• Slachtoffers van een discriminerend rechtssysteem

    Slachtoffers van een discriminerend rechtssysteem

    Een familiekwestie van Claire Lynch is een indringende roman over liefde, moederschap en de blijvende gevolgen van maatschappelijke uitsluiting. Claire Lynch is een Britse schrijfster en literatuurdocente en maakte eerder naam met haar non-fictiewerk Small: On Motherhoods. Daarin verkent ze persoonlijke en maatschappelijke perspectieven op queer ouderschap. Dit thema zet ze ook in haar romandebuut overtuigend voort. Het boek is een van de vier boeken op de shortlist voor de Debut Fiction Award van de Nero awards,  een van de belangrijkste prijzen binnen de Engelstalige literatuur, die op 4 maart 2026 wordt uitgereikt. Lynch putte voor dit boek niet alleen uit persoonlijke gesprekken met oudere generaties lesbische moeders, maar ook uit haar uitvoerig juridisch en historisch onderzoek naar de positie van LGBTQ+-ouders in het Verenigd Koninkrijk in de jaren tachtig. In de auteursnoot aan het einde van de roman benadrukt ze expliciet hoe structurele discriminatie in die periode levens en families blijvend heeft getekend, en hoe weinig van die verhalen collectief bewaard zijn gebleven.

    Een nieuwe liefde

    De roman speelt zich af op twee tijdsniveaus. In de vroege jaren tachtig volgen we Dawn, een jonge moeder die samen met haar man Heron en hun dochter Maggie een ogenschijnlijk conventioneel leven leidt in een Engelse provinciestad. Wanneer Dawn nieuwkomer Hazel ontmoet, ontstaat er een intense liefdesrelatie die haar dwingt haar huwelijk en haar rol als moeder te heroverwegen. Deze persoonlijke ontdekking staat haaks op de juridische en sociale realiteit van die tijd: lesbische moeders liepen een reëel risico hun kinderen te verliezen. In de hedendaagse verhaallijn is Heron inmiddels een oudere man die te horen krijgt dat hij terminaal ziek is. Hij worstelt met de vraag hoe hij zijn dochter Maggie moet inlichten over zijn ziekte, maar ook over het verzwegen verleden dat hun familiegeschiedenis heeft bepaald. De spanning tussen wat verteld is en wat verzwegen werd, vormt het morele hart van de roman.

    Dawn is het meest uitgewerkte en complexe personage. Haar innerlijke strijd wordt zeer genuanceerd en empathisch beschreven: ze is geen heldin die moedig breekt met alle conventies, maar een vrouw die laveert tussen liefde, angst en verantwoordelijkheid. Haar keuze voor Hazel is geen simpele bevrijding, maar een keuze met aanzienlijke gevolgen, waaronder het verlies van de voogdij over Maggie. Lynch toont heel duidelijk hoe Dawn niet alleen door individuen, maar vooral door een vijandig juridisch systeem wordt veroordeeld. Hazel fungeert in dat opzicht vooral als katalysator: zij staat voor een alternatieve levensmogelijkheid, maar blijft als personage minder diep uitgewerkt, wat haar rol soms enkel functioneel maakt.

    Heron is een complexer figuur. Hij vertegenwoordigt de normen en zekerheden van zijn tijd en handelt altijd vanuit wat hij als bescherming en verantwoordelijkheid ziet. Hij is een man die tekortschiet in emotionele openheid en verbeeldingskracht. Toch blijft zijn innerlijk leven relatief beperkt uitgewerkt. Maggie belichaamt de latere generatie die moet leren omgaan met de morele complexiteit van het verleden. Haar perspectief onderstreept hoe keuzes van ouders blijven doorwerken, zelfs decennia later.

    Onherstelbare effecten

    Qua stijl kiest Lynch voor een sobere, heldere taal die heel dicht bij de personages blijft. De eenvoudige stijl maakt het boek zeer toegankelijk. De afwisseling tussen verleden en heden is zorgvuldig opgebouwd en zorgt voor een heel geleidelijke onthulling van feiten en emoties. Deze structuur versterkt het gevoel dat het verleden nooit afgesloten is, maar voortdurend doorwerkt in het heden.

    De grote kracht van Een familiekwestie ligt in de maatschappelijke relevantie. Lynch toont hoe wetgeving en sociale normen concrete levens ontwrichten, zonder het verhaal te reduceren tot een pamflet. De emotionele impact van de roman zit vooral in het alledaagse: gemiste momenten, verzwegen gesprekken en onherstelbare breuken. Ook wat niet gezegd of getoond wordt is belangrijk

    In haar auteursnoot plaatst Lynch het verhaal expliciet in de context van de Britse LGBTQ+-geschiedenis. Ze wijst erop dat pas recent erkenning groeit voor het onrecht dat lesbische moeders in de jaren tachtig werd aangedaan, en dat Een familiekwestie bedoeld is als literaire herinnering aan die vergeten realiteit. Die reflectie geeft de roman extra gewicht en maakt duidelijk dat dit verhaal niet louter fictie is, maar wortelt in structureel onrecht.

    Een familiekwestie een ontroerende en betekenisvolle roman die overtuigt door zijn morele ernst en emotionele eerlijkheid. Het boek biedt een genuanceerd en noodzakelijk perspectief op familie, liefde en verlies. Het is vooral een roman die blijft nazinderen door wat niet meer ongedaan gemaakt kan worden — en precies daarin schuilt zijn kracht.

     

     

  • Oogst week 22 – 2024

    Lentekind

    Al ruim voordat zijn debuut Lentekind verschijnt bij Uitgeverij Meulenhoff hebben we door o.a. zijn opiniestukken in het Parool en een interview met zijn literair agent Maaike Pereboom in de Volkskrant, al kennis kunnen maken met de jonge schrijver en regisseur (in spe) Harmen van Liemt. Een jongeman die – net als zovele anderen – tijdens de middelbareschooltijd zijn seksuele geaardheid onderzoekt. Hij komt erachter dat hij niet in een hokje past, en ook zeker niet ‘gelabeld’ wil worden.

    Als blijkt dat zijn zusje, met wie hij het goed kan vinden ernstig ziek is, deelt hij zijn worsteling over zijn seksualiteit met zijn ouders. ‘Want mocht ze komen te overlijden, dan wilde ik dat ze alles over me zou weten.’
    Zijn zus overlijdt in december 2021. Van Liemt verloor niet alleen zijn zus, maar eerder ook een goede vriend. In de stukken in de krant toont hij zich een positief mens, een die heeft leren omgaan met de vele kanten van het leven. Iemand die te rade gaat bij zichzelf, en zich ook wat betreft rouw niet in een hokje laat duwen maar kiest voor de weg die voor hem het beste werkt.

    Zijn ervaringen en gevoelens liggen ten grondslag aan de roman Lentekind, dat begin juni 2024 verschijnt

    Lentekind
    Auteur: Harmen van Liemt
    Uitgeverij: Uitgeverij Meulenhoff (2024)

    de geur van zwart

    Twee jeugdtitels van de Vlaamse Tom Marien (1979) zijn op Jong Literair Nederland het afgelopen jaar besproken: Jij bent het einde, uit 2022 en Het eerste licht uit 2023 waarover recensent Ingrid Bilardi schrijft: ‘Hij […] boetseert een wereld met woorden. Elk woord staat op de juiste plek als het gaat over betekenis, ritme en rijm.’
    In beide recensies, maar ook elders, spreken de recensenten hun waardering uit voor het prachtige taalgebruik van de auteur.

    De boeken van Marien worden vaak op een verrassend mooie wijze geïllustreerd, zo ook weer bij de geur van ongeluk, en dit keer door Pascale Petterson (1980). Gezamenlijk presenteerde dit duo begin mei 2024 de geur van ongeluk, Mariens debuut als dichter voor volwassenen. Marien noemt dit boek op zijn website ‘een duistere bundel vol graphic novels’. Het is een onderzoek naar de geur van ongeluk, waarin de gedichten van Marien over personages die volgens de flaptekst ‘vol op de rem van het leven staan’ en ‘met open ogen tegen de muur knallen’, door Petterson geïnterpreteerd en getekend zijn. Marien en Petterson leerden elkaar kennen toen ze op basisscholen creatieve workshops gaven. De meeste gedichten werden eerder gepubliceerd in literaire tijdschriften.

