• Moeder reconstrueert haar Duitse jaren voor haar dochter

    Moeder reconstrueert haar Duitse jaren voor haar dochter

    ‘Lange golven rollen schuin het strand op, welven fors gespierde ruggen, heffen trillende kammen, die omvallen als ze op hun groenst zijn. In die krachtige, al wit gestriemde kanteling wordt een ronde luchtholte omsloten die de heldere massa vervolgens verplettert alsof er iets geheims wordt gecreëerd en weer vernietigd’. Het is niet alleen een prachtige natuurbeschrijving, maar ook de metafoor voor de gebeurtenissen in een roman die de lezer overdondert. We staan tegenover de golven aan de kust van New Jersey in 1967, maar ook tegenover die aan de Oostzee in de eerste helft van de vorige eeuw. De roman is een machtig epos dat bijna 1600 pagina’s in beslag neemt.

    De golven vormen het begin van Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage van Uwe Johnson (uit te spreken op zijn Duits). In de Nederlandse titel is het Duitse Jahrestage terecht blijven staan al wisselde het van plaats ten opzichte van het origineel (Jahrestage. Aus dem Leben von Gesine Cresspahl). Dat heeft een goede reden. Jahrestage is een essentiëel begrip in deze geschiedenis waarvoor geen goed Nederlands equivalent bestaat. Het is niet simpelweg te vertalen als de dagen van een jaar. In de Engelse vertaling werd het Anniversaries. Dat komt al iets meer in de buurt. In deze roman zijn de Jahrestage de dagen in het beschreven jaar uit het leven van Gesine Cresspahl, maar ook  de reminiscenties aan dagen in het verleden die aan die van Gesine worden gespiegeld.

    Gesine

    Gesine Cresspahl is op 3 maart 1933 (het jaar dat de NSDAP van Hitler de macht greep en twee dagen voor de door hem uitgeschreven Rijksdagverkiezingen) geboren in het denkbeeldige stadje Jerichow (niet te verwarren met de werkelijk bestaande plaats van die naam in Saksen-Anhalt) in Mecklenburg, dat na de oorlog onder de DDR zou vallen.  De roman beschrijft haar leven in New York van 21 augustus 1967 tot 20 augustus 1968 – 366 dagen omdat 1968 een schrikkeljaar was. Ze is op 28 april 1961 naar de Amerikaanse metropool verhuisd met haar tienjarige dochter Marie, waar ze werkt als vertaler bij een bank. Daarvóór is ze vanuit de DDR via Tsjecho-Slowakije naar het westen gevlucht.

    De golven die in New York bij haar aanspoelen zijn die van de herinneringen aan de Oostzee, waaraan Mecklenburg ligt, en van de contemporaine geschiedenis in het beschreven jaar van haar verblijf in het appartementencomplex Riverside Drive 243, aan de Atlantische Oceaan. De roman is een tapijt van verhaallijnen dat niet alleen een halve eeuw, maar ook twee continenten omspant; de lijnen komen afwisselend op de voorgrond. Gesine leest dagelijks over de Vietnamoorlog en de selectieve berichtgeving over slachtoffers daarvan, over rassenrellen en armoede in Amerika. Daartussendoor vertelt ze haar dochter Marie in min of meer chronologische volgorde het verhaal van haar familie in de tijd die beheerst werd door het nazidom en het Stalinisme.

    Johnson

    De auteur Uwe Johnson (1934 – 1984) had zelf, zo jong als hij was, het Derde Rijk van de nazi’s schipbreuk zien lijden en meegemaakt hoe de DDR werd gekneed onder de knoet van de Sovjets. Hij verloor al snel het geloof in de heilsstaat die door het communisme in het vooruitzicht werd gesteld (zijn vader stierf in communistische gevangenschap). Johnson vestigde zich in 1959 in West-Berlijn rond de tijd dat zijn grote roman Mutmassungen über Jakob (in 1990 in het Nederlands verschenen als Vermoedens omtrent Jakob) werd uitgegeven. Van 1966 tot 1968 woonde hij in New York op hetzelfde adres, Riverside Drive 243, als Gesine Cresspahl in Jahrestage. Zelfs het nummer van hun appartement, 240, komt overeen. Gesine Cresspahl en Johnson verbleven bovendien in dezelfde periode in New York.

    Vier delen

    Jahrestage verscheen in vier afzonderlijke delen tussen 1970 en 1983. Ze zijn in de Nederlandse vertaling, die bij Van Oorschot is verschenen, in één band opgenomen. Het eerste deel van Jahrestage, waarover deze bespreking gaat, bestrijkt de periode van 21 augustus tot en met 19 december 1967 en de herinneringen aan Gesines familie tot 1935.

    Halverwege dit eerste deel staat een voorval, dat beslissend moet zijn geweest voor het concept van Jahrestage. De ‘schrijver Uwe Johnson’ duikt daar zelf op als personage in de roman. Hij spreekt het Jewish American Congress (JAC) toe over de Duitse geschiedenis. Er is wrevel onder de toehoorders, zeker als hij toekomt aan de kersverse benoeming van de bondskanselier van West-Duitsland die een NSDAP-verleden heeft (bedoeld wordt Kurt Kiesinger – Johnson veronderstelt dat de lezer dit soort feiten paraat heeft). Hij voelt hoezeer hij, ook als West-Berlijner, belast is met het Duitse verleden. Het lijkt waarschijnlijk dat dat het moment was dat hij een andere stem nodig had om zijn verhaal te vertellen. Dat wordt duidelijk doordat hij er in dit fragment voor kiest om in de zaal Gesine Cresspahl aanwezig te laten zijn: Gesine, die zich geneert voor haar geboorteland. Er volgt een gecursiveerd gezette zin, als een gedachte die bij hem opkomt: Wie vertelt hier eigenlijk, Gesine? / Wij allebei. Dat hoor je toch, Johnson. Het is de Gesine uit Vermoedens omtrent Jakob, waarop Johnson zijn Jahrestage laat aansluiten.

    Cresspahl

    Gesine Cresspahl, zo blijkt al snel, wilde afstand nemen van de kwaadaardigheden in haar geboorteland, maar ziet in haar nieuwe thuisland dagelijks om haar heen rassenhaat, antisemitisme en een vuile oorlog in Vietnam. Daarnaast is er de voortdurende berichtgeving over de nasleep van de Tweede Wereldoorlog in allerlei processen tegen nazi-misdadigers. Ze leest het tijdens haar dagelijkse consumptie van The New York Times, de krant die ze ‘tante’ noemt en die ze integraal spelt. Die berichten wisselen in de roman af met andere verhaallijnen. De belangrijkste daarvan wordt gevormd door wat Gesine haar dochter Marie vertelt over haar eigen voorgeschiedenis. Gesine is de dochter van Heinrich Cresspahl en Lisbeth Papenbrock. Deze Lisbeth komt uit een familie met Hitlersympathieën (de jongste broer van Lisbeth is al vóór 1933 lid van de SA). Maar naast deze grootmazige structuur zijn er diverse persoonlijke verhalen van inwoners van Jerichow in de jaren 30, die tezamen verbeelden hoe de opkomst van het nazisme wonden sloeg in het stadje en in individuele levens (zoals rassenhaat en de Vietnamoorlog dat in 1967/1968 in New York doen).

    Verteller

    Jahrestage is geen boek dat je snel leest. Om de volle zeggingskracht van de taal van Johnson te genieten moet de lezer doseren en zich concentreren, ja, zelfs passages hernemen. Sommige stukken laten zich moeilijker veroveren dan andere. De perspectieven wisselen nogal eens. Soms is de ‘ik’ de alwetende verteller, soms Gesine, soms als het ware de geest van de inwoners van Jerichow. Een enkele keer verdwaal je in een ingewikkeld betoog zoals dat over semantiek dat we lezen op 28 oktober 1967. Maar na die minder toegankelijke stukken wordt de lezer al weer snel in de vaart meegenomen door – vooral in dit eerste deel – de tragische geschiedenis van de ouders van Gesine. Verreweg de meeste beschrijvingen van Johnson zijn van een grote virtuositeit. Bijna elke karakterisering van een stadswijk of een gebouw is zo raak en geladen met geschiedenis dat zij een bijzondere diepgang krijgt. Dat geldt des te meer voor de typeringen van personen. Eén voorbeeld uit vele mogelijke: Dominee Methling van de Evangelische Kerk in Jerichow, waar Heinrich Cresspahl zijn dochter Gesine wil laten dopen, wordt bijvoorbeeld beschreven zoals hij ‘zichtbaar, voelbaar, hoorbaar’ is: ‘Een man van bijna twee meter en bovendien bijna honderd kilo, wiens toga om zijn buik wijd genoeg was maar bij de enkels te kort, zodat er onder zijn zwarte kiel vaak modderige laarzen te zien waren als hij de Stadtstrasse af liep, met opgeheven hoofd onderweg voor een huisbezoek, met gebogen hoofd achter Svensons lijkwagen, en net zoals zijn gemeenteleden hem in het ene geval liefst de zegen na zouden geven, vertrouwden ze in het andere geval zijn vertoon van deemoed niet’. En er zijn zijn opvattingen: ‘”Ras” hield Methling voor een aardse beperking die in de eeuwigheid opgeheven zou worden; hij wilde de Joden achten en liefhebben en tot het juiste geloof bekeren – alleen wilde hij niet door hen geregeerd worden (dat zou niet christelijk zijn)’.

