• Simpele zielen

    Simpele zielen

    Toen Poetin vorige week onder valse voorwendselen op oorlogspad ging, werd ik daar behoorlijk onrustig van. Als honderden kilometers barvoets lopen of duizenden schietgebedjes zouden helpen, dan zou ik dat doen. Maar ik wist niet waar te beginnen. Dus ging ik naar het filmhuis waar een Oekraïense zwart-wit film uit 1968 draaide, getiteld Скуки ради (Uit verveling), gebaseerd op een verhaal van Maksim Gorki. Over een station in de steppe, een stationschef met zijn vrouw en zoontje, een bevriend spoorwegbeambte, een telegrafist, de dienstmeid  en drie arbeiders. Een keer per dag komt er een trein op het station aan, opgewacht door de bewoners van het station. Op het perron wordt dagelijks een gemakkelijke stoel voor de vrouw klaargezet, die er in uitgaanskledij in plaatsneemt. De twee mannen positioneren zich in uniform op het perron. Zo gauw de trein stilhoudt vergapen ze zich, met het hoofd in de nek, aan het leven van welgestelde burgers in de eerste klas wagon. Als deze weer optrekt, zwaaien ze met omfloerste blik de trein na, als zat hun geliefde erin. Denk aan Herenleed, sketches van Cherry Duyns en Armando, verlangen en weemoed.

    Maar deze film is droeviger. De seinwachter verleidt uit verveling de dienstmeid, vraagt of ze getrouwd is. Ze zegt, kijk naar mij, wie wil mij nou hebben? Hij kijkt en zegt, inderdaad, je bent lelijk. Foei, wat ben jij lelijk. In het geheim bezoekt hij haar, overdag wil hij niet met haar gezien worden. De arme drommel ziet niet hoe mooi ze eigenlijk is. Nu de dienstmeid het geluk even geproefd heeft, kan ze niet meer terug naar haar oude leven, er rest haar slechts de keuze het te beëindigen. Thuis zoek ik naar het verhaal van Maksim Gorki waarop de film gebaseerd zou kunnen zijn. Ik vind het niet. Wel is er een pakketje boeken binnengekomen, verhalen van de in Kyiv geboren Sigizmoend Krzjizjanovski. In het verhaal ‘Autobiografie van een lijk’ uit 1925, lees ik dingen die zich deze dagen ook voordoen. Lees voor ‘kruispunten’, social media. 

    ‘Op de kruispunten stonden groepjes mensen opgewonden met elkaar te praten. Meerdere malen ving ik het woord “oorlog” op.’ Er hangen lijstje met wat er zoal nodig is voor de oorlog, ingezameld door de militaire intendance. Er ‘… worden voor de volgende bedragen opgekocht: voetlappen: 7 kop.; onderhemd: 26 kop.; laarzen (mil. mod.): 6 roeb.; alsmede…’ Op het lijstje staat ook dat de intendance ‘lichamen en hun inhoud: leven’ inzamelt. Krzjizjanovski schrijft, ‘Over de afkoopprijs van dat laatste werd om een of andere reden met geen woord gerept.’

    In Ik heb nooit iets gelezen, van Karel van het Reve kom ik Gorki weer tegen, die Stalin, (die niets met literatuur had) wel eens op bezoek kreeg. ‘In gezelschap van literatoren was hij verlegen volgens iemand die hem ten huize van Maxim Gorki wel ontmoet heeft (…)’. Als Stalin op bezoek kwam, schrijft Van het Reve, dan ‘was het drinken geblazen, want hij werd achterdochtig als je niet dronken was. Als men zich beleefdheidshalve tot hem wendde met een vraag op literair gebied betuigde hij dadelijk zijn onbevoegdheid.’ Dat ‘betuigen’ en ‘onbevoegdheid’, is in deze meesterlijk. Het zomerverblijf van Stalin was een houten ‘datsja’, een spijker in de muur als kapstok ‘de muren beplakt met uit tijdschriften geknipte plaatjes’. Simpele zielen kunnen ernstige schade aan de mensheid berokkenen.

    Van het Reve beschrijft hoe Brezjnev bij een bezoek van Thatcher aan de Sovjetunie een begroeting van papier leest: ‘“Namens volk en regering van de Sovjetunie heet ik u hartelijk welkom, mevrouw Indira Gandhi.” Hij wordt op zijn schouder getikt: “Leonid Iljitsj, dat is niet Indira Gandhi, maar Margaret Thatcher.” Brezjnev kijkt verstoord op en begint opnieuw: “Namens volk en regering van de Sovjetunie heet ik u hartelijk welkom, mevrouw Indira Gandhi.” Opnieuw wordt hij op de schouder getikt. Nu wordt hij kwaad. “Wat zeuren jullie toch,” bromt hij, “ik zie ook heus wel dat dat mevrouw Thatcher is, maar hier in mijn tekst staat Indira Gandhi.”’ Van het Reve was goed in grote wereldleiders de menselijke maat te nemen. Zo zie ik het graag.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, onderzoekt de dingen van de dag.

  • Socialere context in autobiografische novellen

    De kelder

    Alle boeken van Thomas Bernhard (1931-1989) lijken op elkaar, alleen is het ene nog beter dan het andere. De autobiografische reeks van vijf novellen over de eerste twintig jaar van zijn leven waaraan Bernhard midden in zijn schrijverscarrière begon te schrijven, heeft binnen zijn oeuvre een speciale status verworven. De auteur doorbrak met deze novellen de lijn van een reeks romans en verhalen met geïsoleerd levende zonderlingen als hoofdpersoon. Alsof hij zich wilde verantwoorden waarom hij tot dusver altijd voor zonderlingen als personages had gekozen. Maar wellicht was er ook de drang om een gevoel van vernedering, van schaamte van zich af te schrijven. Want afgezien van de crisisjaren en de oorlog verliepen de vroege levensjaren van de als ongewenst geboren en door zijn moeder verstoten jonge Thomas Bernhard niet eenvoudig.

    Resoluut rechtsomkeer

    Met de verhaallijn van zijn eigen leven ontstond vanzelfsprekend een socialere context in plaats van de eendimensionaal uitgetekende figuren die tegen een geabstraheerd decor in een nagenoeg plotloos proza verzinken in hun eigen gedachtenspinsels. Deze novellen over zijn jeugd – alle vijf verschenen bij uitgeverij Vleugels – kunnen tot zijn meest toegankelijke werk gerekend worden. De sociale betrokkenheid die er bij tijd en wijle doorheen schemert, is uitzonderlijk in Bernhards oeuvre. De novellen De Kelder (1981) en De Kou (1978) gaan over de sociale misère en grauwheid die het naoorlogse Salzburg in zijn greep hield. Er wordt de existentiële kern van leven en dood in aangeboord. De ontgoocheling en nooddruft in het naoorlogse, verscheurde Oostenrijk gaven daartoe aanleiding. Daarbij heeft Bernard zijn talent voor zwarte humor niet onbenut gelaten.

    De kelder (1976) gaat over Bernhards ervaringen in een kruidenierszaak waar hij in 1947 als zestienjarige ex-gymnasiast belandde. Op de eerste pagina maakt de ik-verteller op weg naar school, resoluut rechtsomkeert om in ‘tegengestelde richting’ naar het arbeidsbureau te gaan. Daar kiest hij voor een – niet voor de hand liggende – betrekking bij de levensmiddelenwinkel van buitenstaander Karl Podlaha, gelegen in de Salzburger achterstandswijk Scherzhauserfeld, die in Bernhards hyperbolische vocabulaire als ‘wanhoopsgetto’ en ‘voorhel’ wordt aangeduid. Deze abrupt genomen beslissing om zijn gehate school te verlaten voor een simpel baantje, loopt als een terugkerend Leitmotiv door deze novelle. ‘Twee mogelijkheden heb ik gehad, dat besef ik ook nu nog, de ene was zelfmoord, waarvoor me de moed ontbrak, en/of het gymnasium verlaten, van het ene moment op het andere, ik had geen zelfmoord gepleegd en was leerjongen geworden.’ 

    Afwijken van het aanvaardbare

    De ondertitel van De kelder luidt: een onttrekking. Een onttrekking aan de stroming, aan het algemeen aanvaardbare, op basis van een intuïtief genomen besluit blijkt uiteindelijk levensreddend en typeert de naamloze ik-persoon. De alwetende verteller permitteert zich hier en daar af te wijken van de werkelijke levensloop van Bernhard en stuit de lezer op verschillende passages waarin de taal wordt beschouwd als een ontoereikend instrument om de waarheid te dienen. De tekening van het verhaal is realistischer dan we van hem gewend zijn, maar de focus ligt op de uitvergroting van de geestelijke processen van de ik-persoon die een zelfbewuste groei in autarkische richting doormaakt.

