• Onkruid in de slaapkamer

    Onkruid in de slaapkamer

    De achtste bundel van Kreek Daey Ouwens, Echo echo, is er een die bij wijze van uitzondering achter elkaar uitgelezen dient te worden. Meestal is dat geen aanbeveling, maar alleen op deze manier vallen alle gedichten als puzzelstukken op hun plaats en wordt pas duidelijk hoe elk onderdeel samenhangt met het andere in een afgerond geheel.
    Want deze bundel bestaat uit tien afdelingen zonder titel, met daarin alleen op de rechterpagina een kort gedicht afgedrukt, dat maar weinig regels bevat. Op zichzelf valt daar niet veel mee te beginnen:

    ‘Ik eet mijn ei met een vork
    Tot stil. Tot wit.

    De oude pijn. De oude pijn.
    Bruidsboeket 10 euro.’

    Maar als deze ruim tachtig gedichten als kleine stukjes glas gerangschikt worden tot een groot mozaïek, krijgen ook de eenvoudigste zinnen plotseling betekenis. Ze vertellen het verhaal van een vrouw, die opgesloten zit in een ongelukkig huwelijk. Via haar herinnering en haar verbeelding komt haar heden en verleden voor de lezer tot leven in versnipperde fragmenten.

    De vrouw

    Deze fragmenten spreken over een dertienjarig meisje dat aan anorexia lijdt, over haar hartsvriendin Camilla, over de eerste verliefdheid, over de vrouw Melania, die getrouwd is met ‘de dikke’, dominante man. Het zou voor de hand liggen dat al deze beelden samenkomen in één enkele vrouw, maar dat is lang niet zeker: daarvoor laat de dichter te veel informatie achterwege. Het zou ook de universele vrouw kunnen zijn wier leven symbool staat voor andere vrouwen.

    De gedichten staan schijnbaar willekeurig door elkaar, heden en verleden wisselen elkaar af, zoals ook het geheugen niet chronologisch werkt, maar associatief. Toch geven de tien afdelingen blijk van een volgorde in de tijd: herinneringen aan de jeugd en de grootmoeder komen eerst. Prettige herinneringen zijn het: erger dan de slager die een dier komt slachten, wordt het niet. Jongens vormen nog een bedreiging en meisjes praten alleen met elkaar, over later.

    ‘Ik zeg: ik trouw later nooit!
    Nu niet, zegt Camilla, maar later wel,
    later wil je wel!’

    Dan volgt de ontluikende seksualiteit, de eerste liefde, het nooit meer van elkaar weg willen gaan, een nacht samen in Parijs, om dan later toch te merken dat de liefde tanende is. De geliefden gaan uit elkaar:

    ‘Op een keer aan tafel zei je:
    ik geloof in een basismoraal.

    Wat zoveel was als dank je wat zoveel was als
    ik ben niet gelukkig wat zoveel was als
    we moeten verder,

    […]’

    Wat volgt is een ontluisterende kijk op het huwelijk waar de vrouw Melania uiteindelijk in terecht is gekomen. Haar jeugdherinneringen duiken nog af en toe op als een echo uit het verleden, maar haar leven is een sleur geworden:

    ‘Elke nacht groeit onkruid mijn kamer binnen.
    Elke nacht kap ik met een mes.
    Elke nacht kruipt het opnieuw terug.’

    Haar leven

    ‘Huwelijk’ is een titel die aan drie gedichten is gegeven waarin duidelijk wordt hoezeer Melania weerloos een rol moet spelen binnen een huwelijk waarin alle dagen een echo zijn van elkaar. Melania voelt zich gevangen in het huwelijk met de dikke man, die de bezitter is van alles wat hen omringt, niet alleen de tastbare voorwerpen, maar ook de stad en de wolken. Hij bepaalt bovendien welke kant ze uit moet lopen: ‘De dikke man zegt: Rechts. Rechts. Rechts.’

    Maar op het einde van deze cyclus zet Melania eindelijk een stap: naar links. Bovendien tikken haar hakken op de grond, maken geluid: ze durft nu van zich te laten horen. De dikke man wordt opgeslokt door een wolk.

    Het is verleidelijk om in Melania de vrouw te zien met wie president Trump getrouwd is (‘Melania heeft een dichtgestopte mond. / Aan haar hand fonkelt een ring.’).  Maar dat ligt misschien te veel voor de hand. Dat zou overigens ook de gedachte weerspreken dat de vrouw in Echo echo een allegorie is van talloze vrouwen.

    Het vliegtuig

    Daey Ouwens geeft geen verklaring voor de beelden en de gebeurtenissen in haar gedichten. Ze is sowieso zuinig met informatie, maar laat haar woorden voor zichzelf spreken in een eenvoudige, sobere taal die naïef lijkt, maar het allerminst is. Juist door de weglating van al wat ze overbodig acht, worden de gedichten heel intens en treffen doel. Door de grote witruimte nemen de gedichten een centrale plaats in op de bladspiegel, waar het oog van de lezer onmiddellijk naar toe wordt getrokken. Ook maakt ze gebruik van het inspringen van versregels om iets te benadrukken. Eén gedicht is zelfs in de lengte van de pagina afgedrukt, als een visualisatie van de kernachtige samenvatting van het huwelijk van Melania: ‘Hoe spring je uit een vliegtuig dat allang is neergestort?’

    De echo, die zichzelf al laat horen in de titel, galmt door in haar taalgebruik: vaak wordt een woord of een woordgroep meerdere keren schijnbaar achteloos herhaald, wat een extra lading geeft aan de betekenis. Maar ook klinkt in de gedichten de echo door van de jeugd en de jonge jaren van Melania, voordat die echo een symbool werd voor de betekenisloze, niet van elkaar te onderscheiden dagen van haar huwelijksleven.

    Deze knappe bundel van Kreek Daey Ouwens toont opnieuw de beeldende kracht van de taal die overeind blijft als ze van alle franje ontdaan is.

     

     

     

  • In het land van de wind

    In het land van de wind

    De Haute Provence is nog altijd een wat ruige, ongerepte streek, met diepe dalen en een eigenzinnige bevolking, mensen die met lede ogen moeten aanzien hoe steeds meer huizen in hun pittoreske dorpen als buitenverblijf worden gekocht door gefortuneerde buitenlanders of – nog erger – Parijzenaars. Jean Giono (1895-1970), geboren en getogen in het stadje Manosque, bracht er zijn hele leven door, met uitzondering van de Eerste Wereldoorlog, toen hij onder meer de hel van Verdun moest doorstaan en gewond werd aan het front. Hij keerde terug naar huis als overtuigd pacifist en wijdde zich aan de literatuur.

