• Oogst week 44 – 2022

    Sprookjesboek

    Godfried Bomans schreef meer dan zestig boeken, waaronder vele kinderboeken, en werd vooral bekend met Erik of het klein insectenboek en De avonturen van Pa Pinkelman, een absurdistische strip. Hij was een kenner van Charles Dickens en vertaalde de Pickwick Papers. Hij schreef humoristisch en ironisch, een stijl die weerklank vindt bij illustrator Thé Tjong-Khing.

    Deze veelgeprezen illustrator heeft sinds 1956 ontelbare boeken en verhalen geïllustreerd en strips getekend. Thé begon als tekenaar bij de Toonder Studio’s en werkte vanaf 1971 als freelance illustrator. De meeste illustraties zijn voor kinderboeken, waarvan alleen al zeven voor de Vos en haas boeken, een reeks van Sylvia Vanden Heede. Hij won met zijn werk vele prijzen, waaronder de Woutertje Pieterse-prijs en Gouden en Zilveren Penselen. In 2010 kreeg hij voor zijn hele oeuvre de Max Velthuijs-prijs.

    Uitgeverij Sunny Home verzocht Thé uit de sprookjes die Godfried Bomans schreef het Sprookjesboek samen te stellen en het te illustreren. Thé deed dat eerder met Bomans’ De gierige koning. Hij vindt het een eer en groot plezier om tekeningen te maken bij de sprookjes, omdat hij erg houdt van de ‘ietwat ironische, quasi-ernstige toon en verhalen met een donker randje’, zoals hij zegt.
    Thé heeft altijd affiniteit met de tekst. Zijn detaillistische stijl met pen en fijn penseel is magisch en tegelijkertijd realistisch. Gevoelens van personages worden door hem uitmuntend weergegeven en ook humor is in zijn tekeningen te vinden.

    Sprookjesboek
    Auteur: Godfried Bomans
    Uitgeverij: Uitg. Sunny Home

    Waarom een schilderij werkt

    Jurriaan Benschop is curator, kunstcriticus en schrijver en woont in Berlijn. Hij publiceerde boeken over Berlijn als kunststad, over Cezanne, over de drijfveren en opvattingen van hedendaagse Europese artiesten en over tentoonstellingen van toonaangevende Europese kunstenaars. Voor het magazine Artforum recenseerde hij meer dan zeventig exposities. Hij publiceerde interviews met kunstenaars en schreef essays en artikelen over kunst en aanverwante zaken in tijdschriften en tentoonstellingscatalogi. Ook houdt hij lezingen en is hij gastdocent bij kunstacademies in Europa en de VS, waar hij ook schrijfworkshops geeft.

    In Waarom een schilderij werkt laat Benschop de lezer kennismaken met tientallen hedendaagse schilders. Hij onderzoekt hun werk, hun thema’s en motieven, de manier van schilderen en de culturele achtergrond van de schilder. Daarmee probeert hij antwoord te geven op de vragen die hij zich voortdurend stelt: Waarom werkt dit schilderij, welke betekenis heeft het, kan het overtuigen? Eveneens behandelt hij kwesties als hoe we, behalve ernaar kijken, over kunst kunnen spreken en schrijven, en het doorgronden van een kunstwerk. De verhouding tussen concept en schilderkunst komt aan de orde, evenals bijvoorbeeld de vraag wanneer een schilder een colorist wordt genoemd. Verder verklaart Benschop waarom het bezoeken van een museum of een atelier zo veel voldoening kan geven.

    Het boek bevat kleurenreproducties van Nikos Aslanidis, Paula Rego, Rezi van Lankveld, Lara de Moor, Martha Jungwirth, Marc Mulders, Matthias Weischer, Daniel Richter, Louise Bonnet, David Benforado, Andreas Ragnar Kassapis, en van vele anderen.

    Waarom een schilderij werkt
    Auteur: Jurriaan Benschop
    Uitgeverij: Uitg. Van Oorschot

    Autobiografie tot op de dag van vandaag

    In Autobiografie tot op de dag van vandaag van Arjen Duinker staat het leven van de dichter zelf centraal. In Delft wel te verstaan, waar hij al vrijwel zijn gehele leven woont.

    Duinker debuteerde in 1980 met gedichten in Hollands Maandblad, maakte met K. Michel het gestencilde en handgeschreven tijdschrift AapNootMies (1982-1985) en publiceerde later zestien dichtbundels en een roman. Met zijn gedichten won hij belangrijke prijzen, waaronder de Jan Campertprijs en tweemaal de VSB-poëzieprijs. Hij werkt ook samen met internationale kunstenaars.

    Duinker doet niet mee aan de hedendaagse poëzietrend waarin het navelstaren veelal de regels vult en iedere minimale ervaring van de dichter breed wordt uitgemeten. Bij Duinker gaat het om de schoonheid, de verwondering van wat hij concreet aanschouwt, de absurditeit van het bestaan. Hij is wars van abstracties en metaforen. Zijn dichtregels bestaan uit klanken, ritmes, herhaling in heldere, korte regels.

    De Delftse binnenstad is in Autobiografie tot op de dag van vandaag een grote rol toebedeeld. Het boek is één lang gedicht, bestaande uit straten en straathoeken, winkels, cafés, meubilair en bloemen. ‘Ik ben ver weg geweest. Ik heb mijn ogen de kost gegeven. Ik ben in Delft geweest.’ Het meest houdt hij van de Baljuwsteeg, vertelt hij in een interview in Trouw, ‘omdat die nergens heen lijkt te gaan. Maar als je eruit komt, sta je opeens in een andere wereld, de grachtenwereld, met mooie panden, licht, water, intimiteit.’ En in de Autobiografie schrijft hij: ‘Ik loop door de Baljuwsteeg en ga de hoek om Naar de Voorstraat! Wat een hoek!’

    Vertalingen van Duinkers werk verschenen in Italië, Engeland, Frankrijk, Portugal, Australië, Iran, Finland en Rusland.

     

    Autobiografie tot op de dag van vandaag
    Auteur: Arjen Duinker
    Uitgeverij: Uitg. Querido
  • Een taalfeest

    Een taalfeest

    Recensie door Frans Stüger

    Zoals het een goede openingszin betaamt, is deze kenmerkend voor de rest van de tekst. Zo ook in de roman van Sasja Sokolov, School voor zotten, waarin hij zijn personage laat zeggen: ‘Oké, maar hoe moet ik beginnen, met welke woorden?’
    Vanaf dat moment richt het personage zich rechtstreeks tot de lezer, alsof de lezer tegenover hem zit, en verhaalt van zijn jeugd op de School voor zotten.

    Na deze opening volgen vijf hoofdstukken, waarbij ieder personage, voormalige zot van deze school, verhaalt van zijn schooltijd, waarbij hij of zij in parlando zich ook rechtstreeks tot de lezer richt. Inmiddels ouder geworden bewonen zij hun datsja’s op het Datsjakamp dicht bij het station. Daar verhalen zij over hun ervaringen op de School voor zotten. De auteur heeft ieder personage zijn kenmerkend taaleigen gegeven, met alle eigenaardigheden van dien: vergissingen, opvallende zelfcorrecties, bizarre beeldspraak, soms geëxalteerd, vaak ook met onderhuidse weemoed. Omdat ieder hoofdstuk door een andere ‘zot’ wordt verteld, met zijn eigen idioom, ontstaat er een kakofonie van stemmen; soms kraakhelder van betekenis, vaak ook onbegrijpelijk door het zo persoonlijke taalgebruik.

    Zelfcorrectie

    Het begint al in de openingstekst, als de spreker per ongeluk het woord stationsvijver gebruikt, om zichzelf onmiddellijk uitgebreid te corrigeren: stationsrestauratie of stationskiosk, dat zou kunnen maar, stationsvijver niet. Wel kan een vijver bij het station zijn. Waarna de spreker zichzelf toestaat: nou bij het station dan.
    In de verhalen wemelt het van dit soort zelfcorrecties, terwijl ondertussen de meest bizarre verhalen worden verteld. Omdat elk hoofdstuk door een wisselend personage wordt verteld, verschilt per verhaal de stem van de verteller. Het doet denken aan de woordexplosies in Ulysses van James Joyce.

    Hoewel de verhalen van de personages doorgaans licht van toon zijn, verwijzen personages in hun teksten vaak impliciet naar de hardnekkige beerput die Rusland heet. Soms genoemd in contrast met heftige liefdes die zonder pathos opbloeien en daardoor diep ontroerend zijn. Op de achtergrond minacht een Kafkaëske overheid haar onderdanen. Om de situatie te verzachten verhaalt de verteller liever eufemistisch van Datsjakampen in plaats van barakken. Uiteindelijk leveren al die personages een stemmenboeket dat de perfecte beschrijving geeft van Rusland met al zijn eigenaardigheden, weemoed en agressie.

    Verrassend taalgebruik

    Dat Sasja Sokolov een groot talent is, leidt geen enkele twijfel, met zijn rijk register; zijn stijlbloemen als: ‘…de dalen van het niet zijn; als gefluisterde levens… Of een vergelijking als: de weerschijn van vallende sterren, in de scherf van een spiegel, die plotsklaps in het donker uit zijn lijst viel, om het gevaar te vernietigen van zijn nakende dood…’
    Een taalfeest van verrassende schoonheid.

    Het boek sluit af met een essay van Maxim Osipov dat de aangrijpende schoonheid van het boek benadrukt en daarmee de auteur Sasja Sokolov de plaats toekent in de wereldliteratuur die hem toekomt.