    Diens daad om het gymnasium te verlaten en een burgerlijke carrière inruilt voor een betrekking in de armoedigste buurt van Salzburg wordt uitzonderlijk belicht. Het verhoudt zich onweerlegbaar tot de tegendraadse geesteshouding van de controversiële schrijver zelf. Om de uittekening van zulke geestelijke processen ruimte te geven, neemt het verhaal groteske vormen aan en wordt de omgang van de ik-persoon met de buiten de sociale orde geplaatste outcasts sterk geïdealiseerd. Dat hij na een jaar het baantje even makkelijk vaarwel zegt om zijn roeping in de muziek te volgen, is verhaaltechnisch wat minder geloofwaardig. Maar toont des te meer de geestelijke ontwikkelingslijn in zijn levensverhaal. Het levensreddende, het ontkomen aan de dood, is in feite één lange aanzet tot creativiteit, zijn rijping tot kunstenaar. 

     

    Bestel hier het boek.

     

    De kelder
    Auteur: Thomas Bernard
    Uitgeverij: Vleugels

    De kou

    De novelle De kou; een isolement (1981) begint met de verpleging van de ik-persoon als gevolg van een aan het einde van De Kelder opgelopen kou. Opgenomen in het sanatorium valt hij buiten de groep omdat hij de enige blijkt zonder open tuberculose. Hij moet zijn uitzonderingspositie, tegen de stroom in, bevechten. In een grimmige, sarcastische toon tekent Bernard het verblijf in het sanatorium onder de hoede van een regime van nationaal-socialistische geneesheren. Het is een vijandige omgeving, waar iedereen is gekomen om te sterven. Maar de ik-persoon wil genezen in plaats van sterven. Maar voor zijn eigen bestwil moet hij die wens geheim houden en zijn omgeving, met name de artsen, misleiden. Voor de schijn doet hij mee met de zieken. 

    Voortjagende stijl

    In deze tijd komt hij voor het eerst in aanraking met een boek dat hem raakt: Demonen van Dostojevski. Dat Bernard is beïnvloed door Dostojevskis stijl blijkt zonder meer uit de meeslepende, bijna koortsachtig voortjagende stijl, de drang te overleven in deze wereld, dit waanzinnig doolhof. De ik-persoon neemt zich voor belangrijke zaken te noteren op kaartjes, om ze niet te vergeten: ‘Ik dacht dat ik alles van de vergetelheid moest redden, uit mijn hersenen op de kaartjes, wat er ten slotte honderden waren, want ik vertrouwde mijn hersenen niet, ik was het vertrouwen in mijn hersenen kwijtgeraakt, (…).’ Meer dan in zijn andere boeken wordt met de herhaling van bepaalde sleutelwoorden – zeer typisch voor Bernhard – een existentiële noodzaak blootgelegd. 

    Temidden van al zijn potentiële tegenstanders is er één rots in de branding: ‘mijn grootvader, mijn privéfilosoof’. De ik-persoon – in wie toch echt niemand anders dan de jonge Thomas Bernhard kan worden gezien – schrijft zich hier duidelijk in de voetsporen van zijn grootvader die eveneens auteur was, ‘Tegen de zinloosheid in opstand komen en beginnen, werken, denken in louter zinloosheid.’ 

    Enkel leven voor de kunsten

    De appel valt niet ver van de boom. ‘Mijn grootvader had mij de waarheid verteld, niet slechts zijn waarheid, ook mijn waarheid, de waarheid überhaupt, en daarbij ook meteen de totale vergissing van die waarheden (…) Mijn grootvader heeft altijd de waarheid gezegd en zich volkomen vergist, net zoals ik, net zoals iedereen. We zitten in de vergissing als we denken in de waarheid te zitten, en omgekeerd. Absurditeit is de enige mogelijke uitweg. Ik kende die weg, de weg waarlangs je verder komt.’ De weg die hem tegen de gangbare richting in stuurt. Alleen daar zijn antwoorden te vinden op vragen als: ‘waar kom ik vandaan, waar ben ik thuis?’ 

    Symbolisch voor het geestelijke groeiproces in De kou is dat de ik-persoon eerder opkeek naar een kunstzinnige en eigenzinnige kapelmeester,maar aan het eind de rollen zijn omgedraaid: de ik-persoon is opgeklommen tot voorbeeld voor de kapelmeester. Het ‘ja’ zeggen tegen het leven en het kiezen voor het kunstenaarschap blijken twee loten aan dezelfde stam. De kunstenaar immers, is ‘de van het leven bezetene, de kunstenaar, de verder willende’. Aan het slot is de ik-persoon tot inzicht gekomen dat hij zichzelf beter geneest door weg te blijven van de artsen en dat slechts kunst, met name muziek, hem ware genezing kan bieden.

    Levenslessen

    Nadat Bernhard met deze autobiografische verhalen zijn levensweg had uitgetekend en zijn uitzonderingspositie rechtvaardigde, sneed hij in de daaropvolgende boeken een luchtiger soort nihilisme aan met meer ruimte voor het impliciet komische in de clash tussen waan en werkelijkheid. Meer speelruimte voor de lachfilosoof en de levenskunstenaar. Hoofdpersonen uit zijn latere werk blijken een stuk levensvatbaarder. Ze hebben zich bevrijd uit hun zelfbedrog en lopen zich niet langer te pletter in blinde wanen. Alsof ze zich hebben laten inspireren door de levenslessen uit de autobiografie van Thomas Bernard, hun geestelijke vader. 

     

    Bestel hier het boek.

    De kou
    Auteur: Thomas Bernard
    Uitgeverij: Vleugels (2021)
  • Een monoloog zo gespannen als een veer

    Een monoloog zo gespannen als een veer


    Woord vooraf door de redactie
    Een boek kan verschillende reacties oproepen, en een enkele keer zijn die zo tegengesteld aan elkaar dat het interessant is te onderzoeken hoe dat komt. Vooral als aangeven wordt dat een boek ook heel anders gelezen kan worden. Om recht te doen aan beide zienswijzen, vroegen we nog een recensent naar dit boek te kijken dat eerder hier werd besproken door Reinier van Houwelingen.



    De boeken van Uitgeverij Vleugels worden op het omslag niet voorzien van een jubelende toelichting op de inhoud, noch van ronkende aanprijzingen van bekende collega-auteurs of vooraanstaande dagbladen. Ook staat er geen afbeelding op die de lezer moet lokken. De dialoog tussen schrijver en lezer wordt niet verstoord door externe factoren; het boek moet voor zichzelf spreken. Dat geldt ook voor
    Het geheugen van de lucht van Caroline Lamarche, in vertaling van Katelijne De Vuyst, met zijn strak en sober uitgevoerde uiterlijk.

    Deze kleine roman van 76 pagina’s was oorspronkelijk geschreven als theatermonoloog en is dat gebleven in die zin dat er slechts één persoon aan het woord is, die over haar persoonlijke ervaringen vertelt. Het boek is ingedeeld in twee delen. Eigenlijk zou je als lezer met het laatste deel moeten beginnen. Hierin vertelt de naamloze vrouw  – naamloos omdat ze symbool staat voor alle vrouwen – dat ze ruim twintig jaar geleden verkracht is, waardoor het eerste deel van de roman in een heel ander licht komt te staan. Veel verhaalelementen die eerst onbeduidend of onbegrijpelijk leken, krijgen hierdoor gewicht en betekenis en ook het motto vooraan in het boek, ontleend aan schrijfster Unica Zürn (1916-1970), is nu van groot belang geworden: ‘Alleen de monoloog kan de waarheid onder woorden brengen – wie zou het wagen zijn geheim aan de ander te vertellen?’ 

    Terugkerende droom als traumaverwerking

    De vrouw in het verhaal waagt dat in ieder geval niet, en zeker niet aan de man met wie zij zeven jaar een relatie had en die zij nu Vantoen noemt, een afkorting van ‘man van toen’. Hij was er wel van op de hoogte, maar reageerde alleen met: ‘Een paar jaar geleden werd je verkracht, toch?’ De enige manier waarop zij haar traumatische ervaring kan verwerken, is in een steeds terugkerende droom waarin ze haar jongere ik dood in een ravijn ziet liggen, onbereikbaar. 

    De gecompliceerde verhouding met Vantoen ontstond na een huwelijk met een andere man waarover verder niets verteld wordt en waaruit twee dochters werden geboren, zoals slechts terloops vermeld wordt. Vantoen ontpopte zich als een megalomane egoïst, die alleen hield van seks, literatuur en zijn eigen schrijfsels, waarmee hij beroemd hoopte te worden. In zeven jaar vond hij niet één keer het juiste moment om aan zijn moeder te vertellen dat hij een relatie had. Hij dreigde regelmatig met het plegen van zelfmoord om haar te chanteren en een schuldgevoel aan te praten, maar in plaats van de hand aan zichzelf te slaan, mishandeld hij de naamloze vertelster, die daarop naar het ziekenhuis gaat om in een attest te laten vaststellen dat ze mishandeld is. Maar aangifte doet ze niet, omdat zij dat na haar verkrachting wel deed en door de politie zeer onheus werd behandeld. Pas als ze Vantoen in zijn slaap ziet liggen alsof hij dood is, kan ze de moed verzamelen om hem te verlaten.