    Heuvel was zijn debuut. Het idee voor het boek, dat in 1928 werd gepubliceerd, ontstond tijdens een reis met zijn zwangere vrouw van Manosque naar de Drôme, door een bergachtige streek met bij wielerliefhebbers bekende cols als de Montagne de Lure of de Mont Ventoux. De plaats van handeling is Bastides Blanches, een gehucht met niet meer dan een twaalftal inwoners ‘halverwege tussen de vlakte waar de stoomdorsmachines ronken en de uitgestrekte lavendelwoestenij, het land van de wind, in de koele schaduw van het Montagne de Lure’.

    Een tijloos verhaal

    Een lieflijke plek? Nee, want de bewoners spelen eigenlijk een bijrol in het woeste landschap, waar ze hoogstens worden gedoogd, al zoeken ze de afzondering ook bewust op: ‘Wat van de stad komt, is slecht: de wind, die regen brengt, en de postbode.’ Ze voeren een dagelijks gevecht tegen een bezielde natuur: de personificaties in dit boek zijn niet op de vingers van één hand te tellen. Een heuvel ligt bijvoorbeeld ‘als een os in het gras te slapen’, of ‘het vel van de aarde plooit zich in dikke vetrollen’. Het verhaal is in zekere zin tijdloos en had zich op enkele details na net zo goed duizend jaar geleden kunnen afspelen. De beproevingen houden niet op: zo valt de plaatselijke bron droog of moeten alle mannen lijf en leden wagen om een bosbrand – een ‘soepel vuurdier’ – die het dorp bedreigt, af te wenden. Op een bepaald moment formuleert Giono de vijandigheid van het landschap vrij expliciet:

    ‘Deze aarde die zich breed uitstrekt naar beide kanten, vet en zwaar met haar lading van bomen en water, zijn rivieren, zijn beken, zijn bossen, bergen en heuvels, en zijn ronde steden die midden tussen de bliksems ronddraaien, zijn hordes mannen die zich vastklampen aan zijn vacht: en als dat nu een levend wezen was, een lichaam? Met kracht en kwade intenties?’

    Giono’s unieke stijl zal geen enkele lezer onberoerd laten. Die is hoogst persoonlijk, zeer poëtisch en tegelijkertijd aards, ongekunsteld, trouw aan Giono’s eenvoudige komaf. De beelden die hij gebruikt, zijn origineel, maar niet vergezocht: ze leunen dicht aan bij de leefwereld van de lokale bevolking en de natuur. Neem bijvoorbeeld deze beschrijving van een van de mannen van het dorp: ‘Janet ziet er vanavond grimmig uit: zijn huid blauw als graniet, een scherpe neusrug en doorschijnende neusvleugels, als de rand van vuursteen. Eén geopend oog fonkelt in de schaduw als een glinsterende steen, zo’n scherf van een rots die diep in de aarde verborgen ligt en waarop de grote gladde ploegschaar die gewoontegetrouw rechtdoor gaat, plotseling breekt en omvalt.’

    Streven naar uitgepuurde taal

    Vertaalster Kiki Coumans verwijst onder meer naar Walt Whitmans Leaves of Grass in haar nawoord, een boek waar Giono sterk van onder de indruk was. Het doet de vraag rijzen of hij misschien ook vertrouwd was met Walden, het pleidooi voor een eenvoudig leven dicht bij de natuur van Whitmans land- en tijdgenoot Henry David Thoreau. Of zelfs met het onlangs door Rokus Hofstede in het Nederlands vertaalde De grote angst in de bergen van de Franstalige Zwitser Charles-Ferdinand Ramuz, uit 1926 (dus vlak voor Heuvel uitkwam). Giono en Ramuz delen alleszins het streven naar een ongekunstelde, uitgepuurde, aardse taal en hebben ook hun thematiek gemeen: het gevecht van de mens tegen een bezielde natuur. Toch zijn ze elk op hun manier volstrekt uniek.

    Wat er ook van zij, Heuvel is een prachtig boek van een groot schrijver. Laten we hopen dat er nog meer vertalingen volgen, want een groot deel van Giono’s oeuvre is nog niet voor ons taalgebied ontsloten of alleen nog tweedehands te verkrijgen in het Nederlands.

     

     

  • Spel met woorden zorgen voor een unieke poëziebeleving

    Spel met woorden zorgen voor een unieke poëziebeleving

    Sensorium betekent volgens het woordenboek ‘een waarneming van alle zintuigen’. Een betere titel kon nauwelijks gekozen worden voor deze bloemlezing van de ‘grande dame’ van de Oostenrijkse literatuur Friederike Mayröcker. De bundel Sensorium etc. is een zorgvuldige selectie uit haar poëzie geschreven vanaf 1939. Het werk pretendeert ook niet meer te zijn dan dat. Haar prozawerk en hoorspelen werden niet opgenomen in deze anthologie. Haar poëzie wordt natuurlijk gekenmerkt door heel wat genrefluïde kenmerken, maar telkens met de lyriek als uitgangspunt. De inspiratie voor haar werk kende veel bronnen: haar moeder die als styliste experimenteerde met vormen en kleuren, haar jeugd in Deinzendorf, naar eigen zeggen een zintuiglijk paradijs, de verschillende invloeden van zowel oorlog als de Wiener Gruppe, en haar eigen flamboyante stijl. 

    Spelen met zintuigen

    Het spelen met zintuigen doet denken aan Nederlandstalige poëtische grootmeesters als Guido Gezelle of Paul van Ostaijen, die trouwens ook, net als Mayröcker, volop experimenteerden met bladspiegel en typografie. Mayröcker onderging drie verschillende ontwikkelingsfases in haar werk en in deze bloemlezing worden die ook mooi geïllustreerd. Haar eerste fase noemde ze zelf haar onschuldige fase. Dit verwijst naar de afwezigheid van referenties aan oorlog en geweld die toen volop aan de gang waren (we schrijven 1939-1950). Korte klankvolle gedichten vormen de hoofdmoot. Geleidelijk aan vinden verwijzingen naar dood en oorlog hun weg naar haar poëzie, zonder evenwel afbreuk te doen aan het spelen met klanken en experimenteren met ritme.

    Haar nauw contact met de Wiener Gruppe is daar niet vreemd aan. De avantgarde-literatuur uit de eerste helft van de 20e eeuw werd vanonder het stof gehaald en Mayröcker schrijft in de traditie van het expressionisme, dadaïsme en surrealisme met al zijn kenmerken. Uit die periode houdt ze ook haar relatie met Ernst Jandl over. Experimenteren met losse woorden, klanken, ritme, maar evenzeer met leestekens, witregels en dubbele betekenissen zijn legio. Haar derde periode komt na een tijd van relatieve rust op poëtisch gebied. Vanaf de jaren zeventig vorige eeuw wordt haar poëzie iets toegankelijker. Ze blijft complexe beelden tekenen van verschillende zintuigelijke waarnemingen, maar er is een soort van rust neergedaald over het geheel. Een elegische toon krijgt de bovenhand.