     

     

  • Van de Zuiderkerk de Zandstraat in

    Van de Zuiderkerk de Zandstraat in

    Recensie door Peter Samuel

    Wandelen is een ideale manier om een (grote) stad goed te leren kennen. Hannah Bakx en Roos Hamelink geven met hun eerste boek Amsterdam in 10.000 stappen een historisch inkijkje in de hoofdstad met tien wandelingen, elk tussen zes en acht kilometer lang. Ondanks vele vormen van al dan niet elektrische vervoermiddelen wordt in deze tijd nog altijd volop gewandeld. Jong en oud stappen erop los, corona of geen corona. Solo, in kleine kring, in sportief verband, tijdens georganiseerde vierdaagsen. Mensen die zich te voet voortbewegen, is dat een barbaarse bezigheid? Nee, het is uitermate gezond voor lijf en leden!

    Wandelgidsen zijn er dan ook diverse, onder meer over de hoofdstad van Nederland. In Dwalen door Amsterdam legt Simon Carmiggelt met subtiele ironie en melancholie menselijke tekorten messcherp bloot. Dit boek beschrijft vijftien rondwandelingen in Groot Amsterdam, waaronder vier stadse tochten. Wandelen buiten de binnenstad van Amsterdamschetst lange afstandsroutes, die op de kaart op een bord spaghetti lijken. Een wandelgids voor Amsterdammers, die denken Amsterdam te kennen. Andere uitgaven zijn Amsterdam acht keer anders, negen wandelingen kriskras door de stad in Amsterdam door! Gijs&Floor en 111 plekken in Amsterdam die je gezien moet hebben. Al deze uitgaven werpen een blik op de stad, ieder volgens een eigen invalshoek.

    Wie Amsterdam in 10.000 stappen leest, komt achtereenvolgens door het Centrum, Oud-West, Plantage, De Pijp & Rivierenbuurt, Zuid, Noord, Bos en Lommer & De Baarsjes, Oost, Nieuw-West en Bijlmer. Via deze beschreven stadswijken, eventueel in de praktijk volgens aangegeven routebeschrijving gelopen, komen wandelaars van alle leeftijden aan hun trekken, van jong(er) tot oud en van geboren hoofdstedeling tot nieuwkomer in de stad. Stappend door Amsterdam, stad begonnen als dam in de Amstel, kunnen liefhebbers van elders uit Nederland eveneens volop van de verhalen over Amsterdams rijke historie genieten.

    Grachtenstad

    Aan moerasland ontworsteld wordt grachtenstad Amsterdam wel het ‘Venetië van het Noorden’ genoemd. Gebouwen en kademuren van de grachten zijn op houten palen gebouwd. De ezelsbrug voor het exacte aantal steunpilaren onder het stadhuis van Jacob van Campen, het huidige Paleis op de Dam, komt uiteraard in beeld. Zo ook de ‘Amsterdamse School’, de nooit saaie bouwstijl met grote aandacht voor vormgeving en details als baksteen en rode dakpannen. ‘Het Schip’ van een eeuw geleden als hoogtepunt. De verzamelplaats aan het Spui die aan Amsterdamse kwajongens doet herinneren. Met standbeeld het ‘Lieverdje’, het historisch herkenningspunt voor alle Mokumse bengels.

    Wandelend door de stadswijken komt de lezer veel van Mokums verleden tegen. De verpauperde Nieuwmarktbuurt met zijn ‘Nieuwmarktrellen’. De Overtoom, om schuitje te varen en theetje te drinken. Paviljoen 3 voor degenen die psychisch gestoord waren. Het ‘Wassenaar in West’ en de ‘Magere Brug’, de ‘Stopera’ en de Portugese Synagoge. Het Scheepvaartmuseum, dat op 2.300 palen leunt. De temperamentvolle tsaar Peter de Grote, die naar verluidt flinke klappen zou hebben uitgedeeld.

    Co Adriaanse e.a.

    Hippies bekijken in het Vondelpark, een halve eeuw geleden in de ‘summer of love’. John Lennon en Yoko Ono, die ruim vijf decennia terug een week in bed lagen in het Hilton Hotel aan de Apollolaan. Het hotel, waar Herman Brood in de zomer van 2001 van het dak sprong. Wild Romance, de naam van zijn muziekband.
    Voetbalclub ‘De Volewijckers’, met Ajax-tenue, alleen de rode baan voor groen ingewisseld, landskampioen in 1944, ondanks de oorlog. Hannie Tolmeijer speelde er, en Co Adriaanse, namen die niet of nauwelijks meer aan de orde komen. Wel die van Dirk van den Broek, winkelier die met Albert Heijn wedijverde over wie de eerste zelfbedieningswinkel opende, een uit de Verenigde Staten overgewaaid winkelsysteem. Cockel Bockel, het oudste onderwaterhuis op de bodem van de Sloterplas, je moet het maar weten.

    Vorengenoemde items betreffen slechts een greep uit de historisch verantwoorde informatie, die de schrijfsters naast bijvoorbeeld bouwkundige en architectonische aspecten uit de geschiedenis van Amsterdam aan de orde stellen.
    Waar het onmogelijk is om volledig te zijn, is deze wandelgids bijster interessant, zowel voor de Amsterdammer die in de stad is geboren, als voor elke buitenstaander, die de geschiedenis van de hoofdstad nader wil leren kennen. Prettig leesbaar geschreven in tien hoofdstukken, die in willekeurige volgorde kunnen worden gelezen én volgens nauwkeurige routebeschrijving in willekeurige volgorde kunnen worden bewandeld. Of Roos Hamelink en Hannah Bakx met hun debuutboek een jong publiek weten te bereiken, moet de praktijk uitwijzen. Met hún wandelgids is de poging in ieder geval volledig de moeite waard.

    Nota bene 

    Een wandeling door het centrum van  Amsterdam duurt drie uur en telt 9.999 stappen. Gemiddeld 55,55 stappen per minuut, op toeristisch gemak dus. De routebeschrijving langs de talloze markante plekken was perfect, de tekst in de gids interessant, informatief, soms zelfs hilarisch.

    Naast sportieve beweger is recensent liefhebber van literatuur, vooral van alliteraties. Op de Zeedijk werd zijn oog onmiddellijk geraakt door de ‘verf van Vettewinkel’, door Ierse ‘Molly Malone’ en door het Hollandse ‘melkmeisje’. Bij de Sint Olofspoort viel ‘Ommeletterie’ hem taalkundig op. Van de Zuiderkerk de Zandstraat in, waar de boodschap ‘carillon concerten’ luidde. Zo ook ‘kleine kanjer’ in de Tweede Anjelierdwarsstraat nummer 19, tegenover Haasje Over. Over taal gesproken, wat te denken van bakkerij ‘De Drie Graefjes’ en souvenirshop ‘De Drie Monnikjes’ aan de achterzijde van de Nieuwe Kerk. Het zouden zo maar boektitels kunnen zijn. Op de toonbank van de gerenommeerde boekwinkel aan het Spui lag een stapel opvallende gidsen: ‘Amsterdam in 10.000 stappen’.

    ‘Zoals de oceaan de bron is van alle stromen, is in de geschiedenis het ontstaan en de ontwikkeling van alle vormen van wijsheid te vinden’.  Waar stonden die woorden ook al weer?
    De wandeling door de stad aan de hand van Hannah Bakx & Roos Hamelink laat het aan de oplettende wandelaar/lezer over. Die kan ze aan de Oudemanhuispoort 1 letterlijk ontdekken. Naast een andere tekst, die in deze beschouwing geparafraseerd van toepassing is: ‘Wat waar is, waardeer ik. Ik waardeer de auteurs om hun prachtige werk’.

     

     

  • Oogst week 26 – 2022

    De blauwe schuit

    ‘De literatuur van een land wordt gemaakt door schrijvers, de wereldliteratuur door vertalers. Zonder vertalers zijn wij schrijvers nergens, zitten we vast in onze eigen taal.’

    Deze woorden van de Portugese schrijver José Saramago, uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens, zijn waar, maar gaan nog verder dan dat. Vul voor ‘schrijvers’ maar eens ‘lezers’ in!

    Dat geldt helemaal als het ‘verre’ talen betreft. Jacques Westerhoven is vertaler van zo’n ‘verre’ taal, hij heeft veel Japanse literatuur voor de Nederlandse lezer toegankelijk gemaakt, bijvoorbeeld van de schrijvers Haruki Murakami, Mishima, Oë, Tanizaki en Junpei Gomikawa. Hij kreeg er in 2020 de Martinus Nijhoff Vertaalprijs, de belangrijkste Nederlandse onderscheiding voor vertalers voor. (Lees hier het juryrapport en het wordt duidelijk wat een prestatie het is om goed uit het Japans te vertalen.)

    Jacques Westerhoven is ook de vertaler van De blauwe schuit van Shūgorō Yamamoto dat onlangs bij Van Oorschot verscheen.
    In De blauwe schuit huurt een onbekende jonge schrijver in 1928 een huisje in een vissersstadje dat qua afstand niet ver van Tokyo ligt, maar waar hij zich bijna op een andere planeet waant. Daar koopt hij een wrakkig bootje waarmee hij de omgeving verkent, en tegelijkertijd leert hij de bevolking van het stadje kennen. Zo komt hij meer aan de weet over ‘emmergekken’, filosofische vissers, ondernemende schooljongens, eenden, krabben en strandkastanjes.

