is van mening dat veinzen onlosmakelijk verbonden is met de menselijke soort, ook al vinden wij dat niet altijd leuk om te horen. We veinzen dan ook lang niet altijd bewust, we ontkomen er gewoon niet aan. Hoewel veinzen iets van alle tijden is, is het juist in onze snel en voortdurend veranderende samenleving van belang zich de kunst van het veinzen eigen te maken. Vroeger, in de pre-industriële samenleving, waren de mogelijkheden om zelf je leven in te richten beperkt. Veinzen was daarom voor de meeste mensen maatschappelijk gezien van secondair belang en vooral interessant voor ‘de hoveling’, die altijd op zijn hoede moest zijn voor zijn positie. Nu echter ‘laten de veranderende en verscherpte concurrentievoorwaarden de uitrusting van de hoveling uit vervlogen tijden, die zijn emoties wist te beheersen, weer schitteren in nieuwe glans’. ‘De moderne mens heeft met de hoveling gemeen dat hij zich scherp bewust is van zijn rol. In iedere tv-show, of het nu een politiek debat is of een modellenwedstrijd voor jonge vrouwen, staat de presentatie centraal, de huichelarij, het strategisch gebruik van het lichaam’. Hiermee plaatst Soboczynsky zich bewust in een traditie van voorgangers die schrijven over de kunst van het veinzen zoals de Spaanse jezuïet Baltasar Gracian en de Italiaanse diplomaat Baldassar Castiglione. Net zo min als zij heeft Soboczynsky de bedoeling ‘de mensen moreel te stichten’, maar ze een handvat te bieden zich met meer kans op succes door het leven te slaan, opdat ‘kunst moge voltooien, wat de natuur begon’, aldus de op Gracian gebaseerde leidraad van het boek. Soboczynsky zal er dan ook zeker geen bezwaar tegen hebben als we zijn boek als amoreel kwalificeren, een handleiding voor ‘mensen die hogerop willen komen’, een post-modern boek in de aloude traditie van de Griekse sofisten.

    Hoewel de anekdotes schijnbaar los van elkaar staan, zien we de hoofdpersoon van de ene anekdote in een andere weer opdraven in een bijrol. Hierdoor ontstaat er een inwendige structuur in het boek, die de lezer dwingt zo af en toe eens terug te bladeren omdat hij zich afvraagt: ‘Anja, wie was dat ook al weer?’, of ‘Walter, had die niet iets met …….., ja, met wie ook weer?’ Een ander structurerend element wordt gevormd door het feit dat Soboczynsky met een zekere regelmaat een samenvattend intermezzo inbouwt: ‘We hebben het verhaal van de wijnboer gehoord, die ……; van de architect Stefan Karst, die ………; van de jonge wetenschapper, die ………; van de moeder die ……..’ om vervolgens aan te vangen met een anekdote waarin weer een ander aspect van het veinzen belicht wordt.

    De titel die Karin Verhoeven aan het boek heeft meegegeven doet overigens eigenlijk meer recht aan de inhoud dan de titel van de oorspronkelijk Duitse uitgave. De verhaaltjes gaan immers niet allemaal over ‘verliebter Frauen’. Soboczynsky schrijft soepel en gemakkelijk en weet aan de lezer regelmatig een lichte grijns te ontlokken vanwege de hilarische situaties waarin hij zijn personen situeert en die door hem met een goed gevoel voor timing worden behandeld.

     

    Bluf!
    de kunst van het veinzen

    Auteur: Adam Soboczynsky
    Vertaald door: Karin Verhoeven
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 160
    Prijs: € 17,90

  • Lijkenbitter of de geur van een nieuwe tennisbal

    Lijkenbitter of de geur van een nieuwe tennisbal

    Na Banjoman en Een Uil in de Zon is er nu de derde dichtbundel, Lijkenbitter, van Hans Dekkers (1954), die al tweemaal zoveel romans op zijn naam en een carrière in de new wavemuziek achter zich heeft.
    Dit met flappen en waardig papier vormgegeven Lijkenbitter telt 35 gedichten die, op een enkel losstaand gedicht na, gegroepeerd zijn in acht afdelingen.