    Evolutie in haar werk

    Na de dood van Ernst Jandl in 2000 krijgt Mayröcker een serieuze knauw. Haar werk bestaat dan uit een soort van razende taal, vol ongebruikelijke samenhangen qua woord en beeld. Opnieuw doen typografische eigenaardigheden hun intrede. Grote prozablokken vinden hun weg in haar dichtwerk en dat neemt alleen maar toe in haar  voorlopig  laatste ‘gedichten’ uit 2018, gebaseerd op ziekenhuiservaringen. Op dat moment was ze 93 maar nog vol van levensdrang. 

    Sensorium etc. is geen verzameld werk-uitgave, maar een zeer representatief overzicht van het leven en werk van deze auteur tot nog toe. De verschillende periodes komen aan bod en de samenstellers hebben ook de chronologische volgorde gerespecteerd. Daardoor krijgt de lezer zicht op de evolutie in haar werk. De gedichten van Mayröcker zijn vaak complex en moeilijk toegankelijk, maar de rijkdom van beeld en klank, het spel met woorden en betekenissen zorgen voor een unieke poëziebeleving. Wie een beetje vertrouwd is met de avantgardistische traditie kan veel ontdekken en ten volle genieten van het uitgesproken talent van deze onvergankelijke Oostenrijkse schrijfster. Het tweede deel van de titel van dit werk, etc., is natuurlijk niet lukraak gekozen. Het verwijst naar het veelvuldige gebruik van dit woord en het beletselteken in haar werk. Misschien verwijst het ook naar de multi-interpreteerbaarheid en het aanwezig zijn van zovele aspecten in haar bijzondere poëzie. Dit en nog veel meer, etc.

     

  • Als kind in voortdurende angst geleefd

    Als kind in voortdurende angst geleefd

    Christine Lavant geldt als een van Oostenrijks belangrijkste schrijvers. Nochtans belandde haar werk in een vergeethoekje. Pas recentelijk is de belangstelling weer opgebloeid en inmiddels wordt gewerkt aan een uitgave van haar verzameld werk. Das Kind is een van haar eerste prozawerken, en tevens ook het eerste in het Nederlands vertaalde werk van Christine Lavant. Het leven en werk van deze schrijfster wordt gekenmerkt door heel wat tegenstrijdigheden, maar veel daarvan zijn terug te leiden naar haar precaire gezondheidstoestand die haar hele leven beïnvloedde.

    Lavant werd in 1915 als Christl Thonhauser geboren in het Lavantdal in Karinthië, vandaar haar pseudoniem, in een zeer arm gezin. Vanaf haar geboorte leed ze aan de ‘armeluisziekte’ scrofulose, een ontstekingsziekte van de halsklieren, die ook haar huid en ogen aantastte. Door haar ziekte kon ze nauwelijks naar school en had weinig sociaal contact. Als twaalfjarige werd ze in Klagenfurt opgenomen in de oogkliniek. Het Kind is het autobiografische relaas van de traumatische ervaringen in die instelling. Haar toestand was zo ernstig dat de artsen besloten tot een zeer riskante röngtenbestraling.

    Isolement door ziekte

    De scrofulose werd hierdoor wel aangepakt, maar de neveneffecten waren minstens even erg: ernstige brandwonden aan hals en gezicht, ernstige gehoorschade en blijvende helse zenuwpijnen. Haar ogen, oren en hals zaten constant in het verband, waardoor ze zich van de wereld afgesloten voelde. Haar situatie leidde opnieuw tot pesterijen en isolement binnen de muren van het koude, afstandelijke hospitaal. Ze beschrijft in een poëtische taal de ervaringen vanuit het oogpunt van een kind dat het moeilijk heeft. Een kind dat worstelt met zichzelf, met haar ziekte, met het geloof en de afwezigheid van enige vorm van affectie. Haar familie zocht haar tijdens haar verblijf in de instelling nooit op.

    Dit alles leidde tot een voortdurende angst waarin het kind leefde. Deze werd versterkt door de koude omgeving: hoge ziekenhuisgangen, afstandelijke zusters, steriele omgevingen, vijandige andere kinderen. Op bijna elke bladzijde van deze novelle staat het woord ‘bang’ of ‘angstig’. Veiligheid vindt het kind enkel in de hoeken, want dan is het langs twee kanten beschermd. Af en toe probeert het te ontsnappen aan de realiteit door in een droomwereld van sprookjes weg te vluchten.
    Een belangrijke rol wordt ingenomen door de godsvrees van het kind. Dat is op zijn minst tegenstrijdig te noemen. Lavant keerde zich in haar latere leven af van de godsdienst, maar hier weegt ze nog alles af wat ze doet, bang om zonden te begaan. Het kind bidt tot God om haar te helpen, maar vervloekt tegelijk de onmacht waarin het zich bevindt. Wordt ze gestraft omdat ze niet voldoet aan de eisen?

    Ambivalentie en moeilijke relaties

    Die ambivalentie blijft Lavant haar hele leven aanhangen. Zo staat ze bekend als notoir tegenstander van het nationaalsocialisme, bang voor haar situatie als psychiatrisch patiënte, maar tegelijk laat ze zich helpen door vooraanstaande nazi’s. Ook in haar gedichten trekt ze fel van leer tegen God en de kerk, maar anderzijds is ze voortdurend op zoek naar houvast, troost en verlossing bij een god. Ook streefde ze naar roem als dichteres, maar eenmaal bekend wie achter haar pseudoniem schuilging, was ze helemaal niet tevreden. Haar leven en werk vol tegenstrijdigheden uitte zich ook in haar moeilijke mentale en lichamelijke toestand, en meerdere problematische relaties. Meermaals liet ze zich opnemen in klinieken en behandelen door psychiaters. 

    Als dichter bezit Lavant de natuurlijke gave om te spelen met taal. Korte en lange zinnen wisselen elkaar af en vaak ontdekt de lezer meer door wat er niet gezegd wordt. De angsten van het kind schuilen achter en onder iedere frase, uit het geheel spreekt broosheid en kwetsbaarheid. De pijn die Lavant haar hele leven meedroeg, krijgt een vooraanstaande rol in dit korte, maar krachtige verhaal.
    Ondanks dit gevecht tegen en met het leven bouwde Christine Lavant een bijzondere schrijfcarrière op. Vooral voor haar dichtwerk viel ze regelmatig in de prijzen. Ze ontving tweemaal de Georg-Trakl-Prijs en in 1970 kreeg ze zelfs de Grote Oostenrijkse Staatsprijs voor Literatuur. In 1973 stierf ze na een beroerte. Haar werk raakte ondergesneeuwd in de vergetelheid, maar wordt nu weer als vaandeldrager van de Oostenrijkse literatuur geprezen.