    In Japan is Shūgorō Yamamoto (1903–1967) misschien wel de bekendste schrijver van historische fictie, maar in het buitenland is zijn naam nagenoeg onbekend. Toch zijn meer dan dertig van zijn werken verfilmd. Tijd om kennis te maken dus!

    De blauwe schuit
    Auteur: Shūgorō Yamamoto
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Rusteloos

    In het VPRO-programma ‘Nooit meer slapen’ had Pieter van der Wielen op 8 juni jl. een gesprek met Casper Luckerhof, indoloog en historicus, journalist en boekverkoper.

    ‘Nooit meer slapen’ wordt midden in de nacht uitgezonden, grote kans dus dat u het gemist heeft, maar je kan het terugluisteren. Het duurt even, maar gaandeweg word je steeds nieuwsgieriger naar Rusteloos, en de totstandkoming daarvan. 

    Luckerhof had een bijzondere jeugd. Hij groeide op in een huis dat vol stond met Boeddhabeeldjes, een huis dat ook dienstdeed als een soort van tempel voor Tibetaanse monniken. Pas op de universiteit werd Luckerhof geconfronteerd met de wereldse kant van het boeddhisme en onstond het rebelse idee om ‘voor eens en voor altijd af te rekenen met Boeddha’. Hij zou een biografie gaan schrijven en reisde af naar het geboortedorp van Boeddha in Nepal.

    Die biografie is er nooit gekomen, maar hij heeft wel een bijzonder jaar gehad. Hij kreeg een baan in de grootste Boeddhistische bibliotheek van de wereld. Daar gebeurde eigenlijk niets. Zijn werk bestond er uit het afstoffen en rechtzetten van de boeken en het afwimpelen van bezoekers.
    Er werkten nog twee anderen mannen, een Duitser en een Italiaan en er ontstond een raar soort biotoop. De onderlinge verhoudingen komen uiteindelijk onder spanning te staan, en Luckerhof wordt ontslagen.

    In plaats van de biografie over Boeddha heeft Luckerhof Rusteloos geschreven, een boek dat hij graag een memoir noemt: hij heeft het verhaal over zijn tijd in Nepal verteld zoals hij denkt dat het gegaan is.

    Rusteloos
    Auteur: Casper Luckerhof
    Uitgeverij: Ambo/Anthos

    Boeken die geschiedenis schreven

    ­Onder de titel Books that made History (Boeken die geschiedenis schreven) is op 20 juni jl. in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een tentoonstelling geopend over 25 buitengewone boeken en hun auteurs. Boeken die niet alleen een sterke band hebben met de universiteit, vanaf de oprichting in 1575 tot op heden, maar die ook grote invloed hebben gehad op de stad Leiden en daarbuiten. Boeken van auteurs als Galileo Galilei, Albert Einstein, Anna Maria van Schurman en Anton de Kom, die tot op de dag van vandaag invloed hebben op hoe wij denken

    Gelijktijdig met de tentoonstelling verschijnt bij uitgeverij Athenaeum een Nederlandstalige publicatie met essays over de 25 werken, die nog meer context en achtergronden bieden. Het boek staat onder redactie van Kasper van Ommen en Garrelt Verhoeven.
    Hedendaagse experts en (on)bekende ‘ambassadeurs’ blazen de boeken nieuw leven in met hun kennis, anekdotes en persoonlijke bespiegelingen. Boeken die geschiedenis schreven bekijkt de werken vanuit de tijd waarin ze zijn geschreven. Aan bod komt, onder meer, de opkomst van universiteiten en bibliotheken, de rol van drukkerijen, en de plaats van vrouwen en mensen van kleur.

    De selectiecommissie is zich ervan bewust dat een keuze altijd subjectief is. Bezoekers van de tentoonstelling kunnen stemmen op hun favoriete boek, maar ook een suggestie doen voor andere titels, die in deze lijst zouden thuishoren.
    De tentoonstelling is t/m 4 september 2022 te bezoeken.

    Boeken die geschiedenis schreven
    Auteur: Kasper van Ommen en Garrelt Verhoeven
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Oogst week 22 -2022

    Moeder wist niet beter

    Journalist en schrijver Paul Teunissen is geïnteresseerd in mensen. Dat blijkt uit zijn onderwerpkeuze voor zijn artikelen die hij schreef voor o.a. Het Parool en Vrij Nederland. Het zijn allemaal betrokken artikelen die ingaan op het verdriet, de worsteling en het leven van individuen. Verhalen over o.a. een thuisloos meisje, over ouders van omgekomen kinderen, zijn ouder wordende vader (ook verfilmd) en over het jongenmeisje Juul.

    Ook zijn eerder verschenen boeken gaan over echte mensen. In In de beste kringen kruipt hij in de huid van mensen die hun dierbaren zien lijden aan ziektes als dementie, depressie, schizofrenie en borderline. En in Extreme overlast schetst hij ‘Portretten van op drift geraakte levens’.

    Zijn derde boek, de onlangs verschenen roman Moeder wist niet beter wijkt echter af omdat het autobiografisch is. Het is een boek over rouw en berouw, over jezelf verliezen en uiteindelijk hervinden, over hoe de liefde ook na de dood blijft voortbestaan.

    Moeder wist niet beter is het verslag van een zoon die niet met de teloorgang van zijn eens liefdevolle moeder kan omgaan. Hij besluit haar een laatste brief te schrijven en verbreekt vervolgens het contact. Kort daarna overlijdt zijn moeder en verliest de rouwende zoon de grip op zijn bestaan. Twintig jaar later schrijft hij haar opnieuw, in een ultieme poging te doorgronden waarom hun ooit intens verbonden levens zo wreed uiteenvielen.

     

    Moeder wist niet beter
    Auteur: Paul Teunissen
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium

    School voor zotten

    In hetzelfde jaar dat de Russische schrijver Sasja Sokolov, in 1975, de Sovjet Unie voorgoed mocht verlaten werd zijn manuscript van School voor zotten de Sovjet-Unie uit gesmokkeld en in het westen gepubliceerd.
    Sokolov werd in 1943 in Canada geboren, als zoon van een hooggeplaatste diplomaat maar groeide sinds 1946 op in de Sovjet-Unie.

    School voor zotten gaat over een jonge bewoner van een inrichting voor geestelijk gehandicapten. De jongen probeert in het reine te komen met de dood van zijn dierbare mentor en met zijn onbeantwoorde liefde voor zijn lerares. Zijn herinneringen aan jeugdzomers vallen samen met het heden, de doden zijn nog in leven en de geliefde is alom aanwezig.

    School voor zotten laat zich eveneens lezen als een metafoor voor het leven in de toenmalige Sovjet-Unie. Maar ook voor het leven in het huidige Poetin-Rusland waar nog steeds outsiders en dissidenten in psychiatrische inrichtingen of kampen worden opgesloten.

    Het boek werd vertaald door Gerard Cruys. Maxim Osipov, auteur van De wereld is niet stuk te krijgen schreef een nawoord.

     

    School voor zotten
    Auteur: Sasja Sokolov
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Het gele behang

    Vorige week werd Moederland in deze rubriek genoemd, een van de ‘vergeten literaire werken’ die uitgeverij Karakters terug onder de aandacht van het lezend publiek wil brengen.
    De schrijfster daarvan, de sociologe Charlotte Perkins Gilman (1860-1935) wordt wereldwijd beschouwd als een (weliswaar niet onomstreden) belangrijke feministische schrijfster. Haar opvattingen en ideeën verwerkte ze in haar romans en verhalen, en Moederland en Het gele behang zijn daarvan de meest bekende.

    Bij uitgeverij Orlando is onlangs Het gele behang verschenen. Het titelverhaal is gebaseerd op de eigen worsteling van de auteur met een postnatale depressie. In het verhaal raakt een jonge moeder in de ban van het gele behangpatroon op haar kamer, waarin ze een verplichte rustkuur ondergaat, en verliest langzaam haar verstand. De publicatie van ‘Het gele behang’ in 1892 veroorzaakte indertijd grote opschudding in de literaire en medische wereld.
    De andere verhalen in de bundel gaan over de traditionele plaats van de vrouw in de maatschappij. Voor Perkins Gilman stond vast dat niet alleen vrouwen maar ook mannen en kinderen zouden profiteren van het doorbreken van de vaste rolpatronen. Leidraad in al haar verhalen is de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw.

    De verhalen voor deze bundel zijn geselecteerd, vertaald en van een nawoord voorzien door Tjadine Stheeman.

    Het gele behang
    Auteur: Charlotte Perkins Gilman
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando
  • Serieus?

    Serieus?

    Er zijn nogal wat genres binnen het boekenbedrijf waar een stigma op rust. Met name sportboeken en thrillers worden vakkundig uit de canon geweerd. Om nog maar te zwijgen van het genre dat doet denken aan Avatar, Disney Plus en The Hobbit: fantasy. Twee redenen hiervoor: het zou te gemakkelijk vermaak en totaal ongeloofwaardig zijn. Met Echt gebeurd is geen excuus, een fantasyboek avant la lettre, logenstraft Heinrich von Kleist deze kritiek. In 43 fragmenten bewijst de Frankfurter namelijk dat verhalen niet per se geloofwaardig hoeven te zijn, om te blijven hangen en imponeren. Sterker nog: hoe vreemder de gebeurtenis, hoe liever mensen haar geloven.