    Wie zijn oog laat gaan over de inhoudsopgave ziet namen als Borges, Nietzsche, Gerard Manley Hopkins, Juan de la Cruz en wie vervolgens aan het lezen slaat beseft dat Dekkers zijn in eerdere bundels ingezette weg onvervaard vervolgt. Wie vervolgens leest: ‘Lichtvoetig trippelen de doden over mijn tong’ vermoedt dat hier een loopje met de lezer wordt genomen. Goed, van doden kan men in deze bundel veel vernemen, maar lichtvoetig wordt het nergens. Neem alleen al de neologismen als: vleesbarst, ijswei, eiweke, dovemanskot, ondergrondbestaan. Voor lichtvoetigheid tapt men uit een ander vaatje.

    En wat te denken van het woord lijkenbitter zelf, waarvan de dichter in Hymne de receptuur geeft: ‘Zat van de aarde, de humus, / de eiweke watergruwel, grijpen wij / naar het lijkenbitter. / Niet de groene fee, bedriegster van dichters, / maar het elixer dat vuur uit sintels zuigt, / drakenbloed en christustraan ineen, / gebrouwen uit de doden.’ Of dit een heilzaam goedje betreft is zeer de vraag. Klare wijn wordt hier niet geschonken. Diffuse echo’s uit een mythische voortijd weerklinken: ‘Het onland onbeslagen, wij gronden hier / de kiemplaats van een verdronken stad./ Woorden borrelen in de stroperige drank, / een dode man spreekt.’

    Maar wie het droog houdt bij een zin als ‘Mijn Titanic is een leeg glas. In klitten / van haarvaten ontsteken ideeën.’ heeft aan Lijkenbitter een goeie. Want de bundel wemelt van dit soort, vrij particuliere, duistere beelden, die er niet op uit lijken hun geheimen met de lezer te delen. Lezers die menen dat kunst het raadsel niet genoeg kan vergroten, kunnen hun hart ophalen: ‘Ik hef me op, ik wil alleen de lucht nog zien, / de spiegel die zichzelf wil bekijken en zich / daarmee tenietdoet, mijn begeerte / wekt concentratiekampogen.’

    Het veelvuldig tegen elkaar uitspelen van tegenstellingen verraadt Dekkers’ barokke inborst: ‘De hemel steigert / in een helder glas / waar de duisternis op licht aast’. Gespeend van bombast is het lang niet overal: ‘Met ongestilde, onstilbare honger / sluit hij zich op in een doofstomme nacht.’ Een hermetische, fantastische beeldentaal kenmerkt zijn poëzie intussen niet minder: ‘Eens naakt voor de spiegel / begonnen stukken vlees te verdwijnen / nam de spiegel delen tot zich / zoals hij voorheen gezichten in zich opnam.’ De lezer is weinig rust gegund. Beelden jakkeren als opgejaagde wolken voort onder een noodlotzwangere hemel, en nog voor het ene beeld verlaten is, dient het volgende zich al aan.

    Maar soms, als het wolkenzwerk even openbreekt en er een glimp van licht doorheen schemert, valt er een korte adempauze in het gedicht en bloeit er iets moois op: ‘De zwarte glans / van zijn aureolen en de beknotte / mijmeringen van zijn glorie.’ Of: ‘Dan ritselt de nacht / van kippenkoorts / en huilen de dollemannen / in het dovemanskot.’ En: ‘De zwijgende muziek is / een wake verborgen in een wake.’ Van een barok gesmede zin als ‘Het licht in de huizen / gorgelt geel in ’s dichters keelgat.’ kan men de bekoring verstaan. Er zingt zich met galante Schwung iets los uit de draaikolk van holle frasen en lege hulzen. En een passage als ‘Met de trots van nederigheid / opent hij zijn documenten / en citeert. / De luizen in zijn baard citeren mee / en de nagels aan zijn kist haken in.’ mag er ook zijn.

