• ‘Barmhartig kussen op haar droef gezicht’

    ‘Barmhartig kussen op haar droef gezicht’

    In de prachtige serie dundrukken van Nederlandse auteurs door Uitgeverij Van Oorschot is nu deel 12 verschenen: Alles raak van Mensje van Keulen. Het bekoorlijke van de serie is niet alleen de verzorging van de boekjes die passen in je handpalm, maar vooral de sterke selectie van prozafragmenten, korte verhalen en gedichten. Iedereen die zo’n bundel samenstelt zou wellicht andere keuzes maken, maar in Alles raak zou je toch ook niets willen schrappen. Bovendien past in dit geval eerbiedige volgzaamheid want de selectie werd deze keer gemaakt door de auteur zelf. Alles raak bevat zesentwintig verhalen (eigenlijk zevenentwintig, want twee komen uit de verzameling teksten uit Olifanten op een web), veertien gedichten (maar daaronder ook de hele 26-delige cyclus Van Aap tot Zet) en een kleine selectie van dagboekaantekeningen uit Alle dagen laat, Neerslag van een huwelijk en Moeder en pen. Eén verhaal en twee gedichten werden nooit eerder gepubliceerd en sommige verschenen enkel in tijdschriften.

    Verdriet is het verhaal dat nu voor het eerst te lezen is. Het is een trieste geschiedenis die in nog geen anderhalve pagina laat zien wat onderdrukking van gevoelens met ons doet, maar in dat korte bestek is zoveel vertelkracht en inleving samengebald dat je even moet ademhalen voor je naar een volgend verhaal kunt. Die amechtigheid overvalt de lezer vaker, zo intens word je meegenomen op een gevoelsstroom die je voert langs afwisselend droeve en geestige, en soms absurd ontsporende verwikkelingen. In De spiegel bijvoorbeeld reageert een meisje, Iris, op een advertentie waarin ze een spiegel wil ophalen in ruil voor een wederdienst. De eerste zin is meteen onheilspellend: ‘Overal loerden dieven volgens haar moeder’. De afloop is echter veel verrassender en intenser.

    Achteloos

    Van Keulen slaagt er bijna altijd in vanuit haar hoofdpersonage te schrijven alsof dat zich niet bewust is van een lezer. Als een naam valt volgt daar zelden uitleg bij. Zie bijvoorbeeld Angela. Daarin wacht deze vrouw op een man en als ze er een ziet komen denkt ze: ‘Is het Eric? Is het Sjon? Het kan ook de man zijn die met Peet ondertekende’. Schrijvers met minder talent voor soberheid zouden die drie namen wellicht voorzien van een toelichting: ‘Eric, de xxx’; ‘Sjon, die ..’. De verteller van Van Keulen zit echter in het hoofd van Angela, die haar beelden van die mannen heeft, maar ze bij zich houdt. Ze waant zich onbespied door ons.
    Op een vergelijkbare manier laat Van Keulen een hele wereld vermoeden achter achteloze zinnen als (in Lelijk): ‘Langs de etalageruit liep een vrouw, van wie Victor wist dat ze uitsluitend wit dronk en een been had dat anderhalve centimeter korter was dan het andere’.

    Sprookje

    Het is in dit verband interessant om nog eens een gesprek terug te lezen dat Peter Henk Steenhuis in 2002 had met Mensje van Keulen over het verhaal Prima la musica, dat ook in deze gedundrukte bundel staat. Het gesprek verscheen op 3 juli 2002 in Trouw in een serie met de titel ‘Zelfkritiek’. Het verhaal gaat over de zoon van een pianostemmer die graag zanger wil worden maar geen goede stem heeft. Het is een ontroerend sprookje dat inzet als hij dronken en lallend een vrouw tegenkomt. In het gesprek in Trouw laat Van Keulen boeiend zien hoe het schrijven ervan bestond uit het zoeken naar steeds meer precisie van woorden en het schrappen van overdaad.

    Deserteur

    In veel verhalen zijn autobiografische elementen terug te vinden. Zo is daar Lijn elf, waarin de verteller in de tram van station Holland Spoor naar de kust reist. De rit is tevens een reis door haar jeugdherinneringen.
    Gelukkig is de keuze om in Alles raak twee stukken uit Olifanten op een web direct te laten volgen door het verhaal Meneer Harry. Het genoemde boek schreef Van Keulen over de relatie met haar moeder; de herinneringen aan haar misdadige en veelal afwezige vader kregen nooit vorm in een boek, maar vormden wel de grondslag voor Meneer Harry, een verhaal dat ook al was opgenomen in Ik moet u echt iets zeggen uit 2020. In een prachtige opsomming laat ze hem zijn leven samenvatten in het woord ‘deserteur’. Dat was hij: ‘Van familie, land, legioen, werk, vrouwen, kinderen. Maar ik heb mijn best gedaan om in die burgermaatschappij te passen, nietwaar, geheugen?’ (De vader heeft een hersenbloeding gehad, zit in een verpleeghuis en kan niet meer praten. Hij heeft enkel zijn herinneringen).

    Katten

    Terecht is in de selectie van gedichten de complete reeks Van Aap tot Zet opgenomen. Het is een heerlijke cavalcade van beesten in versjes die dartelen van taalplezier als alliteraties en speelse rijmen en ritmes met als slotgedicht dat over Zizi Zevenslaper waarin alle voorgaande dieren in slaap worden gekust.
    Behalve twee niet eerder gepubliceerde gedichten zijn nu ook diverse over katten opgenomen die tot nu toe slechts in bibliofiele uitgaven waren te vinden. Ze zullen voor lezers van Alles raak dus net zo nieuw zijn. Daaronder is het het aandoenlijke De kat en de weduwe, waarin een vrouw omringd is door herinneringen aan haar overleden man. Daaronder ‘de onbeslapen zijde van het bed’ waar de kater zich neervlijt als de vrouw gaat rusten en haar ‘Barmhartig kussen op haar droef gezicht’ doet voelen.

    De laatste tweeënzestig pagina’s bestaan uit fragmenten uit de drie dagboeken die Mensje van Keulen (haar meisjesnaam is Van der Steen) uitgaf tussen 2006 en 2013. Het laatste daarvan, Moeder en pen, beschrijft de nasleep van een mislukt huwelijk met haar man Lon van Keulen. Op 22 april 1983 schreef ze: ‘Morgen naar het Paleis van Justitie en als ik naar buiten loop, ben ik weer Mennie van der Steen’.
    ‘Mensje van Keulen’ bleef: de schrijver van het ontroerende Ik moet u echt iets zeggen over Annie die haar buurman een brief dicteert die zij wil schrijven aan de rechter, van het wrange Jezus is een nul over kruidenier Vlaswinkel en de inzameling van snoep in de vastentijd voor kindertjes in de Derde Wereld die moesten worden behoed voor ‘de antichrist met slagtanden’. En zoveel meer dierbare geschiedenissen. Je blijft ze lezen in Alles is raak.

     

     

  • Oogst week 42 – 2023

    De groenvoorziening

    Vorig jaar verscheen bij uitgeverij Lebowski de bundel Profane verlichting waarover Hettie Marzak op Literair Nederland schreef: ‘Van der Sluis neemt de lezers in zijn bundel mee door zijn leven van alledag aan de hand van wat nog het meest een dagboek lijkt te zijn. Achter de gedichten, die op het eerste gezicht komisch lijken, schuilt een Weltschmerz en een gelatenheid, die de gedichten indringend maken en van een dubbele bodem voorzien. Een gelaagdheid die eerst doet lachen en dan doet huilen. Van der Sluis maakt van de lezer eenzelfde droeve clown die hij in zijn gedichten uithangt.’

    In Profane verlichting komen zijn therapiesessies bij de psycholoog aan de orde die gaan over ‘de onzekerheid van de dichter, zijn verlangen naar acceptatie en de angst om afgewezen te worden.’

    Zijn volgende bundel zou een vervolg kunnen zijn, want op het omslag valt te lezen:
    ‘Wanneer een volgende psychische instorting zich voorlopig niet lijkt aan te dienen, besluit Johannes zijn schrijftafel en canapé te verlaten. Hij meldt zich bij de lokale plantsoenendienst in Rotterdam-IJsselmonde en met de schoffel in zijn handen probeert hij weer grip op het leven te krijgen. Al snel wordt hij onderdeel van de groep bijzondere mensen die zich ontfermen over het stedelijke groen.’

    Johannes van der Sluis (1981) is dichter en hoofdredacteur van Hollands Maandblad. Hij debuteerde, onder het pseudoniem Giovanni della Chiusa met Een mens moet ook niet alles willen weten (2018). Het daaropvolgende Ik ben de Verlosser niet en Profane verlichting verschenen onder zijn eigen naam.

    De groenvoorziening
    Auteur: Johannes van der Sluis
    Uitgeverij: Uitgeverij Lebowski

    Het Jekerkwartier. Broedplaats van vrolijk verzet

    Op de pagina bezoekmaastricht.nl wordt over het Jekerkwartier gesproken als ‘dé local ervaring van Maastricht’ en ‘immer levendig’. ‘In deze wijk laat historisch Maastricht zich van z’n beste kant zien. Je komt er projecten van jonge ondernemers tegen en je kunt er een hele dag op het terras blijven zitten. Weinig wandelingen zijn zo divers als een wandeling door deze wijk.’

    Dat was vroeger wel anders. In Crapuul. Kroniek van een krottenwijk uit 2022 schetst Frank Bokern een onthutsend beeld van de mensonwaardige leefomstandigheden in deze wijk tussen 1840 -1973. Het Jekerkwartier was oorspronkelijk een wijk met mooie grote panden die bewoond werden door de gegoede Maastrichtenaren. Na de afscheiding vertrokken deze bewoners naar België en begonnen huisjesmelkers de losse kamers te verhuren aan de arbeiders die Maastricht aantrok als gevolg van de industrialisatie.

    Het duurde eindeloos, maar uiteindelijk ontwikkelde het Jekerkwartier zich na de Tweede Wereldoorlog tot een broedplaats van vrolijk verzet. De kunstenaars en krotbewoners en later de nozems, provo’s, hippies en krakers komen ieder op hun eigen manier in opstand tegen de burgerlijkheid van die tijd.
    Daarover schrijft Frank Bokern in zijn tweede boek over deze wijk, Het Jekerkwartier. Broedplaats van vrolijk verzet. Het is het lokale verhaal van de jaren zestig, de individualisering en de ontzuiling.

    Het Jekerkwartier. Broedplaats van vrolijk verzet
    Auteur: Frank Bokern
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot (2023)

    Alles raak

    En tot slot in deze Oogst, het bericht over een nieuwe titel uit de serie Gedundrukt van Van Oorschot: Alles raak van verhalenverteller Mensje van Keulen.

    Zowel de serie als de auteur behoeven weinig toelichting. Van Keulen maakte zelf een selectie uit haar verhalen, gedichten en dagboeken. ‘In goed overleg met de uitgeverij’, zoals zij zelf toelichtte in De Taalstaat, het wekelijkse radioprogramma op NPO1 waar het allemaal om taal draait, is de definitieve selectie tot stand gekomen.

    Alles raak
    Auteur: Mensje van Keulen
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot (2023)
  • Boeiend portret van een hooggeleerde 20e eeuwse neerlandica

    Boeiend portret van een hooggeleerde 20e eeuwse neerlandica

    In maart 2022 kwam het boekje Late liefde uit, een portret van Margaretha Schenkeveld, emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde. Schrijfster Jannetje Koelewijn leert haar in 1977 kennen als zij zelf als studente Nederlands aan de VU in Amsterdam begint en Schenkeveld daar hoogleraar is. Enkele anekdotes laten zien hoe zij tegen deze geleerde vrouw opkijkt en waardoor zij haar 42 jaar later nog altijd niet durft te benaderen, in dit geval voor een interview over de teloorgang van de universitaire studie Nederlands. Een jaar later komt het toch tot gesprekken: Koelewijn wordt door Schenkeveld bij haar thuis uitgenodigd. Vanaf dat moment zijn die bezoekjes de kapstok waaraan dit geschreven portret in korte hoofdstukjes is opgehangen. Er volgt steeds weer een nieuw element, een nieuwe anekdote, een nieuwe fase. Koelewijn voegt eigen ervaringen en bespiegelingen toe en dit alles levert een gevarieerd, prettig leesbaar en interessant verhaal op.