    Echt gebeurd is geen excuus is een compilatie van verhalen, die Heinrich von Kleist tussen oktober 1810 en maart 1811 schrijft voor de Berliner Abendblätter. Aangezien Berlijn reeds gedomineerd wordt door zes andere periodieken, bouwt Von Kleist op ongebruikelijke manier een trouwe klantenkring op: via absurdisme. Zijn avondblad wordt ongekend populair en zou dat in deze tijd ook zijn. Hoe idioter de verwikkelingen waarover Von Kleist vertelt, hoe realistischer hij ze weergeeft met eenvoudige, maar effectieve stijlgrepen. Daarnaast doet Von Kleists zwarte humor denken aan de 19de-eeuwse romantici. Omdat Von Kleist zo smakelijk fabuleert, wil de lezer graag geloven dat alles wat hij schrijft, waar is. Daarom is Echt gebeurd is geen excuus een prachtige titel. Niet waarschijnlijkheid bepaalt de mate van waardering, maar onze ontvankelijkheid.

    Dit verzín je toch niet?

    Een soldaat overleeft een pistoolschot door zijn hart. Een bomexplosie knalt een Antwerpenaar blessurevrij van de ene naar de andere Schelde-oever. Groenlanders vissen een waterman, die lijkt op een nimf, op uit zee. Een 500-jarige geest laat zijn botten opgraven door een Tsjechische dorpsgek. Slechts in literaire vorm overtuigen deze verzinsels. Von Kleist past veelvuldig de raamvertelling toe, het verhaal uit de tweede hand, nu eens verteld door een praatzieke officier, dan weer een herbergier. Bovendien bouwen zijn vertellers disclaimers in, opdat zij niet op hun leugenachtigheid gepakt worden: ‘”Drie verhalen zijn zodanig van aard dat ik zelf weliswaar geloof aan ze hecht maar evengoed het gevaar loop voor een windbuil gehouden te worden als ik ze zou vertellen.”’ Het publiek reageert dolenthousiast: ‘”U hebt gelijk! Een verhaal als dit geloof je inderdaad niet! (…) Zonderling!”‘, waarna een nóg absurder verhaal met nóg meer gretigheid wordt verslonden.

    Het christelijke motto ‘Credo quia absurdum’ van kerkvader Tertullianus had het motto van de bundel kunnen zijn. Het betekent ‘Ik geloof, omdat het absurd is.’ Oftewel: zulke onwaarschijnlijkheden kúnnen niet verzonnen zijn, dus ze moeten wel kloppen. Von Kleist doet er alles aan om zijn teksten een zweem van objectiviteit te verlenen. Voor hem is het een spel. Hij smijt met jaartallen en veelzeggende details, verwijzend naar krantenberichten en historische naslagwerken: ‘In de Wiener Zeitung van 30 juli 1803 wordt gemeld dat de visserijpachters van het Koningsmeer in Hongarije een soort, naar hun zeggen, naakt viervoetig schepsel hebben waargenomen. (…) Hiertoe behoort de zogenaamde Napolitaanse Nicola Pesce, van wie men een authentieke beschrijving kan vinden in Gehlers Physikalisches Lexicon.’ Maar Von Kleist kan meer dan spelen met fake news.

    Ik sta daarnet op de tramhalte…

    Zelfs zonder expliciet aangehaalde vertellers lijken Von Kleists verhalen levensecht. Geruisloos tilt hij het verleden naar het heden met een truc, zo oud als de weg naar Rome: het praesens historicum. Beginnend in de verleden tijd, schakelt hij onmerkbaar over op de tegenwoordige tijd, zoals bij de Tsjechische idioot die de botten van een fantoom opgraaft: ‘De geest, alleen zichtbaar voor Joseph, ging stilletjes voor hen uit. De tocht bracht hen dwars door het veld bij een heide die aan een veldweg lag. Daar staat Joseph stil en zegt tegen zijn moeder: ‘‘Hier moeder, hier moeten we graven.’’’ Over een Noord-Franse tragedie uit St. Omer anno 1803 schrijft hij: ‘Aldaar viel een grote dolle hond (…) twee onder een poort spelende kinderen aan. Hij verscheurt net het jongste kind (…) als hun moeder verschijnt. (…) Ze wurgt hem en valt door vreselijke beten verscheurd bewusteloos naast hem neer.’

    Von Kleist wekt continu de suggestie dat we met bloedserieuze documenten te maken hebben. Zo faket hij een anonieme ingezonden brief aan zijn eigen Berliner Abendblätter. De brief stelt als alternatief voor de elektrische telegraaf bommenpost voor die ‘holle, met (…) brieven en pakketten gevulde kogels wegschiet, die men zonder al te veel moeite met de ogen kan volgen en waar ze neerkomen, mits het geen moerasgrond is, weer kan terugvinden.’ Namens De Redactie reageert Von Kleist op het door hemzelf geschrevene: ‘De inzender van bovenstaande geestige brief geven wij hiermee te kennen dat wij ons met zijn (…) moraliserende en publicitaire eldorado niet kunnen bezighouden. Persiflage en ironie zullen in ons streven om het heil van het mensengeslacht te bevorderen (…) niet van de wijs brengen.’ Eén persiflage van de Pruis spant echter de kroon…

    Werther’s original

    Die Leiden des jungen Werthers van Goethe belichaamt de Romantiek als geen ander: een gevoelige jongeman correspondeert met de tere Lotte. Hun noodlottige liefde leidt tot zelfmoord. Van deze doodernstige Sturm-und-Drang-pathos maakt Von Kleist een lolletje.

    Zijn korte verhaal De nieuwe (gelukkigere) Werther gaat over Charles C… die hopeloos verliefd is op de vrouw van zijn patroon, koopman D… – de beletseltekens suggereren wederom een schijn van feitelijkheid, evenals de plaatsaanduiding ‘L…e’. Wanneer D met zijn vrouw op reis gaat, ziet Charles zijn kans schoon en gaat hij in het bed van zijn geliefde liggen. Dan schrijft Von Kleist: ‘’s Nachts komt om de een of andere reden die hier niet vermeld hoeft te worden het echtpaar onverwachts thuis en (…) treffen ze de jonge C… aan.’ Humoristisch is hier met name hoe de schrijver weigert de thuiskomst van het echtpaar te verklaren. Soms gebeurt iets gewoon even, want dat is leuker voor het verhaal. Net als de apotheose overigens.

    In zijn schaamte te zijn ontdekt in de echtelijke sponde, schiet Charles zichzelf door de borst met een revolver. Dit veroorzaakt zo’n harde knal, dat koopman D van de schrik sterft aan een hartaanval. Voor een degelijk uitgevoerde suïcide blijkt Charles te ‘klunzig’; hij houdt aan zijn zelfmoordpoging een klaplong over. Hij trouwt met de kersverse weduwe ‘en beiden waren in 1801 nog in leven, toen hun gezin, zoals een kennis vertelt, al uit vijftien kinderen bestond.’
    Echt gebeurd is geen excuus is als de uitkomst van deze Werther-bewerking. Te mooi om niet waar te zijn. Te goed om te laten liggen. Eine grossartige (K)Leistung!

     

  • Hoe een Nobelprijswinnaar doorbrak met een klucht

    Hoe een Nobelprijswinnaar doorbrak met een klucht

    Tortilla Flat, de roman uit 1935 die John Steinbeck bekendheid bracht, is een lofzang op armoede. Geen verontschuldiging ervan, geen aanklacht ertegen, nee een ode aan paisanos, de lanterfantende en wijnzuipende armoedzaaiers die deze roman bevolken. Het boek verscheen tijdens de jaren van de Grote Depressie en de ‘Dust Bowl’ (de droogte en stofstormen, die een grote rol spelen in De druiven der gramschap). Peter Bergsma verzorgde een nieuwe Nederlandse vertaling.

    Geld maakt ongelukkig

    John Steinbeck (1902-1968) was niet de enige Amerikaanse schrijver uit deze periode die schreef over de minst gefortuneerde bevolkingsgroepen. Bijvoorbeeld William Faulkner deed dat eveneens (As I lay dying), John Fante zeker ook (Ask the dust). Tortilla Flat is echter bijzonder, omdat het de miserabele omstandigheden van de bezitlozen niet als problematisch voorstelt. Danny, de hoofdpersoon, en zijn vrienden voelen zich doorgaans gelukkiger zonder dan met bezittingen. Geld en goed zijn voor hen eerder een last, behalve als het om kleine hoeveelheden gaat die direct kunnen worden omgezet in vierliterflessen wijn. Dit blijkt al snel wanneer Danny twee huizen erft in de buurtschap ‘Tortilla Flat’, een klassieke probleemwijk nabij de stad Montery, aan de kust van Californië. Zijn nieuwe status als bezitter van twee woningen past hem helemaal niet. Hij verhuurt het ene direct aan iemand van wie hij al weet nooit een cent te zullen ontvangen. Wanneer dat huis niet veel later afbrandt, valt er een last van Danny’s schouders. In het overgebleven pand komen steeds meer vrienden te wonen. Alleen bed en beddengoed behoudt Danny als privébezit. Maar dan nog; op zeker moment houdt hij het niet langer uit en ontvlucht hij de woning om weer vrij te kunnen leven in de stegen en velden.

