• Leven zonder geheugen is geen leven

    Leven zonder geheugen is geen leven

    In de afgelopen jaren verschenen er tientallen boeken, romans en non-fictie, over dementie, de volksziekte die door artsen en de overheid voor de nabije toekomst wordt gezien als de belangrijkste doodsoorzaak. Statistisch gezien is de kans daarom groot dat je als lezer op de een of andere manier te maken hebt of krijgt met dementie. De literatuur biedt ons vensters op het leven en kan ons helpen om de werkelijkheid te ordenen. Dat is precies wat Wiebe Brouwer (1958) heeft gedaan in zijn debuut, het autobiografische Water scheppen met een lepeltje – Het laatste jaar met mijn demente moeder. Zijn boek is gelukkig meer dan het zoveelste verslag vanuit het perspectief van een mantelzorger.

    De moeder van Wiebe is vijfennegentig en al jarenlang weduwe. Wiebe en zijn zus Francien hebben ervoor gezorgd dat ze in haar eigen grote huis in Wassenaar kan blijven wonen; er is vierentwintig uur per dag een verzorgende van ‘Passie voor Zorg’ bij haar in huis. Zelf heeft moeder het niet meer in de gaten dat ze in haar eigen huis is. Ze heeft de indruk dat ze zich in een pension bevindt waarvan de leiding zich nooit laat zien en ze durft haar eigen keuken niet in omdat die volgens haar alleen voor het personeel is bedoeld.

    Zonder geheugen zijn wij niets

    Het boek is opgehangen aan een uitspraak van Luis Buñuel, de Spaans-Mexicaanse filmregisseur die surrealisme in zijn films liet doorwerken: ‘Eerst moet je je geheugen verliezen, al is het maar bij stukjes en beetjes, om te beseffen dat het geheugen ons leven bepaalt. Leven zonder geheugen is geen leven… Ons geheugen geeft ons verbanden, is onze rede, ons gevoel, zelfs ons handelen. Zonder geheugen zijn wij niets…’

    Wiebe vraagt zich voortdurend af wat zijn moeder zou willen, waarvoor ze zou kiezen indien ze nog bij haar volle verstand zou zijn. Wat blijft er van haar persoonlijkheid over nu haar herinneringen in hoog tempo verdwijnen? Hij kan zich moeilijk neerleggen bij wat de mensen van ‘Passie voor Zorg’ als ‘het beste’ voor zijn moeder beschouwen. Hij realiseert zich enerzijds dat zijn moeder een paar jaar geleden gezegd heeft dat ze niet meer wilde leven. Voor zus Francien is dat reden genoeg om vraagtekens te zetten bij zaken als het toedienen van antibiotica, maar Wiebe kan zich er anderzijds moeilijk bij neerleggen dat er schijnbaar zo gemakkelijk beslist wordt over het lot van bejaarden, in tegenstelling bijvoorbeeld tot dat van kinderen, die tot elke prijs gered worden. Hij besluit om zijn moeder theelepeltjes water te geven wanneer ze niet meer zelfstandig wil drinken en omdat ze vanwege haar dementie vergeet dat ze eerder ook al op die manier wat vocht binnen had gekregen, lukt het hem om zijn moeder uit een levensbedreigende impasse te halen. 

    Huichelaar

    Brouwer heeft zijn stilistisch fraai geschreven boek op een afwisselende manier vormgegeven: brieven aan zijn zus, berichten aan vriendinnen en e-mailwisselingen met de zorgverleners van ‘Passie voor Zorg’ worden afgewisseld met korte verhalen, (surrealistische) toneelstukjes en logboekfragmenten. Ondanks de zwaarte van het thema ademt het boek een bepaalde lichtheid en schuwt Brouwer humor niet. De positie waarin Wiebe zich bevindt wordt steeds duidelijker. Wanneer hij zich na een bezoekje aan zijn moeder afreageert op zijn vrouw, verwijt die hem dat hij meer van zijn moeder zou houden dan van haar, maar dat is niet zijn grootste dilemma. Steeds vaker vertelt een innerlijke stem dat hij een huichelaar is, omdat hij zijn moeder niet de waarheid vertelt over haar situatie. Wanneer zijn moeder hem bijvoorbeeld eens vraagt of ze soms in het buitenland is, omdat ze haar eigen woonomgeving niet herkent, kletst hij zich eruit met een geruststellend smoesje: ‘Het was verraad. Ik vertelde haar een handig verhaaltje omdat ik als enige van ons tweeën besefte dat zij niet goed snik is. Uit gemakzucht zette ik haar op de boot naar Fabeltjesland. Ik wees haar niet eens op een andere bestemming, maar stond welgemoed op de kade te wuiven. Is dat liefde? Tot dusverre vond ik van niet.’

    Hij brengt het evenmin altijd op om even begripvol te reageren op de situatie. Soms roept hij in zijn wanhoop ‘alles wat ze hem op een mantelzorgerscursus zouden verbieden’. De spagaat waarin Wiebe zich bevindt is ontroerend en herkenbaar beschreven. Maar er is meer. Het lijden van zijn moeder zorgt er eveneens voor dat Wiebe zich gaat afvragen wat een persoonlijkheid ten diepste definieert, zeker omdat die door een ziekte als dementie tegelijk met je laatste herinneringen zo gemakkelijk lijkt te kunnen verdampen. De machteloosheid van zijn moeder benadrukt voor Wiebe het mysterieuze van ons bestaan. Hij beschrijft haar aftakeling als overweldigend omdat ze deel uitmaakt van iets enorms, dat eerbied afdwingt; ‘God hangt in de lucht in Wassenaar’. Prachtig zijn de zinnen waarin Wiebe zichzelf beschrijft als een gelegenheidsgelovige. 

    Medicatie

    Zoals te verwachten is, gaat het alleen maar slechter met de moeder van Wiebe, ondanks voorgeschreven medicatie met welluidende namen als Schemerkoelte, Najaarsvrede en Wintermist. De laatste brief uit het boek is gericht aan de moeder zelf.

    Wiebe Brouwer heeft met Water scheppen met een lepeltje een fraai boek geschreven dat het verdient om gelezen te worden. De vragen waarmee hij worstelt zijn enorm herkenbaar. Bijzonder zijn de beschrijvingen waarin het gaat over wat de lijdensweg van zijn moeder hem persoonlijk openbaart. Ze geven een extra dimensie aan het plot dat anders wat vlak had kunnen zijn gebleven. De vorm waarin Brouwer zijn boek gegoten heeft is origineel en zorgt ervoor dat de lezer het aangrijpende relaas gedoseerd en vanuit verschillende invalshoeken kan volgen. Brouwer publiceerde eerder al essays en verhalen. Laten we hopen dat hij met dit boek de smaak van het schrijven nog meer te pakken heeft gekregen.

     

     

  • Verbinding

    Verbinding

    De schreeuw om een geordende wereld spatte de afgelopen weken van het internet. Daarbij sloegen links en rechts elkaar bestraffend om de oren en dienden rampen zich aan. Ik droomde ’s nachts gewoon dat ik aan de arm van Remco Campert liep. Er was geen loper, er was geen feest. We waren een knap stel al ben ik geen schoonheid maar Remco Campert is toch een opmerkelijke verschijning. Het was een evenwichtig moment. Tegen de ochtend droomde ik dat ik met een kind, in een doek op mijn rug gebonden, van een stenen trap afliep. Het doek raakte los en het kind rolde zo langs me heen naar beneden, waar de trap in het water verdween. Ik werd wakker van een ernstig (droge) snikken. Ik begreep niet wat ik ermee moest. Ik ging naar beneden en zette in de keuken de radio aan, vulde een ketel met water.