    Dekkers komt als barokke woordsmid goed weg als hij zich waagt aan een beschrijving van de hoogbarokke Dresdner bouwkunst: ‘Verwrongen jubel rond de pleinen, omhelsd / door de liefdevolle wurggreep / van een kronkelende adder van gesmolten lood. / Op de Neumarkt zingen kozakken / een droevig lied, in hun pet rinkelen ontroerde / euro’s een roes van Saksisch bier en Zwiebelfleisch,’. En in Chinoiserie in Brighton gaat zijn plastische stijl aangenaam los: ‘In elk ornament bot de dood uit (…) De draak aan het plafond spuugt een kroonluchter uit.’ Dergelijke passages, die de lezer blij maken, zijn echter in de minderheid in deze bundel. Chique titels als Hymne, Quilmes en Amor prohibido kunnen niet verhullen dat ze maar weinig regels bevatten waar chocola van te maken valt.

    In de negen gedichten tellende afdeling De Nachten, met het serene, aan Tristan und Isolde ontleende motto ‘O, nun waren wir Nacht-Geweihte’ gaan maar liefst zeven getooid met een naam van een kunstenaar/dichter uit de categorie ‘niet de eerste de beste’: Borges, Goya, Poe, Diepenbrock, Nietzsche, und so weiter…Het mag duidelijk zijn: voor minder doet Dekkers het niet. Hij laat zich blijkbaar graag inspireren door een bont gezelschap van illustere voorgangers, die hij een voor een herschept in zijn eigen plastiek: ‘Zijn hymnen die de nacht / laten zingen van binnenuit / schemeren indigo/ water dat stilstaat / en kijkt.’, heet het van Diepenbrock. Te midden van de soms als opdringerig te ervaren beelden, springt De nacht van Borges eruit:

    Niet langer in staat de veelheid te zien,’
    omwikkeld door een eeuwig duister,
    zoekt hij troost in het absolute.

    Oidipous in een mistig woud,
    zoon van een onbekende angst.
    Zijn broze tastende hand
    omklemt een wandelstok.

    De lucht trekt samen.
    De roos wordt de Roos, de tijger de Tijger.
    Zijn vader de Nacht.’

    Afgezien van de regel ‘De lucht trekt samen’ die als stoplap fungeert, is dit gedicht een oase van rust. Hier vertrappen de beelden elkaar niet, hier wacht de ene zin tot de andere is uitgesproken. Hier wordt geen geheimtaal gesproken ter camouflage dat er niets wordt meegedeeld. Hetzelfde kan gezegd worden van het afsluitende gedicht Orfeus. In weerwil van zijn titel blijft het dichtbij huis en worden er, na al het voorgaande tumult, in ontwapenende eenvoud inspirerende voorvallen herinnerd, variërend van ‘De smaak van een framboos, / Smeltende sneeuw in je hand.’ via ‘Een verlaten tennisbaan in een park’ tot ‘De geur van een nieuwe tennisbal.’ Misschien moet er in een volgende bundel gewoon wat meer getennist worden.

     

     

  • De ontembare kracht van Tien Kamelen

    De ontembare kracht van Tien Kamelen

    Een intrigerende titel die twee culturen in zich verenigt, en een onbekende Vlaamse schrijver met een Friese voornaam, dat maakt nieuwsgierig. Even googelen levert op dat Bouke Billiet een echte Vlaming is, die weliswaar al meer geschreven heeft, maar In de naam van Tien Kamelen is zijn eerste roman. Een roman waarin meer bij elkaar komt dan alleen de twee culturen die in de titel zijn verwerkt.

    Billiet schrijft het verhaal van een illegaal allochtoon weesmeisje met de bijzondere naam Tien Kamelen, dat haar weg door het leven zoekt. Ze wordt daarbij niet gespaard maar met de kracht van tien kamelen slaat ze zich door alle moeilijkheden heen.

    Het boek leest gemakkelijk weg. Bouke Billiet heeft een vlotte, moderne schrijfstijl die nergens geforceerd aandoet. Hoewel hij zware problemen aan de orde stelt, blijft zijn toon luchtig. Af en toe is zijn taal poëtisch beeldend, soms ook geeft hij via zijn hoofdpersoon blijk van een bijzondere kijk op de werkelijkheid.