    Idealen en absurditeit

    Het drinken van grote hoeveelheden wijn, vervoerd in gecamoufleerde flessen (om te voorkomen dat ongenode derden er lucht van krijgen) en genuttigd uit jampotten, daarom draait het in het huis van Danny. Sinds Hemingways The sun also rises werd er op papier niet zoveel gezopen. Ook hier betreft het door de Eerste Wereldoorlog getraumatiseerde mannen, die niet geloven in het belang van werk en een gezinsleven. Toch zijn de paisanos van Steinbeck niet zonder idealen. In het voorwoord vergelijkt de auteur ze met de ridders van de Ronde Tafel. Hij hijst deze dronkenlappen en kleine criminelen op het schild. En dat zonder ironie, de schrijver heeft duidelijk genegenheid voor zijn personages. Ontroerend is het gedeelte waarin de vrienden azen op het geld dat een zwerver al jaren oppot, totdat ze horen dat die er een gouden kandelaar voor wil kopen. Dit als geschenk voor een katholieke heilige, vanwege een gelofte die werd uitgesproken om een hond te redden. Ze scharen zich allemaal achter het voornemen van de zwerver en vanaf dat moment is de geldschat volkomen veilig.

    Het boek moet echter ook weer niet al te serieus worden genomen. Zie bijvoorbeeld de archaïsche aanvangsbeschrijvingen bij elk hoofdstuk: ‘Hoe Danny, terug uit de oorlog, erfgenaam bleek te zijn, en hoe hij zwoer de weerlozen te beschermen’, enzovoorts. Tortilla Flat heeft de kenmerken van een klucht, met alle promiscuïteit en dronkenschap die daarbij horen. Delen ervan zouden als komisch toneelstuk kunnen worden opgevoerd door een plaatselijk amateurgezelschap. Een grappige anekdote gaat over een moderne, elektrische stofzuiger die Danny zijn minnares cadeau doet. Elektriciteit is er niet in de buurtschap, maar dat maakt voor de dame in kwestie weinig uit; ze produceert het zoemende geluid dat het apparaat hoort te maken gewoon zelf en stijgt hoog in aanzien bij haar vriendinnen.

    Sfeervolle beschrijvingen

    Een boek dus dat de maatschappelijke normen terzijde schuift en er een alternatieve wereldorde voor in de plaats stelt, waarin degenen zonder baan en zonder ambitie aan het langste eind trekken. Dit alles wordt ook nog eens opgetekend in een bijzonder fraaie stijl. Het vijfde hoofdstuk opent bijvoorbeeld zo: ‘De middag trad even onmerkbaar in als de ouderdom bij een gelukkig mens. Een beetje goud drong het zonlicht binnen. De baai werd blauwer en geribbeld door de zeewindrimpelingen. De eenzame vissers die geloven dat de vis bijt bij vloed verlieten hun rotsen, en hun plek werd ingenomen door andere, die ervan overtuigd waren dat de vis bijt bij eb.’
    Dergelijke korte intermezzo’s vind je om de haverklap terug in dit boek. Vaak gaat het over het weer, de natuur of de tijd. De schrijver weet hiermee de sfeer van de havenstad goed te vangen.

    In 1962 kreeg John Steinbeck de Nobelprijs voor literatuur toegekend, een destijds bekritiseerde keuze. Het is te hopen dat Peter Bergsma na drie moderne Steinbeck-vertalingen voor Van Oorschot (Muizen en mensen, Ten oosten van Eden en Tortilla Flat) ook de gelegenheid krijgt zich te storten op De druiven der gramschap, want dit tijdloze werk van de Nobelprijswinnaar verdient een recentere vertaling dan die uit 1940. Tortilla Flat is echter meer dan een opwarmer; wie het openslaat zal ontdekken dat het moeilijk is om geen sympathie te krijgen voor Danny en zijn broederschap van de druif.

     

  • Wie trekt de lijnen om de landen heen?

    Wie trekt de lijnen om de landen heen?

    Van jongs af aan gefascineerd door grenzen, trekt Milo van Bokkum eropuit om deze met eigen ogen te kunnen zien: fiets in de trein en op weg naar de grens. Soms bleek er helemaal niets te zien te zijn. Slechts een weiland te midden van andere weilanden, maar wel een Belgisch weiland, een exclave noemt hij dat. Maar er zijn ook zwaar bewaakte grenzen met hekken en zones niemandsland bezaaid met mijnen. Dan dringt de politieke realiteit zich op. Op lichtvoetige wijze behandelt Van Bokkum in Grensstreken de grootste grensgeschillen in heden en verleden. Het stellen van grenzen zorgt voortdurend voor conflictstof, zowel binnen als buiten Europa.

    Als Van Bokkum de grenskwestie tussen China en Taiwan in historisch perspectief plaatst, zitten we midden in de actualiteit. Dagelijks berichten de media over oplopende spanningen. Ditzelfde geldt voor de grensgeschillen tussen Rusland en Oekraïne vanwege de Krim. Van Bokkum gaat er als het ware met een drone overheen om ons te wijzen op het gemeenschappelijke element in al deze conflicten, namelijk dat mensen niet buiten het stellen van grenzen kunnen en dat machthebbers aan dit verlangen vorm trachten te geven, maar hun macht al te vaak gebruiken om tweespalt te zaaien. Binnen Europa tracht de Europese Unie voortdurend grenzen te slechten om zo het vrije verkeer van kapitaal en mensen binnen de Unie te vergemakkelijken, al staat dit streven steeds meer onder druk vanwege de grote  toestroom van vluchtelingen van buiten de Unie en de weerstand hiertegen in de lidstaten. De euforie na het vallen van de Muur en het verdwijnen van het IJzeren Gordijn is inmiddels verdwenen en we zien overal in Europa de roep om grenzen te sluiten weer opkomen. Sommige landen hebben zelfs al weer fysieke grenzen opgericht in de vorm van hekwerken en zelfs muren.

    Internationaal  Gerechtshof

    Toch is Van Bokkum niet pessimistisch. Hij wijst op de noodzaak om toch maar te blijven proberen  conflicten in der minne te schikken, bijvoorbeeld  door ze voor te leggen aan het Internationaal Gerechtshof in Den Haag, dat weliswaar over een moreel gezag beschikt, maar het aan macht ontbreekt om dit te effectueren. Maar toch, ook al trekken conflicterende partijen zich vaak niets aan van een voor hen mogelijk negatieve uitkomst van hun zaak, landen blijken telkens weer een oordeel te willen hebben van dit toonaangevende instituut. 

    De tol van het verleden

    Van Bokkum gaat uitvoerig in op de willekeur bij het trekken van grenzen door de koloniale mogendheden in het verleden. De arrogantie van de macht kwam onverbloemd tot uiting op de Afrikaconferentie in Berlijn in 1884 /1885. Daar werd Afrika verdeeld door de grote koloniale machten. Mooie rechte lijnen werden er getrokken dwars door oude stamgebieden heen. We zien dit zowel in Afrika als in het Midden-Oosten. De Masai wonen nu in Kenia en Tanzania. Soms krijgt dit lijnenspel een vreemde afwijking, bijvoorbeeld in Namibië. Dit mooie rechthoekige land was ooit een Duitse kolonie en heeft in het noordoosten een langgerekte uitstulping van 400 kilometer  lengte, de Caprivistrook. Deze is genoemd naar de Duitse onderhandelaar met de Britten. Hij wilde de kolonie verbinden met de rivier de Zambesi om zo in contact te komen met Duits Oost-Afrika. De Duitsers wisten niet dat de Zambezi helemaal niet bevaarbaar is. 

    Selectieve keuzes

    Van Bokkum is selectief in de keuze van zijn voorbeelden. Telkens belicht hij daarin een ander aspect van het trekken van grenzen. Zo werd in het verleden soms een bergrug of een rivier als grens gekozen, maar ja, bergen hebben schier ontoegankelijke dalen, waarbij de vraag kan rijzen van wie dat dal eigenlijk is, zeker als er plotseling zeldzame grondstoffen te vinden zijn, terwijl rivieren niet altijd dezelfde bedding volgen. Ook geeft hij voorbeelden van gebieden die eigenlijk een soort niemandsland vormen. Soms probeert een particuliere burger daar een eigen staatje op te richten zoals The Principality of Sealand op een voormalig olieplatform buiten de Britse territoriale wateren en Liberland op een stukje moerasland in de Donau dat noch door Kroatië, noch door Servië geclaimd wordt. Tenslotte geeft hij ook voorbeelden van gebieden die in gezamenlijkheid bestuurd worden door landen, wat soms heel goed blijkt uit te pakken. Leidend in het boek van Van Bokkum is de gedachte te laten zien dat we misschien op net iets meer manieren kunnen nadenken over soevereiniteit en grenzen, dan wij gewoon zijn te doen. 

    Uitnodiging om mee te fietsen met Milo van Bokkum

    Grensstreken is een heerlijk boek om te lezen en cadeau te geven. Het ziet er mooi verzorgd uit, rijk geïllustreerd met bijzondere kaartjes. Als vanzelf grijp je tijdens het lezen naar een atlas om de diverse gebieden die Van Bokkum beschrijft op te zoeken. Het boek is vlot geschreven met een fijn oog voor het smeuïge verhaal en detail. De meerwaarde van het boek is gelegen in de politieke actualiteit, waarin een wederopleving van nationale gevoelens steeds meer in botsing komt met de werkelijkheid van een globaliserende wereld met wereldomspannende problemen, die om oplossingen vragen. 

