• Dus toch de liefde

    Dus toch de liefde

    Wat dichter en filosoof Henk van der Waal met zijn eerste roman De uitbraak precies beoogt, wordt niet snel duidelijk. Hij roert wereldproblemen als klimaat, vluchtelingen, gender, een doorgeschoten economie en voortrazende technologie aan en het lijkt erop dat hij liefde in de ruimste zin van het woord propageert als oplossing. Een universele liefde van en voor iedereen en alles, inclusief de kosmos. Het is nogal wat, wat de lezer in dit boek te verstouwen krijgt.

    De uitbraak bestaat uit drie delen. In het eerste, Het Rijk, wonen de sterfelozen, fellows genaamd, in een ‘intens gestabiliseerde samenleving’. Zij zijn niet op de gebruikelijke manier geconcipieerd maar ontworpen en worden met technische middelen gelukkig gehouden. Om de zoveel jaar krijgen ze een ‘regeneratieboost’ om hun sterfeloosheid te revitaliseren. Maar niet iedereen is altijd gelukkig. Er ontstaan ‘eigengereiden’ en ‘binnenvetters’ die met data-analyse, therapieën en farmaca gecorrigeerd moeten worden.

    Mislukte boost

    De tweeslachtige hoofdpersoon en ik-verteller Gustav is regeneratiespecialist en begeleidt de probleemgevallen. Behalve met de gangbare behandelingen denkt hij dat ‘reflectie en interpretatie op betekenisniveau geldige inzichten omtrent de werkelijkheid opleveren’. Die mening wordt in Het Rijk nauwelijks gedeeld. Als hij zelf weer een boost ondergaat komt hij daar niet zoals gepland en gewenst doorheen. Er daagt het besef dat hij een biologische moeder heeft en hij gaat haar zoeken. Als hij haar, Moon, gevonden heeft breken ze samen door de Glazen Wand, de grens van Het Rijk en een legering van silicium, terbium en goud. De natuurkundigen onder ons zullen weten wat dat oplevert, de doorsnee lezer duizelt het al snel van Van der Waals inventieve technische termen en fantasierijke bewoording van plaatsen, materialen en handelingen.

    Baby’tjes

    In deel twee van het boek komt Gustav terecht op Het Eiland, de geboorteplaats van Moon. Daar wonen de sterfelijke ‘menselijken’. Over mensen heeft de auteur het niet, noch over mannen en vrouwen. Met Alexis, de vrouwelijke (maar ook hermafrodiet) die hij er als eerste ontmoet komt het tot pathetische liefde. ‘Ik wil me slechts met haar bevruchten. Vlak boven haar vel strijk ik zonder haar te raken mijn handen over haar warmteaura heen. Het is een zegening, eerbiediging en liefdesdaad ineen.’ En even later: ‘We zijn niet meer te houden.’
    De eilanders leven geweldloos en in gemeenschap, wat wil zeggen dat alles van en voor iedereen is, inclusief de kinderen. Baren en zogen vindt gelijktijdig door meerdere vrouwelijken plaats – waarbij Van der Waal het steeds over baby’tjes heeft, niet over baby’s of kinderen. De leefgemeenschap wordt geleid door de lamme filosoof, een potsierlijke figuur die – als bij de pietà – op Alexis’ schoot hangt. Hij kwijlt, tettert en schettert en tijdens het tribunaal waarvoor de twee geliefden met hun ‘exclusieve liefde’ moeten verschijnen, hangt hij tussen twee dragers. De veroordeelden worden verbannen naar De Zone, deel drie van het boek.

    Kapstok voor verhaal

    Door het hele boek heen spelen de lust en de liefde. Voordat Gustav op het eiland belandt zijn er al twee uitgebreide seksscènes gepasseerd en meerdere zullen volgen. Buiten Het Rijk ervaart hij geregeld een ‘liefdevolle gloed’ in de ogen van de vrouwelijken. Hij is een willoze figuur die zich laat overdonderen en leiden door de vrouwen op zijn pad, Moon, Alexis en later Bitya. Ook de gidsen die in het boek voorkomen zijn vrouwen aan wie Gustav zich gedwee onderwerpt, al laat Van der Waal hem voor de vorm wat tegensputterende gedachten hebben. Vreemd is een zekere animositeit die voortdurend in competitieve dialogen tussen Gustav en de vrouwen opklinkt. Ze is niet logisch, er is geen reden voor. Misschien dat Van der Waal probeert via dit spel van aantrekken en afweren spanning te creëren, maar dat werkt niet. Het doet kinderlijk aan. De personages zijn plat en eigenlijk oninteressant. Hun gedrag wordt vervat in clichés als ‘staart onbestemd in de verte’, ’tovert een lachje op haar gezicht’, en ‘als door een wesp gestoken’. Wellicht zijn de personages bedoeld als kapstok waaraan de auteur het grote onderliggende verhaal kan ophangen: het belang van leven en dood, deel zijn van het universum, leven in overeenstemming met de natuur en de natuurwetten.

    Overtuigend beschreven in deel een is Gustavs eigen bewustzijn als hij nog in de baarmoeder zit, en dat geldt ook voor de steekhoudende aanklachten en pleidooien tijdens het tribunaal in deel twee. En in deel drie formuleert de auteur scherp: ‘Technologie heeft de neiging om te woekeren. Voor je het weet ben je niet veel meer dan een brok energie om die woekering te voeden. Als dat eenmaal zo ver is, trekt die woekering zich niets meer van je aan en is je autonomie de illusie die ze altijd al dreigde te zijn.’ Andere frasen zijn moeilijk te doorgronden omdat de auteur lastig herkenbare leefsituaties in onbekende substantie voorschotelt, zoals het leven van de menselijken in glaslemen bollenraten in de bomen. Sommige zinnen zijn wonderlijk, bijvoorbeeld dat iemand op mos op zijn tenen naar een slapende toesluipt. Op je tenen sluipen op mos?

    Ideale samenleving

    Om zijn verhaal de ruimte te geven heeft Van der Waal een heel arsenaal aan interpretatiemogelijkheden van levensbeschouwingen ontsloten. Er zijn elementen van science fiction, sprookjes, new age en esoterie. Een grote plaats is ingeruimd voor androgynie en tweeslachtigheid. Ook metafysica, ruimte-/tijdmaterie en filosofie zijn erin verwerkt. Zo kan de lezer stuiten op Spinoza, Sartre, Newton en Descartes, en ongetwijfeld is er nog veel meer filosofisch en natuurkundig gedachtegoed door het verhaal verweven. Interessant voor wie het herkent, de niet-ingewijden zal het ontgaan.

    De Zone lijkt het ideaal waar het Van der Waal om te doen is. De menselijken leven in bollenraten van glasleem in de bomen. Doden worden opgenomen in de boomkruinen en vandaar in de kosmos. Alle menselijken zijn er tweeslachtig, er wordt gepaard en gebaard met en door iedereen, maar zwangerschappen duren lang en zijn beperkt. Tegenstrijdig is dan wel weer dat de exclusieve liefde tussen twee menselijken als het hoogste wordt gezien.
    Het is een indrukwekkend maar moeilijk boek dat Van der Waal via zijn bewonderenswaardige verbeeldingskracht opdist en sommige scènes zijn lastig serieus te nemen. Uiteindelijk lijkt zijn verhaal toch te gaan om liefde tussen twee mensen en de voortplanting. Met als extraatje een allesomvattende liefde voor leven en dood en verbondenheid met het universum in een ideale samenleving. Een respectabel idee, maar in het hier en nu blijft het tobben met de mens.

     

     

  • Dansen en knutselen voor een betere wereld

    Dansen en knutselen voor een betere wereld

    Principes en idealisme zijn mooi. Maar er zijn grenzen. Tristan, één van de hoofdfiguren uit De Saamhorigheidsgroep van Merijn de Boer, verzucht na de afrekening met een ingewikkelde driehoeksverhouding tussen zijn vrouw, diplomaat Bernard Wekman en hemzelf dat het gedachtegoed dat hij altijd had aangehangen niet bruikbaar was als het ging om de pijnlijke, donkere krochten van je ziel.
    De Saamhorigheidsgroep is in de gelijknamige roman van De Boer een club van vrienden die zo eenvoudig mogelijk leeft en allerlei projecten in de derde wereld financieel wil steunen. Ze dragen uitsluitend tweedehands kleren, verplaatsen zich per fiets, dansen naakt in de natuur, de mannen knutselen met elkaar en er wordt tweewekelijks vergaderd over nieuwe projecten en de bewaking van de linkse opvattingen.

    De kans is groot dat degene die deze inleidende zinnen leest een groep geitenwollensokken lieden voor zich ziet, waarmee in deze roman eens flink de draak wordt gestoken. De Boer laat je inderdaad grijnzen bij de cultuur van de groep en het gedrag van haar leden, maar hij vermijdt daarbij knap de ridiculisering en laveert behoedzaam langs de valkuil die meligheid heet. Hij slaagt erin de leden van de groep in al hun naïviteit op te voeren en tegelijk een zekere sympathie te kweken. De onderlaag van de geschiedenissen die hij beschrijft is wel degelijk een serieuze vraag naar hoe we onze oordelen vormen en welke keuzes we maken. Inderdaad: hoe ‘we’ dat doen; we worden als lezer in het verhaal getrokken en blijven geen buitenstaanders die ons louter vermaken om de onhandigheden van een clubje wereldverbeteraars waarom we hartelijk kunnen lachen omdat ze niet tot onze wereld behoren.