    Op de radio de stem van een hulpverlener ter plaatse over de toestand in Mozambique. Het kan altijd nog erger. Een cycloon raasde op een nietsvermoedende vrijdagochtend over het land. De gevolgen zijn verschrikkelijk. Er is honger, gebrek aan schoon water, cholera heerst. De stem van de hulpverlener valt af en toe weg. Mijn gehoor staat op scherp, zie voor me een verwoest landschap, een modderig landschap. Ik vrees dat de omroepster, zoals bij de radio gebruikelijk is bij een slechte verbinding, zal zeggen: ‘Zeg, de verbinding hapert…, jammer maar we…’.

    Ondertussen zoek ik in mijn hoofd naar iets van een verbinding met Mozambique om dichterbij te komen. Iets dat me als een strak geworpen speer dwars door de feitelijkheden heen bij de kern der dingen brengt. Ik loop naar de boekenkast en zoek naar de Portugees/Mozambikaanse schrijver Mia Couto. Zijn eerste roman, Slaapwandelend land speelt in Mozambique tijdens de burgeroorlog in de jaren zeventig. Een hopeloze geschiedenis waarvan sommige beelden me bijbleven. Van een vrouw met een lichte huidskleur, een zeemeermin? Ik zoek het op. Een visser redde een vrouw uit zee. De visser was het niet van plan, maar zo gauw hij haar op het droge heeft en haar ongewone huid ziet, bindt hij haar vast op het strand. Wie haar lichte huid wil zien, moet betalen. De visser is blij met deze neveninkomsten. Maar de vrouw werkt niet mee. Er staat een bakje water en een schaaltje vis naast haar. Ze raakt het niet aan. De visser was een sluwe vos, schreef Couto. Verhalen zijn hoeders van de geschiedenis, maken de ondoenlijke werkelijkheid tot een overzichtelijk geheel.

     

    Slaapwandelend land / Mia Couto, Vertaling: Harrie Lemmens, Van Gennep (2009)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Een gekleurd portret

    Een gekleurd portret

    ‘Hoewel geschreven door een politicus, is het geen politiek boek geworden.’ Dat vindt Harry van Bommel, de samensteller van deze bundel Surinaamse portretten én actief politicus in de Tweede Kamer voor de SP. Is dat wel zo? We nemen een kijkje in de levens van vijftien Surinamers die hun weg hebben gevonden in de Nederlandse samenleving en leggen hun portretten langs de politieke lat.

    1975. Suriname wordt onafhankelijk, nadat het sinds de 17e eeuw als kolonie van Nederland heeft gefungeerd. Gedurende de periode van dekolonisatie die daarop volgt, vertrekken grote groepen mensen uit Suriname om in Nederland te gaan wonen en werken. De onafhankelijkheid van Suriname met enige jaren daarna de Decembermoorden zijn voor veel Surinamers de aanleiding om hun thuisland te verlaten. Het is er niet meer veilig en er is nauwelijks werk. Dus gaat men weg van de familie, de warmte en de levendige drukte op straat; weg uit Suriname. Op naar het koude land aan de Noordzee, naar een leven tussen vier muren. Een koud land, ja, maar ook een land vol mogelijkheden. Althans, voor de geïnterviewden geldt dat iedereen op zijn of haar eigen manier geslaagd is in het leven: advocaat, presentator, kunstenaar, consultant, politicus, etc. Veel bekende namen passeren de revue: Prem Radhakishun, Sylvana Simons, Humberto Tan, Tanja Jadnanansing.

    Herkenbare thema’s
    Thema’s die in de interviews aan de orde komen zijn: het leven tussen twee culturen, discriminatie, politiek, integratie, het slavernijverleden, etcetera. Over de eerste twee thema’s komen de meningen grotendeels overeen. De meeste geïnterviewden worstelen met de vraag of ze nu Surinamer of Nederlander zijn. Ze leiden veelal een Nederlands leven met een Surinaams sausje: ze zijn bijna allemaal lid van een Surinaamse club, maar ze leiden verder een ‘gewoon’ Nederlands bestaan. De eerste kennismaking met Nederland vonden de meesten wel tegenvallen. Zo ging administratief medewerkster Donita Singodikromo de eerste dag uit school naar de verkeerde flat. Flats kende ze niet in Suriname en een leven binnenshuis was enorm wennen. In Suriname leeft iedereen veel meer op straat. Als het om discriminatie gaat, valt het veel geïnterviewden op dat er in Nederland de laatste jaren een verharding heeft plaatsgevonden naar mensen met een andere huidskleur. Tanja Jadnanansing heeft op dit gebied een bijzonder positieve instelling. Zij leeft volgens het principe van een Hindoestaans gezegde: manur bhava. Dat betekent ‘word mens!’ Dat wil ze alle jongeren waarmee ze werkt meegeven, ongeacht hun kleur. Een mooi en nobel streven.

    Over politiek zijn de meningen verdeeld. Humberto Tan vindt de Surinaamse politiek bijvoorbeeld onbegrijpelijk, omdat er wordt gezegd dat je niet naar het verleden moet kijken, terwijl een land daar volgens hem juist veel van kan leren. Hij volgt de Surinaamse politiek dus op afstand, terwijl burgemeester en wethouder Roy Ho Ten Soeng direct in Suriname zou gaan stemmen, als dat mocht. En over Nederlandse politici: zij zouden volgens sommigen meer aandacht moeten besteden aan het slavernijverleden, maar of ze zich moeten bemoeien met de Surinaamse politiek… de één vindt van wel, de ander vindt van niet.

    Vijftien geslaagde voorbeelden
    De aanleiding voor het verschijnen van deze bundel vormde voor Van Bommel het feit dat het in 2015 veertig jaar geleden was dat Suriname onafhankelijk werd. Althans, dat schrijft hij zelf in zijn inleiding. Naarmate het boek vordert, doemt het beeld op van een geslaagde integratie. Niet geheel probleemloos, maar wel overwegend succesvol.

    Over de selectie van de geïnterviewden schrijft Van Bommel in de inleiding dat hij heeft geprobeerd een gebalanceerde etnische verhouding in het boek te krijgen, om hiermee een volledig beeld van de geschiedenis van Suriname en Nederland te geven. Suriname kent een grote etnische diversiteit: Afrikanen, Javanen, Hindoestanen en Chinezen. Van alle etnische groepen heeft Van Bommel een paar mensen geïnterviewd voor zijn boek. Dat klinkt dus heel weloverwogen en objectief. Maar deze objectiviteit is, evenals de dubieuze aanleiding, slechts schone schijn. Want Van Bommel heeft zijn selectie gemaakt uit louter succesvolle en grotendeels bekende Surinaamse Nederlanders. Ondanks dat de etnische diversiteit wel wordt gewaarborgd, geeft dat geen volledig beeld van de geschiedenis van Suriname en Nederland, zoals Van Bommel beweert, maar een rooskleurig beeld.