    Vooruitwijzingen

    In dit eerste deel verwijzen tal van namen en toespelingen vooruit naar zaken die veel later pas een inkleuring zullen krijgen. Dat vraagt om zorgvuldige lezing. Op pagina 11 bijvoorbeeld valt de naam Jakob zonder dat veel lezers precies duidelijk zal zijn om wie het gaat. Pas op pagina 279 kan de lezer vermoeden dat hij de vader is van Marie, de dochter van Gesine. Johnson doet hier alsof zijn lezers bekend zijn met Vermoedens omtrent Jakob, dat gaat over de dood van de Oost-Duitse spoorwegbeambte Jakob Abs, de man van Gesine.

    De gebeurtenissen in het jaar van Gesine Cresspahl in New York zijn soms duistere herinneringen (hier in deel 1, en in de nog te bespreken volgende delen in de Tweede Wereldoorlog en onder het stalinisme) aan wat er in de jaren 30 in Duitsland gebeurde. Neem bijvoorbeeld 9 november 1967, waarop Gesine de hele dag wordt gebeld door mensen die verkeerd verbonden zijn of raadselachtige meldingen hebben. Als de doden nou eens hun bek hielden staat er dan ineens als haar onuitgesproken gedachte. Het is waarschijnlijk een verwijzing naar dezelfde datum, 9 november, maar dan van het jaar 1938, de dag waarop Gesines moeder zelfmoord pleegde, maar dat zullen we pas lezen in deel 2.

    En er zijn de reflecties tussen de twee verhalen. Gesine die in New York twijfelt tussen Duitsland en Amerika (dochter Marie kiest in gesprekken met haar nadrukkelijk voor Amerika) lijkt erg op de tweestrijd die haar ouders Heinrich en Lisbeth (ze hadden enkele jaren in Richmond bij Londen gewoond) hadden ten tijde van de geboorte van Gesine: blijven we in Duitsland of gaan we terug naar Engeland?

    Jahrestage kan door zijn omvang van bijna 1600 pagina’s potentiële lezers afschrikken. Maar wie de moed heeft aan dit eerste deel te beginnen is waarschijnlijk al na enkele pagina’s verkocht. De volgende drie delen zitten bij Van Oorschot in dezelfde band. Zolang Covid-19 ons dwingt thuis te blijven is het een ideale aanleiding voor bingereading.

     


    Dit is een deel 1 van een recensie over Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. De volgende delen verschijnen binnenkort. Deel twee vindt u hier.

     

  • Oogst week 44 – 2020

    De crisis van de geest

    In de Franse reeks van Uitgeverij Vleugels verscheen een vierde kleine uitgave van Paul Valéry: De crisis van de geest. Het zijn drie cultuurfilosofische beschouwingen, geschreven kort na de Eerste Wereldoorlog. Die vernietigende strijd eindigde in 1918, maar de crisis van de Europese geest van vooruitgang was met het Verdrag van Versailles allerminst over. Gebleken was dat alle moderne verworvenheden zowel ten goede als ten kwade worden aangewend. Daarmee sneed Valéry een kwestie aan die nog altijd actueel is.

    Vertaler Piet Meeuse schreef bij het boekje ook een nawoord.

    De crisis van de geest
    Auteur: Paul Valéry
    Uitgeverij: Vleugels

    Roman 11, boek 18

    Solstad geldt als één van de meest vooraanstaande Noorse auteurs. Er werden al eerder vier romans van hem in het Nederlands vertaald en nu is er de vijfde: Roman 11. Boek 18. Onder die merkwaardige titel, die bedoeld is als eerste deel van een trilogie in wording, vertelt hij de geschiedenis van Bjørn Hansen. Hij is net vijftig geworden en vier jaar gescheiden als hij in de eerste zin van de roman op een station in Kongsberg staat te wachten met krattenvol boeken: werken van Dostojevski, Céline, Borges, Proust, Kafka, Mann en vele andere. Dat belooft wat.

    Roman 11, boek 18
    Auteur: Dag Solstad
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Jacht op de barnsteenkamer

    De germanist Jerker Spits verwierf in 2016 landelijke bekendheid met Staalhelmen en curryworst, waarin hij een cultuurgeschiedenis van Duitsland gaf in vijftien fenomenen. De opvolger is Jacht op de barnsteenkamer. De kamer uit de titel is een kabinet dat Frederik I van Pruisen ooit liet optrekken met barnstenen muurplaten. Het werd door zijn zoon geschonken aan tsaar Peter de Grote van Rusland en was lang te bewonderen in het Catharinapaleis. In 1941 werd de kamer door Hitlertroepen uit elkaar gehaald werd en afgevoerd naar Koningsbergen, waar hij door de Duitsers uit angst voor geallieerde bombardementen opnieuw gedemonteerd werd en verstopt. Maar waar? Het is sinds 1945 een met fantasieverhalen opgefleurde verdwijning die voor Spits voldoende stof opleverde voor een spannend verslag van de wederwaardigheden van het wereldberoemde kunstobject.

     

    Jacht op de barnsteenkamer
    Auteur: Jerker Spits
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Grimlachend op weg naar het einde 

    Grimlachend op weg naar het einde 

    Jannetje Koelewijn is schrijver, maar in de eerste plaats journalist. En zo schrijft ze ook haar nieuwe boek Fresia’s voor mevrouw Brak: als objectieve buitenstaander neemt ze waar, stelt vragen maar spreekt niet tegen, geeft geen sturing, uitleg of commentaar, benoemt hoogstens en registreert vooral. Zij is een betrokken, maar autonome toeschouwer, die met enkele rake dialogen een scherpzinnige en – ondanks de tragiek van de situatie – vaak komische schets tekent, die de lezer zelf mag inkleuren. Dat is beslist knap. Niet alleen omdat Koelewijn hier zo goed in slaagt, maar ook omdat er ergens iets schuurt. Want hoe doe je dat, betrokken zijn en toch afstand bewaren. Hoe lukt het je om meelevend te zijn en toch smakelijke anekdotes te vertellen. Zouden deze niet verloren gaan wanneer er door de schrijver ingegrepen, tegengesproken, gecorrigeerd werd?

    Het onderwerp in dit boek zijn Koelewijns ‘oude en hulpbehoevende ouders’, die ze tevens wil behandelen als ‘personages in een verhaal dat zich voor [haar] ogen afspeelde’. Ze publiceerde eerder De hemel bestaat niet, over het leven van haar ouders en wilde met dit vervolg over hun laatste jaren een waardige afsluiting schrijven. Fragmenten uit dit tweede boek verschenen dit jaar in NRC Handelsblad. In het bijzonder intrigeren Koelewijns vragen of en hoe haar ouders van elkaar gehouden hebben, waarom hun huwelijk mislukt is en welke rol de godsdienst daarin gespeeld heeft.

    ‘U noemt mij meneer Brak?’

    De wereld draait om de vader, zeker in zijn beleving. Het is een zeer intelligente, welbespraakte man, aller charmantst voor de buitenwereld, streng en autoritair voor zijn naasten. Trots op zijn indrukwekkende sociale stijging en, gewend om alles naar zijn hand te zetten is hij ook een onuitstaanbare narcist, zelfgenoegzaam en heerszuchtig. Karakteristieken als potentaat, man van principes, oude calvinist beschouwt hij enkel als complimenten. Hans Schouten, de gereformeerde predikant, die zich op zijn tachtigste tot priester liet wijden, typeerde zijn vroegere vriend Wim Koelewijn als een typische kuyperiaan: analytisch, zwart-wit, gelovend in de letterlijkheid van de bijbel en dus compromisloos. Voor Schouten bood het katholicisme troost, ‘kans…om het goed te maken’, die hij miste in het orthodoxe protestantse geloof. In de ogen van meneer Koelewijn was zijn bekering niets anders dan een onvergeeflijk verraad.

    Voor emoties, zeker voor die van anderen, heeft hij geen oog. Met name zijn dochters doen moeite om aan zijn wensen tegemoet te komen, maar dat ziet hij niet, vindt het vanzelfsprekend of beschouwt het als een gunst van hem. Zo reizen ze met hem en zijn scootmobiel per trein naar Parijs om daar Kerst door te brengen, werken mee aan allerlei uitjes naar uitspanningen en naar voor hem nostalgische plekken, verzorgen ziekenhuisbezoeken en andere reddingspogingen wanneer er weer eens een volstrekt eigenwijze actie door hem wordt ondernomen. Maar deze vader heeft in al zijn zelfgenoegzaamheid en zelfoverschatting ook iets aandoenlijks. En hij heeft een zwakke plek: dat is Renske Brak.

    De man is het hoofd van de vrouw

    Mevrouw Brak blijft voor iedereen ongrijpbaar. Haar man zal hun hele gezamenlijke leven lang geen vat op haar krijgen, ondanks zijn dominante aard en bemoeizuchtigheid, ondanks hun zes kinderen. Ook voor hen blijft hun moeder een raadsel. ‘Ze is er nooit voor ons geweest’, vat dochter Rinskje het samen. Het lijkt alsof deze vrouw geen verbinding heeft gemaakt met haar omgeving, alsof er iets ontbrak.