    Slachtoffer wordt medeplichtige

    Hierna begint deel twee van het verhaal, waarin de vrouw vertelt over de verkrachting, waarbij ze bedreigd werd met een mes, over haar angst, haar lijden, maar vooral over de macht die een ander tijdelijk over haar kon uitoefenen door middel van een wrede daad die haar eigenwaarde en zelfvertrouwen voorgoed deed verdwijnen. Zo zeer zelfs, dat zij er niet meer over durft te praten en haar enige getuige de lucht is: ‘Het geheugen van de lucht bewaart al onze gebaren, al onze woorden en zelfs de gebaren en woorden waarvan we uiteindelijk afzien’. 

    Als zij op het politiebureau aangifte doet, vraagt de dienstdoende agent: ‘Bent u klaargekomen? We moeten dat weten voor het onderzoek.’ Als ze, in verwarring gebracht door deze vraag, iets onduidelijks stamelt, krijgt ze het advies met niemand hierover te praten. Van slachtoffer wordt ze tot medeplichtige en schuldige gemaakt. Eerder deed Vantoen dat al, en ook de moeder van de vrouw legde in haar opvoeding de nadruk op onderwerping, inschikking, aanpassing, zowel op school als later: ‘”Je moet laten begaan, nooit nee zeggen tegen je man”, had mijn moeder me op mijn veertiende geleerd, “maar maak je geen zorgen, het is een vervelend moment dat al met al snel voorbij is.”’

    Uiteindelijk raakt de vrouw er zelf ook van overtuigd dat ze medeplichtig is aan de verkrachting en dat het haar schuld was: ze had die rode jurk niet moeten aantrekken, door een andere straat moeten lopen, ze had zich moeten verzetten. 

    Een wezen zonder macht

    Lamarche laat op overtuigende wijze zien hoe diep een gewelddadige gebeurtenis als verkrachting ingrijpt in het leven van de vrouw, waardoor het heden, maar ook alles in het verleden in het teken is komen te staan van die verkrachting. Vandaar de talloze beelden, symbolen, cursiveringen en verwijzingen die in het eerste deel van de roman in eerste instantie geen belang leken te hebben en pas achteraf wijzen op wat haar is overkomen. Hoe beladen het onderwerp ook is, het taalgebruik wordt nergens sentimenteel of overladen; de vrouw doet niet aan zelfbeklag of tranen. Zo sober en strak als het uiterlijk van deze roman, zo ingehouden en beheerst is de inhoud, een verhaal zo gespannen als een veer. 

    Er vindt een soort van catharsis plaats op de laatste bladzijde van het boek, als de vrouw ziet hoe een jongetje door zijn moeder door elkaar gerammeld wordt en hoe ze hem afsnauwt. De vrouw zegt: ‘Ik oordeel niet. Ik stel gewoon vast dat het kind op het verkeerde moment en op de verkeerde plaats aanwezig was. Een wezen zonder macht. Een wezen dat je helemaal in je macht hebt. […] Op dat moment heb ik begrepen wat me was overkomen.’ Met deze bewustwording sluit de roman. De dode vrouw uit de terugkerende droom kan beginnen voorzichtig uit het ravijn te klimmen.

    Het geheugen van de lucht is hier te bestellen.

     

  • Het vangen van levensechte momenten

    Het vangen van levensechte momenten

    De als een alcoholist geleefd hebbende, laat doorgebroken maar niettemin jong gestorven Raymond Carver (1938 – 1988,) geldt als een van de belangrijkste Amerikaanse schrijvers van zijn generatie. Die roem leunt vooral op zijn korte verhalen in een stijl waarin geen woord teveel staat, getypeerd als minimalisme of ‘dirty realism’. Met personages die met moeite hun hoofd boven water houden, die gekweld door relatieproblemen, geldzorgen of anderszins, makkelijk naar de drank grijpen. Carvers gedichten, met gelijksoortige thematiek, hebben bij deze ‘short stories’ altijd in de schaduw gestaan. Beide genres kenmerken zich door een prettige mix van helderheid en ondoorgrondelijkheid; sober verwoord maar met een levensechte harteklop. 

    Carver zag zich zichzelf niet als een geboren dichter. Al heeft hij gezegd ermee te kunnen leven indien er ‘dichter’ op zijn grafsteen zou komen te staan. Carver schreef bij vlagen, of alleen proza, of alleen poëzie. Maar zijn schrijverscarrière  begon en eindigde hij met gedichten. Wat in de laatste tien jaar van zijn leven resulteerde in vier bundels, waaronder Where water comes together with other water (1985) en Ultramarine (1986). Het was de periode waarin de drank was afgezworen en zijn leven stabieler werd. Zijn nieuwe levenspartner vanaf 1977 , dichteres Tess Gallagher,  had daarin een wezenlijk aandeel. Tragischer is dan ook dat longkanker hem niet al te lang daar de vruchten van liet plukken.

    De behoefte iets te schrijven 

    Carver schreef gedichten met een kop en een staart en een verhalend middenstuk. In zijn beste gedichten zit leven, een ziel zogezegd. De tweeënzestig door Astrid Staartjes gekozen en vertaalde gedichten worden voorafgegaan door Een kort verhaal over poëzie van Carver zelf. Een autobiografische schets van de jonggetrouwde schrijver die als apothekerskoerier bij een oude man een bestelling aflevert en in diens huis voor het eerst oog in oog komt te staan met een ‘privébibliotheek’. Wachtend op de uitgeschreven cheque van de oude man kijkt hij om zich heen en valt zijn oog op een exemplaar van het tijdschrift Poetry. De man bemerkt de nieuwsgierige blik van de jongeman, die al enige tijd ‘geobsedeerd [was] door de behoefte om iets te schrijven’ en geeft hem het exemplaar met de raadgeving, ‘Misschien schrijf je op een dag zelf nog eens iets. In dat geval moet je weten waar je het naartoe kunt sturen.’ Carver ‘voelde dat er iets gewichtigs plaatsvond (…) alsof ik een openbaring onderging (…).’ 

    Achteloos en genereus lijken de zinnen uit zijn pen te zijn gevloeid. De waarheid is echter dat hij eindeloos schaafde aan zijn werk en niet gauw tevreden was. Voeg daarbij dat hij zijn leven lange tijd niet op orde had en het wordt duidelijk waarom zijn werk pas laat de literaire erkenning kreeg die het verdiende. Hoewel drank altijd een rol speelde, wekken zijn gedichten allerminst de indruk in alcoholische roes te zijn geschreven. De toon is sober, de woordkeuze helder en precies. Transparante taal waarin het moment zo bondig mogelijk gevangen werd, nog knispert van leven. Als in diepvriesgroente die zo snel mogelijk na de oogst wordt ingevroren om de versheid te bewaren. De hand van de schrijver moest zo onzichtbaar mogelijk zijn. Er komt haast een ethische component om de hoek kijken: hij wilde werkelijk binnendringen in het leven van zijn lezers met zijn gedichten over persoonlijke, concrete ervaringen, alledaagse belevenissen en herkenbare situaties. 

    Carvers dichtregels rijmen niet, zijn vaak ongelijk van lengte en kenmerken zich veelal door een ogenschijnlijk willekeurige toepassing van het enjambement. Hij behoort niet tot het soort dat lettergrepen en woorden telt om de regellengte te bepalen. Spaarzaam en secuur met woorden overschrijdt niettemin menig gedicht de paginagrens. Omdat het Engelse origineel niet is afgedrukt, valt het belang van bijvoorbeeld alliteratie in deze gedichten niet goed op waarde te schatten. Maar we mogen aannemen dat Carver in zijn gedichten, mogelijk nog meer dan in zijn proza, zeer begaan was met zijn woorden, de rangschikking ervan en hun onderlinge samenklank. Wat pleit voor de vertaling is dat die niet de indruk wekt voor de eerste de beste oplossing te hebben gekozen om een zin ‘natuurlijk’ te laten lopen. Al lezend komt nergens de gedachte op dat het ‘slechts’ prozaregels zijn die de schijn van poëzie ophouden. Wel is het jammer dat van de gedichten niet wordt vermeld uit welke bundel ze oorspronkelijk komen. 

    Subtiel treffende wendingen

    Met een paar lichte toetsen zit je bij Carver al midden in de tragiek, zoals bij de opening van Citroenlimonade

    ‘Toen hij maanden geleden bij mij langskwam voor het opmeten
    van mijn wanden voor boekenkasten, zag Jim Sears er niet naar uit
    als een man die zijn enige kind zou verliezen aan het hoge water
    van de Elwha.’ 

