• Een kloppend verhaal

    Een kloppend verhaal

    Masja’s wolvenhart gaat van boem boem in Wolvenweer van Simon van der Geest. Haar hart klopt sneller en sneller voor de stoere en lieve wolf Iwan. ‘Boemboem boemboem boemboem.’ Iwan is haar vriend. ‘Hij is groot en stoer en sterk als een beer.’ Masja denkt elke dag aan hem en droomt elke nacht over hem. Ze wil hem vragen of hij haar wolf wil zijn. Maar dan, als de maan vol en hoog aan de hemel staat, gebeurt er iets met Iwan. Het laat Masja haar hart opnieuw sneller kloppen. Alleen is het deze keer van schrik.

    ‘Wil je mijn wolf zijn?’ vraagt Masja. Iwan antwoordt: ‘Ik wil… Ik wil plassen.’ Dat is natuurlijk niet het antwoord waar Masja op had gehoopt en dan wil Iwan ook nog eens op een wc plassen. ‘Maar je bent een wolf! Een wolf plast tegen een boom! Niet op de wc!,’ probeert Masja nog. Maar ze kan Iwan niet tegenhouden. Ze hoort gepiep en gejank en ze vraagt zich af of het wel goed met hem gaat. Ze rukt de deur open en schrikt: In de wc staat een man. Ze wil eerst niet geloven dat het echt Iwan is die voor haar staat, maar concludeert na een tijdje dat het toch waar is: ‘Mijn Iwan is nu een dun, slap ventje.’ Het laat haar hart stilstaan. ‘Wat moet ik met een mens?’ Denkt ze. ‘Ik kan wel janken.’

    Niet zomaar een man

    Ook bij de volgende volle maan verandert Iwan in een mens met een das om en een pak aan. Alle wolven lachen hem uit. En Masja? Die zegt niks. ‘Ik sta erbij en kijk ernaar. Ik steek geen poot uit.’ Maar als het dunne ventje even later voor Masja’s hol staat, omdat de wolven achter hem aanzitten, laat ze hem toch binnen. Dan ontdekken ze dat Iwan niet zomaar in een man is veranderd, maar in een heuse weerman! En hij voorspelt dat er een zware storm aankomt… Maar willen Masja en de andere wolven weerman Iwan wel geloven nu hij geen stoere wolf meer is?

    Spanning, humor en veel tekeningen

    Wolvenweer is een nieuw boek in de Tijgerlezen reeks van uitgeverij Querido. Deze serie staat voor gelukkig (leren) lezen. Met het doel dat kinderen zelf het boek kunnen kiezen waar ze aan toe zijn. Geen technische leesniveaus, maar boeken die voldoen aan de belangrijkste criteria van kinderen: ze zijn spannend of grappig en ze hebben veel illustraties. In Wolvenweer zit het alledrie.

    Van der Geest gebruikt korte zinnen die fijn en makkelijk te lezen zijn, maar die ook mooi zijn. Zoals: ‘Hoor je mijn hart? Boemboem boemboem… Het is net een paard. Een paard dat naar jou toe wil rennen.’ Daarnaast is het boek gevuld met humor, zowel in het verhaal zelf, als in de taal en in de tekeningen.

    De tekeningen van Karst-Janneke Rogaar zetten niet alleen de sfeer goed neer, ze zijn echt onderdeel van het verhaal. De zwart-witte wolven met felgele ogen komen met alle bijbehorende emoties voorbij. Grommend, zwijmelend, lachend of angstig. Elke emotie is pakkend geschetst. Letterlijk: je kunt vaak de lichte potloodlijnen nog zien. De handgeschreven woorden en korte zinnen in tekstballonnetjes die erbij staan maken het tot een speels geheel. De vormgeving is ook door Rogaar gedaan, misschien dat daarom alles samen zo goed klopt.

    Het kloppende hart

    Wolvenweer is een boek waar beginnende lezers veel plezier van zullen hebben, zowel alleen als samen. Met thema’s als verliefdheid, vriendschap en verandering is er genoeg om over te praten. Al zullen de mooiste geluiden tijdens het lezen te horen zijn: gegniffel, gelach en boemboem boemboem: het kloppende hart van gelukkige lezers.


    Literair Nederland is bezig met het opzetten van Jong Literair Nederland. Om alvast in de stemming te komen, zullen er zo nu en dan recensies over kinder- en jeugdboeken op Literair Nederland verschijnen. Wij zijn nog op zoek naar recensenten. Ben je bekend in de kinderboekenwereld? Lees je kinderboeken en lijkt het je leuk ze te recenseren, laat het ons weten of stuur alvast een proefrecensie op!  mohana@literairnederland.nl of carolien@literairnederland.nl

  • Waanbeelden aan de boslaan

    Waanbeelden aan de boslaan

    Een rouwkaart ontvangen, naar de begrafenis gaan en de nabestaanden condoleren zonder te weten wie er nu eigenlijk gestorven is. Het lijkt compleet van de pot gerukt. In de novelle Het Leesclubje van Willem Brakman is het de normaalste zaak van de wereld. Dat is althans het geval voor de hoofdpersoon in wiens kolkende gedachtestroom de lezer wordt meegezogen. Het boek dateert uit 1985 en deze heruitgave confronteert ons terug met het feit dat Brakman niet zomaar een verhaaltje met een spannend plot heeft afgeleverd. Het wordt al rap duidelijk dat we te maken hebben met een oude man, die op een zeer intense en zintuigelijke manier zijn omgeving ervaart. Het eten van een chocoladereep kan de aanleiding vormen tot een grondige mijmering over de mystiek van zo’n reep. Terwijl hij wel zonder verpinken op reis vertrekt naar de uitvaart van een iemand van wie de lezer nooit de identiteit zal achterhalen.

    Lijkbleke Kobolden

    Die rouwkaart voert hem terug naar zijn geboortedorp. Daar is hij allerminst bedroefd om, want zo kan hij wegvluchten van mevrouw Blauw, een weduwe bij wie hij zijn intrek heeft genomen. Het is een goed mens, maar ze werkt hem danig op de zenuwen. Steeds heeft hij schrik dat ze het op een gillen zal zetten. Eens verdenkt hij haar ervan dat zij aan zijn reep heeft gezeten: ‘Zelfs aan het blokje chocolade zelf had de geur zich gehecht en een doffe vlek op het gepolitoerde oppervlak zei mij genoeg.’ Die combinatie van extreme sensitiviteit en een paranoïde angst dat de wereld hem wil bedriegen zijn typerend voor het hoofdpersonage.  Zelf is hij zeer trots op zijn muzische wezen en zijn schrijverschap, dat heeft geleid tot zijn bekendste roman Gebroken wit.

    Brakman slaagt erin om de zielenroerselen van deze schrijver te laten uitmonden in beeldende, spitsvondige en ronduit komische zinnen, die je op het verkeerde been zetten en mogelijke plotlijnen steeds weer overboord gooien. Pendelaars die uit de bus stappen hebben een ‘apocalyptische drang op hun gelaat’ en het woord ‘maanmarmerenspook’ toont perfect hoe intens het hoofdpersonage een bleek iemand als mevrouw Zwaan aanschouwt. Eens aangekomen in zijn geboortedorp nodigt zij hem uit voor haar leesclubje, al vertrouwt hij haar voor geen meter. Vanuit zijn huis aan de Boslaan, dat dienstdoet als zijn onderkomen, ziet hij nog een hele rist aan verdachte dorpsbewoners de revue passeren.  Zo lopen er een paar vrouwtjes rond, die hij benoemt als ‘kobolden, uldra’s, in ieder geval iets vanonder een fikse paddenstoel met zwarte slijmdraden, maar als zodanig niet algemeen herkend en ingeschreven.’ 

    De angst van een algenman

    Het is quasi onmogelijk om een onderscheid te maken tussen de waanbeelden van deze oude man en hetgeen zich in de werkelijke wereld voltrekt. Romanpersonages uit Gebroken wit wekt hij tot leven en anderzijds trekt hij ook de hele tijd zaken in twijfel. Als lezer beland je onvermijdelijk in een delirium, maar voor hem is alles wat hij voelt even reëel. Zeker wanneer hij overgaat tot moord blijft het de vraag of de scène, die Brakman zo grotesk heeft geschetst, enige waarachtigheid bevat. Het behelst een zinloze geweldpleging op een dorpsbewoner, maar ook de voorgaande vraag blijft verstoken van enige betekenis. In dit absurde universum is de zinloze gang van zaken vanzelfsprekend: ‘Met een gevoel van herkenning dribbelde ik rond, kleine geluidjes uitstotend, mompelende instemmingen, die ikzelf ook niet verstond, maar toch wel begreep.’

    Die verzoening van zin en onzin gaat gepaard met de gewaarwording dat de wereld tegelijkertijd overrompelend en afstandelijk is. Achter zijn extreme sensitiviteit schuilt een diepe angst, die voortkomt uit zijn onvervulde wens om ‘een geliefd, bemind en gerespecteerd mens te zijn.’ Doorheen het verhaal spit Brakman de existentiële leegte onder de intense aardbodem stelselmatig meer naar het oppervlak, als ‘de onmiskenbare grondtoon van het duistere.’ De dorpsbewoners lijken hem uit te lachen en te bespieden of net door hem heen te kruipen en te sluipen alsof hij doorluchtig is. Bij momenten kan het hoofdpersonage echter lucide ingevingen bezitten. Zo bemerkt hij algauw dat de dorpelingen hem als een te mijden zonderling beschouwen: ‘Het zachte en geruisloze verslijmen begint blijkbaar alleen als er iets niet in orde is […] en opeens ben je dan een met algen bedekte man, een bemoste man, zo’n kleumend wezen dat ze huiverend nastaren, en dat is nooit goed.’

    Knotsgek en complex

    In Leesclubje verwoordt Willem Brakman de zinderende en soms angstaanjagend transparante waanbeelden van een oude schrijver in wie de dood al vanaf zijn jeugd is gevestigd. Met honderdzeventig pagina’s heeft hij er goed aan gedaan om het boek beperkt in omvang te houden, aangezien het gebrek aan plot en de rijke maar complexe zinnen veel van de lezer vergen. Wat het personage en uitgangspunt betreft, vertoont dit verhaal zonder meer gelijkenissen met Cliënt E; Busken, de laatste creatie van Jeroen Brouwers. Het diepgeworteld cynisme en de knotsgekke taferelen, verpakt in bloemrijk taalgebruik, doen dan weer denken aan het werk van respectievelijk Herman Brusselmans en Christophe Vekeman. Hoe het ook zij blijft Willem Brakman toch vooral een volstrekt eigenzinnige auteur en hopelijk is de heruitgave van Leesclubje de eerste spadesteek, die ons uitnodigt om zijn oeuvre opnieuw grondig om te woelen.