    Dochter Jannetje wil dolgraag begrijpen wat er met moeder aan de hand is. Ze ondervraagt familieleden en kennissen, komt in contact met artsen en psychiaters, bij wie haar moeder tijdens haar langdurige en zware depressie in behandeling was. Steeds meer wordt haar vermoeden bevestigd: deze vrouw mist elke echte emotie. Hoe is het zo gekomen. Is het erfelijkheid, emotionele verwaarlozing of zelfs mishandeling door haar eigen moeder, de heerszucht van haar man, de vanzelfsprekendheid van het zich moeten schikken naar een dwingend geloof en als gevolg daarvan zichzelf volkomen uitzetten? Verdrietig – voor haar… ‘en voor ons’, zegt dochter Rinskje.

    Over de vijftien jaar dat moeder gescheiden van haar man leefde komen we niets te weten. Ze lijkt er trouwens zelf geen enkele herinnering aan te hebben en blijft tot het bittere einde aan haar man gekluisterd. Eerder door een soort machteloze angst, dan door enig affect.  Hij klaagt bij zijn dochters, dat hij geen vrouw heeft gehad, ‘in de zin van een echtgenote met wie je lief en leed deelt’. ‘Wij hadden geen moeder’, antwoorden deze. Mevrouw Brak blijft ook de lezer ontglippen.

    Psalmen in de oude berijming

    Het zullen voornamelijk vijftigplussers zijn, bekend met het fenomeen ‘stervende ouders’ die zich in menige situatie zullen herkennen. Bijvoorbeeld het moment dat je de deur van de afdeling achter je dicht trekt, terwijl je ouder roept: ‘Jullie sluiten me op… Ik heb het heus wel in de gaten’. Hoewel – de meeste anekdotes zijn ongetwijfeld ook voor een groter publiek amusant: de ouder, die zich groot houdt ‘achter een blik van kan-mij-wat-schelen’ wanneer hij zijn splinternieuwe opvouwbare en behoorlijk kostbare scootmobiel ophaalt, is ontroerend en grappig tegelijk. Dat is ook het geval wanneer vader na veel moeite erin slaagt om met zijn nieuwe iPhone per ongeluk een verbinding te maken en concludeert, dat Siri hem al kent: ‘Ze doet precies wat ik zeg.’

    Je moet als lezer wel een zekere affiniteit met de Nederlandse orthodox christelijke wereld van de afgelopen eeuw hebben, wil je je enigszins kunnen inleven. De nadruk in het boek ligt op de opeenvolging van scènes en niet op nieuwe inzichten of interessante overpeinzingen. Een lach en een traan is ook hier een aansprekende combinatie en het gevoel van spijt dat je je ouders niet meer aandacht gegeven hebt, is de meesten van ons vertrouwd.

     

     

  • Fraai beschreven schoolgeluk

    Fraai beschreven schoolgeluk

    Jan Siebelink heeft het gedaan, evenals Ferdinand Bordewijk en Theo Thijssen: schrijven over onderwijs. Daarmee hebben ze talloze lezers weten te boeien, niet alleen omdat iedereen die leest onderwijs genoten heeft en er sprake kan zijn van enige herkenning, maar ook omdat hun boeken natuurlijk prachtig geschreven klassiekers zijn. Het debuut van Jack de Boer (1966), De gelukkigste klas, is wat de titel betreft gemakkelijk te herleiden naar een superlatief van het zeer bekende boek van Theo Thijssen. De Boer is al meer dan vijfentwintig jaar werkzaam in het (speciaal) basisonderwijs in Amsterdam en Franeker. Hij volgde de vierjarige vakopleiding in de richting essay aan de schrijversvakschool. Het is zeker zo dat de essaybundel zoals de ondertitel zegt Een schooljaar uit het leven van een onderwijzer beschrijft, maar het boek raakt aan veel meer thema’s dan alleen het onderwijs.

    De Boer vergelijkt een schooljaar of eigenlijk zelfs de gehele periode van de basisschool met een ‘overzet’, alsof je met een veerboot van de ene naar de andere kant van het water wordt gebracht. De meester en ik-figuur in De gelukkigste klas is bijna twee meter lang en hij neemt zijn taak als meester van groep 8 op De School zeer serieus. Het voelt voor hem soms alsof hij zijn leerlingen hoogstpersoonlijk en zelfs zonder boot door het water naar de overkant moet leiden. Gelukkig kan hij door zijn lengte het hoofd boven water houden, maar de last valt hem de ene keer zwaarder dan de andere: ‘Wanneer eindelijk de zomervakantie aanbreekt […] denk ik dat wat ik gedaan heb de moeite waard is geweest. In die eerste dagen van de zomervakantie waan ik mij heilig, de eerste dag van het nieuwe schooljaar roep ik alle schutspatronen aan.’ Ieder schooljaar opnieuw heeft hij aan het begin de neiging om te vluchten.

    Kindmaterie

    Het boek beschrijft een schooljaar, vanaf het eerste moment na de zomervakantie wanneer de nieuwe klas voor het eerst in zijn lokaal gaan zitten. Vijftien kinderen zijn hem dit schooljaar in groep 8 toevertrouwd en wanneer hij vluchtig de klas rondkijkt, kijkt de ‘kindmaterie’ terug. Kinderherrie vindt hij doorgaans ‘onuitstaanbaar’ en tegelijkertijd is ‘stilte in de kinderwereld uniek of verdacht’. Het speciaal onderwijs herbergt bepaald geen gemakkelijke leerlingen – ‘onze leerlingen ontbreekt het aan zelfverzekerdheid en doorzettingsvermogen’ – en de meester maakt zijn werk niet mooier dan het is: ‘Hij is het type waar ik au fond geen vat op heb. Hij maakt me onzeker, hij gehoorzaamt wanneer het hem uitkomt, hij is mijn nachtmerriestichter. […] Wat ik ook doe of laat, de contramine is a priori.’ Toch oogst hij respect bij zijn leerlingen en krijgt hij hen vrijwel altijd zover, ondanks of dankzij zijn bezielende leiding (hij is wel zo eerlijk om daar zelf ook regelmatig over te twijfelen), dat de leerlingen uiteindelijk doen wat ze moeten doen.

    Vleugelstompjes

    De Boer beschrijft losjes het voorbijglijdende schooljaar. Parallel aan de gebeurtenissen die horen bij de regelmaat van lessen, oudergesprekken, huisbezoeken en vieringen worden er ook glimpen duidelijk van het privéleven van de meester en van de zaken die hem na aan het hart liggen. Hij toont zich bijvoorbeeld schatplichtig aan zijn eigen oude meester die altijd een voorbeeld voor hem is geweest. Daarnaast wordt de lezer bijna ongemerkt meegenomen naar de universums van schrijvers, denkers en kunstenaars waar De Boer zich door beïnvloed voelt. Voor zijn leerlingen zijn de uitweidingen zonder twijfel te hoog gegrepen, maar al lezend is het heerlijk om door de meester meegenomen te worden naar verre einders waar mooie vergezichten zijn. Zo is de schooldag voorbij voor je het weet. De alledaagse schoolproblematiek biedt echter ook voldoende interessante verhalen. Zo vormt het verhaal over leerling Nadia (ADHD, opstandig, ‘reactieve hechtingsstoornis’) die zich ontpopt tot een ware diplomaat in de klas een schitterend lichtpuntje in de periode voorafgaand aan de kerstvakantie. Niet minder mooi is het voornemen van de meester om in ‘de prille lichtheid van deze eerste dagen van het nieuwe jaar’ te zoeken naar ‘vleugelstompjes’, omdat hij in iedere leerling een engel wil zien.

    POP

    Tussen de regels door is er ook op humoristische wijze wat kritiek verpakt op bijvoorbeeld de prestatiemaatschappij en op de hooggespannen verwachtingen die ouders soms van hun kinderen hebben. Er is een vrij lang hoofdstuk gewijd aan het POP-gesprek (Persoonlijk OntwikkelingsPlan) dat de directeur van De School en de meester jaarlijks dienen te voeren, maar waar de meester de zin niet zo van inziet. Het grappige is dat het gesprek via allerlei omwegen uiteindelijk toch niet wordt gevoerd; het hoofdstuk wordt afgerond met de conclusie dat ‘de liefde het belangrijkst is. De liefde voor de kinderen. Zonder liefde is het niks.’

    Liefde voor de leerlingen

     Vanwege die liefde doet De gelukkigste klas daarom ook denken aan de bejubelde documentaire Être et avoir, waarin een meester op een Frans dorpsschooltje in de Auvergne liefdevol maar ook met een doel voor ogen het beste uit zijn leerlingen probeert te halen. In het boek van De Boer spat de liefde voor de leerlingen van de bladzijden en het is ook nog eens prachtig geschreven, zonder dat de soms kille en harde realiteit van het leven uit het oog verloren wordt. De meanderende zinnen en fraaie beeldspraak doen de lezer regelmatig wegdromen als leerlingen in een klas tijdens een mooi verhaal. De toespraak waar de meester aan het einde van het jaar aan werkt is voor zijn leerlingen te lang en te moeilijk en dat weet hij ook: hij gaat er nog aan schaven. De lezer heeft er echter al wel van kunnen genieten. De gelukkigste klas zal evenals de genoemde klassiekers zeker veel lezers weten te boeien. 

     

  • Oogst week 39 – 2020

    D

    Michel Faber, geboren in Den Haag, maar opgegroeid in Australië en nu wonend in Engeland, nam zich na de verschijning van Het boek van wonderlijke nieuwe dingen te stoppen als romancier. Tot zijn uitgever hem vroeg om een bijdrage voor de herdenking van de 150ste sterfdag van Dickens in 2020. Dat deed hem terugdenken aan een sprookje dat hij dertig jaar eerder had geschreven maar nooit had gepubliceerd. Het was een verhaal over het meisje Dhikilo dat door een professor wordt geholpen om de letter D terug te vinden die uit de taal was verdwenen. Ineens wist Faber dat die professor Dickens zou moeten zijn. Het is een boek geworden over problemen van onze tijd – onderdrukking, censuur en vrijheid – dat doet denken aan Alice in Wonderland.