    Rode Volvo

    Het middel dat De Boer daarvoor gebruikt is het personage Bernhard Wekman, een ambtenaar die werkzaam is bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en in de hoogtijdagen van de club op de nominatie staat voor buitenlandse diplomatieke missies. Hij wordt door zijn vroegere studievriend Felix geïntroduceerd. We hoeven ons niet met hem te identificeren om ons toch via hem in de groep onder te dompelen.
    Bernhard voelt zich er eigenlijk helemaal niet thuis, maar blijft toch, zeker als hij zich aangetrokken voelt tot Liza, de vrouw van de hiervoor al genoemde Tristan. Anderzijds komt hij voortdurend in conflict met zichzelf. Hij is de enige die een auto, een rode Volvo, bezit wat hij angstvallig geheim probeert te houden. Hij zoekt naar smoezen om als Rijksambtenaar niet deel te hoeven nemen aan een demonstratie tegen de opslag van kernafval, maar gaat toch omdat hij dan in elk geval Liza kan zien. Hij blijft een deelnemer die zich maar niet kan overgeven. In de vergaderingen dragen de leden projecten aan die steun verdienen, maar hij voelt zich daar als ambtenaar geremd in. Pas als de eigenaar van zijn favoriete stamppotcafé, die is weggepest door een klant, een nieuwe nering is begonnen in de mijnstreek in Wallonië, durft hij steun aan Waalse mijnwerkers voor te stellen.

    Studeren op de wc

    Bernhard vertegenwoordigt een botsing van culturen, die van zijn werkkring en die van de Saamhorigheidsgroep. Bij de geboorte van een kind doet hij een grote beer cadeau terwijl een ander lid van de groep een appel (onbespoten natuurlijk) geeft. Verder roepen, naast de Volvo, het pak van Bernhard en zijn dure hoed afwijzing op. Maar het komt de leden uitstekend uit als ze vier weken willen kamperen in Frankrijk om te onderzoeken of ze een commune kunnen beginnen: ze rijden dan in de Volvo en een geleende auto zuidwaarts en laten Bernhard voor de benzinekosten opdraaien.

    Een amusant voorbeeld van de scherpstelling van principes binnen de groep lezen we als mevrouw Hennis, de moeder van Felix overlijdt. Hij erft een bedrag van zes ton van haar, maar de groep brengt hem in verlegenheid als hij gewezen wordt op het beginsel dat de leden tien procent van hun inkomsten voor projecten aan de groep afstaan. Het leidt tot een discussie over de vraag of een erfenis een inkomen is, maar ook over wat je als eigenbelang mag opvoeren. De kleinbehuisde Felix en zijn vrouw Hester willen juist groter gaan wonen en hij wil een echte studiekamer zodat hij voor zijn proefschrift niet langer op de wc hoeft te werken.

    Fietsenmaker

    Het leidt tot komische dialogen. De voorzitter van de vergadering, Bronno Koolmees, wil na het overlijden van zijn ouders eveneens tien procent van zijn erfenis afstaan, dus moet Felix dat ook doen:

    ‘Maar goed, dat was heel weinig. Jouw vader was fietsenmaker’, zei Olga.
    ‘Dat is toch niet van belang? Het gaat om het principe.’
    ‘En als iemand’, vroeg Bernhard, ‘ik zeg maar wat, de loterij wint. Moet die daar dan ook tien procent van betalen?’
    ‘De loterij? Dat doen wij toch niet?’ zei Renate. ‘Hoe kom jij ineens bij de loterij?’ vroeg Ralf. ‘Ken jij mensen die loten kopen?’
    ‘Nee, nee, natuurlijk niet. Sorry’. Een lot kopen mocht blijkbaar ook al niet van de Saamhorigheidsgroep.

    De roman De Saamhorigheidsgroep beslaat voor het grootste deel het reilen en zeilen van de groep in de jaren 1982-1983 in de omgeving van Haarlem vanuit de optiek van de belangrijkste deelnemers, waaronder Bernhard. In 1984 vertrekt deze korte tijd voor een missie naar Jeruzalem. Dat relaas met al zijn amoureuze en dilettantistische verwikkelingen wordt omkaderd door de herinneringen van Bernhard in 2018 als hij permanent vertegenwoordiger voor Nederland is bij de VN in New York, en de verwerking van zijn verleden in 2019 als hij is teruggekeerd naar Nederland en weer leden van de nog altijd bestaande Saamhorigheidsgroep ontmoet. Ook hun leven is veranderd. Relaties zijn verbroken (iemand is lesbisch en een ander homo ‘geworden’) en de kinderen van de leden werken bij de multinationals waartegen hun ouders juist te hoop liepen. Het mooist zijn in dat hoofdstuk de bespiegelingen van Bernhard die nog altijd getuigen van een naïviteit maar je toch nog meer voor hem innemen.

    De beschrijving van de Saamhorigheidsgroep in de jaren 1982 en 1983 is zo treffend dat je als lezer zou kunnen denken dat Merijn de Boer ooit zelf deel van een soortgelijke groep moet hebben uitgemaakt. Hij is echter zelf pas in 1982 geboren. Hij moet dan ook goed hebben geluisterd naar zijn ouders. Die waren wel lid van een werkelijk bestaande Saamhorigheidsgroep. Afgezien van enkele anekdotes die hij van hen hoorde zijn echter alle gebeurtenissen verzonnen, schrijft De Boer in zijn verantwoording.
    Dat heeft hij dan bijzonder knap en realistisch gedaan!

     

     

  • Nieuwe uitgave van verhalenbundel die schuurt

    Nieuwe uitgave van verhalenbundel die schuurt

    Vijfentwintig jaar al draait Manon Uphoff mee in de top van de Nederlandse literaire wereld. Vallen is als vliegen werd vorig jaar door verschillende kranten en literaire bladen uitgeroepen tot beste roman van het jaar. Tijd voor een terugblik moeten zowel Uphoff als haar uitgeverij gedacht hebben en zo kwam er een heruitgave van haar verhalenbundel Begeerte, waarmee ze in 1995 de Nederlandse letteren binnenkwam. Dat debuut was veelgeprezen, het werd genomineerd voor De AKO-literatuurprijs, de Anton Wachterprijs en de ECI-prijs. Het titelverhaal werd bekroond met de Rabobank Lenteprijs voor Literatuur. Deze heruitgave is voorzien van een voorwoord van de schrijfster zelf. Daarin stelt ze onomwonden dat in Begeerte de grond ligt van alles wat ze nu nog schrijft.

    Pubermeisjes

    Begeerte is een bizarre bundel. Na het lezen blijft de lezer achter met een bevreemdend en onaangenaam gevoel. Begeerte staat voor verlangen, maar dit ‘verlangen’ lijkt in de meeste verhalen misplaatst en dat maakt het lastig. Uphoff laat vaak de hoofdrol aan meisjes die balanceren op de grens van volwassenheid. Zij zijn op zoek naar zichzelf en verkennen hun grenzen, maar lijken telkens met open ogen in de val te lopen, vaak gestuurd door lust en seksuele begeerte. Vreemd is bovendien dat ze wel beseffen wat ze doen, maar er toch mee doorgaan, als een soort onweerstaanbare drang, wetende dat het ook tot pijn en verlies kan leiden. Begeerte bestaat uit tien verhalen die je kan opsplitsen in twee grote delen: eerst zijn er vijf meisjes als hoofdrolspelers, daarna verworden de verhalen tot een soort van moraliserende sprookjes, waarin vrouwen nog wel een rol spelen, maar meer aan de zijlijn staan. 

    De rol van het pubermeisje in de eerste verhalen is op zijn minst verontrustend te noemen. In het titelverhaal gaat een meisje ’s nachts mee met een oosterse man met de bedoeling zich te laten ontmaagden. Het hele proces wordt beschreven als een gevecht waarin pijn en lust de hoofdrol spelen en waarbij het meisje ook de man aanmaant om te ‘vechten’. Alles is tot in de puntjes voorbereid door het meisje, en ze lijkt tevreden over het resultaat, ondanks de pijn: “Ik heb in ieder geval gevochten”, lijkt ze te berusten. Nog verontrustender is de houding van het meisje in het verhaal met de dubbelzinnige titel Vlees. Daarin laat een meisje dat gepest wordt zich ‘verleiden’ door De Hazelaar, prototype potloodventer. In ruil voor ‘bescherming’ en een veilig gevoel helpt ze hem graag bij zijn vleselijke lusten, niet wetende wat dit eigenlijk inhoudt.

    Verkeerde mannen

    Of het verhaal Brand waarin een meisje het leven beschrijft van haar twintig jaar oudere zus. Deze laat zich steeds weer in met de verkeerde man en wordt op alle mogelijke manieren mishandeld en vernederd. Als de ik-figuur op het eind van het verhaal haar minnaar uitlaat, mijmert ze: “Het was de eerste nacht dat ik het hart van mijn zus in mijn borst voelde kloppen.”  Zo wordt de lezer steeds met een onaangename schurend gevoel opgezadeld.

    In het tweede deel krijgen we een ander soort verhalen, waarbij Uphoff meer de moraliserende toer opgaat. De verhalen blijven bizar, het verontrustende gevoel blijft, maar alles wordt er explicieter ingelepeld. In het best aangename verhaal Blikman en Sartorius zien we de ongelooflijke fascinatie van een taxidermist voor de stoere en mannelijke jager Sartorius. Zijn verlangen is niet seksueel, maar hij wordt wel verscheurd door begeerte. Als Sartorius uiteindelijk aftakelt, vraagt hij Blikman hem dood te schieten. Verscheurd door een moreel dilemma moet hij keuzes maken. In het laatste verhaal Poep is de walging compleet. Hoe ver wil of kan iemand gaan om zijn begeerte te vervullen? Een vrouw biedt haar villa en al haar bezittingen aan een arme man aan als hij twee grote hondendrollen in haar bijzijn opeet. 