    Margaretha Schenkeveld is geboren in 1928 in Alkmaar. Ze is een meisje dat al van jongs af aan van geschiedenis en lezen houdt en dat al vanaf de zesde klas, nu groep acht, weet dat ze Nederlands wil gaan studeren. In 1940 gaat ze naar het stedelijk gymnasium, waar ze vanaf de tweede klas Grieks krijgt van Arie Hoekstra, een getrouwde man van 29 jaar oud. Margaretha mag hem graag, wordt verliefd, houdt van hem. Vierendertig jaar later bekennen ze elkaar de liefde, ze trouwen in 1976 en tot Aries overlijden in 1987 zijn ze gelukkig samen. Rondom deze liefde, de toenadering en het samenzijn zijn geen wilde intriges of smachtende jaren beschreven. Het is zoals het is: Margaretha is tot haar 47e alleen geweest en heeft het al die jaren druk met haar studie, haar werk en met de zorg voor haar ouders.

    Voorbije tijd

    Titel en achterflap van het boekje doen vermoeden dat het vooral over de bijzondere liefde(sgeschiedenis) van Schenkeveld en haar Arie Hoekstra gaat. In werkelijkheid is het ook en misschien meer nog een beschrijving van erudiete oude mensen en van dingen die voorbijgaan, onder andere aan de faculteit der letteren en bij de studie Nederlands. Er wordt een beeld geschetst van Schenkevelds achtergrond en omgeving in de vorige eeuw, van het onderwijs en van schuivende panelen in het land van de literatuur. Daarmee is Late liefde niet alleen een droevigstemmend feest der herkenning voor neerlandici opgeleid in de vorige eeuw, maar houdt het hen ook een spiegel voor. Een spiegel niet alleen van ‘neregeb’, begeren naar de goede oude tijd, maar ook één die helpt relativeren en wellicht helpt bij het vooruitkijken.

    Margaretha Schenkeveld is 92 als ze de gesprekken met Koelewijn voert. Ze heeft een rijk leven achter de rug. Als wetenschapper heeft ze bijna alles bereikt wat er te bereiken valt: ze is gepromoveerd, is jarenlang hoogleraar geweest en is geridderd in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In haar privéleven is ze nog ruim tien jaar samen geweest met de liefde van haar leven. Wat opvalt is haar milde nuchterheid in het omzien. Dat ouders een stokje staken voor ‘gemengde huwelijken’ vond en vindt ze nog altijd heel normaal.

    Treurig verhaal

    Schenkeveld studeert onder andere af op de 19e eeuwse schrijver Willem de Clercq. Zij houdt erg van het werk van de dichter Leopold, haar Arie hield vooral van Boutens’ gedichten. Deze schrijvers zijn net als Bosboom-Toussaint, Nijhoff, Gorter en de Tachtigers allemaal onder het stof van de tijd verdwenen. En dat is niet het enige wat drastisch veranderd is. Nadat in 1968 de Mammoetwet is ingevoerd en er een vwo-opleiding ontstaat zónder klassieke talen, is een diploma in die talen geen voorwaarde meer voor het volgen van de studie Nederlandse Taal- en Letterkunde. Dat legt de studie geen windeieren. Honderden studenten per jaar beginnen aan diverse universiteiten in het land aan de studie Nederlands. Er is zelfs een plaatsingslijst. Studeren aan de universiteit wordt later ook toegankelijk gemaakt voor ‘stapelaars’ wat het startniveau van de startende studenten vaak verlaagt.

    De laatste decennia is de studie Nederlands versnipperd en uitgekleed waardoor er inmiddels nog maar weinig eerstejaars studenten zijn. De ene na de andere faculteit sluit, leerstoelen verdwijnen. Als het gaat om veranderingen in het Nederlandse onderwijs, valt wederom Schenkevelds mildheid op. Velen klagen steen en been over de invoering van de Mammoetwet, zij pleitte als lid van de Academische Raad vóór het toelaten van vwo’ers zonder Grieks en Latijn. ‘Doe dat nou maar […] want het is toch niet tegen te houden.’ Koelewijn noteert, vraagt soms door, oordeelt niet expliciet, maar God hoort haar brommen. Over het verdwijnen van de leerstoelen schrijft ze: ‘[Schenkeveld] zuchtte. “Het is zo’n treurig verhaal.”‘

    Schenkeveld is een vrouw die trots zijn op zichzelf ‘aanmatigend’ vindt. Maar het eerste wat ze aan Koelewijn vraagt, is of zij niet trots is op haar opleiding? Waarom noemt zij zichzelf geen neerlandica, maar journalist? Literatuur heeft tegenwoordig geen aanzien meer, daar zijn de beide neerlandici het over eens. Het zij zo. De lezer zal onwillekeurig denken aan rode vlaggen die al gehesen zijn voor de schoolvakken en universitaire studies Frans en Duits. (Universitair) docenten en studenten van deze vakken kunnen hun borst natmaken.

    De schrijver is dood

    Interessant is het dat Schenkeveld in sommige kwesties afstandelijk blijft. Koelewijn vraagt zich dan af ‘hoe eerlijk ze tegenover zichzelf was.’ Wat lees je als je troost zoekt? vraagt Koelewijn haar bijvoorbeeld. Schenkeveld declameert dan Leopolds beroemde ‘peppelgedicht’ waarin hij treurt over een onbereikbare geliefde: ‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’. Zij heeft tientallen jaren moeten wachten op de vervulling van haar liefde, maar een verband tussen de keuze voor dit troostgedicht en haar lange wachten wordt door haar zelf niet benoemd.

    Zij wil ook niets weten van een verband tussen leven en werk. ‘[…] de persoon van de schrijver doet er niet toe.’ Het Heilige Adagium van de literatuurbeschouwers van de vorige eeuw is: ‘de schrijver is dood’. Het is daarbij onwetenschappelijk om werk van een schrijver te verklaren vanuit biografische gegevens. Dat zien we terugkomen als Koelewijn met Schenkeveld over haar lezing over poëzie van drie Nederlandse schrijfsters, Betje Wolff, Henriëtte Roland Holst en Ida Gerhardt, spreekt. De lezing gaat over werk waarin deze sterke, zelfstandige vrouwen zichzelf onderzoeken. Wolff spot met de eisen die aan een echtgenote en (huis)vrouw worden gesteld, HR Holst bevraagt haar eigen kinderloze leven, bij Gerhardt speelt een geknechte jeugd een rol. Schenkeveld wil het nadrukkelijk niet hebben over de rol van haar eigen jeugd. En speculeren over de onderlinge relatie tussen Wolff en Deken is ook een niet te betreden gebied.

    Interpretatieruimte

    Heel lang heeft Schenkeveld geen relatie gehad. Er waren enkele geïnteresseerde mannen, die hun belangstelling soms op een ongepaste manier uitten, maar die waren kansloos. Ergens in de jaren vijftig krijgt ze een spontane, ongeplande en eigenlijk ongewenste kus van Arie, als hij haar naar het station brengt na een bezoek aan hem en zijn vrouw. In het hoofdstukje hierna verhaalt Koelewijn van een eigen ervaring. Een vader van een vriendinnetje van haar komt dichtbij. Ze beschrijft dit voorval niet om een overeenkomst in grensoverschrijdend gedrag aan te geven, maar om aan te stippen dat het een gevoel van macht kan geven als iemand je leuk vindt. Maar ze bespreekt dit niet met Schenkeveld en laat daarmee interpretatieruimte aan de lezer.

    Koelewijn vraagt soms door, interpreteert meer of minder tussen de regels door, suggereert zo nu en dan. Late liefde is daardoor een mooi portret geworden van een ruimdenkende vrouw. Liefde voor de lang onbereikbare geliefde, voor letterkunde en voor de persoonlijke omgeving krijgen aandacht.

     

     

  • We leven bij de gratie van vergaan

    We leven bij de gratie van vergaan

     

    Voor Literair Nederland sprak Eric de Rooij met schrijver Sipko Melissen naar aanleiding van de verschijning van zijn zevende roman Arkadia.


    We hebben afgesproken in Café Wildschut  aan het Roelof Hartplein in Amsterdam-Zuid. Sipko Melissen (1941), fit, slank en jongensachtig, mist de uitstraling van een doorsnee tachtigjarige. Hij zit al aan een tafeltje als ik binnenkom. ‘Stipt op tijd zijn, is iets van mijn gereformeerde afkomst,’ zegt hij. We zullen ruim twee uur praten over schrijverschap, sensualiteit en erotiek, redden en gered worden, en natuurlijk over zijn nieuwste boek Arkadia: ‘Ik ben heel gevoelig voor idyllische situaties.’


    Arkadia is je zevende roman. Hoe begin je meestal?

    Ik begin met de hand, dan kan ik mijn tekst het best beoordelen, makkelijker schrappen. Iemand zei eens: wanneer ik schrijf, denkt mijn hand beter dan ik zelf. Zo is het ook. Als ik gelijk ga tikken vind ik het moeilijk om afstand tot de tekst te houden. Ik ga zitten en soms begin ik zonder dat ik weet waar ik met het verhaal naar toe wil. En soms zit ik er zo goed in, zoals in het verhaal waar ik nu mee bezig ben, dan heb ik zelfs op zinsniveau het verhaal van het volgende hoofdstuk in mijn hoofd.


    Hoe ben je met Arkadia begonnen?

    ‘Een begin schreef ik al in 1974. Ik wilde schrijven over een idyllisch buitenverblijf waar twee families de zomer doorbrengen, twee gereformeerde families die net uit de oorlog zijn gekomen, geen geld hebben om royaal te leven en die samen de vakantie doorbrengen. In werkelijkheid zijn het twee of drie vakanties in Putten geweest die ik in Arkadia teruggebracht heb tot een. Ik ben wel gevoelig voor die herinnering, voor idyllische situaties, die sfeer van twee families samen, en dat je als jongen je eigen gang kon gaan. Er was een enorme tuin en daarachter een bos. Ik had alle vrijheid. Die dubbelheid past bij mij: ik wil graag ergens bij horen, maar ik wil ook aan de zijkant staan.
    Arkadia bleef ongeschreven, een ander verhaal drong telkens voor. Tot ik wist dat ik naast die idylle ook iets wilde vertellen over het gevoelsleven van een jongetje van  veertien. Daarin zit het conflict van het verhaal, het is een innerlijk conflict rondom seksualiteit en sensualiteit, met het idyllisch landschap als decor.’


    Er wordt in Arkadia geen chronologisch verhaal verteld.

    ‘Het is een drieluik, waarin sprongen in de tijd worden gemaakt. Je krijgt als lezer niet een hele chronologische ontwikkelingsgang. De eerste sprong is al op bladzijde drie. Het verhaal opent alsof er een jongen uit de hemel is neergedaald. Die derde persoon wordt opeens een ik en dan laat je de fictie achter je.’ 


    ‘Woudsend’ heet het eerste deel van Arkadia, met een wondermooie passage waarin de ik-figuur een gesprek heeft met zijn vader.

    ‘Dat gesprek heeft bijna letterlijk plaatsgevonden. Alleen op een andere plek, in een andere tijd. Ik wilde het verhaal compact houden, door alles in dat ene weekend te laten plaatsvinden.’


    Het is een liefdevol gesprek.

    ‘Mijn vader was een liefdevolle man. Gereformeerd, maar helemaal geen fanaat. Hij kwam steeds verder van de kerk af te staan. Het gereformeerde bleef wel in zijn levenshouding: je neemt het leven serieus, je gaat er niet slordig mee om. Ik kom uit een gezin van acht jongens en drie meisjes. Ik was de middelste. Boven mij had ik vijf broers, pittige knullen in hun puberteit. Zij zagen ook wel dat ik qua gedrag en belangstelling anders was. Ik werd wel een beetje gepest, maar ik ben niet gekneusd uit mijn jeugd gekomen. Mijn vader heeft de verschijning van mijn debuutroman Jongemannen aan Zee niet meer meegemaakt. Dat is jammer. Maar hij wist dat hij voor mij een heel belangrijke man is geweest. Hij was dol op mijn partner, Rob. Mijn zusje Bep zegt altijd: “Hij was verliefd op Rob.”’ 

    ‘Rob en ik zijn verschillende keren met mijn ouders op vakantie geweest. Ik ontfermde me over mijn moeder, zodat mijn vader en Rob samen dingen konden ondernemen, dat vond mijn vader geweldig. Mijn moeder heeft mijn vader een hele tijd overleefd. Mentaal en fysiek een hele sterke vrouw. Toen ze negentig was, kwam ze nog met mijn zusje en haar man mee om in Italië bij ons kerstmis te vieren. Een week in een boerenhuis, met helemaal geen goede verwarming, het maakte haar geen bal uit. Van haar heb ik die sensuele verbinding met de werkelijkheid. Zij kon ook urenlang in de tuin staan en naar de polders kijken, alles in haar opnemend.’  