    D
    Auteur: Michel Faber
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Mrs. Degas

    Arthur Japin heeft een grote belangstelling voor kunstenaarslevens. Na Vaslav (over Nijinski) en Kolja (over Tsjaikovski) is er nu Mrs. Degas. In deze roman leeft Japin zich in in het toenemende isolement van de schilder Degas in zijn laatste jaren toen hij blind was en nog met weinigen contact had. Met zijn familie had hij geen contact. De vrouw uit de titel is de Creoolse Estelle, zijn Amerikaanse nichtje dat blind werd. Als een jonge vrouw Degas helpt zijn archieven te ordenen komen bij de schilder herinneringen terug aan Estelle die hij vaak schilderde terwijl ze aan het bloemschikken was. Het blijken pijnlijke herinneringen te zijn.

    Mrs. Degas
    Auteur: Arthur Japin
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Tirade 480

    De Sovjet-Unie is uiteengevallen. Julia Khusainova gaat met haar ouders eten in hun favoriete restaurant. Haar vader vertelt ‘na een paar wodka’s dat in hal drieëndertig al vijf jaar niets werd gemaakt, die stond leeg. Mijn moeder huilde, mijn vader schaterlachte. Ikzelf geloofde er niets van: mijn vader nam natuurlijk iedereen in de maling, net als elke dubbelspion.
    Ik was ontroerd, maar ook volkomen van streek, mijn hele wereld leek ineens een wankele constructie. Ik vroeg me af wat schadelijker was: de harde werkelijkheid of de schone schijn ophouden? Wanneer moest je lijden? Wanneer mocht je eraan ontsnappen? En wanneer verloor je de balans?’
    Het is een fragment uit ‘Tsarinakapsels en metershoge grafstenen’, één van de essays in het jongste nummer van Tirade 480. Het bevat verder gedichten van onder anderen Tonnus Oosterhof en Maria Barnas, een essay van Sander Kollaard en verhalen van Langston Hughes en Samira Elomari.

    Tirade 480
    Auteur: unknown
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.
  • De vreemdeling in huis

    De vreemdeling in huis

    Het is een curieus verschijnsel van de laatste decennia dat in de Nederlandse literatuur verhalenbundels steeds minder populair zijn bij lezers, maar dikke romanpillen het juist goed doen. Het omgekeerde zou je verwachten in een tijd waarin alles sneller moet en ook sneller gaat dan vroeger.
    Ook novellen verschijnen minder dan vroeger, wat jammer is want deze vorm leent zich heel goed voor een verhaal dat vooral over één persoon gaat. Aan dat genre heeft Frida Vogels nu een juweeltje toegevoegd, De vader van Artenio, in de vorm van een portret van haar Italiaanse schoonvader, Salvatore de Matteis.

    La famiglia italiana

    Ze leerde hem en haar schoonfamilie kennen toen zij in de zomer van 1956 met haar Italiaanse verloofde Artenio (roepnaam Ennio) voor het eerst het plaatsje San Severo bezocht waar zij woonden.
    Dat bezoek had nogal wat voeten in de aarde omdat het in die tijd en in die familie onfatsoenlijk werd gevonden dat een nog ongehuwd stel zo’n visite aan het ouderlijk huis aflegde.
    Haar schoonvader hakte ten slotte de knoop door: het mocht.
    En zo maakte de Nederlandse Frida kennis met de familie van Artenio’s moeder, haar schoonmoeder. Een echte Italiaanse familie van ooms en tantes die allemaal in het familiehuis woonden.
    Frida werd hartelijk binnengehaald en overladen met attenties, maar was en bleef zich mede daardoor een vreemdeling in Jeruzalem voelen, een gevoel dat ook in de daarna volgende decennia nooit geheel verdween.

    Er was één andere vreemdeling in huis, en dat was Artenio’s vader. Hij ontbrak bij hun aankomst.
    ‘Toen we later allemaal aan tafel zaten, Ennio, ik, Ennio’s moeder en oom Mario en ook tante Flora (…) was Ennio’s vader er nog steeds niet, noch scheen iemand dat vreemd te vinden.’
    Hij werd door de familie van zijn vrouw maar node in het huis getolereerd, merkte Frida al snel.
    ‘Ennio’s vader, die maar een arme boer was, hoorde er niet en werd door zijn aangetrouwde familie behandeld met een verachting die mij razend maakte, maar hem zo te zien koud liet. Ik zag hem trouwens weinig. Door de week ging hij ’s morgens vroeg de deur uit om in zijn wijngaard te werken en kwam ’s avonds bij zonsondergang weer terug, moe en hongerig; hij waste zich dan een beetje en at vervolgens meteen, uit een diepe schaal twee keer zo groot als een gewoon bord en met een verbazende snelheid. Daarna ging hij soms de straat op en soms meteen naar bed, en dan hoorden we hem na enige tijd snurken.’

    Wijnboer

    Hun beider uitzonderingspositie in het huis maakt Frida nieuwsgierig naar haar aanstaande schoonvader Salvatore. Ze leert hem 7 jaar later beter kennen als hij met haar en Ennio een reis onderneemt om op zijn oude dag nog enkele Italiaanse steden te bezoeken. Frida Vogels is een dagboek-schrijver (10 van de in totaal 16 delen zijn intussen verschenen bij Van Oorschot) en ongetwijfeld heeft ze destijds notities gemaakt die ze nu kon gebruiken voor een ontroerend en bij wijlen ook hilarisch verslag van deze reis. Salvatore moest na de dood van zijn vader al op 12-jarige leeftijd stoppen met school en als wijnbouwer aan de slag gaan om het gezin te onderhouden. Die zware arbeid maakte het moeilijk om zijn drang naar kennis te kunnen bevredigen en alhoewel hij zoveel mogelijk bleef lezen en door dat lezen ook Marxist werd, gaf hij de gedachte op om zelf méér te worden dan een eenvoudige hardwerkende wijnboer. Wel besloot hij, eenmaal getrouwd, slechts één kind te willen, omdat hij maar voor één nakomeling de studie zou kunnen betalen.
    De zoon die hij kreeg noemde hij Artenio een samentrekking van arte en genio, kunst en genie.
    De vaak wat kribbige conversaties tussen deze universitair geschoolde zoon en zijn vader – voor wie hij zich op deze reis vaak geneerde – zijn heerlijke leesstof. Maar dat geldt goedbeschouwd eigenlijk voor de hele novelle.

     

     

  • Een zorgvuldig gebouwd werk

    Een zorgvuldig gebouwd werk

    Jannie Regnerus is een schrijver met een klein, zorgvuldig geschreven en fijn oeuvre, waarvan Het Wolkenpaviljoen de laatste uitgave is. Voorheen verschenen onder meer Het lam, De ent en Nachtschrijver, korte maar grote romans met grote thema’s. En haar verslag van haar verblijf van een jaar in Japan heet niet voor niets Het geluid van vallende sneeuw, waarmee ze al aangeeft waar het haar om gaat: niet om grote gebaren, maar om gevoel en stijl, om esthetiek en schoonheid, om zen. 

    Het wolkenpaviljoen sluit daar naadloos bij aan. Het is een kaal geschreven, bijna minimalistische roman, waarin veel is weggelaten, waardoor je veel kunt invullen en eigenlijk ook weer niet. Er staat geen overbodig woord in, maar om dit boek samen te vatten zijn nogal wat woorden nodig.

    Motto

    Regnerus is behalve schrijver ook beeldend kunstenaar en dat is goed te merken. Het begint al bij het motto, een citaat van de schilder Jan Mankes, die kale landschappen schilderde en van wie de wereld noodgedwongen steeds kleiner werd waardoor hij klein moest schilderen. Dat motto luidt: ‘Je kent de teedere kant van mijn werk … Ik voel de blijdschap om dat teedere het sterkst, als ik aan een vinkennest denk, met spinrag en korstmos op een Mei-ochtend’. Later in het boek wordt verwezen naar de schilderende stratenmaker Willem van Althuis, wiens landschappen ook al uitblinken door soberheid.

    Bouwen in betekenis

    Beide kunstenaars vinden we in de hoofdpersoon van Het wolkenpaviljoen terug. Architect Luut vraagt zich mistroostig af hoe zijn achtjarige dochter Tessel zich na de scheiding van haar ouders in twee huizen thuis kan gaan voelen. Jarenlang heeft Luut zorgvuldig gebouwd aan een huis voor zijn gezinnetje, maar als het huis klaar is, is zijn huwelijk voorbij. Luut verliest zijn vrouw, zijn huis en raakt ook zichzelf kwijt.

    Schuldgevoel ten opzichte van zijn dochter, onzekerheid over zijn rol in huwelijk en scheiding, een zekere mate van dakloosheid omdat hij zich nergens thuis voelt, spelen hem parten. Een architect bouwt, is constructief en een scheiding breekt af, maakt kapot, is destructief. Luut moet voor zichzelf weer een huis vinden waar hij zich thuis kan voelen. Daarover denkende komt hij ook in conflict met de architectuur in Nederland waardoor hij bovenal zichzelf terug dient te vinden. ‘Luut weigert nog langer mee te doen aan het opgejaagde bouwen, de huizen die hij ontwerpt krijgen geen tijd om te wortelen’.