    Gedurfd en uitdagend

    De verbinding tussen lust en pijn, lust en walging, wreedheid en onzinnige macht, spelen een hoofdrol in al haar verhalen. Uphoff heeft ongetwijfeld de gave van het woord en schrijft zeer raak. Toch leest Begeerte niet aangenaam, de lezer blijft wezenloos achter met een beschamend en ongemakkelijk gevoel om wat de personages overkomt en beleven. Het is gedurfd en uitdagend  om zulke verhalen te schrijven. Uphoff geeft in haar verhalen een stem aan vrouwen, aan personages die in de literatuur niet vaak aan bod komen, en dat is zeker een verdienste. 

     

     

  • Met woorden alles mogelijk maken

    Met woorden alles mogelijk maken

    Het ligt natuurlijk niet voor de hand dat Ludwig van Beethoven in 1815 in Wenen in een lift stapte (toen nog een bezienswaardigheid) en terecht kwam in de stuurcabine van een 100 meter hoge hijskraan op een bouwplaats in Jeddah (Saoedi-Arabië , om daar een gesprek te voeren met de gesjeesde student Luuk Hefter die gekozen heeft voor een loopbaan als kraanmachinist. Beethoven heeft één boodschap voor hem: ‘doe maar alsof je mij bent’.

    Evenmin ligt het voor de hand dat Luuk vervolgens getroffen wordt door een geluidloze explosie van wit licht, waarna  hij enige tijd blind is en naar huis gezonden wordt voor herstel. Steeds piekerend over wat Beethoven hem ook nog heeft gezegd: ‘Laat de luisteraar weten hoe ik heb moeten worstelen om die muziek zo te krijgen. Laat ze weten hoe ik het bedoel. (…) Beschrijf de randen van het bewustzijn.’

    Goed verteller

    Tomas Lieske bewijst in zijn roman Honderd hoge dagen dat met woorden alles mogelijk gemaakt kan worden, ook deze onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Het is een kwestie van gewoon blijven vertellen dat het zo plaats vond en na enige tijd gelooft de lezer het. Je kan op deze manier zelfs president van de Verenigde Staten worden, bleek 4 jaar geleden. Maar: je moet wel een goede verteller zijn, kunnen strooien met details die het onwaarschijnlijke toch geloofwaardig maken. En dat kan Lieske.
    Na zo’n hoogstandje oogt het wat alledaags dat Luuk  – herstellend van de blindheid –  onstuitbaar verliefd raakt op Mira, de dochter van zijn pleegbroer,  die hij lang geleden verteld heeft over zijn passie voor Beethoven en die nu op diens muziek danst. ‘Mira die haar lichaam volkomen beheerste, die haar lijf kon opvouwen en uitvouwen en in de lucht kon werpen. Die haar voet zo aarzelend kon neerzetten en zo nauwkeurig op de muziek dat de tranen me in de ogen schoten.’

    Om de veel jongere Mira in te palmen met verhalen over de componist verdiept Luuk zich in de details van Beethovens leven, daarbij geholpen door  Jill Anklamer, ondanks deze meisjesnaam een man, en één van de vele gekken die in in Lieske’s alternatieve wereld rondlopen. Anklamer houdt dossiers met feitjes over Beethoven bij en leent ze mondjesmaat uit aan Luuk. En die maakt daar met Lieske’s pen mooie verhalen van, die Mira zó moeten bekoren dat zij zich aan hem geeft. Dat lukt maar deels en zijn voortdurende pogingen haar te veroveren behoren niet tot de meest geslaagde gedeelten van deze roman.

    De vorige eeuwwisseling

    De verhalen over Beethoven zijn het boeiendst. Lieske ontpopt zich daarin als een rasverteller die het Wenen en Bonn van rond de vorige eeuwwisseling volop tot leven brengt. In die wereld banjert Beethoven rond als een slonzige excentriek, wiens onsmakelijke eetgewoonten en ongewassen uiterlijk door de Weners uit zijn omgeving alleen getolereerd worden omdat hij bekend staat als een goede pianist en componist.
    ‘Tijd voor een maal. Hij gooit met geweld de deur van de brasserie open, doet één stap naar binnen, spreidt zijn armen uit en roept galmend door de ruimte: – Dag allemaal, hier komt Ludwig van Beethoven. Mensen die vlak bij de deur zitten, schrikken geweldig; sommigen verderop lachen, de obers kijken bezorgd.(…) Een gast die nogal bescheiden tegen de wand zit, staat op en applaudisseert  kort, Beethoven ziet het en het doet hem deugd. (..) – Foie gras en een glas Gneixendorfer, roept hij naar een ober die langsloopt met een stapel vuile borden. (…)’

    Als hij de bestelde foie gras krijgt, ‘kijkt hij triomfantelijk rond en begint te neuriën, wat de buren flink stoort. Dat word nog duidelijker als hij begint te eten en de foie gras met zijn vingers naar zijn mond brengt en luid smakkend en grommend de lekkernij verorbert.’

    Portret van Beethoven

    Niet dat de Weners enig idee hebben van de pijn en de moeite die hij over heeft voor het vangen van de ultieme muziek die hem steeds ontglipt. Dat hij daarvoor moedwillig de eenzaamheid kiest, steeds dover wordt, last heeft van zijn ogen en lijdt aan darmkrampen, dat weten ze niet. Maar als hij die muziek eindelijk kan vastleggen in het Kwartet in Bes – weten ze er wel afwijzend op te reageren: ‘Moordlustig zijn zijn gevoelens als hij verneemt hoe er in de bladen gereageerd wordt op zijn kwartet. (..) Onspeelbaar is een beschrijving die bij al zijn werk gebruikt wordt. Maar dit keer ‘scheldt men er lustiger op los. ‘Een orkest dat aan het stemmen is,’ zegt de een. En een ander oordeelt ‘net Chinees’. ‘Alleen begrijpbaar voor Marokkanen,’ zegt de lolbroek van de Allgemeine musikalische Zeitung.’

    Hoe het afloopt met de (uiteindelijk meerdere) ontmoetingen tussen Beethoven en de kraanmachinist Luuk Hefter kan hier niet verteld worden. Luuk en zijn Mira zullen na het lezen van Honderd hoge nachten de lezer niet lang bijblijven. Maar Lieske’s portret van Ludwig van Beethoven beslist wèl.

     

     

  • Een poging de schepping te herscheppen

    Een poging de schepping te herscheppen

    In de vierde bundel van Martijn den Ouden, Ruimtedagen, gaat het over de schepping. Dat is aan een predikantenzoon wel toe te vertrouwen. Bijzonder is evenwel dat de schepping nog moet worden voltrokken. Het motto is ontleend aan Openbaringen, het laatste Bijbelboek. Daarin wordt geprofeteerd over de toekomst. Dit is dus wat de lezer ongeveer kan verwachten. Er is geen maagdelijk begin, alles is er al:

    ‘dit is het begin
     het begin is niet woest
     of leeg

     het begin is een onvoorstelbaar
     zware doos
     van onbepaalde afmetingen
     waarin alles besloten ligt’

    Je denkt hierbij aan het heelal, maar het blijkt om een soort doos van Pandora te gaan. In het motto is sprake van een vrouw: ‘En er werd een groot teken gezien in de hemel; namelijk een vrouw; bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren.’ (Openbaringen 12:1). In Ruimtedagen is de vrouw genaamd Marna, en er is ook ‘de lezer’. Tussen hen vinden een aantal dialogen plaats over de schepping, waarbij ze meteen al van mening verschillen:

    ‘dit is geen begin

     een weiland
     vol overwoekerde kuilen en keien
     waarin beesten hun poten breken

     en aria’s zingen

     Marna
     toch is het een begin

     het valt nog onder de hoofdregel’

    Alles op losse schroeven

    Aan welke hoofdregel de discussie moet voldoen blijkt daarna: ‘alles moet zich in de ruimte bevinden’. De definitie van ruimte staat in een noot onderaan de bladzijde. Vervolgens wordt er door de lezer een paar keer aan de definitie getornd, die zich daarmee een onbetrouwbare gesprekspartner toont. Hij wordt omschreven als ‘alwetend, almachtig […] een konijnenpootje aan een snoer om de hals’. Dat konijnenpootje, talisman en geluksbrenger, zit Marna dwars: het konijnenpootje hoort in de ruimte. Ze zijn het erover eens dat er ‘geen autoriteit [is] waaraan we verantwoording moeten afleggen / behalve aan onszelf’. Later blijkt de lezer het pootje toch weer te dragen, anders ‘voel ik me zo naakt’.

    Door alles steeds op losse schroeven te zetten wordt niet alleen de discussie, maar ook het leesproces ontregeld. De dichter speelt overduidelijk een spel. Dat blijkt ook uit de vorm. Aan het begin van de bundel geeft Den Ouden in een kort gedicht een opsomming van elementen die zich in de ruimte bevinden. Deze vormen vervolgens de bouwstenen van de volgende gedichten, die de schepping beschrijven. Het scheppingsproces komt hierdoor aan de oppervlakte, wat op zich een aardige vondst is, maar tevens gekunsteld overkomt.

    Centraal in de discussie tussen Marna en de lezer staat een veulentje ‘met natte bruine ogen’, symbool voor hoop en onschuld, waar het slecht mee gaat: ‘het veulentje breekt zijn poten / en zingt een aria’. In het volgende gedicht rilt het van angst en koorts: ‘de lezer is genoodzaakt een roofdier / tot de ruimte toe te laten’. Terwijl de lezer onverschillig of zelfs cynisch is, toont Marna erbarmen: ‘waarom ligt er een veulen te creperen in het weiland’, ‘ik heb liever dat het aria’s zingt’. 