    Tom Marien is leraar, maakt podcasts en toneelvoorstellingen, schrijft muziek. Zijn website is een bezoekje waard.

    de geur van zwart
    Auteur: Tom Marien
    Uitgeverij: Uitgeverij Poëziecentrum vzw (2024)

    Compoun

    De Zuid-Afrikaanse schrijfster Ronelda Sonnet Kamfer (1981) is vooral bekend om haar gedichten, ze is een van de meest toonaangevende dichters in het Zuid-Afrika van dit moment. Voor haar debuut Noudat slapende honde dat in 2008 verscheen kreeg ze de Eugène Maraisprijs, een prijs die jaarlijks wordt toegekend door de Zuid-Afrikaanse Akademie voor Wetenschap en Kunst aan een debuut of werk in het Afrikaans.
    In 2010 verscheen deze bundel in vertaling door Zuid-Afrikakenner, dichter en P.C. Hooftprijswinnaar Alfred Schaffer. Schaffer vertaalde ook haar drie volgende bundels en haar romandebuut Compoun, dat onlangs bij uitgeverij Wereldboek verschenen is.

    Compoun gaat over twee kinderen, neef en nicht van elkaar, die opgroeien in een harde omgeving. Ze worden opgevoed door hun grootmoeder, maar een veilige omgeving biedt zij niet. De beide kinderen gaan op zoek naar de waarheid over hun familie, die zoveel geheimen kent.

    In het themanummer ‘Writers Unlimited 2024’ van de Groene Amsterdammer van 9 januari jl. stond stond een interview met Kamfer door Maria van Dordrecht. Op de vraag wat haar ertoe aanzette om een roman te gaan schrijven na al de dichtbundels antwoordt ze: ‘Ik heb altijd al dit specifieke verhaal over deze kinderen die samen opgroeien in mijn hoofd, al voordat ik poëzie schreef. Maar ik moest wat meer leven en meemaken om dit op te kunnen schrijven.’

    Compoun
    Auteur: Ronelda S. Kamfer
    Uitgeverij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
  • Een andere Romeinse vertelling

    Een andere Romeinse vertelling

    Vilein, vuil en vunzig is het Rome dat Han van der Vegt in Een fellere zon schildert. Het is de stad van Julius Caesar, Cato, Cicero en andere bekenden uit het antieke Rome, en het jaar is 694 voor de stichting van Rome, ofwel 59 voor Christus. Terwijl het raamwerk historisch klopt, gaat Van der Vegt zijn eigen gang met de invulling ervan. Dat levert een smeuïg, spannend en op sommige plekken duizelingwekkend verhaal op. Daarin valt meer dan genoeg te herkennen van onze eigen tijd en samenleving, en van een mogelijke, minder plezierige toekomst.

    Implantaten en illusies

    Het verhaal opent met Caesars terugkeer naar Rome. Hij heeft roem en macht vergaard op zijn veldtochten en is nu van plan het hoogste ambt te veroveren: dat van consul. Hij is even gevreesd als bewonderd, een playboy en een neoliberale strateeg in één. Hij laat geen kans onbenut om gebruik te maken van anderen die minder gehaaid zijn in het manoeuvreren door het conglomeraat dat Rome is geworden. Geld telt, en de machtigste politici zijn magnaten, die hun bedrijf en liefst ook dat van anderen willen inzetten voor het bestendigen van hun eigen positie.

    In dit curieuze Rome dat bij vlagen beelden oproept van Pasolini’s films, worden gezaghebbers vergezeld door een leger van robots – het aantal persoonlijke ‘lictobots’ is afhankelijk van het gewicht van het ambt. Als dat al enig omdenken van de kant van de lezer vraagt, wordt het plaatje nog ingewikkelder met de door Caesar ingevoerde implantaten, inwendige apparaten waarmee mensen elkaars gedachten kunnen lezen. Plastisch beschrijft Van der Vegt hoe de twijfelaar Cato zijn implantaat uit zijn rechteroog rukt en daarbij haast doodgaat: hij wil niet meer overgeleverd zijn aan de gedachten, dromen en illusies van anderen.

    Caesars minnares Servilia – een van de protagonisten in de roman – daarentegen omhelst de wereld van de implantaten om dichterbij haar geliefde te komen. Voor dat doel neemt ze de leiding over van het netwerk van gangen waarin mensen met behulp van de implantaten hun illusies en dromen kunnen uitleven, een parallelle werkelijkheid die Van der Vegt vast niet toevallig de Metacombe heeft genoemd. Servilia doet de Metacombe herleven en zorgt daarbij en passant voor de emancipatie van vrouwelijke werknemers, die tot dan toe slechts een ondergeschikte positie hadden.

    Een dystopie

    Van der Vegt, die eerder kinderboeken en gedichtenbundels publiceerde, schuwt gelaagd schrijven niet. Als een hervertelling van de antieke geschiedenis toont de roman verwantschap met het werk van schrijvers als Pat Barker en Madeline Miller, maar waarbij zij zich vooral richten op het schudden van het genderperspectief, pakt Van der Vegt er ook nog dystopische elementen bij. Daarin doet Een fellere zon denken aan Dave Eggers’ dystopische romans De cirkel en, vooral, Het alles, waarin sociale media in elke sfeer van het leven doorgedrongen zijn. Doordat hij het verleden met elementen uit het heden en de toekomst combineert, volgt Van der Vegt eenzelfde soort procedé als bijvoorbeeld Hanya Yanagihara in haar recente roman Naar het paradijs, waarin tijdperken en toekomstbeelden over elkaar heen buitelen. Wat Een fellere zon weer anders maakt, is de gecomprimeerde tijd en plaats van handeling: één jaar in Rome.

    In dat jaar gebeurt veel meer dan alleen Caesars machtsovername. Aan het woord komen behalve de scherpzinnige maar liefdeszieke Servilia, de oude magnaat Pompeius, de rasopportunist Claudius en Bibulus, een volmaakt ambtenaar die werkelijk hoopt dat het zin heeft dat hij doet –  een illusie, waarvoor hij duur betaalt. Geestig is de passage waarin Claudia een treffende karakterschets geeft van Catullus, een vriend van haar broer: ‘Verlegenheid en schaamteloze verdorvenheid, het is een spannende combinatie maar een wankel evenwicht.’ Dat wankele evenwicht geldt voor de meeste karakters in het boek.

    Minder goed getroffen dan de dwaalgangen van de Metacombe is de manier waarop Van der Vegt de strijd om de richting die de Senaat moet nemen neerzet als een identiteitskwestie. Dat hij het gevecht tussen de elite en het volk de predicaten ‘wit’ en ‘zwart’ meegeeft, doet onnodig plat aan. Toch biedt die tegenstelling de schrijver een gelegen kans om Claudius’ opportunisme nog erger te maken en om een gooi naar het woke-fenomeen in onze tijd te doen. Na ettelijke tegenslagen probeert Claudius een nieuwe kans te maken in de politiek door zich een zwarte identiteit aan te meten. Zoals het in dit Rome toegaat, hoeft hij daarvoor zich alleen te laten adopteren door een zwarte man.

    Nog dichter bij de actualiteit komt de roman in Caesars pleidooi voor openheid van verhandelingen in de Senaat. Het volk, vindt Caesar, moet weten hoe beslissingen tot stand komen in het politieke orgaan waarvan hun welzijn afhankelijk is. De weerstand tegen het idee onder de senatoren laat zich raden. ‘Rome,’ merkt Caesar in de hitte van de richtingenstrijd op, ‘bestaat niet. Rome is een idee dat je kan helpen of hinderen.’ Die uitspraak is een nuttige aanwijzing voor de lezer, die het beste elke voorkennis over het antieke Rome kan vergeten om zich te kunnen overleveren aan de boven- en ondergrondse intriges van het verhaal.

  • Verontrustende en geruststellende waarheid

    Verontrustende en geruststellende waarheid

    ‘De dingen waar we zelf niets van begrijpen zijn het moeilijkst te vertellen.’ Dit is de laatste zin van het eerste hoofdstuk van De verborgen dochter van Elena Ferrante. De 47-jarige Leda is na een korte strandvakantie weer thuis in Florence en ligt met een onverklaarbare wond in haar zij in het ziekenhuis. Vervolgens gaan we een paar weken terug in de tijd. Het is zomer en Leda gunt zichzelf een strandvakantie van haar werk aan de universiteit. Met veel innerlijke monoloog vertelt ze het verhaal dat zo moeilijk te vertellen is. Het is een biecht van een moeder met een groot innerlijk conflict: de kwelling van het moederschap en de drang om een onafhankelijke vrouw te zijn. 

    Leda, echtgenote van een professor, wilde toen ze jong was zelf graag studeren maar kreeg in plaats daarvan kort na elkaar twee dochters, Bianca en Martha. Ze voelde zich opgeslokt door de druk van de opvoeding en werd geleefd door haar kinderen. Toen ze het gezin verliet waren ze nog klein. Drie jaar later kwam ze terug omdat ze zich nutteloos voelde. ‘Ik heb me erbij neergelegd dat ik zelden voor mezelf leefde en meestal voor de twee kinderen… dat ging me op den duur steeds beter af.’ 