     

     

  • Oogst week 44 – 2022

    Sprookjesboek

    Godfried Bomans schreef meer dan zestig boeken, waaronder vele kinderboeken, en werd vooral bekend met Erik of het klein insectenboek en De avonturen van Pa Pinkelman, een absurdistische strip. Hij was een kenner van Charles Dickens en vertaalde de Pickwick Papers. Hij schreef humoristisch en ironisch, een stijl die weerklank vindt bij illustrator Thé Tjong-Khing.

    Deze veelgeprezen illustrator heeft sinds 1956 ontelbare boeken en verhalen geïllustreerd en strips getekend. Thé begon als tekenaar bij de Toonder Studio’s en werkte vanaf 1971 als freelance illustrator. De meeste illustraties zijn voor kinderboeken, waarvan alleen al zeven voor de Vos en haas boeken, een reeks van Sylvia Vanden Heede. Hij won met zijn werk vele prijzen, waaronder de Woutertje Pieterse-prijs en Gouden en Zilveren Penselen. In 2010 kreeg hij voor zijn hele oeuvre de Max Velthuijs-prijs.

    Uitgeverij Sunny Home verzocht Thé uit de sprookjes die Godfried Bomans schreef het Sprookjesboek samen te stellen en het te illustreren. Thé deed dat eerder met Bomans’ De gierige koning. Hij vindt het een eer en groot plezier om tekeningen te maken bij de sprookjes, omdat hij erg houdt van de ‘ietwat ironische, quasi-ernstige toon en verhalen met een donker randje’, zoals hij zegt.
    Thé heeft altijd affiniteit met de tekst. Zijn detaillistische stijl met pen en fijn penseel is magisch en tegelijkertijd realistisch. Gevoelens van personages worden door hem uitmuntend weergegeven en ook humor is in zijn tekeningen te vinden.

    Sprookjesboek
    Auteur: Godfried Bomans
    Uitgeverij: Uitg. Sunny Home

    Waarom een schilderij werkt

    Jurriaan Benschop is curator, kunstcriticus en schrijver en woont in Berlijn. Hij publiceerde boeken over Berlijn als kunststad, over Cezanne, over de drijfveren en opvattingen van hedendaagse Europese artiesten en over tentoonstellingen van toonaangevende Europese kunstenaars. Voor het magazine Artforum recenseerde hij meer dan zeventig exposities. Hij publiceerde interviews met kunstenaars en schreef essays en artikelen over kunst en aanverwante zaken in tijdschriften en tentoonstellingscatalogi. Ook houdt hij lezingen en is hij gastdocent bij kunstacademies in Europa en de VS, waar hij ook schrijfworkshops geeft.

    In Waarom een schilderij werkt laat Benschop de lezer kennismaken met tientallen hedendaagse schilders. Hij onderzoekt hun werk, hun thema’s en motieven, de manier van schilderen en de culturele achtergrond van de schilder. Daarmee probeert hij antwoord te geven op de vragen die hij zich voortdurend stelt: Waarom werkt dit schilderij, welke betekenis heeft het, kan het overtuigen? Eveneens behandelt hij kwesties als hoe we, behalve ernaar kijken, over kunst kunnen spreken en schrijven, en het doorgronden van een kunstwerk. De verhouding tussen concept en schilderkunst komt aan de orde, evenals bijvoorbeeld de vraag wanneer een schilder een colorist wordt genoemd. Verder verklaart Benschop waarom het bezoeken van een museum of een atelier zo veel voldoening kan geven.

    Het boek bevat kleurenreproducties van Nikos Aslanidis, Paula Rego, Rezi van Lankveld, Lara de Moor, Martha Jungwirth, Marc Mulders, Matthias Weischer, Daniel Richter, Louise Bonnet, David Benforado, Andreas Ragnar Kassapis, en van vele anderen.

    Waarom een schilderij werkt
    Auteur: Jurriaan Benschop
    Uitgeverij: Uitg. Van Oorschot

    Autobiografie tot op de dag van vandaag

    In Autobiografie tot op de dag van vandaag van Arjen Duinker staat het leven van de dichter zelf centraal. In Delft wel te verstaan, waar hij al vrijwel zijn gehele leven woont.

    Duinker debuteerde in 1980 met gedichten in Hollands Maandblad, maakte met K. Michel het gestencilde en handgeschreven tijdschrift AapNootMies (1982-1985) en publiceerde later zestien dichtbundels en een roman. Met zijn gedichten won hij belangrijke prijzen, waaronder de Jan Campertprijs en tweemaal de VSB-poëzieprijs. Hij werkt ook samen met internationale kunstenaars.

    Duinker doet niet mee aan de hedendaagse poëzietrend waarin het navelstaren veelal de regels vult en iedere minimale ervaring van de dichter breed wordt uitgemeten. Bij Duinker gaat het om de schoonheid, de verwondering van wat hij concreet aanschouwt, de absurditeit van het bestaan. Hij is wars van abstracties en metaforen. Zijn dichtregels bestaan uit klanken, ritmes, herhaling in heldere, korte regels.

    De Delftse binnenstad is in Autobiografie tot op de dag van vandaag een grote rol toebedeeld. Het boek is één lang gedicht, bestaande uit straten en straathoeken, winkels, cafés, meubilair en bloemen. ‘Ik ben ver weg geweest. Ik heb mijn ogen de kost gegeven. Ik ben in Delft geweest.’ Het meest houdt hij van de Baljuwsteeg, vertelt hij in een interview in Trouw, ‘omdat die nergens heen lijkt te gaan. Maar als je eruit komt, sta je opeens in een andere wereld, de grachtenwereld, met mooie panden, licht, water, intimiteit.’ En in de Autobiografie schrijft hij: ‘Ik loop door de Baljuwsteeg en ga de hoek om Naar de Voorstraat! Wat een hoek!’

    Vertalingen van Duinkers werk verschenen in Italië, Engeland, Frankrijk, Portugal, Australië, Iran, Finland en Rusland.

     

    Autobiografie tot op de dag van vandaag
    Auteur: Arjen Duinker
    Uitgeverij: Uitg. Querido
  • De hel van Tadeusz Borowski

    De hel van Tadeusz Borowski

    De lezer die dacht dat hij na schrijvers als Primo Levi, Imre Kertesz en Curzio Malaparte de meest gruwelijke Holocaust literatuur wel onder ogen zou hebben gehad, heeft niet gerekend op Tadeusz Borowski’s Hierheen naar het gas, dames en heren. Een titel zo wrang en cynisch dat je als lezer direct aanvoelt welke gruwelen je kunt verwachten. Borowski beschrijft in zijn verhalen de hel. Erger nog, hij beschrijft een hel waarvan we ons zelfs met onze kennis omtrent de meest duistere aspecten van de geschiedenis van de 20e eeuw geen voorstelling kunnen maken. Het resultaat is zowel trefzeker als ontstellend.

    In het – net zoals vrijwel alles uit deze bundel, autobiografische – titelverhaal vertelt de ik-persoon hoe hij samen met een groep medegevangenen verantwoordelijk is voor het leeghalen en schoonmaken van de wagons nadat er een nieuwe groep Joden in Auschwitz is aangekomen. ‘De grendels knarsen, de wagons worden geopend. Een golf frisse lucht dringt naar binnen en slaat de mensen als mijngas tegemoet. Dicht op elkaar geperst, geplet door een enorme hoeveelheid bagage, koffers, koffertjes, rugzakken, bundels van alle soorten en maten (…) zitten ze in vreselijke krapte; ze vallen flauw van de hitte, stikken en laten anderen stikken. Nu verdringen ze zich bij de open deur, hijgend als vissen op het zand.’ Nadat alle overlevenden van de reis zijn uitgestapt en naar de plek zijn gevoerd waar de selectie zal plaatsvinden, moet de groep de wagons legen. ‘We springen naar binnen. In de hoeken tussen de menselijke uitwerpselen en verloren horloges slingeren gestikte, vertrapte baby’s rond, naakte monstertjes met enorme hoofden en uitpuilende buiken. We dragen ze naar buiten als kippen, een paar tegelijk in elke hand.’

    Ieder voor zich
    Met zijn kille beschrijving toont Borowski aan waartoe ontmenselijking leidt. Een moeder verloochent haar kind omdat ze onder de levenden wil blijven, een groep uitgehongerde gevangenen rent naar de plek waar zojuist een groep jonge Russen is geëxecuteerd want de volgende dag ‘verzekerde de Joodse muzelman uit Estland […] me ervan dat mensenhersenen zo mals zijn dat je ze zonder te koken volstrekt rauw kunt eten,’ een lid van het sonderkommando vertelt enthousiast over een nieuwe efficiënte manier om zoveel mogelijk lichamen tegelijk te verbranden. ‘We pakken vier kinderen met haar, leggen die met de hoofden bij elkaar en steken het haar in brand. Dan brandt het verder vanzelf en is het gemacht.’ Het doet denken aan de efficiëntie van de fabrikant van de verbrandingsovens, die enthousiast bij de nazi’s aankwam met nóg betere ovens waarin de lichamen nóg sneller konden worden verbrand. De nazi’s waren er uitermate vernuftig in van de slachtoffers daders te maken, met als resultaat dat de ontmenselijking ook tot ongevoeligheid bij de gevangenen leidt. ‘Zie je, vriend, ik voel een volstrekt onbegrijpelijke woede tegenover die mensen in me opkomen, omdat ik door hen hier moet zijn. Ik heb helemaal geen medelijden met ze dat ze naar het gas gaan. Dat de aarde onder hen uiteen moge splijten. Ik zou me met mijn vuisten op hen kunnen werpen. Dat is toch ziekelijk, ik kan het maar niet begrijpen.’ In de hel van Auschwitz is het in de drang om te overleven ieder voor zich. ‘Het belangrijkste is om vandaag te overleven. Ik wil terug naar mijn vrouw, naar mijn kind, ik heb al genoeg oorlog lopen voeren.’