    Twaalf scheppingsdagen

    De schepping vindt niet plaats in zeven, maar in twaalf dagen (ruimtedagen). Twaalf is net als zeven een heilig getal. De bundel wemelt van Bijbelse symboliek en metaforen, die in een heel ander licht worden gesteld. De werkelijkheid is aards en rauw. Zo barst in de brandende braamstruik ‘een luidruchtige discussie los/ over wie wanneer het vuilnis naar buiten brengt’. Daarnaast zijn er ook verwijzingen naar andere religieuze en filosofische bronnen. De theepot die opduikt bijvoorbeeld, die verwijst naar Bertrand Russells theepotfilosofie over de bewijsbaarheid van God: ook de nietige theepot zou in het heelal onzichtbaar zijn. 

    Zo blijft de lezer voortdurend aan het puzzelen met vorm en betekenis. Ruimtedagen moet gelezen worden als een geheel en is chronologisch opgebouwd. Den Ouden heeft de afwisseling gezocht in de vorm. Naast de tien dialogen en de twaalf gedichten over de respectievelijke scheppingsdagen die door de bundel zijn geweven, bevat de bundel nog een aantal prozagedichten en een brief. De gedichten zijn kaal met (ultra)korte regels en bovendien vrij verhalend. Verbanden worden voornamelijk gelegd door herhaling. Den Ouden doet niet aan mooischrijverij. Slechts een enkele keer tref je een paar mooie regels:

    ‘het water is koud
    ondanks het vlammende geweld dat de zon
     erop loslaat
     is het water koud

     kom hier
     KIJK

     bomen groeien uit minachting
    voor de zoogdieren

     vogels kunnen zij velen
     de lucht is wat hen verbindt’

    Eruptie van beelden

    De handelingen zijn absurd. De discussie gaat in de kern over schuld en onschuld. Het veulentje is al genoemd. Er is veel verdorvenheid: ‘er zijn tegenstrijdige regels opgesteld / die een moraal kweken waarbij het geoorloofd / is en zelfs gewaardeerd wordt om geniepige proeven / op dieren uit te voeren’. Ook is er wreedheid tussen mensen onderling: ‘de mensen met de normale oren zijn bezig de kleinorige uit te roeien’. Een parallel met de vervolging van de christenen door de Romeinen. Later duikt ook ene Adolf op met ‘een strakke scheiding en een smal snorretje’. Het gaat hier ineens wel erg van dik hout zaagt men planken.

    Ondertussen heeft de relatie tussen Marna en de lezer een persoonlijke vorm aangenomen. Je voelt het bij de volgende regels al aankomen:

    ‘Marna strekt zich uit

     ze draagt haar badpak
     wit
     met een rode streep
     over de borsten

     rokend is ze op haar mooist
     in haar zwarte brillenglazen
     dansen tien vlammen’

    Maar ook deze relatie loopt slecht af. De bundel eindigt met een eruptie van beelden, vol neologismen en klankrijm. De taal valt letterlijk uit elkaar. Als laatste blijven de woorden ‘ik licht’ achter, een verwijzing naar het licht aan het begin van de schepping wanneer de wereld nog moet worden ingericht. De bundel is terug bij af. Er volgen nog twee gedichten – als we die zo kunnen noemen – die alleen bestaan uit losse letters en punten. Dit komt opnieuw nogal gekunsteld over.

    Ten slotte vraagt je je af wat Den Ouden met de bundel wil zeggen. Dat de wereld niet deugt? Dat ieder zijn eigen werkelijkheid heeft? Dat er geen perfecte schepping mogelijk is? Door de nadruk op de vorm en de vele buitentekstuele verwijzingen is het lezen van Ruimtedagen vooral een intellectuele excercitie: de lezer heeft wat meegemaakt, maar staat tegelijkertijd met lege handen.

     

     

  • Taal die striemt en overweldigt

    Taal die striemt en overweldigt

    De titel van de zesde bundel van Anne Vegter doet vermoeden dat het terrein van de wetenschap betreden wordt, maar al gauw blijkt dat de titel op z’n Nederlands uitgesproken dient te worden: gegevens over een big, een varken. Met ‘big’ wordt de man bedoeld, vriend, echtgenoot, vader, geliefde van de vrouw die in deze bundel in drie verschillende gedaantes haar beklag doet over zijn ontrouw. De eerste vrouw die aan het woord komt is de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker, van wie een prachtig portret werd geschilderd in de documentaire Korreltjie niks is mij dood. Haar bekendste gedicht is wel Die kind wat dood geskiet is deur soldate by Nyanga. 

    Toen Ingrid Jonker tien jaar was, overleed haar moeder en ging ze met haar zus bij haar vader wonen, die al voor haar geboorte haar moeder verlaten had. In zijn nieuwe gezin werd ze echter nooit volledig opgenomen; haar band met haar vader bleef slecht. Later werd ze verliefd op de al getrouwde schrijver Andre Brink, op de veel oudere schrijver Pieter Venter en nog later op de twintig jaar oudere Jack Cope. Een abortus, de breuk met Brink en haar manische depressiviteit deden haar in een kliniek belanden, van waaruit ze in 1965 de zee inliep en verdronk.

    In naam van Ingrid Jonkers

    Vegter laat Jonker aan het woord in een fictief interview over haar reis naar Europa in de eerste afdeling, Hoe Europa doen. De gedichten hebben de vorm van proza, omdat Vegter er heel veel biografische gegevens in heeft verwerkt. Ze laat Jonker vertellen over haar verlangen om te reizen en grote steden te zien. De mannen die haar daarbij beurtelings vergezellen, zijn niet echt betrokken bij haar leven: Cope blijft onverschillig bij haar abortus, Brink gaat terug naar zijn vrouw, de ruzies zijn niet van de lucht. Als Jonker daarna instort, komt dat niet als een verrassing: haar doodsverlangen wordt door Vegter door de hele cyclus heen verweven in de gedichten. In het laatste gedicht als Jonker naar een kliniek wordt gebracht, laat ze haar zeggen: 

    ‘Ik neem dit niemand kwalijk.
     Ik wilde zelf ook want ik moest van mezelf almaar dood.
     Daarom neem ik niemand iets kwalijk.’

    Overspelige man

    De big, waarvan tot nu toe geen melding werd gemaakt, doet zijn intrede in de tweede afdeling, ‘Big Data’ genaamd. Deze bestaat uit gedichten waarin een vrouw zich richt tot haar overspelige man. Beiden blijven naamloos, maar de man wordt big of pigboy genoemd. Deze gedichten zijn minder toegankelijk dan de rest van de bundel, omdat er weinig achtergrondinformatie gegeven wordt over de relatie van de man en de vrouw en de uiteindelijke breuk. De beelden die Vegter gebruikt, zijn niet eenvoudig te duiden. Het zijn duidelijk voelbare woede-uitbarstingen van de vrouw, waarin ze de man verwijten toeslingert die een glimp laten zien van wat er zich moet hebben afgespeeld: de relatie was aanvankelijk goed, er kwamen kinderen, er werden toekomstplannen gemaakt, maar leugens en ontrouw hebben alles vernield. Therapie en verzoeningspogingen brengen geen redding meer, de man vertrekt naar een andere vrouw. 

     in de praktijk

    ‘meer dan een jaar en wat deed dat met je of wil je dat niet delen dokter zegt seksles
       is dat iets
     om over na te denken de honger neemt af de bloedarmoede neemt toe en de statistieken
     knikken vriendelijk
     je dacht dat je de uitzondering was de enige die godvergeten ver wilde fietsen om haar
     tranen
     naar een begrafenis te brengen trouw, mevrouw, een schaars goed, ik heb nogal wat
     oudere patiëntes die
     net u en het zusje van mijn vrouw is trouwens ook boem de leidende rol in de rouw is
       voor ons’

    Kwijlende big

    De laatste en langste afdeling is Medea 2.0 die de vorm van een monoloog heeft. Medea is in de Griekse mythologie de tovenares die haar twee kinderen doodde om haar ontrouwe echtgenoot Jason te straffen. De kinderen doden doet Vegters Medea niet, maar het scheelt maar weinig of ze waren omgekomen bij een auto-ongeluk.
    Big heeft na een relatie van twintig jaar troost gezocht bij een andere vrouw: ‘[…] een kwijlende big / die zijn neus snoot / in een jonge schoot’.  In vlijmende zinnen  beschrijft Vegter hoe de zelfrealisatie van de vrouw ondergeschikt werd gemaakt aan de ambities van de man uit naam van de liefde. Daar droeg ze zelf schuld aan, ze maakte zichzelf te afhankelijk van het mannelijk leiderschap, want ‘ik wilde je te graag’.

    Tijdens een autorit met de beide jongens op de achterbank verliest ze haar concentratie, raakt een paaltje, waardoor de auto gaat tollen en achteruit het water in rijdt. Ze ziet zich gedwongen om haar man te bellen, te vragen of hij hen komt halen. Het wordt een vreselijk gesprek vol beschuldigen en verwijten, die Vegter als zweepslagen laat knallen. Ze bedenkt ook wat ze met hem zou doen:

    Wraak en vergiffenis

    ‘hem halverwege laten bungelen
     uithongeren
     versterven
     of aan je hakken omhooghengelen
     ik help je niet
     vader van mijn liefsten
     verschrompel in je droge riool
     je had een ander
     (alweer’)

    Toch is haar liefde voor hem niet verdwenen. Als Jason op de stoep staat en ‘jammert dat de liefde niet voorbij is’, weet ze niet wat ze moet doen. Vegter haalt Euripides aan, die de oorspronkelijke Medea schreef, en besluit met: ‘in haar feitelijke vorm is de geschiedenis ondraaglijk. herschrijf haar nu woedend.’ 

    In een stijgende lijn van pijn, haat en woede heeft Vegter drie vrouwen hun verhaal laten doen in een taal die striemt en overweldigt. Overtuigende verhalen van sterke vrouwen, levensecht. 