    Onderhavige tragiek kan zomaar, ondanks de terloopse toon en het schijnbaar willekeurig gekozen enjambement, feilloos toeslaan. Vaak hangt er een suggestieve, ietwat sinistere sfeer over een neutraal ingezet gedicht dat in het slot tot ontlading komt. Zoals in de laatste regels van De keuken: ‘We wachtten allemaal, verwonderd / over de gestamelde lettergrepen, de woorden die bleven hangen / toen het rauwe leed uit mijn jonge mond stroomde.’  Na een wat heen en weer springend middenstuk, daalt haast uit het niets zomaar een avond. ‘We gingen met z’n allen / naar de keuken en schonken onszelf een borrel in. En nog een. / Ongemerkt was de dag in de avond overgegaan.’ Subtiel weet Carver, als een voor de zon trekkend wolkje, de sfeer te treffen van een plots omgeslagen moment.

    Begin en afsluitingen van zijn gedichten lijken haast met nog meer zorg gekozen dan de rest. Het lukt Carver vaak met een waardige, zij het niet opzichtige uitsmijter voor de dag te komen, zoals in een gedicht over een gezinsruzie uit zijn jeugd in een gehorig huis dat eindigt met: ‘ga naar bed daar! schreeuwde iemand. / Kappen nou! En dat deden we. We deden de lichten uit, / klommen in bed en werden stil. Het soort stilte dat neerdaalt in een huis / waar niemand kan slapen.’

    Verraderlijke luchtigheid

    Al met al ligt het sterfelijke vaak op de loer, maar maakt de laconieke toon dat dit beslist niet deprimeert. Eerder dan doem hangt er een verraderlijke luchtigheid over deze gedichten. Meer dan melancholicus was Carver een vitalist, die graag in de vrije natuur mocht vissen. Zo weet hij het genademoment van een overweldigende geluksbeleving levensecht te vangen. Zoals in Voor Tess dat hier in zijn geheel volgt. Een minivertelling gegoten in de vorm van een dramatische monoloog met die zo kenmerkende, uitgekiende balans tussen uitweiden en inkorten. 

    Op de Straat schuimbekt het water,
    zoals ze hier zeggen. Het is ruig weer en ik ben blij
    dat ik binnen zit. Blij dat ik de hele dag heb gevist
    bij Morse Creek, alsmaar mijn hengel uitwerpend
    en weer binnenhalend. Ik heb niks gevangen. Zelfs geen
    enkele keer beetgehad. Maar dat gaf niks. Het was oké!
    Ik had je vaders zakmes bij me en werd een tijdje gevolgd
    door een hond die door zijn baasje Dixie werd genoemd.
    Ik voelde me soms zo gelukkig dat ik moest stoppen
    met vissen. Eén keer ging ik met gesloten ogen op de oever liggen
    en luisterde naar de geluiden van het water
    en naar de wind in de toppen van de bomen. Dezelfde wind
    die door de Straat waait maar ook een andere wind.
    Even stelde ik me zelfs voor dat ik dood was –
    en dat was prima, in ieder geval voor een paar
    minuten, totdat het echt tot me doordrong; dòòd.
    Terwijl ik daar met gesloten ogen lag,
    vlak nadat ik me had voorgesteld hoe het zou zijn
    als ik werkelijk nooit meer op zou staan, dacht ik aan jou.
    Ik opende mijn ogen, kwam meteen overeind
    en ging weer verder met gelukkig zijn.
    Ik ben je dankbaar, weet je. Dat wilde ik je zeggen.’

     

     

  • Mengsel van spot en ernst

    Mengsel van spot en ernst

    De Franse schrijver René Daumal (1908-1944) viel al op bij de afgelopen maand overleden Roberto Calasso, hoofd van de beroemde Italiaanse uitgeverij Einaudi. Calasso was ook schrijver van De Ondergang van Kasj (1983), het begin van een uiteindelijk tiendelige cyclus van boeklange essays over de mythologieën die onze beschaving verbinden met allerlei varianten van het bloedoffer. In Calasso’s boeken worden talloze voorbeelden van offeren besproken en hoe zij telkens, als een soort scharnierpunt, door het restant van zo’n offer de communicatie tussen onze wereld en die van de goden mogelijk maken. Het voorlaatste deel van deze cyclus, Het Onbenoembare Heden (2017) gaat in op ons eigen tijdperk en hoe onze cultuur, op het uiterste punt van al die mythologie aanbeland, zich aan deze wet lijkt te onttrekken. Namelijk, de digitale cultuur erkent geen restant en als cultuur zonder bloedoffer bereidt ze zich voor op een volledige zelfontbranding. Voor Calasso is het juist het restant waarop de taal en de beschaving zich opnieuw moeten oriënteren. Vandaar het gevaar dat hij ontwaart in de digitale wereld.

    De minderheid die het secularisme van deze digitale cultuur – de manier waarop het met de goden afrekent – van binnenuit kritisch onderzoekt, noemt Calasso de ‘analogisten’ en uit hun gezelschap noemt hij er twee bij naam: de filosoof Leibniz en de schrijver René Daumal, bekend van Le Mont Analogue (1952). Ook schreef Daumal La Grande Beuverie (1939), door Maarten Elzinga vertaald als Het Drinkgelag – Een trilogie van de dorst

    Benevelde gesprekken

    ‘Het was al laat toen we begonnen te drinken. We vonden allemaal dat het hoog tijd was. Wat er daarvoor gebeurd was, waren we vergeten. We zeiden alleen tegen elkaar dat het al laat was.’ Zo begint Het Drinkgelag, het drieluik van een naamloze verteller die in een onderaards drinklokaal deelneemt aan een zuippartij zonder weerga. Deze wordt opgeluisterd door een reeks gesprekken, waarna in de twee andere delen de bovenwereld en de échte wereld aangedaan worden. De verteller belooft bij aanvang te zullen concluderen met troostende woorden. De gesprekken samen vormen de titel van dit deel: ‘Moeizame dialoog over de macht van woorden en de zwakte van het denken.’ Inderdaad is het zo dat de sprekers en luisteraars beneveld raken en hun denken niet meester zijn door de vreemde theorieën over geluid en muziek die worden gepresenteerd, telkens afgebroken door de oproep om toch maar meer te drinken. De verteller ontkomt aan deze nachtmerrie wanneer hem uit drie uitgangen – de dood, de waanzin en als laatste mogelijkheid een verblijf in de ziekenboeg –  de weg naar de laatste van deze opties wordt gewezen.

     Grappige namen

    In dit tweede deel van het boek, Kunstmatige Paradijzen – waarin overigens geen druppel genuttigd wordt – volgt de verteller, als een soort Dante zijn Vergilius, een rondleiding door een ziekenbroeder door een inderdaad zeer gekunstelde bovenwereld. Hier ontwikkelt zich een enorme fantasiewereld die een satire vormt op de onze. Door middel van grappige terminologie en namen zoals de ‘Makers van nutteloze letteren’, onderverdeeld in de Pwatten (dichters/poëten), de Rommesjees (romanschrijvers) en de Kiritikki (critici), bespot Daumal de maatschappij en haar geloof in vooruitgang – het secularisme van Calasso. Waar in de moeizame dialoog het centrale element de beneveling is, worden we hier verblind. Onderweg heeft de verteller een kort onderhoud met de Rommesjee Aham Egomet, een schrijver die werkt aan een reportage onder de werktitel Het Drinkgelag, volgens de verteller het begin van een vruchtbare correspondentie.

    Vertaler Maarten Elzinga geeft in zijn nawoord aan dat het hier geen sleutelroman betreft. Inderdaad, we kunnen niet Het Drinkgelag volgen naar een aantal herkenbare referenten in het Frankrijk of Europa aan het begin van de twintigste eeuw. In plaats daarvan is dit boek een soort crypto-sleutelroman of een loper voor alle andere sleutelromans: in de Kunstmatige Paradijzen is betekenis zó excessief aanwezig, is er zo’n overdaad aan verwijzing dat het web aan referenties implodeert. Calasso heeft gelijk dat Daumal een ‘analogist’ en niet bijvoorbeeld een symbolist is: dit is niet een kunstig opdissen van betekenis, maar het laten zien hoe betekenis ontstaat.  

    De mens in zijn larve-staat

    In het laatste deel van Het drinkgelag, Het gewone daglicht, beginnen we met het ontdekken van het restant van de dronk en de ijdelheid die ze blootlegt. Dit restant is belangrijk voor Calasso. Immers, hij ziet onze hele beschaving door de lens van het bloedoffer en deze rituelen werken alleen maar bij de gratie van het restant. Het restant is in dit laatste deel de soberheid van de volgende dag. In het gewone daglicht kan onze verteller eindelijk ongestoord waarnemen. Hier leert hij afstand te nemen van de ernst van onze cultuur, van de volwassenheid van onze soort: de mens verkeert nog in zijn larve-staat en heeft nog alle gelegenheid om volwassen te worden. Dit idee van de mens als een nog steeds onderontwikkeld wezen doet denken aan Simon Weil: ‘Croire en un Dieu qui ressemble en tout au vrai, excepté qu’il n’existe pas, car on ne se trouve pas au point où Dieu existe’ (Geloof in een God die in alles de ware God benadert, behalve dat hij niet bestaat, want we hebben het punt nog niet gevonden waarop God bestaat; La Pesanteur et la grâce). Het was dus toch nog niet zo laat ‘toen we begonnen te drinken’. De suggestie aan het begin van Daumals boek lijkt zo herroepen te worden.

