• Zomerlezen – Beste dikke boekenlijstje

    Geheime kamers

    Jeroen Brouwers’ Geheime kamers verscheen in 2000 en is in mijn ogen een meesterwerk, een van zijn beste boeken. De compositie van het verhaal, de taal waarin Brouwers het verhaal vertelt, zijn imponerende stijl, de metaforen en verwijzingen die hij gebruikt, de spanning die hij weet op te roepen, maken het lezen van dit boek tot een genotvolle tijdpassering. Het mooie is dat hij van een tamelijk simpel en een in de literatuur veel behandeld thema – de relatie tussen een man en een vrouw, in dit geval twee echtparen – een rijk boek weet te maken.

    In veel boeken van Brouwers komen zijn hoofdpersonen in situaties terecht waarin ze eigenlijk niet willen zijn: een lift die vastzit, een huwelijk dat eigenlijk voorbij is, een vader wiens kind eerder doodgaat dan hijzelf, een grijsaard die tegen zijn zin een cruise maakt over de Middellandse Zee. Ook in dit boek is de hoofdpersoon een deerniswekkend figuur die niets dan ellende ontmoet in zijn leven. Hij vindt zichzelf een non-valeur maar van alle figuren in het boek is hij eigenlijk de enige die deugt. Al doet hij steeds de verkeerde dingen op de verkeerde momenten maar weet toch te overleven.

    Brouwers weet dit verhaal zoveel breedte en diepte te geven, dat het uiteindelijk gaat om de fundamentele existentie van de mens, zijn moraliteit en zijn lust tot al dan niet te willen leven.

     

     

    Geheime kamers
    Auteur: Jeroen Brouwers
    Uitgeverij: Olympus

    De lijfarts

    Maria Stahlies De lijfarts verscheen in 2002; het is nog steeds een boek dat het lezen meer dan waard is.

    Het knappe van Maria Stahlie vind ik haar veelzijdigheid als romancier. Ze schrijft prachtig, componeert consciëntieus, met veel oog voor detail (schept er een genoegen in om met getallen te spelen en er een symbolische betekenis aan te geven) en tekent in heldere stijl scherpe psychologische portretten van haar personages, die tot op zekere hoogte worstelen met het leven.

    De lijfarts is een van haar mooiere boeken, vooral omdat het verhaal je in alle opzichten zo weet te boeien dat het je niet meer loslaat. Wanneer je De lijfarts hebt uitgelezen, vind je Egidius vast ook heel mooi.

     

     

    De lijfarts
    Auteur: Maria Stahlie
    Uitgeverij: Prometheus

    Het achtste leven (voor Brilka)

    Nino Haratischwili’s, Het achtste leven (voor Brilka), verscheen in 2014; een familie epos over acht levens uit zes generaties van de familie Jasji, in één ruk uit te lezen, althans als je even de tijd hebt. Het verhaal over deze familie uit Georgië speelt zich af in Rusland en beslaat de hele twintigste eeuw. Het knappe is dat de persoonlijke lotgevallen van deze familie ingebed worden in de politieke en sociale ontwikkelingen in Rusland, met name de jaren waarin Stalin aan het bewind was. Daarmee stijgt het ver uit boven het afzonderlijke leven van de diverse familieleden maar laat het ook zien welke invloeden die ontwikkelingen hebben op hun levens. Mooi geconstrueerd en prachtig beschreven door Brilka, de jongste telg uit het geslacht Jasji. Van haar wordt verwacht dat zij haar leven pas inricht nadat zij kennis heeft genomen van de levens van de voorgaande generaties. Haar tante Nitsa vertelt haar daarover en wij mogen meelezen.

    Een heerlijk boek om je in te verliezen.

