• Oogst van de Week 21

    Door Carolien Lohmeijer

    Het is goed nieuws dat er in deze tijd, tegen het tij in, nog mensen zijn die hun nek durven uitsteken en een uitgeverij oprichten! Een mooi voorbeeld daarvan is natuurlijk Uitgeverij Schokland die inmiddels met haar reeks Kritische Klassieken haar bestaansrecht meer dan heeft bewezen.

    En nu is daar ook uitgeverij Koppernik, die sinds half december 2013 bestaat. Op hun website is te lezen wat zij willen uitgeven: ‘de eigenzinnige boeken, de buitenbeentjes van de literatuur, boeken die gedurfd zijn en uitdagen, in ieder geval afwijken van de momenteel overheersende cultuur van het midden.’ Op dit moment gaat dat nog maar om één titel, Zeer helder licht. Maar dat is wel gelijk een boek van Wessel te Gussinklo, winnaar van o.a. de Anton Wachter- en F. Bordewijkprijs. En een boek dat je meteen het verhaal intrekt. Het boek begint als de iets aan lager wal geraakte 31-jarige Wander zijn nog geen 20 jarige vriendinnetje – een meisje uit een keurig, welgesteld gezin – thuisbrengt. Veel te laat echter naar de zin van haar moeder. Hoe keurig ook: mama, gekleed in roze kamerjas, stormt de straat op, begint te vloeken en te tieren, slaat en bespuugt Wander en molesteert zijn toch al krakkemikkige auto. Het is een begin waarna je dóór wilt lezen.
    Zeer helder licht, Wessel te Gussinklo, Uitgeverij Koppernik, € 17,50

    Verhalen uit Istanbul

     

    Wie met Turkeye en Istanbul kennis wil maken moet Verhalen uit Istanbul van Sait Faik Abasıyanık (1906-1954) lezen. Deze auteur geldt als een van de grondleggers van het korte verhaal in Turkije. Door zijn grote inlevingsvermogen en beeldende observaties zijn de verhalen van Sait Faik Abasıyanık verrassend tijdloos. Sait Faik Abasıyanık vertelt indringende verhalen over menselijke verlangens en frustraties. Zijn mooiste verhalen werden voor deze bundel vertaald door Hanneke van der Heijden.
    Verhalen uit Istanbul, Sait Faik Abasiyanik, Uitgeverij Podium, vertaling door Hanneke van der Heijden, € 19,50

    OnschuldVeel dichter bij huis, gewoon op het schoolplein in Alphen aan den Rijn leren Dennis Captein en Martine de Bruin elkaar kennen. Er onstaat een vriendschap. Na verloop van tijd komt Martine bij Dennis op bezoek met de vraag of hij een boek wil schrijven over haar. Martine blijkt het slachtoffer van incest, ze vertelt dat ze jarenlang door haar grootvader is misbruikt. Ze heeft tot dan gezwegen. Eerst uit angst, later uit schaamte. Onschuld is het resultaat van dit verzoek. Het is een roman geworden, gebaseerd op feiten, maar aangevuld met fictie.
    Dennis Captein studeerde Journalistiek en Rechten, is in het dagelijks leven uitgever en daarnaast actief als columnist voor het AD. Onschuld is zijn eerste roman.
    Onschuld, Dennis Captein, Uitgeverij Nobelman, 320 pagina’s, €19,90

    De zangbrekerTot slot is er een nieuwe roman van de van oorsprong Uruguaanse schrijfster Carolina Trujillo (40) (De terugkeer van Lupe García) verschenen. De schrijfster woont al zo’n 20 jaar in Nederland, schrijft ook in het Nederlands, maar daarmee is het Nederlandse er wel af en nemen Zuid-Amerikaanse taferelen het over.
    Trujillo is een rasverteller. In De zangbreker neemt zij de lezer mee naar haar geboortestad Montevideo voor een ‘onvergetelijke ontmoeting met onalledaagse personages.’
    De zangbreker,, 320 pagina’s, € 19,95

     

     

     

  • Gemengde gevoelens

    Gemengde gevoelens

    Schuim van Robert Anker (1946) gaat over Dirk Wagenaar, een Rotterdamse havenbaron, zijn dochter Lisette, een wereldberoemde violiste, en Dirks schaakvriend Niels, een getrouwde dominee met wie Lisette een verhouding krijgt.

    Stilistisch heeft Anker, die de Libris Literatuur Prijs won met Een soort Engeland, heel wat in zijn mars. Toch lijkt hij lak te hebben aan sommige schrijfregels; op bladzijde 60 laat hij Lisette zichzelf in de spiegel bekijken om haar te beschrijven, wat toch wel een cliché genoemd mag worden. Anker werkt veel met uitroeptekens en vraagtekens en hij schendt hier en daar het aloude schrijversadagium: ‘show, don’t tell’. Zo is op bladzijde 46 het volgende over Lisette te lezen: ‘ze was eigengereid, koppig, driftig en impulsief, ze dacht nooit lang over een beslissing na.’ Sommige critici zouden hierbij opmerken dat ze Lisette in actie willen zien, dat ze willen ervaren wie zij is, niet het al ingevuld krijgen door de auteur. De schrijfster Francine Prose heeft echter opgemerkt dat in veel gevallen ‘telling’ effectiever is dan ‘showing’ (Reading like a writer, 25)  Anker legt veel uit met zijn karakterbeschrijvingen en weet zo afgeronde personages te scheppen.

    De auteur voert in deze roman ook een soort gesprekken met deze personages. Over de relatie van Lisettes broer Maarten met Fatima valt te lezen: ‘Is hij een beetje verliefd op haar? Soms. Begint hij al eens om zich heen te kijken? Heeft hij altijd gedaan. Geconsumeerd? Een paar keer. Fatima heeft er niet veel zin meer in, in seks, vandaar.’ (76)  Zo staat het boek vol met vraagtekens, wat door schrijfadviseurs soms wordt afgeraden (bijvoorbeeld: Noah Lukeman, The First five pages). Er zullen lezers zijn die liever zelf de dialoog met tekst en personages voeren, dan dat de auteur dit voor hen doet. Als de schrijver zich te veel op de voorgrond plaatst gaat er een deel van de magie van het lezen verloren. (Zo geeft Simon Vestdijk in Ivoren wachters op gegeven moment plots zijn persoonlijke, onbarmhartige visie op een van de door hem geschapen personages. Hiermee verbreekt hij even de betovering van goede literatuur, wat meer bijblijft dan iets anders uit deze roman).

    Hier en daar is de stijl van Anker irritant. Zo schrijft hij het volgende over de stotterende Lisette als hij ingaat op een traumatische jeugdherinnering: ‘Maar het was wel toen dat je begon te stotteren, Lisette. Een b-beetje maar.’(50) Dat is flauw. Net zoals het flauw is om naar Barbra Streisand te verwijzen als ‘Barber Spreidstand’ (52) De woorden van een Marokkaanse vrouw worden als volgt weergegeven: ‘wat izze dat meffrou, Moussie doete nooit kwaad.’ (95). Dan spreekt bijvoorbeeld de sketch met het typetje van Kees van Kooten van de perfect Nederlands pratende migrant en de hem in babytaal toesprekende autochtoon Wim de Bie toch meer aan.

    Anker verwijst in Schuim veel naar eigentijdse situaties en bekende Nederlanders. Dit maakt het boek tot een waardevol tijdsdocument, maar het heeft ook iets provinciaals. Misschien leent dit boek zich niet voor verspreiding in het buitenland. (Hoe leg je daar uit wie Jort Kelder is?) Op pagina 188 heeft de auteur het over de rol van de LPF in de Rotterdamse gemeenteraad. Zou hij Leefbaar Rotterdam bedoelen? Het bevreemdt ook dat Dordrecht de oudste stad van Nederland wordt genoemd (64), terwijl dit toch Nijmegen is.

    Van de personages is de dominee Niels het meest aansprekend. Hij is een dominee die niet in God gelooft, wat voor interessante verwikkelingen zorgt. Op het einde van het boek neemt Niels een drastische beslissing die niet helemaal aannemelijk wordt gemaakt door Anker. De andere personages spreken minder tot de verbeelding. Dirk Wagenaar is een zakenman en dus niet zo interessant (het blijft een raadsel waarom mensen een biografie van Steve Jobs willen lezen). Lisette interesseert zich alleen voor muziek en is dus ook beperkt. De wisselwerking tussen deze personages is echter goed uitgewerkt en de beschrijving van de opbloeiende relatie tussen Lisette en Niels is het sterkste stuk in het boek.

