• Teaser met een laag soortelijk gewicht

    Teaser met een laag soortelijk gewicht

    Recensie door Rein Swart 

    Het boekje met het formaat van een zakagenda en een hele lange titel is slechts een teaser. Het verhaal dat erin staat moet de lezer op temperatuur brengen voor de nieuwe uitgave van De idioot die in een vertaling van Arthur Langeveld november 2013 verschijnt. Een kortingsbon is bijgevoegd.

    De vrouw van een ander en de man onder het bed is een wat drakerig verhaal in twee delen met een, zoals de titel af aangeeft, hoog slapstick gehalte. Het is een spraakverwarring tussen twee mannen, die gaat over een vrouw.

    Het eerste deel speelt zich af voor een voormalige generaalswoning, die door een knappe jonge man gehuurd wordt. De twee mannen die elkaar voor die woning ontmoeten stellen zich niet meteen voor: het heertje draagt een wasberenpels, de jongeman een overjas met tressen. Het heertje biedt om te beginnen zijn verontschuldigingen aan. Hij wil de jongeman iets vragen, maar durft niet zo goed en draait erom heen. Het kost hem veel moeite om zijn vraag te stellen. Deze gaat over een vrouw, die zich binnen moet bevinden. Hij wil dat weten voor een vriend die verderop wacht. Het gaat om diens vrouw. De jongeman paradeert al een tijdje voor de woning en wacht op een vrouw. De lezer maakt daaruit op dat om het dezelfde persoon gaat.

    In het tweede deel komen de mannen elkaar weer tegen, maar nu onder het bed van de knappe Liza die bezoekt krijgt van haar echtgenoot, een grijsaard. De jongeman ligt er al onder als het heertje geschrokken naast hem schuift. Weer dezelfde verwarring over wie wie is. Het heertje, dat op onderzoek uit is gegaan, omdat hij ontdekt heeft dat zijn vrouw een afspraak heeft in dit huis, beseft op een bepaald moment dat hij een etage te laag is.

    Het is niet wat het lijkt in dit verhaal. Het heertje, dat Ivan Andrejevitsj heet, is onbetrouwbaar. Hij is statig en snel op de teentjes getrapt maar erg bang om voor zijn gevoelens uit te komen.
    ‘Maar meneer! U behandelt mij, alsof ik niet meer dan een oude schoenzool ben,’ sprak Ivan Andrejevitsj in een opwelling van de meest deemoedige wanhoop en met een stem, waar een smeekbede in klonk. ‘Behandelt u mij met wat meer achting, een heel klein beetje meer achting – en ik zal u alles vertellen!’
    Een mooi voorbeeld van een Slavische mentaliteit.

    Voor de lezer is het eerste deel door de leugenachtigheid nogal verwarrend. Ook doordat het soms onduidelijk is wie wat zegt. Af en toe meldt de verteller zich. In het tweede deel uit hij zijn ergernis over het gedrag van Ivan Andrejevitisj, die onder het bed van een knappe dame gekropen is:
    ‘Ik weet niet voor wie Ivan Andrejevitsj zichzelf op dat ogenblik wel hield! Ook weet ik niet wat hem eigenlijk verhinderde de echtgenoot gewoon tegemoet te treden en hem te verklaren hoe hij in deze situatie verzeild was geraakt, om hem te bekennen dat hij zonder het te willen zich alleronfatsoenlijkst gedragen had, zijn excuses aan te bieden en dan te verdwijnen, weliswaar weinig eervol en zonder roem, maar tenminste op hoogstaande, onbedekte wijze.’   

    Wellicht maakt dit verhaal, dat niet zo veel om het lijf heeft, juist nieuwsgierig naar de nieuwe uitgave van De idioot, dat een heel wat zwaarder soortelijk gewicht heeft en dat is niet alleen letterlijk bedoeld.
    De vrouw van een ander en de man onder het bed

    Auteur: Fjodor Dostojevski
    Vertaald door: Arthur Langeveld
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
    Prijs: € 7,50

  • Papieren monument voor een kortebaanstilist

    Papieren monument voor een kortebaanstilist

    Simon Carmiggelt had al een bronzen standbeeld in Amsterdam en was in De Steeg al op een bankje neergezet, nu is er ook nog eens een papieren monument voor hem, met de uitstraling van de boeken uit de Russische Bibliotheek van Van Oorschot. Ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag op 7 oktober 2013 laat deze uitgever een fraai verzorgde bundel met 100 korte verhalen verschijnen onder de titel Gedundrukt. Het is een eerbetoon aan de man die in zijn gedicht ‘De minor poet’ een dichter met een zeer bescheiden oeuvre aan de hemelpoort liet fantaseren:

    Hij zag zich al gedundrukt door Van Oorschot
    en mompelde: ‘Ga ik dan niet teloor, God?’

    Het is niet de enige bundeling van verhalen die Carmiggelts honderdste geboortedag opluistert. Zijn biograaf Henk van Gelder stelde ter meerdere hulde nog een wandelgids samen van Amsterdamse verhalen (Dwalen door Amsterdam met S. Carmiggelt).

    In zijn literaire leven schreef Carmiggelt (1913-1987) meer dan 10.000 cursiefjes, korte verhalen met scherpe observaties van alledaagse gebeurtenissen. Zijn eerste dateren uit de jaren ’30 van de vorige eeuw (hij noemde ze toen nog Kleinigheden) en hij bleef ze schrijven tot enkele jaren voor zijn dood.
    In Gedundrukt staan de 100 beste. Of eigenlijk is dat niet juist: ‘100 van zijn mooiste’ staat op de flap. Alsof de samenstellers willen zeggen: ‘we stopten bij 100, maar er zijn nog zoveel méér mooie’. Maar toch, als we er van uit mogen gaan dat de samenstellers van de bundel het topje van de piramide hebben willen opnemen, dan heeft Carmiggelt dertig jaar lang een hoog niveau gehaald. In Gedundrukt zijn opgenomen één vooroorlogs verhaal (1938), acht uit de periode 1945-1950, 32 uit de periode 1951-1960 (waarvan de helft uit 1953 en 1954), 25 uit de periode 1961-1970 (redelijk evenwichtig over de jaren verdeeld) en 34 uit de jaren 1971-1980 (waarvan eenderde uit 1977). Van na 1980 is geen enkel verhaal opgenomen. Als je op deze selectie af mag gaan haalde Carmiggelt dus tussen 1951 en 1980 een langdurig hoog niveau, met topjaren in 1953, 1954 en 1977.

    Natuurlijk valt er van alles af te dingen op de keuze. Het is bijvoorbeeld vergeefs zoeken naar wellicht zijn beroemdste verhaal ‘Het woord’; daaraan hebben we ‘epibreren’ te danken, dat zelfs een lemma werd in Van Dale. Maar wie dit stukje uit 1954 nu nog eens naleest (het staat in de bundel Ping pong uit uit dat jaar en is in 1998 nog eens heruitgegeven door de Arbeiderspers) zal moeten toegeven dat het verhaal inderdaad niet een van zijn beste is.
    Teleurstelling voelt de lezer misschien ook omdat Gedundrukt geen enkele vers van Karel Bralleput (zijn pseudoniem als dichter) bevat – behalve dan ‘De minor poet’ op het omslag. De bundel kent verder geen inleiding en zelfs geen verantwoording.
    Maar dat is misschien juist wel de kracht. Carmiggelt is hier open en bloot neergezet in zijn eigen woorden. Zonder toespraak of bloemen. Hij spreekt voor zich. Dat is de grootste eer die de samenstellers hem konden bewijzen.

    En de verhalen zelf dan? Het kan niet anders of er zit enige sleet op. Carmiggelt beschrijft taferelen op kantoren, in cafeetjes, op terrasjes en op banken in parkjes die wij niet meer herkennen en de verteltrant is af en toe van een sukkelgang die ons vreemd is geworden. Toch zindert er een beleving onder die in onze tijd nog steeds aanwezig is. Carmiggelt weet prachtig te vatten hoe we in contact verhullen wat we werkelijk voelen en hoe we langs elkaar heen praten. Hij zou in onze tijd als geen ander hebben kunnen beschrijven wat een tragische eenzaamheid er schuilt onder het hebben van honderden Facebookvrienden en in de opgewekte sms-jes en haastige tweets die ons om de oren vliegen.
    Wij zijn als maatschappelijke wezens zo veel veranderd dat de teksten van Carmiggelt bij vluchtige lezing nauwelijks nog mee kunnen. Maar voor wie er de tijd voor neemt doemen aan ons, 21ste eeuwers, verwante zielen op.

    Mooi om te zien is dat Carmiggelt in de bijna veertig jaar die deze bundel bestrijkt ook zelf is veranderd. Zo is zijn ironie, die alle verhalen wel kenmerkt, in de loop van de jaren milder geworden en verfijnder. In de vroegste stukken bijvoorbeeld, zit nog veel oorlog en bezetting. Daarin noemt hij het Duits van de Grüne Polizei een ‘Pruisische paardentaal’ en ‘snodderig’. Daarin zit een felle minachting, die er in latere verhalen veel minder dik bovenop ligt. Er is dan zelfs compassie, zoals in ‘Liefde’ uit 1963 waarin een serveerster van vieze kroketten haar klanten bedient: ‘een klein, tanig vrouwtje, aan gene zijde van de vijftig, permanent in sukkeldraf op weg naar een plicht. Ze zette de bordjes en de schaaltjes neer met een zeker mededogen’.
    Nog een verschil is dat Carmiggelt in zijn late stukken ingetogener en verstilder is. Het verhaal ‘Motregen’ bijvoorbeeld uit 1978 is een herinnering aan een uitnodiging, lang geleden, van een jonge vrouw om nog ergens wat met haar te drinken: ‘Elsje heette ze. De vrouw van een bevriende collega. Een zeer bijzondere vrouw. Ik vond haar erg mooi en erg aardig. Ja, ik geloof zelfs dat ik een beetje verliefd op haar was.’ Hij sloeg de uitnodiging schuchter af, ‘want ik heb om acht uur een afspraak’. Daarna zag hij haar nooit meer: ‘Kijk, dáár heb ik nu nog altijd spijt van’.
    Zet dat eens af tegen ‘Takelen’ uit 1953 over de bovenbuurman die steeds nieuwe kortdurende relaties heeft met weer andere vrouwen die vervolgens bij hem intrekken. Om de zoveel tijd zijn de onderburen er getuige van hoe bezittingen van de nieuwe beminde naar boven worden getakeld, om korte tijd later weer in omgekeerde richting te worden afgevoerd. Die geschiedenis is ronduit kluchtig verteld.

    De verhalen van Carmiggelt stammen uit een tijd die achter ons ligt: commensalen (in 1954 door Carmiggelt nog gebezigd als contemporain begrip) kennen we niet meer, en welke ‘mevrouw’ zien we nog achter een glaasje ‘schilletjes met suiker’? Toch weet Carmiggelt nog te ontroeren. En zijn stijl blijft meesterlijk.

    Gedundrukt is een boekje om stil in te brevieren.

    Gedundrukt
    (verhalen)

    Auteur: Simon Carmiggelt
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot (2013)
    Pagina’s: 310
    Prijs: € 24,90

  • In memoriam D. Hooijer (1939-2013)

    Er zijn schrijvers waarvan je je voorneemt hun werk te lezen maar waar het, om onduidelijke redenen, steeds niet van komt. D. Hooijer was zo’n schrijver. Maar het kwam er dus niet van. Tot ergens in het voorjaar van dit jaar, er in een achteraf winkeltje, op een schap met tweedehands boeken een nieuw exemplaar van Catwalk (2009) van D. Hooijer stond te stralen. En je herkent haar, want je wilde haar lezen. Toch duurde het nog tot eind deze zomer voor het gelezen werd. En daar begon een zoektocht, naar de tijd en over wie het nu eigenlijk gaat in dat boek. Dan de ontdekking dat het een boek is om in te verdwalen en weer terug te keren. Een boek met vreemde personages en veel mooie zinnen. Zinnen die je opnieuw moet lezen, en nog eens om de essentie te kunnen pakken en die aan het denken zetten en je dingen laten ontdekken. Een boek dat doet verlangen naar meer van dezelfde auteur. Je wilt kennismaken met de schrijver en al haar werk voorafgaande aan Catwalk en alles wat daarna verscheen en nog zal verschijnen. Maar daar zit dus opeens een limiet aan.

    D. Hooijer, pseudoniem van Kitty Ruys, is vorige week woensdag 25 september op 74 jarige leeftijd overleden. Van Oorschot, haar uitgever liet weten dat ze op de hoogte waren van haar problemen met haar gezondheid maar  daar deed ze zelf zo ‘onsentimenteel’ over dat er niet uit op te maken viel dat haar einde al zo dichtbij was.

    Ruys debuteerde pas op 62-jarige leeftijd met de verhalenbundel Kruik en Kling. Daarvoor had ze enkele verhalen gepubliceerd in het literaire tijdschrijft Tirade. Na drie verhalenbundels Kruik en kling, Zuidwester meningen en Sleur is een roofdier, maakte ze dan in 2009 haar romandebuut met Catwalk. In 2011 kwam haar tweede roman De wanden van Overhorst uit. De schrijfster werkte ook als boek illustrator en schreef poëzie. In de jaren tachtig publiceerde ze bundels onder het pseudoniem Milly Wiers maar met haar poëzie trok ze weinig lezers. Ze omschreef zichzelf als een parvenu in de literaire wereld. Dit jaar voltooide ze nog de roman Berichten van een zakenman. Het boek zal begin 2014 verschijnen.

    ‘Verdriet komt boven bij ledigheid en een cruise is erom vragen.’ (Catwalk, p. 159)

     

     

  • Recensie door Hilde van Vlaanderen

    Recensie door Hilde van Vlaanderen

    In de dierenverhalen die Carl Friedman gekozen heeft uit de omvangrijke Russische bibliotheek gaat het niet alleen om de dieren zelf, maar meer nog over de relaties tussen mens en dier. Daarnaast geeft deze bundel een mooie indruk van de verschillende schrijfstijlen van de zes schrijvers van wie eenentwintig verhalen zijn opgenomen.

    ‘De kleine burgerman Michael Petrov Zotov, een jaar of zeventig oud, aftands en eenzaam, werd wakker van de kou en van de pijn in al zijn leden’. ‘Een jonge, rossige hond – een kruising tussen een teckel en een straathond – met een kop die erg op een vossesnuit leek, rende heen en weer over het trottoir en keek onrustig om zich heen.’ Dit zijn de beginregels van het laatste en het eerste verhaal, beide geschreven door Anton Tsjechov, van wie negen verhalen in de bundel te lezen zijn. Bij Tsjechov schuilt de droefheid en de weemoed vaak om de hoek, evenals de hoop op betere omstandigheden. Zoals in het prachtige eerste verhaal Kasjtanka over de jonge hond, die zijn baas bij wie hij het eigenlijk helemaal niet zo goed heeft kwijt raakt, dan bij een zorgzame man terechtkomt waar hij ruim te eten en drinken krijgt en vriendelijk wordt toegesproken. De man is clown in het circus en hij leert de jonge hond een aantal trucjes, maar bij het eerste optreden gaat het mis. Boven in de nok van het circus zit de eerste baas met zijn zoon, zij herkennen en roepen Kasjtanka, die dwars over alle banken naar boven rent en weer met hen mee naar huis gaat. Tsjechov schrijft niet, of iets goed of beter is, hij registreert en laat het aan de lezer over na te denken over de implicaties van bepaalde gebeurtenissen. Zo is de weemoed in het laatste verhaal gelardeerd met oneindige onmacht van de arme man, die niet voor zijn zieke oude hond en zijn broodmagere oude paard kan zorgen. Het helpt niet om te praten met zijn oom, het helpt niet om te drinken, het helpt niet om ergens nog om geld te gaan vragen. Hij moet een beslissing nemen en wanneer hij dat gedaan heeft, gaat hij naar huis. En Tsjechov schrijft: ‘Daarna waren zijn ogen tot in de avond met een dof waas bedekt geweest, waardoor hij zelfs zijn eigen vingers niet kon onderscheiden’. Hoe subtiel kun je verdriet beschrijven?

    Veel minder subtiel, maar glashelder, beeldend en precies schrijft Isaak Babel zijn verhalen. Babel (1894-1940) heeft net als Tsjechov voornamelijk verhalen en enkele toneelwerken geschreven. Zijn verhalen spelen in Odessa in de Joodse wijk, beschrijven gebeurtenissen tijdens een veldtocht tegen de Polen en vertellen over zijn jeugd. Het beroemde verhaal De geschiedenis van mijn duiventil is min of meer autobiografisch. Ook Babel maakte in zijn jeugd pogroms tegen de Joodse bevolking mee. In dit verhaal vertelt hij over de vader, die zo graag wil dat zijn zoon naar het gymnasium gaat, dat hij hem een duiventil belooft. Een van de leraren wordt als volgt beschreven: ‘Die Karavajev was een blozende, verbolgen man, die in Moskou had gestudeerd. Hij was amper dertig. Zijn mannelijke wangen hadden een blos als die van boerenkinderen, op zijn ene wang zat een wrat waaruit een plukje asgrauw kattenhaar groeide.’ Precies in zijn taalgebruik en de keus van zijn metaforen: ‘Niemand ter wereld reageert zo sterk op nieuwe spullen als kinderen. Kinderen beven bij de geur ervan, zoals een hond bij een hazespoor, en voelen een uitzinnigheid die we later, volwassen geworden, inspiratie noemen.’ Precies en gruwelijk, zoals in de scène, waarin de jongen eindelijk zijn duiven heeft gekocht, terug naar huis gaat en dan blijkt daar een pogrom te zijn. Een woedende man slaat hem met een van zijn duiven om zijn oren. Hoe gruwelijk het was, heeft Babel zonder pardon beschreven. Dat zie je voor je, daar heb je geen film meer voor nodig. De verhalen van Babel komen echt bij je binnen en blijven hangen. Enerzijds is het taalgebruik prachtig, anderzijds is de sfeer vaak zo indringend, dat je die verhalen gedoseerd moet lezen.

    Ivan Boenin (1870-1953) is net als Babel een schrijver uit het begin van de 20e eeuw. Hun leven en hun lot verschilden echter hemelsbreed. Boenin had een weliswaar niet rijke, maar wel aangename, rustige jeugd op een landgoed in Midden-Rusland. Hij volgde een opleiding tot bibliothecaris en journalist en werkte enkele jaren als ambtenaar. Zijn verhalen zijn gekleurd door de sfeer van het platteland. Door gesprekken met boeren tijdens zijn jonge jaren kon hij later een mooi beeld geven van de Russische volksaard. Zijn verhalen zijn vaak suggestief, zoals in De kraanvogels de lezer zich maar moet voorstellen, waarom de jonge molenaar zo wanhopig is als de kraanvogels al weggevlogen zijn. En in het verhaal Wolven een jonge vrouw de rest van haar leven met een mysterieus glimlachje vertelt over die keer, dat de paarden op hol sloegen bij het zien van enkele wolven. Boenin was een groot bewonderaar van Lev Tolstoj en van Anton Tsjechov. Van de een nam hij wellicht de nostalgie over en van de ander het suggestieve, geconcentreerde schrijven.

    Cholstomjer. De geschiedenis van een paard is een lang verhaal, onderverdeeld in 12 hoofdstukken. Lev Tolstoj laat hier een ander perspectief zien, hij laat een paard zijn – droevige – levensverhaal vertellen. En daarin zijn ook, typisch voor Tolstoj (1828-1910) filosofische gedachten opgenomen, over andere dieren, over die andere dieren – de mensen -, over jaloezie, over armoede en rijkdom. Niet alleen in geld, maar ook van geest. Het paard verlangt zijn hele leven naar de goede tijd, die hij ooit bij een huzarenofficier heeft doorgebracht. Toen was zijn leven mooi, hoewel zijn baas niet van hem hield, maar alleen met hem pronkte. Tolstoj weet ook in dit verhaal de goede en slechte kanten van de mens te tonen, ditmaal via de observaties van het trouwe paard.

    Ontroerend zijn de drie verhalen van Fjodor Dostojevski, die het verlangen van mensen naar een levend wezen, ook al is dit een hond of een paard laat zien. In een fragment uit Aantekeningen uit het dodenhuis, de roman die Dostojevski (1821-1881) over zijn tienjarig verblijf in een kamp in Siberië schreef, beschrijft hij hoe de band met de hond Sjarik is ontstaan en hoe belangrijk deze voor hem is. Ook vertelt hij in het fragment De dieren uit onze gevangenis welk effect sommige dieren op de gevangenen en het leven in de gevangenis hebben. Dostojevski was als politiek gevangene tussen dieven en moordenaars geplaatst in het kamp, toch schrijft hij met veel mededogen over zijn medegevangenen.

    Het enige verhaal van Ivan Toergenev in dit boek is Moemoe, een realistisch verhaal geschreven in 1854, zeven jaar voor de afschaffing van de lijfeigenschap. Ivan Toergenev (1818-1883) was opgegroeid op een landgoed in het midden van Rusland, een gebied waar fraai en zuiver Russisch werd gesproken. Toergenev is dan ook in eigen land geliefd om zijn verzorgde taalgebruik en zijn mooie natuurbeschrijvingen. In het verhaal Moemoe beschrijft hij het lot van een lijfeigen boer, Gerasim die door zijn oude bazin mee naar Moskou wordt genomen. Gerasim is doofstom, groot en ijzersterk. Hij is doodongelukkig in de grote stad, de kleine behuizing en met het werk wat hij in en om huis moet doen. Dan wordt hij verliefd op een aardig meisje, maar zijn bazin huwelijkt haar aan iemand anders uit. Gerasim is diep verdrietig. Er komt een hondje aangelopen, Moemoe, waar Gerasim voor gaat zorgen. Met Moemoe is hij gelukkig en tevreden. Maar ook dat gunt zijn oude, krengerige bazin hem niet. Ze zegt, dat ze last heeft van het geblaf van het hondje. En gelast de andere bedienden te zorgen, dat Moemoe weg moet. .. Enfin, hoe het verder gaat moet de lezer maar ontdekken. Wat echter karakteristiek is voor Toergenev, is dat hij de willekeur van een eigenaar ten opzichte van een weerloze, onmachtige lijfeigene toont. Dit heeft alles te maken met de jeugd van Toergenev, wiens moeder eveneens zeer hardvochtig was tegen haar personeel. In die tijd was men niet verheugd over deze realistische verhalen van Toergenev, waarin de boeren, de lijfeigenen positieve eigenschappen kregen.

    Een mooie bundel verhalen, een interessante eerste indruk van zes verschillende schrijvers, die gemeen hebben dat ze allen met grote intensiteit over mens en dier schrijven, en tegelijkertijd in hun taal en stijl ook weer heel gevarieerd zijn.

     

    Bijt met toch, bijt me!
    De mooiste dierenverhalen uit de Russische bibliotheek

    Samenstelling: Carl Friedman
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 17,50 .

  • ‘Brilletje op de neus, herfst in de ziel’

    ‘Brilletje op de neus, herfst in de ziel’

    ‘Er was eens een vrouw, Ksenia heette ze. Dikke boezem, ronde schouders, blauwe ogen. Zo’n vrouw was het. Hadden u en ik er maar zo een!’ Of: ‘Er leefde eens een boerenvrouw en zij heette Ksenija. Ze had zware borsten, ronde schouders, blauwe ogen. Zo’n soort vrouw was het. Die zou iets voor ons zijn!’ Wie de eerste zin de beste vindt, zal gerechtigheid zien in het feit dat voor het eerst alle verhalen van Babel door Froukje Slofstra zijn vertaald. Zij heeft dit  met behoud van de knispering van het origineel gedaan. Froukje Slofstra is de vertaalster van de eerste zin – de tweede was van wijlen Charles B. Timmer – en is o.a. winnares van de Aleida Schot-prijs voor vertalingen 2007. Onder de titel De Rode ruiterij zijn de verhalen van Babel in dundruk verschenen in de Russische Bibliotheek bij uitgeverij Van Oorschot.

    Toen De Rode ruiterij in 1926 verscheen, was Isaak Babel (1894-1940) op slag beroemd zowel binnen als buiten Rusland. De formalisten droegen hem op handen met literatuurcriticus Viktor Sjklovski voorop. Die wist namelijk wat er ontbrak aan de literatuur van zijn land: ‘De Russische literatuur is grijs als een sijsje, ze heeft een frambozenrode rijbroek nodig en hemelsblauwe leren laarzen’. Welnu, Babel leverde die frambozenrode rijbroek met bijpassende hemelsblauwe leren laarzen op maat! Met zijn zuidelijke temperament en zijn bravoure vloeide er weer warm bloed door de letteren. Zijn bondige, vitale stijl, zijn laconieke toon met verholen ironie en zijn exuberante metaforen lieten de zon weer schijnen. Stilistisch dan, want de inhoud van zijn verhalen over de verschrikkingen van de oorlog loog er niet om.

    De Rode ruiterij gaat over het verkrachten, moorden en brandstichten door het rode leger als betrof het een volledig uit de hand gelopen studentenfeest. Wraak en sadisme vieren hoogtij. Zo ziet een oud-landarbeider, nu de rollen zijn omgedraaid, zijn kans schoon zijn vroegere heer genadeloos af te rossen: ‘Ik schopte hem een uur lang, of langer nog, en in die tijd heb ik het leven ten volle leren kennen. Met een schot, zeg ik zo, ontdoe je je alleen maar van een mens, een schot is genade voor hem, en een grove nalatigheid ten opzichte van jezelf, met een schot kom je niet bij de ziel, waar die is bij een mens en hoe hij eruitziet. Maar er zijn gevallen, dat ik mezelf niet ontzie, dat ik een vijand een uur lang schop, of langer nog; ik wil het leven leren kennen, het leven zoals het is…’

    In de verhalen duikt vaak een alter ego van Babel op: het bebrilde type dat als buitenstaander getuige moet zijn van de gruwelijkheden. De ik-verteller kent daarnaast ook zijn eigen tragiek: de jood die geaccepteerd wil worden door zijn onbehouwen, viriele wapenbroeders. Zo’n intellectueeltje moest op z’n tellen passen, omdat hij ‘een brilletje op de neus heeft en de herfst in zijn ziel draagt’.

    In het verhaal Mijn eerste gans wordt hij met zijn regiment kozakken ergens ingekwartierd in afwachting van verdere bevelen van de commandant, wiens aanblik de schriele ik-verteller jaloers maakt ‘op zijn stalen, bloeiende jeugd’ en ‘de schoonheid van zijn gigantische lichaam (…). Hij rook naar parfum en de weeë koelte van zeep. Zijn lange benen leken op meisjes, tot hun schouders in glimmende rijlaarzen geklonken.’ Vanzelfsprekend ondertekent zo’n commandant zijn bevelen met een zwierige krul. Wanneer de commandant hem vraagt of hij kan lezen en schrijven, luidt het antwoord bevestigend, meer nog: hij is promovendus in de rechten aan de universiteit van Sint-Petersburg. Haha, hoon is zijn deel! ‘’Moederskindje’, riep [de commandant] lachend uit, ‘met een bril op zijn neus. Wat een minkukel! Ze sturen jullie ongevraagd, maar met zo’n bril ga je eraan hier.’’ Eenmaal ingekwartierd krijgt de verteller te horen: ‘Altijd gedoe over brillen bij ons, niet te stuiten. Een hoogstaand man wordt afgemaakt hier. Maar rand je een dame aan, de meest smetteloze dame, dan ben je de held bij de soldaten.’

    Babel mag dan een zekere fascinatie voor wreedheden aan de dag leggen (reeds in het allereerste verhaal uit 1913 knoopt een oude man zich op), zijn mededogen ligt onmiskenbaar bij de kleine man, die de wrede en chaotische buitenwereld het liefst daar had gehouden waar die hoort, namelijk buiten de deur. Maar ja, het publiek maken van zoveel geweld en terreur begaan door de legers die de heilsleer van de klasseloze maatschappij moesten brengen, was tegen het zere been van de Sovjetautoriteiten.

    Zijn focus op geweld van de rode garde in zijn oorlogsverhalen en het ontbreken van een socialistische strekking werden hem niet in dank afgenomen. Er werd een lastercampagne gestart waarin hij werd afgeschilderd als een ‘Hebreeuswe erotomaan’ die de revolutie zou hebben besmeurd. Maxim Gorki, de wegbereider van het sociaal-realisme hield Babel de hand boven het hoofd, maar hij moest wel beterschap beloven en verhalen over de landbouwcollectivisatie gaan schrijven. Maar daar bracht hij, gelukkig voor ons, weinig van terecht. De tragiek van het menselijke lot tot uitdrukking komend in het streven eraan te ontkomen, lag hem nader aan het hart dan de partijpolitieke agenda van de revolutie. Daarbij nam hij de literatuur te serieus om er de politieke zaak mee te dienen.

    Zijn oeuvre is niet omvangrijk maar na De rode ruiterij laten de verhalen steeds de grote stilist in Babel zien. Maarten ’t Hart heeft ooit over Babel beweerd: ‘Telkens moet je de tanden op elkaar klemmen, want datgene wat Babel met zijn ongeëvenaarde beheersing van het métier ons voor ogen tovert, is zo verschrikkelijk, juist omdat het allemaal laconiek wordt verteld als gold het het verslag van een bijeenkomst van duivenmelkers.’

    Los van het feit dat de oorlogsverhalen niet van subtiele humor zijn gespeend, toont Babel zich wat dat betreft een waardig opvolger van Gogol. De Verhalen uit Odessa toonden al een neiging tot het groteske in de tekening van de maffiakoningen uit de getto’s. Babels gevoel voor het komische gaat helemaal los in In het souterrain. Dat inzet met: ‘Ik was een leugenachtige jongen. Dat kwam van het lezen.’ Al dat lezen hield de jongen van het echte leven weg. Dan komt Mark Borgman, beste leerling van de klas en zoon van een bankdirecteur, in het vizier, omdat hij gebogen zit over een boek van Spinoza waarover hij zijn klasgenoten onderhoudt. De twee sluiten vriendschap en de verteller is helemaal beduusd als hij bij de rijke familie over de vloer komt: ‘Mijn  twaalfjarige hart zwol van de vreugde en de lichtheid van andermans rijkdom. (…) Ik had niets om tegenover die eindeloze weelde te stellen.’

    Hoe de verteller met zijn steeds luider gedeclameerde Shakespearezinnen het kabaal en de dronkenmanspraat van zijn oom en diens metgezel tracht te overstemmen en zijn eigen onrust te overschreeuwen, is onvergetelijk. Het gevloek en getier zijn niet van de lucht. ‘Mijn eigen doodsnood versmolt met de reeds voltrokken dood van Ceasar.’ De regie van het gebeuren ontglipt hem. ‘De kleine Borgman stond op van zijn stoel. Hij keek bleek om zich heen. De finesses van de Jiddische godslasteringen ontgingen hem, maar de Russische vloeken, die [de oom] evenmin schuwde, kende hij. De bankierszoon verfrommelde zijn pet in zijn hand.’ Als de weggestuurde opa ook nog op dit lawaai afkomt is de chaos compleet en maakt Mark zich uit de voeten. ‘’Niets aan de hand’, mompelde hij, terwijl hij de vrijheid tegemoet vloog, ‘echt, niks aan de hand…’ Zijn schooluniform en zijn pet met de opstaande rand flitsten over de binnenplaats’. Dat de wereld van de verteller daarmee is ingestort behoeft geen betoog.

    Dat de wereld van de schrijver Babel zelf op instorten stond, stond toen al in de sterren geschreven. Na 1926 ging de officiële kritiek zich van hem distantiëren. Zijn vele reizen naar het buitenbeeld waar zijn eerste en tweede vrouw zich ophielden, zijn falen te voldoen aan de sociale opdracht die schrijvers was opgelegd en zijn kritiek op de mores van het Stalinistische regime werden hem hard aangerekend. Babel kreeg het moeilijk. Er brak een periode van zwijgen aan. In 1934 betitelde hij zichzelf ironisch als ‘de grootmeester van het zwijgen’. Zo Babel de kracht van zijn eigen talent heeft voorvoeld in een verhaal uit 1916: ‘Als je erover nadenkt, valt dan niet op dat er in de Russische literatuur nog geen echte, vreugdevolle, heldere beschrijving van de zon voorkomt? (…) Mensen voelen dat het tijd is voor nieuw bloed.

    Ze krijgen het benauwd. De literaire Messias, op wie ze al zo lang en vergeefs wachten, zal daarvandaan komen: uit de zonnige steppen, omspoeld door de zee’, zo zou men kunnen menen dat hij zijn eigen tragische levenseinde peilde in het slot van het verhaal Guy de Maupassant. Nadat hij gelezen heeft onder welke miserabele omstandigheden deze Franse auteur op tweeënveertigjarige leeftijd in een gekkenhuis is gestorven, staat er: ‘De mist reikte nu tot aan mijn raam en verborg het universum. Mijn hart kromp samen. Een voorbode van de waarheid beroerde me.’ In mei 1939 werd Babel gearresteerd door de geheime politie. Zijn manuscripten werden in beslag genomen. Na ondervragingen en folteringen werd hij in de nacht van vrijdag op zaterdag 27 januari 1940 geëxecuteerd en in een gemeenschappelijk graf gedumpt. Als het niet zo godgeklaagd oneerbiedig klonk, zou men kunnen zeggen: gelukkig hebben we zijn verhalen nog.

     

  • Een goed gesprek maakt nog geen goed boek

    Een goed gesprek maakt nog geen goed boek

    Een boekje waarin André Spoor en J.L. Heldring, beiden oud-NRC grootheden, in gesprek gaan over grote thema’s uit de recente geschiedenis maakt je vanzelfsprekend nieuwsgierig. En het moet gezegd worden, de perspectieven en reflecties die ze geven zijn vaak interessant en soms ook verrassend. Maar de hoge verwachtingen die velen zullen hebben worden maar ten dele waargemaakt. De reden daarvan is eenvoudig. . Niet dat Onze eeuw een slecht boek is. Maar je moet je als lezer wel realiseren dat de gesprekken interessanter worden als je zelf al wat kennis meeneemt.

    Onze eeuw is een verslag van vier gesprekken die Heldring en Spoor in 2012 voerden, kort voor het overlijden van Spoor. Gesprekken over de grote politieke thema’s van ‘hun’ twintigste eeuw: de Koude Oorlog, dekolonisatie en Europa. In het laatste gesprek stippen ze ook de globalisering nog aan, maar de verschuivende machtsverhoudingen en opkomst van landen als China ligt naar eigen zeggen eigenlijk buiten hun bereik. De scherpte in hun redeneringen en de diepgang van hun kennis nemen in dat laatste gesprek dan ook snel af. Daarin werpt de dood van Spoor en Heldring zijn schaduw vooruit. Anderen moeten maar duiden wat eigenlijk ‘hun’ eeuw niet meer is. Een onvermijdelijkheid, zoals ook Heldring inziet: ‘Elk verschijnsel in de wereldgeschiedenis loopt op een gegeven moment op zijn eind. We weten niet hoe dat gebeurt, wel weten we dat niets hetzelfde blijft.’

    Onze eeuw is een echt gespreksverslag, geïnspireerd op een soortgelijk boekje met gesprekken tussen oud-kanselier Helmuth Schmidt en historicus Fritz Stern. Historicus John Alexander Janssen notuleerde de dialoog tussen de twee oud hoofdredacteuren. Niets meer en niets minder. En dat is jammer, omdat Onze eeuw daardoor op veel plaatsen de kenmerken van een gesprek niet ontstijgt, wat het leesgenot niet ten goede komt. Want hoe goed gesprekken ook zijn, en hoe goed de gesprekspartners ook naar elkaar luisteren, gesprekken hebben altijd een zekere grilligheid die de redeneerlijn verduistert. Iedereen die wel eens een verslag maakt van een bijeenkomst weet dit. Een letterlijke weergave helpt weliswaar om duidelijk te maken wie wat heeft gezegd, maar biedt zelden een goed en consistent betoog of boodschap. Daarvoor worden gesprekken domweg teveel gekenmerkt door onnodige uitstapjes, herhalingen en het zoeken naar de juiste toon en overtuiging. Natuurlijk wordt dit beter als een gesprekleider tot besluit een goede samenvatting en conclusie geeft, maar dit neemt de langdradigheid van letterlijke verslagen nooit helemaal weg.

    Uit zijn woord vooraf blijkt dat Heldring zich hier terdege van bewust is. Hij verontschuldigt zich voor de herhalingen die in opeenvolgende gesprekken onvermijdelijk zijn. En die herhalingen zijn er zeker, met alle consequenties voor de vaart en lijn van het betoog. Vervelend voor de lezer, maar niet de grootste moeilijkheid van Onze eeuw. Lastiger is dat Heldring en Spoor eigenlijk zonder inleiding hun gesprekken starten en ook zonder conclusie beëindigen. En dat hindert het lezen van Onze eeuw vaak nog meer dan de vele herhalingen. Omdat daardoor context en afronding bij elk thema ontbreken. Het is alsof je als lezer flarden van een gesprek opvangt waarvan je moeilijk deelgenoot wordt. Een gesprek dat weer uitdooft zonder dat je weet of het beëindigd is.

    Dit is vooral storend als ‘onze eeuw’ de jouwe niet is. Als je het thema dat Heldring en Spoor bespreken niet bewust hebt meegemaakt. Omdat je dan de kennis ontbeert om zelf het gesprek van context te voorzien. Dit verandert echter als je die context uit eigen herinneringen kunt inkleuren. Dan vervalt het bezwaar tegen ‘het gesprek’ en wordt Onze eeuw interessanter. Dan voel je je als lezer ook niet zo zoekend maar eerder deelgenoot, en worden de omzwervingen en zelfs de herhalingen in het gesprek geen barrière, maar juist een verrijking. Omdat de gespreksvorm dan je eigen meningsvorming stimuleert, meer nog dan een strak opgebouwde redenering. Dit wordt versterkt doordat ook Heldring en Spoor zelf nog duidelijk zoeken naar duiding en betekenis van de geschiedenis, hun eigen mening ter discussie durven stellen, en geen eindoordeel opdringen. Dat geven ze uiteindelijk zelf ook niet, maar ze zetten wel aan tot overdenking. En dat is natuurlijk juist wat een goed gesprek vermag.

     

    Onze eeuw
    J.L. Heldring en André Spoor in gesprek

    Auteur: J.L Heldring, André Spoor en John Alexander Janssen (notulist)
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam
    Aantal pagina’s: 135
    Prijs: € 12,50

  • Sprookjesachtige bundel tragische lotgevallen

    Sprookjesachtige bundel tragische lotgevallen

    Recensie door Adri Altink 

    De wonderlijkste geschiedenis in de debuutbundel van Kerim Göçmen is het titelverhaal. De verteller daarin noemt zichzelf ‘bij gebrek aan een betere benaming een kwelgeest’. Hij is dat geworden na een ‘fatale gebeurtenis’ die hem als baby trof. Voortdurend was er een ‘zachte hand’ die hem wiegde en deuntjes neuriede. Tot een ‘harde hand’ hem vanwege zijn gekrijs (als ‘het wiegen en het neuriën langer uitbleven dan gewoonlijk’ en zijn maag rammelde van de honger) aan zijn luier uit de wieg tilde en met een smak op de vloer slingerde.

    Als volwassen kwelgeest treft hij een busje, waarvan de chauffeur, ‘een donkere gedaante met een kromme neus’, de weg vraagt naar een scheepswerf. Hij is, zegt hij, ‘leverancier, leverancier in mensen’ en wijst op de tien andere mannen achterin, die eveneens kromme neuzen hebben. ‘De eerste dagen zal ik voor deze jongens moeten tolken’, zegt de chauffeur: ‘Ze spreken geen woord Nederlands.’

    De kwelgeest denkt terug aan de streek waar de vrouw vandaan kwam die hem als baby verzorgde. Er waren daar maar twee beroepen. Het jongetje dat met met de neus naar zee gericht in slaap viel werd visser; het kind dat met de neus naar de bergen insliep timmerman. Maar, als het busje is doorgereden naar de werf, beseft hij ineens dat zijn babyverzorgster een derde beroep uit haar streek vergat: de emigrant. De mannen met de kromme neuzen zijn wakker geworden uit een droom. Ze zagen zich zelf al als vissers, maar moeten nu aan het timmeren op de werf. De kwelgeest beseft dat ze even ontheemd zijn als hij zelf.

    Ontheemd. Ongelukkig, Miskend. Een onvermogen tot contact. Zich gevangen voelen. Vervreemding. Het zijn typeringen waarvan er altijd wel een paar passen bij de verhalen in deze debuutbundel.
    De schrijver, Kerim Göçmen, werd in 1957 geboren in Turkije. Zijn vader was er rechter. In 1977 vertrok Kerim naar Nederland om in Rotterdam politicologie te studeren. Sinds 1997 publiceert hij verhalen, geschreven in het Nederlands maar hoofdzakelijk spelend in zijn moederland. Er zijn er nu acht gebundeld in Het geheim van de kromme neuzen.

    Bijna alle vertellingen gaan over gewone mensen in Turkije die op een keerpunt in hun leven staan. Plaats van handeling is meestal het platteland of een kleine gemeenschap. Ze zijn haast sprookjesachtig en stemmen weemoedig. Zoals De ruiter, het enige verhaal dat zijdelings past in de politicologische interesse van de schrijver. Het gaat over de politieke veranderingen in Turkije kort na de Tweede Wereldoorlog als de bevolking voelt hoe het Sovjetblok en Amerika (via de Marschallhulp) beide proberen het land onder hun invloedssfeer te brengen. Maar De ruiter vertelt toch vooral het einde van de rurale gemeenschappen.

    Kerim Göçmen boetseert in simpele bewoordingen zijn hoofdpersonen zo krachtig dat je als het ware met ze mee loopt. Hun conflicten raken je als lezer, hoezeer het ook mensen betreft uit een andere cultuur en hele andere milieus. Schrijnend is bijvoorbeeld het verhaal van Necati Karaveli, die zonder ook maar de geringste feeling voor zaken de dekenfabriek van zijn vader heeft overgenomen en ruziënd met zijn vrouw maar door blijft modderen tot hij ontdekt ‘dat hij zichzelf al jaren bedroog: hij leidde een leven dat hem vreemd was en hem vermoeide, maar hij hield zich voor dat hij zelf voor dit leven had gekozen’.

    De dorpsonderwijzer Halil Bora uit In gevangenschap verliest zich in dezelfde tragiek. Hij voelt zich onmisbaar in het dorp, maar wordt door de inspecteur onverhoeds ontslagen. Hij is bezig een boek over gevangen te schrijven dat maar niet af komt en dan bekruipt ‘hem de gedachte dat de mens een wezen is dat schimmen najaagt, denkbeelden die maken of je je vrij of in gevangenschap waant, en die van kinds af aan een onweerstaanbare aantrekkingskracht op je uitoefenen’.

    En welke existentiële verwarring legt de plotselinge verliefdheid van Mükerrem Tezcan niet bloot? Hij valt in De lerares Engels voor de docente van zijn dochter die zoveel knapper dan is dan zijn Behice, op wie hij is uitgekeken. Maar laat uit het voorgaande niet het beeld ontstaan van een verhalenbundel die zwanger gaat van somberheid en zwaarte. Göçmen schrijft met een lichte toets en (wrange) humor. Zijn verhalen zijn geserreerd en alleen daarom al een genot om te lezen.

     

  • ‘Het echte feest is altijd nu’

    ‘Het echte feest is altijd nu’


    De nieuwe bundel van Marjoleine de Vos begint in het heldere lege landschap van Groningen en eindigt in het oude Griekenland. Het gaat over leven – willen leven – in het hier en nu. Maar ook over verlangen naar meer, verder en hoger, en melancholie en wanhoop om het voorbijgaan en het uitblijven. Maar de regels klinken helder en de toon blijft kordaat.
    De Vos schrijft toegankelijke en herkenbare poëzie, die soms doet denken aan Chris J. van Geel, soms verwijst naar Martinus Nijhoff, maar vooral doet denken aan Rutger Kopland – tot in de titel aan toe. De Vos is lichtvoetiger, minder mijmerig, en verrassender. In ´Lente in Groningen´, poot ze de Noordelijke kleivlakte pardoes op vrijersvoeten:

    Onhandig en verliefd spruit oude grond

    ineens het teerste groen, wil zoenen,

    zoenen, ja!’

     

    En twee gedichten verderop wenst de ik ineens een valappel te zijn:

    Mijzelf maakt het niet uit

    of ik als taart dan wel verrot in ’t gras.

    Alleen dat ik dat was, die gave jonge blos

    zo kogelrond, vol sap – en dan het steeltje los.’

     

    Zo gaat het wel vaker: een natuurbeeld duidt ´iets´ aan en wordt dan omgebogen naar een zelfbeeld. In ‘Spreeuw’ klapt de vogel aanvankelijk enthousiast in zijn vleugels vanwege de komst van de lente, maar dan volgt een drastische wending: ‘Nu ik. Een spreeuw / die uit het nieuwe nest naar buiten kijkt en zucht. / Om liefde. Om lucht.’

    Het onbevangen omhelzen van het hier en nu botst onherroepelijk met het verstrijken van de tijd en het onvermogen om terug te keren waar je wilde blijven. Pogingen om de spanning op te heffen leiden tot zelfvermaan. ‘De tijd is onze vijand niet’, luidt bij voorbeeld de conclusie van een gedicht uit de reeks ‘Heimwee naar de toekomst’. En dichten (en gedichten lezen) kan helpen het hier en nu te omhelzen:

    ’t echte feest is altijd nu, als je kersverse

    woorden vindt die steeds voor ’t eerst

    je openen voor dit moment waarin

    de tijd zich toont, bewoond door alles

    Wat niet blijven kan.

     

    God onder de grond
    De gedichten van De Vos zijn arcadisch: de natuur en het platteland zijn bronnen van vitaliteit, wedergeboorte, verwondering en inspiratie. Doorstroomd van welbehagen, zoals ze ergens zegt. Grootstedelijkheid en motorgeronk krijgen niet de kans om die pastorale dimensie te verstoren. Die wordt van binnenuit bedreigd. Zo is daar ‘op zolder / achter beschot, rukkend met scherpe tanden / het onzichtbaar knaagdier’ dat werd aangelokt door lokvoer voor de vogels. In ´Aan het licht´ schiet een geheim ineens  te voorschijn en ‘maakt gehakt van redelijk en juist.´ In ‘Aanzie de vogels’ zit een meesje lekker op een vetbol, maar verzuimt de mens te aanbidden die hem zijn pinda’s schenkt. Het krijgt te horen dat het ‘op de pof’ leeft, en nog spijt zal krijgen van dat ´grondeloos opgaan in het heden.´ Nog ongemakkelijker wordt het in ´We zijn vrij´ met de openingsregel ´Onder de grond woont onze god´. God is weggestopt, en we denken dat we vrij zijn, maar hij leeft nog, steelt onze gedachten en bestiert ons leven. Zelfs dood, ´als een prop in de afvoer´ zit hij er nog en blokkeert wat vrij wil stromen. Zo bezien wordt ´leven in het nu´ een opgave die de mens zich stelt, omdat er geen god meer is die uitzicht biedt op een vorm van eeuwigheid. Dat ‘Uitzicht genoeg’  is minder triomfantelijk dan het lijkt. ´Nu eeuwig niet bestaat, is uitzicht al genoeg´ klinkt het in ´Spreeuw´.

    Sumerische uitsmijter
    De laatste afdeling ´Ik laat ons wegvaren´ roept onder meer de oude zwerftochten van Odysseus en Aeneas op, en geeft een stem aan de vrouwen die naar hen verlangden: Penelope en Dido. Gedichten over terugkeer naar een huis dat nooit meer hetzelfde is, of afscheid en vertrek om een nieuw vaderland te vinden. Het laatste gedicht van de bundel daalt nog dieper af in de cultuurgeschiedenis. Het is een fragment in de stijl van het vierduizend jaar oude Sumerische Gilgamesj-epos, in de vorm van een tweespraak over de vraag of je een nieuwe levensgezel mag nemen als je grote liefde is gestorven. Ja dus. Als iemand echt van je houdt zal hij of zij je dat gunnen, en het zelfs van je verlangen. Leven in het nu wordt begrenst door de onvermijdelijke dood. Of – andere mogelijkheid – liefde ‘nu’ vereist dat je eigen en andermans sterfelijkheid onder ogen ziet. Hoe houd je zo´n thema heden ten dage vrij van kitsch en geronk? Bij voorbeeld door een stokoude vorm en toon te kiezen en daar ironieloos aan toe te geven:

    De dood wachtte op hen,

    op ieder van hen wachtte de dood, maar zij waren één.

    De liefde van Indroe en Gilgamesj was groter dan de dood.

     

    Gedichten over hoe te leven, waar vind je ze nog? Hier en nu, bij Marjoleine de Vos. Helder, toegankelijk, beeldend en raak. Lezen dus!

     

    Uitzicht genoeg

    Auteur:  Marjoleine de Vos
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot, 2013,
    Aantal pagina’s: 58
    Prijs: € 14,50

  • Zonder aanziens des persoons, ook als het de vijand is

    Zonder aanziens des persoons, ook als het de vijand is

    Oorlogsparadijs van Nico Dros is een aanrader. Het is een aangename mix van een historisch gegeven, een subtiel liefdesverhaal en menselijke verhoudingen in oorlogsomstandigheden. Het boek leest vlot, de taal is helemaal passend in die tijd, de jaren ’40 tot ’60, en op de een of andere manier is dat heel prettig.

    ‘Voor een arts waren er, als het er werkelijk op aankwam, alleen maar mensen die medische hulp behoefden. En de persoon die er het ergst aan toe was, moest als eerste geholpen worden, ook als het een vijand was’.

    Dit is de kern van een lezing die Adriaan Wiering, chirurg in het Academisch Ziekenhuis in Leiden, in april 1962 houdt voor een groep van 44 legerartsen en een aantal artsen in opleiding. De lezing is gebaseerd op zijn eigen ervaringen in de Tweede Wereldoorlog en op de jaren na de oorlog, waarin hij in Indonesië als arts werkzaam was.
    Vlak voor hij aan zijn lezing begint, treft hij bij zijn post een brief van een vrouw uit Texel. Deze brief en de op handen zijnde koloniale oorlog op Nieuw-Guinea roepen bij Adriaan heftige herinneringen op.

    Ruim twintig jaar eerder, in het voorjaar van 1941, hij is dan zevenentwintig en pas afgestudeerd, wordt hij gevraagd om buiten werktijden medische hulp te verlenen aan patiënten in moeilijke omstandigheden. Ofwel, hij raakt betrokken bij het werk van een verzetsgroep. Na een mislukte actie in Amsterdam in maart 1942 waarbij een Duitse officier wordt doodgeschoten, moet hij onderduiken. De mensen uit het verzet organiseren een andere naam voor hem en een nieuwe identiteit en zij regelen dat hij op Texel in een noodziekenhuis geplaatst wordt. Voortaan heet hij Luc Walraven. Hij krijgt een kamer bij een schapenboer en maakt kennis met een warme, gulle familie, Jo Keijzer, zijn vrouw Engelien en hun tweelingdochters Merel en Mila. Beide dochters werken als wijkverpleegsters op het eiland. Luc Walraven maakt kennis met dokter Oosterling, de hoofdarts van het ziekenhuis, in de volksmond het Gesticht (van Weldadigheid) genoemd. Er is plaats voor 35 tot 55 patiënten en al vrij snel legt dokter Oosterling hem uit, dat een arts hier van alle markten thuis moet zijn. Er komen allerlei verschillende patiënten en veelal moeten er echt noodoplossingen bedacht worden, omdat de faciliteiten niet zo uitgebreid zijn als op het vasteland. De arts, even autoritair als grootmoedig, is zeer geliefd en legt zijn nieuwe collega haarfijn uit dat er op Texel soms geen keuzes zijn. Gewoon doen wat voor je handen komt. Dit geldt zowel voor de zieken en ziekten, als voor de patiënten zelf. Dit kunnen eilandbewoners zijn, maar ook Duitsers van de bezettingsmacht die zich op het eiland bevindt.

    Op het eiland wonen naast de negenduizend oorspronkelijke Tesselaars ruim 2.500 soldaten van de Wehrmacht en de Kriegsmarine. Daarnaast zijn er nog ongeveer vierhonderd arbeiders voor de bouw van bunkers en verblijven er zo’n zes tot zevenhonderd onderduikers. Hoewel de Duitsers een eigen legerarts hebben, kan het voorkomen, dat moeilijke gevallen in het ziekenhuis in Den Burg terecht komen. Dokter Oosterling wijst Luc Walraven erop dat hij zich moet houden aan zijn eed: hulpverlening zonder aanziens des persoons.
    De twee mannen blijken uitstekend te kunnen samenwerken, veelal geholpen door een goed team van verpleegkundigen en een monteur-chauffeur, die niet alleen alles kan repareren wat los en vast zit, maar ook van alles weet te ritselen en regelen aan hulpmiddelen en goederen.

    Na zijn lange werkdagen in het ziekenhuis komt Luc Walraven ’s avonds thuis bij de hartelijke familie. Er is begrip voor elkaar, er heerst een ongedwongen sfeer en ook over de houding ten opzichte van de bezetters bestaan weinig verschillen. Luc krijgt regelmatig studiemateriaal mee van dokter Oosterling. Eén van de zussen, Mila, wil eigenlijk wel een opleiding volgen tot hoofdverpleegkundige en het komt steeds vaker voor dat Luc en Mila ’s avonds samen zitten te studeren. En praten. En langzaamaan naar elkaar toegroeien.

    In mei 1943 heeft er intussen een wisseling van soldaten plaatsgevonden. Er is een bataljon van Brits-Indiërs gekomen, soldaten die er onder Duitse supervisie moeten verblijven. Deze Indiase jongens ondervinden veel sympathie bij de bevolking van Texel, zij spreken Engels en zij gaan tamelijk soepel met allerlei regels om. In september wordt het bataljon overgeplaatst naar Frankrijk, en veel eilandbewoners komen hen uitzwaaien.
    In de zomer van 1944 komt er een grote groep soldaten van het Rode Leger, Noordkaukasiërs, die eerder krijgsgevangen waren, maar die overgelopen waren naar de Duitsers. De sfeer op het eiland verandert, mede door de berichten uit Frankrijk. De repressie van de bezetter neemt toe. Onder de Georgiërs breekt begin april ’45 een opstand uit tegen de Duitsers. Er volgt een week met felle gevechten en beschietingen. In het ziekenhuis worden talloze gewonden binnengebracht. Dokter Oosterling en Luc Walraven staan dag in dag uit te opereren. Het dorp wordt zwaar beschadigd als gevolg van de gevechten.