    Het gebrek aan objectiviteit is het grote manco van deze bundel. Van Bommel schrijft in de inleiding dat hij hoopt dat de portretten in deze bundel aanleiding geven tot verdere discussie over belangrijke thema’s als migratie, integratie en discriminatie. De portretten zijn boeiend en leerzaam, maar er is echt meer nodig dan een interview met vijftien tevreden en geslaagde migranten voor een discussie over dergelijke grote en actuele thema’s. Hiervoor is het noodzakelijk om de thema’s van meerdere kanten te belichten en dat gebeurt niet in deze bundel. De portretten geven geen volledig beeld van de geschiedenis die Suriname en Nederland delen, in tegenstelling tot wat Van Bommel beweert in zijn inleiding. Dat kan ook niet, als je bedenkt dat Van Bommel met deze bundel nóg een doel heeft, namelijk het ‘laten zien wat de migratie vanuit Suriname voor Nederland in positieve zin heeft betekend en betekent.’ Die laatste doelstelling wordt dus duidelijk wel behaald en… heeft als gevolg dat het boek in alle opzichten tóch een politiek boek is geworden. Hoe kan het ook anders, in een tijd waarin de vluchtelingenproblematiek met stip op nummer één staat op de politieke agenda. Maar goed, los van de paradoxale doelstelling(en) die de schrijver heeft gehad met dit boek, de portretten op zichzelf zijn erg interessant. En ze zorgen ervoor dat je stilletjes gaat verlangen naar het gezellige familieleven in het zonovergoten Suriname en het opgeruimde karakter van de bevolking. Want, zoals Sylvana Simons stelt: ‘Ik zou niet weten hoe ‘ongelukkig’ eruitziet in Suriname.’

  • Een staaltje van literaire journalistiek

    Een staaltje van literaire journalistiek

    Iedereen stapt weleens af is een verzameling stukken die John Schoorl (1961) schreef in onder meer  de Volkskrant. Schoorl laat zien dat journalistiek literair kan zijn. Sommige mensen gaan ervan uit dan non-fictie geen literaire waarde kan hebben, omdat de schrijver gebonden is aan de feiten. Dat is geen sterke redenering. Literatuur valt of staat bij de stijl. Het berichten over feiten belet een goede schrijver niet om tot mooie formuleringen te komen. En Schoorl schrijft mooi.

    De bundeling begint met de titelreportage. Mogelijk het sterkste stuk uit het boek. Schoorl bespreekt erin een volslagen onbekende wielrenner die in de jaren vijftig aan de Tour de France heeft deelgenomen en is afgestapt. Uit diverse van de artikelen blijkt een voorliefde voor verliezers. Verliezers, in de sport af anderszins, zijn bijna altijd  interessanter dan de winnaars, zo blijkt uit de teksten. Schoorl laat zien hoe leeg supporters eigenlijk zijn die op voetbaltribunes ‘No time for losers‘ zingen. De verliezer is veel representatiever voor de menselijke ervaring dan de triomfator.

    In zijn stuk over de wielrenner, Arie van Wetten, beschrijft Schoorl het moment van afstappen ‘in de hel van Normandië’, als volgt: ‘Hij had ook in Antarctica kunnen zijn of in de binnenlanden van Afrika. Hij zag he-le-maal niks meer. Alles stond zogezegd op zwart. Hij stond daar alleen op de weg, samen met zijn blauwe fiets. Van ellende waren alle plooien in zijn gezicht bij elkaar gekropen. Zijn lange puntneus pikte uitgeput tegen zijn vorstelijke kin aan. Dan was er nog zijn gele shirt, dat eruit zag als een expressionistisch schilderij. De letters van sponsors Locomotief en Vredestein waren door klodders kots en rochel onherkenbaar geworden. En hij huilde. Godverdomme, hij stond te grienen.’ (16) Deze ervaring is duidelijk boeiender dan een beschrijving van een glorieuze overwinning. Over een winnaar in het leven valt bar weinig te vertellen, al doet Schoorl een goede poging in zijn beschrijving van Rijksmuseumdirecteur Wim Pijbes.

    Schoorl, die zelf dichtbundels publiceerde, schreef ook interessante portretten van de dichteressen Delphine Lecomte en Kira Wuck. De auteur toont in deze en andere artikelen veel empathie. Je krijgt het gevoel dat zijn visie op de besproken personen wel ongeveer klopt. Daar zit hem ook wel een gevaar in. Juist omdat het journalistiek is verwacht je objectiviteit. Schoorl interpreteert meer dan veel andere journalisten. Letterlijke citaten geeft hij niet veel. Zijn teksten zijn vooral weergaven van Schoorls visie op de besproken mensen. Het is de vraag of je met wat research en een interview tot een volledig afgewogen visie op een ander kunt komen. Maar het zou jammer zijn geweest als Schoorl daarom had afgezien van het schrijven van zijn stukken. Totale objectiviteit is in de grond natuurlijk ook onmogelijk. En door te schrijven op zijn eigen manier laat de journalist de lezer duidelijk weten dat hij subjectief is, zoals elke schrijver. En dat is wel zo eerlijk.

    De literator Coleridge stelde ooit dat iedere mens die ooit geleefd heeft eigenlijk een biografie verdient. Dat is misschien wat overdreven, maar het lijkt wel zo te zijn dat iedere mens een artikel over hem of haar verdient zoals Schoorl ze aflevert.

  • Oogst van de Week, week 7

    Deze week kwamen o.a. drie historische romans binnen op de burelen van Literair Nederland:

    Etalage

    Moord op de noordelijke bergweg, Anila Wilms (1971)
    Laat u niet van de wijs brengen door de titel van dit boek van de Albanese schrijfster Anila Wilms. Het mag dan misschien spannend zijn, het is vooral een roman over een turbulente periode uit de Europese geschiedenis, net na de Eerste Wereldoorlog, die gekenmerkt werd door politieke intriges en veranderende internationale machtsverhoudingen.

    Het verhaalt begint in Tirana in 1923. De Amerikaanse ambassadeur Julius Grant is met grote verwachtingen naar de hoofdstad van het jonge en roerige staatje Albanië gekomen. Men zegt dat er olie te vinden is. Van de ene op de andere dag staat het land in de belangstelling van alle belangrijke westerse regeringen en oliemaatschappijen. Maar dan worden er in april 1924 in het onherbergzame noorden twee jonge Amerikanen vermoord. Wie heeft de moord gepleegd? Wat deden de twee Amerikanen daar? De moord brengt de nieuwe ambassadeur in verlegenheid. De politieke spanningen tussen de verschillende partijen in het land lopen zo hoog op dat een burgeroorlog dreigt. Het voortbestaan van het land staat op het spel.
    Met rake zinnen typeert Wilms de klank en de sfeer van de Balkan in dit waargebeurde verhaal.
    Moord op de noordelijke bergweg, Uitgeverij Van Gennep, vertaald door Dineke Bijlsma, 224 pagina’s, € 18,90.