     

     

  • Oogst week 20 – 2020

    Autobiografie van een lijk en andere verhalen

    Het is meteen een intrigerende titel: Autobiografie van een lijk. Het is één van de zeven verhalen die zijn opgenomen in de bundel met dezelfde titel van Sigizmoend Krzizjanovski (1887-1950). De schrijver is een Rus van Poolse afkomst, die tevens librettist was onder andere van Prokofjevs Eugen Onegin. Van hem werden een paar jaar geleden al twee romans in het Nederlands vertaald. Zijn vertellingen zijn grotesk, absurdistisch, surrealistisch. Kauw maar eens op de volgende tekst: ‘Als één arbeider met één schop op één dag één kubieke meter graaft, dan zullen duizend arbeiders met die ene schop in dezelfde tijdspanne diezelfde kuub graven. Ergo: als we de belletristische bezetting reduceren, kan dat ene thema worden bediend door één pen van dienst. Geen honderd honoraria maar één, geen honderd oplagen van tienduizenden stuks, maar één oertotaaluitgave in miljoenvoud’.

    Autobiografie van een lijk en andere verhalen
    Auteur: Sigizmoend Krzizjanovski
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Midzomer, stadsmoe

    Schrijver en dichter Bernard Wesseling (1978) won in 2007 de C. Buddingh’-prijs voor zijn poëziedebuut Focus. Drie jaar eerder verscheen zijn romandebuut De favoriet. Nu is er opnieuw een roman, zijn vierde: Midzomer, stadsmoe, over de fietskoerier Rochus Veldman die achtervolgd wordt door de vraag wat er met zijn vermiste vriend kan zijn gebeurd. Een vriendin trekt hem de wereld weer in. Samen vertrekken ze naar Lesbos.
    ‘- Op Lesbos zijn we nodig. Niet dat we de problemen daar kunnen oplossen, maar het leed verzachten misschien. Oké, je twijfelt, ik zie het. Ik ook.
    – Waarom Lesbos?
    – Mijn vader zei dat ook: Waarom Lesbos? Waarom help je geen bejaarden, die massaal vereenzamen? Waarom vluchtelingen?’

    Midzomer, stadsmoe
    Auteur: Bernard Wesseling
    Uitgeverij: Querido

    Melancholie II

    ‘Stavanger, vroeg in de herfst, 1902: Oline loopt van de zee de steile helling op, steunend op haar stok loopt ze stapje voor stapje omhoog, en haar voeten doen zo’n zeer dat ze nog maar net vooruitkomt, maar het gaat, stapje voor stapje loopt Oline omhoog, in aar ene hand de stok, in haar andere een snoer met vis en wat dooet het zeer, denkt Oline…’. Deze opening van Melancholie II van de Noor Jon Fosse (1959) tekent meteen zijn vertelstijl met repeterende zinnen die vaak beginnen met ‘en’. De roman is een vervolg op Melancholie I, over de Noorse landschapsschilder Las Hertervig (1830-1902). Melancholie II speelt zich af op de sterfdag van de schilder en vertelt het verhaal vanuit het perspectief van zijn zus Oline.

    Melancholie II
    Auteur: Jon Fosse
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Oogst week 14 – 2020

    Het kind

    Christine Lavant (1915-1973), pseudoniem van Christl Thonhauser, was een Oostenrijkse schrijver. Vanaf haar geboorte kampte ze met verschillende gezondheidsproblemen. Toen ze aan longtuberculose en als gevolg daarvan scrofulose leed, werd ze behandeld met röntgenbestraling. De tuberculose genas, maar ze hield er afschuwelijke verbrandingen in haar hals en gezicht aan over. Onder meer haar ogen en oren waren beschadigd en daarnaast werd ze na de behandeling gekweld door zenuwpijnen.

    Deze ervaringen vormden de inspiratie voor Lavants novelle Het kind, nu naar het Nederlands vertaald door Ria van Hengel. Ondanks Lavens fysieke en later ook psychische problemen was ze gelukkig zolang ze schreef en dat geluk maakt deze novelle heel levendig.

    Het kind
    Auteur: Christine Lavant
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Sensorium etc.

    De eveneens Oostenrijkse auteur Friederike Mayröcker (1924) publiceert proza en poëzie. Daarnaast werkt ze mee aan hoorspelen en schreef zelfs een libretto. In het Duitse taalgebied won ze talloze prijzen en in 2001 kreeg ze een eredoctoraat van de Universiteit van Bielefeld. Ze staat bekend als de grand dame van de Oostenrijkse literatuur.

    In Sensorium etc. is voor het eerst een groot aantal gedichten van haar hand gebundeld het Nederlands. Annelie David en Lucas Hüsgen waren verantwoordelijk voor de vertaling. Het oeuvre van Mayröcker, en dus ook deze poëzie, wordt gekenmerkt door haar liefde voor het leven en de wereld. Zelf beschrijft ze haar werk als afbeeldingen die ze in taal verandert door in de afbeelding te klimmen en erin rond te lopen tot die taal wordt.

    Sensorium etc.
    Auteur: Friederike Mayröcker
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Het land van de handen

    Luuk Gruwez (1953) schrijft proza, poëzie, korte verhalen en columns. Deze columns werden onder meer gepubliceerd in De Standaard en De Morgen. Eén van de bekendste werken van Gruwez is het in 1998 verschenen Het land van de wangen. In dit autobiografische verhaal staat het Oosten van Vlaanderen centraal.

    Nu, meer dan twintig jaar later, schrijft hij over de plaats waar zijn wortels liggen: het Westen van Vlaanderen. Het resultaat hiervan is Het land van handen, een mengeling van brieven, dromen en dagboekaantekeningen, allemaal geschreven met een nostalgische ondertoon. Critici loven Gruwez’ stijl, compositie, humor en mededogen.

    Het land van de handen
    Auteur: Luuk Gruwez
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Ongrijpbare samenhang in de gedichten van Glissant

    Ongrijpbare samenhang in de gedichten van Glissant

    In het jaar 2000 wordt ‘Herinnering aan Holland’ van Hendrik Marsman verkozen tot Gedicht van de twintigste eeuw. Het vers definieert het Nederland van toen ten voeten uit: weemoedig, gematigd, eensgezind en heldhaftig in de strijd tegen het water. Zou een dergelijke verkiezing worden gehouden in het Caraïbisch gebied, dan was Un champ d’îles van de in Martinique geboren dichter en literatuurdocent Édouard Glissant – vertaald als Een veld van eilanden door Jan H. Mysjkin – een grote kanshebber. De man die de term ‘Antillanité’ introduceerde, thematiseert de ongrijpbare identiteit, die op de Antillen, een smeltkroes van allerlei culturen, talen, religies en geschiedenissen, opgeld doet. Het werk geeft de Antillianen, die zich in hun eigen creoolse taal niet mochten uitdrukken, een stem. In het Frans nota bene, waardoor de Europese taal niet langer verdeelt en heerst, maar verbindt en schept. Het resultaat is een bundel met prachtige, raadselachtige poëzie en een iconisch motto: ‘Ik maak mezelf tot zee waarin het kind zal dromen.’