    De structuur is helder. Het boek is verdeeld in twee delen. In het eerste deel groeit de hoofdpersoon op in een redelijk beschermd milieu in een Vlaams rusthuis. Aan deze betrekkelijk rustige jeugd komt abrupt een einde en in het tweede deel moet ze op eigen benen verder, zelfstandig een toekomst opbouwen, volwassen worden.
    Deze twee delen worden geregeld onderbroken door wetenswaardigheden over kamelen, waaruit duidelijk wordt met hoeveel recht de hoofdpersoon van deze roman de naam Tien Kamelen draagt.

    Want ze krijgt nogal wat te verduren, dit weesmeisje wier moeder bij haar geboorte is overleden, maar dat liefdevol is opgenomen in het rusthuis waarin haar moeder werkte, zodat ze daar veilig en geborgen kan opgroeien. Ze werkt mee in het rusthuis: ze brengt eten rond en helpt bij de verzorging van de bewoners: oude mensen, getekend door het leven. Deze mensen vertellen haar verhalen. Hun eigen verhalen, of de verhalen over de andere bewoners. En niet zelden krijgt eenzelfde verhaal, wanneer het verteld wordt door iemand anders, een heel andere wending. En ook dezelfde persoon kan telkens een heel nieuwe kijk op zijn of haar verleden bieden. Wat is waarheid en wat is verzonnen? Het geeft een mooi beeld over de verwarring waaraan deze oude mensen ten prooi zijn gevallen, hun vaak tragische levensloop en hun eenzaamheid.

    Ook wordt Tien Kamelen al in haar jeugd geconfronteerd met discriminatie, maar dit levert vooralsnog slechts wat krasjes op, geen blijvende littekens.
    Ze blijkt een intelligent en ondernemend meisje te zijn, dat ondanks alle tegenslag steeds opnieuw voldoende veerkracht vindt om alle moeilijkheden te overwinnen. Want die zijn er in overvloed. Problemen die haar overkomen buiten haar toedoen, maar ook problemen die het gevolg zijn van haar eigen soms nogal roekeloze handelen.

    En hier wringt het boek toch een beetje. Er worden zo veel problemen aangekaart, dat de geloofwaardigheid wordt aangetast. Hoeveel ellende kan een mens aan? Er blijft vrijwel geen probleem onbesproken: in willekeurige volgorde passeren problemen als dyslexie, gehandicapten- en ouderenproblematiek, asielzoekers en illegaliteit, discriminatie, mishandeling, prostitutie en homoseksualiteit de revue. In het eerste deel van het boek valt het nog mee: hoewel Tien Kamelen weliswaar enige fysieke schade oploopt, ervaart ze de harde buitenwereld nog vooral indirect. In het tweede deel echter, wanneer Tien Kamelen als ‘illegaal’ het rusthuis heeft moeten verlaten na een noodlottig incident, en waarin ze op eigen benen zonder geld en papieren verder moet, wordt ze geconfronteerd met de rauwe werkelijkheid en alle daarbij behorende ellende.

    De vertelstijl blijft echter consequent luchthartig en af en toe ironisch; Tien Kamelen blijft positief en heeft voor elk probleem een pragmatische oplossing. Is het typisch Nederlandse zwaarmoedigheid om te denken dat dit niet meer geloofwaardig is? Moeten we in dit opzicht misschien toch een voorbeeld nemen aan onze zuiderburen? Is het echt zo dat een positieve grondhouding, een blijmoedige kijk op de wereld en een sterke persoonlijkheid de mens in staat stellen alle moeilijkheden het hoofd te bieden?

    Billiet vraagt aandacht voor de schrijnende situatie waarin vele ‘buitenstaanders’ zoals ouderen, asielzoekers en illegalen verkeren. Hij heeft daarbij een hoopgevende boodschap, omdat hij aantoont waartoe de mens in staat is wanneer hij, zoals kamelen doen, zijn diepste reserves aanboort. En dus, geheel in overeenstemming met de positieve verteltrant en de optimistische instelling van Tien Kamelen, komt aan het eind alles op z’n pootjes terecht en vindt de hoofdpersoon ten slotte haar bestemming. En uiteindelijk zal er geen enkele lezer zijn die Tien Kamelen deze afloop niet van ganser harte gunt.