    Toewijding

    De begrippen bouwen en wonen, je ergens thuis voelen, verblijven, verhuizen, een dak boven je hoofd, betekenis geven aan wat je bouwt, alles laat Regnerus aan de orde komen als een constante stroom in Luuts gedachten. Zijn vader was metselaar. Luut fantaseerde over hem dat hij een toren bouwde die hem elke dag een stukje dichter bij de wolken bracht, waar zijn vader een paviljoen ging bouwen. De Sagrada Familia van Gaudi is voor Luut een voorbeeld van toewijding omdat er generaties lang gebouwd wordt aan een zinvol project.

    Toewijding is in het werk van Regnerus een sleutelbegrip dat zij ook aan haar hoofdpersoon heeft meegegeven. Of je nu met zorg een stapel stenen metselt, vindt Luut, of een monumentje maakt van een gevonden steentje dat je zorgvuldig op een ander steentje legt, of dat er meer dan honderd jaar wordt gebouwd aan Gaudi’s kathedraal, het gaat om toewijding, zorg en aandacht.

    Japan

    Om met zichzelf in het reine te komen gaat Luut naar Japan, het land waar hij zich als student ook liet inspireren. Hij wil er daar achter komen waar zijn toekomst ligt, losbreken uit de heersende ideeën over architectuur en kijken hoe in Japan wordt omgegaan met bouwen, buiten en binnen, met duurzaamheid en met betekenis geven aan dat wat gebouwd wordt. Hij bezoekt de Ise Jingu-tempel die elke twintig jaar wordt afgebroken en op dezelfde manier weer opgebouwd. Daardoor worden de eeuwenoude constructietechnieken bewaard en doorgegeven. Dat inspireerde de jonge Luut eerder en hij hoopt daar nu weer perspectief  te vinden. ‘… moet hij terug naar Japan (…), niet om daar zijn verleden opnieuw te beleven maar er zijn toekomst terug te vinden’.

    Anekdotiek is in deze roman niet te vinden, tenzij je het verhaal van de duiven zo zou willen benoemen. Een in een verlaten fabrieksgebouw ingesloten duivenechtpaar heeft daar een nest gebouwd van restjes ijzer, zorgvuldig in rondingen verbogen. Het nest was prachtig , maar voldeed niet aan zijn doel: onderin lagen twee koude eieren.

    Onder de oppervlakte

    Regnerus geeft haar kijk op iemands plaats in het leven weer. Waar een mens verblijft is hij thuis en een thuis moet en kan iemand zelf bouwen. Het leven is te bouwen, steentje voor steentje. Elke gebeurtenis, elke gedachte, elke invloed draagt bij aan het bouwwerk van het menselijk bestaan.

    De lezer die deze roman oppervlakkig leest en alleen het verhaal tot zich neemt, zou het saai en vooral braaf kunnen vinden. Maar door de oppervlakte heen raakt je de schoonheid en de zorgvuldigheid waarmee Regnerus Het wolkenpaviljoen heeft gebouwd. Elk woord op de juiste plek, als een constructie waarvan iedere steen even belangrijk is. Het wolkenpaviljoen is een prachtig boek en Regnerus een schrijver die een veel groter publiek verdient.

     

    Lees hier het interview van Just Houben met Jannie Regnerus.

     

  • Het leven aanvaarden, ‘dapper en glimlachend – ondanks alles’

    Het leven aanvaarden, ‘dapper en glimlachend – ondanks alles’

    Bij Van Oorschot verscheen een herziene uitgave van de Brieven van Rosa Luxemburg, onder de titel Ik voel me in de hele wereld thuis. De eerste uitgave verscheen in 1958; de nieuwe bevat extra brieven, aanvullingen en illustratiemateriaal zoals o.a. aquarellen van Rosa Luxemburg. Joke J. Hermsen schreef een uitgebreid nawoord.

    Strijdbaar en kritisch

    Rosa Luxemburg (1871-1919) groeit op in Warschau. Als joods meisje mag ze bij wijze van uitzondering naar het gymnasium. Ze slaagt met de hoogste cijfers, maar de daarbij behorende onderscheiding, de gouden medaille, krijgt ze niet uitgereikt. Haar ‘oppositionele opstelling tegen het gezag’ is de officiële reden, maar feitelijk is het vanwege haar joodse achtergrond. Joke Hermsen schrijft in het nawoord hierover ‘het zou haar kritische bewustzijn al vroeg scherpen.’ In Warschau ziet ze de armoede, de achterstelling en de politieke onderdrukking van de arbeidersklasse. Als vijftienjarige wordt ze lid van de Poolse revolutionaire partij. Ze vlucht ‘onder een lading stro op een boerenkar’ naar Zwitserland als de leden van deze partij worden opgepakt. In Zürich, de enige Europese stad waar vrouwen tot de universiteit worden toegelaten, studeert ze summa cum laude af op filosofie, rechten en economie. Daarna vestigt ze zich in Berlijn waar ze actief wordt binnen de Sociaal Democratische Partij (SPD). Ze raakt o.a. bevriend met politici zoals Clara Zetkin, Franz Mehring en Karl Liebknecht. Duitsland is dan nog een keizerlijke militaire staat met veel sociale achterstanden.

    Rosa schrijft meerdere artikelen met voorstellen voor hervormingen: Sozialreform oder Revolution? (1899). Ook in haar toespraken toont ze haar strijdlust. Dat brengt haar meermaals in conflict met de autoriteiten. In 1906 wordt ze gearresteerd; ze wordt ervan beschuldigd dat ze verschillende klassen van de bevolking stimuleert om geweld te plegen. Op 13 maart 1906 schrijft ze daarover aan Karl en Luise Kautsky vanuit de gevangenis dat het ‘menens is’. Aan het einde van de brief: ‘Onder andere de obstructie, die latere tijden tot voorbeeld zal dienen, is ons werk.’ De obstructie brengt ze in praktijk als ze later, op 26 maart 1913, oproept tot verzet tegen de dreigende oorlog. Haar eigen partij stemt in met het regeringsbesluit de oorlogskredieten te verhogen. Ze wordt veroordeeld voor ‘oproepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid’; later voor ‘landverraad.’ Haar gevangenisstraf zit ze tijdens de Eerste Wereldoorlog uit in Berlijn, Wronke en Breslau. Ze wordt meerdere malen overgeplaatst; op 20 juli 1917 schrijft ze vanuit Wronke aan Sophie Liebknecht: ‘Tot ziens in mijn negende gevangenis.’

    Hartstocht

    Deze nieuwe brievenuitgave bevat de brieven die zij tussen juni 1896 en januari 1919 schreef aan uitgevers, familie, vrienden en partijgenoten. Met veel enthousiasme schrijft ze over allerlei onderwerpen, over haar politieke strijd, maar ook over schilderkunst en literatuur (van Goethe tot Shakespeare en Dostojewski), astrologie, plantkunde, ornithologie en geologie.

    Vanuit haar cel observeert en beschrijft ze de natuur; over de pimpelmees die zij broodkruimels voert door de tralies, over de in bloei staande bomen en over de planten die op de binnenplaats van de gevangenis groeien. Over het herkennen van de plantjes schrijft ze: ‘Wat ben ik blij dat ik me drie jaar geleden plotseling op het botaniseren heb geworpen, als op alles, meteen met al mijn geestdrift, met mijn hele ik, zodat de wereld, de partij en het werk van me afvielen en slechts die ene hartstocht mij dag en nacht vervulde /…/’ Op deze manier heeft ze zich de kennis van het ‘groene rijk’ eigen gemaakt: ‘Ik heb het me veroverd – in storm, in hartstocht, en wat men zich aldus met geestdrift eigen maakt, schiet diepe wortelen.’

    Dezelfde hartstocht legt ze aan de dag voor geologie: ‘Ik zit nu diep in de geologie. Dat zal je wel een zeer droge wetenschap lijken, maar dat is een dwaling. Ik lees haar met koortsachtige belangstelling en hartstochtelijke bevrediging, ze verwijdt de geestelijke horizon enorm en verschaft een zo’n afgeronde alomvattende voorstelling van de natuur als geen enkele wetenschap het kan.’

    Dierenliefde

    Aan Sophie Liebknecht schrijft ze in 1917 dat ze vaak het gevoel heeft dat ze geen ‘echt mens’ is, maar ‘ook in zekere zin een vogel of een ander dier in mensengedaante.’ Vandaar dat ze zo blij wordt van ‘tsitsi bé tsitse bé’, de roep van de pimpelmees. Maar in de natuur vindt ze vaak ook zaken die haar verdrietig maken. Bijvoorbeeld een mestkever die liggend op zijn rug door mieren opgevreten wordt. Ze voelt de pijn van buffels die zware karren trekkend afgeranseld worden door soldaten: ‘Ach, Sonitschka, ik heb hier iets dieptreurigs ondervonden.’

    Liefde voor de mens

    Rosa Luxemburg voelt zich in de gevangenis soms erg verdrietig, vooral op zondagen. ‘Vandaag is het zondag, dus een voor mij van oudsher noodlottige dag.’ Om aan te geven hoe ze zich voelt, citeert ze de dichter Arno Holz ‘so arm und so verlassen, wie jener Gott aus Nazareth.’ (brief 7 januari 1917).