    Al met al een boek dat veel oproept bij de lezer: irritatie, bewondering om de niet spaarzame sterke passages en allerlei interessante observaties, maar uiteindelijk geen ontroering. Je sluit de personages niet in je hart, wat natuurlijk niet verplicht is in een roman, maar het had wel wat toegevoegd.

     

     

  • Raamwerk van verbondenheid

    Raamwerk van verbondenheid

    Alles en iedereen is met elkaar verbonden in deze tweede roman van Simon van Booy. Van Booy (1975), opgegroeid in Wales en nu wonend in New York, schreef eerder twee verhalenbundels. In De illusie van alleenzijn – het eerste boek van hem dat in het Nederlands werd vertaald – slaagt hij erin de kracht van beide genres samen te brengen. De verhalen van zes verschillende personages, uit verschillende tijden en werelddelen, smelten op subtiele wijze samen tot een ontroerende roman.

    De Amerikaanse soldaat John Bray die in 1944 met zijn B-24 bommenwerper uit de lucht wordt geschoten boven Frans grondgebied. De blinde jonge museumcurator Amelia die voor het MoMa in New York tentoonstellingen ‘voelbaar’ maakt voor blinden. Een schooljongen die een foto van een vrouw vindt in het geraamte van een neergestort vliegtuig. Meneer Hugo met zijn mismaakte gezicht en een onbekend verleden, maar waarvan flarden bovenkomen tijdens zijn nachtmerries. De bejaardenverzorger Martin die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Parijs werd geadopteerd door een bakker en zijn vrouw. Het eenzame buurjongetje Danny uit Manchester dat het schopt tot succesvolle Hollywoord-regisseur.

    Het fundament van deze roman is een gebeurtenis tijdens de Tweede Wereloorlog. De neergeschoten Amerikaanse piloot John bereikt tijdens zijn overlevingstocht over het Franse land een veld vol met lijken van Duitse soldaten. John gaat liggen en doet alsof hij dood is. Maar er blijkt nog iemand te leven: een Duitse soldaat die hij onder schot zet. Na enkele uren trekt John het pistool uit de mond van de vijandelijke soldaat. De twee soldaten delen een maaltijd en lopen in tegengestelde richting weg.

    Alle andere personages blijken met deze twee soldaten verbonden te zijn. Opvallend is dat geen van deze personages de status van hoofdpersoon heeft. Iedereen is gelijk, iedereen is net zoveel waard. Van Booy laat zien dat er geen hoofdpersonen in het leven bestaan.
    De personages hebben veel weg van elkaar, ondanks dat ze van verschillende generaties zijn en heel verschillende achtergronden hebben. Ze zijn allemaal gevoelig, eenzaam, en op zoek naar iets (een verleden) of iemand (een vader, een geliefde). Ze denken allemaal na over het leven, over de dood, over liefde en over angst. Het is niet zo dat Van Booy zich beperkt tot een bepaald type karakters. Hij laat daarentegen zien dat alle mensen op de eenzame momenten in essentie op elkaar lijken.

    De illusie van alleenzijn is gebouwd op een raamwerk van verbondenheid. Niet alleen de personages zijn op alle mogelijke manieren met elkaar verbonden. Ook één fysieke plek is verbonden met alle eerdere geschiedenissen: ‘Het tapijt in de kantine waar de oude man stierf was ooit een ondiep woud’. Zelfs de lezer heeft een directe link met het verhaal als meneer Hugo denkt: ‘Maar kijk, hier ben ik, tussen deze pagina en jouw ogen. Deel van andermans geschiedenis’.

    Door die verbondenheid kunnen kleine gebaren grote gevolgen hebben. ‘Toeval’ noemen we die situaties in het dagelijks leven. Ook al komen in de werkelijkheid soms de onwaarschijnlijkste toevalligheden voor, in fictie kunnen die een verhaal juist ongeloofwaardig maken.
    Van Booy balanceert op het randje, maar hij komt ermee weg. Hoe? Enerzijds door die verbondenheid tot motto te maken van zijn roman. Anderzijds door niet iedere toevalligheid te benadrukken, aan te wijzen of uit te leggen. Maar vooral door zijn poëtische, melancholische, spaarzame stijl van schrijven.

    Van Booy maakt mooie observaties. Als hij schrijft ‘De schoolgang ruikt naar melk en jassen’ loop je zelf weer als klein kind door de school. De verhouding tussen de bejaarden in een verzorgingstehuis typeert hij met de woorden: ‘De frequentie waarmee een bewoner gasten ontvangt is een maatstaf voor zijn status’. En een verhuizing is ‘Een stoet van stoelen, bedden en dozen.’
    Soms geeft hij een expliciete levenswijsheid via een personage mee, zoals Martin die denkt: ‘dat wat mensen aanzien voor hun leven alleen maar de omstandigheden ervan zijn’. Of Amelia: ‘Elke dag is een meesterwerk, ook al word je erdoor vermorzeld’.

    In deze roman is veel leed. Van de grote gruwelen uit de Tweede Wereldoorlog tot de tirannie op school ervaren door een kind. Maar de mooie taal van Van Booy maakt de zwarte kanten van het leven behapbaar. En hij brengt die in verband met de eigen angsten waar ieder mens mee moet leven. ‘Volgens mij zouden de mensen gelukkiger zijn als ze vaker dingen aan elkaar bekenden. In zekere zin zitten we allemaal gevangen in een of andere herinnering, of in angst of teleurstelling; we worden allemaal getekend door iets wat we niet kunnen veranderen’.

    Iedereen staat er alleen voor, maar juist dáárin schuilt de verbondenheid. Deze roman laat zien dat in de aanvaarding van de moeilijkheden van het leven, juist troost, hoop en verwachting gehaald kunnen worden.
    Als meneer Hugo zijn buurjongen leert lezen en schrijven probeert hij aan de jongen ook over te brengen ‘dat er vaak iets verandert in het leven van mensen door gebogen lijnen die langzaam van papier, zand of steen worden gelezen’. Het zou zomaar eens kunnen dat Van Booy daarin slaagt met deze roman.

  • Reizen in eenzame overgave

    Reizen in eenzame overgave

    door Hugo Brutin

    Op de vraag wat zijn ideaal vakantieboek was, antwoordde Midas Dekkers recentelijk in Humo: ‘Een boek dat je al eens gelezen hebt. Het herlezen kost weinig moeite en loont altijd.’ Dat heb ik nu net met genoegen ervaren bij het opnieuw lezen van het verhaal van de tocht die Pepijn Vloemans heeft ondernomen door wat als De Hoorn van Afrika staat omschreven: Sudan, Ethiopië, Somaliland, Djibouti, Eritrea. Van een eerste lezing was na enkele maanden niet veel meer overgebleven dan het beeld van stof en hitte, ontberingen en vreemde ontmoetingen, drugs en narigheden en uiteindelijk een roemloze aftocht. Veel was me duidelijk ontgaan of niet eens tot me doorgedrongen. Zo werd een tweede lezing een behoorlijke maar toch deels verwachte revelatie, omwille van onder meer het groeiende besef dat het reizen op zich in vraag werd gesteld, getoetst aan het oordeel van anderen die veel vroeger een behoorlijk roekelozer tocht hadden ondernomen, dat tal van filosofische of spirituele bedenkingen een boeiende ondertoon vormden en dat op eerder subtiele wijze het aanvankelijke enthousiasme afbladderde om in woede, ontgoocheling en ziekte naar een happy end toe te snellen.

    In De Groene Amsterdammer van 27 februari staat een stuk van Pepijn Vloemans (1984) over de Duitse Energiewende. Hij schrijft inderdaad (onder meer) voor dit meer dan voortreffelijke  blad met zijn brede belangstelling voor politiek in binnen- en buitenland en zijn steeds waardevolle bijdragen over kunst en cultuur. Vloemans studeerde rechten en filosofie in Leuven, Amsterdam en Nottingham en doceerde Europees recht aan de Haagse Hogeschool. Dat merkt men in de loop van het verhaal. Tekenend voor zijn belangstellingssfeer is het feit dat hij, telkens als hij in een universiteitsstad arriveert, meteen naar de universiteit gaat en met de rector wil spreken die trouwens veelal een blanke is. In een van die universiteiten heeft hij zelfs een lezing gehouden over .. inderdaad Europees recht voor een schare aandachtige studenten die zoals veelal in de regio als student het voorrecht genieten gratis maaltijden te krijgen en Engels te leren.