    Vertalers Karol Lesman en Charlotte Pothuizen zijn erin geslaagd de zo kil beschreven hel van Borowski in helder Nederlands te vertalen, voorwaar geen geringe prestatie. Naast de verhalen uit Hierheen naar het gas, dames en heren, bevat deze bundel een aantal verspreide verhalen en gedichten, die deels ook na de oorlog spelen. Een wereld waar nog altijd de chaos regeert, waar het nog steeds ieder voor zich is en waar het antisemitisme nog springlevend blijkt.

    Moraliteit
    Wat de verhalen van Borowksi zo sterk en tegelijkertijd schokkend maakt is de afstand tussen de moraliteit waar wij ondanks alle mogelijke ellende in de 21e eeuwse maatschappij van uitgaan en de hel van Auschwitz. ‘Borowski speculeert op een moreel besef waarvan hij vermoedt dat dat nog aanwezig is bij de lezer; vooral daaraan is het effect van deze tekst te danken, de botsing tussen het residu aan moraliteit in de lezer en het universum waar de moraal de absurditeit bij uitstek is geworden,’ zo zegt Arnon Grunberg treffend in zijn zeer sterke inleiding. Het zorgt er steeds weer voor dat de gebeurtenissen uit deze verhalen aankomen als een mokerslag.

    Tadeusz Borowski en zijn vriendin overleefden beiden de oorlog. Ze hadden het geluk dat drie weken voor hun arrestatie in 1943 de nazi’s de gang naar de gaskamer voor ‘Ariërs’ hadden afgeschaft, waardoor ze aan een vroege dood waren ontsnapt. Na de oorlog en omzwervingen van zijn vriendin naar onder andere Zweden, trouwden ze. Maar eenmaal getrouwd kon Borowksi zijn draai niet vinden en begon hij een buitenechtelijke relatie. Gedesillusioneerd in de Communistische Partij in Polen, waar hij aanvankelijk zijn hoop op had gevestigd, pleegde hij op 1 juli 1951, daags na de geboorte van zijn dochter, zelfmoord, ironisch genoeg door de gaskraan open te draaien. Hij liet geen briefje na waarin hij een motief gaf voor zijn daad. Tadeusz Borowski was nog geen 30 jaar oud.

  • Verborgen talenten

    Verborgen talenten

    Ik heb wat met gootstenen. Zoals de een met een handgebaar de kruimels van een tafelblad veegt, boen ik een gootsteen. Specifieker. Als ik bij een van de kinderen op bezoek ben, poets ik de gootsteen in hun keuken, ook als deze bij een gedeelde keuken hoorde zoals in studentenhuizen het geval is. Liefst ongezien, want hoe neem je een compliment over een glimmende gootsteen in ontvangst. Soms tijdens een goed gesprek in de keuken. ‘Zal ik even de gootsteen doen?’ Het boenen van de gootsteen is als het begin van je eigen nieuwe dag creëren. En ondertussen, met elke gootsteen, grote porseleinen dubbelbaks, ronde roestvrijstalen die ik poets, weet ik dat ik er goed in ben. 

    In de rubriek 21 vragen aan… in De Groene van deze week, over haar debuutroman Weerlicht, antwoordt Jante Wortel op de vraag of ze nog verborgen talenten heeft, dat ze heel goed is in spulletjes recht leggen en ordenen. ‘Schoonmaken eigenlijk, maar is dat een talent?’ 

    In Mijn broer van Karin Smirnoff is de protagonist Jana ook een talentvol poetser. ‘Er wordt gezegd dat iedereen ergens goed in is. Ik genoot ervan om de geaderde zeepvloer tevoorschijn te zien komen en de lijmverf van de lambrisering weer te zien glanzen.’ Daarmee zou ze de angst van haar tweelingbroer evenals die van haarzelf wegpoetsen. ‘Het was als tetris spelen. De stukjes vielen op hun plek en hielden pogingen om aan iets anders te denken op afstand.’ Het op afstand houden van dingen is soms nodig om vooruit te kunnen. Jana is een zintuiglijk verteller. ‘Hij stonk naar verdriet en zweet.’

    Als Jana en haar broer veertien zijn, komt de vader, die hen jarenlang wekelijks mishandelde en haar misbruikte, aan zijn einde. Ik wilde erachter schrijven, ‘door hun toedoen’, maar het is zijn eigen schuld dat hij eindigt zoals hij eindigt. Op een ochtend gooit de vader na een gevecht met zijn zoon deze uit pure kwaaiigheid in een mestkuil en vergrijpt zich daarna aan zijn dochter. Dan staat plotseling de zoon met een opgeheven schep achter hen, hij doorklieft het vaderhoofd. Jana’s reactie, ‘Het was alsof we in oorlog waren geweest en plotseling beseften dat we  het hadden overleefd. (…) Ik trok de melkjas om me heen en leunde naar broer toe hij legde een arm om mijn schouders en rook naar stront. Dat was voor heel lange tijd de laatste dag dat we elkaar zagen.’  

    Twintig jaar later bezoekt Jana haar geboortedorp Smalånger waar haar broer op de familieboerderij woont. ‘Ik ging naar mijn broer.’, begint het boek. Dat de vader dood is en de moeder in een verzorgingshuis zit, weten we dan nog niet. Ook dat de moeder, toen al dat erge haar kinderen overkwam, tegen hen zei dat ze moesten zwijgen, weten we niet.  ‘Ik wilde niet zwijgen. ‘Ik wilde dat iedereen het zou weten.’ Smirnoff gebruikt geen interpuncties of hoofdletters dan enkel om een zin te beginnen en een punt om die te eindigen. Het is een wonderlijk boek, treurig en tegelijk zo mooi. Het is zo’n boek waarbij je denkt aan de vertaler. Ik weet niets van vertalen, maar het moet een flink werk zijn geweest om deze roman te vertalen, het leest als een kunstwerk.

    Mijn broer is een boek over verminkte levens, over drankzucht en de zintuiglijke liefde tussen Jana en een man die ze als een primaat omschrijft. Een Neanderthaler die ‘mij met zijn eigenaardige kafkaogen aankijkt’. Ik zocht naar een beeltenis van Kafka om een idee te krijgen. Mijn broer is het eerste deel van een trilogie, met een omslagbeeld van August Strindberg, die ‘De zoon van een dienstbode’ was. Smirnoff wordt in Scandinavië geroemd als ‘grootste literair sensatie sinds Karl Ove Knausgård’. Er wordt met smart naar het tweede deel uitgezien.

     

    Mijn broer / Karin Smirnoff / vertaling Bart Kraamer / uitgeverij Querido


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

  • Van Lieshout houwt zich een weg naar het gebeente van gevoelige vraagstukken

    Van Lieshout houwt zich een weg naar het gebeente van gevoelige vraagstukken

    Sommige thema’s als misbruik en aanranding lijken bij voorbaat geknipt voor thrillers, waarbij de lezer de pagina’s vingervlug wil omslaan. In Beitelaar hanteert Ted Van Lieshout echter een bedachtzamere aanpak. Hij is een literaire beeldhouwer die met zijn woorden netelige kwesties rond slachtofferschap en pedofilie tot het bot uithakt. Dat Van Lieshout secuur te werk gaat, betekent geenszins dat hij een omfloerste stijl hanteert. De eerste zin luidt al meteen: ‘mijn naam is Antonij’. Niet veel later blijkt Antonij zich tijdens zijn betoog rechtstreeks aan de lezer te richten, die maar het best ruimdenkend kan zijn aangezien hij vijftien is en op mannen valt. Ook qua setting neemt Antonij alle twijfels weg. Hij werkt als hulpje van de klusjesman op de begraafplaats van Vlashoven, het plattelandsdorp waar hij woont en waar niets is te beleven.

    Ecologisch libido

    Het is op die begraafplaats dat Antonij op een zaterdagochtend, voor openingstijd, een man opmerkt die letters in een grafsteen kerft. Antonij begint meteen wilde speculaties te maken over de status van deze beitelaar, want misschien is hij wel een aanrander of moordenaar. Met zijn vijftien jaren bestaan Antonij’s gedachten uit kinderlijke fantasie, heeft hij een idealistische dadendrang en het libido van een adolescent. Dat levert naast pleidooien voor een vegetarische en milieuvriendelijke levensstijl ook seksuele fantasieën op: ‘Ik kon mijn ogen haast niet van de beitelaar afhouden. Dat kwam doordat ik me de hele tijd afvroeg of ik echt seks wilde. Vanwege zijn gezicht dacht ik van wel, vanwege zijn kont dacht ik van niet’. 

    Later komt Antonij te weten dat de beitelaar Leo Gans heet, een oudere man die evenals hij zelf een zwaar verleden meetorst. Met de digitale nieuwsgierigheid van een puber komt Antonij er al vlug achter dat Leo vroeger door ene ‘Steve Mikay’ ten onrechte van aanranding is beschuldigd. Dat terwijl Antonij zelf meermaals onvrijwillig wordt bevredigd door Arie, de zoon van de kerkhofbeheerder. Het is op dit punt dat Van Lieshout erin slaagt om ons te confronteren met mogelijke vooroordelen door atypische gevoelens te accenturen. Zo stelt Antonij dat: ‘ik niet kan zeggen dat ik het erg vind, want hij verwacht niets terug en hij dringt zich nooit verder aan me op. En hij kan het ook best goed, moet ik eerlijk zeggen.’ Tja, daar gaat onze morele rechtvaardiging om Arie meteen aan de schandpaal te nagelen. Zulke uitingen brengen ons dichter bij de twee verwante hoofdvragen die Van Lieshout in Beitelaar stelt. 

    Slachtofferschap bevragen

    Wat als het slachtoffer zich niet misbruikt voelt of wat als de dader schuldig wil blijven terwijl naderhand bewezen wordt dat hij onschuldig is?  Waar die eerste vraag betrekking heeft op het geval van Antonij, en Leo als dader wordt gezien maar zich slachtoffer voelt, daar haalt Van Lieshout er een derde verhaallijn bij om die tweede vraag omtrent het daderschap te behandelen. Het graf waar Leo op zit te beitelen is namelijk verbonden met een tragisch oorlogsverhaal dat de oorzaak vormt van zijn vaders latere zelfmoord. Ook Antonij’s verleden wordt gekenmerkt door een complexe relatie van misbruik door zijn opa. Door het opzetten van die familiale kluwens krijgen hun eigen problemen meer reliëf. Zo kunnen we ons afvragen of de losse handjes van Antonij’s opa, tezamen met het feit dat Antonij het als kind nooit als misbruik heeft ervaren, de oorzaak vormen voor zijn tolerantie tegenover Arie’s schijnbare wangedrag. Laat er geen twijfel over bestaan dat Beitelaar een ideeënroman is, waarbij taal en plot in dienst staan van de concepten die ze moeten uitdrukken.