     

    In de naam van Tien Kamelen

    Auteur: Bouke Billiet
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 232
    P

    rijs: € 18,90

  • Mislukte lasagne

    Mislukte lasagne

    Er zijn lezers en schrijvers die menen dat literatuur uit lagen bestaat. Met de oppervlakte nemen zij geen genoegen, er moet diep gegraven worden. In lagen kunnen lezers, alsof ze archeoloog zijn, heerlijk spitten en ze hebben ook nog de gelegenheid om hun vondsten te duiden door ze aan een of andere laag toe te schrijven. Lagen suggereren diepte en hun aanwezigheid biedt houvast in de nooit aflatende strijd tegen de oppervlakkigheid.

    Misschien is het verhelderend om de gelaagde roman te vergelijken met lasagne. Een belangrijke eigenschap van lasagne is dat de laagjes afzonderlijk vaak helemaal niet zo bijzonder zijn, het is de combinatie die het geheel aantrekkelijk maakt. De goede lasagne vormt een geheel in de diepte, niet in de breedte. Maar wie recentelijk over paardenvlees gelezen of gehoord heeft, weet dat niet elke lasagne uitblinkt in kwaliteit. Voor lasagneliteratuur is dat helaas niet anders.

    De korte roman De corrector van de Spaanse auteur Ricardo Menéndez Salmón is een voorbeeld van een lasagneroman. De eerste laag die we aantreffen is nogal dun en wordt gevormd door het verhaal van een corrector, Vladimir, die bezig is een vertaling van Dostojewski’s Duivels (ook wel vertaald als Boze Geesten) op fouten te controleren. Vladimir is getrouwd, heeft een kind verwekt bij een andere vrouw (waar zijn vrouw niets van weten mag) en zijn ouders leven nog. Vroeger is hij schrijver geweest, maar met zijn romans wil hij het liefst niets meer te maken hebben.

    Dostojewski’s roman Boze Geesten is een roman over terroristen en dat brengt ons bij de tweede laag waarin de bomaanslagen in Madrid in 2004 beschreven worden. Deze aanslagen, waarbij 191 doden vielen, vonden drie dagen voor de Spaanse verkiezingen plaats. De regerende Partido Popular (PP) was bang dat de aanslag door veel kiezers als straf zou worden opgevat voor de Spaanse steun aan de Amerikaanse inval in Irak. In een poging om de publieke opinie in elk geval tot na de verkiezingen te beïnvloeden werd de ETA als belangrijkste verdachte genoemd, terwijl men heel goed wist dat de daders extremistische moslims waren. Ironisch genoeg verloor de PP de verkiezingen juist door deze poging tot misleiding van de publieke opinie en niet door de aanslagen zelf. Dat laatste punt speelt overigens geen rol in de roman. Ironie is niet aan Salmón besteed – helaas niet, ben je na afloop geneigd te zeggen.

    Veel details over de aanslagen en hun nasleep krijgen we overigens niet te lezen. Vladimir krijgt het nieuws over de aanslagen en hun nasleep te horen via de T.V. en de telefoon, de hele roman komt hij zijn kamer niet uit. De gebeurtenissen in de buitenwereld zijn dan ook alleen een aanleiding om de eigen binnenwereld te verkennen. Dat brengt ons bij de derde en verreweg dikste laag, die wordt gevormd door zwaar aangezette beschouwingen.

    Vladimir is ontzet door het gewelddadige nieuws en verbaast zich over de kalme voortgang van het dagelijkse leven. De leugens van de politici over de betrokkenheid van de ETA zijn aanleiding om eens flink te filosoferen over leugens, taal en feiten. Bij Salmón wordt liegen al gauw ‘perverteren van de werkelijkheid’ en hij komt met een onderscheid tussen ‘feiten-feiten, halve feiten en feiten die nooit hebben plaatsgevonden’. Wie zich wel eens serieus met filosofie bezig heeft bezig gehouden, merkt dat de schrijver het onderscheid tussen feit en bewering niet begrepen heeft, of niet de moeite waard heeft gevonden. Dat zou nog niet zo erg hoeven te zijn als het aardige gedachten en mooie zinnen zou opleveren, maar dat is helaas niet het geval.