    Het Drinkgelag is een satire op de postmoderne roman en cultuur zoals die voor hun zeggingskracht een beroep doen op reeds bestaande contexten maar uiteindelijk luchtkastelen zijn. Behalve een satire deelt Daumal ook iets van substantie: de aan het einde verwoorde troost of hoop. Toch is het moeilijk van dit boek te houden. De aanklacht van ijdelheid en nutteloosheid is zodanig algemeen en absoluut geformuleerd, dat de hoopvolle boodschap dat de mens ooit een metamorfose zou doormaken welhaast even futuristisch overkomt als het kunstmatige paradijs dat ze bespot.  

     

  • Na de apocalyps

    Na de apocalyps

    Uitgeverij Vleugels publiceert een omvangrijke Franse reeks die een welkom reliëf aanbrengt binnen wat er in het Nederlandse taalgebied vanuit het Frans wordt aangeboden. De arenden stinken van Lutz Bassmann (een van de heteroniemen van de Frans-Russische schrijver Antoine Volodine; het korte nawoord van Katrien Vandenberghe geeft een glasheldere inleiding in het veelzijdige, rijke oeuvre van diens “postexotische” schrijverscollectief) is hier onderdeel van, en doet hopen op meer uitgaven van deze en andere postexotische auteurs.

    De arenden stinken ontleent zijn titel aan het werk van een van haar vele personages, Leonal Baltimore. Hij heeft van een niet nader benoemde overheidsinstantie de taak gekregen hoge gebouwen te beschermen tegen de arenden en gieren die overlast bezorgen. Deze gebouwen bedwingt Leonal als alpinist, met touwen en ander klimtuig, een omstandigheid die hem extra kwetsbaar maakt voor de aanvallen van de grote vogels. Dit verhaal, net als een reeks andere korte, gewelddadige episoden, wordt uitgewisseld tussen Gordon Koem, een roodborstje en een oude pop – Gordon Koem is onder andere buikspreker. Hij bezoekt de plaats waar zijn gezin door bombardementen is vermoord; het roodborstje en de pop delen zijn wake bij de plaats die mogelijk hun graf is geworden. De gehele rolbezetting in het boek is op de een of andere manier betrokken in een vorm van verzet tegen een onbekende, vijandelijke staatsmacht.

    Symbolische motieven

    Op grond van een kort inkijkje als dit laat het zich raden dat De arenden stinken zich niet afspeelt in het Europa van vandaag de dag, althans niet in het Europa van vooruitgang, transparantie en mensenrechten. Neen, het beeld van dat Europa wordt hier juist scherp in twijfel getrokken: er is geen sprake van herkenbare landsgrenzen, van een stabiele, georganiseerde samenleving. Ook is Bassmann/Volodine niet een typisch Franse schrijver, immers, hij vertaalt ook uit het Russisch (onder andere werk van dichter, schrijver en politicus Eduard Limonov) en ook in dit boek zijn Russische en Euraziatische elementen herkenbaar. Het postexotisme, legt Vandenberghe uit, beschrijft een post-apocalyptische wereld aan de hand van een aantal terugkerende symbolische motieven. De vogels (arenden, roodborstjes) en buiksprekers keren regelmatig terug. 

    Een ander, fundamenteler motief in dit werk is de stroperigheid van het bestaan. Gordon Koem ervaart herhaaldelijk plakkerige substanties die hem aan zijn plaats binden. Deze stroperigheid verbindt ook mens en dier: er is sprake van een dominante mensensoort die heerst over andere ‘hominiden’ en ‘untermenschen’. In een van de verhalen wordt en passant vermeld dat een pasgeboren baby zonder vleugels geboren is, iets wat bij detectie door de ‘humanitaire medewerkers’ fatale gevolgen zou kunnen hebben. De taak van deze humanitaire medewerkers wordt overigens niet nader toegelicht, maar uit de context mogen we opmaken dat, in plaats van dat zij humanitaire hulp zouden bieden aan eenieder, zij de zuiverheid van de soort bewaken door afwijkende individuen te elimineren. In weer een ander verhaal, aan boord van een ferrydienst over een rivier, worden mensen gedwongen dieren na te spelen, in de wetenschap dat degene die zijn rol het minst succesvol vertolkt overboord gezet zal worden en zal verdrinken. Tegelijkertijd is het zo dat elke dierengedaante exact benoemd wordt. Mens- én dierenwereld zijn gedecimeerd en daarom zijn biologische klassenterminologie overbodig geworden. Een vogel is daarom steeds een arend, gier of roodborstje en nooit zomaar een vogel. 

    Getuigenis

    Die precisie van de taal wordt overeind gehouden in dit boek om getuigenis af te leggen. In plaats van dat een herkenbare wereld voor lief wordt genomen, getuigt Bassmann van een cultuur of een milieu die ook in onze 21e eeuw ontegenzeggelijk relevant zijn. De mens kan verkommeren in onderaardse schuilkelders, omkomen bij bombardementen, of opgaan in een beestachtige symbiose, de taal die hiervan getuigenis aflegt blijft. Bassmann neemt hierbij nooit  het perspectief van de dominante soort in. Deze beperking in het bereik van het verhaal wordt uitdrukkelijk door Gordon Koem verwoord wanneer hij vaststelt dat deze soort de cockpit van de bommenwerper nooit meer verlaten zal en aldus al afscheid heeft genomen van de wereld – hun enige bemoeienis met de werkelijkheid is door deze machines van vernietiging.

    Een enkele keer zinspeelt het boek op een soort sciencefictionachtige setting, wanneer terloops verteld wordt hoe het roodborstje al enkele eeuwen geleden zou zijn uitgestorven. Dit is jammer, want deze historische herkenningspunten zijn niet nodig. Het Eurazië dat in De arenden stinken voorkomt is ongetwijfeld dat van nu, want het boek vertelt een verhaal waarin het naakte leven van mensen speelbal is geworden van machtspolitiek en klimaatcatastrofe – de stroperigheid roept onmiddellijk het lot van zeevogels op wanneer zij door rampen met olieplatformen zoals de BP Deepwater Horizon verrast worden. 

    In het voorgaande werd het belang van de getuigenis voor De arenden stinken al belicht, maar deze uitoefening van de taal zou niet overeind blijven wanneer zij enkel een mistroostig mens- en wereldbeeld moreel veroordeelt. Zulk een veroordeling zou immers teruggaan op een verondersteld wereldbeeld. Hieruit blijkt dan ook de subtiliteit van Lutz Bassmanns schrijverschap. Gordom Koem en zijn buikspreekpoppen (de pop en het roodborstje) vertellen hun verhalen enkel om de mensen die zij zich herinneren ‘aan het lachen te maken.’ Niet om hen te eren of roemen, niet om recht te doen aan een geschiedenis en niet, dus, om zich de taal van de dominante soort toe te eigenen. Met zijn inzet om ‘iedereen aan het lachen te maken’ toont dit boek zijn ongekend subversieve ambitie.

     

  • Metafysische poëzie voor de fijnproever

    Metafysische poëzie voor de fijnproever

    Met de bloemlezing Wat ik mogelijk heb gedaan verschijnt voor het eerst in onze taal een poëziebundel van de Franstalige Belg Yves Namur (1952), geboren in Namen (in het Frans Namur). Hoewel Yves Namur al vanaf begin jaren zeventig gedichten publiceert, gaat de inmiddels veel geprezen en bekroonde dichter – die ook huisarts en uitgever is – zelf liever aan zijn vroege werk voorbij. Hij meent dat omstreeks de vroege jaren negentig zijn gedichten meer de toon van ‘denkende poëzie’ zijn gaan ademen, waarmee hij zich schatplichtig rekent aan dichters als Rilke, Celan, Jabès en Juarroz. De door Mysjkin vertaalde gedichten bestrijken dan ook deze rijpere fase van zijn poëzie, vanaf 1992 tot heden. Poëzie die het best als metafysisch valt te karakteriseren, met zinnen die het wezen der dingen bevragen, een drempel willen zijn naar een andere, verborgen staat van ‘zijn’.