     

    9200000022091590Een veiliger oord. Vrijheid, Hilary Mantel
    Bij uitgeverij Signatuur is de vertaling verschenen van A Place of Greater Safety van Hilary Mantel uit 1992 dat handelt over de Franse Revolutie. Een veiliger oord wordt in Nederland in drie delen uitgebracht. Deel 1, Vrijheid is nu verschenen en gaat over de explosieve tijd waarin Desmoulins, Danton en Robespierre elkaar leren kennen. Mantel schetst hun jonge jaren, waar ze vandaan komen en hoe ze hun mening vormen in deze tumultueuze tijd, en laat zien hoe ze worden tot de personen zoals wij die nu kennen.
    Mantel: ‘Als project heeft het er zijn tijd over gedaan om van de grond te komen. De eerste versie had ik voor mijn zevenentwintigste af, zo’n beetje op de leeftijd van de mensen over wie ik schreef. Toen het eindelijk werd gepubliceerd was ik veertig, ouder dan mijn personages zelf zijn geworden. Nu is er nog eens twintig jaar verstreken, en ik zou het niet meer kunnen schrijven. Ik zou niet meer kunnen beschrijven, niet meer in mezelf kunnen voelen, wat die jonge mensen voelden: de opwinding bij het vooruitzicht van een nieuwe wereldorde, van een frissere, eerlijkere wereld. Ik zou de noodzaak voelen om ironischer te zijn, en selectiever; om mijn blikveld te vernauwen. En tegelijkertijd zou ik me zorgen maken om wat er daardoor buiten dat blikveld valt.’ 

    Hedendaags toneel
    Het berust ongetwijfeld op toeval, maar op dit moment speelt Toneelgroep Amsterdam het stuk Dantons dood van Georg Büchner waarin Danton (Hans Kesting) en Robespierre (Gijs Scholten van Aschat), inmiddels vele jaren ouder, lijnrecht tegenover elkaar zijn komen te staan.
    Een veiliger oord. Vrijheid, Uitgeverij Signatuur, vertaald door Ine Willems, 272 pagina’s, € 19,95 (Delen 2 en 3, Gelijkheid en Broederschap verschijnen respectievelijk in juni en oktober 2014)

     

    de dag dat de leider werd vermoordDe dag dat de leider werd vermoord, Naghib Mahfouz (1911 – 2006)
    De Egyptische winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur uit 1988, Naghib Mahfouz was in eigen land een man die de gemoederen flink kon bezighouden. Hij maakte zich niet populair toen hij stevige kritiek op Nasser (president van 1954 tot 1970) uitte. Ook zijn houding ten opzichte van het vredesverdrag tussen Israël en Egypte, eind jaren ’70 werd hem naar verluid niet door iedereen in dank afgenomen.

    De dag dat de leider werd vermoord speelt in Egypte, 1981. Anwar al-Sadat is president en Egypte staat op het punt om tot de moderne wereld toe te treden. Tegen deze achtergrond wordt het verhaal verteld van een Caïreense familie uit de middenklasse. Drie kleurrijke karakters staan centraal: de vrome familiepatriarch Moehtasjemi Zajid, zijn kleinkind Alwaan en Alwaans grote liefde, Randa. Randa’s vader acht de eenvoudige arbeider Alwaan te min voor zijn dochter, waarmee hij de jongeman tot een wanhopige en fatale daad drijft.
    Mahfoez’ vertelling wordt sprankelend en ironisch genoemd. De Nobelprijsjury sprak over ‘een vertelstijl die lezers over de gehele wereld aanspreekt’.
    De dag dat de leider werd vermoord, Uitgeverij De Geus, vertaald door Djûke Poppinga, 128 pagina’s, € 16,95

     

    Ook de verhalenbundel Ambulance van de Noorse schrijver en grafisch ontwerper Johan Harstad (uitgeverij Podium), en de roman van de Italiaanse Caterina Bonvicini, De man die flirtte met domheid (wat een intrigerende titel!) (uitgeverij De Geus) zullen binnenkort op Literair Nederland besproken worden.

    AmbulanceDe man die flirtte met domheid

     

     

     

     

     

    selectie door Carolien Lohmeijer 

     

     

  • Over een matroos op leeftijd

    Over een matroos op leeftijd

    Edoardo, een zeeman uit een klein dorpje in Ligurië, wil nog één keer varen, nog één keer een tocht volbrengen voor hij met pensioen gaat. Hij is gehecht geraakt aan het zeemansbestaan en de zee blijft trekken. Ondanks dat zijn vrouw hem ervan probeert te weerhouden besluit hij nog eenmaal weg te gaan, wanneer ‘ze’ het hem aanbieden. Spannend is het zeker; het is namelijk onduidelijk hoe lang de tocht gaat duren; de vraag is wanneer hij weer thuiskomt en vooral óf hij thuiskomt – men weet het nooit met de woeste tochten die Edoardo gewend is te maken.

    De nadruk in deze roman ligt op het beschrijven en weergeven van de gedachten van Edoardo. Daarnaast worden de gesprekken die hij met anderen voert eveneens uitgebreid beschreven, zowel de oppervlakkige en dagelijkse (beleefdheids)gesprekken als de moeilijkere zoals die met zijn vrouw over zijn op handen zijnde laatste reis. Er wordt veel beeldspraak gebruikt, en de dialogen zijn prachtig: ‘Francois zat op een draaistoel, zijn gezicht vlakbij een miniatuur zeilscheepje. Hij keek Edoardo onderzoekend aan en leek hem niet te herkennen. Maar toen schudde hij zijn hoofd: “Je bent geen spat veranderd, precies dezelfde als toen we nog op zee zaten.” “Ik ben blij je te zien. Ik ben maar gekomen… ik had haast. De honger drijft de wolf uit zijn hol.” “Kom hier!” zei de ander, en hij liep met gespreide armen om de tafel heen waar het scheepje op stond. “Wat wil je drinken?” “Wat je hebt.”’ Andere voorbeelden zijn onder andere: ‘De zon stak vuren aan op de daken van Pietraluna’, ‘Hij streelde haar haren, dik als honing’ en ‘Vandaag zijn de bergen blauw.’ De gedetailleerde beschrijvingen zijn vaak prachtig en lieflijk. Hoewel de auteur zich vaak van dit soort taal bedient, wordt het nergens gekunsteld of irritant. Biamonti weet het op een juiste manier, gedoseerd te gebruiken. Verder spelen kleuren een belangrijke rol: ‘Hij had nooit meer willen ophouden met naar haar kijken, met zich verliezen in haar bruine en gouden tinten’ en ‘het parelgrijs van de muur werd steeds zwarter’.

    Edoardo moet lang wachten, voor hij uiteindelijk voor een laatste opdracht wordt gevraagd. Gaandeweg komt de lezer er achter dat het nogal louche handelswaren zijn die hij moet vervoeren, naar verre overzeese bestemmingen. Via via moet hij laten weten dat hij ‘beschikbaar’ is, maar niet te opzichtig, en hij moet goed opletten aan wie hij dat laat weten. Tegen de tijd dat hij daadwerkelijk de zee op gaat, is het verhaal al bijna ten einde. De radio valt uit en Edoardo en de rest van de bemanning zijn overgeleverd aan elkaar en hun eigen gedachten. En nu de radiostilte is begonnen, begint het wachten op zee. De titel is tweeledig op te vatten, zowel letterlijk en figuurlijk. (In het Italiaans is de titel ook ‘wachten op de zee’). Terecht heeft de vertaler dit letterlijk overgenomen.