    Geloofwaardige personages

    Des te meer is het een verdienste dat Antonij en Leo overkomen als geloofwaardige personages doordat Van Liehsout bijvoorbeeld Antonij’s kinderlijke en idealistische onbevangenheid kan verwoorden in grappige zinnetjes als ‘homo’s zijn een zegen voor het milieu.’ Daarbovenop verhoogt de parlando-stijl het realiteitsgehalte van de personages, al begint de banaliteit van woorden als ‘enfin’ na een tijdje te vervelen. Er zijn echter ook poëtischere passages voorhanden, zoals wanneer Antonij aan Leo vertelt over het leven onder de graven: ‘De wortels van bomen groeien gewoon tussen je ribben door en er kan een muis of mol in je schedel wonen.’ Zulke zinnetjes bevatten geen hoogstaande lyriek, maar bieden een welkome afwisseling met de grotendeels prozaïsche dialogen tussen Antonij en Leo. 

    Naast de dialogen zijn er ettelijke spanningselementen aanwezig, zoals wat Leo’s vader tijdens de oorlog heeft meegemaakt of de bestorming van het kerkhof door ongenode gasten die vermoeden dat Leo wat aan het uitspoken is met Antonij. Ze veroorzaken een lichte verhoging van de hartslag, maar ook hier blijven de vragen die Van Lieshout opwerpt interessanter dan de afloop. In de nasleep van hoe de vader van Leo aan zijn einde kwam, stelt Antonij dat ‘vaker dan wij vermoeden het doel juist is om slachtoffer te blijven. Niet omdat het zo fijn is om slachtoffer te zijn, maar omdat je weet wat je hebt als je slachtoffer bent. Je bent iets!’ En in een andere passage verwijt hij zijn moeder dat ‘ze hulp nodig had omdat ze de moeder van een misbruikt kind was en daar niet goed mee kon omgaan.’

    Wanneer ben je slachtoffer

    In tijden waar ‘trials by media’ en pedojagers als hardnekkige sedimenten vastkleven aan alle kwesties rond kindermisbruik, houwt Ted Van Lieshout in Beitelaar een weg naar het gebeente van die vraagstukken. Ondanks de aanwezigheid van thrillerelementen weerstaat hij de drang tot goedkoop effectbejag en maakt hij op pientere wijze gebruik van die zaken om Antonij’s en Leo’s verhaal te ondersteunen en te compliceren. Literair gezien bevat deze roman geen wervelend taalgebruik of spectaculair plot, al blijkt de compositie van het verhaal uitgekiender naarmate je vordert met lezen. Zeker wanneer de ‘u’ tot wie Antonij zich richt langzaam wegschuift van de lezer. Na het omslaan van de laatste pagina waren het echter niet deze aspecten die bleven hangen. Wat bleef nagonzen was de vraag: Wanneer ben je een slachtoffer en vooral: wie kan en mag dat bepalen?

     

     

  • Wat niet ongezegd mag blijven

    Wat niet ongezegd mag blijven

    Met de titel van de debuutbundel van Anne Provoost, Krop, kun je alle kanten op: ‘een krop in je keel hebben’, ‘iets opkroppen’, ‘iets niet kunnen verkroppen’ en ‘je ziet van mensen wel de kop maar niet de krop’. Van al deze uitdrukkingen met ‘krop’ is wel iets terug te vinden in de bundel, maar wat er het meeste uitspringt is toch ‘iets niet kunnen verkroppen’: ze moesten eruit, de gedichten, ze konden niet langer ongezegd blijven voor de dichter. De reden daarvoor wordt in het motto meegegeven: ‘Want er is tussen ons iets enorms aan de gang’. Hierbij wordt in het midden gelaten of dit slaat op twee mensen in relatie tot elkaar, of dat het algemener moet worden opgevat in die zin dat er iets voor de gehele mensheid aan het veranderen is. En of dat enorms in positieve of in negatieve zin uitgelegd moet worden. De bundel suggereert overduidelijk het laatste.

    De mensenhand

    Van deze bundel zonder afdelingen bevat elk gedicht een drama uit de actualiteit, van het zoeken naar een verloren geliefde tot de voorspelde ondergang van het Avondland. ‘Er zal huiver weerklinken / in negen ravijnen / tot aan de tiende’, zo klinkt het in Bijbelse taal in ‘Richtlijn’. De dichter ziet met angst het einde van de beschaving naderen door de algehele malaise van klimaatverandering, natuurrampen en de dreiging van een onleefbare planeet. Deze rampscenario’s zijn door de mens zelf veroorzaakt en zijn onomkeerbaar, want ook als het goed gaat ‘[…] zullen mensen mensen pijn doen’. De krop moet vol geweest zijn bij Provoost, want ze laat geen brandhaard ongenoemd: virussen als dat van covid, andere pandemieën, de consumptiemaatschappij, oorlog, ouderdom en dood passeren de revue. Toch zijn deze gedichten geen afspiegeling van de Apocalyps, want Provoost legt zich niet zomaar neer bij alle rampspoed. Woede en humor wisselen elkaar af, opstand en verzet smeulen in haar versregels, maar ook volgt er daarna vaak een nuchtere en laconieke relativering.

    ‘Zo zal ik het zeggen later:
    ik heb geleefd in een tijd
    waarin het schandelijk was
    dat je op je werk twee dagen na elkaar
    dezelfde kleren aanhad

    Ik heb geleefd in een tijd
    waarin men geloofde
    dat gelukkig zijn belangrijk was
    We vertrokken met goede voornemens altijd
    We wisten het allemaal, maar faalden
    We reden ver en lang
    We troffen zwoele nachten,
    hangtuinen, volle grond,
    zinnelijke verzadiging,
    maar ik wil minstens hebben verklaard:
    we vertrokken met goede voornemens altijd’

    (Uit: Last post)

    Water aan de lippen

    Provoost zwaait niet met een moraliserend vingertje en legt de schuld niet bij individuele groepen, maar wijst naar de gehele mensheid die nog altijd meent de heerser te zijn over de gehele schepping, waarmee men naar believen kan doen wat men wil. Ze roept op tot activisme, dat niet langer uitgesteld mag worden. ‘Het water komt aan onze lippen’, zegt ze in hetzelfde gedicht, ‘en ik sta hier in mijn juponneke / een bord aan mijn façade waarop staat: THUIS TE KOOP’.

    In je eentje begin je niet veel. De angst voor het einde is duidelijk voelbaar. Liefde en kunst kunnen troost bieden en een vlucht, maar zullen de wereld niet redden als het erop aankomt. Toch pleit Provoost ervoor om je voor te bereiden op het einde der tijden, om je niet zo maar over te geven, maar te genieten zo lang het nog kan. Daarom zijn de gedichten ook speels en gaan ze niet alleen maar over de ouderdom en de dood, maar ook over de liefde en de geliefde.

    ‘maar we streven!
    We zullen elkaar alles vergeven
    behalve dat de ander de eerste is
    die voor de laatste keer ademt’

    (Uit: 1 april)

    Internettrollen

    Anne Provoost heeft tientallen boeken voor de jeugd geschreven en daar ook verschillende prijzen voor gekregen. Haar directheid en haar enorme fantasie komen wellicht voort uit het schrijven voor kinderen, de verrassende beeldspraak en de originaliteit van haar gedichten misschien ook. Sommige van haar gedichten laten zich lezen als een grimmig sprookje. De gedichten zijn vaak lang en de cadans ervan leent zich goed voor het hardop voordragen. Pas dan merk je hoe zorgvuldig de opbouw en de gelaagdheid van deze gedichten is, waar ze bij een eerste lezing de indruk wekten dat ze rechtstreeks in één keer uit haar pen gevloeid waren, omdat ze zo spontaan lijken te zijn opgeweld uit woede en verontwaardiging over het feit dat we met zijn allen de aarde kapotmaken. Ze heeft hiermee woorden gegeven aan de bange gedachten en angsten van heel veel mensen; daarom zijn de gedichten ook voor iedereen zo herkenbaar, alsof de dichter aan hen gevraagd heeft wat ze moest opschrijven. Met haar gedichten probeert Provoost de aanstaande neergang te verwoorden en te bezweren, als een roepende in de woestijn.

    ‘Zoals je nog zei toen ik stierf

    Zoals je nog zei toen ik stierf waren we gewoon
    lichamen bezorgd om de wind, chimaera’s
    van vreugde en blijheid. We ademden en zuchtten
    met de regelmaat van vallende appels.
    Ons licht startte in ramen. We moesten
    absoluut de klokken verslaan, want er zat geen geluid
    in het gerucht. De zon werd een vuurvogel en
    we leefden om het antwoord te horen, maar
    het probleem werd niet opgelost door God de Vader.
    Alles is rakelings voorbijgegaan behalve het vergeet-me-niet.
    Het ga-niet-weg werd zo gewichtig als de steen
    op een graf.

    Er stond een boom in het bos met een gat in de bast,
    daar woonden internettrollen, ze hadden gebochelde
    ruggen en een slavencomplex. We lieten ze slapen, we wilden
    niet een heel persoon de oven induwen, het wordt ook zo
    wel donker als een ongeschilde aubergine. De beek raakte lek
    en de koeien werden vlekken, en hoogten en diepten hielden
    slechts met lijm nog contact.
    Dus scheld me nu maar uit met je laatste woorden, want
    er is tussen ons iets enorms aan de gang. Maak me
    jaloers op mezelf. De herfst heeft een koude ziekte, maar
    wij hebben de kinderen, er branden waxinekaarsen
    in de palm van hun hand.’

    Provoost vertelt opnieuw de verontrustende mythe van een moderne Pandora, uit wier doos alle hedendaagse rampen zijn opgestegen. Ook hier bleef de hoop onderin op de bodem liggen; maar deze keer dan toch maar een heel klein beetje.