    Wat is die sensuele verbondenheid met de werkelijkheid?

    ‘Bij mij uit die sensuele verbondenheid zich in mijn vriendschappen. Ik heb in mijn leven een aantal intense vriendschappen gehad met jongens die, om die scheidslijn aan te houden, niet homoseksueel waren. Toch waren er wederzijdse warme gevoelens die verder niet seksueel waren, wel erotisch of sensueel. Je bent samen in een soort tussengebied. Ik was voor hen een heel toegewijde vriend, maar dat er ook iets extra’s speelde liet ik niet blijken. Ik was heel bedreven in het sublimeren. In Jongemannen aan zee komt na lange tijd een jeugdvriend terug, Andreas. In Arkadia heet hij Kees, trouwens. Met Kees had ik echt een mooie vriendschap. Maar zo’n vriendschap wordt verpest of vergiftigd door het feit dat je gaat liegen. Je vertelt je vriend niet het meest essentiële van jezelf. Terwijl de intimiteit om het te vertellen er wel is. Zo ontneem je de ander de kans een echte vriend te zijn.’

    ‘Je komt in een duister gebied als je als jongen gevoelens hebt voor andere jongens. In Arkadia haal ik Roeland Westwout (1937) aan, dat prachtige boek van Diet Kramer. Waarom is Roeland zo kwaad en slaat hij erop los als een klasgenoot hem uitscheldt voor oud wijf? Is het omdat die klasgenoot een kant in hem ziet waar hij zelf nog niet aan toe is? Een kant die wordt afgewezen? Jij deugt niet, je bent een nicht bijvoorbeeld. Roeland is anders dan de anderen. Het is goed om te weten dat de schrijfster getrouwd was, maar ook relaties had met vrouwen. Zij kon in die tijd slechts subtiel en niet expliciet vertellen wat er werkelijk bij Roeland speelde. Bij het lezen van Roeland Westwout weet de jonge Ko, de ik-figuur in Arkadia,  intuïtief: ik heb dit ook. En hij vraagt zich af of je verliefd kunt worden op een jongen, een vraag die hij aan niemand kan stellen.’ 


    Het tweede luik in Arkadia opent met de gedroogde blaadjes van een Gingko-boom en de herinnering aan Koen, een betekenisvolle ontmoeting.

    ‘Hoewel het een kortstondige ontmoeting is, komt Koen wel in aanmerking om verliefd op te worden. Koen lijkt in eerste instantie wat afstandelijk. Toch zet hij wel de eerste stap door Ko fysiek aan te raken. Eigenlijk staat Koen voor La Belle Dame sans Merci, of Reves Meedogenloze jongen. In Arkadia staat Koen voor die volmaakte jongen. Ik bedenk me dat nu pas, dat komt door jou. Ik vind jou wel een heel erg leuke jongen – heb het maar even gezegd tegen dat ding.’

    We kijken beiden naar mijn Iphone die dit gesprek opneemt. ‘Dit is zo’n moment dat ik heel bewust ben van wat ik moet vertellen want straks is die band afgelopen.’


    De band loop eeuwig door.

    ‘Konden ze dat maar over mij zeggen!’


    Zou je dat willen, eeuwig leven?

     

    ‘Ik heb erover nagedacht. Dat schijnt vreselijk te zijn. De Italiaanse schrijver Cesare Pavese, schreef eens een boek waarin de Goden zich beklagen over hun onsterfelijkheid. Ze hunkeren naar sterfelijkheid, maar dat hebben zij niet. Ik hunker ook niet naar onsterfelijkheid. Intuïtief zeg ik: het is mooi zo. Als je eeuwig leeft zonder dat er iets verandert, is er ook niets aan. We leven bij gratie van vergaan. Dat is de deal. Je mag bestaan, maar je gaat wel langzaam richting afgrond.’

     

    Het sluitstuk van Arkadia speelt zich af in Zeeland, de hoofdpersoon wordt van de verdrinkingsdood gered, heb jij dat meegemaakt?

    ‘In het slotdeel van Arkadia komt Eleanor Roosevelt op bezoek in Zeeland. De hoofdpersoon onttrekt zich aan de drukte en gaat samen met zijn vriendje Titus zwemmen. Hij verdrinkt bijna in die stroming en wordt dan door Titus uit het water gered. Het is mij overkomen. Een vriendschap waarbij de een de ander redt, spreekt me erg aan. Gered worden of een vriendje redden. Sowieso met z’n tweeën in een situatie zijn waarin de een de ander redt. Dat zoek ik in vriendschap. Het hoeft niet letterlijk uit het water te zijn. Om een concreet voorbeeld te geven. Naast ons kwam een jongeman wonen, ZZP-er, alleen. Het is een leuke jongen, hij is het redden waard. Bij mij ontstond al snel het gevoel dat ik voor hem iets belangrijks moest doen. Niet dat ik met een pan soep op de stoep sta, maar ik hield een oogje in het zeil, zeker tijdens de covid-periode. Ik weet dat ik mijn rol als redder overschat. Bij dat redden of gered worden is ook een erotische of sensuele kant, dat is het leuke ervan. Die erotische spanning merk ik ook vanuit die buurjongen. Niet dat hij het uit, maar ik voel het wel. Waarschijnlijk zat die jongen totaal niet op mij wachten. Of ik weet het wel zeker. Inmiddels heeft hij een vriendin, dus de urgentie om hem te redden is verdwenen.’ 


    In Arkadia wordt het pastorale in de jeugd gevonden. In andere boeken zoals De Huid van Michelangelo en Oud-Loosdrecht, wordt een Arkadia gevonden in Italië en in Griekenland.

    ‘Italië was mijn tweede thuis. We hebben bijna veertig jaar een boerderijtje gehad, niet ver van San Gimignano, Siena en Florence. Een paar jaar geleden zijn we daar weggegaan. Achteraf een goede beslissing. Rob en ik hebben er een meesterlijke tijd gehad. Ik schreef en hij vertaalde, een ideale combinatie. Vlakbij woonden goede Italiaanse vrienden. Italianen zijn zeer sociaal, makkelijk en gastvrij. Natuurlijk mis ik die tijd. Aan de andere kant, ik wil dat verleden niet cultiveren. “Oh, hadden we het nog maar”. Je moet ook het onvermijdelijke accepteren. Ik ben dankbaar voor de ervaringen die geweest zijn.’ 


    In de film Afterlife mag iemand na zijn overlijden slechts één herinnering meenemen naar de hemel. Alle andere herinneringen raakt hij kwijt. Welke herinnering zou jij willen bewaren?

    ‘In De vierde mei komt een soortgelijke vraag voor. Ik kom dan uit bij het feest dat we in 1996 op onze boerderij in Italië gaven voor zo’n honderd mensen. Dat was zo bijzonder, zo spectaculair. We organiseerden dit met onze vrienden Hans en Piet. Op de eerste avond reden we in optocht met onze auto’s door het Italiaanse landschap, met aan de horizon die prachtige ondergaande zon, naar het restaurant in het dorp. Toen we uitstapten wachtte daar een boerenblaasorkest. Dat orkest begon zo aanstekelijk te spelen, dat iedereen spontaan begon te dansen. Dat was verpletterend, sprookjesachtig. Dat beeld durf ik wel mee te nemen als enige herinnering.’


    En welk boek?

    ‘Als het daar saai is, zou ik een heel dik boek meenemen. Mocht het er toch opwindend zijn een heel dun boekje. Mijn eerste, intuïtieve reactie is om de Bijbel mee te nemen. Het is dik, divers, maar misschien een te gemakkelijke keuze. Ik hou van het werk van Gerard Reve. Op weg naar het Einde was een openbaring, die vrijmoedigheid, het opkomen voor jezelf zonder begrip te vragen of een compromis te sluiten. Baanbrekend. Maar ik kies voor een ander boek van Reve: Het boek Van Violet En Dood. Ik herlees het minstens een keer per jaar. Ik hou van de melancholieke toon, de heldere zinnen, de prachtige herinneringen. En mocht ik iets van mezelf mee mogen nemen, dan wordt het Plaatsbewijs. Het is een van de twee novelles in De Vendelzwaaier. Ik hou van verhalen met een duidelijk begin en een duidelijke afronding. Plaatsbewijs is zo’n verhaal.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Arkadia
    Sipko Melissen
    224 blz.
    ISBN 9789028231115
    Uitgeverij Van Oorschot

     

     

  • Geschreven in de emotie van het moment

    Geschreven in de emotie van het moment

    Het leven wordt vooraf geleefd, maar achteraf begrepen. Als deze uitspraak van Kierkegaard op iemand van toepassing is dan is het wel op J.J. (Han) Voskuil (1926-2008), de schrijver van onder meer de roman Bij nader inzien (1963) en de zevendelige romancyclus Het Bureau (1996-2000). Aan zijn behoefte het dagelijks leven op schrift vast te leggen, danken we zijn dagboeken. In 126 schriften schreef hij op wat hij meemaakte, bedacht en ervaren had, met het doel zichzelf en de mensen om hem heen te begrijpen en zo meer in evenwicht te raken. Hij had er moeite mee in het moment te leven, had een secundair karakter en verwerkte in zijn dagboeken wat hij niet echt doorleefd had. De vraag is nu: in hoeverre verschillen de dagboeken van de romans? 

    Voskuil schreef zijn dagboeken niet om ze te publiceren, niettemin tikte hij ze na zijn pensioen integraal uit. Hij liet ze daarna aan zijn vrouw Lousje lezen met de opmerking dat zij na zijn dood mocht bepalen wat er met de dagboeken zou gebeuren. Zij vond zijn dagboeken te persoonlijk en knipte er ongeveer 5% uit. Na zijn dood besloot zij om de dagboeken toch in zijn geheel te publiceren, inclusief de door haar verwijderde stukken. Maar toen had ze een probleem, want haar man had de schriften tot 1955 laten vernietigen. Er zijn nu twee kloeke delen in een reeks van zeven verschenen. Deel I Bijna een man beslaat de periode 1939-1955 zonder de door Lousje uitgeknipte delen. In Deel II Capitulatie (1956-1965) zijn de door haar verwijderde passages met gebruikmaking van de schriften weer toegevoegd. 

    In deel I volgen we Han Voskuil in zijn groei naar volwassenheid, de oorlogstijd in Den Haag en zijn studententijd daarna in Amsterdam. Opvallend is dat hij weinig woorden wijdt aan zijn vriendin en latere vrouw Lousje. Ook zijn relaties met andere vrouwen blijven onderbelicht. Waarschijnlijk zijn dat de passages die zijn vrouw verwijderd heeft. Han schrijft over zijn vader en in mindere mater over zijn moeder. Verder over zijn broers die naar zijn idee meer in de lijn van zijn vader lopen, over de boeken die hij leest, de vrienden en vriendinnen die hij ontmoet. Han is niet alleen streng voor zichzelf maar ook voor anderen. Hij sabelt hen in zijn dagboek genadeloos neer. 

    Een verscheurd en onzekere man

    Op 30 maart 1950, schrijft hij een passage die veelzeggend is over de persoon Han Voskuil. Hoe hij zich in de eerste klas van de lagere school bij zijn moeder beklaagde dat niemand met hem wilde spelen. Toen ze heimelijk ging kijken stond hij inderdaad alleen midden op de speelplaats. Hij herinnerde zich niet dat hij ooit moeite heeft gedaan, ook niet in andere situaties, om daar verandering in te brengen. Hij stond vaak alleen, passief, onmachtig tot het aangaan van contact. Ook later op feestjes had hij moeite om spontaan met anderen om te gaan.

    In de dagboeken volgen we het leven van deze passieve, geïsoleerde, soms arrogante jongen en later van de ogenschijnlijk zelfverzekerde maar innerlijk verscheurde en onzekere man. Een kritische en meestal niet gelukkige man. Voskuil verklaart dit door zijn opvoeding waarin hij volgens hem verkeerd is geprogrammeerd. Met name zijn vader, Klaas Voskuil, die hoofredacteur van het Vrije Volk was en fractieleider van de PvdA in de Tweede Kamer, is de gebeten hond. Zijn vader was een gedisciplineerd en maatschappelijk betrokken man die de gevoelige zoon enorm onder druk zette door van hem veel te verwachten en te hameren op het nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Voskuil zocht, zoals alle adolescenten, richting en was daarbij erg kritisch op zichzelf, alsof zijn vader bij alles over zijn rug meekeek.