     

     

  • De hond heeft het beste beeld op de wereld

    De hond heeft het beste beeld op de wereld

    Guido van Hengel is gespecialiseerd in de geschiedenis van het voormalige Joegoslavië. Zijn boek De dagen van Gavrilo Princip uit 2014 is met veel lof onthaald. In zijn nieuwe boek Roedel kijkt hij opnieuw naar de geschiedenis van het voormalige Joegoslavië, maar nu vanuit het perspectief van een hond, dus vanaf knie- of heuphoogte. Honden leven weliswaar niet, zoals mensen, volgens een plan of met een doel, maar, net als de hond, is de mens ook een dier, dat snuffelt en ruikt of er gevaar dreigt en luistert naar geluiden in zijn omgeving, dat gedreven wordt door territorium- en roedeldrift. Van Hengel laat zich daarbij inspireren door het werk van Elias Canetti, Orhan Pamuk en de Japanse fotograaf Daïdo Moriyama.

    Tijdens zijn verblijf in Sarajevo in 2013 woedde er in de media een verhitte discussie over de vraag: moeten de straathonden in de stad wel of niet massaal worden afgemaakt? Wat zal de Europese Unie daar wel niet van denken en laat de Bosnische wet dat eigenlijk wel toe? Het wemelde in de stad van de straathonden. Er ging veel dreiging van uit. Vooral ’s nachts struinden enorme roedels door de straten. Zij zijn symbolisch voor de ontwrichting van de samenleving. Deze discussie inspireerde Guido van Hengel tot het schrijven van zijn boek. Toetreden tot de Europese Unie betekent aanhaken bij de beschaving en opruimen van de troep uit het verleden. Daar had men in die tijd, na de verwoestende oorlog, dringend behoefte aan.

    De geschiedenis wijst echter uit, aldus Van Hengel, dat na het massaal opruimen van dieren, het massaal opruimen van mensen nooit lang achterblijft. Hierbij wijst hij op het ‘opruimen’ van 60.000 straathonden in 1910 in Istanbul door de Jong-Turken, die, gedreven door het beschavingsideaal van de Verlichting, de macht in het land hadden overgenomen van de feodale sultans. Kort daarna volgde het ‘opruimen’ van de Armeniërs. Alle dieren, dus ook mensen, voorvoelen het gevaar en reageren daarop. Juist omdat honden geen plan of doel hebben, voorvoelen zij het gevaar eerder, zijn zij extra sensitief. Deze geschiedenis tracht Van Hengel in zijn boek te vangen.

    Dan huilen de wolven

    De wolf geldt als stamvader van de hond. In zijn schets van de geschiedenis van Joegoslavië tot de val van Srebrenica verwijst Van Hengel naar het gehuil van de Drina Wolven van de Servische kapitein Legenda, een vertrouweling van Ratko Mladic, die in 1995 zijn manschappen het bevel gaf luidkeels te huilen alvorens een Bosnisch dorp te overmeesteren: geheel volgens Canetti een metamorfose van mensen naar dieren, van soldaten naar wolven. Het refereert aan nationalistische Servische mythen waarin wolven een vooraanstaande rol spelen.

    Van Hengel behandelt uitvoerig de lotgevallen van Milovan Djilas, partizanenkameraad van Tito die uiteindelijk bij hem in ongenade viel. Hij beschrijft de verwording van het regime van Tito aan de hand van zijn honden; eerst Duitse herders in en na de oorlog tot de jaren 50 en 60, daarna jachthonden tijdens de zuiveringen (o.a. van Djilas) in eigen gelederen en tenslotte dwergpoedels ten tijde van de zelfverheerlijking. Mensen vereenzelvigen zich met honden en fokken ze naar hun beeld en gelijkenis. Fokprogramma’s komen op in dezelfde tijd als het sociaal-darwinisme en de eugenetica. Zo ook in Servië, waar men trachtte het ‘uitgestorven’ edele ras van de ‘Servische mastiff’ te reconstrueren. Dit hield gelijke tred met het oplaaiende nationalisme in het voormalige Joegoslavië.

    Dan blaffen de honden

    In zijn zoektocht volgt Van Hengel het spoor van de zwerfhonden. Hij gebruikt daarbij de uitspraak van Nietzsche als leidraad: ‘Ik heb mijn pijn een naam gegeven en noem hem “Hond”…’Dit brengt hem in contact met maatschappelijk onthechte mensen als Dalida en Jelena, slachtoffers van een maatschappelijke orde waarin de overheid afwezig is en de dienst wordt uitgemaakt door bullebakken die gewend zijn met grof geweld hun wil op te leggen. Dalida en Jelena vereenzelvigen zich met het lot van de vele zwerfhonden en nemen het voor hen op. Dit levert prachtige portretjes op van ontwortelde, maar strijdbare mensen. Van Hengel vergelijkt de aanpak van de hondenoverlast door massale vergiftiging met de aanpak van de burgers en vluchtelingen in Srebrenica: moordpartijen buiten het zicht van de camera’s op afgelegen plekken met een onmachtige internationale gemeenschap.

    Dan dwalen de mensen

    Van Hengel gaat op bezoek in het mijnwerkersstadje Bor, waar de Chinezen inmiddels de boel hebben overgenomen. Het voormalige Joegoslavië is, sedert de val van het communisme in 1989, een samenleving in transitie. Wat is dat eigenlijk? Het woord transitie suggereert een overgang, een ontwikkeling ergens naartoe. Maar daarvan is, volgens Van Hengel, helemaal geen sprake. Dat ondervinden de mensen in Bor aan den lijve. De politieke en economische machthebbers hebben geen enkel belang bij verandering. Straathonden leven tussen de verliezers van de transitie, niet tussen de overwinnaars. Zij leven niet in Belgrado, maar vooral in steden in de periferie zoals Bor.

    Van Hengel bezoekt een demonstratie in Belgrado, een demonstratie tegen de vergiftiging van honden zoals vanaf de zomer van 2019 regelmatig plaatsvindt. Bij de demonstratie sluiten zich de mannen aan van Levijatan, een ultranationalistische bende van ‘hondenliefhebbers’. De demonstratie krijgt een politiek karakter als iemand zegt: ‘De vergiftiging van de honden op straat is een symptoom van een uiteengevallen gemeenschap, waar mensen niet meer op elkaar letten en om elkaar geven.’

    Een aangrijpend en origineel boek

    Ontroerende ontmoetingen met mooie mensen worden door Guido van Hengel gekaderd in een diepzinnige beschouwing over het menselijk bedrijf in een niet al te vrolijke wereld. In het boek wordt dit, in de trant van de fotograaf Daïdo Moriyama, in beeld gebracht door portretjes van zwerfhonden in plaats van, zoals te doen gebruikelijk, portretjes van mensen.
    Wij, in het Westen, hebben de conflicten op de Balkan lange tijd met een hautaine blik bekeken: een beetje achterlijk, half tribaal met ideeën over bloedwraak, geen democratische traditie geworteld in de Verlichting. Nu weten wij dat nationalisme en racisme verschijnselen zijn die ook bij ons vaak kunnen rekenen op brede steun en dat het populisme welig tiert. Daaronder ligt voor Van Hengel de vraag naar de banaliteit van het kwaad: hoe kunnen gewone mensen ontaarden in wrede monsters? Dit boek stemt tot nadenken over de toekomst.

     


    De titel van deze bijdrage is ontleend aan de uitspraak van de Servische filmregisseur Dusan Makavejev (1932): ‘Al van jongs af aan wist ik dat de hond het beste beeld heeft op de wereld’.

     

  • Een interessante reis in een personagegedreven roman

    Een interessante reis in een personagegedreven roman

    Van Yolanda Entius (1961) verschenen eerder onder andere de romans Rakelings (2005) en Abdoel en Akil (2017). Entius studeerde geschiedenis, ging naar de toneelschool en werkte als actrice en regisseur. Haar nieuwste roman, getiteld Niet ik, speelt zich deels af op een toneelschool, waar hoofdpersoon Lena verliefd wordt op haar docent Dimitri. Niet ik is een boeiende personagegedreven roman over de zelfontwikkeling van een jonge vrouw.

    Lena studeert aan de toneelschool maar heeft moeite met het vinden van haar plek. Ze merkt dat ze zich voortdurend te zeer bewust is van zichzelf. Van een afstand analyseert ze de rol die ze inneemt op school en in haar sociale leven. Hierdoor lukt het haar nauwelijks een andere rol te spelen, terwijl dat toch juist is wat ze op de toneelschool hoort te doen. Wanneer ze bij een project begeleiding van docent Dimitri krijgt, wordt ze verliefd op hem. Deze verliefdheid confronteert haar extra met haar eigen gebreken.

    Heden en verleden als handleiding

    Lena vertelt als ‘ik’ haar eigen verhaal. De gebeurtenissen in haar leven die haar gemaakt hebben tot wie ze is, hangt de auteur kundig op aan haar verliefdheid op Dimitri. Rondom dit thema weet Lena namelijk belangrijke momenten uit haar jeugd te plaatsen, waardoor ze langzaam maar zeker bepaalde gedragingen en gedachten in perspectief kan plaatsen. Deze herinneringen beschrijft Lena in de derde persoon op een koele en afstandelijke manier.