    Na Wachten op zee is ook het onvoltooid gebleven boekje De stilte opgenomen in de uitgave (Biamonti stierf tijdens het schrijven hiervan, het telt slechts 29 pagina’s). Erg anders van toon en aard dan Wachten op zee is dit niet, dezelfde schrijfstijl en dezelfde thema’s, en Edoardo is wederom de hoofdpersoon. Dit keer leeft hij samen met ene Lisa. Ook hier vooral dialogen en het weergeven van gedachten, maar geen echte ‘gebeurtenissen’. Stilte… en weer wachten.

    De lezer die spanning en sensatie wenst, komt met deze twee werkjes niet aan z’n trekken, maar degene die geniet van mooie gedachtenbeschrijvingen en dialogen met prachtige beeldspraak van een matroos op leeftijd zal ze zeker waarderen.

     

    Wachten op zee
    (& De Stilte)

    Auteur: Francesco Biamonti
    Vertaald door: Pietha de Voogd en Mieke Geuzebroek
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Aantal pagina’s: 166
    Prijs: € 17,90

  • Empathie voor een nare jongen

    Empathie voor een nare jongen

    Roman met cocaïne van M. Agejev is een indringend verhaal over een onaangename jongen uit Moskou.  Deze Vadim is in het boek achtereenvolgens middelbare scholier en student. De auteur weet overtuigend een cynisch personage neer te zetten, een jongen die niets geeft om de gevoelens van anderen. Hij is koud en berekenend ten opzichte van de meisjes met wie hij vrijt. Vooral echter zijn houding tegenover zijn moeder is ontluisterend. Hij schaamt zich voor haar, omdat hij haar oud vindt en ziet haar alleen als iemand die hem geld kan geven.

    De cocaïne uit de titel speelt vooral in het tweede deel van het boek een rol als Vadim geconfronteerd wordt met het effect van zijn verslaving. Het is een hels beeld, dat potentiële cocaïnegebruikers effectief afschrikt. Vadim stelt het volgende vast: ´zodra die invloed vervlogen was, ontstond het afgrijzen: ik begon mezelf te zien zoals ik onder invloed van het verdovende middel was geweest. En dan kwamen de verschrikkelijke uren. Het lichaam viel zwaar terug in de razende wanhoop van een onuitsprekelijke neerslachtigheid.´ (p. 190)

    Het verhaal speelt aan de vooravond van de Russische revolutie, deels ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Vadim beschrijft hoe het nationalisme hem grijpt als hij het over de tegenstander, de Duitsers, heeft. ´Ik beledigde hen niet omdat ik ze haatte, maar alleen omdat mijn scheldwoorden en beledigingen dat aangename gevoel van diepe verbondenheid met de menigte om me heen slechts sterker benadrukten.´ (p. 51) De hersenloosheid van nationalisme komt in een dergelijke passage goed uit de verf.

    Toch is dit geen uitgesproken politiek boek. Het is vooral een geslaagde psychologische beschrijving van een jongen met te weinig gevoel, van wie je toch vermoedt dat er meer achter hem steekt. Het is dat vermoeden dat je door doet lezen. De auteur slaagt erin om empathie op te wekken voor de nare jongen die Vadim lijkt te zijn. Vooral het deel van het boek waarin hij echt valt voor een vrouw, de getrouwde Sonja, toont dat Vadim niet alleen slecht is en daadwerkelijk liefde voor een ander kan voelen. Toch vermoed je al wel dat het  geluk niet lang kan duren. Daar is het het boek niet naar.

    Roman met cocaïne gaat mede over idealisme dat Vadim niet kent, maar zijn begaafde klasgenoot Boerkevitz wel: ´Boerkevitz [hoorde] juist tot het soort mensen dat, vanwege hun ideaal, zowel humor als cynisme veroordeelt -de humor omdat ze er cynisme in zien – en het cynisme omdat ze er geen humor in vinden. ´ (p. 141) Later in het boek blijkt dat de idealistische Boerkevitz geen haar beter is dan de cynicus Vadim. Misschien is hij nog wel slechter, is een van de boodschappen die de auteur weet over te brengen.

    Dit boek heeft een opvallende route naar publicatie afgelegd. Het verscheen voor het eerst in het Russisch in 1934 en werd in de jaren tachtig in het Frans vertaald. De huidige vertaling naar het Nederlands van Louise Becht geschiedde uit het Frans. De stijl van de auteur is, ook na deze dubbele vertaalroute, sterk. Deze auteur, M. Agejev, is een mysterieuze figuur, die verder niets lijkt te hebben gepubliceerd. Zijn werkelijke naam was Mark Levi. Hij overleed in 1973 in wat nu Armenië is.

    Roman met cocaïne biedt, naast een mooie stijl en psychologische gelaagdheid, inzicht in het Russische schoolsysteem van weleer. In de klas van Vadim vormen de jongens met de hoogste cijfers de populaire voorhoede, wat afwijkt van een standaardklas van een lyceum in het hedendaagse Nederland. Wat echter vooral blijft hangen na het lezen van dit boek is de uitzichtloosheid van het bestaan van een tot waanzin vervallen verslaafde.


    Roman met cocaïne
    Auteur:
    M. Agejev,
    Vertaald door: Louise Becht
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Prijs: € 18,90

  • Lust for life is een bundel met alleen maar greatest hits

    Lust for life is een bundel met alleen maar greatest hits

    Lust for life is een bundel met alleen maar greatest hits

    Recensie door Obe Alkema

    Van succesvolle bands en muzikanten verschijnen naarmate hun oeuvre groeit verzamelalbums of Greatest Hits-albums. Van dichters met een snel en goed uitdijend oeuvre verschijnen er bloemlezingen. De gedichtenbundel Lust for life van John Schoorl is zo’n bloemlezing met oudere gedichten, maar eveneens met nieuw werk.
    De liefde die Schoorl heeft voor muziek valt al op bij de titelpagina, want de bundel draagt de ondertitel Muziekgedichten. Schoorl schrijft gedichten die gebaseerd zijn op liedjes of die invloed gehad hebben op (het schrijven van) de gedichten. Dat is bijna bij elk gedicht zo en onderaan de bladzijde wordt informatief vermeld welk liedje van invloed is geweest en wie het gezongen heeft.

    De aard van die muziek is heel divers. Onder andere Solomon Burke, Oasis, Simon & Garfunkel, The Roots en Iggy Pop komen voorbij. Deze variatie aan muziekstijlen zorgt er niet voor dat Schoorl epigoongedichten maakt. Het is juist eerder het tegenovergestelde: hij vertaalt de liedjes als het ware naar zichzelf of naar het heden en betrekt ze op een bepaalde gebeurtenis.
    Het gedicht Monsieur vertelt over moordpartijen zonder een karakterisering van de dader en slachtoffers of ander bewijs. De voetnoot bij het gedicht vertelt dat een gelijknamig liedje van de Franse zanger Thomas Fersen invloed heeft gehad op dit gedicht. Zijn liedje gaat over ‘een butler die zijn adellijke heer bijstaat in een reeks seriemoorden.’ Na beluistering op Youtube bleek het een typische chanson met accordeon en een gebruikelijke opbouw. Schoorl klinkt niet zo warm als de Franse muziek. Hij is juist helder van toon en laat er geen gras over groeien:

    ‘Je hoorde hem schreeuwen,
    Om een doffe brioche, verrotte courgette,
    Of een vergeten vaderfiets.