     

     

    Het achtste leven (voor Brilka)
    Auteur: Nino Haratischwili
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Goudzand

    Wanneer je deze drie boeken uit hebt, wacht nog een mooi boek: Konstantin Paustovski, Goudzand bevat korte verhalen, dagboeken en brieven van de schrijver die nog niet eerder zijn gepubliceerd. Zijn zesdelige autobiografie De geschiedenis van een leven is één van de mooiste boeken uit de twintigste eeuw. Dan vraag je je af of daaraan nog iets kan worden toegevoegd: ja, dat kan dus! In Goudzand vertelt Paustovski de geschiedenis van Rusland vanaf de Eerste Wereldoorlog tot in de jaren 60. Deze geschiedschrijving lardeert hij met ontroerende brieven aan zijn vrouw, vrienden en collega-schrijvers. Hij moet ook oppassen met zijn publicaties omdat het Russische regime na de Tweede Wereldoorlog de kritiek van schrijvers op de Russische politiek en maatschappij niet duldde. Paustovski schreef kritische brieven aan Brezjnev en de partijtop wanneer er weer een collega werd gedwarsboomd in zijn werk of gevangen genomen werd.
    Een schitterend boek, prachtig geschreven, intrigerend om te lezen.

     

    Goudzand
    Auteur: Konstantin Paustovski
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot
  • Juiste tools

    Juiste tools

    Nu de vrouw en de moeder in de afgelopen Boekenweek in openhartige en tedere portretten werd geëerd, keren we terug naar het leven van alledag, naar moeders die niet deugen. Moeders die niet over de juiste tools beschikken om het moederschap vorm te geven. Zoals de moeder in Moeders van anderen van Mirthe van Doornik. Een naargeestig boek over een alcoholistische moeder en haar dochters van twaalf en vijftien. Het enige waar de moeder zich verantwoordelijk voor voelt is plannen maken, het geld (dat er nooit is) en de boodschappen, wat inhoudt dat er van veel niets in huis is. Brood wordt besmeerd met bakboter, wc papier gebruikt als koffiefilter. En als moeder iets op het vuur laat staan terwijl ze dronken op het balkon zit, zijn de kinderen voorbereid. Ze hebben een vluchtkoffertje op hun kamer klaarstaan.

    Wel is er altijd wijn en bier en zit moeder vol verrassingen, beide door de meisjes verafschuwd. ‘Ik wil geen verrassingen meer. Elke keer als ze een goede moeder wil zijn gaat het fout, als we schoolspullen nodig hebben trakteert ze ons op de Chinees en wanneer we willen slapen neemt ze ons mee naar het café.’ Zo nodigt moeder de Roemeense accordeonist die altijd voor de buurtsuper staat uit op de verjaardag van de oudste. Of ze gaan op vakantie naar een vrijstaat, net buiten Amsterdam. ‘Een stuk natuur met tipi’s en allemaal mensen net zoals wij’ roept de moeder op een toon van ‘is dit niet leuk?’ Waarop een dochter herhaalt: ‘Mensen zoals wij?’ ‘Bohemiens, mensen die zich niet thuis voelen in deze maatschappij.’ De moeder droomt over een leven ver buiten haar bereik. Ze komt niet verder dan zich rijk te rekenen door wiet, die met vuilniszakken vol het huis wordt binnengebracht, te onttoppen.

    Het boek begint met de registratie van de twee meisjes in de metro van school naar huis (zwartrijders op bevel van moeder) en een vrouw die hen mee wil lokken. ‘Jullie moeten met mij mee naar huis komen, zegt de vrouw als de metro door de tunnel dendert. Vier haltes, dan zijn we er.’ De meisjes springen voortijdig uit de metro. Thuis vertellen ze het hun moeder, we volgen de blik en gedachten van de jongste:
    ‘Voorzichtig kijk ik naar de rookstoel waar ze waarschijnlijk al heel lang in zit, misschien de hele middag al. “De metro is zijn geld niet waard,” zegt mama. Met haar wijsvinger schraapt ze een bakje yoghurt leeg. “Dit is precies waarom ik er niet voor betaal.” Ze zet het lege bakje op de grond waar het zeil in grote plakken over elkaar ligt. Mama heeft niemand kunnen vinden die het mooi voor ons kon leggen, nu ligt het zoals plakken kaas op een broodje.’

    Man, man, man, wat een boek. Het speelt in de jaren negentig en die sfeer (een soort van interbellum) is zo voelbaar dat je er labbekakkerig van wordt als je het leest. De schrijfster is bekend met een drinkende moeder, een moeder die anders is. Ze zijn er, en Mirthe van Doornik schreef er een prachtig boek over.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zij leest de godganse dag en schrijft daarover.