    Als ze kritisch reageert op brieven, dan blijft ze ‘ondanks alles’ vergevingsgezind. Aan Mathilde Jacob schrijft ze ‘Wees gerust, ondanks dat je me zo dapper gepareerd hebt en me zelfs de oorlog verklaart, blijf ik je even genegen als voorheen. /…./ Daarmee zullen we “de debatten afsluiten”. Je vriendin blijf ik graag.’ Vanuit de gevangenis heeft ze troostende woorden voor haar vrienden: ‘Wees ondanks alles rustig en vrolijk. Zo is het leven en zo moet men het aanvaarden, dapper en glimlachend – ondanks alles.’

    Uit brief van 28 december 1916, aan Mathilde Wurm: ‘Zorg dat je mens blijft. Mens zijn is vóór alles de hoofdzaak. En dat betekent: vastberaden en helder en vrolijk zijn. /…./ Mens betekent blijmoedig zijn hele leven “op de grote weegschaal van het lot” werpen, als dat zo zijn moet, zich tegelijkertijd echter verheugen over elke heldere dag en iedere schone wolk.’

    In een brief van 5 maart 1917 schrijft Rosa Luxemburg over voornaamste gebod dat zij voor haar leven heeft gesteld: ‘goed zijn is hoofdzaak! Eenvoudig en oprecht goed zijn, dat slaakt en bindt alles en is beter dan schranderheid of betweterij.’

    Nawoord

    Schrijver en filosoof Joke J. Hermsen schreef een gedetailleerd nawoord bij deze herziene uitgave. Zij leerde het werk van Rosa Luxemburg kennen via het boek Men in Dark Times (1968) van Hannah Arendt. Eerder schreef ze al over de overeenkomsten tussen Rosa Luxemburg en Hanna Arendt in Het tij keren (2019). Hermsen beschrijft hoe beide politieke denkers kritisch waren op de kapitalistische maatschappij en wezen op het belang van politieke participatie van de bevolking. Arendt neemt in haar boek Over revolutie (1966) de voorstellen van Luxemburg voor een ‘radendemocratie’ over. Hierbij krijgt de bevolking inspraak en beslissingsbevoegdheid via burger- of volksraden. Zo ontstaat een vorm van directe democratie ‘die niet alleen de gemeenschapszin en de politieke betrokkenheid van de bevolking kan bevorderen, maar ook gevoelens van ‘niet gehoord’ worden kan wegnemen en daarmee de wind uit de zeilen van extremistische leiders kan halen.’ Zowel Luxemburg als Arendt huldigden de opvatting dat politieke kwesties ‘veel te belangrijk (zijn) om alleen aan politici te worden overgelaten.’ In 2020 is dit nog steeds actueel.

    Kort na haar vrijlating uit de gevangenis wordt Rosa Luxemburg tijdens de volksopstand op 15 januari 1919 in Berlijn vermoord. Zo kwam haar voorspelling uit dat ze op haar post zou sterven: ‘in een straatgevecht of in het tuchthuis.’ (brief van 2 mei 1917). Haar nalatenschap bestaat uit haar politieke werk en uit brieven die nu opnieuw gelezen kunnen worden. Prachtige brieven waaruit de liefde voor alles wat leeft spreekt. De titel van de bundel komt uit een brief aan Mathilde Jacob, vanuit de gevangenis van Wronke, 16 februari 1917: ‘Ik voel me in de hele wereld thuis, waar er wolken en vogels en mensentranen zijn.’ Een prachtig citaat waaruit liefde voor de natuur en menselijkheid blijkt. Zij eindigde haar brieven vaak met ‘Ik omarm je duizendmaal, je Rosa.’ Deze brievenbundel verdient het om door de lezer omarmd te worden. Wat een krachtige vrouw, wat een prachtige brieven!

     

     


    Podcasts SLAA

    Bij het verschijnen van de nieuwe brievenuitgaven heeft de SLAA (Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam) een audioreeks RE: Rosa Luxemburg gemaakt. In de eerste aflevering geeft Joke Hermsen een college over Rosa Luxemburg; in de volgende afleveringen schrijven Arnon Grunberg, Maarten van der Graaff, Miek Zwamborn en Edna Azulay aan de hand van de thema’s vriendschap, natuur, gevangenschap en vrijheid, en politiek een brief terug aan Rosa Luxemburg.

     

  • Zwerven door Amsterdam, de letteren, een mensenleven

    Zwerven door Amsterdam, de letteren, een mensenleven

    Wie verwacht dat in de nieuwe roman van Sipko Melissen (1941) weer gehunkerd zal worden naar onbereikbare mannen of jongens komt deels bedrogen uit. De hunkering is gebleven, maar de mannen zijn verdwenen. Met De vierde mei slaat Melissen een nieuwe weg in, al zijn er voldoende ingrediënten die zijn verhaal de vertrouwde kleur geven. Zo is er de geschiedenis van een manuscript. Een variant op dit thema zat ook in zijn vorige boek Oud-Loosdrecht en in Een kamer in Rome, waar het manuscript werd ingeruild voor een novelle van een mysterieuze schrijver. Bekend zijn de vele verwijzingen naar de (wereld)literatuur, waarin de leesvoorkeur van de auteur is terug te vinden, alsook homoseksualiteit blijft een thema. Dat laatste wordt verbeeld in een bijfiguur, omdat Melissen verrassend en voor het eerst in zijn oeuvre een vrouw tot hoofdpersoon heeft gemaakt.

    Ze heet Altea DeWitt, vernoemd naar een kleine badplaats in Spanje, en woont en leeft in de bubbel van de Amsterdamse grachtengordel. ‘Het moet een bijzondere champagne zijn, dat is de enige eis die ik stel. Niet dat goedkope spul van vijftig euro.’ DeWitt draagt een Armani-pak. Het is ook wel met een zweem van ironie hoe Melissen zijn personage neerzet, een verkapt zelfportret zoals Hans Warren dat ooit deed in de novelle Indigo door zichzelf als een oudere schrijfster te portretteren. DeWitt heeft net als Melissen lesgegeven aan een Amsterdamse Hogeschool en is net als hij aan het einde van het jaar jarig. Dit zijn gniffelmomenten, meer niet.

    Paniek

    Belangrijker is dat hij DeWitt laat overkomen wat hem zelf ooit is overkomen, zo bleek uit een interview in Het Parool. DeWitt vindt een oude foto terug en denkt: wie is die knappe jongen die naast me staat? Het is Oliver, de man met wie ze haar leven zou gaan delen. ‘De foto was als een steen door het raam waar een briefje omheen was gewikkeld met de tekst: je was niet bij je eigen leven.’ Die foto en het conflict dat zij en haar man de avond daarvoor hadden over een manuscript van een jonge auteur – zij wil dat het gepubliceerd wordt, hij niet – vormen de opmaat tot een kleine existentiële crisis bij DeWitt. Wat is de zin van mijn leven, vraagt ze zich af. Ze denkt aan het gesprek dat ze ooit had met haar jong overleden jeugdvriendin Riekje: je staat bij de hemelpoort, en op welke grond heb je recht tot toegang? DeWitt had niets in kunnen brengen en nu, op deze vierde mei, slaat de paniek zo toe, dat ze besluit de gewone dagelijkse sleur te doorbreken en door Amsterdam te gaan zwerven, langs de plekken die in haar leven van belang zijn geweest, om antwoorden op haar vragen te vinden.

    Zo volgt de lezer DeWitt het gehele boek op die vierde mei in Amsterdam, een trip down memory lane, om ’s avonds te eindigen bij de twee minuten stilte op de Dam.  Een soms pijnlijke reis met herinneringen aan een seksuele escapade op Terschelling en het tekort schieten in haar vriendschap met Riekje, kleine tragiek in een gewoon leven.

    De boeken

    Haar eerste stop is het Amstelveld. Deze bekende plek in Amsterdam staat ook op het weinig onderscheidende omslag – de zwakste schakel in (of van) deze roman. Het Leidseplein (Americain) volgt, de Bosboom Touissantstraat, de De Clercqstraat, dan met de tram naar Centraal Station, de pont naar Noord, weer terug, de Hartenstraat. Elke plek is zwanger aan herinneringen. Is het Melissen zelf die een reis door zijn leven maakt, dat toch ook grotendeels zich afspeelt in Amsterdam? Als lezer van zijn werk kun je je bijna niet aan die indruk onttrekken. Niet alleen de herkenningspunten in de stad lijken dit te bevestigen, maar misschien nog wel meer de overpeinzingen die DeWitt heeft bij de boeken die haar in haar leven hebben gevormd. De Beatrijs-legende komt voorbij (gesneden koek voor de docent Nederlands die Melissen was), Coetzee, Jacobson, Tsjechov, de dagboeken van Victor Klemperer, Kafka’s parabel van de Poortwachter (toch ook een soort hemelpoort) en Carrolls Alice in Wonderland, met de deels geparafraseerde dialoog tussen Alice en de Cheshire Cat. Als Alice vraagt welke weg ze moet nemen en de kat op zijn beurt haar vraagt waar ze naar toe wil, antwoordt ze: ‘O, dat maakt niet uit.’ ‘Dan maakt het ook niet uit welke kant je op gaat,’ zegt de kat snedig. ‘Als ik maar ergens kom,’ vult Alice aan. ‘Oh, dat zal je zeker lukken,’ zegt de kat, ‘als je maar lang genoeg doorloopt.’ Over levenspaden gesproken!