    Tegenover zijn vader voelde hij zich laf en inferieur. Hij heeft daardoor voortdurend ‘mishagen’ aan zichzelf om het maar eens ouderwets te zeggen. Hij beklaagt zichzelf voortdurend in zelfanalyses: ‘Ik ben me zo overbewust van wat ik zeg en doe, dat ik mezelf in de weg zit. Mijn leven lijkt me waardeloos en zinloos. (…) dat gevoel dringt zich vooral op als een gevoel van eenzaamheid.’ Slechts af en toe bereikt hij een geluksgevoel, bijvoorbeeld als hij alleen in de natuur is, zonder verplichtingen. Zijn natuurbeschrijvingen zijn beeldend en zonder oordeel. Ook als hij een tijdje zonder werk zit, is hij gelukkig, omdat hij de hele dag doet wat hij leuk vindt:Geen geld en geen baan. Alleen gehinderd door mijn vader die me telkens komt opdrijven en door bezoekers waaraan ik geen behoefte heb.’

    Voorwerk voor Het Bureau

    Deel II speelt voornamelijk in de tijd dat hij werkte op het Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, het latere P.J. Meertens Instituut in Amsterdam. Hij speculeert in het dagboek al over het schrijven van een roman over dit langdurige werkverband. ‘Een verhaal over het Bureau, gezien als een gesticht of een gevangenis, maar zo overtuigend dat de lezer ziet dat er geen verschil is.’ Hij schreef Het Bureau in de jaren na zijn pensioen, het is een verwerking van zijn werkzame leven op het bureau tot autofictie. Het is interessant na te gaan waarin de dagboeken verschillen van de romans die hij later schreef.

    In Het Bureau neemt hij in alle opzichten meer afstand dan in zijn dagboek. In zijn dagboeken schrijft hij naturel, zonder er een verhaal van te maken. Hij beseft dat dit niet ‘werkt’ voor een lezer, dat zegt hij zelf met zoveel woorden op 24 maart 1964: ‘Ik realiseerde me dat de kracht… zit in de afstand.’ In de roman neemt hij afstand in de tijd en meer afstand van zijn eigen persoon en van andere personen met wie hij werkte en omging. In de roman draait het om een persoon in zijn werkomgeving en is veel uit het dagboek weggelaten, terwijl hij uit zijn geheugen een en ander heeft toegevoegd. In het dagboek komt alles serieus, klagerig en gelijkhebberig over, het is geschreven in de emotie van het moment. Niemand deugt, weinig boeken zijn de moeite waard, liefde en vriendschap zijn een illusie. Hij zet zich vaak alleen tegenover de wereld en aarzelt niet zijn nare trekjes breed uit te meten. De figuur van Maarten Koning in Het Bureau heeft die trekjes ook wel, maar doordat hij deel uitmaakt van een werkgemeenschap van mensen op een bureau, lijkt het allemaal wat minder zwaar. Han Voskuil wekt irritatie op, Maarten Koning lachlust. 

    Van dagboek tot roman

    In de roman gebruikt hij allerlei stilistische trucjes waardoor het verhaal een eenheid wordt. Eén daarvan is de herhaling. Doordat hij de personages telkens op dezelfde wijze met tussenzinnen introduceert en hun stereotype gedragingen en vaste gebaren meegeeft wordt Het Bureau een soap, een herkenbare wereld van eindeloze herhalingen, die de lach opwekt. Hij beschrijft de ander weliswaar stereotype, maar ook bijna liefdevol en herkenbaar. Daardoor wordt de lezer toeschouwer van een wereld rondom Maarten Koning en leeft hij mee met de hoofdpersoon. Koning wordt met zelfspot beschreven door Voskuil. In het dagboek klaagt hij zichzelf aan.
    Het Bureau is een eenheid, waarin Voskuil achteraf verantwoording over zijn leven aflegt. Het dagboek is een ratjetoe van meningen en emoties, afkeuren en voorkeuren, afwijzing en omarming, zodanig veel en heftig dat je af en toe zegt: ‘‘t Is wel goed zo’. De ervaringen stapelen zich op, terwijl hij geen verbinding met zichzelf krijgt. Zoveel inkt en papier gebruikt en toch niet in evenwicht gekomen. Het is schrijnend allemaal.  

    Toch biedt het dagboek veel mooie dingen. Door Voskuil te volgen krijg de lezer een persoonlijk beeld van de oorlogstijd en van de jaren vijftig en zestig. De discussies met vrienden over de maatschappelijke en literaire ontwikkelingen zijn soms interessant en verplaatsen je naar een andere, door het existentialisme gekenmerkte tijd. En niet te vergeten: de fraaie reis- en natuurbeschrijvingen. Voskuil kon als jongen al goed schrijven; hij ziet veel en registreert details. Hij kent als stadsmens de natuur, de verschillende planten en vogels op Ameland bijvoorbeeld als hij daar verblijft. Af en toe heeft hij schitterende observaties. Als jongen van 21 jaar oud schrijft hij op 16 januari 1945 naar aanleiding van de gedragingen tijdens de hongerwinter: ‘Er wordt alleen aan eten gedacht, alleen over eten gepraat, en over het weer nu de brandstof op is en de vorst niet wil wijken. Wie kon vermoeden dat dit dier zo weinig mens en zoveel dier is?’ 

    De dagboeken dienden als grondstof voor het schrijven van Het Bureau waarmee Voskuil zich onsterfelijk heeft gemaakt voor zijn lezers. Zonder de dagboeken was de roman er nooit geweest. Uit de dagboeken komt een treuriger beeld van Voskuil naar voren dan dat van zijn alter ego Maarten Koning in de romans. Door het schrijven van deze roman maakte hij van zijn leven een eenheid. Van enige afstand ontdekte Voskuil wat er misging in zijn leven.

     

  • De gorgel van de smeerlap briezelen

    De gorgel van de smeerlap briezelen

    Vertaler Robbert-Jan Henkes vraagt zich in zijn nawoord bij de bundeling van vier romans van Sergej Dovlatov af of je bij een levensschets van deze auteur moet beginnen met zijn leven of zijn werk: ‘Want zijn leven was zijn werk. En zijn werk was zijn leven’. Henkes noemt zijn nawoord dan ook ‘Dovlatovs autobiografictie’. En wij als lezers mogen daarom de woorden van het hoofdpersonage, ook Sergej Dovlatov genaamd, wel toepassen op de auteur: ‘Ik was zoals dat heet “alles bij elkaar opgeteld” op de keien gezet (…) In de journalistiek is het iedereen toegestaan één ding te doen. In één iets de principes van de socialistische moraal met voeten te treden. Dat wil zeggen, de een is het toegestaan te drinken. De ander herrie te schoppen. De derde politieke moppen te vertellen. De vierde jood te zijn, de vijfde geen partijlid. De zesde een amoreel leven te leiden (…) Je kan niet tegelijkertijd jood en dronkenlap zijn. Herrie schoppen en partijloos zijn… En ik was rampzalig universeel’.

    Deze terugblik op hoe hij op straat werd gezet is te vinden in de eerste van de vier romans, Compromis uit 1981. Die roman bestaat uit twaalf hoofdstukken die genummerd zijn als ‘Compromis’ (gevolgd door een nummer) en een voorbeeld beschrijven van een reportage die Dovlatov moest maken, de omstandigheden waaronder dat gebeurde – vooral gelardeerd met flink veel drank en gelal – en de greep van de Partij op het eindresultaat. In ‘Compromis 5’ is dat bijvoorbeeld het hilarische verhaal dat hij in 1975 moest schrijven voor de krant Sovjet Estland over de geboorte van de 400.00ste inwoner van Tallinn. Wie het ook zou worden, de 400.000ste moest in het artikel geboren zijn aan de vooravond van Bevrijdingsdag en gepresenteerd worden als een gelukkig mens. En: ‘Geen gebreken, niks treurigs, Geen keizersneden. Geen alleenstaande moeders. Complete set ouders. Een gezond, sociaal volwaardig jongetje’.
    De reportages die Dovlatov maakt leiden om uiteenlopende redenen tot gefoeter van zijn chef Toeronok: Vader een chocoladebruine Ethiopiër? Kan niet. Jood? Afgekeurd. Kind heet Volodja? Dwing de ouders dat te veranderen in Lembit, want dat is in elk geval folkloristisch.

    Zetfout

    In de tweede roman, Die van ons, de kortste in deze bundeling, beschrijft Dovlatov de wederwaardigheden van zijn familie vanaf zijn overgrootvader tot aan zijn dochter – en zelfs die van zijn hond. Bijna altijd zijn het verhalen van twaalf ambachten, dertien ongelukken, niet vanwege de onbekwaamheid van de betreffende personen, maar omdat het communistische regiem altijd wel een stok vond om te slaan als het daar zin in had. Met als gevolg ontslag maar soms ook gevangenis of werkkamp. Tussen die lotgevallen door loopt Dovlatovs persoonlijke geschiedenis. Hij vindt zichzelf maar een kluns, niet alleen in zijn schrijverij, maar ook in de verhouding tot zijn vrouw of in de opvoeding van zijn dochter. Zijn stijlregister is breed. Hij schetst op een kolderieke manier het leven van zijn grootvader Isaak en laat dat dan ineens weer volgen door een liefdevol portret van zijn tante Mara.
    Verschillende leden van de familie (onder andere Mara en Dovlatovs moeder) waren een tijd corrector bij een uitgeverij. Een gevaarlijk beroep. Elke zetfout (bijvoorbeeld een d in plaats van een w in het tweede woord van Bolsjewistische verworvenheden) kon je een gevangenisstraf opleveren.
    In Die van ons etaleert Dovlatov zijn enorme veelzijdigheid: humor, cynisme, ironie, grof taalgebruik, maar ook vertedering zoals in zijn beschrijving van zijn dochter Katja. Van haar jeugd staat hem weinig meer bij, waarna subtiele zinnen volgen als: ‘Ik herinner me de naar binnen gedrukte achterlip van haar piepkleine schoentje’ en ‘Ik herinner me het gevoel van een bewegende kleine handpalm. Zelfs door de want heen voelde je de gloed’.

    Marionetten

    De derde roman, Ambacht, bestaat uit het twee delen, Het onzichtbare boek en De onzichtbare krant. In het eerste deel is een heel feitelijke illustratie te vinden van wat vertaler Henkes bedoelt met autobiografictie. Dovlatov schrijft daar dat hij op 4 oktober 1941 is geboren. Dat was echter 3 september. In verschillende verhalen krijgt de tweede vrouw van Dovlatov minstens twee verschillende namen (Elena en Tatjana) en de schrijver geeft op drie verschillende plaatsen liefst drie verschillende manieren waarop ze elkaar hebben leren kennen.
    Het eerste deel van Ambacht beschrijft ‘de avonturen van mijn manuscripten’. Dovlatov verhaalt – zoals hij het zelf formuleert – ‘wanordelijk, breedvoerig en mompelend’ over zijn ervaringen met uitgevers en de geheime dienst. Hoe de ingrepen van die organisaties werkten valt het meest uitvoerig te lezen in het gedoe over zijn manuscript van Zone, dat gaat over zijn tijd als (gedwongen) kampbewaker. Hij probeerde te achterhalen hoe het ooit in handen van de KGB was beland en waarom iedereen die hij sprak ervan bleek te weten behalve hij zelf. Op zijn vragen draaide iedereen om de brij heen. Niemand was verantwoordelijk: er opereerden louter ‘marionetten, spoken, schaduwen…’. Collega-schrijver Maramzin vatte de absurditeit sarcastisch samen als volgt: ‘Als je je manuscript aan Brezjnev geeft, leest die het en zal zeggen: “Persoonlijk bevalt het me. Maar wat denken ze hogerop?!”’