     

  • Beeldend geschreven maar enig verband is ver te zoeken

    Beeldend geschreven maar enig verband is ver te zoeken

    Katja is een operazangeres die tijdens één van haar optredens heeft besloten dat zij niet meer op het toneel wil staan en in plaats daarvan op straat haar kunst wil vertonen in verkorte versies van opera’s. Met dat straattoneel heeft ze veel succes, maar één toeschouwer ontbreekt: haar hartsvriendin Emmy, die helaas weinig interesse voor opera heeft. Katja is een vlot persoon die makkelijk contacten legt, maar die contacten graag oppervlakkig houdt. Emmy is een onderwijzeres, serieus van aard en begaan met het lot van dieren en planten op onze slecht onderhouden aarde. Met andere vogelbeschermers maakt zij zich sterk voor het behoud van een natuurgebied, de plas van Wely, die teloor dreigt te gaan.

    Katja heeft daar niets mee, net zo min als Emmy van opera houdt. Maar sinds ze elkaar hebben leren kennen en in een platonische verhouding zijn beland, is zij geïntrigeerd door de vraag wie Emmy is en waarom ze haar zo aantrekt. Wie is die slecht geklede persoon met dat warrige haar en glanzende ogen, ‘groot als die van een nachtdier’?

    Dode vogels tot leven wekken

    Als Emmy met haar actiegroep op pad gaat om vogels te tellen op de plas van Wely, gaat Katja een keer mee en maakt kennis met iemand die haar vriendin ingepalmd lijkt te hebben: Tido, de zoon van de beroemde schrijver Bleichrodt, die volgens geruchten contacten zou hebben onderhouden met leden van de Rote Armee Fraktion en zich met veel bombarie achter het trotskisme had geschaard. Bleichrodt is inmiddels bejaard en zit in een verpleeghuis, zijn romans worden niet meer gelezen maar zijn nog wel populair vanwege een serie boekjes over vogels. Zoon Tido maakt diepe indruk op Emmy, omdat ze heeft gezien – of zich dat inbeeldt – dat hij kan praten met vogels en zelfs dode vogels weer tot leven kan brengen. Katja gelooft daar niets van maar gaat er niet met haar vriendin over in discussie. Ze doet een keer mee met de actiegroep maar beseft al snel dat het haar niet boeit:  

    ‘Ik merkte dat ikzelf alweer ongedurig werd en terug wilde van die plas en zijn vogels, die, nu ik ze van dichtbij zag, ook iets akeligs bleken te hebben, met die koude ogen en stakerige poten; ik wilde weer zingen, repeteren, optreden, afbreken, over de snelweg jakkeren en ergens afzakken, iemand mee naar huis nemen of met iemand meegaan, een jongen, een man, een vrouw voor mijn part.’

    Maar als zij probeert een vogel te bevrijden die in een net verstrikt is geraakt gebeurt er toch iets met haar: ‘Met een gitzwart oog keek het terug, het zag mij zoals ik het zag, we zagen elkaar en begrepen elkaar, al was het me een raadsel wat we van elkaar begrepen, misschien niet meer dan dat we allebei ernaar verlangden er te zijn.’ En ook Tido maakt indruk op haar: ‘Alles aan hem was lang, zelfs zijn gelaat, dat net als bij zijn vader met de jaren strakker over de botstructuur zou trekken.(…) Tido hield zich afzijdig en tuurde over het riet. Zoals hij daar stond maakte hij een verloren indruk, er was het riet en zijn gestalte aan de rand ervan.’ 

    Katja maakt mee dat Tido een vogel tot leven brengt, of dat zo laat lijken: ‘Zijn hoofd had hij in zijn nek, zijn armen hield hij recht omhoog en hij verroerde zich niet, alsof hij erin was uitgesneden tekende hij haarscherp af in de heiigheid. Juist toen ik me begon af te vragen hoe lang hij die houding nog zou volhouden, vloog er iets uit zijn handen op, niet meer dan een stipje, althans zo leek het. Maar over het water vlogen wel meer stipjes.

    Beeldende schrijfstijl

    Edzark Mik heeft – zo blijkt wel uit deze citaten – een aansprekende en beeldende schrijfstijl en gebruikt die om – gezien vanuit Katja – de relatie tussen haar en Emmy af te tasten: wat betekenen ze voor elkaar? Als Emmy een relatie met Tido krijgt (niet lichamelijk, daar heeft hij een jonge vriendin voor) houdt dat ook Katja bezig.
    De actiegroep gaat op een dag in de ogen van de politie te ver in de verdediging van de plas van Wely. Emmy behoort tot de gearresteerden en brengt enkele dagen in een politiecel door. In die periode trekt Katja met Tido op en dat veroorzaakt een breuk tussen de twee vrouwen.
    Tot dat moment is Waarom vogels een samenhangend en goed te volgen verhaal. Niet over vogels, al wordt er veel kennis gespuid over met uitsterven bedreigde soorten. Maar over twee vrouwen die met elkaar en met een raadselachtige man omgaan in relaties die nog geen vorm hebben. Boeiende stof. Maar in het tweede deel van de roman raakt Mik het spoor van zijn verhaal bijster.

    Het spoor bijster

    Emmy blijkt onverhoeds naar Spanje te zijn gegaan, mogelijk om bij te komen van haar gevangenschap, mogelijk uit boosheid over het contact tussen Katja en Tido. Ze is gaan wandelen in de Alpujarras, een bergachtig gebied bij de Sierra Nevada waar zij en Katja vaker zijn geweest. Katja besluit haar daar op te zoeken en vliegt naar Spanje met in haar gezelschap tienermeisje Robin, een leerlinge die door Emmy onder haar hoede is genomen.
    Robin speelt geen enkele rol in Mik’s verhaal, maar Katja kan niet tegen alleen zijn, vandaar dat ze toegevoegd is aan de personages. Daar komt in Spanje dan ook nog de boswachter Mateo bij met wie Katja een verhouding heeft gehad en nog heeft. Emmy blijkt zoekgeraakt te zijn in de bergen en in de laatste hoofdstukken van Waarom vogels probeert Katja haar te vinden, samen met Mateo en Robin die tussendoor nog een avontuurtje beleeft met een zwartharige ‘paardenjongen’. Tijdens die zoektocht raakt Katja haar tochtgenoten kwijt en of ze uiteindelijk Emmy vindt of dat hallucineert wordt in het laatste hoofdstuk niet duidelijk.

    Al met al is Waarom vogels een overvolle roman geworden met gebeurtenissen die nauwelijks  verband met elkaar hebben en met personages voor wie eigenlijk hetzelfde geldt. De roman is beeldend geschreven, dat wel.

     

     

  • Kruistocht tegen woke denken

    Kruistocht tegen woke denken

    De hoofdpersoon uit Jamal Ouariachi’s nieuwe roman Herfstdraad weet zich tussen twee vuren geplaatst als hij vanuit Amsterdam naar een niet nader genoemde plaats in de provincie verhuist, op dertien minuten treinen van Amsterdam. Daar aangekomen begint de ellende al gauw als hij en zijn vrouw worden verplicht de bijeenkomsten van de organisatie Kruispunt bij te wonen. Dit leidt al snel tot aanvaringen met de wokementaliteit die daar heerst en de bijna dictatoriale trekjes van het clubje. Dat de bijeenkomsten verplicht zijn stond in het huurcontract. Als de hoofdpersoon later via zijn buurman in aanraking komt met een groepering genaamd Deftig Rechts beginnen de problemen pas goed.

    Ze zijn nog maar net in hun nieuwe huis getrokken of een deurwaarder van de Belastingdienst staat voor de deur vanwege een achterstallige schuld. De naamloze hoofdpersoon is schrijver en raakt ondertussen twee van zijn vaste columns kwijt. De financiële problemen stapelen zich op en zijn relatie komt onder druk te staan. De schrijver maakt constant gewag van zijn persoonlijke problemen, wat met veel zelfmedelijden gepaard gaat. Kruispunt houdt (semi)verplichte informatieavonden en cursussen waar wordt gehamerd op discriminatie en diversiteit. De vrouw van de schrijver, van half Marokkaanse afkomst, kan zich goed vinden in het gedachtegoed van Kruispunt. Maar de schrijver voelt zich geroepen om zijn ideeën te verdedigen en dit leidt tot steeds hoger oplopende spanningen. 

    De wereld houdt niet van kritiek

    Tijdens het lezen word je constant om de oren geslagen met de terminologie die Kruispunt hanteert. Er is bijvoorbeeld sprake van microagressie, wit kolonialisme en er moet uitvoerig gereflecteerd worden op (wit) privilege. De schrijver windt zich steeds meer op over de Kruispuntideologie en houdt lange tirades tegen zijn vrouw en de mensen van de organisatie. Het komt zelfs tot een ‘boekenrazzia’ in een zeer vermakelijke scène waar de patriarchale literaire voorkeuren van de schrijver tijdens een workshop vervangen worden door goedgekeurde boeken. 

    De schrijver wordt van allerlei kanten aangemoedigd om zijn kritische toon te matigen. Hij is het daar niet mee eens: ‘Mijn definitie van integer schrijverschap vraagt van me dat ik me kritisch uitlaat over de wereld. Die wereld houdt niet van kritiek.’ Voornamelijk om nog aan de bak te komen ziet hij zich gedwongen zich aan te passen. Dit lukt echter niet altijd even goed. Tijdens een literaire avond waar hij door iemand van Kruispunt geïnterviewd wordt ziet hij zijn ideeën en romans gefileerd. Het totaal tegenovergestelde hiervan vindt de schrijver in buurman Wim, die hem kort na kennismaking weet te strikken voor zijn zogenaamde herenclub Deftig Rechts. De schrijver werkt hier voornamelijk aan mee omdat de organisatie een noodfonds voor leden heeft waarmee hij zijn financiële nood hoopt te verzachten. Deze heren zijn wel enthousiast over zijn werk, voornamelijk omdat ze daar bevestiging van hun standpunt in zien. In eerste instantie lijken ze een vrij redelijke club, tot er toch nationalistische praat wordt gebezigd en ze zich tot neonazi’s ontpoppen. 

    Zwart-wit denken

    Ouariachi laat de ‘Kruispuntiaanse’ types ook relevante vragen opwerpen zoals hoe belangrijk herkenning moet zijn in boeken. Maar de vragen worden al snel een soort preek, en de schrijver wordt gemakshalve tot een racist gemaakt. De discussie loopt vast en net als in het echt verschanst men zich achter het eigen gelijk. De schrijver roept dan ook in wanhoop uit: ‘Deze mensen gaan door tot ze me hartstikke kapotgekoloniseerd hebben.’ 