    Je zag hem drijven in de ochtend,
    In zijn zwembad, met een kogelgat
    In zijn borst.’

     

    Zijn muziekadaptaties zijn erg goed. Gedicht Old Friends, een nummer van Simon & Garfunkel over ‘twee vrienden die nadenken over ouder worden’, laat dat zien:

    ‘De eerste keer dat ik
    Je zag,

    Droeg je je trui
    In je broek.

    Toen ik je vorige
    Week zag.

    Had je je blouse
    Over je broek.

    Er is veel gebeurd,
    In al die jaren.’

     

    Het lijkt op het eerste gezicht heel flauw, maar de ironische toon van Schoorl komt hier goed door: een verandering van kleedwijze, is dat het belangrijkste wat gebeurd is in de afgelopen jaren? Nee, maar door de jaren heen vergeet je de momenten en je blouse over je broek is nu eenmaal een ingrijpende verandering.

    Schoorl is nergens overdreven. In Monsieur is de heldere toon goed zichtbaar; in Old Friends de licht ironische toon. Vaak gaan de gedichten over vergane tijden, vervlogen levens en dat levert tragikomische situaties op.

    Gedicht A Capella verhaalt over het tragische leven van een man die de ingrediënten van de spaghetti di mare bijeenschept voor de ik-persoon. Het is iemand die in de vergetelheid geraakt is:

    ‘Dat hij in 1964 per ongeluk een etappe won
    Van een spookdorp naar een niet meer bestaande plaats
    In een nietszeggende Giro,
    Is onbekend.’

     

    De spaghettischepper zingt een liedje over fietsonderdelen, maar niemand luistert. Niemand slaat acht op deze arme man. Hij wordt vergeten. En straks is hij vergeten. Schoorl weet gemengde gevoelens te bezorgen, omdat het aan de ene kant tragisch is wat er gebeurd is met die ik-persoon, maar aan de andere kant ook weer hilarisch, komisch. Dat doet hij met verve. Niemand kan deze ik-persoon meer vergeten na dit gedicht.

    De gedichten lijken eerst oppervlakkig, maar na herlezing krijgen ze steeds meer charme. De uitstapjes naar de muziek helpen daarbij. Muziek blijft langer hangen dan poëzie, dus deze combinatie is goed. Het zorgt ervoor dat de gedichten van Schoorl zelf greatest hits worden. Zelfs de nieuwe gedichten in de bundel verworden op slag tot zijn golden oldies.

    Lust for Life

    Auteur: John Schoorl
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Aantal pagina’s: 46
    Prijs: € 7,50

  • ‘Een kijk op het leven zo hartelijk en vluchtig als een lachbui.

    ‘Een kijk op het leven zo hartelijk en vluchtig als een lachbui.

    St. Botolphs. Havenplaats. Vergane glorie. Thuis van de familie Wapshot. Al vele generaties. Leander Wapshot heeft twee zonen. Moses en Coverly. Maar het familiekapitaal zit bij nicht Honora. Kinderloze matriarch. Zij regeert. ‘Hakt de duivel in tweeën en loopt tussen de stukken door.’ Wijst Moses en Coverly aan als erfgenamen. Mits mannelijk nageslacht. Stuurt Moses weg. Moet de wereld ontdekken. Zichzelf bewijzen. Coverly volgt. Wil niet alleen achterblijven. Zoektocht naar toekomstig geluk. Maar toch altijd weer geworteld in verleden. In familie. Aaneenschakeling van ontworteling en eenzaamheid. Terwijl Leander verder teloorgaat, net als St. Botolphs. Geluk komt voor zijn zonen met teleurstellingen. Met steeds weer seks, lust en ‘de geilheid van een oceaan’. Susanna’s en Venussen. Smartelijke lust tussen mannen. Verleden lonkt maar verzengt. Erotiek is het beginpunt van alles. Van wijsheid. Maar ‘het spelen komt ten einde’. ‘De spelers waren geesten. Smolten weg tot lucht, ijle lucht. ‘T korte leven is van een slaap omringd.’

     

    Als deze stijl en het verhaal dat besloten ligt in deze korte passage je aanspreekt moet je zeker John Cheevers Kroniek van de familie Wapshot lezen. Een Amerikaanse roman uit 1957, in 2013 vertaald door Guido Golüke. John Cheever (1912-1982) beschrijft een ware familiegeschiedenis. Twee generaties Wapshot staan centraal, maar eerdere en komende generaties zijn nooit ver weg. Het decor is afwisselend St. Botolphs, een fictieve havenplaats in New England, New York, Washington of Clear Haven, een kasteel vol vergane glorie en kitsch uit de Eerste Wereld. En overal zijn de Wapshots en hun geschiedenis.

    Cheever vertelt de geschiedenis van Leander, Moses en Coverly in vier delen. Het eerste deel gaat vooral over het begin, over de wortels van de Wapshots en over de teloorgang van St. Botolphs. In zekere zin gaat het ook over de teloorgang van de waarden waar Leander nog voor staat; de Amerikaanse waarden van voor de Tweede Wereldoorlog. Eerlijkheid, eenvoud. Toen een haven nog een haven was. Een wereld die wordt verstoord door invloed van buitenaf. Een losbandige jonge vrouw staat daarvoor symbool. Zij rijdt letterlijk met een klap het leven van de Wapshots in en leidt uiteindelijk de uittocht van de zonen in.

    Het tweede deel gaat vooral over het verlies van Leander. Hem blijft niets bespaard. Hij verliest zijn zonen, zijn boot en uiteindelijk zijn eer. Leander vertelt zijn nicht Honora dat hij bij zijn dood de grafrede van Prospero uitgesproken wil zien, ‘Het spelen is ten einde’. In dit motto komt Leanders besef naar voren dat het leven vergankelijk is. Maar door het juist op dit moment aan te kaarten geeft hij er ook blijk van te beseffen dat het leven zoals hij dat kende ten einde is. Het spelen is voor Leander voorbij.

    In het derde deel staat de zoektocht van de nieuwe generatie centraal. Moses en Coverly zoeken en vinden geluk. Maar het komt nooit zonder teleurstellingen. Moses eet vele gouden appels, maar deze blijken vaak net zozeer kopieën en vervalsingen als de kunst in Clear Haven, het kasteel waar hij zijn vrouw Melissa vindt en zal trouwen. Coverly’s appels zijn minder luxueus. Zijn Betsey is meer een boeren appeltje, dat net zo zeer op zoek is naar vriendschap als Coverly, en er net zo veel moeite mee heeft. Als ze wegloopt wordt Coverly meermalen bezocht door de demonen van de homoseksuele lust. Een lust die hij indamt, maar waarna hij zich niet meer waardig voelt voor Venus’ liefde. Totdat Betsey terugkeert. Ook Melissa vertrekt, zij het zonder te vertrekken. Zij blijft steeds op Clear Haven, maar is vaak net zo ver van Moses verwijderd als Betsey van Coverly.