    Luilekkerland

    In deel twee woont Dovlatov in Amerika. Daar probeert hij met enkele andere dissidenten een tweede Russische krant van de grond te krijgen die ‘De Spiegel’ wordt genoemd (in werkelijkheid heette die krant overigens ‘De nieuwe Amerikaan’). Het leidt tot een hoog oplopende ruzie met de al bestaande Russische krant, want ze zijn voor hun levensvatbaarheid afhankelijk van dezelfde lezers. Maar naast de financiële kwesties zijn er de ideologische discussies. Henkes karakteriseert dit tweede deel als inzicht gevend in ‘het wezen van hoop, verwachtingen en daarop volgende teleurstellingen’. De Russische emigranten hadden zich van Amerika een Luilekkerland voorgesteld. Dat beeld bleek al snel niet te kloppen. Dovlatov zelf: ‘Jullie moeten weten dat Amerika niet het paradijs is. Hier is, zo blijkt, alles – slecht en goed. Omdat vrijheid geen ideologie heeft. Vrijheid is in gelijke mate bevorderlijk voor het goede en het slechte. Vrijheid is als de maan, die onverschillig het pad verlicht voor roofdier en prooi…’
    De krant gaat na een brand (aangestoken door de concurrent? De KGB? Iemand anders?) ter ziele, maar Dovlatov zelf boekt wel literaire successen als er twee verhalen in de ‘New Yorker’ verschijnen en hij zijn eerste boekcontract krijgt.

    Brandy’s

    Filiaal is de titel van de vierde en laatste roman. Ook die speelt zich, net als Ambacht, af in de jaren tachtig van de vorige eeuw in Amerika en weeft twee verhaallijnen door elkaar. De eerste gaat over het warrige verloop van een symposium over ‘Nieuw Rusland’ en de tweede over het weerzien van Dovlatov met zijn allereerste Russische vriendin Tasia. Zowel het symposium als dit weerzien staan bol van de absurdistische gesprekken. Maar zoals Dovlatov een keer verzucht (juist op het moment dat hij op zijn hotelkamer overdenkt dat hij al vijfenveertig is en normale mensen zich allang hebben doodgeschoten of zich aan lager wal hebben gezopen, belt  de barman dat hij vier – niet door Dovlatov bestelde – vier brandy’s komt brengen): ‘In elke situatie moet een flinter absurdisme zitten’.
    Zijn eerste romans zijn in Amerika verschenen, maar de herinneringen, en zelfs herbeleving, van zijn mislukte relatie met Tasia overheersen in deze vierde roman.

    Kwistenbiebel

    Het is een genot om Dovlatovs belevenissen te lezen in al hun absurditeiten, associatieve afdwalingen, prachtige anekdotes en talloze literaire verwijzingen. Daar moet meteen aan worden toegevoegd dat vertaler Henkes daar groots aan bijdraagt. Dovlatov dwaalt soms ongeremd af als hem weer eens iets te binnen schiet. Hij legde zichzelf ter verhoging van zijn concentratie daarom de beperking op dat geen twee woorden in één zin met dezelfde letter mochten beginnen. Henkes verklaart dat het een hels karwei is om dat ook in het Nederlands te doen. Neem alleen al de lidwoorden ‘de’ en ‘een’ in onze taal waar het Russisch geen lidwoorden heeft en maar weinig voorzetsels in tegenstelling tot het Nederlands. Toch heeft Henkes dit ‘non-alliteratieverdrag’ zoveel mogelijk proberen na te volgen (Het doet misschien wel daarom des te komischer aan dat één van de eerste zinnetjes in Compromis is: ‘Ha. Hoe is het?’).
    Daarnaast is Henkes een taalvirtuoos zoals hij samen met Erik Bindervoet bijvoorbeeld onnavolgbaar bewees in Finnigans Wake van James Joyce. In zijn vertaling van Dovlatov grijpt hij naar Bargoense woorden als een ‘jatteneur’, ‘kwistenbiebel’ en ‘miesgasser’. Maar de mooiste is toch wel: ‘Ik briezel die smeerlap z’n gorgel!’.

     

     

  • Oogst week 21 – 2023

    Japanse mythen – Goden, helden en geesten

    Mythen horen bij Japan als vissen in het water. Iedereen in Japan kent ze, ze worden verteld in families, er worden toneelstukken over gemaakt, ze komen terug in boeken en films. Mythen leven in de geest van iedere Japanner. De mythologie is afkomstig uit het Shintoïsme (de oorspronkelijke Japanse natuurreligie), uit het Boeddhisme en uit middeleeuwse verhalen over wraakzuchtige geesten. In het Shintoïsme heeft elk natuurlijk element – een boom, dier, vulkaan, mens – een ziel. Veel verhalen zijn gerelateerd aan de extreem afwisselende topografie van Japan. De mythen worden bevolkt door goden en godinnen, geesten, helden en pratende dieren.

    Buiten Japan zijn de Japanse mythen minder bekend. Japanoloog Joshua Frydman van de Universiteit van Oklahoma heeft in Japanse mythen – Goden, helden en geesten vele oude verhalen opnieuw verteld. Ze gaan over de schepping van het land, de reïncarnatie van oude godheden in helden en zielen. Naast het vertellen van de mythen plaatst Frydman ze in de cultuur, de religie en de geschiedenis en volgt ze tot aan de manga-industrie en hedendaagse videogames. De westerse lezer zal door het lezen van dit rijk geïllustreerde boek beter begrijpen hoe in Japan verleden en heden diep ineengrijpen.

     

    Japanse mythen - Goden, helden en geesten
    Auteur: Joshua Frydman
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum 2023

    Dansen als de meeuwen

    Bioloog en schrijver Tijs Goldschmidt werd bekend met zijn boek Darwins hofvijver (1994), gebaseerd op zijn proefschrift (1989) over de studie van cichliden in het Victoriameer. Hij beschrijft daarin de verstrekkende gevolgen van een vreemde soort in een ecosysteem en verweeft de wetenschappelijke feiten met persoonlijke gedachten en observaties. Het boek vond meteen een groot publiek en werd vertaald in onder meer het Engels, Italiaans, Duits, Frans, Chinees en Japans.

    In 1993 verliet Goldschmidt de wetenschap om zich geheel aan het schrijven te wijden. In essays kon hij zijn persoonlijke inzichten en wederwaardigheden beter kwijt. Dansen als de meeuwen bevat een ruime keuze uit zijn boeiende essays en brieven en is aangevuld met nieuw werk. 64 pagina’s met kleurenillustraties hebben ieder een eigen verhaal.

    Goldschmidts onderwerpkeuze is zeer divers. Hij schrijft net zo gemakkelijk over mensen als Gerard Reve, Dick Hillenius en Papoea’s als over muziek, antropologie, diergedrag en beeldende kunst. En niet te vergeten de evolutie, zijn vakgebied. Alles in bedachtzaam en soms ironisch geformuleerde zinnen die de lezer in Goldschmidts veelzijdige manier van kijken en denken meenemen.
    Op 25 mei wordt hem de P.C. Hooftprijs 2023 uitgereikt. Uit het juryrapport: ‘Als essayist is hij een verteller die weet dat de inhoud en vorm hand in hand gaan en hij is een meester in het verschuiven van accenten, het leggen van onverwachte relaties en het opkloppen van sleetse verbanden.’

     

    Dansen als de meeuwen
    Auteur: Tijs Goldschmidt
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot, Uitgeverij Atheneaum – Polak en Van Gennep 2023

    Het graf van de wever

    Toen Seumas O’Kelly (1880-1918) al was overleden verscheen in 1919 in Ierland het boek Het graf van de wever van deze schrijver en journalist die tegelijk met James Joyce aan het University College in Dublin studeerde. Hij was hoofdredacteur van Nationality, de krant van Sinn Féin. Toen daar een groep Britse soldaten binnenviel, kreeg O’Kelly een hersenbloeding waaraan hij bezweek. Hij was behoorlijk productief en had al twee romans, talloze verhalen en toneelstukken geschreven. Het poëtische, tragikomische Het graf van de wever, vol zwarte humor, werd in Ierland een geliefde klassieker.

    Twee bejaarde mannen, de spijkerslager Meehaul Lynskey en de steenbikker Cahir Bowes, gaan op de oude begraafplaats Cloon na Moray op zoek naar het graf van de clan van Mortimer Hehir, de wever die pas is overleden. Op de begraafplaats mogen alleen oudere families en leden van clans begraven worden en Hehir behoorde tot zo’n clan. Het graf is echter niet te vinden. De zerken zijn vervallen, donkergroen van het mos en half afgebroken. De hele begraafplaats is een doolhof. Vergezeld van twee jonge grafdelvers en de weduwe van de wever beginnen de oude mannen aan hun opdracht. Er volgen nogal wat mislukkingen, plus een hoop gekrakeel over de geschiedenis van Cloon na Moray en zijn bewoners. Wie weet daar het meeste van?

     

    Het graf van de wever
    Auteur: Seumas O'Kelly
    Uitgeverij: Uitgeverij Zirimiri Press 2023
  • Oogst week 9 – 2023

    De Pool

    Een concertkring in de gotische wijk van Barcelona organiseert maandelijks een recital. Deze keer hebben ze een bekende maar controversiële Poolse Chopinvertolker uitgenodigd, want, zegt een lid van het organisatiecomité dat verstand van muziek heeft en voorstelde de pianist uit te nodigen: ‘Hij heeft een nieuwe generatie Chopinvertolkers in zijn geboorteland de weg gewezen.’

    In zijn nieuwe roman, De Pool, beschrijft de Australische, van oorsprong Zuid-Afrikaanse, veel gelauwerde schrijver J.M. Coetzee de moeizame liefde die volgt. De pianist wordt na het concert mee uit eten genomen door het organisatiecomité, onder wie Beatriz. Zij houdt niet van zijn Chopin-interpretaties, maar de man zelf met zijn lange zilvergrijze haren is een uitgesproken persoonlijkheid die haar wel boeit.

    De pianist valt als een blok voor Beatriz en maakt avances die zij, getrouwd, afweert. Hij vliegt terug naar Berlijn, maar als hij later weer naar Spanje komt om er een masterclass te geven, doet hij een nieuwe poging en nodigt Beatriz uit. Zij neemt de uitnodiging twijfelend aan. Coetzee, bekend om grote thema’s als liefde en geluk, goed en kwaad, dierenleven, angst en eenzaamheid, tekent in De Pool een ongemakkelijke liefde. Beatriz is twintig jaar jonger dan de pianist en ook taal en cultuur belemmeren moeiteloos spontaan contact.

     

    De Pool
    Auteur: J.M. Coetzee
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee 2023

    Het laatste voorjaar

    Lerares Duits Ese besluit in Het laatste voorjaar van Minke Douwesz nogal plotseling tot een fietstocht vanuit Nederland naar Jalta om daar het huis van Tsjechov te bezoeken. Nadat ze op school in conflict kwam met een directeur en een onderwijsvernieuwer die met trendy ideeën bevoorrechte leerlingen wil doen excelleren, heeft ze haar baan opgezegd. Ze is tegen de plannen, maar geen van haar collega’s steunt haar. Bovendien is haar geliefde, Martie, overleden.

    Deze gebeurtenissen hebben Ese doen besluiten tot de afmattende fietstocht door Duitsland, Polen en Oekraïne. Kou, regen en malende gedachten over de gebeurtenissen op school, over de relatie met Martie, over het hedendaagse leven met het ongelimiteerd consumeren van velen en de achteloze omgang met de natuur drukken op Ese’s toch al eenzame tocht.
    Lange tijd laat Douwesz onvermeld wat er precies met Martie is gebeurd. Gaandeweg wordt duidelijk waarom Ese – behalve om het ontslag en Martie’s overlijden – nog meer besloot tot de plotselinge en niet bepaald voor de hand liggende stap.

    Met veel details tekent Douwesz Ese’s dagelijkse werkelijkheid en wisselt ze haar kleine beslommeringen af met overpeinzingen over wereldomvattende onderwerpen.

     

    Het laatste voorjaar
    Auteur: Minke Douwesz
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot 2023

    De Liefdader

    In De Liefdader van Stasio Komar werkt de Nederlandse Julian bij een liefdadigheidsorganisatie en reist hij naar Brazilië om te onderzoeken met welke goede doelen aldaar kan worden samengewerkt. Hij ontmoet er Arnold Burgers, eveneens een Nederlander, die een grote organisatie voor hulp aan straatkinderen leidt. De organisatie is populair, evenals Burgers, maar deze directeur is ook gevreesd in de favela’s van Rio. Julian komen geruchten over zijn seksuele avontuurtjes met minderjarigen in de sloppenwijken ter ore. Hij onderzoekt het verleden van Burgers, stuit ook op gesjoemel met donaties en valse medische titels en gaat vragen stellen. Behalve Burgers zelf is ook niemand in zijn omgeving daarvan gediend, want de achterban is afhankelijk van de financiën van de organisatie. Julian wordt door Burgers monddood gemaakt en uiteindelijk sluit de hele Braziliaanse hulpsector hem buiten.