    Het heden wordt afgewisseld met momenten uit het verleden en deze scènes zijn moeiteloos met elkaar verweven. Door de constante koppeling maakt Lena zichzelf indirect duidelijk hoe haar verleden haar acties en gevoelens in het heden beïnvloedt. Hierdoor is al vanaf het begin duidelijk dat er meer zit achter haar ogenschijnlijk onschuldige verliefdheid. Ze koppelt de gebeurtenissen uit haar heden en verleden aan elkaar, waaruit de impact van haar verliefdheid op haar latere leven blijkt: ‘En of het door de herinnering kwam, eerst aan mijn vader en later aan Dimitri, of aan die jurk, of gewoon door de verpletterende banaliteit van al die beweging om mij heen, die onaangedane bedrijvigheid; ik merkte dat ik stil begon te vallen. Ik stolde in de tijd.’

    De door Entius zorgvuldig gekozen plaatsen van de herinneringen in het verhaal dienen als een voorbode, een waarschuwing voor de lezer: let op, dit is belangrijk, klinkt het tussen de regels door. Samen vormen heden en verleden een handleiding voor het verklaren van Lena’s persoonlijkheid. Ook Lena zelf doet af en toe een duit in het zakje en maakt duidelijk dat de gebeurtenissen zich al voltrokken hebben, dat zij erop terugkijkt en meer inzicht heeft in de situatie dan ze had op het moment van de gebeurtenis zelf. ‘Spot, vuur, ironie, tederheid, het hing van mijn stemming af wat ik erin zag,’ nuanceert Lena de gevoelens van haar jeugdige zelf. 

    Losbreken

    Het ontbreken van een veilige basis, een thuisfront waarop ze kan terugvallen, de zoektocht naar een solide voorbeeldrol, de constante worsteling met zichzelf, haar zelfreflectie en het ontbreken van zelfvertrouwen waardoor ze constant op zoek is naar goedkeuring van anderen, zorgen ervoor dat Lena nooit volledig tot haar recht komt als actrice. De korte momenten dat dit wel lukt zijn de momenten waarop ze al haar remmingen vergeet, loslaat en er gewoon is. ‘Ik begreep wel hoe weinig ervoor nodig is om een gekooid dier op te jutten en te tergen. […] simpelweg dat iemand op het moment suprême niet thuis geeft, kan al voldoende zijn: het lont in een kruitvat. En dan, nog voor je met je ogen hebt geknipperd, drijft de razernij je naar het randje van de redelijkheid. Je valt, of nog beter: springt in een roes. Je doet wat je, vind je nu, al die tijd al had moeten doen. Eenmaal bevrijd slaat de draak zijn vleugels uit, mept met zijn staart tegen de verwachtingen waaraan hij niet kan voldoen, spuugt naar de man die hem klein hield, poept op de regels, trapt op wat hem lief is of wás […] en brult tegen zijn schaduw dat ‘we’ ‘ze’ eens alle hoeken van de kamer laten zien!’     

    Lena kan afstand nemen van de gebeurtenissen in haar leven door ze te vertellen. Heden en verleden treffen elkaar wederom op het einde waarin Entius alle losse eindjes mooi oppakt en samenbindt. Maar eigenlijk doet ze dit al zo goed door de hele roman heen dat het zonde is dat ze er op het einde voor kiest om Lena minutieus uit de doeken te laten doen hoe haar verliefdheid op Dimitri verweven is met het beeld dat zij van mannen heeft, en de daaropvolgende teleurstelling in mannen die haar vader al vanaf het prilste begin teweeg heeft gebracht. Het clichébeeld van een weggegooide (tastbare) herinnering in de vorm van een brief, doet concluderen dat de reis die Lena doormaakt in Niet ik interessanter is dan de ontknoping.

     

  • Geluk schuilt in het ontdekken van schoonheid

    Geluk schuilt in het ontdekken van schoonheid

    Sander Kollaard kiest ervoor de bundel De laatste dag van de koning te beginnen met verwondering. In het eerste verhaal, Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde, verwondert een kind aan het strand zich over de spiraalvormige heuveltjes zand waar wormen onder zitten. Verwondering vormt de grondhouding van de verhalen. In dit boek toont Kollaard zich naast een begenadigd verteller van korte verhalen ook een vaardig essayist. Met een zeer eigen stemgeluid, lucide en behoedzaam formulerend en beschouwend.  

    De personages die Kollaard schept zijn vaak op zoek, naar dierenskeletten of naar hun eigen plaats in de wereld. Zelden voelen ze zich ergens op hun plek of in een vertrouwde bubbel. Er is altijd een nieuwsgierigheid, een fascinatie voor wetenschappelijke principes en de drijfveren van mensen. Ze worden aangetrokken door de ‘schoonheid die voortvloeit uit een trefzekere ordening, zoals de schoonheid van een antieke tempel, een strijkkwartet van Beethoven of een natuurwet.’ Vaak worden ze gegrepen door kleine details die anderen ontgaan. Een hapering in het beeld van de televisie, een visitekaartje van een medium of wat het interieur zegt over iemand. De op een nauwkeurige, aandachtige manier beschreven kleine voorvallen doen een strakke regisseur vermoeden. 

    De afstand tot een ramp

    De hoofdpersonen van Kollaard zijn zich altijd bewust van de aanwezigheid van ‘Meester Dood’. Die schuilt in kleine dingen, zoals de afstand tot een ramp en de macht van het toeval. De details waar de auteur de aandacht op vestigt variëren. In De trogkrabber bijvoorbeeld is het een stuk gereedschap in een autowrak dat de hoofdpersoon tijdens een wandeling aantreft. Als hij erachter komt waar het voor dient, schiet hem meteen een lokale mythe te binnen. En dan gaan zijn gedachten via een rotsformatie van een versteende bruid in Corsica naar Nescio en naar het heelal. Kollaard heeft een lichtvoetige, essayerende pen en speelt een grillig literair spel met feiten. Soms verhullend en fictief, soms vermengd met biografische elementen, vaak over schrijvers. Bijvoorbeeld in het verhaal Over de merkwaardig lichte gang van Fernando Pessoa. Daarin is een hardloper op zoek naar zijn vermiste vriend, ondertussen filosoferend over de gesprekken die ze samen hebben gehad over Pessoa.

    Kollaard is zich ervan bewust dat we onszelf verhalen vertellen om de wereld te ordenen. Het ik hangt als los zand aan elkaar en als de mythes wegvallen blijft er rauw verdriet over. Over de sterfelijkheid van de mens en de schaduw die de dood werpt. Tegenover zekerheid stelt Kollaard twijfel en in de plaats van wijsheid komt alleen een ‘stakkerig wijs zijn’ zoals hij het met Nescio zegt. Voor zijn hoofdpersonen schuilt de troost vaak in kunst, zoals de plooi in het kleed van een beeld, of een kleur in het landschap die met schildershand gemaakt lijkt. Waar ze voor even ‘verlossing vinden van het verpletterende besef dat de tijd maar één richting kent.’

    In de eerste plaats is Kollaard een lezer, schrijft hij, en hij laat dat zien door zijn literaire kritieken. Hij bespreekt het werk van uiteenlopende schrijvers, waaronder Judith van Nimwegen, Stephan Enter en Judicus Verstegen. Schrijvend over het werk van Enter concludeert hij voor zichzelf dat stijl een kern-ingrediënt hoort te zijn in de roman. Zo reflecteert Kollaard over wat een roman uniek maakt. Tegen de ‘vrijwel volledige vernietiging van ons leven’ legt de roman iets van het leven vast. De complexiteit van de roman toont volgens hem de onzekerheid van het leven. De roman is van levensbelang, omdat hij perspectief biedt op andere ervaringen. Voor Kollaard is dit een houvast: ‘Dankzij boeken kan ik me tot de wereld verhouden. Door te lezen en te schrijven knoop ik me vast aan een wereld die anders onbegrijpelijk zou zijn.’ 

    Vluchtig geluk

    Vaak worden zijn karakters bedrogen door de herinnering, zoals de Russische doelman Dassajev in het verhaal En Dassajev verbijsterd achterliet. Het is afhankelijk van het personage wat voor verklaring hij of zij voor de chaos heeft. Zelf is Kollaard eerder geneigd om een breder perspectief te zoeken. Zoals Janet die in Het einde van de verlichting zegt: ‘De werkelijkheid is een chaos. Dat een uitzonderlijke gebeurtenis betekenis suggereert, zegt iets over ons, maar niets over de werkelijkheid. Toeval is overal.’ Wat overblijft is giswerk, in de literatuur en de wetenschap. Dit giswerk leidt vervolgens tot een wetenschappelijke theorie of een roman, beide kunnen mooi zijn, zegt Kollaard. Als een van de beste voorbeelden noemt hij Darwins evolutietheorie.

    Wat we nog uit de ‘gapende muil van de tijd’ kunnen redden zijn meestal kleine dingen, herinneringen, of een vluchtig gevoel van geluk. Geluk schuilt voor Kollaard onder meer in het ontdekken van de wonderlijke schoonheid van Darwins wormen in diens ‘Wormenboek’, het laatste dat Darwin voor zijn dood schreef. Het is ’tegen de duisternis in schrijven’ en ‘het voertuig zijn van verbeelding en inval, impuls en herinnering.’ Het vluchtige geluk, meent Kollaard, schuilt in schitterende taal, de taal die ons bij de hand neemt. Ook lezen is ten diepste autobiografie, schrijft hij. Via het verhaal van een ander komen we bij ons eigen verhaal: ‘Goede literatuur verlost de lezer en de schrijver van zichzelf.’ We zetten voor even een andere bril op en onze kijk verandert. Hij noemt literatuur zelfs een alternatief voor religie, het is immers een manier om de wereld te begrijpen.