    Verre aanleiding voor zijn ruim drie maanden lange tocht was een reisje per fiets als 17-jarige richting Charleroi, de stad van roestend industrieel erfgoed en een bijna surrealistische lelijkheid waarvan hij vond dat ze bevrijdend op hem inwerkte en zijn honger naar meer van dat soort authentieke verloedering opwekte en aanscherpte. Zo stond hij na een vrij plotse opwelling op een herfstdag op de luchthaven van Brussel wachtend op de vlucht naar Hurghada, Egypte om vandaaruit Sudan, Ethiopië etc. te verkennen. Een keer nog zou hij noodgedwongen het vliegtuig nemen en tenslotte nog een laatste keer om in allerijl huiswaarts te keren en zijn reisverhaal te beëindigen met de veelbetekenende zin: ‘Ik geef me gewonnen.’ Alle andere verplaatsingen gebeurden per boot, in een overvolle en gloeiend hete bus of in een pick-up truck. Zo dicht mogelijk bij de mensen, zo hoort het.

    Tussen zijn bedenking ‘De reinigende werking van reizen is mijn nieuwe geloof.’ en zijn eindzucht ligt een boeiend verhaal besloten, een verhaal van talloze prettige en minder prettige contacten, van rusten, roken, muggen verjagen, qat kauwen, enthousiast doen en ontgoocheld zijn tot langzaam woede groeit en afkeer zich in zijn geest nestelt. Inmiddels heeft hij de graad van democratie in de verschillende staten getest en gemeten waarbij Somaliland dat door nagenoeg niemand als onafhankelijke staat wordt erkend hoog scoort en al de rest meewarigheid uitlokt en pijnlijke verbazing. Af en toe krijgt ‘Loney Planet’ een aan de realiteit getoetste sneer in verband met lofzangen voor wat in feite een miskleun is of verwaarloosde en vergane glorie.

    Hoezeer zijn reis ook onvoorbereid is, toch heeft hij in zijn rugzak een zestal boeken die hij gretig leest en raadpleegt. Zijn verhaal is niet alleen een relaas van concrete ervaringen die op prettige en aantrekkelijke wijze zijn neergeschreven, maar wordt herhaaldelijk aangevuld door citaten van befaamde vroegere reizigers die in feite ontdekkingsreizigers waren. De aankomst in een stad of een belangrijke plaats is aldus aanleiding tot het verwijzen naar eerdere literatuur of commentaren die kritisch worden benaderd en uitgetest. De aankomst in Harrar roept bijvoorbeeld meteen de herinnering op aan Rimbaud die er zijn laatste levensjaren node en met tegenzin heeft doorgebracht.

    Het gehele verhaal wordt gekruid door frappante oneliners en bedenkingen die behoorlijk nazinderen wanneer men er even bij stil wil staan:

    ‘Behalve lezen heb ik iedere interesse in Somaliland verloren, er is iets geknakt, niets is meer interessant. Ik noteer in mijn schriftje : Men wordt geacht iets op te steken van een reis. Ik betwijfel of dit mogelijk is. Ik heb Ethiopiërs en Somalilanders vloeiend Engels horen spreken, zonder dat er overdracht van informatie plaatsvond; ik heb qat gekauwd met Ethiopische intellectuelen, die moeiteloos het letterlijke scheppingsverhaal en de evolutietheorie verenigden; ik heb gesproken met studenten die een International Human Rights Day-T-Shirt droegen en tegelijk de sharia goedkeurden; ik denk dat ik wil zeggen dat je kan communiceren wat je wil hier in Afrika, maar dat het ravijn dat mij scheidt van deze mensen diep is en onoverbrugbaar.’ (pp.174-175.)

    De filosoof komt regelmatig om de hoek kijken. In heldere bewoordingen en met enige deugddoende zelfspot bekijkt hij mensen en hun instellingen, zowel de onze als die van anderen. Ook het begrip democratie pelt hij zorgvuldig zoals men een ui kan pellen of een artisjok, met smaak en met belangstelling en bijwijlen met prikkelende ogen. Dit is een bijzonder en verrijkend reisverhaal waarbij de plaats van het gebeuren in ruime mate ondergeschikt is aan daarmee verwante bedenkingen en verzuchtingen van anderen naast die van de auteur zelf die vrij en frank zijn mening weergeeft en daarbij getuigt van een breed inzicht en een frisse kritische zin.

     

  • Tot de dood ons scheidt!

    Tot de dood ons scheidt!

    ‘“Zwijgen kan niet worden verbeterd”, met dat gezegde placht hij  haar het zwijgen op te leggen. Hij excelleerde in de alleenspraak, maar terwijl hij hoogdravend filosofeerde of haar temerig de les las ging er in Olivia een opstandige stem tekeer, argumenterend en weerstrevend, tot ze zich niet langer kon bedwingen en heftig uitviel. Waarop hij haar de mond snoerde met die afgezaagde frase. Zwijgen kan niet worden verbeterd.’ (p.8)

    Olivia, een succesvolle modeontwerpster, spoedt zich naar het ziekenhuis om te waken aan het sterfbed van haar achttien jaar oudere man, Herr Gleicher, van wie ze, zoals al snel blijkt, duurzaam gescheiden leeft. Aangekomen op de zevende etage – in de zevende hemel is ze nooit geweest met hem, integendeel, hun huwelijk was een hel! – treft zij hem aan in een benauwd warme kamer. Daar ligt hij met openhangende mond en een opgezwollen buik alsof hij zwanger is. Hoe graag had zij hem daar nog al het haar aangedane leed betaald willen zetten! Maar zieltogend ziet hij kans haar een smerige streek te leveren: mijnheer heeft het zó weten uit te kienen dat zijn sterfbed samenvalt met de zinderende hondsdagen, terwijl hij al zo ver heen is dat zij haar gram niet meer kan halen. Er rest haar niets anders dan samen met hem nog één keer in dezelfde ruimte te zijn. En daarmee zijn we als het ware beland in een klassieke tragedie met de traditionele elementen van eenheid van plaats, tijd en handeling: de ziekenhuiskamer, één nacht en het sterfproces. Niet meer dan drie (sprekende) personages tegelijk aanwezig. Herr Gleicher en Olivia, en de derde persoon nu eens de nachtzuster, dan een oude non. Dramatische en/of schokkende taferelen worden in een Griekse tragedie niet ‘live’ getoond; bovendien zou Herr Gleicher dat nooit goedvinden en door te zwijgen maakt hij dit al onmogelijk! Bloederige en/of gewelddadige gebeurtenissen worden door een bode verteld. In de roman gebeurt dat via de herinneringen van Olivia.

    De jeugd van Olivia kan kort samengevat worden: een kille moeder, een strenge vader en de kostschool. Omstandigheden die er zeker toe bijdragen dat zij gevoelig is voor de attenties van de oudere, intelligente hoogleraar. Handig weet Herr Gleicher gebruik te maken van de vrijheden die de sexuele revolutie (van de zestiger jaren van de vorige eeuw) met zich meebrengt. Hij schat de situatie juist in en grijpt Olivia gelijk onder de rok met alle gevolgen vandien. (Van Paemel maakt gebruik van sprekende namen, zoals Gleicher, ook nog eens in de vergrotende trap. Gleich betekent hetzelfde, gelijk maar ook meteen. Door zijn moeder en zuster wordt hij ook nog eens Dodo genoemd, wat haar niet zozeer aan een jeugdserie herinnerde, als wel aan de uitgeroeide walgvogel.) Maar meisjes zoals Olivia, die van toeten noch blazen weten, houden vast aan het klassieke idee dat zij hebben van ‘liefde’: man trouwt met vrouw en hun liefde wordt bezegeld met een kind. Afgezien van alle andere vernederingen die Olivia ondervindt van Herr Gleicher en zijn familie, is het niet hebben van een kind haar grootste trauma. Een kind, maar wel van het mannelijke geslacht (ja zeker!, want ‘meisjes zijn piskousen!’ aldus moeder Gleicher) is ook wat de moeder en zus van Herr Gleicher verlangen en Olivia moet er dus maar snel voor zorgen dat Herr Gleicher mannelijk nageslacht krijgt, ook als dat offers van haar vraagt. Herr Gleicher zelf heeft alleen oog voor zijn eigen plezier, zowel in bed als daarbuiten, en houdt haar vruchtbare dagen nauwlettend bij (hij vraagt inderdaad of ‘de rode vlag al uithangt’!), dit alles juist omdat hij geen kind wil. Heel subtiel weet de schrijfster rond dit ‘kindje’ een enorme spanning te creëren en vast te houden! Tegelijkertijd voelt de lezer dat dit het keerpunt in hun relatie is. Waarom anders is Olivia definitief haar eigen weg gegaan?