    De meeste gedichten drijven op woorden met een sterke symboollading als ‘engel’, ‘roos’, ‘drempel’ en ‘sporen’. Er zitten verwijzingen in naar door Namur bewonderde dichters als het hierboven genoemde kwartet, maar ook naar o.a. Hölderlin, Pessoa en Bonnefoy, en de pre-socratische filosoof Heraclitus alsmede naar huidige tijdgenoten. In zijn denkende poëzie treedt Namur voortdurend in dialoog met die andere poëzie. Voor het overige staan de gedichten meer in verticaal contact met een metafysische wereld ‘waar de dingen zijn wat ze zijn’. En als er al horizontaal wordt overgestoken dan is het ‘Daar / Aan de overkant van de dingen, / Daar, op de overoever, // Waar ik niet was, / Waar ik naar mezelf zocht / En nog altijd zoek naar mezelf.’ Vindt er al een ontmoeting plaats met een ander wezen, dan betreft het bij voorkeur de naamloze ‘Ander’:

    ‘Wanneer het gedicht spreekt,

    Verschijnt de Ander
    Die zich ophoudt in een onbestendig oord
    Waar enkel de uitwissing bestaat.’

    ‘Het gedicht moet inspelen op de wisselwerking tussen het Ene en het Veelvoudige’ heeft Namur ooit toelichtend op zijn werk verklaard. De wederzijdse wisselwerking tussen het ik en de dingen om hem heen is de spil waaromheen zijn zinnen zich bevragen. ‘De onzichtbare draad die ons doorkruist.’ Het gedicht zou te situeren zijn ‘in die veranderlijke ruimte tussen twee uitersten. Alsof het gedicht ontstaat in de tussentijd, de tussenruimte tussen in- en uitademen.’ De vindplaats van Namurs poëzie beweegt mee tussen twee ogenschijnlijk tegengestelde, broze bewegingen in: ‘Tussen de uitwissing / En de adem van de uitwissing.’ Een wisselwerking die ook een uitwissing wil zijn en vice versa, alsof het uitwissen van het ene het spoor van het andere oproept.

    ‘Er was eindelijk licht.

    De uitgesproken naam
    Was naar het onuitspreekbare teruggekeerd.

    Het water was naar de bron teruggekeerd
    En het woord was de naam van de bron ingegaan.

    Enkel

    De leegte kwam
    Iets naderbij.’

    In dit gedicht dat een gezuiverde staat toont, beleeft het woord het nimmer te bereiken ideaal van door te dringen tot de bron. Niet echter een god, maar slechts leegte komt daarmee iets naderbij. Woorden die ‘mogelijk enkel schijngedaanten van woorden zijn’ stellen zich bij Namur voortdurend ten doel de ‘naam van de dingen [te] doorkruisen / Tot de diepere naam van de dingen toe.’ Het eeuwige échec daarvan verleidt deze dichter echter niet tot neologismen. Liever dan zich te buiten gaan aan een antwoord, houden deze zinnen de vragen in ere. De woorden blijven concreet en helder. Het herhalen van bepaalde, betekenisvolle woorden houdt de woordenschat in deze gedichten beperkt. Op het eerste gezicht oogt deze poëzie daardoor misschien wat kunstmatig, ietwat abstract. Typerende strofen zijn bijvoorbeeld:

    ‘Wat kun je verder verlangen van mijn stem
    En de echo van mijn stem.

    Wanneer mijn stem niets anders kan zijn
    Dan de echo van iets van niets?’

    Deze geabstraheerde stoffering gepaard aan afwezigheid van rechtstreekse eigentijdse toespelingen verlenen deze poëzie een tijdloos stempel. Het vergt wel een meer bezonken leeshouding die de zinnen proeft en laat resoneren, zoals men een slok wijn niet meteen doorslikt maar nog even fijnproeft op de tong. De medemens mag in Namurs oeuvre sterk ondervertegenwoordigd zijn, de existentiële vragen die erin gesteld worden, verlenen aan deze gedichten een warme, menselijke toon: ‘Soms vraag ik me af wat te doen, wat te denken / Of gewoon hoe te leven, / Als de schaduw me plotseling zou verlaten / Voor andere talen of andere lichamen dan die van mij. // Wat te doen met die onmetelijke leegte, / En hoe die te vullen?’ Daarbij lijkt Namur zich van zijn eenkennige soort poëzie terdege bewust waar hij schrijft: ‘Maar jij, dichter van het petieterige en het nietige, / Zul je op een dag waarlijk weten wat te leven is, // Eindelijk te leven buiten het gedicht?’ Zich rekenschap gevend van de kwetsbare staat van het dichterschap, biecht hij op: ‘(…) dit gedicht waarin ik waarachtig geen afspraak heb, / Niet met de liefde, noch met het rijm.’

    Moeilijk uit te maken welke waarde Namur uiteindelijk aan het woord toekent: ‘Bestaat het woord waarlijk in de wereld? (…) Heeft het een stoel om op te zitten / En een andere om zich van de grond te verheffen?’ In ieder geval vormen woorden pasmunt om de wereld om ons heen te verkennen. Niet bij machte het wezen der dingen te onthullen, legt het hooguit het Niets, of ‘sporen’ van het Niets bloot. En zo kan een gedicht ons ontvankelijk maken voor de les ‘van het duister en het ondoorgrondelijke’. Dus jazeker, het gedicht kan iets te weeg brengen, al is het maar het in kaart brengen van de ‘leegte’. Een titel van een recente bundel van Namur luidt dan ook veelbetekenend: Een spoor vonkelt in de leegte.

    Deze bloemlezing mag een periode van bijna dertig jaar omvatten, de rustige, gelaten toon verraadt eenzelfde vaste hand van dichten. Welke spanningen Namur hiertoe moet hebben overwonnen, laat zich moeilijk raden. Speelde deze poëzie een type voetbal, dan zou het vooral op balbezit spelen. Er worden weinig risico’s genomen, maar er wordt wel een fraai, uitgebalanceerd samenspel geboden. Deze bundeling, die de vertaler van een verhelderend nawoord voorzag, is een feestmaal voor de fijnproever, de langzame lezer, wiens ‘dorst naar het Duistere’ op een heldere wijze wordt gelest.

     

  • Oogst week 24 – 2021

    Mijn vrienden

    De Franse schrijver Emmanuel Bove (1898-1945) raakte na zijn dood in de vergetelheid, tot de jaren tachtig van de vorige eeuw en sinds die tijd komen er geregeld nieuwe uitgaven of vertalingen van zijn werk uit. In 1923 wordt Bove (pseudoniem van Emmanuel Bobovnikoff ) ‘ontdekt’ door Colette en als hij vierentwintig is voltooit hij Mes amis dat een groot succes wordt. Zelf noemt hij zijn publicatie ‘de roman van de verarmde eenzaamheid’. Uitgeverij Vleugels geeft Mijn vrienden nu opnieuw uit in een vertaling van Katelijne De Vuyst.

    Hoofdpersoon Victor Baton is een jonge oorlogsinvalide, woonachtig op een klein zolderkamertje. Hij slentert door Parijs op zoek naar mensen van wie hij zou kunnen houden en die van hem houden. Zijn zoektocht brengt hem tot korte ontmoetingen op straat, in een station, in een restaurantje of langs de Seine, zonder dat hij in zijn missie slaagt. Hij wordt, behalve door etiquetteregels, gehinderd door zijn eigen trots en verwaandheid. ‘Ach de eenzaamheid,’ zegt hij op het einde van de novelle, ‘wat een schone en droevige zaak! Hoe schoon wanneer we ervoor kiezen, hoe droevig wanneer ze ons al jaren wordt opgedrongen. Sommige sterke mannen zijn niet alleen in de eenzaamheid, maar ik die zwak ben, ik ben eenzaam omdat ik geen vrienden heb.’ Op tragi-komische wijze laat Bove zien dat eenzame vrijheid of menselijke solidariteit onverenigbare zaken zijn. Bove was een bescheiden mens die zich uit eigen keuze in de marges van het Parijse literaire leven ophield. Hij was een eenling met een eigen stijl, een eigen toon, voor wie het leven een voortdurende strijd was. Mijn vrienden wordt wel vergeleken met Oblomov en Bove met Proust en Dostojevski. Zijn werk en personages zijn even tijdloos.

    Mijn vrienden
    Auteur: Emmanuel Bove
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Exces

    Decor: Amsterdam eind jaren tachtig, Berlijn begin jaren negentig. Ook New York en Londen komen voorbij, tot weer hedendaags Amsterdam in beeld is en zelfs de actuele lockdown, in Exces van Persis Bekkering. Tegen deze achtergrond waarin rave, dansen, feesten, vrijheid, extase, vele geliefden en eindeloze nachten tot de opperste existentie worden verheven viert danseres Nim het leven. Haar jeugd was precair, bedenkelijke vaderfiguren begeleidden de jonge Nim naar volwassenheid.

    Ze wordt de dansende overlever, met dansen, zuipen en snuiven en driehoeksverhoudingen in een nieuwe westerse jeugdcultuur. Toch heeft ze het gevoel dat er nooit iets verandert, dat alles zich alleen maar herhaalt en zij in eenzelfde kringetje blijft ronddraaien. Met twee doden in haar herinnering probeert Nim te begrijpen hoe haar leven zich voltrekt en waarom ze zo’n verwoestend spoor achter zich laat.