    Opgeluchte moeder

    Ondertussen is Leda gescheiden en docent aan een universiteit en wonen haar twee jong volwassen dochters bij hun vader in Canada. Ze bellen hun moeder regelmatig, wat bij Leda irritaties oproept. Ze heeft weinig op met hun gebabbel. ‘Toen mijn dochters naar Toronto verhuisden, waar hun vader al jarenlang woonde en werkte, ontdekte ik met gegeneerde verwondering dat ik helemaal geen verdriet had maar me opgelucht voelde, alsof ik ze toen pas definitief ter wereld had gebracht.’

    Tijdens haar strandvakantie leest, werkt en zont ze dagelijks op het strand dat bezocht wordt door verschillende Italiaanse gezinnen. Met niemand maakt ze echt contact, maar ze raakt geobsedeerd door een luidruchtige Napolitaanse familie. Vooral Nina, de jonge moeder die devoot met haar dochtertje speelt, heeft haar aandacht. Moeder en kind vertroetelen samen de pop van het kind alsof het een baby is. Dit schouwspel houdt Leda’s aandacht gevangen en voert haar terug naar haar jeugd in Napels en naar haar eigen moederschap. 

    De herinneringen worden door Ferrante naadloos door elkaar geweven met het heden op het strand. Steeds als er iets op het strand gebeurt, moet Leda aan haar eigen leven, huwelijk, moederschap en dochters denken. Als enkele leden van de luidruchtige Napolitaanse familie contact maken met Leda ontstaan er gesprekken waardoor ze elkaar iets beter leren kennen. Op Leda heeft dit contact een ongunstige invloed. Belast door spijt en wroeging wordt ze in een neergaande spiraal gezogen en doet ze iets wat grote gevolgen heeft voor de Napolitaanse Nina en haar kind en uiteindelijk voor Nina’s relatie met haar man en hele familie.

    Begrip voor onsympathiek romanpersonage

    De thematiek in De verborgen dochter is, net als in al Ferrante’s boeken, de levens van vrouwen met negatieve gevoelens over vriendschap, huwelijk en het meest vernietigende: moederschap. Leda is gefrustreerd als echtgenote. ‘Liefde vraagt energie, die had ik niet meer. Als hij begon met strelen en kussen werd ik nerveus, voelde ik me een misbruikt stimuleringsmiddel voor zijn solitaire genot.’ Haar daden op het strand refereren wellicht aan een lege-nestsyndroom. Het maakt haar een onsympathiek romanpersonage, maar toch begrijp je als lezer haar beweegredenen. 

    Ferrante weet te boeien met haar prettig toegankelijke stijl, veel oog voor details en natuurbeschrijvingen en een uiteindelijk intrigerende protagonist.  Ze durft woorden te geven aan onuitgesproken gevoelens die een waarheid blootleggen die voor veel moeders en vrouwen verontrustend en geruststellend herkenbaar is. 

     

  • We zijn allemaal vluchtelingen

    We zijn allemaal vluchtelingen

    Bij het lezen van Vlieg weg, vlieg weg, het nieuwste boek van de Oostenrijker Paulus Hochgatterer, vraag je je regelmatig af wat je eigenlijk aan het lezen bent. In een Oostenrijks dorpje gebeuren vreemde zaken en de belangrijkste personages die zich daarmee geconfronteerd zien, zijn een seksueel droogstaande cheffin van een jongerencentrum met kleurrijke bezoekers, een ietwat tobberige ziekenhuispsychiater en een bijna gepensioneerde politie-inspecteur. Waar gaat dat heen?

    ‘Whodunit’

    De roman heeft veel weg van een detective, alleen is er geen moord gepleegd. Wel belandt een aantal dorpsbewoners op mysterieuze wijze in het ziekenhuis, wordt er op agressieve wijze actie gevoerd tegen een lokale, rechtse politicus en komt een meisje van tien ineens niet thuis van muziekles. Regelmatig beklagen Hochgatterers personages zich erover dat ze in een soort B-film terecht zijn gekomen. De inspecteur denkt: ‘Ik gedraag me als de slechte speurder in een Amerikaanse gangsterfilm’. En over het hoofd van de politie zegt een van zijn collega’s: ‘Hij praat als een commissaris van politie in een tv-serie’.

    Verwacht van Hochgatterer geen klaterende volzinnen, eerder spitsvondige observaties en inzicht in de menselijke ziel. Alles wordt op een lichtvoetige manier verteld, ook al is het verhaal niet echt grappig; daarvoor zijn de gebeurtenissen te schrijnend. De extreemrechtse bewakingsdienst van een vluchtelingenopvang noemt zichzelf ‘Actie 18’, waar bij 1 en 8 staan voor de eerste en de achtste letter van het alfabet. En dat zijn niet de initialen van Alfred Hitchcock, wordt ons verzekerd. Door de vluchtelingenproblematiek in zijn boek te verweven, sluit Hochgatterer aan bij de actualiteit. Hoe vangen wij migranten op die vanuit oorlogssituaties in het Midden-Oosten een beter leven komen zoeken in Europa? Toch houdt hij het verhaal luchtig, doordat hij zijn personages zich, tussen alle grimmige gebeurtenissen door, vooral laat bezighouden met de alledaagse problemen van het ouder worden, zoals lichamelijke slijtage en de zorgen om kinderen die andere keuzes maken dan hun ouders.

    Blijf alert

    In het begin zadelt Hochgatterer zijn lezers op met een legpuzzel waarvan onbekend is hoe die er in opgeloste vorm uit zal zien en welke stukjes er precies zijn. Personages en gebeurtenissen zijn dan nog moeilijk te plaatsen. De schrijver bewandelt het bekende pad van verschillende verhaallijnen die steeds meer met elkaar verweven raken. De tijdsaanduidingen zijn schaars, waardoor het raden blijft in hoeveel tijd het verhaal zich afspeelt. Waarschijnlijk in een paar dagen, hooguit een paar weken; de heftige gebeurtenissen volgen elkaar dus in een hoog tempo op. Als extra ontregelend element strooit Hochgatterer met namen. Tientallen personages worden bij naam genoemd, niet alleen de hoofdpersonages maar ook de bijfiguren. Als zo’n bijfiguur een eind verder in het boek ineens weer opduikt, ben je allang vergeten wie het ook alweer was.

    In het begin vraagt het lezen dus veel van je geduld en concentratie. Maar ergens halverwege weet je als lezer wel ongeveer hoe de vork in de steel zit, al probeert de schrijver aan het eind van het boek de hele boel toch weer op losse schroeven te zetten. Misschien wil Hochgatterer ons meegeven dat we tegenwoordig nou eenmaal leven in wereld waarin onzekerheid troef is. We moeten het er maar mee doen.

    Milan Kundera

    Gelukkig geven de laatste bladzijden van het boek meer inzicht in de bedoelingen van de schrijver. In de eerste plaats is daar het dankwoord waarin de auteur niet alleen zijn uitgever en gezin bedankt, maar zich ook schatplichtig toont aan Milan Kundera. In zijn essays, bij ons verschenen in De kunst van de roman, breekt Kundera een lans voor de roman als paradijs van de verbeelding, als tegenhanger van de ‘illusie van waarheid’. Hochgatterer schreef ‘een boek over de overwinning van de verbeeldingskracht van het individu over de dictatuur van de gelijkgerichte eensgezindheid.’ We mogen zijn werk dus lezen als een multi-interpretabele, louter aan de fantasie van de schrijver ontsproten roman, die het moeilijk heeft in deze tijd waarin er soms meer aandacht is voor eenduidige non-fictie. Onderzoeken, twijfelen en vragen stellen zijn tegenwoordig minder in de mode, stellige antwoorden geven juist wel.

    Op de vlucht

    Uit de noot van vertaler Gerrit Bussink maken we op dat de titel van het boek is ontleend aan het ‘Kerkerlied’ uit Goethes Faust I. Daarmee maakt Hochgatterer ons duidelijk dat het wegvliegen, het vluchten, gezien kan worden als hoofdthema van zijn roman. Niet alleen personages zoals de zestienjarige, uit Aleppo in Syrië afkomstige jongen, die zijn familie voor zijn ogen doodgeschoten heeft zien worden, zijn vluchtelingen. Welbeschouwd zijn ook de in Oostenrijk geboren personages op de vlucht, of ze verlangen daarnaar. De politie-inspecteur is in zijn hoofd vooral bezig met een kalmer leven als gepensioneerde, wanneer hij met een eigen bootje het meer op wil varen om te vissen. Die nabije toekomst noemt hij dan ook een ‘vluchtroute’. De cheffin van het jongerencentrum zoekt haar vrijheid op een rustige plek waar ze kan naaktzwemmen. En de met een celliste getrouwde psychiater maakt, als zijn vrouw voor een concert een paar dagen naar het buitenland vertrekt, van de gelegenheid gebruik om in zijn eentje een vroege bergwandeling te maken en te luisteren naar zijn eigen, Amerikaanse popmuziek, die zijn vrouw kwalificeert als een ‘toppunt van mannenkitsch’.

    Hochgatterer heeft een ongebruikelijke vorm gekozen om de actuele thematiek van migratie te bespreken. Deze originele aanpak maakt het lezen zeker de moeite waard. Met zijn onderhoudende (parodie op een) whodunit geeft hij zijn verbeelding alle vrijheid om te onderzoeken hoe wij daarmee kunnen omgaan. Antwoorden zijn er in zijn boek uiteraard niet te vinden.

     

  • Het beste is je over te geven aan de fantasie van de schrijver

    Het beste is je over te geven aan de fantasie van de schrijver

    Er zijn van die romans die zo bizar van inhoud zijn en tegelijkertijd zo goed geschreven dat ze lang nadat je ze voor het laatst hebt dichtgeslagen blijven resoneren. Arc is zo’n roman. Wat de inhoud betreft is het moeilijk om daar iets over te vertellen zonder vooraf te veel weg te geven. Alles grijpt namelijk op een ingenieuze manier in elkaar en hoe minder je op voorhand over het verhaal weet hoe beter het is. Richard Osinga doet iets waarvan zijn eerdere boeken al van getuigen, erg goed in is. Hij bouwt zijn verhalen op als een fascinerend weefgetouw waarvan je elk draadje afzonderlijk zou willen volgen. Arc is echter geen boek om al te rationeel te benaderen en tot de draad uit te pluizen. Beter is het om je gewoon over te geven aan de bijzondere fantasie van de schrijver.

    Meerdere verhaallijnen

    Arc kent globaal genomen drie verhaallijnen. De eerste gaat over Neil Canterbury, een wetenschapper die leeft voor zijn werk en daardoor zijn gezin ongewild verwaarloost. In zijn jonge jaren is hij gepromoveerd op de theorie dat de mens oorspronkelijk geen herinneringen kon opslaan totdat het zogeheten Arc virus dat vermogen op ons overbracht. Nadat zijn theorie jaren lang stof heeft liggen te vergaren wordt hij tijdens een congres in India aangesproken door een mysterieuze vrouwelijke wetenschapper die beweert dat ze met succes proeven heeft uitgevoerd die zijn theorie zouden bevestigen.

    Als hij na het congres een wandeling door de stad Varanasi maakt, komt hij de Aghori tegen, een groep van ascetische gelovigen – die overigens echt bestaat – die zich insmeert met de as van overledenen en mensenschedels gebruikt als drinkbeker. Ze zijn er van overtuigd dat op die manier het geheugen gevuld raakt met de ervaringen van overleden mensen. De tweede verhaallijn gaat over de Nederlandse arts Maja, die zich ontfermt over een patiënt die in een vliegtuig in slaap is gevallen en niet meer wakker is geworden. Uit diverse scans blijkt dat delen van zijn hersenen bijzonder actief zijn. Gefascineerd besluit ze zijn geval te onderzoeken en ontdekt dat de comateuze man ten prooi is gevallen aan een ongekende virale activiteit in zijn lichaam. De derde verhaallijn over de middeleeuwse dichter Kabir lijkt aanvankelijk volstrekt los te staan van de vorige twee verhaallijnen, maar schijn bedriegt. Het moment waarop de drie verhaallijnen bij elkaar komen en vooral de manier waarop dat gebeurt is ontzettend knap bedacht door de schrijver.

    Wonderlijke leeservaring

    Het is lastig om dit bizarre en fantasierijke verhaal van het juiste predicaat te voorzien. Op de voorkant van het boek staat ‘Roman’ en hoewel dat technisch gezien de lading wel dekt, zou je Arc ook heel goed een thriller kunnen noemen en misschien wel een esoterische thriller. Het verhaal is sowieso een stuk spannender dan menige thriller die als literaire thriller op de markt wordt gezet. Je zou het boek ook wetenschapsfictie kunnen noemen. Richard Osinga combineert namelijk op bijzonder vernuftige wijze wetenschappelijke resultaten met het bestaan van een eeuwenoude Indiase sekte die een hele eigen visie heeft op het hiernamaals en voegt daar zijn eigen rijke fantasie aan toe.

    Door deze bonte en wonderlijke cocktail van fictie en wetenschappelijke non-fictie rolt daar een bijzonder intrigerend resultaat uit. Het boek Arc nodigt uit om een en ander op internet te controleren van wat waar is en wat niet en verrassend, of misschien beter gezegd beangstigend veel van wat Osinga beschrijft blijkt op waarheid te berusten. Waar de realiteit in de fantasie van de schrijver overgaat is aan de lezer om dat te bepalen. Lees hoe dan ook dit boek. Voor de verwondering, de verbeelding en de verbazing.

     

  • Oogst week 25 – 2021

    De huilende molenaar

    Een hele rits aan titels heeft hij geschreven, een van Finlands meest bekende auteurs, Arto Paasilinna (1942 – 2018). Een aantal van zijn boeken is in vertaling bij uitgeverij Wereldbibliotheek verschenen maar veelal alleen nog tweedehands verkrijgbaar. Dat is jammer want Passilinna lezen is plezier hebben. Ondanks de thematiek. Passilinna neemt in zijn boeken de Finse moderne samenleving kritisch onder de loep, daarnaast zijn de dood, vrijheidsdrang en wraak belangrijke thema’s in zijn werk, maar hij beschrijft deze op licht-ironische en droogkomische manier.

    In De huilende molenaar gaat het om een eenling die in gedrag afwijkt van de dorpsbewoners. Waren zij eerst blij met zijn komst, – hij blijkt vriendelijk en behulpzaam-, gaandeweg keren zij zich tegen hem. Hij heeft namelijk de bijzondere gewoonte om, als hij somber wordt, te gaan huilen als een wolf.

    Het lijdt geen twijfel of Paasilinna maakt er weer een virtuoze vertelling van.

     

    De huilende molenaar
    Auteur: Arto Paasilinna
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De meteoriet en het middagdutje

    Vandaag 23 juni 2021 verschijnt bij uitgeverij Boom De Meteoriet en het middagdutje.

    Vijftig zwart-witfoto’s vormen de basis voor De meteoriet en het middagdutje. Aan de hand van die foto’s schreef Maarten Asscher korte, verhalende essays van achthonderd woorden. Het zijn onvermoede geschiedenissen, verrassende details en merkwaardige belevenissen. In de traditie van Rudy Kousbroeks ‘fotosyntheses’ waarin steeds beeld en tekst met elkaar in verbinding staan, roept de auteur zijn eigen verbazende wereld op, waarin een Japanse rotstuin, een neerstortende jachtbommenwerper, mijnwerkers in een liftkooi en een verdwenen watertoren onderling gaandeweg met elkaar verbonden raken.

    Om een indruk te krijgen kunt u hier op Literair Nederland drie fotosyntheses lezen, Personen, Bedrog en Stilleven, van Maarten Asscher in onze eigen, gelijknamige rubriek.
    Andere bijdragen in die rubriek vindt u hier.

    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon (De Bezige Bij, 2020). Voor zijn vertalingen van de 35 Engelse sonnetten van Fernando Pessoa werd Asscher in 2011 genomineerd voor de Filter Vertaalprijs. In 2019 ontving hij de vijfjaarlijkse J.H. Donnerprijs vanwege zijn bijzondere verdiensten voor het Nederlandse boekenvak.

    De meteoriet en het middagdutje
    Auteur: Maarten Asscher
    Uitgeverij: Uitgeverij Boom

    De trotse bedelaars

    Een van de successen van het Schwob-initiatief, ‘de mooiste vergeten klassiekers’ is Albert Cossery. Hij werd geboren in Egypte, woonde het grootste deel van zijn leven in Parijs, maar bleef zich zijn hele leven een Egyptische schrijver voelen.
    Lezers die hem ontdekt hebben willen méér. Gelukkig kan dat. Na het succes van Grote Dieven Kleine Dieven, verscheen al snel De luiaards in de vruchtbare vallei, en nu komt daar ook De trotse bedelaars bij.

    In zijn column ‘Herontdekte meesters‘ schrijft Mathijs van den Berg op deze website dat de boeken van Cossery geschreven zijn in een ‘gebeitelde stijl’ met een ‘humoristische toon en bijtende maatschappijkritiek’.

    Het oevre van Cossery is klein, 10 boeken. De trotse bedelaars verscheen voor het eerst in 1955 in Parijs. Het speelt zich af in de broeierige schaduw van de steegjes, straten en pleinen in een grote Egyptische stad, in het milieu van hele en halve intellectuelen, anarchisten, dichters en revolutionairen, die uit overtuiging bedelaars zijn geworden.
    Voor hen betekent de gewelddadige moord op de prostituee ­Arnaba eigenlijk niet zoveel. Maar wie is de moordenaar? Rechercheur Nour El Dine, gekweld door zijn onfortuinlijke liefdesleven, verdenkt met name de eigenzinnige Gohar. Die houdt zichzelf maar net in leven met het bijhouden van de boekhouding van een bordeel en het schrijven van brieven voor de ongeletterde hoertjes. Gaandeweg groeit niet alleen de verdenking van de rechercheur voor deze zonderlinge figuur, maar ook de fascinatie die hij voor hem opvat

    Vic Veldheer schreef op deze website een recensie over Grote dieven kleine dieven, Rik van der Vlugt besprak hier De luiaards in de vruchtbare vallei.  

    De trotse bedelaars is vertaald door Rosalie Siblesz

    De trotse bedelaars
    Auteur: Albert Cossery
    Uitgeverij: Jurgen Maas
  • Verhaal van alle tijden opnieuw verteld in prachtige bundel

    Verhaal van alle tijden opnieuw verteld in prachtige bundel

    De zevende bundel van Liesbeth Lagemaat, Vissenschild, laat zich lezen als een grimmig sprookje. In gedichten die bestaan uit louter distichons (twee regels), ontvouwt zich doorlopend het lange, epische verhaal over Elpis, een ouderloos meisje dat opgevoed wordt door haar tante en in de herberg moet helpen bij het bedienen van de gasten. Dagelijks loopt zij de afstand ‘tussen herberg en hoeve’, waarbij ze op een avond aangerand wordt door Allesman/Nietsman, die haar verkracht en vermoord. Haar lichaam zinkt naar de bodem van de rivier en wordt gedragen door een ‘vissenschild’, haar geest wordt ‘een molecuul van licht’ en gaat hemelen. 

    Dit verhaal is vrijwel gelijk aan de Vlaamse legende van de Fiere Margriet, ofwel Margaretha van Leuven, die rond 1207 geboren werd. Omdat zij zich hevig verzette tegen haar verkrachter, kreeg ze de bijnaam ‘de fiere’ of ‘de trotse’. Haar lichaam zou volgens de legende door vissen stroomopwaarts gedragen zijn door de rivier de Dijle in de richting van de vismarkt van Leuven, met een wijnkruik nog in haar hand. Ze werd een echte volksheilige aan wie mirakels werden toegeschreven en in 1902 werd ze zalig verklaard. In 1982 werd er een standbeeld van haar in Leuven geplaatst, drijvend in het water, naakt, met de kruik in haar hand.

    Een oud verhaal

    Lagemaat kiest ervoor om haar verhaal te laten verwoorden door ‘de kalligrafist’, die zich gedwongen voelt om het verhaal van Elpis te vertellen (‘Tegen wil en dank dient zij zich aan’) en die zoekt naar vormen om haar te laten ontstaan. Hij verzint een begin, waarin de twaalfjarige Elpis een voorspellende droom heeft, een donker visioen waarin ze op het water drijft. 

    De taal die de dichter de kalligrafist in de mond legt, is die van orakels, een droomtaal met een sterk, dwingend ritme en met verzonnen woorden. Deze woorden, zoals ‘zweemschirrezusje’ en ‘flikkerse vlinderslagvrouw’ kunnen in geen enkel woordenboek worden opgezocht, maar bepalen in sterke mate de muziek en de droomsfeer van de bundel, die zich goed leent om voorgelezen te worden. De woorden van de kalligrafist staan in romein; als de verhaalpersonen zelf aan het woord zijn, is de tekst cursief gedrukt. Zoals wanneer de tante van Elpis haar verhaal doet:

    DE DAALDERSE VROUW,
    HARDNEKKIG IN WROK EN HUNKERING

    ‘ Spreek ik als een moeder van nep en gort en ik weet het,
      jazeker, ze heeft haar ogen overal dat kind,

     […]

     […] Daar loopt ze. Daar. En wat is dat
     voor een naam, Elpis. Niemand die zo heet.’

    Elpis’ naam betekent ‘hoop’ in de Griekse mythologie, de hoop die achterbleef in de doos met onheil, die Pandora ondanks alle waarschuwingen toch opende. De ‘daalderse’ vrouw, de ‘vrouw met het duitenhoofd’, misschien zo genoemd omdat ze over het geld gaat in de herberg, heeft zelf nooit kinderen kunnen krijgen en staat zichzelf daarom niet toe om van Elpis te houden:

    ‘Te wrokken over een houten schoot, en de duurmalige
     verdamping van wat ik ben in kop en lijf, zouden mijn vingers

     geen daalders tikken dan wou geen mens nog raken aan
     mijn huid. Een zeemleren lap is mijn woonst. En toch. Soms

     leg ik mijn hand op de kan die zij net naar binnen bracht, Elpis.
     Lijkt het steen van de kruik warm als klei. […]’

    Stiefmoeder en schaduwzusje

    Net als in de sprookjes van Grimm is ook hier de boze stiefmoeder aanwezig. De kalligrafist noemt haar ‘die moeder van stief / en waan’, die jaloers is op het ontluikende meisje dat inmiddels zestien jaar is. Uit eenzaamheid heeft Elpis een ‘schaduwzusje’, gefantaseerd, een ‘nevelkind’. Datzelfde ‘schirrezusje’ probeert Elpis te behoeden als ze van de herberg naar huis loopt:

    ‘[…] Van achter pakt het schirrezusje haar bij de kladden.
     aan de oever ligt drijfzand vandaag, weg bij die beek.’[…]’

    Maar ze kan niet voorkomen dat de kruik van Elpis gebroken wordt door Nietsman, die verandert in Allesman als hij Elpis naar huis begeleidt. De kalligrafist zoekt uitvluchten om niet te hoeven optekenen hoe het verder gaat. Hij is bang dat hij medeschuldig zal worden aan wat komen zal en wat niet te veranderen is: de verkrachting en de moord op Elpis. Maar Elpis weet dat hem geen schuld treft:

    ‘[…] Kan ik hem beschermen

     tegen de schending, hem zacht naar het breekpunt geleiden.
     Mijn lichaam was nooit van mij, ben ik weggeglipt in een scheur

     van het weilanddecor. Wat blijft, en later zich toont in schittering –
     kon ik hem geven dit respijt: een soelaas om mijn lot dat niet

     door hem ontwonden. Hij is de tekenzetter, dat is al. Hij verdient
     compassie. Voorlopig kan ik niets doen dan zijn handen warmen,

     zijn pols, de muis van zijn duim.’

    Een verhaal van alle tijden

    De kalligrafist probeert een ander einde voor haar te bedenken, maar moet zich neerleggen bij het feit dat hij de gebeurtenissen slechts kan boekstaven, niet beïnvloeden. Hij moet Elpis laten gaan en schrijft een eerbetoon voor haar waarin zij rust op haar vissenschild. Het is een verhaal van alle tijden, maar Lagemaat heeft het opnieuw verteld in deze prachtige bundel. De afbeelding op de voorkant brengt in eerste instantie een epos uit de oudheid in herinnering, maar door kleine dingen zoals een horloge een rol laten spelen, plaatst de dichter het dichterbij in de tijd. Het is de dromerige, fantasierijke taal, vol mooie vondsten en een dwingend ritme, die deze bundel tot een genoegen maken om te lezen. Alsof je met open mond luistert naar een oud verhaal, gezeten bij het haardvuur, terwijl wind en duisternis om het huis waren. 

    Op 12 december zal Liesbeth Lagemaat in Amsterdam een gesproken opera op basis van haar bundel laten horen in het theater van Stichting Perdu in Amsterdam.

     

     

  • De ambitie herkennen van wat een Grote Nederlandse Roman zou willen

    Martijn Knol werkte zes jaar aan zijn nieuwe roman De lange adem. Na de novelle Elders uit 2014  is dit zijn vierde roman. ‘In stilte’ werkte hij eraan, zoals de auteursbio op de binnenflap vermeldt. Wie hem op internet zoekt, komt behalve zijn eigen website en blog niet veel tegen. Wat er over Martijn Knol te vinden is, gaat waarschijnlijk over een naamgenoot, wat nog wel eens voor verwarring zorgt. 

    ‘Er is een andere Martijn Knol die aan wielrennen doet. Een tijdje geleden kwam iemand naar me toe en vroeg of ik tips voor hem had. “Ja,” zei ik, “gewoon doortrappen.”’ Zijn plek buiten het centrum van de aandacht bevalt hem wel.

    ‘Ik ben gecharmeerd van schrijvers van wie je helemaal niets weet, zoals Salinger of Elena Ferrante. Het enige wat je kunt doen is hun boeken lezen. Dat vind ik wel mooi. Deze tijd vraagt misschien ook wel om een beetje persoonlijke terughoudendheid en het boek het boek te laten zijn.’

    Zoeken naar betekenis

    Maar wie hem zoekt voor een boekpresentatie of literair programma, weet hem wel te vinden, vertelt Knol. Het is dan ook niet zo dat hij niet graag over zijn boeken praat. De enige hapering tijdens het interview komt door een slechte Skypeverbinding aan het begin. Zodra het euvel verholpen is, gaat het gesprek moeiteloos verder. De rijkdom van zijn roman biedt genoeg stof om over te praten. In De lange adem volgen we Robbert, een beveiliger in een warenhuis. In talloze hoofdstukken, scènes en fragmenten komen we meer te weten over hem, zijn collega’s, geliefden en zijn grote kinderwens. Knol schetst hem als een rauwdouwer, iemand die er niet voor terugdeinst om als het nodig is een tik uit te delen, maar tilt hem moeiteloos uit boven het archetypische door ook zijn binnenwereld met zijn kinderwens te beschrijven.

    De andere hoofdfiguur is Roman, een vlotte reclameman die ambities in de politiek krijgt en de Partij voor de Toekomst. Net als Robbert wordt Roman omringd door vele bijfiguren onder wie zijn vrouw en collega’s op zijn reclamebureau die ruim aandacht krijgen. Het maakt van De lange adem een volle en meerstemmige roman waarin figuren uit verschillende lagen van de bevolking elkaars levens kruisen. ‘Als het waar is dat mensen zich tegenwoordig steeds vaker opsluiten in hun eigen gelijk, wat gebeurt er dan als je ze in een roman tot contact dwingt?,’ vroeg Martijn Knol zich af bij het schrijven.

    De lange adem gaat over hoe we betekenis geven aan ons leven. Voor Roman is dat gein, reclamecampagnes maken en rijk worden. Later zoekt hij het in de politiek. Robbert zoekt betekenis in goed burgerschap een gezin, zijn werk en vaderlandsliefde. Als je al die personages volgt, dan krijg je begrip voor al die standpunten. Ik heb willen laten zien dat het ene streven niet meer waard is dan het andere.’

    Luchtgaten naar de buitenwereld

    De meerstemmigheid van De lange adem zit hem niet alleen in de hoofd- en bijfiguren van de twee verhaallijnen. Knol heeft ook stukjes ingelast met moppen en commentaar van fictieve lezers. Ze verwoorden reacties op het gelezene en gaan gesprekken met elkaar aan over bijvoorbeeld de noodzaak van een bepaalde scène in het boek of de mogelijke bedoeling van de schrijver.

    ‘Met deze stemmen kon ik de roman verrijken met andere standpunten en ook twijfel en kritiek toelaten. Op deze manier wilde ik de roman al tijdens het lezen als het ware openwerken naar de samenleving. Soms is het heel leuk om een helemaal gesloten alternatieve wereld te creëren in een roman. Maar in De lange adem zijn de samenleving en democratie belangrijke thema’s en daarom wilde ik luchtgaten maken naar de buitenwereld.’

    Op geheel toevallige wijze kwam de buitenwereld in de roman terecht. Afgelopen voorjaar richtte Henk Krol, nadat hij 50PLUS had verlaten, de Partij voor de Toekomst op, dezelfde naam die Knol had bedacht voor de politieke partij van zijn personage Roman.

    ‘De essentie van politiek campagne voeren is kiezers beloften doen. Die liggen natuurlijk in de toekomst, dus ik dacht: een politicus verkoopt toekomst. Ik vond het zelf wel grappig, die naam. Het is zo over the top.’

    Roman ontpopt zich in De lange adem tot een politicus van populistische snit, wat tot geweldige passages leidt waarin hij zijn ideeën uiteenzet.

    ‘Dat populisme en opportunisme en het gebruiken van de politiek voor je eigen belangen wilde ik graag in mijn roman verwerken, maar tijdens het schrijven kwam het toch wel wat genuanceerder te liggen. Roman heeft weliswaar nare en rare trekken, maar het begon me op te vallen dat hij de politiek onderzocht om te proberen echt iets te betekenen. Er zit een soort ambivalentie in, want wij herkennen de populistische stromingen, maar tegelijkertijd zit er voor hem op psychologisch niveau een soort authentiek verlangen in om de leegte die hij voelt met betekenis te vullen.’

    Grote Nederlandse Roman

    Op de achterflap wordt De lange adem een ‘hilarische, wilde, dwarse, ernstige Grote Nederlandse Roman’ genoemd. Waar het de vorm van deze roman betreft, vormde het essay The Great Dutch Novel van Daniël Rovers een van de beginpunten voor Martijn Knol. Het essay stelt de vraag of er naar analogie van de Great American Novel iets vergelijkbaars in Nederland mogelijk is. Je zou dan een roman moeten schrijven waarin meerdere sociale groepen een plek krijgen en waarin je nadenkt over de samenleving vanaf een afstand en van dichtbij via je empathie. 

    De lange adem is een Grote Nederlandse Roman omdat ik de ambitie herken van wat een Grote Roman zou willen doen, namelijk het maken van een verhaal waarin meerdere perspectieven en stemmen samenkomen. En door de veelheid aan stemmen wordt zoiets al gauw een wat volumineuzer boek.’

    De Great American Novel ontstond in de negentiende eeuw, en misschien kunnen we vanaf dat moment ook zulke romans in Nederland vinden. 

    ‘Misschien zijn Multatuli’s Ideeën wel het begin van de traditie. In dat boek zitten zo veel verschillende stemmen. Voor een Grote Nederlandse Roman is een politiek bewustzijn nodig. Sinds de millenniumwisseling is de emancipatie pas echt een inhaalslag aan het maken. En dan bedoel ik vrouwenemancipatie, homo-emancipatie, emancipatie van mensen van kleur. Eindelijk beginnen al die perspectieven hun ruimte te krijgen dus het is heel logisch dat de roman daar ook wat mee gaat doen. Ik denk dat er een hele mooie canon van dit soort romans gaat komen.’

    Ruimte bieden

    Een andere inspiratiebron voor deze roman is het werk van Jeroen Mettes geweest. 

    ‘Bij hem zie je ook zo mooi dat hij door zijn inhoud anders te structureren probeert om iets anders te zeggen. Een andere vorm levert een andere inhoud op. Door het fragmentarische van bijvoorbeeld zijn lange prozagedicht N30, dat tegelijk wel degelijk een ordening kent, zie je dat het voor hem gewerkt heeft om iets anders te vertellen. Je ziet dat ook bij andere schrijvers zoals Tonnus Oosterhoff, of Ali Smith in haar laatste vier romans waarin ze de Brexit volgt. Dat kun je geen klassiek gestructureerde romans noemen en zo slaagt zij erin de werkelijkheid naar binnen te halen. Zij schept ruimte voor meerdere perspectieven en dat heb ik ook geprobeerd in mijn roman te doen. Als je je zoals veel klassieke romans doen, op één personage richt krijg je een soort partijdigheid. In De lange adem heb ik daarom ruimte gegeven aan heel veel personages.’

    Het geven van ruimte is ook op een andere manier belangrijk voor het schrijverschap van Martijn Knol. Begin dit jaar sprak hij Jannie Regnerus die hij kent uit de tijd dat ze ook bij uitgeverij Wereldbibliotheek publiceerde. Ze vroeg hem hoe het met zijn boek ging. Hij vertelde dat het na enige vertraging nu zou verschijnen. Logisch dat het goed kwam, vond ze, want hij had de beste redacteur van de wereld. 

    ‘Dat is mijn uitgever, Koen van Gulik. Ik ging daarover nadenken en ik begrijp waarom ze het zegt. Wat heel goed aan hem is, is dat hij me het gevoel geeft dat ik precies het boek moet maken dat ik wil. Hij geeft me als schrijver alle ruimte. Dat is wat ik zelf probeer als schrijver, ruimte geven aan de lezer, door andere perspectieven aan te bieden of alternatieve gebeurtenissen. De ruimte die ik aan de lezer wil bieden begint met de ruimte die ik krijg als schrijver.’

    Nu De lange adem in de winkel ligt, is Knol blij dat het schrijven klaar is. 

    ‘In de weken na verschijnen heb ik het boek wel twee of drie keer per dag opgepakt om me ervan te verzekeren dat het er is. Ik ben ook heel gelukkig met het boek als object: hoe het in de hand ligt en openvalt, en het mooie omslag van Christoph Noordzij. Dat effect duurde bij deze roman opvallend lang.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

    De lange adem / Martijn Knol / 480 pagina’s / Wereldbibliotheek (2020)

     

    Foto: ©Francesca Lucarotti

     

  • Oogst week 40 – 2020

    De overvloed

    De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard (1945) selecteerde voor de bundel De overvloed haar beste en beroemdste essays – waaronder het magistrale stuk over een zonsverduistering. Dillard staat bekend om haar diepgaande, vrijmoedige denken waarin de verwondering over wat ze waarneemt tot op het bot wordt uitgeplozen. In De wezel gaat ze tijdens een wandeling op een boomstam om zich heen zitten kijken en ontwaart naast zich op de grond een wezel. Zij ziet hem en hij ziet haar. ‘Ik heb een minuut lang in die wezenloze hersens gezeten, en hij in die van mij,’ schrijft ze over de ontmoeting. Dillard is iemand die kijkt en kijkt, nadenkt en ongeremd schrijft over dat wat ze waarneemt. In een hotelkamer ziet ze een reproductie van een tronie in fruit, het bekende schilderij van Arcimboldo: ‘Zo’n afbeelding waar je eigenlijk niet naar wilt kijken maar die je tot je chagrijn niet uit je hoofd krijgt. Ze wordt je opgedrongen door een of ander van smaak gespeend pratend fatum: ze wordt onderdeel van de complexe innerlijke meuk die je overal met je meesleept.’ De taal waarin ze haar bespiegelingen weergeeft is intens, krachtig en toch licht van toon, niet zonder humor. Maar niet geschikt voor luie lezers.

     

     

    De overvloed
    Auteur: Annie Dillard
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Gemeente zegt ik Nederlands leren

    Saïd El Haji is schrijver, columnist en publicist. Hij studeerde in Leiden Nederlandse taal en letterkunde. In 2000 won hij de El Hizjra-aanmoedigingsprijs voor De kleine Hamid, een kort verhaal dat hij uitwerkte tot zijn debuutroman De dagen van Sjaitan (2000) waarmee hij roem oogstte. In dit boek rekent hij af met zijn strenge, gelovige vader tegen wie hij al jong in opstand kwam. Als NT2 docent geeft El Haji les aan vluchtelingen en andere anderstaligen. Daarover gaat Gemeente zegt ik Nederlands leren. El Haji stelt zijn leerlingen vrijpostige vragen als: Spreken Marokkanen beter Nederlands dan Turken, Waarom moet je nog steeds Nederlands leren als je al dertig jaar in Nederland woont, en Wie ben jij? El Haji’s leerlingen zijn soms weinig of niet naar school geweest, of al op oudere leeftijd. Maar hij stimuleert ze allemaal om ook vragen te stellen, want van vragen stellen word je wijzer en van nieuwsgierigheid ga je praten. De soms wrange resultaten tekent hij op met humor en mededogen. Gemeente zegt ik Nederlands leren is Saïd El Haji’s vijfde boek.

     

     

    Gemeente zegt ik Nederlands leren
    Auteur: Said El Haji
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Duel

    In Duel, het dertiende boek van Eduardo Halfon (Guatemala, 1971) reist de schrijver behalve van de Verenigde Staten naar Guatemala en van Polen naar Italië af naar zijn geest. Overal waar hij komt stuit hij op zijn eigen onbeantwoorde vragen, over wat het is om mens te zijn in de wereld, en wie hij zelf eigenlijk is. De verteller is net als de schrijver ingenieur en heeft dezelfde familieachtergrond. In zijn autofictie komen mysteries uit zijn jeugd bovendrijven en schrijft hij over broers en zussen en Joodse voorouders uit Egypte, Syrië, Polen en Libanon. Geworstel met de eeuwige herinneringen aan de holocaust ontbreken niet. De ingewikkelde familiegeschiedenis vormt voor Halfon een bron voor de zoektocht naar zijn eigen identiteit. In een van de verhalen meent hij de ooit gestolen ring van zijn grootvader te ontdekken aan de vinger van een douaneambtenaar. Verlies is een terugkerend thema; in de mix van journalistieke verhalen en een speurtocht naar de betekenis van zijn persoonlijke ervaringen kan alles en iedereen plotseling verdwenen zijn. Eduardo Halfon won vele literaire prijzen en wordt gezien als een van de beste Latijns Amerikaanse schrijvers van het moment.

     

     

    Duel
    Auteur: Eduardo Halfon
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Surfen in plaats van duiken

    Surfen in plaats van duiken

    De Oostenrijkse kinderpsychiater Paulus Hochgatterer bevindt zich als arts-schrijver in het goede gezelschap van onder meer Anton Tsjechov, Simon Vestdijk en Pío Baroja. In Nederland kreeg hij enige bekendheid met het boek De dag dat mijn grootvader een held werd. Daarnaast schreef hij in een tijdspanne van bijna 15 jaar een drietal romans waarin een vast duo figureert, Kovacs en Horn, respectievelijk rechercheur en psychiater van beroep. De zwarte klok is de tweede uit de reeks en kan overigens ook prima op zichzelf worden gelezen.

    Een seriemishandelaar

    Hochgatterer (1961) lijkt met name door Duitse critici ruimhartig lof te worden toegezwaaid. Mogelijk speelt mee dat de Duitstalige literatuur aan relevantie heeft ingeboet na het wegvallen van de oorlogsgeneratie. Met bijvoorbeeld Judith Schalansky en Juli Zeh weet de jongere lichting schrijvers het gat nog niet te vullen dat Lenz en Grass en eerder al Böll en Frisch hebben nagelaten. Ook Hochgatterer slaagt daar niet in. De zwarte klok (vertaling door Gerrit Bussink van Das Matratzenhaus, 2010) boort nergens een niveau aan dat voorbij de oppervlakte van de tekst ligt. Het is een roman met veel personages, meerdere verhaallijntjes en aan het einde wordt alles aan elkaar geknoopt, een beproefd maar nogal bloedeloos concept.

    Kovacs ziet zich als rechercheur geconfronteerd met een mysterieuze serie mishandelingen van kinderen. Dat wil zeggen, de kinderen vertellen dat ze geslagen werden door ‘een zwarte klok’, veel meer laten ze niet los. Horn ondertussen heeft naast zijn werk in een psychiatrische kliniek diverse gezinsbeslommeringen aan het hoofd. Beide heren zijn archetypes: de mismoedige Kovacs, die zich aan niemand veel gelegen laat liggen, lijkt weggelopen uit een Scandinavische politieroman en Horn kan als cynische psychiater zijn eigen zoon niet uitstaan, dat sprankelt evenmin van originaliteit. Naast dit tweetal zijn er trouwens nog meer personages van belang, want De zwarte klok bevat ook hoofdstukken waarin een lerares en een jong pubermeisje worden gevolgd. Vier verschillende invalshoeken dus en vanuit alle vier komt een zwik namen en figuranten voorbij, vaak met een korte beschrijving van enkele (uiterlijke) kenmerken. Interessant is dat nauwelijks omdat niemand van hen reliëf krijgt. Hochgatterer plakt het allemaal aan elkaar met veel dialogen, zonder dat hij stilistisch iets bijzonders weet te brengen.

    Oppervlakkig vertelprocedé

    Het mysterie van De zwarte klok (of eigenlijk van Het matrassenhuis, de originele titel is niet overgenomen in de Nederlandse uitgave) heeft alles te maken met kinderporno van het ergste soort. Hochgatterer beschrijft dit nergens heel expliciet maar hij blijft er ook niet van weg. Verstoorde of op z’n minst gemankeerde relaties zijn in dit boek alomtegenwoordig. Het lijkt er daarbij soms meer op dat de auteur zijn territorium afbakent dan dat de beschreven problematiek  inzichtelijk wordt gemaakt vanuit het romankader. De zwarte klok schetst geen optimistisch mensbeeld, zoveel mag duidelijk zijn. Wellicht staat de zichzelf geen illusies makende Raffael Horn niet ver af van Paulus Hochgatterer.

    De kurk waarop de leeservaring drijft moet de structuur van de roman zijn, enerzijds doordat de verschillende gezichtspunten op elk hun eigen wijze het mishandelmysterie geleidelijk onthullen, anderzijds omdat het bevredigend is om toe te werken naar het verband tussen de vertellijnen. Dit is hier echter niet meer dan een procedé. De manier waarop Hochgatterer deze schrijftechniek gebruikt, leidt er vooral toe dat het verhaal constant over de oppervlakte blijft scheren en nooit de diepte in gaat. Weinigen zullen zich een dag na het omslaan van de laatste pagina’s nog de namen herinneren van Kovacs’ dochter of de zoon van Horn, die beiden toch geen onbelangrijke rol spelen. Het beeld dat wordt opgeroepen in de suggestieve passages over seksueel kindermisbruik blijft waarschijnlijk langer hangen, maar dan als tekstuele oorwurm. Op z’n best kan ‘Kovacs & Horn 2’ een makkelijk leesbaar tussendoortje worden genoemd. Daarmee hoeft op zichzelf niks mis te zijn, ware het niet dat de zware thematiek van dit boek ieder luchthartig vermaak in de weg staat.