     

     

     

  • Jullie hebben ons verpest

    Jullie hebben ons verpest

    In het dankwoord staat het volgende: ‘Mijn dank gaat uit naar: Thomas Heerma van Voss, Daniëlle (…) en mijn ellendige jeugd – voor alle inspiratie.’ Want het boek Turis is gebaseerd op het leven en vooral de jeugd van schrijver Özcan Akyol. In deze semi-autobiografische roman staan veranderende familieverhoudingen centraal.

    Het gezin
    Turis is de vader van Özcan en zijn twee broers Mevlut en Serdar. Hij is geen aanhanger van de fluwelen handschoen-aanpak, maar ziet meer heil in het dreigen met de broekriem. Hij heeft geen baan, voert niets uit in het huishouden, is een alcoholist en zijn naam Turis (klinkt als toerist) heeft hij overgehouden aan het hoerenlopen in Amsterdam. Hij is een tiran en terroriseert het gezin met zijn overmatige drankgebruik, gewelddadige buien en tirades. Een donderpreek komt vaak op hetzelfde neer: jullie zijn zo ondankbaar, ik doe alles voor jullie, waar heb ik dit aan verdiend?

    De moeder en haar drie zoons ondergaan jarenlang lijdzaam het schrikbewind dat thuis woedt, maar langzaamaan veranderen de verhoudingen in het gezin. De jongens worden ouder en pikken niet alles meer zonder een weerwoord te geven. Angst verandert in medelijden. En ook de moeder komt in een ander daglicht te staan: haar slachtofferrol vervaagt langzaam en wordt vervangen door een beeld dat op minder sympathie kan rekenen. Ze wordt niet langer slechts als gedupeerde gezien, want scheiden doet ze niet en wanneer ze de kans krijgt om voorgoed van Turis verlost te raken, laat ze deze kans aan zich voorbijgaan. Is zij niet net zo schuldig als de tiran zelf? Özcan beschuldigt zijn moeder: ‘Je begrijpt toch wel dat jullie ons hebben verpest?’

    De schoonfamilie; 180 graden om
    Naast het verhaal van de familie van Özcan speelt zich nog het verhaal af van zijn vriendin, Tess, en zijn schoonfamilie. Zijn schoonfamilie is in een eerste oogopslag alles wat zijn familie niet is. Ze zijn rijk, wonen in het Gooi in een kast van een huis en gedragen zich altijd onberispelijk. Maar elk huishouden heeft zo zijn eigen problemen en Özcan voelt weinig bewondering voor het toneelstukje dat zijn schoonfamilie opvoert. In bepaalde aspecten lijken ze zelfs op zijn ouders, merkt Özcan na verloop van tijd. Hij weet heel goed dat hij niet aan hun wensenlijst voldoet: ‘Ik ben allochtoon, ongeschoold, arm en heb een onzeker toekomstperspectief.’

    Tess’ ouders keuren Özcan duidelijk af en grijpen elke misstap van hem aan als argument voor hun oordeel, maar dit kan niets veranderen aan Tess’ toewijding voor hem. Tess is bereid alles voor hem te doen en is zo loyaal aan hem als een hond. Özcan maakt hier graag gebruikt van, drinkt meer dan goed voor hem is en kan de verleiding van andere mooie vrouwen niet weerstaan.

    Het verhaal
    Hoofdstukken met herinneringen en anekdotes uit zijn jeugd worden afgewisseld met hoofdstukken over zijn volwassen leven en zijn relatie met Tess. Maar allemaal leiden ze naar een doorslaggevend moment in Turkije. De moeder van Özcan heeft van haar contacten in Turkije gehoord dat haar man er een buitenechtelijke relatie met kinderen op nahoudt. Wanneer Özcan dit ter ore komt, maakt hij een deal met zijn moeder. Hij neemt zich voor dat dit de laatste keer zal zijn, zijn laatste poging haar te helpen. Hij zal naar Turkije afreizen en als hij kan bewijzen dat de geruchten waar zijn, zal zijn moeder van Turis scheiden. Deze keer echt.