    Deel vier is het antwoord, het vinden. Melissa en Betsey baren beiden een zoon. Honora schenkt haar geld aan Moses en Coverly en de zonen kopen hun vader een boot. Leander is blij, maar blijkt al verloren. Voor hem was het spelen al ten einde. Al heeft hij wel het laatste woord, met een advies aan zijn zonen. Een aaneenschakeling van tegeltjeswijsheden. Wijsheden van grootse eenvoud, ‘Neem elke dag een koud bad. Akelig maar verkwikkend. Vermindert ook de lust.’ Geestige wijsheden ook, ‘Draag nooit een rode stropdas’. Mooie wijsheden, ‘Angst smaakt als roestig mes, laat haar niet binnen’.

    Kroniek van de familie Wapshot is een mooi boek, maar niet altijd gemakkelijk voor de lezer, en hier en daar wat eenvoudig van opzet. In zijn dagboekaantekeningen hanteert Leander dezelfde epistolaire schrijfstijl waarmee deze recensie begon. Cheever creëert zo weliswaar een mooie cadans, maar het is geen plezier bij het lezen. Gelukkig zijn er ook vele passages waar Cheever verhalend schrijft. Met een ongelofelijke zintuiglijkheid in zijn woorden, die van grootse schoonheid is. Bijvoorbeeld als hij Leanders gemoedstoestand onder woorden brengt als deze zich niet langer gerespecteerd voelt: ‘Hoe teergevoelig is een man. Zoals zijn ziel, ondanks dat gesnoef en dat stoere rukje aan zijn kruis, bij wat gefluister al afkoelt tot een sintel. De smaak van aluin in het schilletje van een druif, de geur van de zee, de warmte van de lentezon, bessen bitter en zoet, een korreltje zand tussen zijn kiezen – al wat het leven voor hem betekende leek hem ontnomen.’

    Gemakkelijk is het abrupte einde in deel vier, waarbij op luttele pagina’s de kroniek zijn ontknoping vindt. Het lijkt wel of Cheever daar zijn interesse in de Wapshots verloren is. Hij raffelt het verhaal in nog geen acht pagina’s af en doet daarmee geen recht aan wat hij in de ruim driehonderd daaraan voorafgaande pagina’s heeft opgebouwd. En onbegrijpelijk, stuitend zelfs, is de introductie tot het hoofdstuk waarin Coverly’s homoseksuele zoektocht begint. Cheever noemt het een onsmakelijk gedeelte, een benaming die zeker ook voor zijn eigen intro ervan geldt. Maar behoudens deze minieme uitglijders is Kroniek van de familie Wapshot toch vooral datgene dat Coverly ontdekt als hij na de dood van zijn vader alleen door de familieboerderij dwaalt: ‘een kijk op het leven zo hartelijk en vluchtig als een lachbui’.

     

    Kroniek van de familie Wapshot

    Auteur: John Cheever
    Vertaald door: Guido Golüke
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Aantal pagina’s: 333
    Prijs: € 19,90

  • Sorry van de mayonaise

    Sorry van de mayonaise

    Als de forel in het hedendaagse Amerika net zo sprankelend oogt als de zinnen in het onlangs heruitgegeven Forel Vissen in Amerika uit 1967, is er voor de vis weinig reden tot klagen. De  Amerikaanse schrijver Richard Brautigan (1935–1984) behaalde er een cultstatus mee. Het was zijn tweede boek, na het debuut A Confederate General From Big Sur, ofschoon Forel Vissen eerder was geschreven. Het boek is opgebouwd uit 47 korte hoofdstukjes die onderling weinig samenhang vertonen, al zwemt de forel in de meeste verhalen minstens in een zin voorbij. Bestemde en minder bestemde jeugdherinneringen uit het noordwesten van Amerika wisselen elkaar af met beschrijvingen van een kampeertrektocht met vrouw en baby door de States in de zomer van 1961. Tussendoor schuiven anekdotes uit zijn volwassen leven voorbij. Na zoveel jaren ademt dit forellenboek nog steeds fris met zinnen als: ‘De oude vrouw woonde alleen in een huis dat haar tweelingzus had kunnen zijn.’ Of: ‘De middagzon gaf alles voortdurend een ander aanzien terwijl hij langs de hemel schoof, en de FBI-agenten veranderden met de zon mee. Dat schijnt een onderdeel van hun opleiding te zijn.

    Forel Vissen in Amerika is meer dan alleen een boektitel. Het is ook een personage, evenals de handeling van het vissen zelf, maar ook een hotel dat in het boek opduikt. Een zin als: ‘Na zijn afstuderen ging hij naar Parijs en werd existentialist. Hij heeft nog een foto waarop hij samen met het Existentialisme op een terrasje zit.’ is een typische Brautigan zin. Het boek wil zeker geen ode zijn aan het ongerepte Amerikaanse landschap waar de rivieren doorschoten zijn van gewillige vissen. Naast inderdaad prachtige natuurevocaties, komt er ook genoeg vuiligheid in voor. Brautigans eigen jeugd was gedrenkt in armoede als bijproduct van verwaarlozing door zijn moeder en de alcoholverslaving van zijn stiefvader. Zijn biologische vader heeft hij nooit gekend en zijn moeder leek meer gericht op het werven van een man dan op de zorg voor haar kinderen. Huiselijk geweld en armoede waren vaste patronen in zijn jeugd. Niettemin groeide de auteur op tot een man van 1 meter 93. In zijn puberteit belandde hij in een inrichting, nadat hij een steen door de ruit van een politiebureau had gegooid en in het kielzog daarvan bij hem schizofrenie en depressie werden gediagnosticeerd.

    Eenmaal daaruit ontslagen, ging hij naar San Francisco, waar hij – met uitzondering van de periode waarin hij in Tokyo en Montana woonde – de rest van zijn leven verbleef. Hij huwde en kreeg een dochter die beiden figureren in Forel Vissen in Amerika. Zelf geen nazaat van een harmonisch gezin, wist Brautigan dat ook niet voor zichzelf en zijn huisgenoten te verwezenlijken. Hij scheidde tamelijk snel van zijn eerste vrouw. Daarna kwam het met geen van de andere vrouwen in zijn leven hij tot een bestendige relatie. Intussen was de aandacht voor zijn werk danig ingezakt. Met name omdat hem het etiket ‘hippieschrijver’ was opgeplakt en toen eenmaal de tijd van de hippies achter de rug was, achtte men zijn werk opeens van minder belang.

    Forel Vissen in Amerika ging wereldwijd 4 miljoen maal over de toonbank. Niemand minder dan de Japanse schrijver Huraki Murakami verklaarde zich schatplichtig aan Richard Brautigan. Spijtig dat de schrijver, die in zijn werk zo makkelijk de taal en daarmee de werkelijkheid naar zijn hand kon zetten, voor zichzelf geen andere uitweg zag dan de loop van het eigen geweer. Niettemin is het een boek waar het schrijfplezier van elke pagina afspat. De speelsheid begint al bij het begin. Het eerste hoofdstukje gaat over de foto die op het omslag van Forel Vissen in Amerika staat. Het is slechts de opmaat tot een boek waarin de vreemdste zinnen kunnen staan, maar niet van het soort dat de lezer buitenspel zet. Het hoofdstukje Een alternatief recept voor walnotenketchup begint zo: ‘Dit is een minikookboek voor Forel Vissen in Amerika, alsof Forel Vissen in Amerika een rijke gourmet was en Maria Callas zijn vriendin en alsof ze samen zaten te eten aan een marmeren tafel met prachtige kaarsen.’ Een Waldenvijver voor wijnliefhebbers kent deze ouverture: ‘De herfst bracht, als de roetsjbaan van een vleesetende plant, port met zich mee en de mensen die die zoete donkere wijn dronken, mensen die er nu allang niet meer zijn, behalve ik.’