    Troost

    Er gebeurt in De vierde mei niet veel. Prettig weinig, zelfs. Maar saai is het nooit en larmoyant wordt het zeker niet. Leg je zijn debuut Jonge mannen aan zee uit 1997 naast De vierde mei dan zie je dat de zinnen meer ritme hebben, vloeiender zijn geworden. Dat is misschien wel het geheim van de nieuwe Melissen. Omdat het allemaal zo eenvoudig en uit de mouw geschud lijkt, herken je bij nauwgezet lezen de stilist, de ervaren auteur. Met mooie observaties, zoals de volgende:
    ‘Ze volgde de pont op weg naar het ndsm-terrein. Er viel haar iets bijzonders op. Er was een opmerkelijk verschil tussen voor- en achterplecht. Op de overvolle voorplecht stond iedereen, met of zonder fiets, strak voor zich uit te kijken, onbeweeglijk als een terracottaleger, klaar om aan wal te gaan zodra de klep neer werd gelaten. Op de achterplecht was het minder druk. Er werd alle kanten op gekeken, heen en weer gelopen, en men was met elkaar in gesprek alsof het een receptie was.’

    Er is wel een plot – uiteindelijk weet DeWitt wat haar toegang gaat verlenen bij de hemelpoort. De lezer krijgt ook de epiloog voorgeschoteld van de nog uit te brengen roman over een aanslag tijdens de Dodenherdenking. Maar uiteindelijk is dat allemaal van minder belang in De vierde mei, waar het, om met K.P. Kavafis te spreken, vooral gaat om de reis en niet de bestemming. En Melissen, kenner van de hunkering, tussen de regels aan de lezer de vraag stelt: en jij, ben jij bij je eigen leven?

     

     

  • We zijn uilskuikens maar hebben geen enkel idee

    We zijn uilskuikens maar hebben geen enkel idee

    ‘Wat gaat er toch om in iemand die klaagt dat hij zich verveelt? Niets lijkt me wenselijker dan in je eentje te zijn, zonder enige vorm van afleiding’. Het is een zin uit De kunst van het nietsdoen van de Japanse monnik Kenkō. Dat nietsdoen is een kunst: je mag je niet laten afleiden door ‘vuige geneugten’, door wat anderen van je vinden, door berekening van winst en verlies: ‘Opgejaagd heen en weer snellen, verward en afwezig, dat doen alle mensen’.

    Waar in onze westerse wereld ledigheid des duivels oorkussen is, is nietsdoen, echt kúnnen nietsdoen, voor Kenkō een ideale dagbesteding.

    Yoshida Kenkō leefde zo’n zevenhonderd jaar geleden, van vermoedelijk 1283 tot 1350. Hij was een tijdlang werkzaam als keizerlijke paleiswacht tot hij monnik werd. Dat laatste is geen eenduidig begrip. Het veertiende–eeuwse Japan kende lekenmonniken, leden van religieuze ordes en kluizenaars. In De kunst van het nietsdoen komen op een gegeven moment zelfs militaire monniken voorbij.

    Kenkō heeft het meest weg van een kluizenaar, die echter nooit het maatschappelijke leven losliet. Dat hij paleiswacht is geweest is terug te zien in de genummerde stukken (door vertaler Jos Vos ‘secties’ genoemd) in De kunst van het nietsdoen. Het boek bestaat uit 243 secties, soms ter lengte van één regel en een enkele keer van vier of meer pagina’s. Het zijn herinneringen, miniatuurfilosofietjes, anekdotes en natuurbeschouwingen. Daarin lijkt hij zich te bewegen in verschillende werelden, die van het gewone dagelijkse burgerleven, de hofcultuur en het monnikendom.

    Zucht naar lofbetuigingen

    Hij is er van overtuigd dat zijn kluizenaarschap de beste staat is om naar de wereld te kijken en je over te geven aan de kunst. Kunst is in zijn opvatting niet alleen de kunstzinnige expressie zoals de kalligrafie en de poëzie, die hij beide beoefende, maar ook de cultuur in brede zin en de natuur. Kenkō hechtte erg aan tradities en aan ceremonies. Dat hij zich in zijn kunst van het nietsdoen niet wil laten leiden door oordelen van anderen betekent ondertussen niet dat hij zelf geen waardeoordelen neerschrijft. Hij gruwt van mensen die rituelen met voeten treden en ergert zich aan dom gedrag. In sectie 38 bijvoorbeeld lezen we: ‘Een mens wil graag een reputatie nalaten van wijsheid en geestelijke verfijning, maar als je er even bij stilstaat betekent dat alleen dat hij zijn hart wil ophalen aan lofbetuigingen. Noch degenen die ons prijzen, noch degenen die ons door het slijk halen zullen het lang uithouden op deze wereld’. En in sectie 134: ‘We zijn lelijk maar weten het niet; we zijn uilskuikens maar hebben geen enkel idee; we beseffen ook niet dat het ons aan talent ontbreekt, dat we van geen belang zijn, dat we bejaard zijn en ten prooi aan ziekten’.

    Verrassend modern

    Eén van de mooiste natuurbeschouwingen vinden we iets verder in sectie 137 die begint met: ‘Zullen we de bloesems enkel bewonderen op het hoogtepunt van hun bloei en de maan alleen als er geen wolken staan? (…) Wat valt er veel te bewonderen aan een twijg die net opbloeit, of aan een tuin bezaaid met verwelkte bloesem’.

    Uit de gegeven citaten mag blijken hoe verrassend modern veel van de overdenkingen van Kenkō zijn. Maar ook hoe heerlijk fris en eigentijds de Nederlandse vertaling van Jos Vos is. Deze Belgische kenner van de Japanse literatuur werd in 2014 al genomineerd voor de Filter Vertaalprijs voor Het verhaal van Genji en haalde die prijs in 2019 daadwerkelijk binnen voor zijn vertaling van Het hoofdkussenboek. Beide beroemde werken dateren uit de elfde eeuw; Kenkō verwijst er in zijn De kunst van het nietsdoen herhaaldelijk naar, zoals hij ook veel Japanse en Chinese poëzie citeert, steeds met grote bewondering.

    De kunst van het nietsdoen is overigens niet alleen een filosofisch bespiegelend boek. Kenkō is af en toe ook grappig. In sectie 45 vertelt hij over een opvliegende bisschop die niet tegen de bijnamen kon die men hem gaf. Omdat hij ‘Bisschop Netel’ werd genoemd vanwege een netelboom in zijn tuin, liet hij de boom omhakken, waarna hij de bijnaam ‘Bisschop Stronk’ kreeg. Toen hij ook de stronk liet uitgraven en er water in de kuil kwam staan werd hij ‘Bisschop Sloot’ genoemd. En in sectie 53 maakt Kenkō zich vrolijk over een monnik die op een feest een ketel te diep over zijn hoofd trok. Hij kon er pas van bevrijd worden ten koste van zijn neus en oren.

    Helaasheid der dingen

    Voor ons is een beschrijving ook wel eens nietszeggend, zoals de uit één zin bestaande sectie 201: ‘Van de twee stoepa’s op de Gierentop stond Gejō aan de voet van de berg en Taibon midden in het heiligdom op de berg’. Gelukkig is de vertaler er om in één van zijn talrijke voetnoten uit te leggen waarom de benamingen Gejō en Taibon iets zeggen over de bereikbaarheid van die stoepa’s. Verrassend zal daarentegen de ontdekking zijn dat de uitdrukking De helaasheid der dingen, die iedereen wel kent als de titel van een roman van Dimitri Verhulst, en heel oude voorgeschiedenis heeft. Kenkō gebruikt het begrip, een vertaling van het Japanse mono no aware, in De kunst van het nietsdoen, maar het komt ook voor in Stille sneeuwval, de roman van Junichiro Tanizaki uit 1948.

    Keikō heeft ons na zevenhonderd jaar nog veel te vertellen. Hij neemt een belangrijke plaats in in een rij van Japanse schrijvers die vertaler Jos Vos in zijn nawoord ‘wat oneerbiedig’ een ‘almaar uitdijende literaire speeltuin’ noemt. Hij kan het weten. In 2008 stelde hij al eens de lijvige bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur Eeuwige reizigers samen. Die is helaas niet meer verkrijgbaar.

     

     

  • In twee werelden

    In twee werelden

    Op het omslag van Schemerland van Berthe Spoelstra slaat een donkere vogel zijn vleugels uit. We zien hem op de rug: de archaeopteryx lythographica, bekend als de Oervogel, en miljoenen jaren geleden uitgestorven. Een onheilspellend beeld bij een onheilspellende titel.

    De hoofdpersoon heet Jeanne. Ze woont helemaal alleen in een appartement in Parijs. We volgen haar een ruime week van zondag tot de volgende zondagnacht. In die week wordt haar huis door haar kinderen ontmanteld. Jeanne is oud, hulpbehoevend, spreekt niet meer. Ze krijgt in plaats van thuiszorg dagelijkse ondersteuning van Boudou, de vriendelijke conciërge. Maar er is meer ondersteuning nodig en daarom gaat Jeanne verhuizen naar een plek waar die extra zorg wel gegeven kan worden.

    Met Schemerland debuteert Berthe Spoelstra (1969) als romanschrijver. Theaterliefhebbers kennen haar al langer: meer dan tien jaar is zij huisdramaturg bij Theater Frascati in Amsterdam. Door de eenheid van plaats (de huiskamer), tijd (een week) en handeling (de gedachten van Jeanne) zou Schemerland het uitstekend kunnen doen in het theater, met multimediale hulpmiddelen om haar gedachten te verbeelden.