    Olivia gaat een lange, broeierige nacht tegemoet. Een nacht die slechts af en toe wordt onderbroken door de komst van de nachtzuster of een non. Alleen gelaten met de man met wie ze verbonden is, door alles wat had kunnen zijn maar niet geworden is en door alles wat was maar wat zij verloren hebben laten gaan, geeft zij zich over aan haar herinneringen. Intussen zweet zij zoals zij nog nooit gezweet heeft. Zij walgt van haar eigen zwetend lichaam, zoals zij vroeger walgde van Herr Gleicher om zijn stinkend lijf. Hem kennende is zij bang dat dit proces lang gaat duren, en wanneer ze de dienstdoende nachtzuster daarnaar vraagt, legt deze haar vraag verkeerd uit. De nachtzuster antwoordt dat zij de patiënt goed in de gaten moet houden. Een kleine trilling zou al kunnen betekenen dat hij pijn heeft en dus extra morfine nodig heeft. Van haar wordt verwacht dat zij dat toedient via het pompje dat tussen zijn benen zit. – Alsof zij ooit nog met haar handen tussen zijn benen wil zitten! – Wanneer de nachtzuster het laken terugslaat om haar te demonstreren hoe het pompje werkt, beseft Olivia dat ze Herr Gleicher voor het eerst zonder zijn smerige ondergoed ziet, schoon en bloot als een baby. Zij bedenkt dat het een hele toer geweest moet zijn voor het ziekenhuispersoneel om hem van zijn vastgekoekt ondergoed te ontdoen.

    De slotscène is al even mooi als de rest van de roman; verwacht niet een zoetsappig einde, dat zou afbreuk doen aan het geheel. Wanneer in een tragedie een einde ‘geforceerd’ moet worden, verschijnt een god: het oude nonnetje ‘kondigt aan dat het moment is aangebroken om vergiffenis te vragen en afscheid van Herr Gleicher te nemen; het einde is nakende. Is Olivia er klaar voor? Het is een van die zeldzame keren dat Olivia dankbaar is voor haar schooltijd bij de nonnen, zij kent de brutaliteit die onder de vroomheid schuilgaat, want hoe haalt die bes het in haar kap om zo’n impertinente vraag te stellen?‘“Hij eerst,” zegt ze. Daar heeft het besje niet van terug. Ze stamelt dat Herr Gleicher onmachtig is, nou, dan heeft het geen zin hem verder nog lastig te vallen (hou het bij de morfinepomp, denkt Olivia). Jawel, jawel, het kapje gaat heftig op en neer, maar je kunt nooit weten wat hij nog opvangt en het is voor de gemoedsrust van Olivia ook beter om zich te verzoenen. Hoe komt het besje erbij dat er een probleem is?’ (p.283-284) Wanneer het besje zich over het bed heen buigt en de woorden “Het is volbracht.” uitspreekt, werpt Olivia nog een laatste blik op Herr Gleicher en constateert dat hij, zoals hij gekomen is, ook vertrokken is: op slinkse wijze!

    Met Weduwenspek heeft Monika van Paemel een aangrijpende roman geschreven, waarin zij in mooi, verzorgd proza zware thema’s behandelt als de strijd tussen man en vrouw, schuldgevoel en schaamte, woede en verdriet. Dit doet zij zonder zwaar op de hand te worden. En waar dit wel dreigt te gebeuren is er weer een schitterende woordenstrijd waarin de echtelieden keihard naar elkaar uithalen.

    Weduwenspek

    Auteur: Monika van Paemel
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 280
    Prijs: € 19,95

  • Ode aan het leven en herinnering aan twee overleden vrienden

    Ode aan het leven en herinnering aan twee overleden vrienden

    Hij had wee fotorolletjes in zijn hand. ‘Het voelde als een toegift,’ zo schrijft K. Schippers in Voor jou.  Op de rolletjes stonden de laatste foto’s van twee jeugdvrienden, G. Brands en J. Bernlef. Ze waren kort na elkaar overleden, ‘verdwenen’ zoals Schippers zelf zegt. Hij voelde ‘het beschutte verleden’ in zijn hand. ‘Het zal tot leven komen, als alles hier, om mij heen.’ En dat doet het. Brands en Bernlef nestelen zich in de warmte van Schippers’ verhalen. Een diepe vriendschap komt intens tot leven.

    Schippers (1936) kende Brands en Bernlef al sinds zijn jaren op de hbs. ‘Alles hebben we samen ontdekt, de film, de jazz, dada en Schwitters in de zijvleugel van het Stedelijk. Met niemand heb ik zoveel gelachen.’ Samen richtten ze in 1958 het literaire tijdschrift Barbarber op, ‘een verspreking van Gerard [Brands], op een middag dat we weer eens langzaam probeerden te fietsen, dit keer op de Singel, bij de Bloemenmarkt. Zo zetten drie jongens hoe ze al op de hbs praatten een leven lang voort.’

    Als het leven van zijn twee vrienden ten einde loopt verblijft Schippers in Brussel om workshops te geven voor filmstudenten. Hij rondt er ook zijn verhalenbundel af, maar terwijl hij dat doet dringen zijn jeugdvrienden en zijn herinneringen steeds meer zijn verhalen binnen. Zo herinnert Schippers zich hoe hij met Gerard in 1957 in een bioscoop in Barcelona kennismaakte met het veranderende zwart-witte licht van Robby Müller, de Nederlandse cameraman van Down by Law. Of hoe hij zich laafde aan de ‘tengere kleuren’ waarmee de Nederlandse schilder Piet Moget de zee ‘betrapte’. Altijd weer bezingt hij kleuren en licht. Zelfs als anderen vooral naar een prachtig punt bij volleybal kijken: ‘Heiig weer, een vermoeden van de horizon, die schuilgaat achter algemeen lichtgrijs. Hemel, zee, strand, door dezelfde tint bedekt.’

    Voor wie nu denkt dat Voor jou louter een melancholische blik is van een verdrietig man; dat is geenszins het geval. Voor jou is ondanks de alomtegenwoordige dood vooral ook een ode aan het leven. Het is een parade van herinneringen aan jazz, film en kunst. Billy Eckstine, Balthus, Rudy Kousenbroek, John Cage, René Margritte, Johnny Mercer, Édouard Manet en Geer van Velde. Allemaal komen ze bij Schippers langs, steevast in gezelschap van zijn vrienden. Hij wisselt deze herinneringen af met verhalen en met flarden van zijn tijd voor Brands en Bernlef. Flarden die je doen glimlachen. Bijvoorbeeld als hij verhaalt hoe hij in de oorlogsjaren voor het eerst onder de douche ging, bij een ‘Uitspanning’, naakt, buiten, tussen de koeien. Beeldender kan je haast niet schrijven. Je ziet het voor je.

    In één van de verhalen bezoekt Schippers de schilder Geer van Velde, die hem doceert hoe hij moet kijken. ‘Kijk eens naar dit potlood en de inktpot. Het essentiële is niet het ene of het andere voorwerp, maar de ruimte die er tussen beiden is,’ zegt Van Velde.’ Het is de perfecte omschrijving van de vriendschap die Schippers voelt voor zijn twee Barbarber-genoten. Hij vindt zijn essentie in datgene dat er tussen hen is. Een essentie echter die tijdens het schrijven van Voor jou verwordt tot herinnering.

    ‘Een luchtige, prettige herinnering waarover nu een schaduw dreigt te vallen,’ zo schreef Bernlef aan Schippers, vlak voor Brands’ overlijden. Een schaduw die niet veel later ook Bernlef zelf mee zou sleuren, en Schippers, zelf nog even ‘weggelopen voor de dood,’ verdrietig zou achterlaten. Maar niet alleen. Want zijn vrienden zijn, in weerwil van wat hij zelf schrijft, nooit echt verdwenen. In tegendeel. In Voor jou komen ze weer intens tot leven, als alles hier, om Schippers heen. Als ode aan een voorbije maar niet vergeten vriendschap. Op elke pagina, in elke alinea, in elke zin schreeuwt Schippers ze toe. ‘Ik kijk hoe het licht verandert.’ .