     

     

  • Een dunne lijn tussen feit en fictie

    Een dunne lijn tussen feit en fictie

    Olga Majeu (1969) debuteerde in 2015 als non-fictieauteur met Een schitterend isolement, over de geschiedenis van haar voorouders. In 2020 verscheen Eenzaam, de dapperen, haar tweede non-fictieve werk, deze keer geïnspireerd op het verleden van haar echtgenoot die in het boek Didier heet. Hij verloor zijn moeder op jonge leeftijd, maar kreeg nooit de kans dit te verwerken, aangezien zijn familie niet meer over haar sprak. Het verhaal draait om de herinneringen die Didier aan zijn moeder heeft: ‘”Je herinnert je je moeder toch nog wel?” Toen het onderwerp eens ter sprake kwam, was het díé vraag die Gustave hem stelde. En Didier zei ja. Wat kon hij anders antwoorden dan ja?’

    Gedurende het boek komt Didier erachter dat zijn herinneringen niet altijd even betrouwbaar zijn: ‘”Le Soler. Ze reed haar noodlot tegemoet bij Le Soler, en niet in Thuir,” zei Didier. “Hoe komt het dat ik altijd dacht dat het ongeluk in Thuir is gebeurd? Wie heeft me dat verteld?”
    “Misschien heb je dat jezelf wijs gemaakt.”‘

    De schrijver als hoofdpersoon

    Het eerste en derde deel van het verhaal worden verteld door de ik-figuur Olga, de auteur zelf. Ze duikt in het leven van Didier, zijn broer Bernard en zijn vader Gustave. Na de dood van Didiers moeder Monique is Gustave hertrouwd met Claudette, een vrouw die altijd voelde dat ze op de tweede plaats kwam en daardoor niet altijd even aardig tegen haar stiefzoons was. Het overlijden van Claudette vormt de aanleiding voor Olga en Didier om in het verleden te gaan graven. 

    Interessant is dat de ik-persoon het schrijven van dit verhaal expliciet verwerkt in het boek: ‘Didier vond dat ik het schrijven kon aanpakken hoe ik wilde, als ik de namen van zijn familieleden maar veranderde, en de naam van zijn dorp.’
    De auteur kaart in het derde deel zelf de thematiek aan wanneer ze Gustave uitlegt dat ze een boek schrijft: ‘”Over herinneringen gaat het ook… dat ze voor iedereen anders zijn. Het fascineert me dat Didier…’ –
    niets meer weet, wilde ik bijna zeggen, ‘… weinig meer weet van zijn moeder. Dat wil ik onderzoeken. We, eigenlijk. We willen dat onderzoeken.”‘

    Didier als hoofdpersoon

    De gesprekken leveren niet altijd iets op. Hoewel Olga bij Gustave af en toe iets los weet te krijgen, is Bernard geslotener. Zo haalt hij wel een fotoalbum als Didier over hun moeder begint, maar bladert hij er zo snel doorheen dat Didier en Olga nauwelijks zien of Monique op de foto’s staat en zo ja, wat ze dan doet. In het tweede gedeelte van het boek is Didier de verteller en wordt de basis van het zwijgen duidelijker, zijn jeugd is getekend door het verlies van zijn moeder. Zo liet zijn vader hem als tienjarige een hele avond alleen thuis, waar Didier doodsbang met een stanleymes onder zijn kussen wachtte tot hij terugkwam. De jonge Didier vat de situatie samen, ‘Mijn vader en ik leefden elk een soort leven, samen maar alleen, langs elkaar heen, elke avond weer een dag achter de rug.’ 

    De komst van Claudette en haar twee kinderen doet Didier geen goed, vooral omdat Bernard niet met haar kan opschieten. Ook Didier heeft moeite met haar en zijn nieuwe stiefbroer Olivier en stiefzus Charlotte. Als hij uiteindelijk vertrekt, is dat duidelijk: ‘”Wie weet komen we je wel opzoeken,” zei Olivier lief. Ik zou hem nog bijna gaan missen. Nee, dacht ik. Jullie komen me niet opzoeken.’ Juist door haar afwezigheid is zijn moeder overal. 

    Een reconstructie

    De gesprekken die Olga voert en de herinneringen van Didier leveren een reconstructie op van zijn jeugd en over wie Monique, zijn moeder geweest was. Verschillende mensen hebben verschillende verhalen over haar en ook die herinneringen zijn niet even betrouwbaar. Je zou willen dat alles goedkwam, dat de familie leert om eindelijk met elkaar te gaan praten, maar dat gebeurt niet. Dit verhaal blijft dicht bij de feiten, voor zover die objectief kunnen worden bepaald: Gustave is achtergebleven in 1974, het jaar van het ongeluk, er is te veel gebeurd. Bernard blijft boos, Didier krijgt zijn moeder niet terug. 

    Eenzaam, de dapperen is een mooi portret van een familie die uit elkaar is gevallen na een groot verlies. Het verhaal laat zien wat er gebeurt wanneer mensen niet meer met elkaar durven te praten. Toch wordt het nergens zwaarmoedig, Olga en Didier zijn samen gelukkig en hebben steun aan elkaar. Daarnaast stelt de auteur interessante vragen over feit en fictie door de herinneringen van Didier te deconstrueren, en wat is werkelijkheid?

     

     

  • Oogst week 41 – 2020

    Zo tedere schade

    Hans Vervoort (1939) groeide op in Nederlands-Indië en kwam in 1953 naar Nederland. Vanaf 1970 publiceerde hij vele boeken, waaronder enkele jeugdboeken en Het bedrijf, een autobiografische trilogie over zijn tijd dat hij als marktonderzoeker en tijdschriften uitgever bij de Weekbladpers werkte.

    Zijn nieuwe boek Zo tedere schade…, is een kleine roman over Hans Heijmenberg die na een huwelijk van vierenvijftig jaar zijn vrouw verliest. Zij deelden hun Indisch verleden met elkaar en waren soulmates voor het leven. Zijn vrouw sterft aan longkanker, waarvoor hij zich schuldig voelt. Hij was een fervent roker en zij, als nietroker, rookte ongewild met hem mee. Na haar dood doet hij zijn best zichzelf dood te drinken. Dit lukt hem echter niet, hij kan meer alcohol verdragen dan hij dacht. Dan besluit hij een door zijn vrouw geuitte wens uit te voeren. Kort voor haar dood las ze een bericht over een onopgeloste moord op een jonge vrouw bij kamp Walaardt Sacré, waar haar man in 1960 zijn diensttijd doorbracht. Een jaar na haar overlijden begint hij de 60 jaar oude, onopgeloste moordzaak te onderzoeken.

     

    Zo tedere schade
    Auteur: Hans Vervoort
    Uitgeverij: Uitgeverij Brooklyn

    Voor permanente bewoning

    Anna de Bruyckere (1987) debuteert met de bundel Voor permanente bewoning.  Eerder werd haar werk gepubliceerd in onder andere Het Liegend Konijn, De Brakke Hond en Deus ex Machina en in 2018 en 2019 was ze stadsdichter van Middelburg.

    Haar gedichten kenmerken zich door verrassende wendingen, zo wordt regenen een vorm van prevelen. Ontpopt een warm bed zich als een plaats voor nietsontziende zelfreflectie. En uit het geel in een verder grijze polder wordt als een schuchter liefdesgedicht een warm blakend vest / precies jouw maat geweven.
    De Bruckere heeft duidelijk oog voor de kleine dingen, ze beschrijft dat, wat ons levenslang bezighoudt.  De uitgeverij  noemt, ‘Voor permanente bewoning […] een opvallend debuut dat formuleert wat ons in onze alledaagse hectiek vaak ontglipt, omdat we het niet zien of er nog geen woorden voor hadden.’

    Naast poëzie schrijft ze essays, verhalen en theater.

    Voor permanente bewoning
    Auteur: Anna de Bruyckere
    Uitgeverij: Cossee

    Het smartlappenkwartier

    Philip Snijder (1956) groeide op in de oude volksbuurt Bickerseiland in Amsterdam. Een stukje ingepolderd land dat in de 17e eeuw een bedrijvig toneel van de scheepvaart was, maar later veranderde in een volksbuurt met verkrotte huizen en bouwvallige loodsen.
    Snijder debuteerde als schrijver met verhalen over zijn jeugd op Bickerseiland in het literaire tijdschrift De Tweede Ronde.

    Het smartlappenkwartier is zijn vijfde roman, even als zijn voorgaande romans speelt ook deze zich af in de volksbuurt waar hij opgroeide. In zijn vorige boeken wordt beschreven hoe een jongen zich probeert los te maken uit de benauwenis van zijn familie.
    In Het smartlappenkwartier staat de moeder centraal, een ongeschoolde, wereldvreemde vrouw. Op een zondagmiddag is ze opeens verdwenen. Als ze zich ’s avonds meldt, krijgt haar zestienjarige zoon het telefoonnummer waarop ze te bereiken zou zijn. Hij stapt op zijn Puch en verdwaalt in de herinneringen aan hun gezamenlijke verleden, waarin strijd, haat en schaamte de boventoon voeren.

    In een interview bij VPRO’s Nooit meer slapen vertelde de schrijver dat zijn moeder, hoewel ze verder niet echt naar haar kinderen omkeek, wel elke avond bij het naar bed gaan een kwartiertje bij hem op bed kwam liggen en daar de ene na de andere smartlap voor hem zong. Vandaar de titel, Het smartlappenkwartier.

    Het smartlappenkwartier
    Auteur: Philip Snijder
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Eva

    De roman Eva verscheen in 1927 en baarde gelijk veel opzien en werd vele malen herdrukt. Hij werd als de belangrijkste roman van Carry van Bruggen gezien. Van Bruggen werd in 1881 geboren als Carry de Haan, ze was de zuster van Jacob Israël de Haan, die in 1919 als zionist naar Palestina emigreerde. Daar werd hij op 30 juni 1924 vermoord tijdens een terroristische aanslag van een Joodse paramilitaire organisatie.