    Voor Burgers’ gedrag zijn bewijzen noch beschikbare getuigen, tot er compromitterende foto’s opduiken van Burgers en zijn kliek in gezelschap van kinderen. Dan zijn er twee getuigen, die echter worden omgebracht. Burgers gaat op zoek naar de foto’s, wat slecht voor hem afloopt. Helaas raken ook de foto’s verloren.
    De roman laat zien hoe één man zijn gang kan gaan dankzij zijn macht en dankzij degenen die koste wat het kost goed doen voorop willen stellen.

    Stasio Komar (1947) studeerde Frans en had verschillende werkzaamheden waaronder ontwerpen en vertalen. Hij was muzikant, publiceerde zes dichtbundels en werkte als ontwikkelingswerker waardoor hij uit de eerste hand een inkijk in de hulpverleningswereld kan geven. Hij is nog steeds betrokken bij Braziliaanse hulpprojecten. De Liefdader is zijn eerste roman.

     

     

    De Liefdader
    Auteur: Stasio Komar
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman 2022
  • Hij greep zijn pen en schreef verder

    Hij greep zijn pen en schreef verder

    Het is onder kenners van het werk van Joseph Roth een bekend dispuut tussen hem en zijn vriend Soma Morgenstern: wat mag je aan het werk van iemand anders ontlenen en gebruiken in een eigen roman zonder dat het plagiaat wordt? De ruzie daarover tussen de twee vrienden is terug te vinden in de herinneringen van Morgenstern die onlangs in vertaling verschenen, Vlucht en einde van Joseph Roth.

    Wat was het geval? Morgenstern had Roth het manuscript laten lezen van zijn eerste werk, Der Sohn des verlorenen Sohnes (de roman zou pas veel later verschijnen). Die vond hem geweldig. Twee jaar later las Morgenstern in het Pariser Tageblatt een hoofdstuk uit een nieuwe roman, Tarabas, van Roth, die als feuilleton in die krant verscheen. Tot zijn verbijstering kwam hij daarin de naam Janker Christjampoler tegen, de oude man uit Morgensterns eigen manuscript. Hij schreef meteen een woedende brief aan zijn vriend die hem daar niets over verteld had. In zijn reactie kwam Roth met allerlei uitvluchten, waarvan de laatste was dat het geen enkele lezer op zou vallen. Maar voor Morgenstern gold niet het What’s in a name van Shakespeare. Een personage in een roman had volgens hem altijd een naam die past als een handschoen. Roth had in zijn visie dus niet zomaar de naam gejat, maar ook het personage. De kwestie escaleerde toen Morgenstern er achter kwam dat Roth een keer in een soortgelijk geval aan een andere schrijver (Józef Wittlin) had geschreven dat die niet moest zeuren omdat ‘hij, Roth, als een rivier was die, zoals de natuur dat heeft geregeld, wordt gevoed door zijrivieren’. Morgenstern zegde de vriendschap met Roth op. Pas drie jaar later zou die door bemiddeling van Stefan Zweig hersteld worden.

    Acute dakloosheid

    Vlucht en einde van Josep Roth verscheen in Nederlandse vertaling in november 2022, dezelfde maand waarin ook Eindeloze vlucht. Het leven van Joseph Roth door Keiron Pim uitkwam, een biografie die veel gebruikmaakt van het boek van Morgenstern. Dat in beide titels het woord ‘vlucht’ voorkomt is niet toevallig.
    Roth (1894-1939) werd net geen 45 jaar. In dat korte leven was hij bijna altijd op de vlucht. Hij werd geboren in Brody in het huidige Oekraïne, maar vertrok al jong naar Wenen om er te studeren. Daar leerde hij Morgenstern kennen. Roth maakte zijn studie niet af, vocht in de Eerste Wereldoorlog aan het Oostfront en werd daarna journalist. Dat werk voerde hem onder andere naar Berlijn, maar de stad waar hij zich het meest thuis voelde werd Parijs. Roth ontvluchtte Wenen na het uiteenvallen van het Habsburgse Rijk naar Duitsland en daarna in 1933 dat land, toen Hitler aan de macht kwam. Hij vertrok naar Parijs.

    Roth leefde vooral in hotels en café’s. ‘Hij had ‘altijd last van acute dakloosheid’, lezen we. Zijn beste boeken schreef hij met stevige borrels op in horecagelegenheden. Morgenstern schrijft daarover: ‘Roths tafel in de bistro was de zoete inval. Mensen kwamen, gingen zitten en begonnen te praten. Hij legde zijn pen even neer, opende zijn verbaasde ogen en luisterde. Goede en slechte berichten. Op de goede zei hij: “Ongelooflijk!”. Hij greep zijn pen en schreef verder. Op slechte berichten reageerde hij met: “Maar dat is walgelijk!”

    Een roman schrijven in de kroeg met drank op en volk dat je steeds aanspreekt. Hoe is het mogelijk? Terugkijkend schrijft Morgenstern: dat kan ‘alleen door je daar steeds meer in jezelf terug te trekken. En daarvoor zorgde de alcohol’. ‘De alcohol spoelde zijn remmingen weg’. Maar ook de voortdurende dakloosheid past daarin: ‘Reizen was zijn tweede manier om zich te bedwelmen. Zo werd de vlucht zijn thuis’.

    Assimilatie of niet?

    Soma (eigenlijk heette hij Salomo) Morgenstern werd geboren in 1890. Hij was dus iets ouder dan zijn vriend. En hij overleefde hem een aanzienlijke tijd, tot 1976. Ook Morgenstern ontkwam niet aan de vlucht. Eerst uit Duitsland toen de nazi’s de macht grepen en in de Tweede Wereldoorlog toen hij uit een concentratiekamp in Frankrijk ontsnapte en uiteindelijk in Amerika terecht kwam.  Morgenstern en Roth waren beiden Joods opgevoed. Dat thema kwam vaak in hun gesprekken terug en dan met name de vraag of je moest kiezen voor het zionisme of voor assimilatie met het land waar je woont. Maar onderwerpen daarnaast betroffen ook vaak de politiek, vooral de Oostenrijkse na het uiteenvallen van het Habsburgse Rijk, en natuurlijk de literatuur en de muziek. Morgenstern schrijft liefdevol over zijn vriend en is vol begrip voor zijn uitspattingen. Uiteindelijk waardeerde hij hem enorm om wie hij was, ook al zoop hij zich te pletter (Morgenstern zelf dronk helemaal niet). Daarom lukte het Zweig ook de twee gebrouilleerden weer bij elkaar te brengen na de diefstal van het personage Christjampoler. Schrijnend is hoe op deze diepe vriendschap een aanslag werd gedaan doordat Morgenstern niet kon meemaken dat zijn vriend de laatste adem uitblies: een pater in het ziekenhuis waarin Roth was opgenomen claimde dat Roth zich had bekeerd tot het katholicisme (wat niet waar was).

    Schrijven in oorlogstijd

    Morgensterns herinneringen aan Roth zijn pas na zijn dood uitgegeven. Hij had het plan ooit zijn autobiografie te schrijven met daarin veel aandacht voor zijn vrienden, zoals Roth. Hij bleef dat echter maar voor zich uitschuiven. Tot hij rond zijn tachtigste er de kracht niet meer voor had. Hij sorteerde daarom alle fragmenten die hij ooit op papier had gezet en maakte er twee boeken met herinneringen van: één over zijn vriend de componist Alban Berg en één over Joseph Roth. Morgenstern was tot zijn dood echter vrijwel onbekend, schrijft Georg B. Deutsch in zijn nawoord bij de Nederlandse vertaling van

    Vlucht en einde van Joseph Roth. Pas in de jaren negentig van de vorige eeuw werd de verzameling ontdekt en werden zijn eigen romans vertaald. Het in de aanhef vermelde Der Sohn des verlorenen Sohnes kwam bijvoorbeeld in 2001 in Nederland uit.

    Vlucht en einde van Joseph Roth is een af en toe ontroerend verslag van een vérgaande vriendschap. De beschrijving daarvan is duidelijk de hoofdzaak. Wie verwacht ook veel te weten te komen over de ontstaansgeschiedenis van Roths belangrijkste romans zal wellicht wat teleurgesteld zijn. Die komt slechts zeer zijdelings ter sprake. Dat wil niet zeggen dat er niet over literatuur wordt gedelibereerd. Het levert beschouwingen op waarop je als lezer wel even op blijft doorkauwen. Zoals deze – in 2022 ineens verrassend actueel geworden zinnen – : ‘Ik heb altijd bewondering gehad voor de zogenoemde scheppende kunstenaars die, ongeacht alle onrust van het moment, hun werk als het belangrijkste ter wereld beschouwden en zich niet lieten storen. Deze bewondering bleef niet helemaal onverdeeld. Als ik bedenk hoe zo’n romanschrijver zit te tobben over de vraag wanneer zijn held een sigaret of een sigaar moet opsteken terwijl in Oekraïne honderdduizenden mensen worden vermoord, mengt zich door mijn bewondering een vleugje minachting voor de scheppers en hun werk’.

    Hoe zou Roth, die – zo schrijft Morgenstern – ‘zelfs op zijn sterfbed de pen niet losliet’, daarover gedacht hebben?

     

     

  • Hanteerbare grote gevoelens

    Hanteerbare grote gevoelens

    Ester Naomi Perquin laat in deze vijfde bundel zien hoe sterk haar dichterschap zich heeft weten te handhaven sinds het verschijnen van haar debuutbundel in 2007. Want ook Ongevraagd advies is weer een ijzersterke verzameling van gedichten over de meest uiteenlopende onderwerpen, maar altijd vol verrassingen en originele beelden. Perquin schrijft over alledaagse dingen, maar bekijkt die net vanuit een ander oogpunt dan de meeste mensen doen.

    Verwondering ligt aan de basis van haar observaties, maar niet de verwondering over waar mensen toe in staat zijn, want dat wist ze allang. Dingen die ze geleerd heeft ‘in de loop van de jaren’ somt ze op in het allereerste gedicht, dat geen titel heeft meegekregen: ‘het verschil tussen verwond en verwonderd’ en het mooie ‘de kleefkracht van gedachten’, maar aan het eind van het gedicht blijkt er nog genoeg te vragen over. En aan het eind van je leven weet je nog niets, zekerheid bestaat niet. Er is alleen een ‘Zekerheid waarvan je levenslang onzeker bent.’
    Veel gedichten gaan over tegenstellingen, tussen arm en rijk bijvoorbeeld, maar ook tussen de manieren waarop mensen hun leven inrichten. Iedereen is anders, leeft anders en denkt dat zijn manier van leven de enige juiste is. In het gedicht ‘Hoogste tijd’ staat:

    Mensen die fout zitten, liever geen mening hebben,
    die twijfelen of absoluut gelijk gaan krijgen;
    laat ze allemaal, in hemelsnaam,
    lang en hoorbaar zwijgen.

    Eigen waarheid

    Daarom is de titel Ongevraagd advies zo mooi gekozen: iedereen die zijn eigen waarheid voor de werkelijkheid houdt, wil een ander daarvan overtuigen. Ook de dichter zelf bezondigt zich daaraan: Perquin was Dichter des Vaderlands van 2017 tot 2019 en veel van haar gedichten die ze in die functie geschreven heeft, bevatten een mening ten aanzien van een politiek gebeuren. Haar gedicht ‘Ongevraagd advies’ schreef ze in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017 en het is ook in deze bundel opgenomen, met de bekende laatste strofe: ‘Maar geef één stem weg. Nooit de macht.’
    De grootste ongevraagde raadgever is echter de moeder:

    Zoals ze in je praat en dingen vindt,
    dwars door je eigen woorden klinkt, vaak ongevraagd,
    doe je haar nou wat opzij, je hebt toch ogen, waarom
    moet dat nou zo open, die mouwen staan
    je raar en doe een das om als het waait.

    Dit gedicht schreef Perquin voor de Boekenweek van 2019, die als thema ‘De moeder de vrouw’ had. Toch hoop je dat het gedicht ‘Gebed voor een arts’ ook over de moeder gaat: ‘Er zijn nog heel veel mensen over. De meeste hebben/ wij niet nodig. De meeste kunnen wij best missen,/ maar niet deze, dokter. Deze niet.’