    Terwijl het op het eerste gezicht een verhaal over de disfunctionele familie van de hoofdpersoon lijkt, een verhaal over de nasleep van een kwelgeest, is het eigenlijk een verhaal over het loskomen van zijn ouders en het doorbreken van de cyclus waarin hij zich bevindt.

    Schrijfwijze
    Het verhaal van het boek is redelijk zwaar, maar de schrijver weet het humoristisch te brengen. Zo is de passage waarin Özcan en zijn schoonvader een potje tafeltennis spelen bijzonder vermakelijk. Op de verjaardag van het zusje van Tess komt Özcan tegenover zijn schoonvader te staan aan de tafeltennistafel. Hij weet dat hij zijn schoonvader zou moeten laten winnen, maar besluit toch volledig voor de winst te gaan. Wat volgt is een intense wedstrijd in de zinderende hitte. De vader van Tess heeft het moeilijk met de tegenstand. Eerst gaat het jasje uit, dan gaat de stropdas af en uiteindelijk staat hij in zijn blote bast te spelen. De verhitte wedstrijd is een mooie vergelijking tussen de strijd die de twee echt aan het voeren zijn. En dit is slechts één mooie passage. Er zijn er meer, bijvoorbeeld die van zijn optreden als doktor in het vliegtuig of het dronken gejoel naar mooie dames vanuit zijn woonkamerraam.

    De schrijfstijl is geestig en intelligent, maar soms doen omschrijvingen een beetje makkelijk aan: ‘… die bestaan uit catwalk-mooie mannen en vrouwen, allemaal met een air van achteloosheid, waarover natuurlijk uitvoerig is nagedacht.’ Ook zet hij de personages soms zo typisch neer dat ze voor de hand liggend worden: de gewelddadige vader, de zielige moeder en Tess en haar familie zijn het schoolvoorbeeld van een rijkeluisgezin. Andere momenten zijn de omschrijvingen juist scherp en origineel.

    Jammer dat je niet wat meer over de broers van Özcan te weten komt. Ze komen er wel in voor, maar je zou graag willen weten hoe uiteindelijk de onderlinge relatie tussen de broers is als ze ouder zijn.

    Tot slot
    Op het eerste gezicht lijkt het een bekend verhaal: een alcoholistische, gewelddadige vader, een onderdanige moeder en de onschuldige kinderen die eronder lijden. Maar dit boek is eerlijk en met een goede portie humor geschreven. Ook neemt het boek aan het einde nog een verrassende wending. Lukt het Özcan zich eindelijk los te maken van zijn ouders?

     

  • Zelfspot en ironie in ogenschijnlijk lichtvoetige roman van Eco

    Zelfspot en ironie in ogenschijnlijk lichtvoetige roman van Eco

    Umberto Eco (1932) rijgt historische feiten aan een kralensnoer en maakt die ketting met behulp van zijn verbeelding sluitend. Maar zelfs de schakeltjes die het product zijn van zijn fantasie, zijn echt. Binnen de werkelijkheid die hij in zijn romans creëert tenminste wel. Dat leverde bestsellers op  als De naam van de roos en de Slinger van Foucault.

    Alles is ook overdacht, niets is toeval in het werk van de grote Italiaanse schrijver. Schrijft hij een roman met de omvang en lichtvoetigheid van een tussendoortje, wees dan op je hoede. Zeker als hij die Het nulnummer noemt. Een titel waar de zelfspot en ironie van afspatten. Hoeveel meer waarschuwing heeft de lezer nodig?

    De roman begint als een thriller, heeft kenmerken van een spionageroman, maar is tegelijkertijd een liefdesverhaal. De manier waarop Eco het moderne krantenbedrijf op de hak neemt, maakt het echter onmiskenbaar ook een satire. De dialogen tussen de redacteuren zijn geestig, soms zelfs hilarisch, en verschillen niet zo heel veel van de echte discussies die op een redactievloer gevoerd worden. Ten slotte heeft Het nulnummer ook trekken van een historische roman, het genre waarin de auteur excelleert, ook al speelt het verhaal zich af in een jaar dat nog niet zo heel lang achter ons ligt: 1992. Dat komt doordat Eco actuele gebeurtenissen van dat beruchte jaar naadloos integreert. In 1992 schudde het Italiaanse politieke stelsel op zijn grondvesten. De operatie Schone Handen bracht een omkoopschandaal aan het licht van een bizarre omvang: er waren vijfduizend verdachten.