    Eva, de roman die bij het verschijnen in 1927 veel opzien baarde en sindsdien vele malen is herdrukt, is een openhartige zelfportret, een biecht waarin via een voortdurende dialoog met haar alter ego beleden wordt dat de zin van het bestaan gelegen is in strijd met de wereld, in zelfstrijd. Eva is de geschiedenis van een jonge vrouw die zich losmaakt uit het milieu waaruit ze komt en van het orthodoxe geloof waarmee ze opgroeide. De dood van haar broer speelt een belangrijke rol in deze roman. Kort na verschijning van Eva belandde Van Bruggen in een jarenlange depressie, die uitmondde in een zelfmoord in 1932.

    Vanaf haar debuut In de schaduw (1907) publiceerde Van Bruggen verhalen en romans. Onder meer het sterk autobiografische Het huisje aan de sloot (1921).

    Eva
    Auteur: Carry van Bruggen
    Uitgeverij: Querido
  • Verlangen naar verandering

    Verlangen naar verandering

    De Vlaamse Tom Van de Voorde (1974) is dichter, essayist en vertaler van voornamelijk Amerikaanse poëzie. Zijn eerste bundel Vliesgevels filter (2008) werd genomineerd voor de C.Buddingh’-prijs, de tweede, Liefde en aarde, voor de Herman de Coninckprijs. Deze tweede bundel kreeg tevens de driejaarlijkse poëzieprijs van de provincie Oost-Vlaanderen. Daarnaast publiceerde Van de Voorde in diverse literaire tijdschriften. Zijn werk werd in meer dan tien talen vertaald.

    Zijn vierde dichtbundel Jouw zwaartekracht mijn veer is een intrigerende titel: je kunt je voorstellen dat ‘jouw zwaartekracht’ een vaste waarde in het leven van de ik-figuur betekent, waarnaar de laatste onvermijdelijk weer terugkeert. Anderzijds zou het ook kunnen dat de veer een springveer is, die zich herhaaldelijk aan de zwaartekracht wil onttrekken door even op te springen. Het is hoe dan ook een titel om over na te denken.
    Dat geldt ook voor de inhoud, want Van de Voorde laat in deze bundel veel van zichzelf zien, maar omdat de gedichten heel persoonlijk zijn, zijn ze ook vaak ondoorzichtig en niet gemakkelijk te interpreteren voor de lezer.

    Onvrede

    In vijf afgebakende afdelingen, die niet veel met elkaar te maken lijken te hebben, brengt de dichter zijn observaties en zijn gevoelens onder woorden. De eerste afdeling, Ik toog mijn gebergte, gaat uit van een status quo die niet bevredigend is, een dagelijks leven dat nodig dient te worden opgeschud:

    We always began it again

    het is 4 a.m. en ik kijk
    naar een etende vrouw

    Het paleis dat onze heuvels
    en muren verlicht

    vertelt leugens
    aan slapende gezinnen

    Niemand kijkt toe hoe
    ons bouwwerk in elkaar stort

    terwijl mijn ruggengraat
    tussen haar dijen hangt

    Wie zal waken
    over de hongerige gier

    die boven mij zweeft
    als ik weer ingeslapen ben

    Het verlangen naar verandering van richting in het leven wordt steeds sterker en culmineert uiteindelijk in gedichten met titels als De vooravond van een verandering en De zorg voor eigen keuzes, waarin de dichter tenslotte ‘onbegonnen’ de avond inloopt, en zich herinnert ‘wat achter mij verborgen ligt’.

    Homo politicus, de tweede afdeling, herbergt een aantal gedichten waarin begrippen ter sprake komen als democratie, fascisme, hamer en sikkel, populisme en leiderschap. Hoewel in elk van deze gedichten een lyrisch ik aan het woord is en er vanuit een persoonlijk standpunt gesproken wordt, missen ze echte betrokkenheid en de mogelijkheid tot identificatie voor de lezer. Dat de dichter geen hoge pet op heeft van de politiek, weet hij echter wel op humoristische wijze duidelijk te maken.

    Heel anders daarentegen is de afdeling Apocalyps van het kleine geschil, met tien gedichten waarvan er slechts twee een titel kregen. Dit is pure liefdespoëzie over de relatie tussen twee mensen die ruzie hebben gekregen en hun best doen om de afstand die tussen hen ontstaan is, weer te overbruggen. Deze gedichten zijn eenvoudiger en directer dan de overige, maar weten daardoor juist te raken in hun oprechtheid die ontdaan is van alle literaire pretenties.

    Een kwestie van uitdrukking

    Op het punt iets te zeggen
    vraag je me waarom
    ik niets zeg

    Ik vermijd
    de vergelijkende trap
    en doe iets
    met mijn eerste zin

    Je zwijgt
    wanneer me ontgaat
    wat eerder is gezegd

    het duurt lang
    voor de dag weer lijkt
    op de vorige

    Amerikaanse kunst

    Maar het persoonlijkst is de dichter in de afdeling De schilderijententoonstelling, waarin hij spreekt over voornamelijk Amerikaanse schilders van het abstract expressionisme, over de componist Morton Feldman, de Amerikaanse dichter Wallace Stevens wiens gedichten door Van de Voorde vertaald zijn. Beeldende kunst, poëzie en vertaling daarvan worden hier samengebracht in een aantal heel lange gedichten – het gedicht Robert Mangold en ik beslaat tien pagina’s waarin de dichter een fictief telefonisch gesprek met de 82-jarige schilder voert – waarin de dichter zijn ideeën over moderne kunst en kunstkritiek uiteenzet.

    Wie meer wil weten over al deze kunstenaars en hun werk moet heel veel opzoeken, want alleen al in het gedicht Ons worden meer dan twintig vrouwelijke kunstenaars genoemd in het kader van een tentoonstelling die de dichter wil opzetten met als titel Female Abstraction.

    Het lange gedicht Who’s afraid of red, yellow and blue werd geschreven bij het schilderij van Barnett Newman, dat de meeste mensen wel zullen kennen, al was het alleen maar door de aanval in 1986 op de derde versie van het werk, toen een verwarde man met een stanleymes vijf lange sneden in het doek maakte. Dat werd toen gerestaureerd op een manier die leek alsof er met een verfroller overheen gegaan was. Maar Van de Voorde rept daar niet over: bij hem leidt het schilderij tot een bespiegeling over het nut van vertalen, over poëzie en of helderheid daarbij een vereiste is. De kernvraag waar het gedicht omheen cirkelt, is wat de ideale leeftijd is om gedichten te schrijven. Het is een ernstig zelfonderzoek naar waarden, zekerheden en twijfels omtrent het kunstenaarschap en wat belangrijk is. De dichter moet daarbij wel tot de conclusie komen dat wanneer je ouder wordt de gedachte aan de toekomst automatisch verbonden blijkt te zijn met de dood. Het gedicht leest als een credo, een heel intieme getuigenis van wat het levensdoel en de idealen van de dichter inhouden. Alsof je een kijkje kunt nemen in zijn ziel. Het is een van de mooiste gedichten uit deze bundel.

    Bijna net zo mooi is de laatste afdeling Les Barricades Mystérieuses, waarin in acht gedichten een ode wordt gebracht aan Clement Greenberg, een van de invloedrijkste kunstcritici in de Verenigde Staten, die een lans brak voor het abstract expressionisme.

    6. Op het laatst schreef ik
    een brief in gebroken Alexandrijns
    en sprak hem als boodschap in;
    Beste Clement,
    Loodzwaar is de vracht
    die zelden bijna nooit de bodem
    van diens kracht verzacht
    Hij wou geschiedenis op aarde,
    schreef hij terug,
    desnoods iets hemels als
    zekerheid, ontspanning en comfort,
    jongleren in een eenzame jungle
    van onmiddellijke gewaarwording

    Het is aan te raden om Google en Wikipedia bij de hand te hebben bij het lezen van deze bundel. Nog beter is het om van tevoren al het een en ander op te zoeken over de genoemde kunstenaars. Niet dat de gedichten anders onbegrijpelijk zijn: ze gaan uiteindelijk niet over hen, maar over hoe ze de dichter beïnvloed hebben in zijn liefde voor kunst en hoe ze hem duidelijk gemaakt hebben waar het wezen van zijn eigen kunstenaarschap lag. In die zin gaat deze bundel, hoeveel namen er ook genoemd zijn, alleen maar over Van der Voorde zelf.

     

     

  • Sprookjesachtig verhaal over Wolgaduitsers

    Sprookjesachtig verhaal over Wolgaduitsers

    ‘De Wolga deelde de wereld in tweeën.’ Dit is de openingszin van Wolgakinderen, de opvolger van Guzel Jachina’s debuut Zulajka opent haar ogen. Een korte en krachtige zin, die de stemming van het boek haast bloot geeft. In de zin erna worden het vlakke, open steppenlandschap aan de linkeroever van de Wolga beschreven en de hoge bergen met steile, ruige kliffen en bossen van de rechteroever. Een landschap vol contrasten, zoals de mens is, zoals de wereld is.

    Wolgakinderen speelt zich af tussen 1916 en 1938 tegen de achtergrond van de Russische revolutie, Stalins Sovjet-Unie en de opkomst van Hitler. De geschiedenis treedt nergens op de voorgrond, maar is voelbaar aanwezig in de mensen die steeds grauwer worden ‘als muizen en vissen’. We volgen het leven in Gnadenthal, een Duitse kolonie bewoond door de zogenaamde Wolgaduitsers. Deze trokken ten tijde van Catharina de Grote naar Rusland en settelden zich in kolonies langs de Wolga waar ze hun gründliche Duitse leven voortzetten, zonder een woord Russisch te spreken. Door de Sovjetrepubliek werden ze “gebruikt” om Duitsland de positieve kant van het communisme te laten zien. 