     

     

     

  • ‘De voortijlende tijd in het voorbijgaan even bij de slip van zijn jas grijpen en vasthouden’

    ‘De voortijlende tijd in het voorbijgaan even bij de slip van zijn jas grijpen en vasthouden’

    ‘De voortijlende tijd in het voorbijgaan even bij de slip van zijn jas grijpen en vasthouden’

    Recensie door Martin Lok 

    Goede literatuur draait vaak om de liefde of de dood. Dit geldt zeker ook voor Handel in veren van Rascha Peper. Zelfs op meerdere niveaus. Niet alleen in het plot van deze roman, waarin liefde, gebrek aan liefde en de dood centrale thema’s zijn, maar ook in het vakmanschap van Peper, dat haar liefde voor het schrijversvak onderstreept. En in de dood die Peper inhaalde en haar dwong Handel in veren versneld publicabel te maken. Dat deed ze, maar de tijd die haar was gegund bleek zo krap te zijn dat ze de roman niet echt heeft kunnen afronden. Het maakt Handel in veren echter niet minder geslaagd. Want hoe onaf haar laatste roman ook is, Peper toont zich hierin in al haar glorie. Als grootse vertelster en prachtige stiliste, die de lezer raakt en daarmee de pijn van het onaffe verlicht en deze tegelijkertijd met ongekende hevigheid laat voelen.

    Handel in veren gaat over vele liefdes: de liefde van een bioloog voor vogels en voor de wetenschap, de liefde van een moderne jonge vrouw voor het verleden en voor haar oma, de liefde van die oma voor het leven, de eerste grote liefde van een jonge assistent voor de vrouw van zijn baas. Peper vervlecht al deze liefdes in een tijdloos familiegeheim, waarbij het verleden steeds weer wordt opgerakeld om het even vast te kunnen houden en het heden betekenis te geven. Wendy Bronkhorst, een tweeëntwintig jarige studente, houdt daar ook van. Zij houdt van dingen die écht oud zijn, die zijn geworteld in het verleden van haar familie, en struint daarvoor geregeld de zolder van haar oma af. Voor haar is deze zolder een walhalla van familieherinneringen, die haar de ankers biedt die ze nodig heeft ‘in een tijd waarin dergelijke zolders eigenlijk niet meer bestaan en het verleden niet meer wordt geleefd’.

    De fascinatie van Wendy voor het verleden wil niet zeggen dat ze niet midden in het leven staat. In tegendeel. Ze leeft vol overgave en vuur, net zoals haar oma Minke dat altijd heeft gedaan. Want ook voor Minke geldt dat ze haar leven passioneel leefde, waarbij ze zich net als haar kleindochter op sommige momenten aan de ketenen van het alledaagse bestaan trachtte te ontworstelen. Die zielsverwantschap met haar kleindochter was voor Minke eigenlijk altijd al duidelijk en deed haar al vroeg besluiten om ooit, als de tijd rijp zou zijn, haar familiegeheim met haar te delen. Althans, tot op zekere hoogte. Want Minke is een nuchtere vrouw, ‘die haar leven lang had geweten dat het bovenkomen van de onderste steen niet in alle gevallen zaligmakend is. Wat met de mantel der liefde bedekt is voor de onwetenden, kan soms in ieders voordeel maar het beste bedekt blijven.’

    Deze passage illustreert dat Peper in Handel in veren stilistisch op de toppen van haar kunne is. Hoe onaf de roman ook is, hij bevat vele zinnen of passages die niet afgeronder kunnen zijn. De mooiste daarvan volgt op een passage die beschrijft hoe Wendy zich opmaakt om in een oude jurk van haar oma naar een fifties-feest te gaan. Ze vraagt zich dan af wat haar nou zo ontroert aan dingen die écht oud zijn; niet nagemaakt oud maar authentiek. Wendy realiseert zich dan dat ze niet zomaar de oude jurk van haar oma zal dragen, maar een jurk met een verhaal. Haar oma had diezelfde jurk immers gedragen bij de doop van Wendy’s vader. Heden en verleden vloeien ineen en Wendy beseft zich dat ze die avond de fifties echt zou laten herleven. Op dat moment dicht Peper in proza: ‘Alsof je de voortijlende tijd in het voorbijgaan even bij de slip van zijn jas greep en wist vast te houden.’ Een zin van grootse schoonheid en het hoogtepunt van Pepers roman. Deze eenentwintig woorden alleen al rechtvaardigen de uitgave van Handel in veren dubbel en dwars.

    Ondanks dit soort stilistische pareltjes is het onmiskenbaar dat Handel in veren niet af is. Sommige figuren komen in het geheel niet uit de verf, zoals de vader van Wendy, Bernard Bronkhorst, die als bioloog in zijn vaders voetsporen is getreden, maar het net als Diederik Stapel niet al te nauw lijkt te nemen met de vereiste wetenschappelijke integriteit. Het is daarbij overigens volstrekt duidelijk dat de onvolgroeide karakterschets van Wendy´s vader aan geen ander gebrek te wijten is dan tijdgebrek. Hetzelfde geldt voor sommige verhaallijnen, die niet meer zijn dan een eerste contour, een aanstippen van een wending in de familiegeschiedenis die Peper al wel voorzag, maar niet meer kon uitschrijven. Ze moet beseft hebben dat haar ambities haar tussen de vingers door zouden glippen. Net als bij Henk Bronkhorst, de opa van Wendy, die er maar niet in slaagde om het wetenschappelijk bewijs te leveren dat Bruijns boshoen nog niet was uitgestorven. Maar waar Henk Bronkhorst na zijn vroegtijdig overlijden geen wetenschappelijke doorbraak in Nature op zijn conto kon schrijven, laat Rascha Peper ons gelukkig Handel in veren na.

    Een erfenis met een bitterzoete smaak. Want de pijn die je als lezer ervaart als je Handel in veren na lezing terzijde legt is groter dan bij veel andere boeken. Omdat je je dan niet alleen realiseert dat je afscheid moet nemen van een inmiddels dierbare familie en zijn verborgen geschiedenis, maar ook dat vergankelijkheid onontkoombaar is en vervolmaking soms een illusie. Alles blijkt voorbij te snellen met een snelheid die het onmogelijk maakt alle ambities te verwezenlijken. In het gunstigste geval slagen we erin, zoals Peper in Handel van veren meesterlijk laat zien, om de voortijlende tijd in het voorbijgaan even bij de slip van zijn jas te grijpen en vast te houden. En die rauwe realiteit is niet van pijn gespeend.

     

    Handel in Veren

    Auteur: Rascha Peper
    Verschenen bij: Em. Querido’s Uitgeverij BV (2013)
    Aantal pagina’s: 232
    Prijs: € 18,95

     

  • Een leven als een roman

    Een leven als een roman

    ‘Wat een ontzettend leuke tante moet dat geweest zijn’, schrijft Robert Anker na het lezen van het dagboek van Eefje Jonker, overigens niet zijn tante maar een achternicht. Na lezing van het dagboek kun je het alleen maar met hem eens zijn.

    Eefje Jonker begint met het opschrijven van haar levensverhaal op de dag dat ze hoort dat haar echte naam niet Eefje de Zeeuw is, maar ……. inderdaad: Eefje Jonker. Het is haar achttiende verjaardag en ze krijgt te horen dat haar ‘ouders’ niet haar ouders maar haar pleegouders zijn. Hoewel het haar vanzelfsprekend overvalt, is ze er niet echt ondersteboven van: het is een nuchter West-Fries meisje, dat niet snel uit haar evenwicht raakt. Om de opzienbarende onthulling te verwerken, schrijft ze op wat ze te weten is gekomen:

    ‘Jeetje, wat een toestand allemaal. Dat moest ik echt gaan opschrijven en blijkbaar denk ik dat er nog meer komt want ik schrijf dit in een leeg schoolschrift dat ik nog overhad van de ulo. We zullen zien. Misschien ben ik wel aan een dagboek begonnen.’

    Het dagboek beslaat, met onregelmatige tussenpozen, een periode van ongeveer dertig jaar, te beginnen op 11 mei 1928. De laatste aantekening is niet gedateerd, de voorlaatste is echter van 9 mei 1956.

    Zo kunnen we Eefje volgen tijdens de meest roerige perioden van haar leven en we zien haar ontwikkeling van een puberend meisje, op zoek naar wie en wat ze nu eigenlijk is, tot een vrouw die, uiteindelijk, haar bestemming heeft gevonden. Op dat punt eindigt het dagboek: de noodzaak om alles op te schrijven was er niet meer.