    Geweld en barmhartigheid

    De dood komt regelmatig om de hoek kijken in de gedichten. Geweld is nooit ver weg, maar pas als het dichtbij komt, krijgt het een gezicht. Er wordt een beer doodgeschoten, de visboer ‘heft zijn mes’ in het schitterende gedicht ‘Ochtend’, er is een ontmoeting met de dood in de tram, waar hij zich verstopt heeft in alle passagiers en er is een moordenaar, die een petje met Mickey Mouse erop opraapt van de grond en goed zichtbaar over een hek hangt: ‘Dit is vindbaar, denkt hij. Dit is vindbaar./ Vandaag heb ik iets goed gedaan.’ En er is het gedicht ‘Verwijt’, waarvan de eerste strofe luidt:

    Dat je dood bent wil ik wel geloven, maar geen
    verjaardagskaart of telefoontje als ik ben verhuisd
    -geen poging tot contact- vind ik
    getuigen van slecht ouderschap.

    Perquin schrijft met mededogen en barmhartigheid over mensen die moeite hebben met het leven, de buitenbeentjes. Ze merkt een omslag in kleinigheden en alledaagsheden op die een ander misschien zouden ontgaan. De moordenaar was er al een voorbeeld van, maar ze beschrijft ook een vrouw die een bord voor haar raam zet met de namen van mensen die ze dood wil maken. In een prachtig gedicht, ‘Gebed voor een engerd’, vertelt ze over een bejaarde potloodventer, die geen vrouw meer angst kan aanjagen nu hij oud en vervallen is, maar die nog steeds ‘De hunkering naar korte rokken, blote schouders, zomerbries’ kent: ‘[…] Ach God,/ als dit uw schepping is; bescherm zijn broze ziel.’ Perquin kijkt naar de ons omringende wereld, verwondert zich, maar velt geen oordeel over wat afwijkt. 

    De vier afdelingen van de bundel dragen titels die uit de gedichten geciteerd zijn: Zet geen misdrijf voor je raam, Praat niet als het om vertragen gaat, Geloof alleen nog woorden, Loop in de schemering naar huis. In de derde afdeling gaat het naar verwachting over woorden, taal en dichterschap. In het gedicht ‘Verzamelde definities van poëzie’ komt ze tot de conclusie dat poëzie uiteindelijk niet in een definitie te vatten is. Slechts een gedeelte van wat poëzie is, is zichtbaar, maar de rest moeten we zelf invullen. Perquin vergelijkt het heel mooi met een kat:

    Dat het een kat is, moeiteloos bewegend door een stad
    waar niemand woont, door wijdvertakte, leeggelopen
    straten en dan zijn kop niet eens maar vaak zijn staart,
    waar je nog een punt van ziet vlak
    voor hij de hoek om slaat.

    Humor

    Over haar eigen dichterschap vertelt ze in het gedicht ‘Een kamer’, waarin de werkelijkheid botst op de poëzie en het dagelijkse leven haar vaak verhindert om daadwerkelijk haar dichter-zijn te ontplooien. Humor en wanhoop komen samen als ‘de vuile was op metaforen’ ligt en ‘nu ik lego zoek en veters strik’ ‘het belang van één gevonden woord volstrekt lachwekkend is’. Ze besluit het gedicht met de veelzeggende versregel ‘[…] raap je sokken van mijn ziel.’ De humor valt ook af te lezen aan het gedicht ‘Tellen’:

    D. kijkt graag vogels, ik mag mee. Kijk, zeg ik,
    een bonte ekster. Nou, zegt D.,
    dat is een Vlaamse gaai.

    En daar, bij de waterkant, zit een jonge
    wintertaling. Nou nee, zegt D.
    Dat is een smient.

    Verrijkend is het, vogelkijken. We zijn pas
    net begonnen en we hebben er
    al vier gezien. 

    Perquin is niet alleen goed in haar beeldspraak, ze weet ook haar enjambementen treffend aan te brengen, zodat ze een dubbele betekenis geven aan de afgebroken versregels. Haar taal is ritmisch, soepel en toegankelijk. Geen grote woorden, wel grote gevoelens, maar die worden zodanig verpakt dat ze hanteerbaar zijn en voor iedereen herkenbaar. De vele lagen en de dubbele bodems die ze in haar gedichten aanbrengt maken haar poëzie tot een genot om te lezen en te herlezen voor zowel beginnende poëzieliefhebbers als voor degenen die hoge eisen stellen aan poëzie. Ongevraagd advies, als het van Ester Naomi Perquin komt kun je het onmogelijk naast je neerleggen.

     

  • Tekenen die zich niet laten lezen

    Tekenen die zich niet laten lezen

    In een rijkgeschakeerde vertelling die blijk geeft van een verbluffende meerstemmigheid weet Richard Hemker in zijn nieuwe roman Dedalo – Uit zee opgestaan uitzicht op de eeuwigheid te bieden. Het verhaal vloeit met het vanzelfsprekende ritme van de seizoenen over van stem op stem. De rode draad is het spel van het lot met de verschillende levens in het verhaal. In treffende, precies verwoorde scènes zet Hemker met veel detail een geloofwaardige 16e eeuwse wereld neer die tot op het laatst blijft fascineren.

    De actie verplaatst zich van het Italiaanse eiland Arbe wat als springplank dient naar onder andere Venetië en daarnaast nog vele andere, exotische locaties. Op de achtergrond spreekt een kalme verteller die aan het begin van elk hoofdstuk een korte mise-en-scène biedt. Dan is er nog de grillige geest van de onthoofde eunuch Cloridano die overal opduikt en het verhaal hier en daar voortstuwt. Wat het verhaal zijn geloofwaardigheid geeft zijn de historische details en de opmerkzaamheid van personages met allemaal een complex gevoelsleven. Het verhaal volgt onder andere de in 1547 geboren jongen Dedalo Piscioneri. Op Arbe werkt hij met zijn broers en vader Toldo als duiker. Hij is op zijn gemak in de onderwaterwereld, maar voelt dat hij weg moet. ‘Het was hem niet meer mogelijk te ontsnappen in herinneringen, de verkillende zeelucht hield hem hier nu vast. Ik kan niet blijven, meende Dedalo, ik moet weg.’ Nadat de pest om zich heen heeft gegrepen op Arbe voelt hij zich alleen staan. Hij wil snel volwassen worden en de wijde wereld zien, maar zijn lot zal zich buiten zijn macht ontvouwen. 

    Vermoeden van een groter verhaal

    Door de individuele handelingen heen laat Hemker in Dedalo – Uit zee opgestaan constant het vermoeden van een groter verhaal spelen. De verhaallijnen komen op natuurlijke wijze samen. De hoofdpersonen kruisen op kritieke punten elkaars pad en geven ervaringen door. In de schaduw van het machtige Ottomaanse rijk verplaatsen de gebeurtenissen zich uiteindelijk in de richting van Istanbul. Drijvende kracht daarin is onder andere de grootvizier Sokollu die op brute wijze zijn macht consolideert na het overlijden van sultan Suleiman de eerste. In zijn kielzog bevindt zich prinses Sidar van Bitlis, gebrand op wraak voor haar vader vorst Rusak. En dan is er nog het meisje Galla, aangenomen dochter van rabbi Bengi Fano. ‘De bewolking was geweken voor een vloeibaar namiddaglicht dat de karvelen langs de San Giorgio Maggiore in een lobbig chiaroscuro zette. De meerpalen, scheefgezakt, verborgen hun bonte kleuren in zilverige schaduw. Met zijn zwarte vensteropeningen ontvouwde Venetië zich als een hologige sirene en in Galla schoot een groot verlangen los naar de rest van haar leven.’ Zij komt in Venetië terecht waar ze als informante wordt opgeleid. Naast deze hoofdpersonen wordt er nog een bonte selectie aan personen gevolgd. Er zijn dan ook veel perspectiefwisselingen, soms allemaal in hetzelfde hoofdstuk.

    De auteur speelt ook een knap spel met herinneringen en dromen. Zo droomt Dedalo van de gebeurtenis die hem later zal tekenen. Er zijn ook voortekenen van de tijd, zoals de vier Ottomaanse ruiters die Dedalo van een afstandje ziet, die onderweg zijn om een opdracht van Sokollu te vervullen. Bijna alle gebeurtenissen in het verhaal zijn op ingenieuze wijze met elkaar verbonden. De aan het begin van het verhaal verdwenen jeugdvriend van Toldo bijvoorbeeld, keert op het eind weer terug in een heel andere gedaante. 

    De karakters in het boek leggen een zekere ontvankelijkheid aan de dag als het op wonderlijke zaken aankomt. Het onzegbare manifesteert zich in deze wereld op vele manieren, zoals een plotseling inzicht of een flits van helderheid. Soms zit daar de speelse geest Cloridano achter, maar zijn controle is maar beperkt. Er zijn krachten die de mens te boven gaan, lijkt het verhaal te willen zeggen. Dedalo is gefascineerd door zijn herinneringen en de verschillende mythes van het eiland Arbe. ‘Wat Dedalo niet begreep hield de belofte in van een mythische verklaring. De geschiedenis was hem in beginsel vreemd en dat maakte het waardevol want hij vermoedde een groter verhaal. De mythische verklaring liet zich ook toepassen op zijn eigen bestaan. Als hij zijn belevenissen niet kon duiden, dan gaf hij zich haast triomfantelijk over aan het vermoeden van een groter verhaal.’

    Uitverkoren om je te verbazen

    De gebeurtenissen in het verhaal ontvouwen zich met een grote vanzelfsprekendheid, alsof ze voorbestemd zijn. Het noodlot sleurt Dedalo mee en werpt hem op een nieuw strand van ervaring. Of hij daarbij een golf is of de overspoelde is niet meteen duidelijk. De wervelende vertelling maakt veel grote tijdsprongen maar het grote plaatje wordt nooit uit het oog verloren. Hemker laat daarbij veel ruimte voor de innerlijke motivatie van de karakters. Af en toe dreigt de lezer door het grote aantal personen het overzicht te verliezen. Maar gelukkig is in het boek ook een register opgenomen met alle relevante personen en hun achtergrond. Het verhaal is dan ook stevig geworteld in de geschiedenis, zoals de belegering van Szigetvár (1566) en de slag bij Mohács (1526) die in het verhaal voorkomen. De details zijn authentiek, wat bijdraagt aan de overtuigingskracht. 

    In dit bijna tastbare verleden worden de stille krachten achter de dingen reëel gemaakt. Geworteld in de tijd en hun respectievelijke historische context is er veel waar de personages zich over kunnen verwonderen. ‘Er zijn uitverkoren mensen. Jij bent uitverkoren. Uitverkoren waarvoor? Om je te verbazen.’ In zijn gang door de geschiedenis ontplooit Hemker voor hen een breed sleepnet aan ervaringen. Op bepaalde magische momenten worden zij even uitgetild boven het dagelijkse en zien ze op de toppen van de ervaring een glimp van iets eeuwigs. Bengi Fano verwoordt het zo: ‘Dat de sensatie niet gedeeld kon worden tussen mensen omdat juist het ondeelbare de essentie is van deze ervaring.’ In hun eindigheid wordt iets van de essentie van het leven ontwaart. Hemker trekt hierbij alle registers open om het leven in zijn volheid te etaleren. De personages worden verliefd, rouwen, worstelen met hun leven en hopen er iets van te maken. Het zijn de eeuwige thema’s, maar de manier waarop Hemker zijn individuen behandelt geeft ze iets van een gedeelde droom of een lied van de tijd. 

    Tekenen van de tijd

    Dedalo – Uit zee opgestaan biedt een gewaagde carrousel aan beelden, een minutieus opgezette schildering die de sfeer weet te treffen en op ambitieuze wijze verhalen met elkaar verbindt. Als historische vertelling is het een rijk tapijtwerk van vervlochten verhalen die zich niet alleen verplaatst in de vertelde tijd maar ook in de raderen van het tijdsgewricht. Verzadigd en vol van de wereld ervaren de generaties het leven. Hemkers personages laten zich vaak leiden door ’tekenen die zich niet laten lezen’. Dedalo vlucht weg van het eiland omdat hij wil vluchten voor zijn herinneringen. Prinses Sidar laat zich leiden door wraak en wordt hard en afstotend. Galla wordt gevormd door haar leraren en geliefden en ook een bepaalde richting uitgestuurd. Alles stevent zo af op de plek waar al deze levens samen moeten komen. Wat ze gemeen hebben is dat ze allemaal op zoek zijn naar hun bestemming, tastend in de onbestemdheid van wat nog moet komen. Soms ongeduldig, soms vol verwachting maar altijd onderworpen aan het hongerige noodlot.
    Dedalo – Uit zee opgestaan vormt het eerste van twee delen en dit verhaal is nu al zo levendig en goed uitgewerkt dat het met ongeduld wachten is op het volgende deel.