    Persis Bekkering is literatuurcriticus voor NRC Handelsblad. Ze schrijft columns, proza en essays voor onder andere De Gids, Mister Motley en De Nederlandse Boekengids. Exces is haar tweede roman.

    Exces
    Auteur: Persis Bekkering
    Uitgeverij: uitgeverij Prometheus

    Uit het oosten, licht

    Raymond Carver (1938-1988) was een van de grootste Amerikaanse schrijvers, meester van het korte verhaal. Door deze verhalen werd hij het meest bekend. Ze gaan over mensen aan de onderkant van de samenleving, over relaties die stuklopen, uitzichtloosheid en alcoholisme. Huwelijksproblematiek (hetero) oftewel wederzijds onbegrip tussen de seksen is zijn hoofdthema. Carver tekent het allemaal op droge toon op. Hij voelde zich verbonden met armlastigen omdat hij zelf in armoede en met drankmisbruik was opgegroeid. Zelf leefde hij jarenlang in dezelfde omstandigheden en toen hij de drank voorgoed had afgezworen brak de periode aan waarin hij de meeste gedichten schreef.

    Uit het oosten, licht is een selectie uit al zijn gedichten. Ze lezen bijna als proza, alleen de afgebroken regels en de korte zinnen rechtvaardigen het predicaat gedicht. De personages zijn Carveriaans: gewone mensen met kleine of grotere tragedies die eveneens haast achteloos worden verteld:
    ‘De dochter zit de hele dag op haar kamer
    gedichten te schrijven over haar zelfmoordpoging.
    Daarom zien we haar niet. Niemand ziet
    haar nog. Ze verscheurt haar gedichten
    en schrijft ze opnieuw. Maar een dezer
    dagen zal het haar lukken.’

    Een kleine vertelling in een veel groter en langer verhaal in een taal die niet loslaat maar meesleept.

    Uit het oosten, licht
    Auteur: Raymond Carver
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels
  • Oogst week 19 – 2021

    Schuilen in stijl

    David Leavitt (1961), schrijver van romans en korte verhalen en enkele non-fictie boeken, tevens docent creatief schrijven aan de Universiteit van Florida, schetst in zijn nieuwe roman Schuilen in stijl met levendige pen een komisch beeld van de tijd direct na de Trump-verkiezing en van verlangens naar macht, liefde en vrijheid.

    Het is 2016. Een groep vrienden zit in de tuin van een luxueus huis bijeen en wacht op de scones die uit de keuken moeten komen. Donald Trump is pas verkozen als president. Gastvrouw Eva, bekend om haar royale ontvangsten en liefde voor het decoreren van haar huis, vraagt de gasten wie aan Siri durft te vragen hoe Trump vermoord kan worden. Want de politieke ontwikkelingen brengen onrust en de veiligheid en vrijheid uit het milieu van ‘welgestelde progressieve New Yorkers’ worden bedreigd. Tijdens een reis naar Italië haalt Eva haar man Bruce over om een vervallen appartement in Venetië te kopen, waarmee ze onbewust aan aantal gebeurtenissen in gang zet waarover ze geen controle meer heeft. Met de Italiaanse mogelijkheid om aan de Amerikaanse politieke sfeer te ontsnappen stapt Bruce uit zijn comfort-zone, recht in allerlei onaangename ontwikkelingen. En dan volgt er ook nog een totaal onverwachte liefdesaffaire.

     

    Schuilen in stijl
    Auteur: Leavitt David
    Uitgeverij: De Harmonie

    DODE MEISJES

    Door de coronacrisis is het geweld tegen vrouwen en meisjes wereldwijd toegenomen, meldden de Verenigde Naties vorig jaar. Volgens het online magazine One World sterft in Nederland elke tien dagen een vrouw door huiselijk geweld, waarmee we het slechter doen dan de zogenaamde macholanden. En De Groene Amsterdammer berichtte in maart jongstleden dat vrouwen in de politiek hatelijke en agressieve tweets ontvangen over hun stem, lichaam, religie of huidskleur. Misogynie en frustraties van (meestal) mannen komen steeds vaker naar buiten. Femicide (of feminicide) is een woord dat wereldwijd ingeburgerd begint te raken. Ook de Argentijnse schrijfster en intellectueel Selva Almada (1973) gebruikt het in haar boek Dode meisjes. Het verscheen in 2014, het jaar waarin in Argentinië tientallen vrouwen werden vermoord. Die lijst heeft Almada opgenomen in haar boek dat nu in een Nederlandse vertaling is uitgebracht door Uitgeverij Vleugels. Centraal staan drie ongestraft gebleven vrouwenmoorden uit de jaren tachtig die plaatsvonden in het Argentijnse binnenland. Op realistische en tegelijkertijd poëtische wijze combineert Almada de onderzochte feiten van de moorden en het dagelijks geweld tegen vrouwen met persoonlijke teksten en verhalende fragmenten.

    DODE MEISJES
    Auteur: Almada, S.

    Tot het water stijgt

    Op Guadeloupe wordt de Malinese arts Babakar geroepen bij een overledene en een pasgeboren baby. De bij de bevalling overleden vrouw  was een Haïtiaanse vluchtelinge. Wie moet er nu voor het kind zorgen? Babakar besluit haar mee te nemen, want ‘zijn kind, waar hij tevergeefs naar had gezocht, werd hem hiermee teruggegeven,’ zo weet hij zeker. De ook bij het overlijden geroepen directeur van de gemeenteschool ziet dat anders. ”We zijn hier niet… in Darfur!’ protesteerde de ander beledigd, alsof de kwestie zijn eer aantastte. ‘We zijn op Guadeloupe. Zo gaan de dingen hier niet! Guadeloupe is net zoiets als Frankrijk. We hebben wetten. Je adopteert een kind niet zomaar. Je doet een aanvraag, je wordt op een lijst gezet, je wacht op je beurt.”
    Babakar vindt dat het kind, dat hij Anaïs heeft genoemd, recht heeft op echte familie en gaat samen met goede vriend Movar naar hen op zoek in het door politieke chaos overheerste Haïti. Onderweg ontmoeten ze de Libanese kok Fouad. Afrika, de Antillen en Haïti komen samen in de onverbrekelijke vriendschap die de drie mannen sluiten.
    Schrijfster, hoogleraar en pleitbezorger van het Panafrikanisme Maryse Condé (1937) won in 2018 na een publiekspeiling de alternatieve Nobelprijs voor Literatuur, die dat jaar door interne problemen niet werd uitgereikt. Ze heeft tientallen boeken op haar naam staan.

    Tot het water stijgt
    Auteur: Maryse Condé
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando
  • Oogst week 49 – 2020

    Zonder papieren

    ‘In een democratie heeft eenieder / het onvervreemdbare recht / om een idioot te zijn’. Een regel die de gedachten van lezers in deze roerige tijden misschien meteen laat richten op zekere presidenten en partijvoorzitters. In het gedicht waaruit deze regels komen worden ze gevolgd door ‘U ook. Moet toch wel gezegd worden […]’

    Het gedicht staat in de bundel Wirrwarr van Hans Magnus Enzensberger die begin dit jaar uitkwam bij Suhrkamp Verlag en is nu in Nederlandse vertaling opgenomen in Zonder papieren. Die bundel is samengesteld door literair vertaler René Smeets, die twee maanden geleden ook al Straks gaat het jenever sneeuwen, een bloemlezing van gedichten over jenever, uitbracht. Zonder papieren is een keuze van de gedichten die Enzensberger (in november 91 jaar geworden) tussen 1950 en 2020 schreef.

    Zonder papieren
    Auteur: Hans Magnus Enzensberger
    Uitgeverij: Poeziecentrum vzw

    De andere kant – Pohemen

    Wie Gellu Naum (1915 – 2001) niet kent – en dat zijn waarschijnlijk heel wat literatuurvolgers – zou bij het woord Pohemen gemakkelijk aan een landstreek kunnen denken zoals Bohemen. Maar in de woordenwereld van de Roemeense surrealist staat ‘pohemen’ voor poëzie die hij afwijst. Daaronder begrepen zijn eigen gedichten.

    Uitgeverij Vleugels is sterk in het onder de aandacht brengen van literatuur die buiten de mainstream blijft, maar verrassende wijzen van naar de wereld kijken vertegenwoordigt. Zo ook De andere kant – Pohemen, na Zenobia de tweede bundel van Naum die in het Nederlands vertaald is. Beide door Jan H.Mysjkin, vertaler van en naar het Frans en Roemeens.

    De andere kant – Pohemen
    Auteur: Gellu Naum
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Tegenwind

    In Tegenwind zijn 34 stukken gebundeld die Anna Enquist schreef voor kranten en tijdschriften, als inleiding bij werk van anderen of als lezingen en toespraken. Ze zijn gerangschikt in zes delen die overeenkomen met de van haar bekende interessegebieden kunst, psychotherapie, schrijven, muziek, sport en filosofie.