    Wat meteen opvalt, is hoe goed ze schrijft. Ze heeft belangstelling voor literatuur en taal en hecht duidelijk belang aan de wijze waarop ze formuleert. Ze brengt haar twijfels en onzekerheden, haar emoties bij goede en slechte ervaringen op indrukwekkende en boeiende wijze onder woorden. Regelmatig vraag ze zichzelf af waarom ze dit doet, schrijven in een dagboek: zelf weet ze immers alles al en het is niet de bedoeling dat anderen het lezen. Toch blijft ze schrijven: hoewel het niet altijd leidt tot beter begrip van en meer controle over haar handelen en gevoelens, laat het haar wel nadenken over zichzelf en biedt het haar daardoor af en toe inzicht in haar motieven. Als lezer zie je haar volwassen worden en haar schrijfstijl groeit mee. Helaas ontbreekt er, zoals we vernemen van Eefje zelf, een periode: de schriftjes waarin ze toen heeft geschreven is ze kwijt geraakt.

    Het is allesbehalve een alledaags meisje, dat we uit dit dagboek leren kennen, en ook later, als ze volwassen is, blijkt ze een bijzonder mens. Ze is vrijgevochten, zelfstandig en eigenzinnig. Bovendien is ze creatief begaafd: ze schildert niet onverdienstelijk. Hoewel ze talent heeft, is dit niet voldoende om in haar onderhoud te voorzien. Haar pleegouders stellen haar voor een opleiding tot kapster te volgen en haar daarna te helpen met het opzetten van een eigen kapsalon. De opleiding tot kapster volgt ze in Amsterdam en daar gaat een wereld voor haar open. Ze voelt zich direct aangetrokken tot het artistieke bohemienachtige leven waarmee ze daar kennismaakt. Bovendien raakt ze bevriend met een meisje dat ook de kappersopleiding volgt, Elsa. Hun gevoelens voor elkaar overstijgen het vriendschappelijke, maar dat herkennen ze vooralsnog niet.

    Eefje rondt de opleiding af en start, zoals de bedoeling was, met behulp van haar pleegouders, een kapsalon. Ze blijft schrijven in haar dagboek, weliswaar met grotere tussenpozen. De salon loopt goed maar ze ontmoet een man, trouwt en vertrekt met hem naar Ursem, waar hij boer is. Ze blijft echter zelfstandig werken als kapster, ook als ze moeder wordt.

    De provincie, het platteland en het huwelijk werken niet voor haar. Zelfs het moederschap brengt haar geen rust. Ze maakt keuzes die niet alleen in die tijd op z’n minst opzienbarend genoemd konden worden, maar die ook vandaag de dag nog tot opgetrokken wenkbrauwen zouden leiden.

    De manier waarop het dagboek bij Robert Anker terecht is gekomen, is een roman op zich, te meer daar hij nooit op de hoogte is geweest van haar bestaan. De Amerikaan Chris Lewis vond na het overlijden van zijn moeder de schriften waarin haar moeder (zijn oma dus) een dagboek bijhield. Hij kon zelf geen Nederlands lezen, maar schakelde een Nederlandse branchegenoot in, Liesbeth van Dongen. Zij herkende de naam Eefje Jonker uit een autobiografisch boek van Anker, dat ze kort daarvoor gelezen had, en ze nam contact op met de schrijver. Toeval bestaat (niet)..?

    Natuurlijk, er worden grote periodes van het leven van Eefje Jonker overgeslagen en we kennen slechts de “ingedikte” versie van haar levensverhaal; belangrijke relaties, bijzondere ontmoetingen en beslissende keuzes: alleen de spannende episodes zijn opgeschreven en bewaard gebleven. En toch is dat voldoende om te constateren dat het leven van deze bijzondere vrouw moeiteloos model zou kunnen staan voor een boeiende roman. Het is zeker de moeite waard om, via dit dagboek, kennis met haar te maken.

     

    Het dagboek van Eefje Jonker

    Bezorgd en van een nawoord voorzien door: Robert Anker
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 18,95

     

  • Ontroerend mooi proza

    Ontroerend mooi proza

    ‘Het wil maar niet lukken om aan het leven te wennen, hoewel het hoog tijd wordt’, zegt hoofdpersoon Aleksandra (Sasja) in Onvoltooide liefdesbrieven, de roman van de Russische schrijver Michaïl Sjisjkin. Deze zin vat de essentie van deze roman treffend samen. Want het is niet alleen Alesksandra die niet aan het leven kan wennen. Niemand in deze roman kan dat. Hoe kun je wennen aan het leven, wetend dat het eindig is? De dood is alom aanwezig in deze Grote Russische Roman. Tegelijkertijd spat de wil om te leven ervan af.

    Onvoltooide liefdesbrieven is vanaf het begin tot het einde een briefwisseling tussen de geliefden Aleksandra (Sasja) en Vladimir (Volodja). Ze beginnen met schrijven wanneer Vladimir als militair wordt opgeroepen. Hij moet als lid van een internationale interventiemacht naar China om daar de Bokseropstand te onderdrukken.

    De briefwisseling krijgt een raadselachtig tintje wanneer het leven van Sasja voortgaat en dat van Volodja stil lijkt te staan. Als Sasja schrijft dat ze al zolang niets meer van Volodja heeft gehoord, wordt al gauw duidelijk wat er aan de hand is. Volodja is gesneuveld.
    Maar zelfs over de dood heen houdt Volodja contact met zijn geliefde. Een magisch element dat niets afdoet aan de geloofwaardigheid van het verhaal. Op een bepaalde manier is het ook niet belangrijk of Volodja wel of niet in leven is. Hij blijft bestaan omdat Sasja hem zich blijft herinneren.
    Zijn dood wil overigens niet zeggen dat hij ophoudt met zich te ontwikkelen. In zijn brieven zien we hoe de gruwelijkheden van de oorlog steeds meer vat op hem krijgen.

    De dood van Volodja wordt nergens breed uitgesponnen, maar het gat dat hij achterlaat bij Sasja is pijnlijk voelbaar. Ze studeert af, wordt vrouwenarts en gaat werken in een abortuskliniek die in al zijn steriele kilheid symbool kan staan voor de samenleving als geheel in de Sovjet-Unie van die tijd. Hoewel Sasja ook zonder Volodja een bestaan opbouwt met ups en downs, nieuwe man, werk en vriendinnen lijkt het leven zo’n beetje aan haar voorbij te gaan. Alsof niet alleen Volodja is gestorven, maar de ziel van Sasja met hem.

    Onvoltooide liefdesbrieven biedt naast ontroerend mooi proza ook een gedetailleerde blik op de bijna vergeten oorlog in China aan het begin van de vorige eeuw. Toch is het in de eerste plaats een verhaal over de liefde tussen twee mensen die wreed wordt verstoord door de alom aanwezige dood. Verstoord, maar niet overwonnen.
    Michaïl Sjisjkin geldt als een van de belangrijkste Russische schrijvers van dit moment. Zijn werk is bekroond met zowel Russische als internationale prijzen waaronder The Big Book Award in 2012. Als krachtige criticaster van het hedendaagse Rusland, leeft hij in zelfgekozen ballingschap in Zwisterland.

     

    Onvoltooide liefdesbrieven

    Auteur: Michaïl Sjisjkin
    Vertaald door: Gerard Cruys
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 312
    Prijs: € 19,95

  • Het woord in steen

    Het woord in steen

    De Nederlandse auteur Bernlef (1937-2012) was geïntrigeerd door Albert Speer (1905-1981). Speer was vooral bekend als de architect van Adolf Hitler, maar naast architect was hij ook minister van Bewapening in Nazi-Duitsland. Deze ogenschijnlijk zo beschaafde man leek in niets op de nazi’s met wie hij omging. In 1980 publiceerde Bernlef De ruïnebouwer, dat hij omschreef als een poging om ‘het raadsel Speer’ op te lossen. Een jaar later stierf Speer en diverse boeken verschenen, gebaseerd op tot dan toe onbekende bronnen die een heel ander licht wierpen op de persoon achter de architect. Bernlef las deze boeken en paste zijn beeld van Speer aan. Hij besloot zijn roman te herzien. Deze uitgave, Albert Speer, de ruïnebouwer, verscheen postuum in 2013.