    Zo vind je behoorlijk wat wijsgerige dooddoeners in deze lasagne. Bijvoorbeeld dat het hele leven een grote leugen is. Let ook op hoe Salmón het formuleert:

    Ons leven, ons hele leven, van zonsopgang tot het uur van de wolf, is één grote leugen, een schaduw, een intense schijnvertoning. Fjodor Dostojewski wist het. Albert Camus wist het. John Maxwell Coetzee (…) weet het ook.’

    Het helpt ook niet dat Salmón te pas, maar vooral te onpas, met namen van bekende filosofen, schrijvers en kunstenaars strooit alsof het pepernoten zijn. Het noemen van al deze namen moet blijkbaar benadrukken dat het hier om verheven en bovendien serieuze zaken gaat. Dit idee gaat gaandeweg steeds meer irriteren en het is daarom maar goed dat deze roman dun is, nauwelijks 125 bladzijden.

    De laagjes willen, afzonderlijk of in combinatie, geen enkel moment echt smaken. Het geheel is geschreven in een stijl die geforceerd ‘Literair’ aandoet – let op de hoofdletter. Salmón verliest zichzelf in een overspannen wens groots en verheffend te willen schrijven. Neem bijvoorbeeld de volgende zin waarin twee vergelijkingen over elkaar heen buitelen:

    ‘Ik kan zelfs met zekerheid zeggen dat veel van die gezichten zijn uitgedoofd als oude sterren en dat het spoor ervan in mijn leven me nu even onmogelijk te vertalen blijkt als een in het Hebreeuws geschreven tekst dat zou zijn.’

    Ironisch genoeg maakt Salmón een fout die doet denken aan die van de Partido Popular in 2004.  De partij verloor de verkiezingen door acties die nu juist moesten verhinderen dat ze de verkiezingen verloor. Salmón maakt de fout zo graag een literaire roman te willen schrijven dat het resultaat als literatuur niet wil overtuigen. Het is veel te nadrukkelijk diepzinnig en indrukwekkend bedoeld en daardoor in toenemende mate ergerniswekkend flauw.

    Het is bovendien merkwaardig hoeveel fouten er staan in een roman waarin de hoofdpersoon beroepshalve niets anders doet dan het opsporen van fouten in het werk van anderen. Om er een paar te noemen: Vladimir krijgt een telefoontje van zijn vriend en ‘begrijpt onmiddellijk dat er iets ernstigs aan de hand is’. Ongeveer een pagina later, als het gesprek nog nauwelijks verder is en er nog niets inhoudelijks is gezegd, breekt bij hem het inzicht door dat er ‘echt iets ernstigs is gebeurd’. Maar als hij dat aan het begin van het gesprek al gemerkt had, dan kan dat tweede inzicht niet veel voorstellen.

    Regelrecht onjuist is dat Bloody Sunday in Belfast plaats vond, dat moet Derry zijn. En de zin  ‘Ik ben per definitie monogaam,’ is om meerdere reden onjuist. Monogaam is men niet enkel en alleen op grond van een definitie en bovendien blijkt Vladimir in het verleden helemaal niet monogaam te zijn geweest.

    Ten slotte, en iets lastiger op te merken voor een corrector, is Salmóns gebrekkige kennis van wijsbegeerte. De gevolgtrekkingen die hij doet kloppen vaak niet en zijn methode lijkt er vooral uit te bestaan om eenvoudige zaken moeilijk voor te stellen, en ze met zwaar aangezette woorden te verheffen tot iets wat ze niet zijn. Dat bezwaar vat aardig samen wat er schort aan deze roman.

    Ten slotte blijkt De corrector ook nog eens een afsluiting van een trilogie over ‘het Kwaad’ te zijn. Bijna zou je verzuchten dat dit teveel van het goede, niet het kwade is, maar bij nader inzien lijkt niet het goede of het kwade maar eerder de lelijkheid de boventoon te voeren. Misschien biedt een ouderwetse spaghettiwestern tegenwicht tegen deze lasagneroman. Maar daarover een andere keer.

     

     

  • Duivelse bedrieglijkheid

    Duivelse bedrieglijkheid

    Soms lees je een prachtig boek dat je met een ongemakkelijk gevoel achterlaat. Satanstango is zo’n boek. László Krasznahorkai (Hongarije, 1954) schreef zijn debuutroman Satanstango al in 1985. Op dat moment gebeurde er veel in Hongarije, zelfs datgene dat niemand had verwacht. Het land veranderde, het communistische regime van leider Kádár wankelde. Dat maakte veranderingen in de literatuur mogelijk. Boeken die eerder taboe waren, werden nu wel uitgegeven. Satanstango verscheen, en oogstte zelfs lovende kritieken. Al was ook dit boek nog deels ‘veilig’ metaforisch: het verhaal zou zich overal hebben kunnen afspelen, al is het duidelijk dat Hongarije de plaats van handeling is.

    Satanstango speelt zich af op een naamloze, onherbergzame plaats, die ‘de kolonie’ wordt genoemd. Een toekomst is er niet, hoop evenmin sinds de landbouw ten onder ging. Armoede, leegte en uitzichtloosheid overheersen. Net als haat,wantrouwen en drankzucht. Een fijne plek is de kolonie niet. Het handje vol achtergeblevenen, de enigen die niet naar de stad trokken, weet dat hun situatie uitzichtloos is en dat redding onmogelijk is. Toch laten ze zich inpalmen door Irimiás en zijn helper Petrina. Misschien toch, tegen beter weten in, uit hoop op een beter leven? De kolonisten, al is dat eigenlijk niet echt de juiste naam voor het hulpeloze groepje ‘slaven zonder meester’, hebben slechts achternamen, zoals Kráner en Futaki. Anderen worden gekarakteriseerd door hun beroep zoals ‘de dokter’. De groepsdynamiek in de kolonie is fascinerend, net als de interactie tussen Irimiás en Petrina. ‘Luister makker, jij bent mijn leermeester, mijn redder, de nagel aan mijn doodskist en mijn moordenaar,’ is Petrina’s reactie als Irimiás hem vertelt dat ze teruggaan naar de kolonie. Wat er in het verleden gebeurd is, wordt niet duidelijk. Waarom ze verdwenen en doodgewaand werden, laat Krasznahorkai in het midden. Wel is meteen duidelijk dat hun terugkeer de ingeslapen kolonie in beweging brengt. Zoals vaak in deze roman duurt het even voor het voor de lezer duidelijk wordt wat er gebeurt of waar de scène over gaat. Dat leidt tot desoriëntatie en onrust, vooral over het centrale onderwerp van het boek: de terugkomst van Irimiàs. Heel lang blijft het onduidelijk: hebben de kolonisten te maken met de verlosser of met de duivel?

    Omdat Krasznahorkai een wisselend perspectief hanteert, krijgt de lezer een divers beeld van het leven in de kolonie. Het perspectief wisselt niet alleen tussen de personages, soms is er ook een alwetende verteller. De perspectiefwisselingen en de vaak erg lange zinnen vragen flink wat concentratie van de lezer, maar die krijgt er wel iets voor terug: een zeer indringend beeld van het leven in de kolonie. Vooral de scènes vanuit het perspectief van de manipulerende Irimás zijn meeslepend, met name zijn toespraak vol duivelse bedriegelijkheid. Maar dan blijkt ineens dat alles anders is dan het lijkt en het verhaal begint opnieuw.

    Zoals gezegd, uitzichtloosheid en troosteloosheid voeren de boventoon. Maar vreemd genoeg verheft de auteur door zijn prachtige manier van schrijven armoede bijna tot schoonheid.
    Armoede is een thema dat regelmatig terugkomt in Krasznahorkai’s werk. Het tekende zijn kindertijd en in zijn werk romantiseert hij het bijna. Zoals hij op de achterflap zegt: ‘Het grootste verlies is het verlies van armoede, het vermogen om prachtige liederen te zingen als we arm zijn. Nu kennen we alleen nog maar mensen die geen geld hebben.’

    Het verwondert dat de Nederlandse vertaling van Satanstango zo lang op zich heeft laten wachten. Al bij het verschijnen in Hongarije kreeg het lovende kritieken en in 1994 werd het boek verfilmd tot een maar liefst 7,5 uur durende zwart-wit film die al snel een cultstatus bereikte. Maar nu is het dan eindelijk zover: de Nederlandse vertaling van een boek dat binnenkomt, maar niet vrolijk maakt.