    Hoe wonderlijk de uitschieters van Brautigans stijl ook zijn, de verhalen lijken vrij nonchalant geschreven. De Boodschap zet bijna achteloos in: ‘Gisteravond dreef er iets blauws, de rook zelf, van een kampvuur het dal in en vermengde zich met het geluid van de paardenbel, zodat het blauwe iets en de bel niet meer van elkaar te scheiden waren, hoe hard je het ook probeerde.’
    Dan volgt er een beschrijving waarin de doortocht van de auteur naar een goede stek om te vissen belemmerd wordt door een schaapskudde. De herder ‘zag eruit als een jonge, magere Adolf Hitler, maar dan aardig.’ Omdat de schrijver na de schaapskudde eindelijk gepasseerd te hebben, even zijn route verlaat om die later weer te hervatten, komt dezelfde schaapskudde in dit drie pagina’s tellende verhaaltje, nog eens voorbij. En steeds wordt de herder aangeduid als ‘Adolf Hitler, maar dan aardig’. Helemaal verlost van het geblaat van de kudde raken de auteur en zijn gevolg niet. De kudde strijkt op gehoorafstand neer van de plaats waar de auteur zijn tent heeft opgezet. ‘De cirkel was rond en Adolf Hitler, maar dan aardig, was de diameter. Hij had daar beneden zijn kamp opgeslagen. En zo kwam het dat in de schemering de blauwe rook van ons kampvuur naar beneden dreef en zich vermengde met het geluid van de belmerrie. De schapen blaatten zichzelf in droomloze slaap en zegen stuk voor stuk neer, als de banieren van een capitulerend leger. Ik heb hier een zeer belangrijke boodschap die zojuist is binnengekomen. Hij luidt: Stalingrad’. Een terloops begin van een verhaal wordt ingehaald door een al even terloops einde en intussen passeert een ogenschijnlijk achteloos verteld verhaaltje.

    De zin met misschien wel de meeste power is deze: ‘Hij leerde het leven kennen op zijn zestiende, eerst van Dostojewski en daarna van de hoeren in New Orleans.’
    Hier en daar doemt in het boek een surrealistische tafereel op. Zo blijkt op de wonderlijke Cleveland sloopmarkt viswater per strekkende meter te worden verkocht. Soms zit de humor tegen het melige aan. Het op ene laatste hoofdstukje eindigt met de wens: ‘Ik heb altijd een boek willen schrijven dat eindigde met het woord ‘mayonaise’’. In het laatste hoofdstukje, ‘Het mayonaise-hoofdstuk’, dat slechts het afschrift van een kort maar ernstig briefje naar aanleiding van een sterfgeval bevat, gaat die wens op het nippertje in vervulling. Het briefje bevat namelijk een krankzinnig p.s: ‘Sorry dat ik het vergeten was van de mayonaise’. Brautigans talent, met name ook wat in zijn gedichten gestalte heeft gekregen, verdient na zoveel jaar een herkansing.

     

     

  • Een eigenwijze kater

    Een eigenwijze kater

    In Nederland is Marlen Haushofer (1920-1970) redelijk onbekend, ondanks dat er nog steeds nieuwe vertalingen van haar boeken verschijnen. In eigen land wordt zij gerekend tot Oostenrijks grootste schrijvers. Haushofer schreef kinderboeken, verhalen, novellen en romans. De roman Die Wand (De wand), bekroond met de Arthur Schnitzler-prijs, betekende haar grote doorbraak. Ook ontving zij andere prijzen zoals de Staatlicher Förderungspreis für Literatur (1953 en 1968). De wand verscheen in al 1963, maar werd pas in 1988 in het Nederlands vertaald en onlangs, in 2012, verfilmd.

    De wand is een intrigerende en goed geschreven roman over een onzichtbare wand die een vrouw scheidt van de rest van de wereld. Zij kan de wereld, die versteend lijkt, wel zien, maar niet bereiken. Zij is letterlijk geïsoleerd en heeft alleen gezelschap van haar hond. In prachtige zinnen beschrijft Haushofer de groeiende band tussen vrouw en hond. En al weet de lezer vanaf de eerste pagina’s dat deze hond zal sterven, zijn dood komt toch als een schok. Het gemis en het verdriet om zijn sterven maken indruk. De intense beschrijvingen van de band tussen mens en dier zijn sterk en intens. Helaas weet Haushofer deze diepgang niet te bereiken in haar onlangs heruitgegeven boek De avonturen van kater Balthazar.

    De kater Balthazar is het stralende middelpunt van het gezin bij wie hij woont. Hij is ‘kats-eigenwijs’ en bij vlagen onuitstaanbaar. Moeder moet haar ochtendjas aan hem afstaan en vader zijn waterglas.
    Voor kattenliefhebbers is Balthazars eigenwijze kijk op de wereld herkenbaar en wellicht aandoenlijk, maar de capriolen van de kater raken de lezer niet: het verhaal blijft te oppervlakkig. De intense beschrijvingen uit Haushofers andere werk ontbreken en het taalgebruik is gedateerd en oubollig. De manier van vertellen is zo vlak en expliciet dat dit dikwijls gaat irriteren: ‘mama’ wordt door de kater gekoeioneerd en ook ‘papa’ danst naar de katers pijpen. Balthazar wordt gevangen door ‘een slechte man’ en bevrijd door een ‘aardige mevrouw’.

    In te expliciete beschrijvingen blijkt hoe belangrijk het katje is voor het gezin.
    ‘Wanneer mama op zolder kwam en Balthazar riep, kwam hij als een paardje ergens vandaan gegaloppeerd, sprong hoog tegen haar op, maakte een salto in de lucht en stoof weer weg. Zijn stralende humeur werkte zo aanstekelijk dat je in zijn aanwezigheid gewoon niet nors of bedroefd kon zijn. Op die manier betaalde Balthazar alles terug wat hij zijn huisgenoten schuldig was.’ Van de lezer wordt niet veel inspanning gevraagd.

    De lange titels van de hoofdstukken zijn niet alleen nauwelijks leesbaar, maar ook samenvattingen van wat er gaat gebeuren. ‘Balthazar ontdekt de zolder en beleeft een gelukkige tijd. Omdat hij niets van het groene gras wil weten wordt hij opgesloten. Later maakt hij op het dakterras kennis met Bolletje’. Een titel van een willekeurig hoofdstuk. Het is jammer dat de inhoud al prijsgegeven wordt, waardoor het boek een wat voorspelbare leeservaring wordt.

    De avonturen van kater Balthazar is een aardig boek voor kattenliefhebbers die wat ontspanning zoeken, maar een literair hoogstandje is het niet.