    Identiteit en verbondenheid

    In de proloog van Een veld van eilanden geeft Jan H. Mysjkin een heldere omschrijving van Édouard Glissants (1928 -2011) streven: ‘(…) de quasi-utopische vereniging van het Afrikaanse en het Europese erfgoed.’ Het is hem niet te doen om een kille afrekening met de koloniale mogendheden. Voordat Glissant in Parijs sterft, ziet Mysjkin kans hem persoonlijk te spreken over Un champ d’îles. De dichter drukt hem op het hart de bundel niet normaliserend te vertalen; Mysjkin dient grammaticale en semantische aanpassingen te vermijden, opdat de Nederlandse vertaling net zo meerduidig en rijk aan betekenis zal zijn als het Franse origineel. Hoewel het boek een compilatie is van vier hoofdstukken die elk op zich uit andere werken van Glissant afkomstig zijn, vertonen de verzen opmerkelijk veel samenhang. Telkens voelt, denkt en spreekt de Stem vanuit een Godperspectief, zij het eerder matriarchaal dan patriarchaal.

    De inhoudelijke verbinding komt terug in de opbouw; de componenten gaan in een schier onoverbrugbare kloof toch de dialoog met elkaar aan. Aldus wordt de mythe van oorspronkelijkheid, mogelijk van mono-etnische afkomst, ontkracht: waar een stem ook vandaan komt, hij heeft de potentie in harmonie voort te leven te midden van steeds meer sprekers zonder continu terug te kijken naar zijn geboortegrond en ontstaansgeschiedenis. Hierover dicht Glissant: ‘Elk woord is een aarde waarvan de ondergrond moet worden doorwoeld waar een losse ruimte warm wordt gehouden voor het woord van de boom’
    Identiteit ligt niet zozeer besloten in het isolement van de wortels, als wel in de open dialoog met de ander. Bovendien staat zij nooit vast, maar is zij altijd onderhevig aan verandering en ontwikkeling. Waar het verleden eenieder op zijn nostalgische Zelf terug werpt, behoort de toekomst iedereen toe. 

    Postkoloniaal

    Hoewel Glissants poëzie bij vlagen enigmatisch aandoet, is zijn werk doorspekt met maatschappelijk engagement. Hij pleegt weliswaar geen vergelding op de westerse kolonialen, maar hij benoemt de pijnlijke geschiedenis van zijn volk, die door thuisloosheid, onderdrukking en moord getekend is. Hij bezingt het noodlot van de negroïde bevolking die van de ene oceaanoever naar de andere werd verscheept, overgeleverd aan de genade van zee en zeeman: ‘Bloedige schoonheid van golven / O het is een wond een wond  / Waarin de hemel danst, plechtig en traag / Bij het zien van zulke naakte mannen’

    Wat dikwijls op de loer ligt bij maatschappijkritische literatuur, is een belerende strekking die de affectieve werking van het geschrevene tenietdoet. Op virtuoze wijze omzeilt Glissant dit mankement door de natuur en de ontknevelde stem van de Antilliaan tot mondstuk van de kritiek te maken: ‘Oh je bent Stem, en hun hoogmoed zal verdrogen.’ Moraliserende vingerwijzingen zijn overbodig om de lezer te laten luisteren naar de boodschap van de zee, de wind, de geradbraakte akkers en de geroofde grondstoffen, die alle getuigen zijn van een bloedige geschiedenis. Zo zegt het hoofdstuk Een veld van eilanden, dat de gelijknamige boektitel draagt, over de ecocide: Het hele eiland is medelijden dat op het eigen lijf zelfmoord pleegt. 

    Het vers Afrika (origineel: Afrique) koppelt deze uitbuiting van de natuur aan de genocide van hen die de exploitatie ten uitvoer moesten brengen: een slordige twaalf miljoen tot slaaf gemaakten. De Stem roept de natuur aan, als ware zij Vrouwe Justitia:’ ‘Neem de zee als weegschaal / en als gewicht het zwarte zout / ingezaaid door het bloed der volken / die allen omkwamen.’
    Gerechtigheid geschiedde. De Stem neemt het voortouw en vertelt het verhaal dat nooit verteld mocht worden. Is dat een revanche? Nee. Het is een herstelde, zij het broze balans, waarna de vruchtdragende aarde hopelijk leven geeft aan iedereen en niet slechts aan de agressors: ‘mooie vrucht, en wie weet plukken we haar tot slot allemaal, wie weet.’ 

    Nomadische aard van de poëzie

    De meerduidigheid in het werk van Glissant verdient extra aandacht. Voor de fervente poëzielezer, die een gezonde dosis ambiguïteit weet te waarderen, is deze bundel een genot. Het hoofdstuk ‘De ogen de stem’ (les yeux la voix) neemt de lezer mee naar een muze die last heeft van haar geheugen. Daarna heffen de kapittels ‘Een veld van eilanden’ en ‘Afrika’ een liefdevolle klaagzang aan ter ere van hun volkeren en tot slot herstelt ‘Het ontvreemde oog’ (‘l’oeil dérobé’) de chaos. Glissant is wars van geijkte, westerse poëtische conventies: vaste rijmschema’s en strakke metrums ontbreken, de verhaalontwikkeling is eerder cyclisch dan lineair en een duidelijk afgebakende structuur is afwezig. Bovendien belichaamt de natuur geen idyllisch ideaal uit de herderspoëzie, waarin lieflijkheid en vrede de boventoon voeren. Daarnaast is zijn woordgebruik dermate associatief, dat iedere poging tot een dieper begrip leidt tot betekenisverruiming. Zo merkt Glissant op: ‘Welke onbuigzame gedachte loopt door / de vezels de sappen de spieren / werd uit pijn een woord gemaakt / een nieuw woord dat zich vermenigvuldigt’

    Het is bijkans onmogelijk de gedichten sluitend te interpreteren, het verwordt al snel tot definiëren. Een definitie staat nauwelijks verandering toe, want zij stelt vast, schept orde en loopt dood. Glissant lijkt dit procedé ten koste van alles te willen voorkomen. Daar spreekt eerbied uit voor de literatuur, die volgens hem evenals de creoolse identiteit uit meerstemmigheid en chaos bestaat. Wie de poëtische kluwen van Glissant probeert te ontwarren, zoekt het geheim tevergeefs. Ondoorgrondelijk is misschien wel de beste typering voor Glissants poëzie; de dichter trekt de grond onder de voeten van de lezer vandaan door te verhalen over de tot slaaf gemaakten die hun grond daadwerkelijk verloren. Zo maakt hij de reislustige lezer deelgenoot van de ontworteling die zo velen hebben moeten doorstaan. De bestemming voor de nomadische mens is ongewis: ‘Wie bemint is rondtrekkend onkruid.’ Een veld van eilanden heeft de mens lief en verloochent grenzen. Hoe vaak in de koloniale geschiedenis was dat niet andersom?