    De stukken zijn persoonlijk van toon en wisselend van lengte. Zeer persoonlijk is bijvoorbeeld haar studeergeschiedenis van Schumanns Toccata, opus 7 met afbeeldingen met afbeeldingen van acht pagina’s uit de partituur.

    Tegenwind
    Auteur: Anna Enquist
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Op zoek naar de verloren tijd maar dan anders

    Op zoek naar de verloren tijd maar dan anders

    Wat weten we nu van de dood. Willen de doden echt herinnerd worden, zoals we plegen te denken, of smachten ze naar vergetelheid en rust. Waarom kan het ons wat schelen hoe we na de dood herinnerd worden, wat is überhaupt een herinnering. Wie dit soort vragen niet schuwt moet De aanwezigheid van de doden van Emmanuel Berl beslist lezen. In een meanderende mijmering langs zijn leven probeert hij hartstochtelijk tegenstrijdigheden met elkaar te verzoenen. Présence des morts dateert uit 1956. Pas dit jaar is dit boek onder de titel, De aanwezigheid van de doden in het Nederlands uitgebracht – vertaald, geannoteerd en voorzien van een uitvoerig nawoord door Maarten Elzinga.

    Dodenboek

    De aantekeningen, maar zeker het nawoord zijn beslist geen overbodig luxe voor de Nederlandse lezer van deze vierenzestig jaar oude tekst. Niet voor iedereen klinkt de naam Emmanuel Berl (1892-1976) bekend in de oren en de periode waaraan hij in zijn boek refereert, vooral de eerste helft van de negentiende eeuw, mag wel wat toegelicht worden. Maarten Elzinga doet dit vakkundig, vol begrip en empathie. Hij is sinds twintig jaar de vaste vertaler van Patrick Modiano. Het is trouwens vermoedelijk via Modiano, die de vierentachtigjarige Berl in 1976 aan een Interrogatoire onderworpen heeft, dat Elzinga bij Berl is terecht gekomen. In zijn nawoord borduurt hij voort op dit boek van Modiano, het werk van Berl en licht ze toe. In zekere zin had het ook een voorwoord kunnen zijn – de lezer kwam dan wat beter beslagen ten ijs. Maar kreeg wellicht dan niet zo navoelbaar het tastende karakter van Berls parcours door het labyrint van zijn geheugen mee. 

    Allemaal tijdelijke passagiers

    Emmanuel Berl (1892-1976), geboren in een welgesteld, Joods-Frans, bourgeois milieu, behoorde tot de intellectuele elite en was bevriend met menig beroemdheid van zijn tijd (o.a. Proust, Malraux, Colette, Mitterrand). Als journalist, essayist en politiek denker deed hij verslag van dat roerige tijdperk. Zijn verzoenend pacifisme, onpartijdigheid en het te allen tijde opzoeken van een dialoog hebben niet altijd goed voor hem uitgepakt. In de tweede helft van de twintigste eeuw heeft hij zich uit de schijnwerpers teruggetrokken en zich uitsluitend gewijd aan het schrijven van autobiografische literaire non-fictie.
    Echter zijn voor Berl autobiografische elementen slechts aanleiding om op existentiële vragen een diepte-analyse en een ijzeren logica los te laten. Zo ook in De aanwezigheid van de doden.

    Aan de vooravond van een zware operatie kan de schrijver niet anders dan nadenken over de dood en de doden die hij gekend heeft. Daarbij laat hij als het ware ook zijn geheugen een chirurgische ingreep ondergaan, waarbij herinneringen laagje voor laagje ontleed en in verschillende categorieën gesorteerd worden. Hij realiseert zich dat er doden zijn die vrij spoorloos lijken te zijn verdwenen, terwijl anderen tot een extract gereduceerd zijn van wat  ze – misschien maar even en onder bepaalde omstandigheden – geweest zijn. Er zijn ook doden, die blijven spoken. Komt dit misschien omdat hun leven onverwacht is afgebroken en zij hun lot niet hebben mogen voltooien? 

    Waarom verschillen de doden zo van elkaar. Volgens Berl komt dat ‘doordat mijn geheugen mijn verleden niet bewaart, maar het constant schift en omvormt’. Wat overblijft, zijn niet ‘de dingen zelf, maar hun symbolen, en niet de reis,[…], maar alleen het logboek’. Dat is de ‘de onstuitbare vluchtigheid van alle dingen’.

    Eeuwige pendelbeweging

    Hoe moet je met de doden omgaan. Moet je ze herdenken of met rust laten. Willen de doden wel herdacht worden, of ervaren ze het als een tactloze verstoring van hun rust? Vergetelheid brengt misschien wel de sereniteit en vrijheid, die je als levende nooit hebt. Wat je als levende ook doet, het kan altijd als ‘verraad’ bestempeld worden, met schuldgevoel als gevolg. Antwoorden blijven ambigu en roepen onmiddellijk een zwerm nieuwe vragen op. 

    De titel van het boek is daar een mooie illustratie van. Zijn doden niet per definitie juist de afwezigen? Bij nader inzien hangt het af van de invalshoek, niets blijkt eenduidig of standvastig. Elk concept heeft een tegenpool die de ander neutraliseert en waartussen je heen en weer gekaatst wordt. Alles is met elkaar verbonden, fluctueert en beïnvloedt elkaar en leidt per definitie tot een paradox. Dit besef drijft Berl tot wanhoop.

    Vrede sluiten

    Totdat hij, eenmaal terug uit het ziekenhuis en langzaam herstellende, een geheimzinnige dame ziet op haar balkon tegenover zijn appartement, en die hem een mogelijke aanwijzing uit deze impasse lijkt te geven. Is het misschien mogelijk om gemoedsrust te vinden en vrede te sluiten, ook met de doden, wanneer je accepteert dat tegenstrijdigheden inherent aan het leven zijn, er geen stabiele kern of eenduidig antwoord bestaat? 

    Al is Emmanuel Berl geen Patrick Modiano, hij is wel een interessante denker die voor de lezer een dwaaltocht langs boeiende vraagstukken heeft uitgezet. Wanneer die zich er doorheen laat loodsen, komt men wellicht ook tot diepere inzichten.

     

     

  • Oogst week 44 – 2020

    De crisis van de geest

    In de Franse reeks van Uitgeverij Vleugels verscheen een vierde kleine uitgave van Paul Valéry: De crisis van de geest. Het zijn drie cultuurfilosofische beschouwingen, geschreven kort na de Eerste Wereldoorlog. Die vernietigende strijd eindigde in 1918, maar de crisis van de Europese geest van vooruitgang was met het Verdrag van Versailles allerminst over. Gebleken was dat alle moderne verworvenheden zowel ten goede als ten kwade worden aangewend. Daarmee sneed Valéry een kwestie aan die nog altijd actueel is.

    Vertaler Piet Meeuse schreef bij het boekje ook een nawoord.

    De crisis van de geest
    Auteur: Paul Valéry
    Uitgeverij: Vleugels

    Roman 11, boek 18

    Solstad geldt als één van de meest vooraanstaande Noorse auteurs. Er werden al eerder vier romans van hem in het Nederlands vertaald en nu is er de vijfde: Roman 11. Boek 18. Onder die merkwaardige titel, die bedoeld is als eerste deel van een trilogie in wording, vertelt hij de geschiedenis van Bjørn Hansen. Hij is net vijftig geworden en vier jaar gescheiden als hij in de eerste zin van de roman op een station in Kongsberg staat te wachten met krattenvol boeken: werken van Dostojevski, Céline, Borges, Proust, Kafka, Mann en vele andere. Dat belooft wat.

    Roman 11, boek 18
    Auteur: Dag Solstad
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Jacht op de barnsteenkamer

    De germanist Jerker Spits verwierf in 2016 landelijke bekendheid met Staalhelmen en curryworst, waarin hij een cultuurgeschiedenis van Duitsland gaf in vijftien fenomenen. De opvolger is Jacht op de barnsteenkamer. De kamer uit de titel is een kabinet dat Frederik I van Pruisen ooit liet optrekken met barnstenen muurplaten. Het werd door zijn zoon geschonken aan tsaar Peter de Grote van Rusland en was lang te bewonderen in het Catharinapaleis. In 1941 werd de kamer door Hitlertroepen uit elkaar gehaald werd en afgevoerd naar Koningsbergen, waar hij door de Duitsers uit angst voor geallieerde bombardementen opnieuw gedemonteerd werd en verstopt. Maar waar? Het is sinds 1945 een met fantasieverhalen opgefleurde verdwijning die voor Spits voldoende stof opleverde voor een spannend verslag van de wederwaardigheden van het wereldberoemde kunstobject.

     

    Jacht op de barnsteenkamer
    Auteur: Jerker Spits
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot