• De grandeur van alledaagse gebeurtenissen

    De grandeur van alledaagse gebeurtenissen

    ‘Het hart klopt.’ Henk wordt wakker en dit is zijn eerste gedachte. In zijn nieuwe roman Uit het leven van een hond beschrijft Sander Kollaard de dag van Henk die volgt op deze gedachte. Deze dag uit het leven van een hond is net zo goed als een dag uit het leven van Henk. Kollaard volgt zijn personage op deze ogenschijnlijk doodgewone zaterdag. En terwijl hij dat doet, richt hij zijn blik ook soms achteruit naar Henks verleden, en naar het leven dat nog voor hem ligt. Het levert een intiem portret op van alledaagse gebeurtenissen, die onderdeel blijken te zijn van een grootser verhaal.

    Levenslust
    Henk van Doorn: veel gewoner worden personages niet. Ook qua naam niet – of ze moeten Erik van Duijn heten, zoals de hoofdpersoon uit Kollaards debuut Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde. Henk is 56 jaar, IC-verpleegkundige en hij woont in Weesp. Sinds een aantal jaar gescheiden. Kollaard omschrijft hem als iemand die ‘maar een paar passen voorloopt op het moeras van een depressie’. Maar ondanks dat is hij géén cynicus, vol wrok over het bestaan, kankerend op het leven. Hij heeft zijn levenslust weten te behouden.

    Dat maakt de alledaagsheid van Henk wat minder gewoontjes dan je zou denken. En dat maakt ook dat deze dag net wat anders loopt dan anders. Om te beginnen blijkt het niet goed te gaan met Henks hondje Schurk. Het is een bloedhete dag in juli en bij het uitlaten rent hij niet even enthousiast achter Henk aan als anders. Later constateert de dierenarts hartfalen. Met medicijnen kan de hond nog een paar maanden blijven leven, maar over toch niet al te lange tijd zal Henk hem moeten laten inslapen.

    Daarmee lijkt Uit het leven van een hond een deprimerend boek te worden, maar dat is het allerminst. Dat komt ook doordat deze dag Henk wat bijzonders brengt. Het is bijvoorbeeld de verjaardag van zijn nichtje Rosa dat zeventien jaar wordt. Hij heeft een bijzondere band met haar die behalve familiaal is, ook een beginnende vriendschap in zich draagt. Op het feest drinkt Henk stevig wat hem veel losser en ongeremder maakt dan gebruikelijk. Dat zou veel gênante momenten kunnen opleveren, maar het gaat allemaal net goed – en het brengt hem onverwachte ontmoeting.

    Zure, stuurse gezichten
    Een onverwachte ontmoeting, zeker, maar dat – in het algemeen eigenlijk: de plot – is niet wat Uit het leven van een hond bijzonder maakt. Wat deze korte roman zo sterk maakt is onder andere de stijl van Sander Kollaard. Hij volgt zijn personage nauwgezet, maakt mooie observaties en weet ze te vangen in prachtige beelden, zoals: ‘Met die eerste gedachte dienen zich nieuwe gegevens aan. […] Van harte gaat het niet. De nieuwe gegevens komen aansjokken als pubers die net wakker zijn en met zure, stuurse gezichten aan de ontbijttafel gaan zitten.’

    Kollaard schetst een mooi portret van Henk. Soms komt hij heel dichtbij, op andere momenten beziet hij hem van een afstandje. En in de afstand tot Henk ontstaat ruimte voor Kollaards subtiele humor.

    ‘Inmiddels slaapt Henk heel rustig […] Zijn mond is opengevallen. Er loopt een sliertje speeksel  vanuit zijn mondhoek langs zijn wangen. Hij heeft zich niet geschoren zodat op de wangen een grauwsluier is ontstaan, en daar zoekt het sliertje speeksel zich een bedding, als in een woestijn waar na lange droogte het eerste water weer vloeit, aarzelend nog, als voorbode van de moesson, of hoe dat in een woestijn ook heet.
    Nog eens: het is werkelijk een zegen dat Henk zichzelf nooit zo zal zien.’

    Hart
    De gedachte waarmee Henks dag begint – het hart klopt – is een overblijfsel van een discussie die hij de dag ervoor met een jonge collega voerde. Volgens deze collega is het hart slechts een pomp – het klopt en verder niets. Een kille kijk, vindt Henk. Want lichaamsdelen zijn meer dan slechts dát, ze lenen zich goed voor beeldspraak om onze gevoelens te verwoorden. Het hart mag een pomp zijn, maar wanneer we verliefd zijn ‘loopt het over’ bijvoorbeeld. Henk is het met zijn collega eens dat hij ook maar van spul gemaakt is, maar na zijn dood komt het wellicht weer samen in iets anders. Het is onderdeel van een groots verhaal, vindt hij.

    Hiermee tilt Kollaard zijn verhaal over een dag uit het leven van een hond en zijn baas uit boven het beschrijvende. Op een subtiele manier gaat de roman ook over het vertellen van verhalen, waarmee Kollaard langs dezelfde thematiek scheert als van zijn vorige verhalenbundel Levensberichten. Verhalen zijn, laat hij zijn personage zeggen, de basale vorm van ons begrip. We hebben ze nodig voor coherentie, zonder verhalen zijn er alleen maar betekenisloze onderdelen. Net zo betekenisloos als de organen en lichaamsdelen waaruit we bestaan. Want, ja: spul zijn we. Maar ‘poëtisch spul’.

     

  • Oogst week 18 – 2019

    Partizaan Winter

    Partizaan Winter is het debuut van de Italiaanse schrijver Giacomo Verri (1978). Het verscheen oorspronkelijk in 2012 en is nu in een vertaling van Lilian Lotichius bij uitgeverij IJzer verschenen. Partizaan Winter vertelt over de gebeurtenissen uit 1943 in en rond het geboortedorp en de woonplaats van de auteur, Borgosesia.

    Aan de hand van drie sleutelfiguren vertelt Verri het verhaal van de vrijheidsstrijd van partizanen tegen het fascisme in de oorlogswinter van 1943. De drie personages raken op hun eigen manier verwikkeld in de oorlogsgebeurtenissen met als dieptepunt de represaille door het fascistische en berucht wrede Tagliamento-legioen voor de moord op twee van hun kameraden door de partizanen. Na een nacht van gruwelijke martelpraktijken fusilleert het legioen tien inwoners van Borgosesia.

    Een korte documentaire over de roman staat hier.

    Partizaan Winter
    Auteur: Giacomo Verri
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer

    Grote dieven kleine dieven

    Veel van de romans van de Egyptische schrijver Cossery spelen zich af in Egypte. Ze gaan over het contrast tussen arm en rijk, tussen machthebbers en machtelozen. De hoofdpersonen in zijn boeken zijn meestal representanten van de underdog.

    Zo ook in Grote dieven kleine dieven waarin Oessama, een intelligente, ironische, kleine dief, een belastende brief vindt in een door hem gerolde portefeuille. Het boek speelt zich af in een uit zijn krachten gegroeid Caïro, waar haastig en goedkoop gebouwd wordt. Door bezuinigingen op deugdelijk bouwmateriaal en door achterstallig onderhoud van bestaande huizen storten regelmatig panden in.

    Uit de brief die Oessama gestolen heeft blijkt dat een projectontwikkelaar en een politicus schuldig zijn aan het instorten van een gebouw, waarbij minstens vijftig doden vielen.

     

    Grote dieven kleine dieven
    Auteur: Albert Cossery
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    De IJssel stroomt feller dan de Amstel

    Ad ten Bosch is grootgebracht tussen de boeken. Zijn vader was boekhandelaar bij Van Someren en Ten Bosch, een boekhandel die Ten Bosch later overnam. Dat was het begin van een loopbaan in het boekenvak. Hij is drukker, boekverkoper, uitgever en schrijver (geweest).

    In De IJssel stroomt feller dan de Amstel, met als ondertitel ‘Herinneringen van een boekverkoper, uitgever en schrijver’ vertelt hij zijn verhaal.

    Uitgeverij van Oorschot: ‘Zijn memoires lezen als een verslag van een avontuurlijk leven en een geschiedenis van het Nederlandse boekenvak ineen.’

    De IJssel stroomt feller dan de Amstel
    Auteur: Ad ten Bosch
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Onrustige dagen

    Zoals De IJssel stroomt sneller dan de Amstel (zie hiervoor) een beeld geeft van het Nederlandse boekenvak, zo biedt Geniaal is niet direct het woord. Brieven aan Theo Sontrop inzicht in de verhouding van een schrijver en zijn uitgever. Deze speciale uitgave (bezorgd en van een nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs) is in beperkte oplage verschenen bij de Statenhofpers en bevat 73 brieven van F.B. Hotz aan De Arbeiderspers. Oplage: 75 gebonden exemplaren.

    Maar de liefhebbers van verhalenverteller Hotz kunnen ook hun hart ophalen bij Onrustige dagen, de mooiste verhalen, gekozen en ingeleid door Thomas Heerma van Voss die schrijft: ‘Hotz is een grootmeester. Scherpzinnig, grappig, ontroerend, psychologisch bijzonder sterk en, wat echt een unicum is: zijn verhalen voelen niet gedateerd. Als ik bij het schrijven even vastloop trek ik regelmatig een van Hotz’ bundels uit de kast. Om een paar zinnen te lezen. Om me over te geven aan zijn ritme. Ik zou het iedereen aanraden. De beste verhalen van Hotz horen bij het beste wat de Nederlandse literatuur heeft voortgebracht.’

    Onrustige dagen
    Auteur: F.B. Hotz
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Twee culturen en een vrouw

    Twee culturen en een vrouw

    Het Turkse woord voor vaderland is moederland. Een veelzeggend onderscheid want Turkse gezinnen kennen geen pater maar een mater familias. Vrouwen hadden bovendien, in elk geval in het seculiere Turkije na Atatürk, een bijzonder belangrijke rol. Het land had zelfs ergens in de jaren 90 al een vrouwelijke premier – kom daar eens om in Nederland. De stilliggende onderhandelingen tussen Turkije en de Europese Unie laten niettemin zien dat de twee op politiek en bestuurlijk niveau niet zomaar samen lijken gaan, tenzij het om het tegenhouden van vluchtelingen gaat. Op microniveau, het persoonlijke, gaat dat wél. Althans, daarvan geeft Inge de Bever een voorbeeld in haar recent verschenen autobiografische roman Moederland, een vrouwenleven in twee culturen.

    De Bever beschrijft in zorgvuldig gecomponeerde hoofdstukken verschillende fasen in haar leven, hoe ze haar Turkse man Ilhan in Nederland ontmoet en hoe ze omgaat met haar rol van bruid, schoondochter en, jawel, matriarch in een familie. Haar man komt weliswaar uit een seculier gezin maar toch is het aan het begin lastig om haar plaats te vinden. Ze spreekt de taal niet en haar schoonmoeder is bepaald niet dol op haar. Ze is, althans zo lijkt men te denken, de lompe Hollandse wier huwelijk met de oudste zoon gedoemd is te mislukken. Ook haar man krijgt in Nederland te maken met moeilijkheden. Zo wordt het huwelijk in eerste instantie gezien als schijn om een verblijfs- en werkvergunning te krijgen en moet er een advocaat aan te pas komen om dat in orde te maken.

    Naarmate de tijd vordert vindt ze steeds meer haar plek. De band met haar schoonmoeder verdiept zich, zeker als Ilhan en zij een zoon krijgen. Ze lijken elkaar steeds meer te snappen, niet in de laatste plaats doordat ze zich het Turks snel eigen heeft gemaakt. Met Sinterklaas (bisschop van Myra in Turkije) verzorgt ze haar schoonmoeder als deze revalideert van een ernstige ziekte en vanaf dat moment kan het tussen hen niet meer stuk. Zo wordt ze uiteindelijk een dochter van haar schoonmoeder, met het Turks misschien wel als tweede moedertaal.

    De hoofdzakelijk chronologische hoofdstukken, het ene scherper en boeiender dan het andere, vervelen in elk geval geen moment. De Bever weet de juiste balans te treffen tussen ontroering over ouder wordende en stervende (schoon)ouders enerzijds en een grappige licht-ironische blik op het leven anderzijds. Op haar best is De Bever als ze politieke gebeurtenissen als de opkomst van het populisme in Nederland en de coup in Turkije beschrijft en die verbindt aan haar eigen leven tussen twee culturen. Zo maakt ze zich tegelijkertijd zorgen over de tweedeling in de samenleving in Nederland en de desecularisatie in Turkije.

    Al met al een mooi, compleet en ook actueel boek dat persoonlijk en politiek een dwarsdoorsnede geeft van het leven in Nederland van grofweg de jaren tachtig tot nu, en de rol van Turken en de Turkse cultuur daarin.

     

  • De Duivelsverzen als vertrekpunt

    De Duivelsverzen als vertrekpunt

    De puberteit –  ook wel bekend als de jaren des onderscheids – zou wel eens de eenzaamste periode in een mensenleven kunnen zijn. Het ontstaan van emotionele breuklijnen tussen binnen- en buitenwereld: het voorheen nog als veilig ervaren ouderlijk gezag wordt opeens gewantrouwd. En als dat ook nog samenvalt met een uiteenvallende realiteit, dan wordt er houvast gezocht in eigen gevonden betekenissen. Veel jonge mensen waarvoor de realiteit bedreigend is, keren zich naar binnen, of lopen weg van huis, zoekend naar een beginpunt om een leven aan te vatten. Zo ook Augustus Antenne (een zonderlinge naam, voor een bijzonder meisje) in de tweede roman van Maria Barnas (1973). Augustus loopt niet weg van huis maar verwijdert zich van haar familie door De duivelsverzen van Salman Rushdie te nemen als coach op zoek naar houvast.

    Op zich een sterk gegeven; een puber die een boek als De duivelsverzen leest waarvan menigeen toentertijd moest toegeven er niet doorheen te komen. Onwaarschijnlijk is niet dat dit meer te maken heeft met de verdichte geest van de volwassenen dan met het boek zelf. Er zijn boeken die niet helemaal gelezen hoeven te worden en die je toch een eind op weg helpen je existentiële richting te bepalen. Augustus heeft in eerste instantie genoeg aan de eerste bladzijden van het boek – of nee, eigenlijk de verbranding van het boek die ze op tv zag – brengt haar in beweging. Waarna ze het boek twee keer leest, voornamelijk omdat ze aan het eind van de eerste lezing pas zag hoe alles in elkaar greep. Waarmee gezegd wil zijn dat alles achteraf pas duidelijk wordt. Waarmee ook duidelijk is dat – ondanks de summiere verhaallijn en dat de korte hoofdstukken met titels als: Redenen, Stromen, Fragmenten, Kolken, Huizen in willekeurig volgorde gelezen kunnen worden – dit boek tot de laatste bladzijde gelezen dient te worden.

    Grote afwezige

    Augustus is een eenzelvige jongere, zonder vrienden en daar ook niet naar op zoek. Ze bereidt zich voor op een spreekbeurt over De duivelsverzen. Over de opbouw van die spreekbeurt is ze van mening: ‘Ik hoef niet bij het begin te beginnen, (..). Ik kan er, als dat lukt, ook mijn eigen verhaal van maken.’ Daarmee aangevend dat we van alles wat we lezen ons eigen verhaal kunnen maken; dat het verhaal van de schrijver ondergeschikt is aan wat de lezer er in ontdekt.
    Augustus’ vader is voorgoed vertrokken en stuurt haar cassettebandjes met zijn motieven, zijn voorliefdes en voorbeelden uit de kunstwereld. Augustus hoort hem aanvankelijk aan vanuit een behoefte, maar door het eenrichtingsverkeer – zij kan hem niets sturen want heeft geen adres – gaat het haar tegen staan en wil ze loskomen van hem. Haar moeder gelooft dat haar man elk moment kan terugkeren en schuift – in afwachting daarvan – constant met meubels door het huis alsof elke nieuwe opstelling de belofte van terugkomst inhoudt. Haar oudere zus schrikt van haar uitbarstingen; Augustus gaat verder waar haar zus het ergst mogelijke – ik wou dat ie dood was – al heeft uitgesproken, roept Augustus: ‘In gedachten snijd ik hem in honderd dobbelstenen.’

    Ze becommentarieert het leven van haar ouders en haar zus, dat storend voor hen is, maar niet voor de lezer. Dat wijsneuzige geeft goed aan hoe het in ons hoofd werkt, waar de gedachte eerlijker is dan wat we zeggen. Een puber maakt daar nog geen onderscheid in. Augustus’ gedachten hebben een sterke werking naar het einde toe; een binnenwereld waarin dromen mytische vormen aannemen. Zo verbergt ze in een schuurtje in de tuin Salman Rushdie tot de fatwa – uitgesproken door Khomeini – opgeheven is. Ze brengt hem dagelijks haar eten, zonder dat haar moeder dit merkt. Waardoor een beeld ontstaat van een meisje dat zichzelf uithongert en gevangen zit in haar wereld.

    Een vertrekpunt

    De uiteindelijke spreekbeurt van Augustus, die als ondertitel heeft: ‘Hoe Augustus Antenne een huis werd,’ begint zo: ‘Toen Augustus voor de zoveelste keer dacht dat de boerderij aan de overkant van de straat als een groot schip voorbij trok, in plaats van de beweging te herkennen in de wolken die door stevige zeewind massief en wit langs de daken werden gejaagd (…) bedacht ze dat er iets wezenlijks aan haar ontbrak.

    Op zoek naar houvast, naar een innerlijk kompas en dat vond ze in De duivelsverzen. In haar spreekbeurt beschrijft ze haar zoektocht naar een nulpunt in de vorm van een huis vanwaaruit ze aan het leven kan meedoen. Aan het einde verandert ook vrij ongemerkt de leeftijd van Augustus. Was het hele boek een schrijven vanuit een jongvolwassene, aan het eind spreekt duidelijk een twintigjarige – dit staat, let wel, in de spreekbeurt vermeld – die een afspraak maakt bij de huisarts omdat ze nog steeds zoekende is in het fantastische slotstuk:

    De arts wist niet wat hij moest zeggen toen hij een klein appartement zijn spreekkamer zag binnenkomen. Het was een lichte ruimte met hoge ramen. Er lag een houten vloer en aan de muren hingen schilderijen, zeefdrukken en ansichtkaarten die gedachten uitlokten aan andere landen, andere levens.
    Andere landschappen en andere leugens.
    Er viel eigenlijk niets op aan te merken.’

    Wat een prachtige manier is om te laten zien dat achter mooie, lichte, kunstzinnige façades, de zoektocht nooit eindigt. Gaat het dan over geluk, dat Augustus zoekt? Invulling van haar leven? Nee, vermoedelijk dat dit noodzaak is om te leven: steeds opnieuw een vertrekpunt zoekend om verdichting van geest tegen te gaan.

    Altijd Augustus is een bijzonder en imaginair vertelsel dat in mooie, onderzoekende en betekenisvolle taal is geschreven. Bij het slot gloort enige openheid – want schrijft elke schrijver, hoe fictief ook, niet eigenlijk over zichzelf? – die je doet terugbladeren naar het begin. Stukjes vallen op zijn plaats en lijken twee verhalen – De duivelsverzen en Altijd Augustus – op een bepaalde manier in elkaar te grijpen. Waardoor je het nog eens wilt lezen. En daar is niets op aan te merken.

     

     

  • Stilist van wereldklasse

    Stilist van wereldklasse

    Joe Gould is een opmerkelijke figuur in de Bowery, afkomstig van een van de oudste Amerikaanse families, Amerikaanse ‘adel’, maar aan lager wal geraakt. Hij klampt toeristen aan, scharrelt rond in saloons en kroegen, op zoek naar een gratis drankje. Hij heeft overigens niet veel nodig om in de stemming te komen. Ondanks schuwheid is hij dol op feestjes. In Greenwich Village wonen schrijvers, kunstenaars, ontwerpers en allerlei excentriekelingen die met enige regelmaat grote feesten geven. Als Gould ervan hoort, meldt hij zich als genodigde en vaak mag hij blijven. Na een paar drankjes wordt hij overmoedig en geeft hij een solovoorstelling. Met ontbloot bovenlijf voert hij een Indianendans uit en zingt hij liederen van het Leger des Heils. Het hoogtepunt is zijn imitatie van een zeemeeuw. Op blote voeten hupt hij door de ruimte, klapwiekend met zijn armen, terwijl hij een oorverdovend gekras uitstoot. Gould heeft als kind zeemeeuwen als huisdier gehad en beweert dat hij het krassen van zeemeeuwen zo goed verstaat dat hij er poëzie in kan vertalen: Ik heb verscheidene gedichten van Longfellow in het Zeemeeuws vertaald. 

    Het bonte stadsleven van New York
    Een onvergetelijk portret van ‘Professor Zeemeeuw’ is opgenomen in de bundel McSorley’s wonderbaarlijke saloon, voor het eerst uitgegeven in 1992, nu in het Nederlands vertaald. Auteur is Joseph Mitchell, een mythische figuur in de Amerikaanse journalistiek, die zijn hoogtijdagen vierde in de jaren dertig en veertig, maar tot begin van de jaren zestig zijn vak heeft uitgeoefend. Het heeft tot veler verbeelding bijgedragen dat Mitchell na 1964 nog dertig jaar bleef schrijven maar nooit meer iets heeft gepubliceerd. Hij werd geboren in North Carolina, in een boerenfamilie, trok als jongeling naar New York om politiek journalist te worden. In 1938 kwam hij als verslaggever terecht bij het ruim tienjarige weekblad The New Yorker en heeft nooit meer een letter gewijd aan de politiek. Des te meer aan de stad. Hij was als boerenzoon gefascineerd door het bonte stadsleven en zwierf dag en nacht door de Bowery, waar hij alles en iedereen leerde kennen: zigeuners, Indianen, politiemannen, doofstommen, straatpredikanten, calypsozangers, bedelaars en weldoeners. Hij is de uitvinder van het ‘profiel’, een scherpe biografische schets aan de hand van lange monologen en dialogen. Tegenwoordig een algemeen aanvaard genre in de journalistiek, maar zelden wordt de virtuositeit bereikt waarmee Mitchell zijn portretten samenstelde. Hij kreeg alle ruimte in The New Yorker, de rubriek Profile, kon over zijn bijdragen zo lang doen als hij wilde. Veel van zijn stukken zijn meer dan alleen reportages, het zijn literaire miniaturen.

    Virtuoze portretten
    Straatpredikant Hall dient halleluja-injecties toe in de deuropeningen van saloons. Hij schreeuwt: Gedestilleerde verdoemenis en vloeibare dood, dat zitten jullie daar naar binnen te klokken en te slokken. En als hij de aandacht heeft gevangen, ontrolt hij een spandoek met in vuurrode letters: Zet dat glas neer en vertrek. De saloon is de poort naar de hel. Afgrijselijk zijn de ochtenden van een dronkaard. Bereid u voor uw God te ontmoeten. En hij brult: Broeders! Zusters! Dat is niet de koperen reling waarop jullie je voeten daar laten rusten. Neen, o, neen! Dat is de derde rail! Whisky en bier! Verval en ondergang! Dood en verwoesting! Het is zuivere poëzie. Net als bij Lady Olga, de vrouw met de baard, die vertelt hoe ze in haar jeugd bij het Great Orient Family Circus terechtkwam. De circuswagens werden door ossen getrokken. De verzameling circusdieren bestond uit drie oude leeuwen, een paar slome slangen, een paar apen, een kooi met papegaaien, een getrainde geit en een dansende beer. Ik heb nooit kunnen achterhalen of mamma geld voor me heeft gekregen of dat ze me gewoon heeft weggegeven om van me af te zijn. De moeder van het wonderkind Philippa vertelt dat ze zoveel mogelijk rauw voedsel eten. Op reis moet je soebatten voordat je rauw vlees krijgt. Vervolgens staren ze naar je als je het opeet. Het is denk ik ook  nogal ongewoon om een klein meisje een rauwe biefstuk te zien eten. Als Philippa naar de bioscoop gaat, neemt ze soms een korenaar mee. Beter dan pinda’s. Ze stopt haar zakken altijd vol doperwten als ze naar school gaat. 

    Joseph Mitchell heeft een scherp gehoor voor zelfs de kleinste details. Hij weet uiteenlopende mensen blijkbaar ook voldoende op hun gemak te stellen, het lijkt erop dat iedereen die met hem praat, zijn hart uitstort. Als schrijver is hij ongeëvenaard en komt hij dicht in de buurt van de twee auteurs die hij zelf het meest bewonderde: James Joyce en Mark Twain. In het Nederlandse taalgebied is hij vrijwel onbekend, misschien mede omdat hij in literair opzicht moeilijk te plaatsen is. Het verbaast daarom dat de Nederlandse uitgave geen voorwoord of nawoord bevat, behalve een enkel zinnetje op de binnenflap; dit terwijl over Mitchell veel bekend is, getuige ook de uitstekende biografie van Thomas Kunkel, Man in Profile. De lezer krijgt niet te horen dat deel I van McSorley’s wonderbaarlijke saloon uit ‘feitelijke’ stukken bestaat, terwijl de delen II en III gewijd zijn aan Mitchell’s fictie: korte verhalen gesitueerd in de geboortestreek van de schrijver. De Nederlandse vertaling geeft een redelijke indruk van Mitchell’s werk, maar het is behelpen. Zou in het clubgebouw van de vereniging van doofstommen een ‘zaal voor officiers’ te vinden zijn? En waarom laat de vertaler Kapitein Dutch, de naamgever van de Oorspronkelijke Kapitein Dutch Vennootschap, ‘hij heb’ zeggen in plaats van ‘hij heeft’? En zouden Indiaanse huismoeders hun woningen werkelijk schoonhouden ‘op de Nederlandse manier’?

    In een van Mitchell’s laatste stukken komt hij terug op zijn profiel van Joe Gould: Joe Gould’s Secret (1964). De man was inmiddels ook op een andere manier geportretteerd: de schilderes Alice Neel had hem vereeuwigd met een satanische, idiote grijns op zijn gezicht. Mitchell heeft iets recht te zetten: Gould werd door velen in zijn omgeving veracht en gehaat en niet ten onrechte, hij was een opschepper en een dief en loog dat het gedrukt stond.

     

     

  • Het raadsel Gijs Thio

    Het raadsel Gijs Thio

    Gilles van der Loo (1973) schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (2012) en de roman Het laatste kind, beiden goed ontvangen. Zijn zojuist verschenen roman Het jasje van Luís Martin is geschreven als hommage aan de op 26 februari 2011 plotseling verdwenen oud-barman en wijnhandelaar Gijs Thio, een vriend van de schrijver. Na een maand werd zijn lichaam gevonden, drijvend in het Oosterdok.
    Hij behoorde tot de gemiddeld 15 mannen die de Amsterdamse politie jaarlijks opvist uit de grachten. Dat zijn er nogal wat. De open gulp van de verdronken mannen biedt de verklaring: ze moesten even een plasje, al dan niet na wat alcohol. Als dan de bloeddruk zakt kan dat leiden tot het verlies van evenwicht.

    Zo’n tragi-komische dood kan je je ergste vijand niet wensen. En daarom is het goed dat Gilles van der Loo een boek wijdt aan de vriend die hij bewonderde.
    De hoofdpersoon Issa is – net als de schrijver zelf ooit – een student psychologie maar zijn bijbaan in de horeca bevalt hem beter dan de studie, en dat geldt zeker als hij zijn grote voorbeeld ontmoet, de perfecte barman Gijs Thio.

    Gijs – dit moest Gijs zijn –  las staand de krant, met zijn vuisten op de bar aan weerszijden van het papier. Hij droeg een korenblauw overhemd met gouden manchetknopen en een zwarte pantalon die ijzingwekkend scherp gesteven was. Tot een strook gevouwen lag zijn sloof over zijn schouder. Na een paar tellen sloeg Gijs de krant dicht en trok als was het een revolver de nietmachine tevoorschijn, waarmee hij op gelijke afstand vier nietjes in de kantlijn schoot. (..) Gijs schikte de krant in de stapel tijdschriften en glimlachte naar hem waarbij zijn Aziatisch aandoende ogen glommen. Door zijn fijne neus, brede kaken en sterke kin had hij een onplaatsbaar, maar heel succesvol samengeraapt gezicht.

    Rolmodel
    Dat Issa grote bewondering heeft voor Gijs is vanaf de eerste pagina duidelijk en ook het waarom: Gijs is het schoolvoorbeeld van de onverstoorbare man die in elke situatie weet wat hij moet doen en dat ook zonder aarzelen doet. En de vaderloos opgegroeide Issa vindt in hem het perfecte rolmodel.
    Ze zijn onafscheidelijk zowel tijdens als na het werk, want na sluitingstijd leiden horeca-werkers hun eigen nachtelijk bestaan, meestal in de kroegen van anderen.
    De lezer leert in klein detail het eet-café Zeppos kennen en het Italiaanse restaurant Toscanini, waar de beide vrienden werkten. Er wordt heel wat afgefietst door Amsterdam (elke route zorgvuldig beschreven) en we leren alles wat er te leren valt over het vak van barman en restaurant-bediening. Achter de deur naar de keuken mocht het vies zijn en ‘zoals op elke drukke avond raakte de  gootsteen in de spoelkeuken om kwart over tien verstopt, waardoor de afwasser tot halverwege zijn bovenarmen het vette bruine water in moest.’
    Maar in het café-restaurant zelf moest alles spic-and-span zijn, de borden en glazen precies op de goede plek, het bestek in precies de goede richting en de kelner in een goed gestreken overhemd.

    Het verhaal wisselt af tussen het heden waarin Issa kampt met het verlies van Gijs en het verleden waarin hij vertelt over zijn belevenissen met hem. In het heden heeft Issa last van hallucinaties waarbij hij Luís Martin ziet, de Spaanse barman van wie Gijs ooit het vak had geleerd, wiens jasje hij mocht dragen en over wie hij veel vertelde.
    Zo kent de roman drie verhaallijnen die elkaar afwisselen: het leven vóór Gijs’dood, het leven ná Gijs dood, en het door Issa tussendoor verzonnen levensverhaal van de Spanjaard.

    Eidetisch proza
    Deze afwisseling werkt goed voor de lezer en dat heeft ook te maken met een eigenaardigheid in de schrijfstijl van Van der Loo: de behoefte van zijn hoofdpersoon om alles, maar dan ook echt alles tot in het piepkleinste detail te beschrijven. Als Issa op de stang van de fiets van Gijs meerijdt voor een zoveelste drankje na het beëindigen van hun shift, leidt dat bijvoorbeeld tot het volgende reisverslag:

    De nachtlucht vloeide over Issa’s schouders terwijl Gijs door Rusland reed, afsloeg op de Kloveniersburgwal en diagonaal de Nieuwmarkt overstak. (…)
    Ze staken de Prins Hendrikkade over en zoefden onder het spoor door. Aan hun linkerkant lag nu het IJ, het water breed en kalm en schitterend door alle lichtjes op de oever. De stijging van het fietspad leek Gijs geen extra moeite te kosten, en zo volgden ze de rivier stroomopwaarts. Een aak voer hen tegemoet waarvan de kajuit straalde als een Jordanese woonkamer. Aan het roer stond een buikige man, naast hem zat een vrouw in een witte tuinstoel te lezen. Issa zwaaide (…) naar het stel totdat de vrouw opkeek, het boek weglegde en naar de deuropening kwam.

    En zo fietsten ze nog een heel stuk verder. Er is niets mis met deze beschrijving, behalve dat hij eigenlijk overbodig is voor het verhaal. En ook dat mag, een verhaal mag best stukken bevatten die in feite een soort pauze zijn. Maar in Het jasje van Luís Martin wordt álles in dit soort details beschreven, en dat is teveel van het goede. Zelfs als Issa door drank en drugs geheel beneveld raakt en nauwelijks uit zijn ogen kan kijken blijven de beschrijvingen eidetisch gedetailleerd. Daarom is het prettig dat bij het overstappen van de ene verhaallijn naar de andere, in elk geval het decor en een deel van de personages wisselen.

    Behalve de overdreven detaillering is een ander wat hinderlijk aspect van Van der Loo’s proza zijn voortdurende streven naar frappante literaire vergelijkingen, zoals in het  bovenstaande fragment de kajuit die ‘straalde als een Jordanese woonkamer.’  Het is de bedoeling van literaire vergelijkingen dat ze het beschrevene in een nieuw licht plaatsen. Maar dat nieuwe licht moet je dan wel kennen en de aard van de verlichting van een Jordanese woonkamer zal weinig lezers bekend zijn.
    Zo’n missertje is geen ramp, maar Van der Loo maakt ze nogal vaak:

    Het meisje glimlachte als een babyzitter die veel te laat wordt afgelost(…)
    Arjen, een tengere twintiger met de stem van een kettingrokende nieuwslezer (…)
    Met de traagheid van trekkende thee heupwiegde ze langs de biertappen (…)

    Tja.Proza dat stuitert als een oud kanon dat afgeschoten wordt is ook een vergelijking die nergens op slaat. Maar hier, je weet maar nooit, misschien toch wel toepasselijk.

    Het raadsel
    Er staan overigens mooie stukken in de roman, zoals de in-treurige beschrijving van een bezoek aan het graf van Gijs, samen met zijn zoontje en hun gemeenschappelijke vriend Arie. Op de buik van het graf staan twee plastic bloempotjes met uitgedroogde tijm. Issa probeert niet te denken wat hij hier altijd denkt: hoe ver het lichaam van zijn vriend al heen moet zijn.
    ‘Gijssie.’ zegt Arie tegen de grijze aarde. ‘Hoestie nou?’ (…) Zoals altijd vraagt Issa zich af wat hij hier komt doen, waarom hij steeds weer denkt dat het hem zal opluchten om aan het graf te staan: dat hij hier zal kunnen huilen. (…) Hij hurkt, raapt wat van de aarde op en laat hem weer vallen. Er gebeurt niets.

    Jammer voor de roman is dat Gijs Thio weliswaar een grote vriendenkring had en een aimabel mens was, maar tegelijk heel gesloten.
    Ondanks de intense bewondering en vriendschap die Issa voor hem voelt, moet hij in de loop van de tijd zichzelf bekennen dat hij eigenlijk niets van Gijs weet, ook geen flauw vermoeden heeft wat hij denkt of voelt en nog minder waarom hij geregeld besluiten neemt die Issa overvallen. Zo gaat het samen starten van een eigen restaurant niet door omdat Gijs op het laatste moment zonder enige uitleg afhaakt. En zo blijft de lezer aan het eind van het boek zitten met een toch wat leeg gevoel. Ruim tweehonderd pagina’s een vermoedelijk heel aardig mens gevolgd zonder ook maar iets van hem te weten te komen.

    Nu hij zijn verdriet over het wegvallen van een goede vriend van zich afgeschreven heeft kan Gilles van der Loo als schrijver hopelijk verder. En dan kan het – ondanks de goede bedoelingen – alleen maar beter gaan dan bij dit boek.

  • Schilder van de tinten van de menselijke ziel

    Schilder van de tinten van de menselijke ziel

    ‘Helaas ben ik alleen in het schrijverschap echt wie ik ben (…) Ik voel mij bijna voortdurend een vreemdeling in dit harde en onvriendelijke leven, en heel vaak hulpeloos’. Die zelfbespiegeling schrijft Konstantin Paustovski (1892-1968) in een brief van 13 december 1946 aan Tanja Jevtejeva, zijn derde vrouw. Het citaat is een krachtige samenvatting van zijn leven. Dat stond geheel in dienst van zijn schrijverschap en was getekend door de twee wereldoorlogen, de Russische Revolutie en daarop volgende burgeroorlog, maar ook door censuur, armoede, papierschaarste, geldgebrek en ziekte (astma en aan het eind van zijn leven hartfalen). Toch was het een leven vol reizen, aandacht voor schoonheid en verliefdheden. Maar vooral: prachtige vertellingen.

    Veel lezers van zijn zesdelige Verhaal van een leven weten dat al. Toen de Arbeiderspers ze tussen 1967 en 1984 in de reeks Privé-domein uitgaf, bleken ze ook in Nederland diepe indruk te maken.
    En nu is er Goudzand, een verzameling dagboekfragmenten, brieven aan zijn vrouwen, kinderen en vrienden, journalistieke stukken en enkele verhalen. Voor wie de zes delen Privé-domein nooit las, een uitstekende kennismaking met de veelzijdigheid van Paustovski en voor wie dat wel deed een prachtige achtergronddocumentatie en uitnodiging om de autobiografische verhalen nog eens te herlezen. Dat kan, want in het najaar verschijnt er een dundrukeditie in twee delen van bij Van Oorschot, die ook Goudzand verzorgde. Ook de vertaler is dezelfde: Wim Hartog.

    Zintuiglijk
    De uiteenlopende bronnen voor Goudzand maken dat het boek nogal verschillende stukken kent. Het meest opvallend zijn de verschillen in stijl. In brieven en artikelen is Paustovski vrijwel steeds de grote stilist die we ook uit Verhaal van een leven kennen: een verzorgd taalgebruik, met oog voor nuances en details, voor de schoonheid van de natuur en een bijna zintuiglijke beleving, zoals in een dagboekfragment uit 1920:

    ‘Krol [een van de troetelnamen van zijn eerste vrouw Jekaterina Zagorskaja] heeft op haar naamdag witte chrysanten gekregen. Winterse bloemen, hun vermoeide blaadjes lijken op sneeuwvlokjes. Ze zijn bijzonder mooi als ze in een koude kamer staan met ijspatronen op de ruiten. Hun bittere geur is heel droevig. Ik weet niet waarom ik aan die besneeuwde, bodemloze dagen in Moskou moet denken en aan de stem van Boema [jeugdvriendin van Jekaterina].’

    Heel anders is hij in zijn dagboeknotities. Die schreef hij duidelijk alleen voor zichzelf. Soms raak je er als lezer de weg in kwijt, zoals in dit fragment uit 1922:

    ‘Bij Njoera. Een afgelegen steegje. Een kleinburgerlijke kamer. Haar man heeft een winkeltje. Ik haalde herinneringen op aan de winter in de buurt van Kazan, aan Nikolasja Roednev en Tamara, zijn vrouw. Feuilletons van Tsenovski. Een Bulgaar. Uitgekookt. Oompje Ljonja en de huid van een jaguar. Een grammofoon bij de Brelidzes thuis.

    Geheugen
    Toch vormen ze een belangrijke informatiebron: ‘Je moet dagelijks aantekeningen maken. Anders lossen de dagen op als rook, als een rossige luchtspiegeling’, tekent hij in maart 1927 op. Vadim, de zoon van Paustovski uit zijn eerste huwelijk, haalt het citaat ook aan. Van hem is achter in Goudzand een persoonlijke terugblik opgenomen op het leven van zijn ouders. Vadim is wat verbaasd over die opmerking omdat hij zijn vader kende als iemand die op zijn waarneming en zijn geheugen vertrouwde. Maar daarvoor maakte hij die notities juist, constateert hij na wat nadenken. Zijn vader hoefde niet altijd terug te grijpen naar zijn boekjes en schriften, want het opschrijven alleen al had hem geholpen de gegevens in zijn geheugen op te slaan. Zoals een schilder schetsen en studies maakt voor hij aan zijn doek begint.

    In Over aantekeningenboekjes en het geheugen, verhaal 28 uit Onrustige jeugd (het tweede deel van Verhaal van een leven), bevestigt Paustovski dat. Hij levert daarin meteen de titel voor Goudzand: ‘Voor een schrijver is het geheugen bijna alles. Het opgespaarde materiaal wordt er niet alleen maar opgeslagen. Het meest waardevolle wordt er als in een toverzeef achtergehouden. Stof en molm vallen erdoor en worden door de wind weggevoerd en slechts het goudzand blijft achter.’

    Geuren, stemmen, kleuren
    Naast de stijlverschillen tussen brieven, verhalen en dagboeken valt ook de rijke variëteit aan toonzettingen op.
    Er is de romantische Paustovski die zijn eerste vrouw Jekaterina in 1916 schrijft: ‘Kinderen geloven op hun eigen, kinderlijke manier in God. In hun geloof schuilt een bijzondere schoonheid en betovering. De grote schoonheid ervan is dat ze van God houden en deze herkennen in moeders stem, in de geur van appels, in de doorzichtigheid van water en in het lichtschijnsel van de olielampjes bij de iconostase, ja eigenlijk in alles. God onthult hun alles en verleent hun tere, tedere leven een bijzondere kracht. Ik hou van jou net zoals kinderen in God geloven.’

    Er is de introspectieve Paustovski, bijvoorbeeld in zijn dagboek in 1920: ‘God heeft mij op aarde gezet met een gave voor kleuren. Daarom ben ik kunstenaar. Ik voel heel scherp de nuances en stemmingen van de dagen, ondanks mijn bijziendheid. Ook de tinten van de menselijke ziel voel ik aan. Als ik schrijf, zet ik de woorden neer als penseelstreken, als verf op een doek, en zelfs mijn gedachten zijn kleurschakeringen, soms bleek, soms dieprood, maar het meest van al goud of met een gouden gloed, vervuld van warmte van binnenuit.’ (Je zou bijna zeggen dat Paustovski een synesthetisch brein had).

    Sparrenbossen
    De invoelend observerende schrijver is hij ook, zoals in het korte essay over de naïeve schilder Niko Pirosjmanisjvili, getiteld Het leven op een tafelzeiltje (pagina 252).

    En de sarcast, bijvoorbeeld wanneer hij op 6 mei 1943 over Russische ambtenaren schrijft: ‘Het is een ongelooflijke rompslomp met de paperassen om je vertrek te regelen. Alles gaat vreselijk langzaam omdat er bij alle instanties, naast een permanente rechtsverdraaiing, enorm lange lunchpauzes bestaan die ook nog eens op heel verschillende tijdstippen plaatsvinden. Bovendien zijn de klerken al een uur voor de lunch ontoerekeningsvatbaar vanwege het vooruitzicht van voedsel en na het eten ook nog omdat hun verwachtingen niet zijn uitgekomen.’

    En de ontroerende Paustovski is er, zoals hij zich in 1959 zijn ontmoeting met en afscheid van Lydia Delectorskaya (de in Parijs wonende Russische, die zijn werk vertaalt in het Frans), herinnert: ‘“Komt u een keertje naar Rusland”, zei ik tegen Lydia Nikolaevna, “al is het maar om te horen hoe bij ons de sparrenbossen ruisen.’”.

    Tenslotte de geëngageerde Paustovski in een journalistieke brief aan zijn lezers in Amerika uit 1960: ‘Schrijvers hebben onder meer als taak voor de mensen heel de glorie, schittering en verwondering te laten zien van het echte leven dat vaak schuilgaat achter verminkingen, toegebracht door beestachtig optreden van de mens.’

    Vlekken
    Dat wilde Paustovski: kijken in de ziel. Hoop bieden in een soms wanhopig ontsporende wereld.
    Goudzand staat vol van voorbeelden daarvan.

    Maar is er dan helemaal niets negatiefs over deze uitgave op te merken? Toch wel. Een boek als dit kan niet zonder goede namenlijst, zonder verklarende noten en zonder tijdlijn. In alle drie is voorzien. En ze zijn een welkome toevoeging. Helaas grijpt de lezer daarin echter meerdere keren mis. Wat zou het verder mooi zijn geweest als een overzichtskaart opgenomen was van alle plaatsen waar Paustovski werkte en woonde.
    Maar dat verhoudt zich allemaal tot de schrifturen van Paustovski zelf als de inktsmetjes op een vel papier met een prachtige tekst van hem. Of zoals hij zich onder een brief uit februari 1961 aan een ex-studente verontschuldigde:

    ‘Excuses voor de vlekken.
    Komt door een amandelblad.’

    Zelfs van zo’n ontsierend detail kon hij nog de schoonheid verwoorden.

     

  • Oogst week 25

    De goedheid van vreemden

    Van de Argentijnse schrijfster Claudia Piñeiro (1960) zijn in Nederland inmiddels een paar boeken verschenen, maar erg bekend is ze hier nog niet. In eigen land zijn haar boeken populair en won ze er diverse prijzen mee.

    Nu is van haar De goedheid van vreemden verschenen waarin een vrouw na twintig jaar terugkeert naar Buenos Aires. Ze is iemand anders geworden: haar uiterlijk, haar stem, zelfs haar voornaam. Zullen de mensen die haar gekend hebben beseffen wie ze voor zich zien? En zal híj haar herkennen? Mary Lohan oftewel Marilé Lauría oftewel María Elena Pujol keert terug naar de plek waar ze een gezin had – tot ze besloot te vluchten. Waarom keert ze nu terug en waarom vluchtte ze destijds als een dief in de nacht?

    … ‘Nu, vandaag, in dit vliegtuig dat me terugbrengt naar de plek waar ik ben weggegaan, heb ik vier foto’s bij me: die drie en eentje waarop ik met Robert sta, voor ons huis. Maar ik kijk er ook niet naar. Ik heb ze bij me, dat is alles, ik weet niet eens goed waarom eigenlijk.’

    De goedheid van vreemden
    Auteur: Claudia Piñeiro
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas/Contact

    De moeder van Ikabod

    Na Magdalena, waarin ’t Hart over zijn moeder schreef, verschijnt nu De moeder van Ikabod, een bundel met luchtig vertelde, autobiografische verhalen aan de hand van zijn bekende thema’s. De liefhebbers van ’t Hart kunnen hun hart ophalen. Ogenschijnlijk alledaagse gebeurtenissen zoals de verkoop van een huis, een plechtige uitvaart, een kerkdienst, een ontmoeting op een treinstation, een bezoek aan de markt of een casino pakken tragikomisch uit. Of soms juist beklemmend, zoals in ‘De beroving’ of ‘De stiefdochters van Stoof’.

    De moeder van Ikabod
    Auteur: Maarten 't Hart
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers

    Goudzand

    En dan blijkt er ook nog voor Nederland onbekend werk van Paustovski te zijn! Vertaler Wim Hartog vond het in o.a. het Russisch Verzameld werk en vertaalde het voor Uitgeverij van Oorschot. Zeshonderd pagina’s persoonlijke geschriften waarin Wim Hartog Paustovski de ongelofelijke geschiedenis van diens eeuw laat vertellen.

    Het is voor mij reden om Verre jaren uit de kast te pakken en het eerste hoofdstuk ‘De dood van mijn vader’ te herlezen.

    ’s Nachts hoorden we iemand die aan de overkant van de rivier met een lantaarn stond te zwaaien, met lange uithalen roepen. Ik ging met oom Ilko naar de waterkant toe. De rivier bulderde en bruiste als een ijzige waterval over de dam heen. Het was in het holst van de nacht en pikdonker. Geen ster stond aan de hemel. De prikkelende koelte van het wassende water en van de dooiende aarde streek langs ons gezicht. Aan één stuk door werd er aan de overkant geroepen en met de lantaarn gezwaaid maar de woorden gingen verloren in het donderende lawaai van het woedende water.’ 

    Het is moeilijk om niet de hele middag door te blijven lezen…

    Uitgeverij van Oorschot noemt het verschijnen van Goudzand: ‘Voor de kenner een feest, voor wie nu met Paustovski kennismaakt een uitermate overtuigende inkijk in het werk van deze schrijver van wereldformaat.’

    Ik noem mij geen kenner van Paustovski, maar hem lezen is inderdaad een feest!

     

     

     

    Goudzand
    Auteur: Konstantin Paustovski
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Mens

    Mens

    De biografie over uitgever Geert van Oorschot gaat voortvarend van start. Het levensverhaal begint met een vlucht, zomer 1926: God, wat wilde Geert van Oorschot graag weg uit Vlissingen. De inkt van zijn HBS-diploma was nog niet droog of hij pakte zijn fiets. Hij gunde zich pas rust toen hij vijftig kilometer van huis was. Ruim zeshonderd pagina’s verder zijn we in 1987.
    Van Oorschot heeft dan bijna tachtig jaar geleefd en is op, na een woest en soms losbandig leven. Een bestaan dat kan worden getypeerd door een uitspraak van de doorgaans zwijgzame dichter Jan van Nijlen, de onbetwiste favoriet van de uitgever: Het leven is moeilijk. Een essentieel zinnetje, vond Van Oorschot.

    Straatvechter
    Een groot deel van de moeilijkheden die Van Oorschot op zijn weg vond, werd door hemzelf veroorzaakt. De biograaf, Arjen Fortuin, laat er geen misverstand over bestaan, volgens hem was de uitgever een straatvechter die als het moest en ook als het niet moest, met iedereen ruzie maakte. Hij liet zich in laatdunkende termen uit over schrijvers in het algemeen (dom en ijdel), die van zijn eigen fonds niet uitgezonderd. Een bekend patroon was: eerst werden ze ingehaald en vertroeteld, gevleid en in de lucht gestoken, daarna de grond in geboord. Vaak om futiliteiten of misverstanden, vaak om niets. Van Oorschot eiste totale devotie en als dat niet lukte, dan maar vijandschap. Die overigens vaak even gemakkelijk na verloop van tijd weer in warme vriendschap kon veranderen. Het was thuis niet veel anders. Door zijn overmatig drankgebruik en agressiviteit was zijn vrouw in bepaalde perioden af en toe bang met hem alleen te zijn. Buitenstaanders wisten van niets, hij kon buitengewoon charmant en gastvrij zijn en tot op gevorderde leeftijd was hij een geduchte womanizer. 

    Uitgever
    Fortuin heeft een bewonderenswaardige hoeveelheid materiaal opgedoken. In de biografie passeert aan de hand van Van Oorschots leven een groot deel van de naoorlogse literaire geschiedenis in Nederland: niet alleen de schrijvers die bij de uitgeverij publiceerden of meewerkten aan Van Oorschots tijdschrift Tirade, maar ook de schrijvers die hij graag in zijn fonds had willen hebben, maar bij wie hij achter het net viste: Mulisch, Claus, Van der Heijden, of die hem na heftige conflicten–meestal over geld–de rug toekeerden, zoals Hermans en Reve. Daar blijft het niet bij, want ook de politieke verhoudingen in Nederland komen uitvoerig ter sprake. Van Oorschot was een strijdbare socialist, afkomstig uit kringen van geheelonthouders en would be-revolutionairen en is nauw betrokken gebleven bij de politiek, ook al werd hij ‘rechtser’ naarmate hij ouder werd. Hij was een groot bewonderaar van de politieke theoreticus Jacques de Kadt en persoonlijke vriend van Joop den Uyl. Tenslotte: ook Van Oorschot als dichter en romanschrijver (pseudoniem R. J. Peskens) passeert de revue, terwijl eveneens het uitgeverijbedrijf in engere zin belicht wordt: de betrekkingen met het personeel, de relaties met de drukkers, de woelige verhouding tussen Van Oorschot en zijn succesvolle boekontwerper Helmut Salden.

    Mens
    Het is geen sinecure om je weg te vinden door al die bergen informatie, anekdotes, gesprekken, briefwisselingen en literaire teksten en dat is dan ook niet altijd gelukt. Als de auteur er beter in was geslaagd hoofd- en bijzaken te scheiden, zou het boek vele tientallen pagina’s dunner en leesbaarder zijn geweest. Geert van Oorschot, uitgever, luidt de titel, maar Geert van Oorschot, mens zou ook niet hebben misstaan. Over het persoonlijke leven is intiemere, sprekender kennis bijeengebracht dan over het uitgeversbestaan, dat vooral van de buitenkant wordt belicht. Veruit het ontroerendste deel gaat over de zelfmoord van Guido, een van Van Oorschots zoons, en Fortuin laat zien hoe diep die gebeurtenis heeft ingegrepen in zowel het gemoed van de vader als dat van de andere familieleden; ook de overige zoons raakten vervreemd van hun vader. Een succesvol leven is niet noodzakelijkerwijs een gelukkig leven, zegt de biograaf, zeker is dat Geert van Oorschot hartstochtelijk ongeluk heeft gekend. 

    Biografie
    De biografie is globaal chronologisch opgezet, maar trekt daarbinnen vele dwarsverbanden die soms moeilijk te volgen zijn. Het hoofdstuk Dingen afmaken is een verzameling van ogenschijnlijk losse eindjes: de verhouding met Carola Kloos, de angst voor longkanker, de waardering voor Annie M.G. Schmidt, de brieven van Du Perron, het verzameld werk van Dèr Mouw. Meer hoofdstukken hebben zo’n karakter, alsof afzonderlijke schetsen en aantekeningen achteraf maar zo’n beetje bij elkaar zijn gezet. Het uitgeverskantoor was een onbeschrijflijke zwijnenstal waarin niemand zijn weg kon vinden en het wekt geen verbazing dat de uitgaven af en toe monumenten van slordigheid waren. Aan de inhoud was nog minder zorg besteed dan aan het uiterlijk, zegt de biograaf over een gedichtenbundel van Hans Lodeizen–in de bundel stonden maar liefst tien dubbel afgedrukte gedichten. De typische verdediging van de uitgever: niets aan de hand. Van belang, zou je zeggen, bij de beoordeling van Van Oorschot als uitgever, maar zoals gezegd staat zulke informatie schijnbaar willekeurig door het hele boek verspreid.

    Hier en daar komt de biograaf met bedrijfsresultaten aanzetten die tot achter de komma nauwkeurig lijken, maar een lezer zou zich kunnen afvragen hoe betrouwbaar zulke informatie is tegen de achtergrond van die chaos op de uitgeverij. In meer opzichten lijken de beweringen van Fortuin niet altijd goed gecontroleerd. Eén voorbeeld: de ‘affaire’ Joop en Liesbeth den Uyl. De jonge Liesbeth werd door Van Oorschot aangenomen als redactioneel medewerkster en hij begon een verhouding met haar die zijn huwelijk zou bedreigen. Hij kon Liesbeth vervolgens tot zijn opluchting slijten aan Joop den Uyl. Beide mannen kregen ruzie toen Den Uyl ontdekte dat Liesbeth eerst ‘met Geert’ was geweest. Onwaarschijnlijk verhaal. Hoe komt zo’n anekdote tot stand? De biografie is als wetenschappelijke dissertatie verdedigd aan de Universiteit van Amsterdam, maar de auteur is met de wetenschappelijke regels nogal nonchalant omgesprongen. Het genoemde voorbeeld staat niet op zichzelf. Het zal te maken hebben met het onderwerp: een succesvolle schrijver en uitgever in het hart van het Amsterdamse roddelcircuit.

    Dat de biograaf emotioneel betrokken is geraakt bij zijn onderwerp is overigens onvermijdelijk, en dat heeft hem waarschijnlijk dicht bij de kern van zijn onderwerp gebracht. Je wilt van zo iemand nu eenmaal alles weten! Maar zijn oordeel over Van Oorschot lijkt af en toe uit de lucht gegrepen en al te zeer voor insiders bedoeld. Dat doet af aan de plausibiliteit van het betoog. Dat hij de uitgever talloze keren typeert als theatraal, zonder uitleg over wat hij daar nu eigenlijk onder verstaat, is krachteloos, maar hij betitelt hem tussen neus en lippen door ook als berekenend, leugenachtig, opportunistisch, gierig, dictatoriaal, drammerig, onoprecht, onhelder. Zonder duidelijke argumentatie lijkt dat niet op wetenschapsbeoefening, maar eerder op schelden, en dat kan toch niet de bedoeling zijn.

     

     

  • Een verwarrende nacht

    Een verwarrende nacht

    Voor wie denkt alle verhalen uit de Tweede Wereldoorlog zo ongeveer wel te kennen, is De langste nacht van Otto de Kat de perfecte proef op de som. Het boek laat zich dan ook het beste lezen als een raamvertelling voor deze oorlogsverhalen, en niet als een vervolg op het eerdere werk van De Kat, Berichten uit Berlijn.
    Een fanatiek lezer zal al snel geneigd zijn om het vorige werk eerst te lezen, om zeker te weten dat hij niets mist. Echter, zoals hieronder zal blijken, om de kracht van dit boek ten volle te beleven, is het zelfs aan te raden om het voorgaande werk buiten beschouwing te laten.

    Dit boek vertelt het verhaal van Emma, die op zesennegentig jarige leeftijd, haar leven laat beëindigen. De lezer krijgt een inkijkje in haar laatste dag en nacht. Ze is een paar maanden ervoor gevallen en daarna is ze rap achteruit gegaan. Ze heeft ervoor gekozen om te ‘versterven’ (zichzelf vocht en voedsel te onthouden), om zo ‘gepland’ te kunnen sterven. Door de combinatie van haar hoge leeftijd, haar zwakte en haar voedselonthouding, is Emma niet meer bij de wereld en volgen we haar voornamelijk van één herinnering naar de volgende, terwijl haar feitelijke laatste uren stilletjes wegtikken. Tegen de verwachting in draait dit boek niet om een zwaar afscheid, sterker nog er zijn geen echte laatste gesprekken, het gaat louter om wat er zich in die herinneringen afspeelt.

    In haar gedachten herbeleeft Emma de Tweede Wereldoorlog en zijn nasleep. De meeste van Emma’s herinneringen zijn van na de oorlog. Hierdoor kan de lezer zien wat Emma ziet: iedereen is getekend door de oorlog.
    Emma heeft een geliefde verloren, ze is daarmee een van de velen. Iedereen worstelt met afschrikwekkende herinneringen. Emma herkent feilloos de pijn bij anderen en wordt daardoor steeds weer teruggeworpen op haar eigen verdriet. Er is geen ontsnappen aan, er is geen moment voor adempauze, het is altijd aanwezig.
    Naarmate het verhaal vordert, wordt de lezer doordrongen van de mate waarin het oorlogsleed alom leeft. Elke dialoog en elke interactie is beladen met verdriet. Dit geldt ook voor gesprekken met personages die van ver na de oorlog zijn en zich van geen kwaad bewust zijn. Hun onwetendheid is de muur waardoor elk slachtoffer zich omringd en gevangen voelt. Wanneer Emma’s zoon, Thomas, jaren later vraagt naar de verdwijning van Emma’s geliefde is haar wanhoop goed te zien:

    ‘Niet opnieuw, Thomas, niet weer de tunnel in, mijn nooit meer warm geworden hart. Verdwenen is niets, wie en wat er was, is gebleven en toegedekt, teder begraven, onschadelijk gemaakt, tot nader order gecamoufleerd.’

    Het verhaal van Emma stelt de lezer in staat zich voor te stellen hoe de oorlog de wereld in zijn greep hield, misschien wel tot de dag van vandaag; en hoe het leven na de oorlog nooit meer een volwaardig leven is geweest voor hen die het overleefden.

    Dit boek biedt daarmee een indrukwekkende vertelling die bijblijft, mits de lezer in staat is voorbij de ongelukkige constructie ervan te komen. Doordat Emma verre van helder is, wordt het voor de lezer puzzelen als Emma hem meeneemt in haar terugblikken. De lezer krijgt daarbij weinig adempauze of aanknopingspunten in het heden. De herinneringen verlopen niet chronologisch, ze krijgen niet eens een correcte tijdsaanduiding wanneer er jaartallen genoemd worden.
    De auteur kent geen genade, want zelfs als je het met een liniaal uittekent (of het zelfs met een rekenmachine narekent), klopt de tijdslijn niet. Emma is in de war, maar als je als lezer de behoefte aan een (chronologische) reconstructie niet kunt loslaten, is het moeilijk om van dit boek te genieten.

    A la Bernlefs Herenschimmen krijgt de lezer kriskras flarden van herinneringen toegeworpen. Dat doet de vraag rijzen of de auteur van dit boek de bedoeling had om de lezer zelf een consistent geheel te laten maken van het verhaal, zoals Bernlef dat doet. Het lijkt zo te zijn:

    ‘Zijn moeder was kennelijk in staat om haar leven in flitsen en flarden te achterhalen, zonder zich om tijd of volgorde te bekommeren.’

    Deze troost krijgt de lezer echter pas aan het einde van het verhaal en kan ook gelezen worden als een makkelijke verontschuldiging achteraf. Bernlef, meester van deze stijlvorm, gaf immers zijn lezer de mogelijkheid om nog meer uit het verhaal te halen door op de (chronologische) details te letten. Onder geen beding liet hij zijn lezers geheel aan hun lot over in de wirwar die een vergane geest is. En zijn verhaal ging nota bene over het verwarren en verliezen van die geest.

    In het hier besproken werk doet de uitwerking van deze vertelstijl daarentegen afbreuk aan het verhaal – of dat nu het verhaal is van de impact van de oorlog op het leven dat verder gaat, of van Emma’s persoonlijke, al dan niet fysieke, lijdensweg na de oorlog. De lezer kan zich er namelijk niet van vergewissen dat hij de volgorde van het verhaal juist heeft en daarmee dat hij het heeft begrepen. Het is afleidend en storend voor een nauwgezette lezing en maakt een oppervlakkige lezing verwarrend. Bovendien wordt het realisme van het verhaal erdoor ondermijnd, terwijl dat juist nodig is om de impact van dit boek onvoorwaardelijk en volledig te ervaren.
    Ongeacht deze kritische noot, krijgt de lezer door dit boek een intrigerend inzicht over het leven tijdens en na de oorlog.

     

     

  • Gevat, dwars en origineel

    Gevat, dwars en origineel

    Je kunt je afvragen of het waar is, dat ‘Karel van het Reve nog steeds de meest geciteerde en bewonderde essayist van het land is’, zoals zoon David, samensteller van de keuze uit zijn korte stukken in zijn Vooraf daartoe beweert. En Rudy Kousbroek dan? Dit neemt niet weg dat je het werk van Karel van het Reve/Henk Broekhuis (pseudoniem) ook gunt in de handen van de ‘potentiële lezers die zijn reputatie (gevat, dwars, origineel, en hij had meestal nog gelijk ook) alleen van horen zeggen kennen’.

    Voor de onderwerpen hoef je het niet altijd te doen. Thema’s die als bekend worden verondersteld, en dat soms niet meer zijn, komen nu gedateerd over. Kees Fens is bijvoorbeeld niet vergeten, integendeel, en de Gijsbrecht van Aemstel van Vondel wordt weer opgevoerd. Maar er zijn uitzonderingen, en die maken het boek lezenswaard. Bijvoorbeeld het stuk over hoe een tekst van de op het moment van schrijven nog onbekende Andrej Sacharov in een Nederlandse krant terecht kwam (in: Het Parool, 21 oktober 1975). Of het mooie portret over schaker Max Euwe. En, voor veel naoorlogse lezers misschien een eye opener: hoe het dagelijks leven in de Tweede Wereldoorlog gewoon doorging en de auteur Sinterklaasinkopen deed in de Bijenkorf.

    Waar je dit boek ook om wilt lezen, is de schrijf- en denkstijl van de auteur. Voor zo’n ontroerende zin over Karel, een Kominternagent die bij de Van het Reves over de vloer kwam en in de Tweede Wereldoorlog is onthoofd: ‘Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?’. Of voor de rode lijnen die in de stukken zitten. Van het Reve heeft het over het gelaat van de werkelijkheid te willen zien, het ongeloof in het onwerkelijke van misdaadseries op de televisie, het niet de indruk hebben dat wat de evangelist in Bachs Matthäus Passion vertelt echt is gebeurd, terwijl je bij Händels ‘The trumpet shall sound’ uit de Messiah de indruk krijgt ‘dat het recht en de waarheid zullen zegevieren, en dat je vrienden uit het kamp zullen terugkeren – zelfs al is de een al in 1945 doodgegaan en zit de ander tienduizend kilometer hiervandaan’.
    Een rode lijn die je ook tegenkomt in de beschrijving van Willinks realistische en ‘tegelijk een beetje griezelige’ schilderijen die hoger geacht zouden moeten worden dan die van ‘kunstenaars die een doek van twee bij drie meter mooi egaal blauw kunnen schilderen’.

    Zo kan elke lezer een ‘eigen’ rode draad terugvinden die hem/haar opvalt en aanspreekt. En zo kan ook elke lezer meningen vinden waar hij/zij het niet mee eens is. Twee voorbeelden. Kunst zou iets zijn ‘wat op de consument is afgestemd’. Dacht het niet. Lang niet altijd in ieder geval. Boerenromans worden volgens Van het Reve ‘door bepaalde dames geschreven’ (id.), terwijl hij het elders vol waardering over de boeken van Stijn Streuvels heeft (p. 91). En je kan toch niet beweren dat daar geen boeren in voor komen …

    Toch is het niet allemaal zware kost die wordt opgediend. Vermakelijk is het dooremmeren over het feit dat Neelie Kroes zich in een interview van Ischa Meijer met haar toenmalige echtgenoot, burgemeester Bram Peper van Rotterdam in het gesprek mengde en tot twee maal toe sprak over Tintoretti (i.p.v. Tintoretto). En toch schaamt Van het Reve er zich niet voor een jongen uit het volk te zijn. Hij lijkt er zelfs een beetje mee te koketteren, door de naam van het hotel in Wageningen waar de Duitsers capituleerden te zijn vergeten, en door de namen van de twee vrienden in Shakespeares Hamlet te verbasteren tot Halberstadt en Finkelstein. Of is er een diepere reden, zoals hij in zijn stuk ‘Afscheid’ schrijft: ‘Ik kan die naam natuurlijk opzoeken in een encyclopedie, maar dat wil ik niet’ (p. 199)? Om niet te hoeven erkennen dat zijn geheugen hem in de steek laat. Hij besluit genoemd stuk met een dubbele bodem: ‘Ik zink weg in een poel van vergetelheid’.

    Maar dat doen zijn ‘kortere stukken’ niet. Daar heeft zijn zoon voor gezorgd. En Uitgeverij Van Oorschot. Het is nu aan de lezers van latere generaties om zich te laten pakken door die soms gedateerde maar in ieder geval gevatte, dwarse en originele stukken.

     

     

     

  • Terechte herdruk van een indrukwekkende studie

    Terechte herdruk van een indrukwekkende studie

    In 1984 publiceert J. Goudsblom in De Gids (jaargang 147) Vuur en beschaving. De domesticatie van vuur als een beschavingsproces. Hij schrijft: ‘Het onderwerp van deze studie is […] zeer omvangrijk. De handeling beslaat de menselijke omgang met vuur, de plaats waar deze zich afspeelt is het landoppervlak van de aarde, en de tijd beslaat ten minste vijfhonderdduizend jaar.’ In de jaren daarop (1984-1992) verschijnt een reeks vervolgartikelen in De Gids. Hieruit is het boek Vuur en Beschaving voortgekomen. In 1992 verschijnt tegelijk met de Nederlandse uitgave Fire and Civilization (Allen Lane/Penguin 1992). De vijfde druk (2015) is uitgebreid met een nawoord met een overzicht van nieuwe inzichten en verwijzingen naar recente literatuur over de verhouding tussen mens en vuur.  Goudsblom stelde een ‘kleine persoonlijke selectie’ uit het nieuwe aanbod samen en voegde er zijn observaties aan toe.

    In het VPRO programma Boeken van Wim Brands vertelde Goudsblom (uitzending 26 april 2015) dat hij op het idee kwam voor Vuur en beschaving door de openingsscène van de bioscoopfilm Quest for fire (La guerre du feu van Jan-Jacques Arnaud uit 1981). Deze scène beschreef hij eerder in ‘De ontdekking van brandstof’ (De Gids, jaargang 170, Amsterdam 2007): ‘De film begint met een nachtelijke scène waarin een groep mensen die ligt te slapen rond een vuur door wolven wordt belaagd. Een dommelende wachter ontdekt het gevaar net op tijd. Hij pakt een brandende stok uit het vuur en gooit die naar de wolven. We zien hoe de stok terechtkomt in de vacht van een van de wolven, waarna de dieren huilend op de vlucht slaan […]. Deze scène maakt treffend duidelijk dat de machtsbalans tussen mensen en grote roofdieren ten gunste van de mensen is omgeslagen toen zij over vuur als wapen konden beschikken […]. De vuurbeheersing stelde mensen in staat van dit effect gebruik te maken en zich staande te houden tegenover dieren die veel groter en sterker zijn dan zij.’

    Deze verandering in de machtsbalans is volgens Goudsblom een  ‘oermoment in de menselijke geschiedenis.’

    Goudsblom schrijft dat zijn studie over de omgang van mensen met vuur aanleiding geeft tot het overschrijden van vakgrenzen. ‘Als socioloog beweeg ik mij op de terreinen van de archeologie, de antropologie, de geschiedenis, de psychologie en zelfs de biologie en de ecologie.’

    Het boek laat zien dat vuurbeheersing een unieke en universele eigenschap is van menselijke samenlevingen: ‘Het leren beheersen van vuur was en is een vorm van beschaving. Doordat mensen het vuur hebben getemd en het hebben ingelijfd in hun samenlevingen, zijn die samenlevingen ingewikkelder en zijzelf geciviliseerder, beschaafder geworden.’

    ‘Beschaving’ en ‘civilisatie’ gebruikt Goudsblom als synoniemen. Ueber den Prozess der Zivilisation van de Duitse socioloog Norbert Elias is het referentiekader. Goudsblom specificeert zijn definities van de begrippen op zodanige wijze dat ze ook voor de beschrijving van vuurbeheersing kunnen worden gebruikt: ‘Er is veel voor te zeggen om beschaving op te vatten als een proces dat deel uitmaakt van een veel meer omvattend, algemeen menselijk proces van ‘collectief leren’. De term ‘collectief leren’ dekt alles waar we met woorden als ‘beschaving’ of ‘civilisatie’ op doelen, zonder dat daarin meteen een gunstig of ongunstig oordeel meeklinkt.’

    Elias beschrijft het Europese civilisatieproces tussen 850 en 1850. Dit proces is een voortzetting van eerdere civilisatieprocessen (o.a. van de Grieken, Romeinen en Kelten), maar hij beschrijft die processen niet. Voor zijn studie naar de vuurbeheersing van de mens breidt Goudsblom zijn onderzoeksgebied uit: ‘Als overkoepelend kader dient de geschiedenis van de mensheid, bezien als een geheel dat is opgebouwd uit de geschiedenissen van talloze samenlevingen […].’ Bovendien voegt hij er een ecologische dimensie aan toe.

    Hij begint bij de vroegste prehistorie. De ’grote door mensen teweeggebrachte ecologische transformaties’ zijn de ‘domesticatie van vuur’, de ‘opkomst van landbouw en veeteelt’ en de ‘industrialisering’. Zonder vuurbeheersing zou agrarisering en industrialisering ondenkbaar zijn geweest. Bij de eerste transformatie leren mensen vuur voor eigen doeleinden te gebruiken. Na de opkomst van de landbouw gaan de vernieuwingen in het vuurgebruik in een hoger tempo (pottenbakken en smeden en gespecialiseerder technieken). ‘Ongeveer tien generaties geleden is de industrialisering een dominante trend geworden; daarmee is de toename van vuurbeheersing geweldig versneld.’

    Bestudering van de oudste geschriften, uit bijvoorbeeld Mesopotamië, leren dat er toen al voorschriften bestonden over de omgang met vuur. De stad Hattusa had een officieel beleid voor brandpreventie. Ook over het gebruik van vuur in het oude Israël is veel overgeleverd via het Oude Testament. Vuurgebruik staat veelal in verband met godsdienst en oorlog. Maar de meeste verwijzingen hebben betrekking op offers, zoals het verhaal van Abraham die in opdracht van de Heer een brandaltaar bouwt om zijn zoon Izaäk te offeren

    De ontwikkeling van de vuurbeheersing is een integraal aspect van de sociale en culturele ontwikkeling. ‘Het bezit van vuur heeft de menselijke samenlevingen productiever en weerbaarder gemaakt, maar het heeft ook hun vermogen tot vernietiging en hun kwetsbaarheid vergroot.’

    Belangrijkste conclusie van het boek: ‘Naarmate hun vermogen om vuur te beheersen groter is geworden, zijn de mensen hun levenswijze meer op de beschikbaarheid van vuur gaan instellen en daardoor zijn zij ook steeds afhankelijker geworden van het vuur en van de sociale organisatie en de psychische discipline die nodig zijn om er, met een minimum aan overlast en gevaar, van te kunnen profiteren.’

    Goudsblom heeft voor zijn boek een indrukwekkende hoeveelheid studies geraadpleegd. Zelf noemt hij dat ‘topjes van gigantische ijsbergen van kennis’. Hij verwijst op een consequente manier naar zijn bronnen. Hij noemt de nationaliteit van de onderzoeker, de vakdiscipline, de naam en de bron. Dat gaat zo: de Zuid-Afrikaanse paleontoloog C.K. Brain, de Britse schrijver Bruce Chatwin, de Amerikaanse historicus Stephen Pyne, de Franse archeologe Catherine Perlès, de Italiaanse landbouwhistoricus Gaetono Forni.

    Wat uit het boek heel duidelijk naar voren komt is de toenemende afhankelijkheid van brandstof. Zonder brandstof geen vuur. In ‘bibliografische en andere aantekeningen bij de vijfde druk’ schrijft Goudsblom dat vuur als iets zeldzaams beschouwd moet worden. Aan de vier eigenschappen van vuur, ‘vernietigend, onomkeerbaar, doelloos, zelfgenererend’ voegt hij er een toe: ‘vuur is van nature zeldzaam.’ Er was heel lang op aarde geen brandstof beschikbaar, pas na de ontwikkeling van vegetatie kon er vuur ontstaan. Eerst door natuurlijke oorzaak (blikseminslag, vulkanische uitbarstingen), later door de vuurbeheersing van de mens.

    Met een ‘korte speculatie’ sluit hij het boek af: ‘Het ziet ernaar uit dat we onze afhankelijkheid van vuur en brandstof drastisch zullen moeten verminderen [..] Als het technisch mogelijk zou zijn de problemen bij de opslag en het transport van elektriciteit te overwinnen, zou dat kunnen bijdragen aan het tot stand komen van een Wereldwijd Web van Energie (of Elektriciteit; het blijft WWE).’

    Vuur en beschaving is een grondige wetenschappelijke studie gebaseerd op een zeer uitgebreide literatuurlijst. Het boek bevat een overzicht en een register. Een terechte herdruk van een indrukwekkende studie.

    J. Goudsblom is emeritus hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam waar hij sociale psychologie en pedagogiek studeerde. Hij promoveerde in 1960 cum laude op Nihilisme en cultuur. Voor Balans van de sociologie (1974) ontving hij in 1975 de essayprijs van de stad Amsterdam. Andere publicaties o.a. Het regime van de tijd (1997) en Reserves (aforismen) (1998). Vuur en beschaving (1992) is zijn bekendste werk en in meerdere talen vertaald.


    Vuur en beschaving

    Auteur: J. Goudsblom
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
    Aantal pagina’s: 320
    Prijs: € 19,90