    460 Opstandelingen zijn inmiddels vermoord. De Duitsers, die nieuwe troepen weten aan te voeren, willen alleen nog maar wraak en gaan op zoek naar alle nog overgebleven Georgiërs.
    Vier mei ’s avonds hoort dokter Oosterling van de op handen zijnde bevrijding.

    De brief, die Adriaan Wiering kort voor zijn lezing ontvangt, roept alle herinneringen aan de jaren op Texel weer op. Hij gaat terug naar het eiland en ontmoet enkele mensen uit die tijd en  komt tot het besef, dat hij zijn herinneringen niet ontlopen kan.

    Nico Dros, in 1956 op Texel geboren, heeft de roman gebaseerd op verhalen van zijn ouders en mede-eilandbewoners. Op basis van verschillende interviews is hij uitvoerig ingegaan op de historische feiten en de personen. Het is een roman geworden, waarin historische gegevens in een fictieve vorm prachtig zijn uitgewerkt. Een aanrader dus.

     

     

  • Altijd in verbinding met die ene dag

    Altijd in verbinding met die ene dag

    Op 26 september 1945 verongelukt het vier jaar oudere zusje van Arend Jan Heerma van Voss, Dokie. Ze mocht eerder van tafel, stak de weg over en werd doodgereden door een motorrijder. Hij was drie jaar. In Dokie. Een familiebericht  heeft Heerma van Voss (1942) een prachtige vorm gevonden voor een verslag van de reconstructie van zijn familieverleden.

    Rouw
    Als peuter van drie kreeg hij niet meteen te horen wat er werkelijk gebeurd was. Hij gaf zijn de moeder de schrik van haar leven toen hij een paar dagen na het ongeluk zei: ‘Dokie is helemaal niet ziek. Die is dood’, wat hij van buurkinderen gehoord had. Tijdens de begrafenis wordt hij ergens anders ondergebracht. Niet lang na het ongeluk verhuist het gezin van Brabant naar het westen. In hun nieuwe huis in Bentveld hangen de foto’s van Dokie wel aan de muur, maar er wordt niet over haar gesproken:

    Waarom hang je foto’s aan de muur van iemand over wie je het niet meer hebt?
    Om altijd herinnerd te worden aan degene over wie je het niet meer hebt.
    Om een goed weerwoord te hebben voor iedereen die zou durven beweren dat je het niet meer over haar wilt hebben.
    Om de afgebeelde te bevriezen in die leeftijd, en te vergeten dat zij ouder had kunnen worden (…).

    Aan rouwen doen zijn ouders niet: ‘Rouw was niks voor haar, daarvoor was ze te flink. […] Rouw was ook niets voor hem, want daar kon je niks mee doen.’ Zijn moeder gaat wel jaarlijks met hem naar het graf, maar de verhoudingen waren duidelijk: ‘Het was haar verlies, niet het mijne. Maak nooit de beginnersfout je in een bij voorbaat verloren rouwwedstrijd te storten.’ Ook later wordt er nauwelijks over Dokie gepraat. ‘De mogelijkheid om het verleden tot iets gemeenschappelijks te maken, kwam bij niemand op. (…) Iedereen koesterde zijn eigen verliesvariant.’

    Heerma van Voss heeft weinig eigen herinneringen aan zijn zusje, om precies te zijn drie. Ze is niet meer dan twee data op de verjaardagskalender. Pas in zijn studententijd, als hij in zijn dagboeken op zoek is ‘naar een verklaring van het onverklaarbare verlies’ van een geliefde, duikt de naam Dokie weer op. Daar begint de zoektocht.

    Portret van drie mensen
    Die zoektocht levert een portret op van zijn moeder, zijn vader, zichzelf en de relaties tussen hen. Zijn eigen positie binnen het gezin verandert snel: van de jongste, wordt hij enig kind en niet snel daarna de oudste als hij een zusje krijgt. Op verschillende manieren wordt een kijkje gegeven in de familieverhoudingen. Naast de beschrijvingen lezen we bijvoorbeeld nooit gestuurde brieven aan zijn moeder en zijn zusje uit zijn dagboek, een verhaal gepubliceerd in Propria Cures en de weergave van een telefoongesprek met zijn moeder. En zo wordt aangetoond dat één dialoog soms meer kan zeggen dan uitgebreide beschrijvingen.

    Toeval
    Een hoofdstuk heeft de titel ‘Toeval’ gekregen. In dit boek komen meer toevalligheden voor dan wij in een roman zouden accepteren. Zijn moeder is de eerste vrouw die in Roosendaal op een Harley Davidson reed. Zijn vader is een ‘deskundige verkeerswezen’ en wijst er tijdens een van zijn verkeerslessen – al jaren voor het ongeluk – op ‘Dat vele malen de schuld aan de slachtoffers zelf ligt.’ Later maakt hij voor de politie foto’s van verkeersongelukken in de regio. ‘God, ik wou dat er weer eens een ongeluk gebeurde’, roept zijn moeder regelmatig uit als er te lang een opdracht uitblijft.

    Retroreportage
    Heerma van Voss heeft zijn familiegeschiedenis niet in de vorm gegoten van een autobiografische roman, zoals Nicolaas Matsier in Gesloten huis. Hij koos voor non-fictie, een ‘retro-reportage’. Als inspiratie diende Jantje (2005) van Philip Freriks, over diens omgekomen negenjarig broertje. Een van de grote verschillen met de uitgave van dat autobiografische familieverhaal is de afwezigheid van beeld. In Dokie zijn allerlei soorten teksten opgenomen: citaten uit dagboeken, radio-interviews, krantenartikelen, briefkaarten, e-mails en een politieverslag, om maar wat voorbeelden te noemen. Maar bij van geen van deze documenten zijn afbeeldingen geplaatst. Ook vinden we in het boek – naast die op de omslag – maar één foto van het overleden zusje, op de laatste pagina. Die keuze geeft ruimte voor de verbeelding van de lezer, waardoor dit verhaal de kans krijgt meer te worden dan een particuliere familiegeschiedenis.

    Documenteren
    Als kind legde Heerma van Voss allerlei documentatiesystemen aan, bijvoorbeeld een voetbalarchief met de volledige gegevens van alle semiprofclubs, alle films die hij gezien had inclusief een recensie, en de Amerikaanse en Engelse hitparade met een eigen top dertig. Minutieus werd alles bijgehouden: ‘mijn greep op de realiteit. Alles was controleerbaar juist’. Diezelfde drang naar nauwkeurige feiten zie je in zijn onderzoek naar Dokie terug. Maar gelukkig wijkt de auteur af van de strikte regels van het archiveren. Door niet chronologisch te werk te gaan wordt er spanning opgebouwd. Het tijdsverloop in dit boek doet denken aan het spel waarbij een tennisbal aan een elastiek vastzit. Je kunt alle kanten opslaan, maar de bal komt niet los van dat middelpunt. In Dokie is dat middelpunt 26 september 1945.

    Via het ‘principe van de Associatieve Logica’ springt de schrijver in de korte paragrafen alle kanten op: van zijn eigen jeugd in Brabant, naar die van zijn ouders, van zijn Amsterdamse studententijd, naar zijn tijd als redacteur bij de Haagse Post, en van zijn grootouders naar zijn eigen kleinkinderen. Maar welke kant hij ook opgaat, er is altijd een verbinding met die septemberdag. Stap voor stap komen we steeds dichter bij het ongeluk. Uiteindelijk krijgen we het dagrapport van de politie te lezen. Doordat Heerma van Voss erin slaagt je deelgenoot te maken van zijn zoektocht, ervaar je dezelfde lichte huivering die hij aangeeft bij het overtypen ervan te voelen. Je hebt als lezer zijn ontwikkeling mogen meemaken van een onwetend kind, naar een wanhopige student tot uiteindelijk de schrijver die over zijn zusje Dokie kan zeggen: ‘We waren onafscheidelijk, en dat heb ik lang zo gehouden’.

     

    Dokie
    Een familiebericht

    Auteur: Arend Jan Heerma van Voss
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
    Prijs: € 17,50

  • Humor, grandioze zelfspot en rijke, Engelse zinnen

    Humor, grandioze zelfspot en rijke, Engelse zinnen

    Zuidenwind, een roman die in 1917 verscheen, had volgens de critici één grote tekortkoming: de plot kwam uit de lucht vallen en dat in een verhaal waarin je geen plot meer verwachtte. Douglas zelf dacht er heel anders over. Volgens hem was de roman één en al plot.

    Plot of geen plot, ondanks de kritiek was Zuidenwind een groot succes. Het boek werd in het begin van de jaren twintig een cult hit en bijna een eeuw later is het is niet moeilijk te ontdekken hoe dat kon gebeuren. Zuidenwind heeft namelijk alle kenmerken van een cult roman. De toon is licht spottend en de geestige en ongenuanceerde ideeën die beschreven worden hebben iets gezagsondermijnend. Bovendien zijn er behoorlijk wat formuleringen die geschikt zijn om in een select gezelschap geciteerd te worden. Het is niet voor niets dat uitgeverij Van Oorschot dit boek in de reeks onbekende meesterwerken opnieuw heeft uitgegeven.