     

     

  • Schrijven is een manier van denken, een manier van leven

    Schrijven is een manier van denken, een manier van leven

     

    De Italiaanse schrijver en journalist Andrea Bajani (1975) is in eigen land een gelauwerd schrijver. Over zijn debuutroman, Cordiali saluti, (2005), schreef de schrijver Antonio Tabucchi (1943-2012) dat hij dit boek gelezen had ‘met een opwinding die ik in tijden niet meer heb gevoeld in de Italiaanse literatuur’. Het boek won vier prijzen. Zijn tweede boek, Ogni promess, verscheen in Nederland als De belofte. In 2014 verscheen een bundel ultra korte verhalen in de trant van Italo Svevo, Het leven is niet alfabetisch. Beide boeken vielen in de prijzen. Zijn roman Un bene al mondo (2016) Het hoogste goed (deze romans werden vertaald door Yond Boeke en Patty Krone) werd onlangs verfilmd. Vanaf 2017 publiceerde Bajani verschillende poëziebundels, ook schrijft hij essays voor de krant La Repubblica.

    Het boek van de huizen is een fascinerende vertelling over de ontwikkeling van een kind tot jongeman, student, echtgenoot, schrijver en de verschillende huizen waar het personage Ik, heeft gewoond. Het is geen chronologisch vertelling, de schrijver springt door de tijd. Er zijn plattegronden van de verschillende huizen in afgedrukt en zonder een toekomstroman te willen zijn, is er een hoofdstuk gesitueerd in 2048, waarmee het idee een traditionele roman in handen te hebben, geheel verworpen wordt. 

    Sinds enkele jaren woont Andrea Bajani in Houston, Amerika waar hij Creative Writing geeft aan de universiteit. Een groot deel van Het boek van de huizen schreef Bajani in Rome, de uiteindelijke vorm van het boek kwam in Houston tot stand. Rond de verschijning van de Nederlandse vertaling verbleef Bajani enkele dagen in Amsterdam. Voor het interview ontmoetten we elkaar in de Cobra Lounge van het Ambassade Hotel aan de Herengracht.


    Wat betekent een huis voor u?

    ‘In Italië is ieder huis een herinnering die behouden blijft voor de familie. Daar is het normaal dat mensen in oude, beschadigde huizen wonen. In Texas, waar ik op dit moment woon, kopen ze alleen het stuk land, vernietigen het huis dat erop staat en bouwen iets nieuws omdat het voordeliger is. Dat is in Italië ondenkbaar.

    Ik ben een nomade, maar in mijn manier van rondtrekken zit altijd de behoefte het perfecte huis te vinden. Als ik het zou vinden betekent dat het einde van mijn zoektocht. Ik pleit er dan ook voor dat geluk een streven blijft, niet een bestemming die je bereiken moet. Mijn culturele achtergrond zegt me dat een huis een plaats voor altijd betekent, meer algemeen denk ik dat een huis een goed narratief is voor een betekenisvol leven. Huizen zijn een soort van fictie. Als schrijver is dat interessant voor mij.’

    Naast dat het een boek over huizen is, gaat het ook, in haast onopvallende noteringen ook over klassenverschillen, zoals, ‘Bij de uitgang van de supermarkt valt het muntje dat ze als wisselgeld bij het bonnetje hebben gekregen vaak in de hand van de derde wereld die tegen de muur zit.’  


    Wat wilt u hiermee aantonen?

    ‘Tegenwoordig hebben we enkel een middenklasse, met daarbinnen de hogere- en lagere middenklasse. De arbeidersklasse wordt niet meer genoemd, alsof men zich daarvoor schaamt. Iedereen kan nu bereiken wat hij wil. En als je dan zelf iets bereikt hebt, wil je wel een aalmoes aan daklozen geven. Ik wil laten zien hoe we onszelf voor de gek houden, zo snel vergeten waar we vandaan komen.’ 

    Het boek van de huizen is fragmentarisch en zonder uitgesproken emoties geschreven. Toch spreekt er een verlangen van Ik naar geborgenheid, naar liefde uit. Er is sprake van geweld en verwaarlozing in de jeugd van Ik, iets dat gaandeweg duidelijk wordt.


    Waar vond dit boek zijn oorsprong?

    ‘In 2015 werkte ik voor een fellowship op de Amerikaanse Academie in Rome. Een paar blokken van de de academie was het huis waar  ik ben geboren. In het boek is dat het ‘Huis onder de Grond’. Toen ik drie was verhuisden mijn ouders met mij en mijn zus naar een ander huis. Mijn oma bleef daar achter. Tot 2001 kwamen we met kerst en pasen nog bij haar op bezoek. Daarna ben ik er niet meer geweest. Het was beangstigend dat dit  huis zo dicht bij de academie lag, beangstigend omdat mijn familieverhaal een verhaal vol pijn is.
    Eerst observeerde ik het huis een paar dagen van een afstand. Toen heb ik aangebeld. Het was een klein huis, ik heb op het buitenplaatsje gestaan waar ik als kind speelde. Toen ik daarna terugliep naar de academie, had ik de structuur van dit boek en de eerste zin: “Ik gaat wandelen.” Ik had de visie van het hoofdkarakter en alle huizen waar Ik gewoond heeft voor ogen. Ik wist dat dit een puzzel van huizen zou worden. Terug in mijn appartement ging ik strijken, dat is voor mij de enige manier om me te kunnen focussen op een idee. En ik wist, dit boek moet ik schrijven. Ik heb er vijf jaar over gedaan.’


    Waarom moest het hoofdpersonage ‘Ik’ genoemd worden?

    ‘Die eerste zin “Ik gaat wandelen.”, had een bedoeling. Die zin kwam niet voor niets bij me op. Ik vertrouw de woorden die in me opkomen, en ik weet dat ik ze moet volgen. Het hele punt van schrijven is dat je begint te schrijven en gaandeweg pas ontdekt wat de bedoeling is. Toen ik bij mijn geboortehuis aanbelde, wilde ik op dat moment terug naar het kind dat ik toen was. Toen ik binnenkwam wist ik dat dat niet kon. Hoe moet ik het zeggen, ik was toen een kind, nu ben ik een ander persoon.
    Daarom geloof ik niet in memoires. Alles wat je hebt gedaan in je leven, wordt in een memoir verklaard. Het boek van de huizen is voor mij precies het tegenovergestelde. Wat ik met dit boek wilde, was ervoor te zorgen dat elke ik die ik geweest ben, de driejarige, de zestien- en vierentwintigjarige gerespecteerd werden om wie ze toen waren, hun handelen wilde ik niet verklaren.’


    Zijn huizen herinnering bewaarders? 

    ‘De enige manier om te herinneren is het verleden te bezoeken. In de huizen van vroeger vind je jezelf uit het verleden weer terug. In een andere gedaante, maar jij was het wel. Herinneringen zijn een verzameling momenten in de tegenwoordige tijd. 


    De hoofdstukken ‘Huis van de Dode Dichter’ en ‘Huis van Gevangene’, gaan over schrijver en filmmaker Pier Paolo Pasolini die in 1975 werd vermoord en de ontvoering en moord op politicus Aldo Moro in 1978. Waarom noemt u ze niet bij hun naam?

    ‘Ik besloot hun namen niet te noemen, te weten wie het zijn is een extra laag aanbrengen die ik niet wilde. Je hoeft ook niet per se te weten dat Ik, Bajani is.  Ik ben geboren in augustus 1975, de Ik uit het boek is wat later geboren.
    Bij  Aldo Moro was ik drie jaar, de tv beelden waren gewelddadig. In het huis waar ik als driejarige woonde stond de tv altijd aan. Ik herinner me de beelden niet, maar ze zijn toch ergens opgeborgen in mijn geheugen. Een belangrijk gereedschap voor een schrijver is zijn geheugen. Tijdens het schrijven kwamen deze twee personen naar boven. Ik had niet gepland over hen te schrijven. Het kwam mee met de beschrijving van het huis waar ik geboren ben.
    Het schrijven aan dit boek was het willen vinden van een huis waar geen pijn bestaat, een huis waar liefde kan bestaan. Daar slaagt de Ik niet in. Uiteindelijk voelt de Ik zich thuis als hij schrijft op zijn laptop. Woorden geven hem het gevoel van veiligheid. Hij voelt het belang van woorden, hoe ze gebruikt worden.’ 

    De eenzaamheid van Ik doet denken aan het jongetje in Bajani’s boek Het hoogste goed, dat geen ander gezelschap heeft dan zijn verdriet. Als een trouwe hond blijft het bij hem, ligt aan zijn voeten als hij aan tafel zit.


    Gaat het in beide boeken over dezelfde jongen, over hetzelfde verdriet?

    ‘Zonder het te willen hebben over een trilogie is Het hoogste goed het eerste deel. Dit boek is het tweede deel en in mijn computer zit het derde boek, net zo’n kleine roman als de eerste. Alle drie zijn ze compleet verschillend maar komen uit dezelfde bron. In het Het hoogste goed gaat het over verdriet. Daarin werd de pijn uitgewerkt, ik huilde elke regel die ik schreef. Dit boek, het tweede, kon ik met meer afstand schrijven en gaat over vergiffenis. Het derde boek, dat ik schreef tussen 2020 – 2022, is confronterender.’ 


    Er is een zus die Ik probeert  te bereiken, maar het zijn vruchteloze pogingen. Het maakt verdrietig over deze pogingen te lezen. Wat is er met de zus?

    ‘Je bent de eerste die me hier naar vraagt. Soms blijven mensen achter, komen ze niet mee in het leven dat je gekozen hebt. Ik verstoot zijn ouders, hij ziet ze nooit meer, wat begrijpelijk is. Maar hij laat ook zijn zus achter. Zij is eigenlijk het echte slachtoffer, de geofferde. Zij kon haar ouders niet verlaten, Ik liet haar daar achter. Meer dan alle andere dingen in het boek laat dit de eenzaamheid van Ik zien. Zijn zus was de enige die hij kon vertrouwen, waarmee hij zich wilde verbinden, en dat is niet gelukt.’ 


    Voorin het boek is een citaat van Milan Kundera opgenomen. Wat betekent deze schrijver voor u?

    ‘Ik ben schatplichtig aan Milan Kundera. Hij is de schrijver die me initieerde tot een vorm van fragmentarisch schrijven. Het heeft jaren geduurd voor ik zo kon schrijven. Kundera stopt politiek, engelen (er komen twee engelen in Bajani’s boek voor I v/d G) en seks in zijn boeken. Zo te schrijven als hij schreef, was een manier om hem te eren, mijn dankbaarheid aan hem te tonen.
    Ik was zeventien toen ik hem voor het eerst las. Zijn boeken waren metafysisch, in eerst instantie begreep ik niet alles. Ik kon hem in zijn schrijven niet opvolgen. Ik vind ook dat je als beginnend schrijver eerst op de traditionele manier moet leren schrijven. Pas na vijftien jaar werd Kundera’s manier van schrijven een keerpunt in mijn leven. Je moet eerst sterk in schrijven worden om een puzzel te kunnen schrijven. Kundera is nu vergeten. Toen hij in het Frans ging schrijven, verloor hij iets.’


    Heeft u er wel eens over gedacht uw boeken in het Engels te schrijven?

    ‘Ik geef les in het Engels, mijn leven is in het Engels, tachtig procent van de boeken die ik lees zijn in het Engels. Deze taal heeft een grote invloed  op mijn Italiaans. Taal is ook een houding, door het Engels ben ik veel directer geworden. Maar ik zou niet in het Engels kunnen schrijven. Ik ben verweven met mijn taal, mijn herinneringen zijn in het Italiaans. Ik zou iets verliezen als ik in het Engels zou schrijven.’ 


    Wordt met het verschijnen van het derde boek dat nu nog in uw computer zit, een periode afgesloten?

    ‘Elk boek dat ik schrijf voelt als het laatste, maar het is belachelijk als schrijver te denken dat je je laatste boek hebt geschreven. Met Het boek van de huizen dacht ik alles gezegd te hebben. Maar schrijven is een manier van denken, een manier van leven. Een schrijver zoekt naar de zin van het leven en als je die gevonden denkt te hebben, dan is dat je laatste boek. Maar gelukkig komt er steeds opnieuw iets dat onderzocht moet worden, en dat wordt dan weer een idee voor een boek dat geschreven moet worden.’

     

     

    Foto: Emiliano Ponzi


     

     

     

     

     

     

     

    Het boek van de huizen / Andrea Bajani / vertaald door Manon Smits / Uitgeverij Van Oorschot