    Albert Speer, de ruïnebouwer bestaat uit 3 delen. In het eerste deel volgt de auteur samen met vriend S. het spoor van Albert Speer. Zij bezoeken onder andere Dachau. Het voormalige kamp bestaat alleen nog maar uit steen. Toepasselijk, aangezien Hitler zijn architect omschreef als ‘het woord in steen’. Bernlef wordt getroffen door de krankzinnigheid die Speers bouwwerken uitstralen. ‘De echte krankzinnigheid, met de daarbij passende methodiek, die ieder waansysteem eigen is, valt op één punt in het gebouw aan te wijzen. Een lasnaad, een breuk.’ Maar nog steeds is moeilijk vat te krijgen op de architect. ‘Wanneer je wilt begrijpen hoe een machine werkt, zul je die uit elkaar moeten halen.’  Dus dat is wat Bernlef besluit te doen, het systematisch ontleden van Albert Speer. Jarenlang blijft hij op zoek naar Speer en steeds weer bezoekt hij Duitsland. En ondertussen verkent hij de grenzen tussen journalistiek en schrijverschap.

    Het tweede deel van het boek is een aangepaste versie van de roman uit 1981. Het is een schouwspel, een toneelbeeld met scènes uit het veel bewogen leven van de architect. Centraal staat de vraag of Speer, die zich als mens zo gunstig onderscheidt van de andere nazi-misdadigers niet net zo schuldig of misschien nog wel schuldiger is dan de anderen. Immers, met zijn intellect moest hij de omvang van zijn daden kunnen overzien. Bernlef probeert de passies en gedachten van Speer te doorgronden. Kenmerkend voor Speer is dat hij altijd oog had voor de ‘ruïnewaarde’ van zijn bouwwerken. Hij ergerde zich eraan dat moderne gebouwen die in verval raken geen ruïnewaarde hebben. Ze verworden enkel tot puin. Daarom vond hij dat bij de bouw rekening gehouden moest worden met hoe de gebouwen er in de verre toekomst bij zouden staan.
    Mooi in dit deel is de discussie die Speer voert met Leni Riefenstahl, Hitlers fotografe en cineaste. Ook de vraag of hij nu wel of niet van de vernietigingskampen wist komt aan de orde, net als zijn belang voor Hitler-Duitsland. Door zijn organisatorische kwaliteiten wist hij een enorme efficiency te bereiken met zijn ministerie van Bewapening. Dit was een van de redenen dat de oorlog zo lang kon duren.

    Het derde deel van de roman heeft eigenlijk de vorm van twee essay’s. Bernlef blikt terug en noemt het tweede deel een ‘denkmodel: een manier om greep te krijgen op de mij steeds opnieuw ontglippende persoonlijkheid van Hitlers architect’. Hij vraagt zich af waarom hij Speer zelfs na zijn boek van ’81 niet kon vergeten en hij analyseert de nieuwe archiefbronnen die een nieuw licht werpen op Speer. Hij stelt zijn beeld bij en poneert dat Speer gedreven werd door een tomeloze ambitie.

    Of het Bernlef gelukt is een raak beeld van Speer te schetsen? Die vraag is niet te beantwoorden, maar zijn eigen conclusie luidt : ‘de waarheid heeft Albert Speer achterhaald’. Albert Speer, de ruÏnebouwer is een intrigerende roman over een intrigerende persoon.

     

    Albert Speer, de ruïnebouwer

    Auteur: Bernlef
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 208
    Prijs: € 18,95

  • Filmische speurtocht naar bron van agressie

    Filmische speurtocht naar bron van agressie

    Als puber gooide hij ooit, in gezelschap van relschoppers, de ruiten van een bushokje aan diggelen. Hij schrok niet eens zozeer van de daad als wel van de ervaring dat hij die agressieve kracht in zich had. De herinnering komt terug als later in zijn leven relaties stranden na brute agressie van zijn kant. Als hij die agressie nu maar kan beheersen, zal hij genezen zijn. Denkt hij.

    ‘Hij’ is de hoofdpersoon in Vertedering, de tweede roman van Jamal Ouariachi (Amsterdam, 1978, zoon van een Nederlandse moeder en een Marokkaanse vader). Een naam krijgt de ‘hij’ voor ons niet. En dat is niet toevallig. Hij beweegt zich als een anonymus door zijn leven. Hij laat zich niet echt kennen, en erger: hij kent zichzelf nauwelijks. Hij is voortdurend bezig te beantwoorden aan het zelfbedachte beeld dat anderen gunstig moet stemmen. Met gevoelens van zichzelf en anderen kan hij echter niet omgaan. ‘Emotie was wat hem betreft een vormeloze klont’.

    Boeiend aan de roman is dat de lezer steeds duidelijker wordt hoezeer de ‘hij’ zijn eigen teloorgang bewerkstelligt, terwijl bij hem zelf het kwartje maar niet wil vallen. Na een afgebroken studie filosofie is hij het café Nooit meer slapen gestart dat na een paar jaar failliet gaat. Hij vervult nu een geestdodend baantje op de postkamer van een grote uitgeverij.
    Zijn relaties met achtereenvolgens Elsa en Zerline kennen een vergelijkbaar bruusk einde. Beide vrouwen vertrekken na agressieve uitvallen van hem. Hij gaat zijn leven steeds meer als een aaneenschakeling van mislukkingen zien, die volgens hem geheel te wijten zijn aan die agressieve explosies. Psychologische hulp vertrouwt hij niet en nijvere zelfstudie in neurobiologische literatuur levert hem al evenmin verklaringen op. Het doet hem besluiten tot een bizar experiment met een nieuwe geliefde dat hem zal moeten leren zijn woedeuitbarstingen te beteugelen. Zijn nieuwe relatie noemt hij dan ook een ‘project’.

    Vertedering is opgebouwd als een drieluik. In het eerste deel maken we kennis met de repeterende dagen van de ‘hij’ als postkamermedewerker. Vooral dit deel levert veel komische beschouwingen op, die voor de lezer echter steeds cynischer en bijtender worden omdat de hoofdpersoon meer en meer getuigt van gering zelfinzicht. Zijn hele leven lijkt opgehangen aan terugkerende stramienen, zoals het vaste zondagse bezoek van zijn moeder en de omgang met zijn vrienden Daan en Patrick, die ook al is geformaliseerd in vaste afspraken. Werkelijke zieleroerselen worden onder de vrienden niet besproken.

    De roman begint als de ‘hij’ tijdens zijn middagpauze een mand met pasgeboren katjes vindt. Hij is er verlegen mee en voelt zelfs irritatie dat hij nu juist in deze situatie wordt gebracht. Hij neemt een ziek katje mee en verzorgt het teder, niet als een duidelijke persoonlijke keus, maar omdat het nu eenmaal zo loopt. Twee achtereenvolgende vriendinnen, Elsa en Zerline, geven hem een tijdlang het gevoel gelukkig te zijn, maar ze kunnen hem in wezen niet bereiken.

    In het tweede deel trekt hij zich terug in zichzelf voor een ‘contemplatie’ over de mislukkingen in zijn leven, maar wij lezers zien hoe hij niet tot de kern komt, hoezeer hij zelf ook overtuigd is van het tegendeel. Hij besluit tot het bizarre plan dat hij in het laatste deel uit zal voeren.

    De roman krijgt door deze indeling enigszins de structuur van een klassieke drama: de ‘held’ op weg naar zijn catharsis. Of hij die bereikt laat Ouarachi tot het laatst onzeker. Maar het vermogen de roman daarmee voortdurend op spanning te houden is niet de enige kracht van deze auteur. Ook de stijl en de natuurgetrouwe dialogen dragen daaraan bij. De auteur weet de suspense goed te doseren en hij benut overtuigend zijn ervaring als therapeut in de beschrijving van de geesteswereld van de protagonist.

    Talrijk zijn de toespelingen op gebeurtenissen van de laatste jaren die je als lezer herkent en die je daardoor nog meer in het verhaal trekken alsof je er zelf bij bent: toespelingen op personen die opdraafden in DWDD en Zomergasten, de discussies rond Wij zijn ons brein van Dick Swaab, de fraude van Diederik Stapel, het ongeluk met de Costa Concordia, allemaal zonder dat ze bij naam worden genoemd, maar voldoende herkenbaar.

    Talrijk zijn ook de literaire verwijzingen. Natuurlijk de naam Nooit meer slapen voor het café (de ‘hij’ heeft thuis 27 drukken van de roman van W.F. Hermans in zijn kast staan), maar ook indirect als hij dwalend door nachtelijk Amsterdam de regels neuriet ‘O, dat het zo ver gaat / elke vrouw heeft jouw gezicht enz.’. Die zijn afkomstig uit het liedje Nooit meer slapen van Doe Maar. De prachtigste verwijzing op dat punt lezen we echter als hij kennis maakt met Zerline:

    Zerline heette ze. Zerline. Hij liet zijn mond de naam uitspreken zonder geluid te maken, proefde de letters, vooral de ‘l’ die zo’n wulpse, vloeibare vertraging veroorzaakte, waarna de tong, die puntig en spits aan de voortanden had gelikt, zich breed en plat maakte om zich opnieuw tegen de voortanden aan te vlijen voor de ‘n’.

    Dat doet onmiddellijk denken aan de sensuele openingszin van Lolita van Nabokov (‘Lolita, mijn levenslicht, mijn lendevuur. Mijn zonde, mijn ziel. Lo-Lie-ta: de tongpunt daalt drie treden het gehemelte af en tikt bij drie tegen de tanden. L. Lie. Ta.’; vertaling Rien Verhoef).

    Ontelbaar zijn ook de verwijzingen naar films. Vaak om stemmingen weer te geven, maar ook als beeld: het katje dat de naam Buscemi (naar acteur Steve Buscemi in Reservoir Dogs) krijgt en het beeld dat de hoofdpersoon van zijn agressieve zelf oproept als Jack Nicholson in The Shining.

    ‘Beelden’ naar films inderdaad. Want ook een laatste kwalificatie die aan dit boek gegeven mag worden is de filmische verteltrant. Een scenarioschrijver kan na lezing van Vertedering meteen aan de slag.


    V
    ertedering

    Auteur: Jamal Ouariachi
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido (2013)
    Aantal pagina’s: 256
    Prijs: € 19,95

     

  • De Grote Afgang in sof vertoon

    De Grote Afgang in sof vertoon

    Recensie door Hugo Brutin 

    Het meest merkwaardige aspect van dit ‘journaal’ is niet zozeer het gebeuren op zich of de stijl waarin een dramatisch historisch feit wordt verteld, maar gewoon het feit dat het boek al meerdere decennia geleden ietwat haastig werd geschreven, werd opgeborgen in een lade van de vergetelheid en daarna toch maar voor publicatie bovengehaald toen het al lagen stof had verzameld en de auteur zijn rustig afgewerkte carrière als diplomaat al vaarwel had gezegd.

    Vanuit zijn diplomatenstatus heeft F. Springer (pseudoniem van Carel Jan Schneider, Batavia 1932, Den Haag 2011) in de meeste zo niet in al zijn romans en getuigenissen aan zijn ervaringen en bedenkingen een verhaalmatige allure gegeven. Verbeelding, realiteit, autobiografie en werkelijkheid versmelten in elkaar. De gebeurtenissen worden subtiel gekleurd naar eigen beeld en gelijkenis, zodat wellicht onwillekeurig een soft beeld wordt gecreëerd van wat in feite hard en hartverscheurend was. Het verhaal/journaal speelt zich af zich in Nederlands Nieuw-Guinea op het ogenblik waarop de druk van Indonesië steeds groter wordt en Nederland ook die kolonie moet verlaten omdat er gemoord wordt en brand gesticht naar het voorbeeld van grotere broer Indonesië.
    Het hoofdpersonage dat tevens de verteller is en de schaduw draagt van de auteur, arriveert in Nieuw-Guinea op het kritieke ogenblik waarop het beschavingswerk een mislukking blijkt te zijn, zendelingen in groeiende mate agressie oproepen, de Westerse/Nederlandse goede voornemens niet worden gewaardeerd, varkens van bevriende stammen worden gedood, hun baby’s worden vermoord, hun vrouwen worden verkracht. Hij staat er plots middenin, verbaasd en hulpeloos en vooral alleen. Opmerkelijk daarnaast is het feit dat het lijkt alsof de hierboven vermelde wandaden – alle verhoudingen in acht genomen- rustig en gelijkmoedig worden genoteerd en beoordeeld.

    Na vier jaar in de bestuursdienst van Nederlands Nieuw-Guineau te hebben vertoefd schreef de auteur het boek naar eigen zeggen ‘na zestien ochtenden driftig doorpennen’ aan de Franse Rivièra en gaf het aanvankelijk de titel De laatste dagen der Hollanders op Nieuw-Guinea. Uit respect voor de Papoea’s en zijn vrienden en collega’s aldaar die naar hij vermoedde zich zouden herkennen in zijn milieuschets, vond hij het uiteindelijk niet opportuun zijn getuigenis te laten verschijnen, temeer daar hij zich inmiddels voor een diplomatieke carrière had aangemeld. Zowat vijftig jaar later, wanneer de meeste personages al door de tijd zijn ingehaald, heeft hij toch besloten zijn roman/journaal te laten verschijnen ‘…al is het maar als een laat eerbetoon aan hen die tot het bittere einde hun taak bleven uitvoeren, een betere zaak waardig, naar gebleken is.’

    In het jaar van zijn overlijden heeft F. Springer zijn boek herwerkt en van een verhelderend voorwoord voorzien. Het verschijnen werd een onvoorziene postume hulde aan een diplomaat schrijver die in 1995 de Contantijn Huyghensprijs ontving voor zijn gehele oeuvre dat op dat ogenblik nog lang niet af was.

    Net zoals in zijn laatste roman Quadriga. Een eindspel die zich afspeelt in de toenmalige DDR, waar het hoofdpersonage hopeloos verliefd wordt, beleeft de verteller van Een journaal in zekere mate als bevoorrechte getuige de teloorgang van een tijdperk, namelijk enerzijds de onvermijdelijke val van de Berlijnse Muur en anderzijds het verlies van het nog overblijvende restje van het Nederlandse kolonialisme en het onhandige reageren op groeiende onrust bij de elkaar bestrijdende Papoea stammen. Een pittoreske en verwaande antropoloog speelt er de rol van stoorzender en gaat uiteindelijk ten onder aan zijn eigen listen en naïeve visie over de ‘goede wilde’. Zo wordt een veelzijdig en vrij subtiel uitgewerkt beeld geboden van de dualiteit van wezens en dingen, van betrachtingen en verdrongen gevoelens.

    Liefde is zowel in Quadriga als in Met stille trom beurtelings intens en onvoldragen aanwezig. In Quadriga is het hoofdpersonage een journalist die door de DDR machthebbers op handen wordt gedragen en op een ietwat zielige maar passievolle wijze verliefd wordt op de koele en uitzonderlijk mooie Monika. Een klassiek gegeven tout court met enige pathos gekruid.

    In de Papoea roman duikt ene Blanche op, de vrouw van een collega die als een bakvis bedeesd verliefd lijkt te zijn op verteller en hoofpersonage Dekkers, en die op veelal verholen wijze haar gevoelens poogt kenbaar te maken. In de warme en monotone koloniën leidt verveling vaak tot remmingen en onderdrukte verlangens. In feite lang niet alleen daar.

    Het journaal van Springer is hoofdzakelijk geschreven in een soort koele trance en wil in enige mate inzicht verschaffen in een complexe situatie die eenmaal in gang gezet niet geremd of ontweken kan worden. Zo is Met stille trom, dat het schrijversdebuut van Springer mag worden genoemd, een behoedzaam tasten naar Wahrheit und Dichtung terwijl Quadriga eerder blijk geeft van een cynisch interpreteren van de DDR gastvrijheid. Er is duidelijk een lange weg afgelegd. Alleen liefde of verliefdheid doorbreekt een door ervaring en routine opgebouwde voorzichtigheid en realiteitszin.

    Vraag is wat nu in deze postume ‘roman’ voor de lezer het belangrijkste is of kan zijn: een pittoreske kijk op een alhier verdwenen maatschappelijk fenomeen, een brokje ongekunstelde literatuur, een vrij voorspelbaar verhaal of de niet eens spannende lotgevallen van een personage dat op ongekunstelde en behoorlijk naïeve wijze zijn plicht wil vervullen.

    Opmerkelijk en verbazingwekkend in dit gehele verhaal is het ogenschijnlijke gebrek aan realiteitszin en de angstige attitude van de Nederlandse bestuursambtenaren die de vijf soldaten die hun ter beschikking werden gesteld het bevel gaven alleen in de lucht te schieten. Glimlachen is toegelaten. Papoea is Indonesië niet en zoals er goede wilden zijn, zo zijn of waren er ook goede verkondigers van een positief bedoeld beschavingsapostolaat.

    Literatuur is hier bijkomstig en de teneur is voorbijgestreefd.
    Met stille trom

    Auteur: F. Springer
    Verschenen bij : Em. Querido’s Uitgeverij, Amsterdam-Antwerpen
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs : € 14,99