    In Herfstdraad zit veel humor verwerkt, de provincieplaats is steevast een ‘helleoord’ vergeleken met Amsterdam en volgens de schrijver kun je types met een balpen niet vertrouwen. Want de Belastingsdienst gebruikt ook balpennen. Het nadeel is dat het allemaal naar overmaat neigt. De verschillen tussen Kruispunt en Deftig Rechts worden wel erg dik aangezet, de schrijver lijkt de enige redelijke persoon te zijn in een zee van waanzin. ‘Alles raakt besmet, alles is schuldig’, zegt hij op een gegeven moment.

    De boodschap die Ouariachi wil overbrengen is duidelijk: kwesties reduceren tot zwart-wit denken is nooit een oplossing. Je moet altijd oog blijven houden voor de complexiteit. ‘Een extremist bant de complexiteit uit de werkelijkheid en is daarmee het absolute tegendeel van waar ik als schrijver voor sta: het moeilijk maken van wat door anderen als simpel wordt voorgesteld.’ Ondertussen ergert de schrijver zich wel overal dood aan en dit laat hij iedereen dan ook voortdurend weten. Hierdoor komt het personage zelfgenoegzaam over. De uiteindelijke confrontatie tussen ‘links’ en ‘rechts’ zie je dan ook van verre aankomen. De situatie kookt over en het komt tot een vrij dramatische, ietwat ongeloofwaardige conclusie. Als de schrijver teruggekeerd is in het veilige Amsterdam zegt hij half grappend tegen een vriend dat hij ontkomen is aan ‘die hele mislukte polderthriller’. 

    Witwassen

    Ouariachi bindt met verve de strijd aan met het woke denken. Het is alleen jammer dat de tegenstellingen iets te gemakkelijk worden gemaakt, zowel links als rechts worden afgeserveerd als parodie. Als satire werkt dit misschien, maar als kritiek overtuigt het minder. De vrouw van de schrijver beschuldigt haar man er op een bepaald moment van dat hij haar naam witwast door haar Liek te noemen in plaats van Malika. Dit soort kolderieke scènes buitelen over elkaar heen in een poging van Ouariachi om een duidelijk punt te maken, namelijk dat het inclusieve denken met haar kritiek te ver gaat. En het tegengeluid van rechts bestaat in deze roman dan weer uit barbecueënde mannen die hun shirts uittrekken om te worstelen tijdens de barbecue, en die vinden dat alleen mannen iets maatschappelijks kunnen bereiken. Beide zijden zijn doorgeslagen en vertegenwoordigen extremen. Op die manier heeft Ouariachi gelijk als hij zegt dat je met extremisme niets bereikt.    

    Als het erop aankomt is de schrijver in Herfstdraad toch van de nuance en zodoende komt het tot een breuk met zowel Kruispunt als Deftig rechts en via de uittocht uit de provincieplaats tot een terugkeer naar Amsterdam. Met deze exodus volbracht komt hij ‘gelouterd’ terug en zowel zijn financiële als relationele problemen zijn gelijk opgelost. Hij ontmoet namelijk een nieuwe vrouw en zijn inkomsten uit het schrijven trekken weer aan. Dit tweede gedeelte van de roman is iets sterker maar helaas ook vrij clichématig. Dit komt het sterkst naar voren in het slot, waar Ouariachi de conclusie trekt: ‘Als ik met een pistool tegen m’n kop zou moeten kiezen tussen extreemlinks of extreemrechts, dan zal ik natuurlijk nooit voor de neonazi’s kiezen.’ De waarheid ligt dus ergens in het midden, maar dat is een behoorlijke anticlimax. Dit neemt niet weg dat er genoeg is om van te genieten, het verhaal van de neergang van de schrijver in het eerste deel is meeslepend en de idiote taferelen die hij beleeft met Kruispunt zijn af en toe hilarisch. Uiteindelijk is het een met vaart geschreven en smakelijk verteld verhaal. De kruistocht van de schrijver in Herfstdraad tegen het wokisme zet aan het denken, ontroert en deelt rake klappen uit.     

     

  • Momenten van inzicht

    Momenten van inzicht

    De vijfentwintigjarige Lisette kruipt door het oog van een naald, wanneer ze in haar auto op de snelweg tussen Brussel en Breda in een slip raakt, op de vluchtstrook belandt maar niet wordt aangereden. De gebeurtenis in Muilperen van Maria Stahlie maakt ‘een coherent plan’ in haar wakker, dat achteraf helemaal niet zo coherent blijkt te zijn. Ze wil weer gaan studeren en samen met haar bijna tweejarige zoontje Wout verhuizen. ‘Het was tijd om volwassen te worden.’

    In het eerste deel van deze roman verhuist ze naar Amsterdam, naar een straat met een flauwe bocht, zoals haar leven tot nu toe bochtig was verlopen. Het is haar geboortehuis en nog steeds het werkhuis van haar vader Alex. Maar nu was hij voor twee jaar writer in residence in Rome en mochten zij en Wout er hun intrek in nemen.
    Het is de omgekeerde gang die Lisette gaat. In veel recente literatuur, zoals in Juli Zehs Ons soort mensen, zwenkt de aandacht weg van de grote stad naar het platteland. Stahlie richt haar aandacht echter op Amsterdam Nieuw Zuid, een samenvoeging van Oud-Zuid en Zuideramstel. Een buurt van yuppen en penoze zoals buurman Rinus de Ruijter, ‘maar we hebben niets van hem te vrezen […] als we hem met rust laten’, had Alex haar verzekerd.

    Een leeg en tegelijk vol hoofd

    In het tweede deel van het boek wordt ingezoomd op Lisettes tijd als vrijwilliger bij The St. Thomas Free Medical Clinic in Miami, waar ze niets wisten van haar allergie voor de geur van zieke mensen, over haar twijfel of ze haar studie geneeskunde wel zou voortzetten. Ze logeert bij gynaecologe Sarah Mae en haar man Adam Parker. In flashbacks denkt Lisette terug aan haar leven, dat ze vertelt aan hond Morris van haar gastheer en -vrouw, waarmee ze gaat joggen.
    Op een dag raakt de hond los en rent de tuin in van Leonard Karakantas (Lenny), met wie ze ‘ervaringen uitwisselde over hun uit het lood geslagen gemoedsbewegingen’ – een rake omschrijving die kenmerkend is voor de weg die Lisette gaat. Lenny en Lisette, Brussel en Breda; alliteraties die je vaker in de boeken van Maria Stahlie tegenkomt.

    Een andere vriend van Lisette, die ze al langer kent, is Bram – net als zij wat angstig uitgevallen. Hij gaat naar Brazilië (Bram – Brazilië) om baby’s die lijden aan microcefalie (een te kleine schedel) ten gevolge van het zika-virus te helpen. Lisette denkt aan hem op het moment dat ze Sarah Mae helpt bij het uitvoeren van een zuigcurettage die zo plastisch wordt beschreven dat je bijna tegen abortus zou worden. Lisette realiseert zich opeens dat haar geurallergie van binnenuit komt. ‘Het was haar eigen lafheid die ze rook.’ Weer een moment van inzicht. Van binnenuit kwam ook een ervaring tijdens de priesterwijding van Bram: ‘Haar hoofd werd leeg en tegelijkertijd heel erg vol. […] En voor het eerst in tien jaar snapte ze weer, […] dat er niets was wat mooier was dan dat alles en iedereen was. En samen was.’ Een typische Stahlie-conclusie. Even later heeft ze gemeenschap met Lenny, wat ‘een kras op de zorgeloosheid van hun vriendschap’ aanbracht. Ze wist zeker dat het eenmalig was, maar niet dat hij kort daarna met zijn auto zou verongelukken. Hij kruipt niet door het oog van een naald, maar overlijdt. Nog voor hij de kans kreeg om naar zijn broer Zach in Griekenland te gaan om samen met hem een reis te maken.

    Elementair inzicht

    In het derde en laatste deel van het boek keren we weer terug naar het werkhuis van Alex (Amsterdam – Alex), nu de nieuwe woning van Lisette en Wout. We komen wederom Rinus de Ruijter tegen, door wie Lisette zich tegen alle adviezen in laat benaderen. Wat volgt zijn bedreigingen en ongewenste toenaderingen. Of is hij toch niet zoals Lisette denkt dat hij is?

    Lisette denkt terug aan de tijd dat ze zelf in het ziekenhuis lag en een vlieg zag zitten; de vlieg die we, net als Lisette en Alex, al eerder tegenkwamen in de roman Boogschutters. En voornoemde conclusie, die in Boogschutters als volgt wordt omschreven: ‘Dat ze samen met alle mensen en met alle dieren en zelfs met alle dingen WAS’. De vlieg brengt haar tot zelfbesef, een volgend moment van inzicht. Zo’n moment noemt ze ‘een luwte, een moment waarop ze niet aan iets anders kan denken’. Momenten die werden ‘doorkliefd door bliksemschichten van onrust’. Of zoals haar vriend Bram even verderop over een vergelijkbare ervaring spreekt als was hij ‘zwanger van een rudimentaire bewustwording, van een elementair inzicht’.

    Eigen genadeloosheid

    Op een dag krijgt Rinus op de stoep voor zijn huis een hartstilstand. Lisette reanimeert hem, ondanks zijn reanimeerpenning. Haar reukallergie speelt al doende weer op. ‘De stank […] was niet afkomstig van Rinus de Ruijter, maar kwam van binnenuit. Het was een zinsbegoocheling. Het was haar eigen genadeloosheid die ze rook en haar onvermogen om zich tegen haar vergeldingsdrang te verzetten.’ Om muilperen uit te delen, en te incasseren tijdens het volwassen worden.

    Zo komen telkens elementen in dit boek terug, als motiefherhalingen. En niet alleen in dit boek, maar door alle boeken van Maria Stahlie heen. Ze geven een eenheid aan haar boek én aan het inmiddels omvangrijke oeuvre van de gelauwerde schrijfster. Ergens tegen het eind zakt de spanningsboog van het verhaal een beetje in – of liever, van de vele verhalen die Stahlie vertelt en door middel van die motieven samenbindt – om deze tegen het eind weer op een verrassende manier te hernemen. Muilperen is een boek om de aandacht bij te houden en niet in de bochten die de auteur neemt af te zwenken.