    Sprookje

    Hoofdpersonage Jacob Bach is een zonderlinge, zwijgzame man van een jaar of dertig, geboren en getogen in Gnadenthal. Hij is schoolmeester, vooral geïnteresseerd in Duitse poëzie, heeft weinig met kinderen en voert zijn dagelijkse taken rigide uit. Totdat hij wordt ontboden bij Udo Grimm, een rijke boer die met zijn dochter en Kirgizische bedienden aan de overkant van de Wolga woont, achter de steile, onherbergzame klif. Hij geeft Bach de opdracht om zijn tienerdochter Klara te onderwijzen. Zij zit achter een kamerscherm want hij mag haar niet zien om niet verleid te worden. Klara spreekt een brabbelig dialect. Als haar stem zich steeds meer ontwikkelt en Bach haar opdraagt om hem voor te lezen, kan hij daar geen genoeg van krijgen. Ze leest zelfverzonnen sprookjes voor en ondertussen groeit er een gemeenschappelijke liefde voor de gedichten van Goethe.

    Als Udo Grimm met zijn hele hebben en houwen de boerderij verlaat om in Duitsland een man voor Klara te zoeken, ontvlucht ze haar vader en staat op een nacht op de stoep van Bach. Hij wil haar beschermen en met haar trouwen, maar dat is niet mogelijk in Gnadenthal. De bekrompen en (bij)gelovige dorpsgenoten denken dat ze een heks of zijn dochter is. Bach en Klara vluchten samen, terug naar de boerderij van Grimm waar hun sprookje kan beginnen, ware het niet dat de verschrikkingen in de buitenwereld hen alle geluk zullen ontnemen. 

    Kolchoz

    Dagelijks staat Bach op de klif en kijkt het dal in waar hij de revolutie van 1917 en de burgeroorlog voorbij ziet komen zonder precies te begrijpen wat er gaande is. Hij wijdt zijn leven aan Klara en is gelukkig. Maar Klara wordt niet zwanger en steeds ongelukkiger. Tot ze zwanger raakt na een verkrachting door langstrekkende rovers, waarna Bach zijn spraakvermogen verliest. Klara sterft negen maanden later in het kraambed. Bach zit wekenlang naast haar lichaam in de ijskelder, het kind vergetend. Tot hij beseft dat het moet eten. Hij gaat naar Gnadenthal om een geit te melken en wordt gesnapt. 

    Gnadenthal is een kolchoz geworden onder leiding van partijactivist Hoffmann. Hij predikt het communisme en de brave Gnadenthalers volgen vooralsnog zijn wil en wet. Hoffmann ontdekt dat Bach niet praat maar wel schrijft en ziet daarin ongekende mogelijkheden ten faveure van zichzelf. In ruil voor melk laat hij Bach schrijven over de Gnadenthalers en hun gewoonten, zodat hij dit volkje beter leert begrijpen. Hij bewerkt deze verhalen en stuurt ze naar de lokale krant. Als blijkt dat er voorspellende elementen in Bachs verhalen zitten die steeds vaker uitkomen, stopt Bach met schrijven. Hij wil niets met het communisme te maken hebben en trekt zich terug op de boerderij met Klara’s kind dat hij Antje heeft genoemd. 

    Stalin

    Het verhaal wordt grimmiger en breder getrokken als Stalin een bezoek aan Gnadenthal brengt. De man wordt aangeduid met Hij en later met De Leider. Hij ergert zich aan de propere Duitsers en ziet alles en iedereen om zich heen als nietig en onbetekenend. Zelfs de eerste tractor die in deze streek werd gebouwd, de trots van de kolchoz, vindt hij niks. Het bezoek van Stalin kan gezien worden als een grote metafoor voor het Sovjetregime.

    De verschrikkingen die het Rode Leger achterliet uiten zich vooral in de verandering van de mensen, die Bach vanaf zijn klif ziet of als hij Gnadenthal bezoekt. ‘Wat een oudemensengezichten waren het die Bach vanuit de vensterholen aanstaarden – waren dat de mensen die hij kende, of waren het hun vaders of grootvaders? Hij had voortdurend het gevoel dat die zeven jaar de mensen in de kolonie vele malen ouder waren geworden dan hijzelf; […] Wie keek daar naar hem uit het raam: de kunstschilder Anton Fromm, wiens gerimpelde gezicht met bolle lippen en naar voren stekende gebit definitief veranderd was in het smoeltje van een grondeekhoorn, […] en wie keek daar uit een derde raam? Emmy Meloen die al haar lichaamsvet was kwijtgeraakt en zo vermagerd was dat er alleen wat slappe blauwe kringen onder haar ogen waren overgebleven, […]’

    De Wolga

    Jachina heeft een rijke, beeldende stijl met veel metaforen waardoor je vaak het gevoel hebt een bont en kleurrijk sprookje te lezen. Ze put zich uit in natuurbeschrijvingen. ‘Hij kende de weg. De kardinaalsmutsen hadden als egels hun stekels opgezet. Gedrongen eiken omhelsden zichzelf, hadden hun takken om hun eigen stam geslagen. Hier en daar zaten er in de stammen zwarte gaten die gaapten als opengesperde monden, waaruit af en toe watervlugge schaduwen schoten: eekhoorns of marters of nog iets anders…’ En natuurlijk speelt de levensader van het boek, de Wolga, een grote rol. 

    Bach is aanvankelijk een bange en zwakke man, met weinig enerverende gedachten. Maar zijn liefde voor Klara neemt zulke vormen aan dat hij tot leven komt en een enorme intensiteit en kracht ontplooit. Waar Jachina haar personages rijk en breedsprakig beschrijft, krijgt Klara nauwelijks een gezicht. Jachina laat Bach haar ‘prachtig’ vinden, alsof hij geen andere woorden voor zijn diepe gevoelens voor haar kent. Later gaat zijn liefde op Antje over, het kind dat hij tracht te beschermen tegen het kwaad. Voor Antje heeft hij juist wel veel rijke beschrijvingen, wat iets zegt over de ontwikkeling van Bachs gevoelsleven. 

    Uiteindelijk raakt Bach bevrijd van zijn angsten; de angst Antje niet te kunnen beschermen, angst voor het communisme, angst dat alles voor niets was. ‘Waar waren ze bang voor? Wat voor onrust veranderde de mensen in vissen en muizen? Bach deed geen moeite om het antwoord te vinden, het enige wat hij wist was dat hij zelf niet was besmet door deze epidemie: Hij liep rustig door andermans angsten heen, alsof hij door ondiep water waadde zonder zelf nat te worden.’

    In deze prettig lezende vertaling van Arthur Langeveld toont de schrijfster van Tataarse origine met dit epische, sprookjesachtige, zeer gelaagde verhaal aan de hand van historische feiten, de tragiek van de Wolgaduitsers. 

     

     

  • In memoriam Abraham Louis Schneiders 1925-2020

    In memoriam Abraham Louis Schneiders 1925-2020

    Elke keer als ik de naam van ZKV-schrijver A.L. Snijders zie moet ik denken aan een andere auteur: A.L. (Bram) Schneiders. Deze overleed op 2 juli jl op 94 jarige leeftijd en was de schrijver van een klein maar mooi oeuvre van zes bundels korte verhalen. De eerste Langs het schrikdraad (1961) en de laatste Het verbrokkeld paradijs verscheen in 1991 bij uitgeverij Querido. Schneiders was diplomaat, net als zijn bijna-naamgenoot Carel Jan Schneider, die schreef onder de schuilnaam F. Springer. En net als bij Springer vormden de ervaringen die Schneiders had tijdens zijn verblijf op diplomatieke posten vaak de basis voor zijn verhalen die zich merendeels afspelen in tropische landen.

    A.L. Schneiders werkte in Nigeria, Lagos, Indonesië, Kameroen, Equatoriaal-Guinea, Centraal-Afrikaanse Republiek, Gabon, Tsjaad, Zimbabwe en ten slotte in Nieuw Zeeland. Hij schreef in een stijl die ooit door Aad Nuis de term ‘ironisch realisme’ kreeg opgeplakt. Een term die niet helemaal klopte, want bij het ‘ironisch’ beschrijven van mensen en situaties denk je aan een schrijver die van bovenaf met enige ironie neerkijkt op wat mensen zichzelf en anderen aandoen. Marijke Höweler schreef ironisch realistisch. Maar Schneiders niet, eerder het omgekeerde: ‘zelf-ironisch realisme’ zou een betere term zijn geweest voor wat hij schreef. De hoofd- (meestal ik-) persoon in zijn verhalen zag zichzelf voortmodderen in het leven en moeizaam zijn altijd licht belachelijke plicht vervullen in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden. Het schrijven moet voor hem een manier geweest zijn om wat hij overdag vermoedelijk met grote ijver en inzet deed achteraf toch wat te relativeren. En dat leverde prachtige, vaak ook zeer humoristische verhalen op.