    Schatgraven

    Veel van deze verhalen en essays zijn als eerste gepubliceerd in Tirade en De Gids. Daarnaast zijn er een paar nooit eerder gepubliceerde stukken. Sommige verhalen zoals Winkelcentrum Vredeburg Noord intrigeren en smaken naar meer. De essays zijn hoogtepunten. Hier doet Kollaard het nodige uit de doeken over zijn persoonlijke opvattingen, bijvoorbeeld als het over engagement gaat. De laatste dag van de koning levert het beeld op van een eigenzinnige schrijver die ambachtelijk te werk gaat en voor even een raam openzet waarna een grandioos perspectief opdoemt. Zijn opvattingen over de troost van literatuur onderschrijven zijn talent voor poëtische meditaties over het leven. Dit maakt deze gevarieerde bundel geschikt om in te schatgraven op zoek naar diezelfde verwondering als die Kollaard beschrijft.

     

     

  • Verzamelde gedichten na tachtig jaar écht verzameld

    Verzamelde gedichten na tachtig jaar écht verzameld

    De schrijver J. Bernlef heette in werkelijkheid Henk Marsman. Toen hij in 1959 debuteerde met de gedichtenbundel Kokkels koos hij ervoor om te schrijven onder pseudoniem. Hij deed dit om elke verwarring met de toen overbekende dichter H. Marsman (1899-1940) te voorkomen. De dichteres Lieke Marsman – in januari 2021 benoemd tot Dichter des Vaderlands – schrijft onder eigen naam. Het is blijkbaar voor Lieke geen serieus risico meer om te worden verward met haar ooit zo beroemde naamgenoot. Diens reputatie is verbleekt, zijn naam is uit het collectieve geheugen weggezakt. Ook al is en blijft Marsman de schrijver van ‘Het gedicht van de eeuw’, waartoe zijn ‘Herinnering aan Holland’ in het jaar 2000 verkozen werd. 

    Genoeg omtrekkende bewegingen. In poëtisch opzicht kende het vermaledijde corona-jaar 2020 een belangrijk en daverend slotakkoord, met de verschijning van de verzamelde verzen van H. Marsman, onder de titel Ik die bij sterren sliep. Dit kloeke boek telt ruim 750 pagina’s, inclusief uitvoerig commentaar, nawoord, verantwoording, aantekeningen, bibliografie en registers; meer dan 500 pagina’s zijn ingeruimd voor Marsmans poëzie. 

    Nieuwe Marsman, nieuw geluid

    Ik die bij sterren sliep biedt in verschillende opzichten gelegenheid tot een hernieuwde kennismaking. Op zichzelf is dat opmerkelijk, voor een dichter die al meer dan tachtig jaar dood is, van wie meerdere uitgaven bestaan van zijn Verzameld werk, van wie we het werk zouden moeten kennen uit bloemlezingen en een gedegen biografie en naar wie straten zijn vernoemd. Net als Slauerhoff, Ter Braak, Ina Boudier-Bakker en al die anderen is Marsman ‘een naam’ geworden. Uitgeverij Van Oorschot en tekstbezorger dr H.T.M. van Vliet komt de eer toe, deze gecanoniseerde Marsman volkomen nieuw te presenteren. 

    Wat wil namelijk het geval? Marsman was notoir onzeker over zijn werk, of in elk geval veranderde hij dikwijls van mening over de kwaliteit ervan. Meermalen in zijn korte leven herzag hij de door hem geschreven en gepubliceerde bundels poëzie en in 1938 – nog vóór zijn veertigste verjaardag – besloot hij tot de uitgave van zijn Verzameld werk in drie delen: poëzie, proza en kritisch werk. Het deel poëzie bevatte een gestrengelijk geselecteerd residu van in totaal ruim honderd gedichten, uit een veel groter corpus van eerder gepubliceerde verzen. En dat honderdtal gedichten – later aangevuld met de integrale bundel Tempel en kruis uit 1940, verschenen dus ná de uitgave van dat driedelige Verzameld werk – heeft sindsdien het beeld van de dichter Marsman bepaald: in de loop der jaren zijn er meer dan twintig drukken van de Verzamelde gedichten geproduceerd, wat van geen van Marsmans tijdgenoten kan worden gezegd. Maar gek genoeg ontbrak dus aan die zo vaak herdrukte Verzamelde gedichten veel van de door Marsman geschreven poëzie. 

    Volledige dichtwerk

    Hiermee werd door degenen die daarvoor verantwoordelijk waren, tegemoet gekomen aan de wens van de dichter. Hij wilde dat de door hem gemaakte keuze uitgangspunt zou zijn en blijven, bij heruitgaven van zijn ‘verzamelde’ gedichten. Maar ja: toen Marsman die keuze maakte, en zijn vrouw en intieme vrienden liet beloven hiermee rekening te zullen houden, wist hij natuurlijk niet dat hij zo jong zou sterven en dat hij dus met de strenge keuze uit zijn gedichten zijn oeuvre beperkte en bepaalde.   

    Deze nieuwe uitgave van de verzamelde verzen brengt voor het eerst Marsmans volledige dichterlijke productie in een handzame uitvoering onder het bereik van een groot publiek. Dat kan nu gemakkelijk kennis nemen van de inhoud van de oorspronkelijke bundels en aldus de ontwikkeling volgen die Marsman heeft doorgemaakt. Bovendien zijn in dit boek ook alle gedichten te vinden die ooit alleen in tijdschriften zijn gepubliceerd, en óók de gedichten die überhaupt nooit eerder in druk verschenen zijn. Met name uit deze laatste, en dan vooral de tientallen verzen van de nog zeer jonge Marsman, rijst een dichtersfiguur op die inderdaad jong en schuchter is en tegelijk gedecideerd, driest en ambitieus. 

    Het gedegen commentaar bij elk afzonderlijk (!) gedicht van de ervaren tekstediteur dr. H.T.M. van Vliet, maakt het mogelijk de ontwikkeling van Marsmans poëtische oeuvre stap voor stap te volgen. Dit is overigens geen sinecure. Marsman nam soms hetzelfde gedicht (al dan niet bewerkt) in verschillende bundels op. En aangezien de verschillende bundels integraal in deze verzameling zijn herdrukt, komt het meermalen voor dat een gedicht twee keer in deze verzamelde verzen staat. Ook zijn bijvoorbeeld de rubrieken ‘Ongebundelde en nagelaten’ gedichten telkens in perioden verdeeld, zoals ook Marsman zelf zijn poëtische werkzaamheid periodiseerde. Gevolg daarvan is dat wie álle nagelaten gedichten wil lezen daarvoor op minstens drie plaatsen moet kijken (p. 387-438, p. 463-480 en p. 515-517).   

    Kleine indruk

    Er is geen beginnen aan om van deze spiksplinternieuwe Marsman door middel van een enkel gedicht een indruk te geven. Zeker wie zich nu (februari 2021) veroordeeld weet tot binnenblijven, kan zich met dit boek een groot plezier doen en zelf bladeren, verkennen en lezen: het is de moeite ten volle waard. Toch, ter aanmoediging,  deze bijvoorbeeld:

    golf spoelt uit buik der nacht
    (walm en stank)
    Dag zweet. Tomate-rood
    vette vrucht –
    splijt tegen donker!
    (donker is rot en scherp)
    vlezen bol is aarde
    – larven
      zwermen
      vratig:
      mensen! –
    gespoten sap is licht
    geschrompeld vlies
    hemel.

     Ziedaar, met deze tekst benaderde de 19-jarige dichter op 29 juni 1919 de kunstenaar Theo van Doesburg, een der voormannen van De Stijl. Marsman schreef hem: ‘U is een der betrekkelijk weinigen die ’n vers als bijgaand zuiver kunnen zien. Ik ben daarom zoo vrij het u ter beoordeling toe te zenden.’ Hoe Van Doesburg heeft gereageerd vermeldt de historie niet, maar bewaard heeft hij het gedicht wel, aangezien het zich nog altijd in zijn archief bevindt.  Een half jaar daarvoor, oktober 1918, schreef Marsman het gedicht ‘Herfstland’. 

    Er is geen groter rust dan deze rust:
    herfstland in schemering.
    Aarde is moe en bruin,
    en aan de lucht de grijze stapeling van wolken,
    kleuren zijn dood, geabsorbeerd
    met klank en alle leven in grijze damp.
    Zie! aan de vage randen
    der eindeloze landen
    staan groepen bomen:
    de stomme, zwarte handen,
    die uit de sterke aarde
    grijpen naar de waze randen
    van den hemel, … om te dragen.
    – Door strakke spleten in het Westen
    druppelt licht,
    moe wittig licht,
    als uit een andre wereld …
    En in het trillend middelpunt
    van deze bruinen cirkel: vruchtbare aarde
    en dezen koepel: avondhemel
    het vlammend zaad van aarde en hemel
    staat: mijn jeugdig lijf.

    Misschien is de wens de vader van de gedachte, maar het lijkt of in een enkele regel al een vingeroefening hoorbaar is voor de latere ‘Herinnering aan Holland’. 

    Met de uitgave van Ik die bij sterren sliep. Verzamelde verzen krijgt het dichterschap van H. Marsman een volkomen nieuwe kans. Of Dichter des Vaderlands Lieke Marsman zich alsnog genoodzaakt ziet tot het kiezen van een pseudoniem is twijfelachtig. Maar als een paal boven water staat, dat poëzie-minnend Nederland met dit literair-historische monument een grote dienst is bewezen.