    Wie het boek nu leest, ziet ook wel wat de critici bedoeld hebben, maar hij begrijpt misschien wel beter waarom een generatie dit boek liefdevol omarmd heeft.

    Zuidenwind is een ideeënroman en het verhaal blijft lange tijd ondergeschikt. Belangrijkste personage is de Anglicaanse Bisschop Thomas Heard die het kleine eiland Nepenthe bezoekt om daar na te kunnen denken over zijn kerkelijke carrière. Heard is geen actief handelende hoofdpersoon, veel meer een luisteraar en een toeschouwer en Douglas gebruikt hem vooral om de ideeën van een aantal excentrieke eilandbewoners aan elkaar te rijgen. Onder de eilandbewoners bevinden zich een kunst vervalsende graaf, een hertogin die eigenlijk geen hertogin is, een Russische sekte en de aan de drank verslaafde Mrs. Wilberforce die uitsluitend op haar verjaardag in het openbaar dronken is. Mrs. Wilberforce viert haar verjaardag dan ook zo’n veertig keer per jaar. Maar het is vooral de welgestelde heer Keith die vaak en veel aan het woord komt en die de toon van het boek zet.

    Keith, een rijke Engelse excentriekeling lijkt nog het meest op een Engelse, geestige variant van Friedrich Nietzsche, iemand die gangbare waarden en normen overtuigend weet om te draaien tot hun tegendeel. Keith zet zich in prachtige monologen af tegen het christelijk geloof, preutsheid en de benepen Engelse manieren. Bovendien moet hij niets hebben van liefdadigheid en verkondigt hij met verve de idee dat de wereld er alleen beter op wordt wanneer iedereen zich zo min mogelijk met zijn medemens bemoeit

    Het is deze subversieve, geestige toon, die overigens niet alleen door Keith wordt geuit, die Zuidenwind zo’n aangenaam boek maakt. De inwoners van Nepenthe die aan het woord komen steken fraai af bij de onkreukbare en kleurloze bisschop Heard. Aan bijna iedere inwoner kleeft wel een vlekje en het eiland lijkt de ideale plaats te zijn om het eigen verleden selectief te kunnen vergeten. ‘Nepenthe’ is dan ook niet voor niets de oud Griekse naam van de drank die verdriet doet vergeten.

    Het fictieve eiland Nepenthe doet in bijna alles denken aan het Italiaanse eiland Capri waar Douglas enige tijd gewoond had en waar hij in 1916, vlak voor het verschijnen van Zuidenwind, naar toe vluchtte. In Londen werd hij beschuldigd van het verleiden van een jongen van zestien, die een aanklacht tegen hem had ingediend. Geheel in de stijl van de roman deed Douglas de affaire voorkomen alsof de preutse Engelse samenleving geen ruimte bood aan een onschuldig, seksueel avontuurtje. Volgens hem was er niets gebeurd behalve dan dat hij een jongen had gekust en hem een paar cakejes en een shilling had gegeven. Dat de jongen aangifte had gedaan verzweeg hij voor het gemak even. Douglas had op Nepenthe zelf ook het één en ander te vergeten.

    Nepenthe wordt in Zuidenwind in glorieuze, fictieve details beschreven. Via de amateur historicus Earnest Eames die voetnoten spaart en bezeten is van de geschiedenis van het eiland, komen we veel te weten. Met overduidelijk plezier creëert Douglas een parodie op de academische geschiedwetenschap en verzint hij historische bronnen, legendes en controverses. Met name de cultus rondom de niet-bestaande beschermheilige Sint Dodekanus is een mooi staaltje van geraffineerde Engelse humor.

    Zuidenwind is trouwens in veel opzichten een heel Engels boek. De eilandbewoners zijn doordrenkt met Engelse manieren en eigenaardigheden, en doen soms wanhopig aandoende pogingen zich af te zetten tegen hun vaderland. Daarbij moeten de humor, de grandioze zelfspot en natuurlijk de rijke, Engelse zinnen, die oneindig veel meer grijstinten bevatten dan vijftig, bij worden opgeteld. De roman is overigens uitmuntend vertaald door Johan Hos die erin geslaagd is veel subtiliteiten te behouden.

    Terug naar de plot en de figuur van Thomas Heard. Want waarom faalt Douglas nu toch in zijn opzet? Dat heeft alles met de altijd aanwezige zuidenwind, de sirocco, te maken. ‘De zuidenwind lijkt op een of andere manier de intelligentie aan te tasten.’ En bisschop Heard die de ongenuanceerde opvattingen van de eilandbewoners met toenemende graagte aanhoort, blijkt er door te veranderen. De eerst zo onkreukbare geestelijke laat zijn strenge normbesef onder invloed van de zuidenwind steeds meer varen en uiteindelijk verzwijgt hij zelfs een moord waar hij toevallig getuige van is.

    De morele worsteling van Heard komt niet goed uit de verf. Douglas heeft zich in de voorafgaande bladzijden veel te weinig druk gemaakt om de gedachten van de bisschop. Heards plotselinge worsteling met zijn geweten komt dan ook volstrekt uit de lucht vallen.

    Maar geeft het? Vreemd genoeg niet. De zuidenwind heeft ook een effect gehad op de lezer en gaandeweg wordt je meegezogen in de warme stroom van provocerende opvattingen van een verzameling excentriekelingen. Zuidenwind blijkt na afloop ook de intelligentie van de lezer te hebben aangetast en Douglas komt na bijna een eeuw nog steeds weg met een rammelend plot. Sterker, Zuidenwind is een roman die gaandeweg steeds aangenamer wordt en die je uiteindelijk doet verlangen naar de noordenwind van Engeland.

  • Verbeeldingskracht met een vleugje fantasie

    Verbeeldingskracht met een vleugje fantasie

    Recensie Joyce Bloemert

    De verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit is het debuut van schrijver Gilles van der Loo. De bundel bevat een mooie verzameling korte verhalen die stijlvol en vermakelijk geschreven zijn. Er is geen verhaal dat onderdoet voor een ander, hoewel ze onderling sterk verschillen. Elk verhaal heeft een eigen invalshoek maar de rode draad in de verhalen is de haperende verhouding tussen mensen en dan niet alleen die tussen geliefden maar bijvoorbeeld ook die tussen ouders en kinderen.

    Verschillende onderwerpen passeren de revue. Zo begint de bundel met het verhaal ‘Het bezoek’ over een bejaard echtpaar dat hun zoon verloor en ieder op hun eigen manier het verdriet verwerkt, hetgeen tot uiting komt als hun schoondochter met haar kinderen en haar nieuwe vriend op bezoek komt. Andere verhalen gaan over een zakenvrouw die bezig is haar echtscheiding te regelen, over een man die ontslag heeft gekregen en vervolgens een verwarde vrouw van de straat plukt en mee naar huis neemt, over een man die samen met zijn zieke vader een week op vakantie gaat naar Palermo, en over twee getrouwde mannen die elkaar een half jaar moeten missen en zo heel belangrijke informatie uit elkaars leven mislopen.

    De bundel ontleent haar titel aan het verhaal over Omar, een zwarte buschauffeur in New York vlak voor een fatale aanslag. Hij heeft al jaren geen contact meer met zijn moeder. Tijdens de rit droomt hij dat hij zijn moeder belt en tegen haar zegt dat het hier sneeuwt, waarop zij antwoordt ‘bij ons sneeuwt het nooit’. De titel heeft geen relatie met andere verhalen en lijkt willekeurig te zijn gekozen.

    De in totaal 15 verhalen spelen zich niet alleen in Nederland af maar ook in Egypte, ergens in de rimboe, Palermo en Montelupu. Door de matige verhoudingen tussen mensen hebben enkele verhalen geen happy-end. Gilles van der Loo laat de lezer zo nu en dan in mysterie achter door bijvoorbeeld slechts enkele kenmerken van de hoofdpersoon bloot te geven, hetgeen je aan het denken zet. Na het lezen blijf je dan lichtelijk verward achter. Het voorlaatste verhaal, ‘De wandelaar’, wijkt erg af van de rest van de verhalen omdat daarin een vis begint te praten. De overige verhalen vertellen min of meer over de dagelijkse werkelijkheid. Hierin zit af en toe een vleugje fantasie verwerkt.

    Van der Loo, geboren in 1973 te Breda, is schrijver en huisvrouw, zo valt op zijn website te lezen. De verhalen in deze bundel zijn eerder gepubliceerd in Tirade en in Volkskrant Magazine. De meeste verhalen hebben een ik-figuur waardoor je als het ware in het leven van de hoofdpersoon kruipt. Hierdoor raak je betrokken in het verhaal en krijg je sympathie voor de zeer verschillende hoofdpersonen. De schrijfstijl van Gilles van der Loo is duidelijk, beknopt en leest fijn weg. Hier sneeuwt het nooit is een gevarieerde bundel korte verhalen, geschikt om in een vrij moment even tevoorschijn te halen of om cadeau te geven.