     

  • Oogst week 4 – 2020

    Stamina

    Enne Koens (1974) is vooral bekend als auteur van veelgeprezen kinder- en jeugdboeken. Daarnaast schrijft ze toneelstukken, romans en korte verhalen. Uit in Hollands Maandblad gepubliceerd werk ontstond de verhalenbundel Stamina, vol met kleurrijke personages: ‘Alma die op sterven ligt, Klaas die stiekem danst wanneer zijn vriendin niet thuis is, en een warrige oude man die tevergeefs op zoek blijft gaan naar koffie.’

    Koens ontleedt hun psychologie, van verlies en haat tot de keuze om door te gaan met leven. Hoewel de personages elkaar niet kunnen bereiken, beschrijft Koens het menselijk falen liefdevol in deze subtiel verweven verhalen.

    Stamina
    Auteur: Enne Koens
    Uitgeverij: Podium b.v. Uitgeverij

    Ik weet

    ‘De generaal van de avant-garde’ was de bijnaam van de Sloveense dichter Tomaž Šalamun (1941-2014). Zijn gedichten zijn vergelijkbaar met die van Nobelprijswinnaars Czesław Miłosz en Joseph Brodsky. Šalamuns werk kenmerkt zich door vitaliteit en surrealistische beelden en werd in achttien talen vertaald. In het Engels zijn er meer dan twintig bundels van hem verschenen. Hij won meerdere prijzen, waaronder de Europese Prijs voor Poëzie in 2007.

    Ik weet bevat tweeëntachtig gedichten die Šalamun in een halve eeuw schreef en die jonge dichters al decennialang beïnvloeden. Het is de eerste uitvoerige Nederlandse vertaling van zijn werk.

    Ik weet
    Auteur: Tomaž Šalamun
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Een huis dat van ons is

    ‘Ik vond het heel mooi, zonder te durven zeggen dat ik alles snap,’ schreef recensent Arjan Peters in De Volkskrant over Viviane Élisabeth Fauville, de eerste in het Nederlands vertaalde roman van de Franse auteur Julia Deck (1974). Nu is er een tweede roman van Deck vertaald: Een huis dat van ons is, over het echtpaar Caradec van middelbare leeftijd dat van de stad naar een milieuvriendelijk bouwproject verhuist.

    In hun nieuwe straat blijken de buren elkaar in de gaten te houden. De Caradecs hebben een eigen huis gekocht, maar hun eigen leven ingeleverd. Met vaart, ironie en scherpe formuleringen vertelt Deck dit verhaal over buren die alles van elkaar weten en elkaar toch proberen te ontwijken.

    Een huis dat van ons is
    Auteur: Julia Deck
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels (verschijnt 11 februari)
  • Vrijgezel uit predestinatie

    Vrijgezel uit predestinatie

    De Roemeense schrijver Mihail Sebastian (1907-1945), pseudoniem voor Iosif Mendel Hechter, maakte in 1933 zijn debuut als romancier met Vrouwen. Zijn grootste successen behaalde hij evenwel met zijn toneelstukken. In 1935 veranderde Hechter zijn echte naam in zijn huidige schrijversnaam die hij officieel liet registreren om zo zijn joodse achtergrond te verhullen. Niettemin krijgt hij in het anti-semitische Roemenië vanaf 1940 een publicatieverbod, wat hij omzeilt door wederom schuilnamen te gebruiken.
    Vrouwen is recent in het Nederlands vertaald en vorig jaar gepubliceerd. Het zijn eigenlijk 4 novellen waarin hetzelfde personage vertelt over zijn relaties met vrouwen en hij de erotiek ontdekt. Sebastian schrijft daar relatief open over, wat opmerkelijk mag heten voor een boekje dat in 1933 verschijnt.

    In de eerste novelle vertelt Stefan Valeriu over drie vrouwen: de lelijke en gracieuze Renée, de mooie en oude Marthe en de jonge en sportieve Odette.
    In de tweede novelle is Valeriu getuige van de bijzondere relatie tussen de Parijse Emilie en de dorpse Irimia; door toeval blijven ze aan elkaar hangen, maar uiteindelijk loopt dat niet goed af.
    In de derde novelle schrijft ene Maria een brief aan Valeriu waarin zij zich beklaagt over haar paradoxale liefdesleven met haar man; zij weet dat Valeriu haar begeert.
    In de vierde novelle tenslotte trouwt Valeriu plotseling met de circusartieste Arabella. Hun relatie eindigt even onverwacht.
    In die vierde novelle komt de opstelling van Stefan Valeriu tegenover vrouwen duidelijk naar voren. Wanneer hij zich realiseert dat hij een getrouwd man is denkt hij:

    ‘Ik ben heel mijn leven een warhoofd en een eenzaat geweest, opstandig zodra een vrouw zich aan mij probeerde te binden, enkel en alleen begaan met de vrijheid over mezelf te beschikken, een vrijgezel uit predestinatie, en ik had tot dan toe niet begrepen hoe een huwelijk mogelijk was; louter het idee om elke nacht hetzelfde lichaam met dezelfde huiveringen terug te vinden leek absurd voor iemand als ik, eeuwige liefhebber van verrassingen en voorbijgaande overeenstemmingen.’

    Deze passage vat de thematiek van deze novellen goed samen. Alle gaan over het dilemma van vrijheid en binding, van avontuurtjes en vastigheid, van eerlijkheid en leugenachtigheid. Sebastian weet die dilemma’s mooi te verweven in de verhalen die hij over de relaties van de hoofdpersoon met vrouwen schrijft. Die relatie lijkt vooral geobsedeerd door de schoonheid van vrouwen en wel zo dat hij met elke mooie vrouw naar bed wil. Is dat gelukt, dan is hij tevreden en is er ruimte voor een nieuwe vrouw.

    Wanneer in de vierde novelle zijn vrouw zegt hem te willen verlaten voor een ander, hoort hij dit gelaten aan en protesteert slechts zwakjes. Het idee zijn vrijheid terug te hebben, overheerst.
    Hoewel over deze thematiek veel is geschreven, weet Sebastian door zijn taalgebruik, vertelkracht en scherpzinnige waarnemingen van de relaties tussen vrouwen en mannen de lezer te boeien en in zijn verhalen mee te nemen. Het proza dat Mihail Sebastian schrijft is van grote schoonheid. Een juweel van een boekje!

     

  • Tijdsdocument met cultuurhistorische waarde

    Tijdsdocument met cultuurhistorische waarde

    Fransen, zo wil het cliché, zijn vooral in Frankrijk geïnteresseerd. Als ze al over de grens kijken, dan niet naar Nederland. Daarom is het interessant dat Louis Aragon een dichtbundel wijdde aan ons land (dat hij Holland noemt). Aragon (1897-1982)  gold eerst als een surrealistische dichter en later als een sociaal geëngageerd auteur. Van die gedaanten zien we niet veel terug in deze bundel, die net zozeer over Aragons geliefde en literator Elsa Triolet (1896-1970) gaat als over Nederland. Met haar maakte Aragon een zomerse reis door een verregend Nederland, met deze  tweetalige bundel als resultaat. De bundel bestaat uit zes delen. Een aantal van de gedichten werd er later aan toegevoegd. Deze hebben geen betrekking op de reis.

    Le voyage de Hollande verscheen in 1964  tussen twee andere, bekendere bundels die over Aragons liefde voor Elsa gaan. Vestigt vertaalster Katelijne de Vuyst terecht de aandacht op een deels vergeten parel? Het antwoord moet ontkennend luiden. De reputatie van Aragon is niet gebaseerd op deze bundel.

    Dichtbij Marsman

    In haar nawoord refereert De Vuyst aan het beroemde Nederlandse gedicht, ‘Herinnering aan Holland’, van Hendrik Marsman. Gedichten van schrijvers over de ontroering over het eigen land zijn zelden mooi, het gedicht van Marsman is dat wel. De visie van een buitenstaander is echter potentieel minder ‘verdacht’. Het dichtst bij Marsman komt Aragon op bladzijde 27. Een titelloos gedicht eindigt zo:

    Op een rivier boven de gaarden
    Kun je zwarte aken ontwaren
    Die voortdurend worden gewassen
    Ze lijken het moe verder te varen
    Op schitterende waterstraten

    Elsa en Nederland

    De lezer ziet het voor zich, voelt er iets bij, maar wordt niet per se verrast door deze kijk op Nederland en zijn stromende rivieren. In die zin lijkt het op klassieke gedicht van Marsman. In de bundel is Aragon vooral niet blij over de ‘rotzomer’ die hij en Elsa in het Noorden mee maakten.  Hij giet deze onvrede in conventionele verzen. Het mooist  in deze bundeling zijn de regels waar de twee onderwerpen, Elsa en Nederland, samenkomen:

    Geen echo in de ochtend geen schuimspoor aan de rand van de zee
    Geen gefluisterd souvenir geen ruisend suizen van een twijg of tak
    Je passen zijn zacht als grijze potloodstrepen op het hagelwitte blad
    De achterzijde van je blik slaat open op het blauw van Vermeer

    Vertalen is een moeilijk vak en soms slaat de vertaalster de plank mis. Zo passeert het cliché voor koffie ‘een bakje troost’ de revue en wordt ‘quinzième fois’ vertaald met ‘tig keer’, wat niet heel poëtisch overkomt. Pogingen om de rijmende regels van Aragon te volgen leveren passages op als:

    Als ik oud ben en versleten
    Komt ik het vast te weten
    Het leven is een gehucht
    Vol boze dromen en gezucht

    Laatste reis samen

    Dat roept associaties met sinterklaasavondpoëzie op. De vertaling bevat ook mooie passages. Nederland wordt ‘dit gesmokkelde land’ genoemd en Amsterdam een ‘omgekeerd Venetië waar de eend regeert.’ Ook mooi: ‘Het licht van Delft wordt zachtjes als een laatste wade over ons gelegd.’

    Een grote naam levert echter niet per se grootse poëzie op. De waarde van Aragons bundel is vooral cultuurhistorisch, niet literair. Het is een tijdsdocument. Niet ontregelend (zoals in surrealistische poëzie), maar een bevestiging van een clichématige visie op ons land. Mooier dan de verzen over Nederland zijn die over zijn liefde voor Elsa. Het slot van een titelloos gedicht maakt duidelijk wat de werkelijke relevantie van de reis was voor Aragon, die  volgens De Vuyst vreesde dat zijn geliefde spoedig zou sterven en deze reis hun laatste samen zou zijn (Elsa zou echter pas zes jaar later komen te overlijden):

    Waar Holland in mijn droom voor staat
    Is alleen mijn geliefde mijn geliefde.

     

  • Grootse literatuur vergt enige studie

    Grootse literatuur vergt enige studie

    Een boek bespreken dat bestaat uit prachtige volzinnen vol onopgeloste raadsels uit een droomwereld is eigenlijk onbegonnen werk. Lees maar: ‘”Ik ben je vriend, Philippe,” zei meneer Janeu eenvoudig, maar met een wonderbaarlijk gezag. Steeny (bijnaam van Philippe, HV) heeft bruusk zijn hoofd opgericht en in een flits – o, absurde droom! – meent hij in de ander de voorbeschikte begeleider van zijn leven te herkennen, de gids die hem zal inwijden, de held die hij door zoveel boeken heen achterna heeft gezeten. En bij het doen van die ontdekking, zo afwijkend van alles wat hij had verwacht, heeft hij het gevoel dat zijn borst verteerd wordt door hetzelfde heimelijke vuur dat die man daar onder zijn armzalige wollen jopper opvreet; en om een bespottelijke snik te smoren gooit ook hij zijn hoofd naar achteren, tart hij Joost mag weten welke uitdaging van dit huis en zijn geheime machten, vlijtige dienaren van het meest geheime van alle geheimen, de dood – de dood die zo dicht in de buurt onder hun voeten zijn werk doet…’

    Meneer Janeu (in het Franse origineel: Monsieur Ouine) van Georges Bernanos (1888-1948) behoort volgens literatuurkenners tot de categorie van Dylan Thomas’ Under Milk Wood en James Joyce’s Ulysses: grootse literatuur die veel inspanning van zijn lezers vergt. Je komt er niet uit met één keer lezen, het vergt studie.
    Georges Bernanos werd tijdens zijn leven al beschouwd als een belangrijke Franse schrijver. Zelf vond hij ‘Monsieur Ouine’ zijn meesterwerk, maar door allerlei omstandigheden kwam het pas na zijn dood uit en kreeg in de laatste decennia voor het eerst grote aandacht.