    Thomas Moore

    Omdat je als lezer het gehele boek uitsluitend in haar hoofd zit, blijft het gissen wat er precies met Jeanne is gebeurd. Is ze dementerend? Daarvoor componeert ze in haar hoofd eigenlijk te prachtige zinnen en consistente gedachten. Kan ze niet praten, of wil ze niet meer praten? Haar kinderen, die in deze week de verhuizing gereed maken, zoeken vergeefs naar ingangen om haar te bereiken. Hoe onbeholpen dat soms ook gebeurt.

    Zonder dat het woord valt, is er eigenlijk sprake van een existentiële crisissituatie. Filosoof Thomas Moore zou het de donkere nacht van de ziel noemen. Er is verlies, rouw, een diep weggestopt verdriet. Zwijgen, je geestelijk terugtrekken en je vervreemd voelen van anderen horen daarbij. Jeannes huis wordt onttakeld, de basis van haar leven wordt haar ontnomen. Niet zijzelf maar haar kinderen maken de keuze welk dierbaar object wel en welk niet mee kan naar het verzorgingshuis. De oude vrouw ondergaat het gelaten.

    Volgens Moore kan zo’n crisissituatie ervoor zorgen dat je het gevoel hebt je tussen twee werelden te begeven. Zo’n ‘liminale’ toestand creëert Jeanne ook. Om pijn niet te voelen zoekt ze haar heil in fantasieën.

    ‘Ik verzin een zevenjarig meisje, een Lilou. Best wel goed, denk ik met de stem van mijn liefste kleinkind. Best wel goed. Glinsterend als zon op zomerwater zal dit fijne meisje de stilte doen trillen. Een verzonnen kind, een menselijk schild tegen alles wat komen gaat.’

    Terugblikken

    Fantasie als schild tegen de pijn van het heden, de verhuizing, en tegen de pijn van het verleden. Want zo zittend in haar stoel, terwijl op de televisie aanslagen in het journaal zijn, de Tour de France zijn etappes heeft of een serie wordt uitgezonden over een politiespeurhond, dwalen haar gedachten af naar het ongemak dat haar leven kleurde: de verhouding met haar zus, de pijnlijke scheiding van haar man, de relatie met haar kinderen:

    ‘Stilte drijft voorbij en wordt gevolgd door stilte, dit keer in een ander kleurenpalet. In welke vuurgloed moet ik mij wentelen om tot loutering te komen? Zo’n berg fietst de mens niet zomaar even op. Hoever is het klimmen en weer dalen voor ik toe kan geven, voor ik rusten kan? Ik ben bang dat ik te weinig liefde heb gegeven.
    Zo, het is gezegd. Is de leeuw nu verslagen?’

    Het zijn geen wereldschokkende gebeurtenissen die de hobbels in haar leven vormen. Ze heeft een klein leven geleid, een gewoon leven zoals de meesten van ons doen, met het gewone verdriet en onvermogen dat daarbij hoort. Als Jeanne naar haar kinderen kijkt, denkt ze: ‘Hebben zij keuzes gemaakt of zijn de dingen bij hen ook gewoon gebeurd?’ Zo blikt ze terug op haar eigen geschiedenis.

    Spoelstra weet dat een mens ook het gewone verdriet en onvermogen – bijna onbereikbaar – diep kan wegstoppen. Soms duren de fantasieën over het verzonnen kind net iets te lang om de aandacht vast te houden. Maar wanneer de herinneringen aan haar voorbije leven het schild van de fantasie doorboren, wordt het verhaal meer invoelbaar, meer urgent.

    Met Schemerland heeft Spoelstra vooral een poëtisch debuut geschreven. Verzamel maar eens de eerste zinnen van de opeenvolgende hoofdstukken: ‘De nacht morst zwart.’ ‘Zacht dient de dag zich aan.’ ‘Boudou draagt de dag onder haar arm.’ Mooie zinnen. Later in het boek beginnen de hoofdstukken met meer reguliere openingszinnen, zodat er ook vaart in het verhaal ontstaat. Knap is hoe Spoelstra haar hoofdpersoon langzaam naar de pijnpunten in haar leven voert tot de dood als een nachtelijke gestalte verschijnt en Jeanne haar vleugels mag uitslaan naar een ander bestaan.

     

  • Tussen overtuiging en onverschilligheid

    Tussen overtuiging en onverschilligheid

    Tussen ‘weten’ en ‘vergeten’ zit ‘ontweten’. Dat is niet hetzelfde als kennis kwijtraken – dat is ‘vergeten’. Het is je bewustzijn er niet meer door laten beïnvloeden. In de gelijk­namige roman van Menno van der Veen moet David (‘Daav’) zijn verleden ontweten. Hij tobt met verschillende vragen rond schuld. In het algemeen: wie is er schuldig aan misstanden in de wereld? En misschien ook wel op persoonlijk vlak: in hoeverre is hij schuldig aan de val van een politicus en de afgang van een bekend historicus ? Met hulp van vriendin Vigée en zijn geliefde Margot zoekt Daav een levenshouding tussen overtuiging en onverschilligheid.

    Het verleden dat Daav moet leren ontweten heeft betrekking op zijn vorige twee werkgevers. Hij was de assistent en speechschrijver van Jonne Vergeer, een populis­tisch politicus van het soort dat we de afgelopen twintig jaar in diverse gedaantes hebben leren kennen. Aanvankelijk was Daav enthousiast over diens Ondernemers­partij en bijbehorende ideeën en gevatte speeches:

    ‘”Ik vind mensenrechten een uitstekend businessmodel,” antwoordde Jonne. “Bedrijven die zich aan mensenrechten committeren, doen het op lange termijn bijna allemaal beter dan bedrijven die dat niet doen. Ik wilde dat ik die mensen­rechten verzonnen had, dan zou ik nu stinkend rijk zijn.”’

    Later raken ze gebrouilleerd over Jonnes visie wie er schuldig is aan het drama in Srebrenica.

    Schuld
    Ook in zijn volgende baan botst Daav met zijn baas. Hij is de assistent van de bekende historicus Hans Dijkstra. Dijkstra is bij het grote publiek bekend van televisie­optredens waarin hij fungeert als het geweten van Nederland. Tijdens het onderzoek dat Daav voor Dijkstra doet, stuit hij op een compromitterende brief geschreven door een Nederlandse soldaat tijdens de militaire acties in Indonesië. Daavs wil tot waarheids­vinding maakt een conflict met Dijkstra onvermijdelijk.

    Zo lijkt Daav het morele gelijk aan zijn zijde te hebben, maar Menno van der Veen maakt van zijn hoofdpersoon geen onberispelijke held. Waren Daavs motieven helemaal zuiver en principieel, of speelde zijn gekrenkte ego ook mee? Was rancune niet ook een van zijn motieven? In een aantal scènes, tegelijk grappig én zo pijnlijk dat ze een plaatsvervangende schaamte oproepen, toont Van der Veen Daavs eigen hypocrisie.

    Zijpaden
    De passages waarin Daav vertelt over Jonne Vergeer en Hans Dijkstra blijken zijn opgeschreven herinneringen. Hij laat ze zijn vriendin Margot lezen, niet zelden op uiterst onpraktische momenten, zoals in de rookruimte van een hippe club. Zij vindt echter dat hij zijn verleden moet ontweten, zoals ze dat zelf ook gedaan heeft. Ze leeft in het hier en nu en wil zich niet laten bepalen door haar verleden, noch zich vastleggen voor de toekomst.

    Met zijn vaste overtuigingen houdt Daav zichzelf en anderen te veel op hun plaats, vindt Margot. Als alternatief moet hij zoeken naar ‘de juiste voorwaartse krachten’ die ‘de zijpaden’ niet afsluiten. Wat dat betekent? Het is het bevragen van je eigen (voor)oordelen. De vrijheid voor jezelf creëren om in je leven iets anders te kunnen dan alleen rechtdoor, in lijn met alle verwachtingen.

    Consequenties
    De vele afwisselingen tussen de gebeurtenissen in het heden en in het verleden maken het niet heel eenvoudig om de chronologie te reconstrueren. Maar daar gaat Ontwetenook minder om; belangrijker is het idee dat uit het verhaal naar voren komt en de vragen die de roman oproept. Wie het ene moment al te gemakkelijk meeknikt wanneer Daav het onrecht aankaart, moet zich een volgend moment afvragen of hemzelf niet ook blaam treft.

    ‘”Je kunt niet wegkijken van olie,” zeg ik. “Kijk eens om je heen, dit landschap, de auto’s, de boten, de fabriekspijpen, de woningen, ondenkbaar zonder industrialisatie, ondenkbaar zonder olie. Je kunt daar niet van wegkijken. Misschien zijn we allemaal wel schuldig aan de dood van Ken Saro-Wiwa. Hij streed voor zijn olieloze volk, en wij besteden liever onze tijd aan het sparen voor leuke cadeaus in de Shell-winkel, dan aan de strijd van de Ogoni.”’

    Ontweten is een intrigerende roman die je liever laat nadenken dan zekerheden biedt, liever vragen opwerpt dan antwoorden geeft. Daav mag dan op momenten met zijn vinger wijzen, de roman als geheel is niet moraliserend. Ontweten nodigt uit tot het bevragen van je eigen overtuigingen en het nadenken over de consequenties van je handelen. Geen overbodige luxe in deze tijd waarop de gevolgen van onverschilligheid op vele terreinen pijnlijk voelbaar worden.