    Een nieuw te verschijnen krant maakt eerst een nulnummer. Om af te tasten of stijl, vormgeving en inhoud aansluiten bij de gekozen doelgroep. De zes redacteuren die in 1992 in Milaan een nulnummer van de nieuwe krant Morgen gaan maken, hebben dat ook voor ogen. Ze weten alleen niet dat de initiatiefnemer helemaal niet van plan is die krant echt uit te brengen. Hij gokt erop dat het gerucht – dat er een nieuwe krant komt met mogelijk nieuwe onthullingen – politici en andere machthebbers onzeker zal maken. Dat zij zullen proberen de initiatiefnemer in te kapselen. En dat is precies wat hij wil: binnendringen en deel uitmaken van dat kringetje. Saillant detail: 1992 was het jaar waarin mediamagnaat Berlusconi het politieke strijdtoneel betrad.

    De hoofdpersoon, schrijver/journalist Collona, kent de waarheid. Zijn taak is het om de wording van de krant te boekstaven. Hij mag er als ghostwriter een roman over schrijven. Een roman die in zekere zin ook verschijnt, want Collona’s verslag wordt, gezet in een andere broodletter, ingebed als een verhaal-in-een-verhaal in Eco’s roman.

    Centraal staan overigens niet de politieke gebeurtenissen van 1992, maar een verhaal dat journalist Braggadocio boven water haalt. Over Mussolini. De dictator is volgens zijn naspeuringen niet in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog geëxecuteerd. Een dubbelganger heeft de kogels opgevangen en Il Duce zou via het Vaticaan in Argentinië zijn beland. Is niets toeval bij Eco? Dan heet die journalist niet voor niets Braggadocio. Het lijkt Italiaans, maar het is een Engelse term waarmee een grootspreker, een opschepper wordt aangeduid. Iemand die het niet zo nauw neemt met de waarheid. Heel subtiel verwijst Eco naar de betekenis van die naam. Maar hij laat zijn andere personages in het ongewisse. En wellicht de lezer ook.

    Feit is dat Collona er wel intrapt, net zoals de hoofdredacteur van de krant in wording. Gevolg: achterdocht, achtervolgingswaanzin, intriges, een moord en een voortijdig einde van de Morgen.  Wie goed luistert, hoort op de achtergrond de holle lach van Umberto Eco klinken.

    Verwijzingen, Eco grossiert er mee. Naar literaire werken uit het verleden, zoals  The Faerie Queene van Edmund Spenser, Moby Dick van Herman Melville en The Murders in the Rue Morgue van Edgar Allen Poe. Maar ook naar Kurt Vonnegut en de bijbel en naar het schilderij Dodeneiland van Arnold Böcklin. Eco legt zijn protagonist die verwijzingen in de mond, maar natuurlijk is de grote schrijver zelf aan het woord. Is het een staalkaart van diens eruditie? Zeker. Maar voorzien van de nodige zelfspot, getuige Collona’s uitspraak: ‘Het genot van eruditie is voorbehouden aan losers’. En voor wie dan nog twijfelt, is er deze: ‘Hoe meer je weet, hoe meer er in je leven niet is goed gegaan.’

    Wat schotelt Eco ons voor? Een lekker weglezend verhaal vol ogenschijnlijke lichtvoetigheid en doordachte speelsheid. Dat uitnodigt om nog een keer en nog een keer te lezen. Er staat immers niet wat er staat. Een satire waarin het literair schrijverschap zelf niet wordt gespaard. Het motto van de roman luidt: Only connect! Geleend van de Engelse schrijver E.M. Forster. Een uitdagende oproep aan ons allen. Maar verbinden lijkt gemakkelijker dan het is. De enige verbinding die in Het nulnummer lijkt te slagen, is die van het conformisme. Door velen als exemplarisch voor de ‘Italian way of life‘ beschouwd. Schik je naar de omstandigheden. Liegen, omkopen, frauderen: wie wil overleven, past zich aan. Geen opwekkende boodschap misschien. Maar je hoeft hem niet te geloven. Per slot van rekening is het maar een nulnummer. Net echt, maar net niet.