    Vertaler Ard Posthuma, die vijftig jaar lang door deze roman werd geobsedeerd schreef een broodnodig nawoord bij zijn vertaling van Monsieur Ouine waarin hij zegt: ‘het titelpersonage zou allang de bekendheid moeten hebben van pakweg een Raskolnikov, Joseph K. of Ferdinand Bardamu. Maar aangezien het niet zo is en dit uitermate complexe, nooit eerder in het Nederlands vertaalde werk bevrijd dient te worden uit het reservaat waarin het in de literatuurgeschiedenis door een ongelukkige samenloop van omstandigheden terecht is gekomen, houd ik het toch voor wenselijk duidelijk te maken hoe het komt dat we hier een van de best bewaarde geheimen van de twintigste-eeuwse Franse literatuur voor ons hebben liggen.’

    Aan zo’n volzin is te zien dat hij als vertaler uitermate geschikt is voor het vaak ingewikkelde proza van Bernanos.
    En zijn uitleg kan de lezer goed helpen bij het begrijpen van Meneer Janeu, een roman waarin een veertienjarige jongen (Philippe, bijgenaamd Steeny) in een klein dorp probeert zichzelf te bevrijden uit het ouderlijk huis en op zoek gaat naar een spiritueel leider maar klem raakt in de omhelzing van monsieur Ouine, een bejaarde taaldocent. Voer voor volhardende lezers.

     

  • Oogst week 16

    Een zomer in Venetië

    In de oogst van deze week een kleine roman van de Poolse schrijver Włodzimierz Odojewski, evenals van de Duits/Franse schrijfster Cécile Wajsbrot, nagelaten werk en brieven van Franz Kafka en het laatste deel uit de Cazelets-reeks.

    Włodzimierz Odojewski (1930-2016) schreef vele romans, verhalen, theaterstukken en gedichten. Zijn werk werd onder meer in Frankrijk, Duitsland en Spanje vertaald. Een zomer in Venetië is het eerste boek van Odojewski dat in het Nederlands vertaald is.

    Een zomer in Venetië gaat over het negenjarige jongetje Marek dat op vakantie gaat naar Venetië. Hoewel hij pas negen is, weet hij alles over de stad. Maar de zomer van 1939 heeft andere verrassingen voor hem in petto. Vanwege de dreigende oorlog moet hij in Polen blijven en wordt hij naar zijn tante Weronika op het platteland gestuurd. In haar landhuis ontdekt hij op een dag een plas water in de kelder, die snel groter wordt. Een heilzame bron!

    Zijn lievelingstante Barbara gaat meteen met dit idee aan de slag. Stoelen worden bruggen, de pingpongtafel wordt het San Marcoplein. En terwijl buiten uit de blauwe lucht de eerste bommen vallen, beleeft Marek onder de lampionnen in de verduisterde kelder een reis die het echte Venetië ver overtreft.

    Een zomer in Venetië
    Auteur: Wlodzimierz Odojewski
    Uitgeverij: Querido

    Caspar David Friedrichstrasse

    Tijdens de oorlog waren de ouders van Cécile Wajsbrot naar Frankrijk gevlucht waar zij in 1954 als dochter van Poolse joden in Parijs geboren werd. Tegenwoordig leeft ze afwisselend in Parijs en Berlijn.

    Caspar David Friedrichstrasse is een bitter relaas van een leven voor en na de muur in Berlijn. Over levens die verscheurd werden. De Duitse kunstenaar Caspar David Friedrich (1774-1840) was een schilder uit de romantische periode. In het Berlijn van na de muur wordt een straat naar de kunstenaar vernoemt.

    Een dichter wordt gevraagd te spreken op de openingsceremonie van de straat, hij laat zich meeslepen door herinneringen aan een geliefde aan de andere kant van de muur. Midden in zijn  gepassioneerde lezing over het werk van de romantische schilder, verbindt hij heden met verleden. Dan verandert zijn toespraak in een bekentenis over een leven dat even verscheurd is als de geschiedenis van zijn land.

    Caspar David Friedrichstrasse
    Auteur: Cécile Wasjbrot
    Uitgeverij: Vleugels

    Veranderingen

    Voor de trouwe  Cazalets lezers is er goed nieuws (of niet). Het vijfde en laatste deel van de Cazalets-serie van Elizabeth Jane Howard (1923-2014) is verschenen. Op zesendertigjarige leeftijd debuteerde Howard met The Beautiful Visit. Na een aantal mislukte huwelijken maar wel succesvol als schrijfster, werd ze de tweede vrouw van Kingsley Amis. Het was op aanraden van haar stiefzoon, de schrijver Martin Amis dat Howard in 1982 begon aan de romanreeks geënt op haar eigen familiegeschiedenis, de Cazalets.

    In het vijfde en laatste deel Veranderingen is het halverwege de jaren vijftig. De baronie is overleden, en met haar is een heel tijdperk voorgoed verdwenen. Hoewel de oorlog al tien jaar voorbij is, voelen de Cazelets kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen nog steeds de naschokken ervan. Veel staat er op het spel, het voortbestaan van hun geliefde Home Place, het familiebedrijf, familierelaties en huwelijken. En de nichtjes Polly en Clary proberen het huwelijk en moederschap te combineren met professionele ambities.

    Veranderingen
    Auteur: Elizabeth Jane Howard
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap

    Franz Kafka (1883 – 1924) schreef voornamelijk proza, waarvan zijn romans Het proces (1925), Het slot (1926) en Amerika (1927) de bekendste zijn. Later vonden ook enkele prozavertellingen hun weg naar het grote publiek. Pas in de jaren dertig van de negentiende eeuw groeide de belangstelling voor zijn werk, dat mede dankzij zijn vriend Max Brod postuum verscheen.

    ‘Mijn schrijven ging over jou,’ luidt Kafka’s oordeel over zijn eigen literaire werk in Brief aan mijn vader. Veel van de teksten in deze verzameling alsook veel van de ‘Aforismen’ gaan over de verhouding van het individu tot de ander, de samenleving, de macht.

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap bevat een keuze uit nagelaten verhalen en fragmenten. Kafka schreef de Brief vijf jaar voor zijn dood, in 1919. Opmerkelijk is dat hij de brief typte, waaruit kenners opmaken dat hij met deze brief niet enkel privé bedoeling had. Toch was de brief wel degelijk voor zijn vader bedoeld, al durfde Kafka hem niet zelf op te sturen. Hij vroeg zijn moeder de brief door te geven, maar zij weigerde. Het is een uiterst persoonlijk, pijnlijk en aangrijpend document waarin de vaderfiguur bijna mythische vormen aanneemt.

     

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap
    Auteur: Franz Kafka
    Uitgeverij: Athenaeum