    Moge zijn werk ooit weer wat aandacht krijgen! Zijn verhalenbundels zijn enkel nog antiquarisch te verkrijgen, maar zijn bijdragen aan het Hollands Weekblad (later Hollands Maandblad) staan op de site van DBNL.
    Hierbij het slot van één van zijn latere stukken (1989), over het piepkleine eiland Tuvalu, waar in 2011 Foppe de Haan nog enkele maanden ontwikkelingswerk deed als trainer van het voetbalelftal. Foppe wist van niets toen hij er heen ging. Had A.L. Schneiders natuurlijk niet gelezen. Maar ook Foppe viel de zangkunst van de Tuvaluanen op. Scneiders schreef erover:

    ‘Te onzer ere was een avond georganiseerd in het paviljoen van de Niue-eilanders. Ieder van de outer islands heeft op Funafuti z’n eigen paviljoen en z’n eigen zangen dansgenootschap. Zelfs binnen dat kluitje van in de oceaan verstrooide atolvlekken bestaan nog grote verschillen in tradities en taal. Met precies in acht nemen van het protocol gingen we naar binnen, het laatste de heer Puapua en ik.
    Het Genootschap stond al klaar, ongeveer vijftig mannen recht in de houding en wat vrouwen op de achtergrond. Dit was niet maar een lolletje maar een ernstig ritueel met mogelijke gevolgen voor alle betrokkenen. De heer Puapua had mij ingefluisterd wat ik moest zeggen, een korte toverformule, die tot mijn opluchting inderdaad werkte: het dreigende blok half ontblote mannen vlak voor mij gromde instemmend en ging als één man door de knieën. Verschillende gezichten herkende ik, maar met hun blote borst, labalaba en bloemen om hals en hoofd waren het andere mensen geworden uit een andere tijd en een andere wereld. Dat gold zeker toen ze zongen, nadat een van hen op een groot gedeukt biscuitblik een ritme had aangegeven. Veelstemmig en van een ongekende kracht was dat zingen, verdrietig en klagend aan het begin maar geleidelijk opzwiepend naar grote hoogten van uitdaging en triomf. Instrumenten hadden ze er niet bij nodig, alleen dat oude biscuitblik en een paar planken waar ze op roffelden met hun vuisten of zelfs onderarmen totdat ze er blauw van moesten zijn geworden. Dicht op elkaar als ze waren gepakt, feilloos op elkaar ingespeeld en met die woest golvende stemmen, leken ze wel met elkander onderweg in een oorlogskano op hoge zee. Hoeveel dieper wortelden deze mensen in de tijd, met hun collectief geheugen aan voorwerelden waar ik nooit en te nimmer het geheim van zou kennen.’

     


    A.L. Schneiders debuteerde in 1951 met het korte verhaal De kanonnen, gepubliceerd in literair magazine Libertinage. Daarna volgden korte verhalen in het latere Hollands Maandblad en De Gids. Hierna schreef hij verschillende bundels voor uitgeverij Querido. Rond 1965 verscheen van zijn hand een wekelijkse column in het NRC-Handelsblad onder de naam Drievoeter, ook schreef hij nog onder het pseudoniem van A. van Anders.

     

     

  • Wat te pijnlijk is om te verwoorden

    Wat te pijnlijk is om te verwoorden

    Wytske Versteeg (1983) debuteerde in 2012 als romancier met het alom geprezen De wezenlozen en won dit jaar de Frans Kellendonk prijs voor haar oeuvre. Haar eveneens geprezen roman Quarantaine (2015) geniet wederom aandacht dankzij de coronacrisis. Naast romancier is Versteeg essayist en docent creatief schrijven aan de hogeschool voor de kunsten in Arnhem en Wageningen University. De afgelopen jaren schreef Versteeg vier romans. Al die tijd sluimerde Verdwijnpunt, het verhaal over haar incestverleden, op de achtergrond. Lange tijd was er de angst dat een dergelijke persoonlijke geschiedenis als sleutel tot begrip van haar werk zou worden gezien en dat was haar te eendimensionaal, vertelt Versteeg in een interview met de NRC in april. Bovendien had ze rekening te houden met gevoeligheden binnen de familie. De man die haar van haar vierde tot ongeveer haar elfde misbruikte was tenslotte de vader van haar moeder. 

    Verdwijnpunt begint bij een centrum voor geestelijke gezondheidszorg, waar Versteeg door een vriend naartoe is gebracht nadat ze weken nauwelijks heeft kunnen slapen. Na een jarenlang verzet tegen therapie, tegen ‘inmenging van welke psycholoog dan ook,’ ontkomt ze er niet meer aan. Ze heeft het gevoel in ‘één ruimte opgesloten (te zitten) met vroeger, en alsof die ruimte steeds kleiner wordt.’

    Onder de oppervlakte

    Aan de opname gaat heel wat vooraf. Versteeg is eerstejaars student politicologie wanneer ze in korte tijd twee keer wordt aangerand, beide keren in de trein. Ze begint zich af te vragen waarom ze zo’n gemakkelijk prooi is, waarom ze de grenzen van haar lichaam – of überhaupt haar lichaam – zo slecht kent. De vraag over het prooi-zijn doet denken aan wat Manon Uphoff schrijft in Vallen is als vliegen. ‘Blijkbaar is het zo, heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond, dat wanneer je tot object wordt gemaakt, plat moet liggen, geen geluid of kik mag geven, je een geur afgeeft. Een riek van angst die je begeleidt. Of zelfs een van gemakkelijke overgave, omdat je hebt geleerd dat snelle capitulatie het beste is.’ Die geurcellen, suggereert Uphoff, blijven hardnekkig aan slachtoffers van seksueel geweld kleven. Tenzij de cyclus wordt onderbroken zal het slachtoffer steeds opnieuw te maken krijgen met grensoverschrijdend gedrag van anderen. 

    De incidenten in de trein rakelen een verleden op dat Versteeg tot dan toe zorgvuldig onder de oppervlakte heeft weten te houden, een verleden dat ze doorgaans liever neutraal aanduidt als ‘wat er gebeurd is’ of ‘vroeger’ in plaats van wat het werkelijk is: incest en seksueel geweld. Zo’n overlevingsmechanisme is niet vol te houden omdat het er een is van ontkenning, en wat ontkend wordt zal zich steeds hardnekkiger gaan opdringen. Een lichaam dat is blootgesteld aan geweld zal krimpen, zijn best doen ‘zichzelf kleiner te maken, onzichtbaar, niet langer bestaand’ met als gevolg dat de bewoner van dat lichaam er niet langer mee in contact staat en het begint te veronachtzamen. Zo ook bij Versteeg, die haar lijf systematisch verdooft door langer hard te lopen, meer te fietsen, vaker te zwemmen’ totdat ze zo uitgeput raakt dat het haar nauwelijks meer lukt een trap op te lopen. Ze vervreemdt van zichzelf, op zowel emotioneel als fysiek vlak. Daarbij is haar poging haar perfecte, onafhankelijk ogende buitenkant te behouden – I am a rock, I am an island, citeert ze Simon & Garfunkel – evenmin vol te houden. Ze stort in, met een opname tot gevolg.  

    Lichaam als bron van genezing

    Versteeg beseft dat a rock geen warmte kan ontvangen en an island geen verbintenissen kan aangaan. Ze heeft ‘een diep verlangen om te helen,’ om ‘gezond te worden, vanbinnen één geheel met duidelijke buitengrenzen.’ Maar praattherapie is zinloos, met de standaardvragen van de therapeuten met wie ze tot dan toe te maken heeft gehad, kan ze niets. Sommige therapieën zijn angstaanjagend. Tegen een kussen praten dat haar opa voorstelt bijvoorbeeld. Of overtuigend Stop! roepen tegen een dramatherapeut die langzaam op haar af komt lopen. Dan komt ze in contact met lichaamstherapeut D en leert ze heel langzaam haar lichaam op te merken, te bewonen, te vertrouwen, lief te hebben. D geeft haar het gevoel ertoe te doen. Ze vraagt zich af of dit is wat er nodig is: ‘door een ander gezien, gehoord te worden vóórdat het mogelijk is jezelf te zien, je eigen stem te horen.’ Ze voelt zich veilig bij hem, zozeer dat hij na verloop van tijd een arm om haar heen mag slaan. Gaandeweg leert ze ook iets cruciaals over de werking van het geheugen: herinneringen aan incest en geweld presenteren zich niet als keurig gecomponeerde scènes met een begin, midden en eind. Veeleer zijn het woordeloze beelden die in een donker hoekje van het geheugen schuilen. Dat maakt ze echter niet minder betrouwbaar.  

    Onbeantwoorde vragen

    In Verdwijnpunt verweeft Versteeg persoonlijke gebeurtenissen met rauwe dagboekfragmenten die haar angst en verdriet weergeven. Ze zoekt houvast in de woorden van filosofen, mythologie en kunst, rituelen van andere culturen. Met precisie onderzoekt ze de etymologie van woorden als ‘trauma’ en legt ze sleetse uitdrukkingen als ‘iets een plek geven’ en ‘in je kracht staan’ onder de loep. Soms kan ze alleen de woorden van een ander lenen, maar niet zonder zich af te vragen ‘of die woorden niet al te groot, te melodramatisch zijn voor iets wat zo vaak voorkomt als seksueel geweld.’ Treffend beschrijft Versteeg de beleving van depressie. ‘Het land om (de balling) heen heeft geen diepte meer, het raakt hem niet. Dat is hoe het voelt als het slecht gaat: alsof alles in zichzelf keert, zich afwendt, de afstand vergroot. Er is minder detail, er is geen textuur. De wereld zelf trekt zich terug, stapt achteruit.’ 

    Versteeg heeft het niet over de impact van het verleden op haar relaties. Ze presenteert zich als outsider, als loner, maar er zijn veel vrienden die haar bijstaan en soms langdurig opvangen. Ze heeft begrijpelijk het contact met haar ouders verbroken maar bezoekt wel haar oma. In plaats van licht te laten schijnen op deze kwesties verliest ze zich regelmatig in academische uiteenzettingen. In dit opzicht blijft het boek afstandelijk en laat het de lezer achter met onbeantwoorde vragen. Maar misschien kan Versteeg niet anders. ‘Het maakt uiteindelijk niets uit,’ zegt ze in een gesprek met D, ‘want zelfs als je probeert om iets te zeggen over hoe het is, lukt dat toch niet, nooit echt.’ Versteeg geeft ons geen happy end. Wel vooruitgang, stap voor stap, en dat is genoeg.