     

  • Extase, chaos en hoop

    Extase, chaos en hoop

    In haar tiende bundel Tulpenwodka neemt Astrid Lampe de lezer mee in een achtbaan, die in verschrikkelijke vaart langs een aantal aspecten van de huidige samenleving raast. Niet alleen omvatten deze elementen de coronacrisis en -lockdown, maar ook de klimaatverandering, de verhouding van de mens tot de natuur en de wedloop naar de ondergang van de aarde. De aarde wordt als Gaia gepersonifieerd en het is de bezorgdheid om deze lijdende aarde die de gedichten aanstuurt. Deze bezorgdheid uit zich onder andere in het signaleren van allerlei problemen waar onze maatschappij mee te maken heeft: niet alleen de pandemie, maar ook het seksisme waartegen de #me too-beweging zich te weer stelt, het racisme, de vluchtelingenproblematiek en de veronderstelde maakbaarheid van de moderne mens. Het laatste laat zich ook aflezen aan de foto op de voorkant: een meisje dat haar haren versierd en verlengd heeft met een vlecht van kunsthaar met bloemen erdoorheen: de mens herschept zich met behulp van kunstmiddelen zoals botox en borstvergrotingen en DNA-ingrepen, om er vervolgens een selfie van te maken op Instagram. Dat is de wereld geworden zoals Lampe ons die schetst in haar verontrustende gedichten: een valse, kunstmatige wereld die vervormd wordt door sociale media en internet.

    Dronken poëzie

    Lampes gedichten denderen over de lezer heen, zonder titels, zonder afdelingen, zonder leestekens, met een veelheid aan opeengestapelde en door elkaar gegooide beelden. Ze vormen zo een geheel en zorgen voor eenheid in de bundel, als de afzonderlijke wagentjes van dezelfde eerder genoemde achtbaan. De gedichten zijn veelal associatief verbonden, met kort geschetste scènes, fragmenten van zinnen die bij elkaar gezet zijn. De actuele beelden die Lampe oproept, buitelen door de gedichten in een schijnbare chaos:

    ‘na iedere facebookpost: handhygiëne
    het qwertytoetsenbord
    bleef van schubben verschoond

    de knuffel die je steelt houdt ons in lockdown
    boomwortels breken door het asfalt pantser heen

    de zonnebril van de influencer is overtuigend 3d
    niet alleen het klimaat is van streek

    in het wild uitgezet
    blijft de paringsdrift gemonitord
    het geritsel snelt op gelede insectenpootjes vooruit het is

    gaia die ons inplugt
    dit oeroude immuunsysteem weet met onze dat wel raad

    de beek glijdt af
    de panterprint sprint weg van de dood
    de loeiende stadssirenen zijn in dit gedicht het verse bushmeat
    de natuur die zich opricht

    een keihard verdienmodel’

    Bepaald geen slaapmutsje…

    Hoewel de dichter ook grappig kan zijn met haar taal (‘via het kattenluik ontsnappen aan de paillettenjurk van de / poezenmoeder’) en het gebruik van zelfverzonnen woorden, overheerst de dreiging van het Armageddon in de gedichten. De drang om te overleven en het verzet tegen een dystopie als maatschappij zijn echter ook prominent aanwezig in gedichten waarin mensen zich gedragen als guerrillastrijders in een cyberoerwoud, die ‘verboden in de wind slaan’ en ‘[…] met een egel op schoot het algoritme (…) verstikken / voor definitief’. Hier en daar flakkert een sprankje hoop, mensen leren zich aan te passen om te overleven of doen moeite om terug te keren naar het leven van vroeger.

    Lampe schrijft geen gemakkelijke poëzie. Het tempo is heel hoog. Lampe verstopt het rijm, dat bijna nooit eindrijm is, in de versregels. Ze vervlecht veel Engelse woorden in haar gedichten, samen met neologismen en zelfbedachte woorden, waardoor ze de actualiteit treffend kan beschrijven. De vaak vreemde associaties, die lang niet altijd te herleiden zijn tot hun oorsprong, laat staan te volgen. De dwingende stroom van beelden en woorden, ze overspoelen de lezer die snakkend naar adem de bundel moet wegleggen, omdat alles achter elkaar lezen de werking van een draaikolk heeft. Je wordt erin meegezogen en je komt er niet meer uit. Het is te veel. Toch fungeert de overdadigheid als een spiegel voor onze verwarde maatschappij, waardoor Lampes overvloed als krachttoer mag gelden. Ook nu de coronacrisis bezworen lijkt te zijn en de absurditeit, waarvan we nooit hadden kunnen denken dat die de dagelijkse werkelijkheid zou worden, weer wegebt, blijft er nog genoeg over om je zorgen over te maken. Had Lampe deze bundel in 2022 geschreven, dan had de oorlog in Oekraïne er vast en zeker een plaats in gekregen.

    Nu de coronamaatregelen zijn opgeheven, gaan we gewoon weer verder: ‘je mag weer aan me zitten’ en ‘het mantelpak van de minister is weer terug van de stomerij’.

    […]

    ‘na mens-erger-je-niet
    zoeken we een ander gezelschapsspel
    toe wees eens lief
    het huiswerk schiet erbij in
    een boze boer tuft de heuvel op
    ik speel viool
    spring in de houding
    na militaire interventies delen we het land op
    langs raciale lijnen een vlecht gaat naar het goede doel de echte meisjes mogen
    blijven
    we spelen lockdown
    en nu beschaafd
    […]’

    Het is bezwerende poëzie, die uit de mond van een sjamaan of die van Cassandra zou kunnen komen: onheilspellend en dreigend, maar bovendien niet altijd even duidelijk. Dat is niet erg, de sinistere sfeer die de gedichten scheppen, is voldoende om te begrijpen waar het over gaat. De vaak korte, staccato-achtige zinnen en herhaalde doembeelden roepen een trance op die lijkt aan te sturen op een climax, een uiteenspatting van de aarde en het menselijk leven. Die blijft gelukkig uit. Er lonkt zelfs een belofte van betere tijden:

    ‘[…]
    nu of nooit: maak je kleine little pony
    (jij lila stuiterbal)
    het lukt je
    met het talent dat je vleugels geeft
    aan je bijensterfte te ontsnappen’

    Geen leesvoer, maar leesdrank

    Voor wie het niet heeft opgezocht: tulpenwodka blijkt echt te bestaan. In Katwijk wordt deze exclusieve drank sinds 2014 gemaakt. Een fles goede tulpenwodka wordt gedestilleerd uit 350 biologisch geteelde tulpenbollen en kost 295 euro, maar er zijn ook goedkopere uitvoeringen. De reclamecampagne stelt: ‘De Dutch Tulip Vodka refereert aan het ‘Nederland-gevoel’, dat momenteel heel sterk is tijdens de coronatijd.’

    Dat zou een reden kunnen zijn waarom deze bundel zo heet. Maar Lampe kan met de titel van haar bundel ook heel goed aan iets anders gerefereerd hebben. Wie haar gedichten leest, mag er het zijne van denken.

     

     

  • Ik laat gebeurtenissen graag nieuwe verbindingen met elkaar aangaan

     

    Als ik iets te vroeg in de zon voor het atelier van schrijver Emily Kocken sta te wachten komt ze al aanlopen. Er volgt een gesprekje in het Engels met de postbode, heel kort omdat we snel aan de slag willen; daarna moet ze weer door om celloles te geven. ‘Leuke man’, zegt ze over de postbode: ‘Ik neem normaal de tijd om naar zijn verhalen te luisteren.’
    We gaan de lange gang in van een grote werkplaats met aan weerszijden kleine afgesloten atelierruimtes en een gemeenschappelijk keukentje. Het gebouw telt drie verdiepingen en biedt onderdak aan tientallen beeldend kunstenaars en schrijvers en enkele architecten. Kocken deelt haar ruimte met collega-kunstenaar Eva Eland. Zelf is ze er op maandag en vrijdag, de collega op de andere werkdagen. De werkruimte is sober ingericht. Ik had verwacht beeldend werk van haar te zien, maar dat is keurig opgeborgen. Kasten, één tafel, een paar stoelen. Dat is het. ‘Ik vind het heerlijk om hier te werken. Ik kan me er goed concentreren’, zal ze later zeggen.

    Emily Kocken is beeldend kunstenaar, cellist en schrijver. Na acht jaar conservatorium trad ze wel op, maar geeft nu alleen nog celloles. Vanmiddag spreken we uitsluitend over haar literaire werk. Ze zet koffie en pakt de croissants uit die ze heeft meegebracht.
    Aan de hand van haar biografische gegevens komen we al snel op het schrijfproject waar ze nu mee bezig is, Adoptica:  ‘Het wordt een boek over adoptie, een mix van essayistiek en persoonlijke verhalen. Hoe het er precies uit gaat zien weet ik nog niet. Aanvankelijk vormde mijn eigen adoptie en die van mijn man, ook geadopteerd, de aanleiding, maar ik weet niet of ik dat er in ga meenemen. Ik voer nu een keer per maand een gesprek met een andere geadopteerde en ik merk dat dat heel goed werkt voor mijn researchproces’.

    Emily Kocken werd in 1963 geboren in New York en geadopteerd door Nederlandse ouders die toen nog in Amerika woonden. Haar leven als adoptief kind was niet altijd gelukkig. ‘Die gesprekken hebben in zoverre invloed op mezelf dat ze mijn eigen situatie relativeren’.

     

    Adoptica heeft dus met je eigen leven te maken. Geldt dat ook voor je eerdere boeken?

    ‘In mijn werk zitten altijd wel autobiografische thema’s. Witte vlag, mijn debuut, heeft voor een deel met mijn leven te maken. En in mijn tweede roman De kuur heeft Yves Altman wel iets van mijn vader; voor de verhoudingen binnen die familie Altman heb ik ook uit mijn eigen leven geput. Maar dat biografische is nooit expliciet’.
    Al pratend komen we op de aflevering van De Gids uit april 2020 met het thema ‘Pijnlijke woorden’. Daarvoor schreef Kocken het verhaal Je moeder! ‘Ja. Met uitroepteken’, zegt ze lachend. ‘Dat verwees naar een situatie die ik als kind heb meegemaakt op het schoolplein in Brabant waar we woonden. Ik was toen elf. Ik was er fier op dat ik geadopteerd was, maar andere kinderen vielen me erop aan dat ik niet eens echte ouders had. Dat werd een hele scène. Ik denk dat in het schrijven van dat verhaal de kiem ligt van het plan voor Adoptica’.

     

    Je bent pas op late leeftijd begonnen met schrijven. Je debuut Witte vlag verscheen toen je vijftig was. Hoe ontdekte je dat je dat wilde?