     

  • Tragisch einde van een lang verwachte Messias

    Tragisch einde van een lang verwachte Messias

    Wat de visionair László Krasznahorkai beschrijft in zijn roman Baron Wenckheim keert terug staat niet zover af van ons huidige leven tijdens een pandemie en dat maakt het lezen van dit vuistdikke boek nogal beklemmend. Baron Wenckheim keert terug verscheen in 2019 in de uitmuntende Nederlandse vertaling van Mari Alföldy, het boek verscheen in Hongarije in 2016 getiteld Báró Wenckheim hazatér. Krasznahorkai won in 2015 The Man Booker International Prize voor zijn hele oeuvre. Hij zette zich daarmee op de literaire wereldkaart en mag in een naam genoemd worden met internationale grote schrijvers als Dostojewski, Javier Marías, José Saramago en Gogol, dat terwijl hij slechts één boek wilde schrijven.

    In een interview in Paris Match zei hij, ‘Ik was ontevreden met het eerste boek en schreef een tweede dat me ook niet zo beviel en er kwam een derde. Nu, met dit boek Baron, sluit ik het verhaal af en heb bewezen één boek te hebben geschreven: Satanstango’ (weergaloos verfilmd door Béla Tarr), ‘De melancholie van het verzet, War and War’ (nog niet naar het Nederlands vertaald), en Baron Wenckheim keert terug: dit is mijn enige boek.

    Improviserend schrijven

    Zijn geboorteplaats, Gyula, staat model voor het decor in al zijn boeken. Het is een kleine Hongaarse stad, vlakbij de grens met Roemenië. Wat opvalt, is de experimentele structuur van zijn schrijven. De zinnen zijn bladzijdenlang; met komma’s, gedachtestreepjes en dubbele punten worden in tal van bijzinnen uitstapjes naar andere scènes en point-of-views gemaakt. Dialogen en herinneringen worden vaak indirect aan een ander vertelt. Per zin wordt een perspectief opgevoerd, maar even zo goed verandert het perspectief weer na de komma binnen dezelfde zin naar iemand anders. De handelingen en gedachten van de personages worden uitentreuren en met veel oog voor detail beschreven. Vaak wordt de gebeurtenis vanuit een ander perspectief opnieuw verteld. Dit vraagt nogal wat van de lezer, maar na zo’n tweehonderd bladzijden heb je de truc wel door.

    Het verhaal heeft een ijzersterke, meanderende sfeer, die verslavend werkt. Je deint mee op de stem van de vertellers (of de schrijver die, zo lijkt het soms, zijn verhaal innerlijk sprekend componeert). Zelf zegt Krasznahorkai in een interview hierover dat de roman een ‘cadenza’ is. Een muziekterm die refereert naar een deel van een concert waar het orkest stopt met spelen, zodat de solist vrij en improviserend verder kan spelen. Waarmee meteen die ene zin van het openingshoofdstuk, ‘Waarschuwing’, helder wordt. Een dirigent houdt een soort filosofische verhandeling in een lange interne monoloog die ons voorbereid op wat er zal komen.

    Lang verwachte Messias

    Nadat Baron Béla Wenckheim zijn familiekapitaal vergokt heeft in Buenos Aires, waar de 64 jarige Hongaar in ballingschap leefde, keert hij terug naar zijn geboorteplaats. Zodra het dorp hoort van zijn terugkeer, wordt hij binnengehaald als de Messias. Ergens heeft iemand het idee in de wereld geholpen dat de baron zijn fortuin aan de stad zal schenken. De baron is zich van geen kwaad bewust, met zijn aristocratische afkomst wordt hij eerder als een dégénéré afgeschilderd en laat alles gelaten langs zich heen gaan. Het enige wat hij hoopt is Marika, zijn jeugdliefde, weer te ontmoeten. Hij schrijft haar zelfs twee brieven. Echter, als hij voor haar staat, herkent hij haar niet, bovendien heeft hij haar naam als Marietta onthouden.

    Het verhaal begint met de professor, een internationale mossenexpert, die zich in een hut van ‘Hungarocell’, een soort piepschuim, in het Braambos aan de rand van de stad verbergt voor zijn 19-jarige dochter die een tv-ploeg en een leger journalisten heeft opgetrommeld. Ze eist financiële genoegdoening voor zijn nalatige vaderschap. Zelf heeft hij nauwelijks weet van deze dochter, maar ze lijkt op haar moeder, dus het zal wel zo zijn. Hij schiet een paar munitiemagazijnen leeg in de lucht wat de journalisten doet vluchten, maar de aandacht trekt van de motorbende met nazisympathieën, die het stadje terroriseert, en -zo blijkt later- nauw samenwerkt met de politie. Zij bezoeken de professor en als hij een van de bendeleden doodschiet, is de beer los. De professor moet noodgedwongen vluchten. 

    De professor en de baron zijn sleutelpersonages en worden omgeven door een even kleurrijke, als herkenbare (clichématige) stoet aan stedelingen. De schrijver verbindt de levens van zijn personages en rijgt ze aan elkaar als filmbeelden met absurde en tragische scènes, triviale gedachten, afgewisseld met filosofieën over religie, maatschappij, macht en de zin van ons bestaan.

    Bonte stoet personages

    Er zijn personages met terugkerende perspectieven, zoals de burgemeester die een groots feest wil organiseren voor de baron. In zijn welkomstspeech vertelt hij al waar hij zijn financiële schenking voor wil gebruiken. Bovendien laat hij een amateurkoor ‘Don’t cry for me, Argentina’ opvoeren, wat overigens compleet mislukt. Dan de directeur van de plaatselijke bibliotheek, hij spreekt Latijn, vindt zichzelf erg erudiet en kijkt neer op het Hongaarse dialect. De plaatselijke commissaris van de politie duldt geen tegenspraak en hoort het liefst zichzelf praten. De hoofdman van de motorbende, een ruwe bolster met larmoyante sentimentele gedachten over zijn doodgeschoten maat, Sterretje. De postbode, die de brieven van de baron aan Marika bezorgt. De conducteur op de trein waarin de baron vanuit Wenen naar zijn geboortestad reist.

    De kinderen in het weeshuis, gehuisvest in het voormalige landhuis van de familie Wenckheim, moeten eruit omdat de baron in zijn eigen huis wil verblijven. De timmerman die zijn bed in elkaar timmert. Marika en haar vriendin Irén. En Dante, die zichzelf tot persoonlijk secretaris van de baron benoemt. Hij is een vrolijke oplichter die zichzelf naar een voetballer bij Bayern München heeft vernoemd, maar van de auteur van De goddelijke komedie nog nooit heeft gehoord.
    Op de achtergrond figureren vluchtelingen, daklozen en zwervers zonder stem. Er wordt gedemonstreerd, verkracht en er vindt een heuse beeldenstorm plaats, waarmee het verhaal een onmiskenbaar hedendaagse lading krijgt.

    Mooie innerlijke monoloog

    De baron komt tragisch aan zijn einde. Na een mooie innerlijke monoloog wandelt hij in de nacht langs het spoor en heeft allerlei redenen om een eind te maken aan zijn leven. Op het juiste moment komt hij tot inkeer, maar dan is het te laat. Als de stad na zijn dood erachter komt dat de baron failliet was, is alle hoop op een betere toekomst vervlogen. Men neemt het recht in eigen hand en daarmee stevent de samenleving op zijn inktzwarte einde af. 

    Er staan mooie en kwetsbare passages tussen de vaak hilarische en verontrustende scènes. Het verhaal op zich is traag met veel herhalingen. Daarbij heeft Krasznahorkai weinig op met de mensheid en de Hongaar in het algemeen, wat vooral in het laatste hoofdstuk, ‘Aan de Hongaren’, duidelijk wordt. Hij veegt de vloer aan met zijn landgenoten en schopt tegen hun domheid, opportunisme, machtsmisbruik van mannen met grote ego’s, corruptie en bureaucratie en de desillusie van het neokapitalisme. Hij schetst een duistere en disfunctionele maatschappij die geregeerd wordt door angst en op apocalyptische wijze ten onder zal gaan. De link met een maatschappij waarin populistische leiders een rol spelen, is snel gelegd.

     

    Lees hier een interview met vertaler Hongaars Mari Alföldy na het winnen van de Filter Vertaalprijs 2014.