    Witte vlag was in 2013 mijn romandebuut, maar daarvóór publiceerde ik al verhalen in literaire tijdschriften. En schrijven heb ik altijd gedaan, als kind al. Als ik op de middelbare school naar mijn leraar Nederlands had geluisterd, was ik Nederlands gaan studeren. Wie weet hoe het dan gelopen was?’
    Er is meteen herkenning. We vertellen elkaar onze herinneringen aan de leraren die ons liefde voor literatuur bijbrachten.
    Ik zeg dat ik haar romans gedurfde boeken vind. Ik vind ze prachtig maar op een bepaalde manier behoorlijk complex. ‘Je moet wel bereid zijn precies te lezen en niet gemakzuchtig zijn’, zeg ik. ‘Als kennissen me wel eens vragen of ik ze een goed boek kan adviseren voor een vakantie ben ik niet snel geneigd ze bijvoorbeeld De kuur naar het strand mee te laten nemen’.

    Ze reageert tamelijk fel:  ‘Wil je dat niet meer doen! Je doet er schrijver en lezer mee tekort. Als je enthousiast bent draag je toch je enthousiasme over en ga je niet beoordelen of iemand het boek wel aankan. Het is mijn taak als schrijver, maar ook die van jou als recensent, om mensen in contact te brengen met verbeelding en hun wereld te vergroten. Maar je ondergraaft ook jezelf: waarom zou je niet iets aanbevelen dat je zelf goed vindt? Ik ken het wel hoor. Het is een beetje Nederlands. Ik merk dat in mijn beeldend werk ook. Kunstenaars worden in Nederland snel in het defensief gedrongen. Alsof ze moeten verantwoorden dat ze iemand lastig vallen. Bah!’

     

    Bepaalde werkwijzen komen in elk van je drie romans voor. Je begint met een 0-de hoofdstuk, aan het slot neem je een verantwoording op en locatie en tijd zijn heel precies bepaald. Witte vlag speelt in 2010 in Amsterdam, De kuur in Amsterdam en Davos in 2014 en Lalalanding in Parijs in 1953. De lezer herkent daardoor veel gebeurtenissen die feitelijk kloppen. Waarom is dat?

    ‘Ik heb het nodig om zo specifiek en concreet te zijn. De feiten moeten kloppen. Ik lees daarom kranten uit die jaren, bekijk spullen uit die tijd, gebruik plattegronden. Ik moet zelf naar die plekken toe. Ik moet er wandelen en in gebouwen komen die ik in de roman gebruik. In De kuur  bijvoorbeeld speelt het World Economic Forum een rol. Dat gebouw mag je normaal niet in, maar het is me toch gelukt. Ik breng met die controleerbare feiten een basisstructuur aan maar daarbuiten neem ik alle vrijheid. Ik laat gebeurtenissen verbindingen met elkaar aangaan die er in werkelijkheid nooit zijn geweest. Ik speel er mee’.

    Soms krijgt ze iets in de schoot geworpen, zoals  een vermelding die ze toevallig vindt op een site die er wat obscuur uitzag; daarop werd geschreven over een verzwegen bombardement door de geallieerden in 1944 op het treinstation van Porte de la Chapelle in Parijs. Daarbij werd de Renaultfabriek die er vlakbij lag verwoest. In Lalalanding maakt ze van de vader van de hoofdfiguur Jean Rodin een arbeider die daardoor zijn werk bij Renault kwijtraakte.
    ‘Dat bombardement is inderdaad een weggemoffeld feit, maar ik vond het in kranten uit die tijd terug. Het is dus wel degelijk een historisch gegeven. Ik vind het spannend omdat te deconstrueren, uit zijn verband te halen, zodat feit en fictie door elkaar gaan lopen’.

    Ze pakt haar laatste boek dat voor ons op tafel ligt in de hand. ‘Ik was afgelopen week in Parijs in verband met een schrijfopdracht; dat was voor het eerst sinds ik er verbleef om aan Lalalanding te werken. Ik heb de buurt weer opgezocht waar het zich afspeelt, nu met het boek in mijn hand’. Ze straalt erbij. ‘Franse vrienden vroegen me waarom er nog geen Franse vertaling is. Ik heb ze uit moeten leggen hoe moeilijk het is om als niet prijswinnende auteur een boek vertaald te krijgen’.

     

    In je boeken zijn sommige prominente personages naamgenoten van beroemde kunstenaars. In Witte vlag draagt Henry’s vrouw Elzbieta de achternaam Różewicz net als de Poolse dichter Tadeusz Różewicz en in Lalalanding heeft Jean Rodin dezelfde achternaam als beeldhouwer Auguste Rodin. Waarom doe je dat?

    ‘Ik vind het leuk om hun werk op een bepaalde manier te laten opduiken in het boek. Het zijn geen toevallige keuzes. Ik hou erg van de poëzie van Tadeusz Różewicz. Sommige zinnen in mijn roman zijn geïnspireerd door zijn werk en de titel ‘Witte vlag’ komt uit een gedicht van hem. Ik heb dat zowel in Nederlandse vertaling als in het Pools opgenomen. Bovendien schrijft Tadeusz Różewicz vaak over een vorm van eenzaamheid die ik ook in Elzbieta heb gestopt.
    In Lalalanding kun je in de houding en de beschrijving van de fysiek van Jean beelden van Auguste Rodin herkennen. Ik vind het grappig om daarmee te spelen. Daarnaast heeft het te maken met mijn interesse in namen. Wat zegt zo’n naam? Ik kom daarmee weer op dat spelen met feiten en verbeelding. De naam van de beeldhouwer Rodin roept meteen iets bij je op, maar de Jean Rodin uit de roman komt uit een heel ander milieu. Daardoor ontstaat toch iets spannends’.

     

    In De kuur speelt op de achtergrond De Toverberg van Thomas Mann een grote rol en in Witte vlag is dat het werk van Joseph Beuys. Je bewondert beiden, maar hoe de kunstenaar Henry in Witte vlag Beuys probeert te imiteren en hoe Yves in De kuur met Mann loopt te koketteren is bespottelijk. In mijn ogen zijn die Henry en Yves een soort mislukte epigonen die hun eigen leegte maskeren en geen enkele zelfreflectie hebben. Drijf je de spot met die types?

    Ze lacht hartelijk: ‘Je herkent die mensen toch wel? Er lopen in onze wereld heel wat van die figuren rond. Kijk alleen maar naar politici, en je vindt ze ook ook onder schrijvers en in de beeldende kunst. Maar ik laat hopelijk tegelijk zien wat het gedrag van die mensen voor effect heeft op anderen. Henry bijvoorbeeld maakt zijn toch intelligente vrouw Elzbieta op die manier behoorlijk kapot. Ik heb helemaal geen feministische roman willen schrijven, maar ik laat op een bepaalde manier wel zien hoe dat gedrag ten opzichte van vrouwen werkt. De voorbeelden liggen in de geschiedenis voor het oprapen en ze zijn er nog steeds’.

     

    Ik verbaasde me erover dat Elzbieta die relatie zo lang volhoudt. In haar schoenen staand zou ik Henry al veel eerder het huis uit gebonjourd hebben.

    ‘Ik zet het natuurlijk wel aan. Het zijn beelden die ik oproep. Het is een creatie van mij. Die moet geloofwaardig zijn. In elk geval geloofwaardig voor mij. Daar mag een lezer anders over denken’.

    Dat brengt ons op de dood van André Vérité. In Lalalanding verongelukt die collega van Jean. Hij valt van een balustrade naar beneden. Was het een ongelukkige val? Was het zelfmoord? Zat de baas van Jean, Emmanuel Lumière, erachter? Ik kwam er als lezer niet uit, maar opper dat Lumière de meest verdachte is. ‘Dat is geen rare veronderstelling’, reageert ze. ‘Mijn man dacht meer aan Jean als de killer. Ik laat het ook open. Ik ga het niet uitleggen’.

     

    Waar begon een boek als Lalalanding voor jou? Had je eerst de vorm, waarin het spel met letters à la Perec belangrijk is, of was er eerst het verhaal van het Seinemeisje?  

    ‘Dat weet ik heel concreet. Je weet vast dat ik in 2019 voor de Museumweek het Kunstgeschenk Huh? Aha! Duh heb geschreven. Het gaat over drie studenten die op een ironische manier door een museum lopen. Daarna kwam al vrij snel het zusje van Jean, Odilette, bij me in beeld die in de roman een ingewikkelde, bijna incestueuze, relatie krijgt met haar broer. En al snel daarna zag ik de vader van Jean voor me, de man die in de verwoeste Renaultfabriek gewerkt had, omdat ik iets met het oorlogsverleden  wilde doen zoals ik dat hoorde van mijn adoptievader. De vorm met veel witregels en een poëtische opzet ontstonden toen ik in die tijd Raymond Queneau weer las, één van de leden van OuLiPo (de schrijversgroep waartoe ook Perec behoort). Dat was trouwens nog maar het begin van het schrijfproces; daarna heb ik nog verschillende versies gemaakt’.

     

    Hoe ga je om met je twee vakgebieden, schrijven en beeldende kunst? Hou je daar een strikte scheiding tussen aan? Hoe bereik je dat je op elk vlak honderd procent geconcentreerd bent?

    ‘De periodes waarin ik schrijf of kunst maak liggen niet per se vast, maar ik plan mijn werk wel. De afgelopen maanden heb ik alleen maar geschilderd. Dan heb ik eigenlijk helemaal geen tijd voor zo’n schrijfopdracht waarvoor ik de afgelopen dagen in Parijs was.
    Thuis heb ik niet echt een werkkamer om te schrijven. Dat doe ik af en toe ook hier. Daar voel ik me goed bij. Het is niet zo dat ik in mijn hoofd steeds wordt lastig gevallen door ideeën voor beeldend werk als ik hier schrijf of andersom. Het is hier kaal, stil. Er is geen raam naar buiten. Weinig wat me afleidt dus. Ik kan goed plannen en me dan ook aan een planning houden. Het moet ook. Anders gaat het ten koste van wat ik doe. Soms lopen de twee terreinen in elkaar over want Adoptica zal niet alleen uit schrijfwerk bestaan. Ik schilder voor dat project ook. Dat heeft te maken met mijn biologische ouders die allebei ook schilderden’.

     

    Lees hier de recensie van Lalalanding.
    De verschijning van Adoptica wordt verwacht in 2024.

    Foto: Géraldine Jeanjean