    Het nulnummer

    Auteur: Umberto Eco
    Vertaald door: Yond Boek en Patty Krone
    Verschenen bij: Uitgeverij Prometheus
    Aantal pagina’s: 223
    Prijs: € 19,95

  • ‘… ertoe veroordeeld een dromer te zijn.’

    Tegenwoordig denderen de jonge talenten de Nederlandse literatuur binnen. Solomonica de Winter is jong – ze werd geboren in 1997 – en laat met haar debuutroman Achter de regenboog zien dat ze hoog durft te grijpen. Maar dénderen? Nee. Veeleer besluipt De Winter je, kruipt onder je huid en zorgt met kleine naaldjes voor onophoudelijke elektrische schokjes. De stilte van haar hoofdpersonage Blue is beklemmend en laat de lezer geen moment ongemoeid.

    Ergens, achter de regenboog, moet er een land zijn waar dromen werkelijkheid worden. En in die dromen, legt Blue uit, is zij Dorothy met de glitterschoenen. Ooit zou het mogelijk moeten zijn uit de realiteit te ontsnappen en in het land van Oz harmonie te vinden. Klinkt dat niet zoet en onschuldig? Maar wie denkt dat Blue een onschuldig vogeltje is, dat uit verlegenheid niet durft te praten – die komt bedrogen uit.

    De dood van haar vader zorgt ervoor dat Blue van een gewone 13-jarige transformeert in een haatdragend en geïsoleerd meisje. De stilte is haar tempel, waarin ze de moord beraamt op maffiabaas James. De tempel waarin ze De tovenaar van Oz – het boek is het laatste cadeau dat ze van haar vader krijgt – bewierookt en haar drugsverslaafde moeder verguist. Haar plan is helder, niets staat haar in de weg. Maar dan is daar Charlie, op wie ze verliefd wordt. Even wordt ze aan het wankelen gebracht, maar dan neemt Blue een rigoureus besluit: Ik besefte dat het beter is om te haten dan om lief te hebben.

    De Winter geeft de verknipte tiener Blue overtuigend gestalte. Achter de regenboog wordt gepresenteerd als het verslag dat ze schrijft aan haar psychiater in de kliniek. Een verteltrant die ze slim heeft afgekeken van de ‘grote literatuur’, zoals Lolita van Nabokov. In heldere en rake zinnen zet de jonge schrijfster een karakter neer waar je ‘u’ tegen zegt. Af en toe komt ze net iets te volwassen uit de hoek (Ik zie in alles de weerspiegeling van de menselijke geest, Het soort man dat zelden krijgt wat hij wil), maar nergens in die mate dat het echt stoort. Het knappe aan Achter de regenboog is dat De Winter nooit sentimenteel wordt, maar de koele en vastberaden stem van Blue consequent vol weet te houden (Ja, ik was behekst door het verhaal. Dag en nacht. En ik vond het een heerlijk gevoel. Ik was een psychopaat, maar wat genoot ik van mijn gekte).

    Hoed je voor degenen in de schaduw, zij zijn het die op een gegeven moment tevoorschijn springen en hun beurt opeisen, lijkt De Winter te willen zeggen. Het moment dat Solomonica uit de schaduw van haar bekende schrijvende ouders stapt, Leon de Winter en Jessica Durlacher, is aangebroken. Achter de regenboog is een verrassend debuut, dat een grote belofte in zich draagt. Laten we hopen dat het volgende citaat van Blue ook van toepassing is op De Winter: ‘Ik had het nodig om te dromen. Ik was ertoe veroordeeld een dromer te zijn.

     

     

  • Anders dan de anderen

    Anders dan de anderen

    Waar is in deze roman het diapositief van de liefde te vinden? Zijn het de littekens op de rug van Cica? Of is het Tombe, de grote hond, als gezonden door een beschermengel? Of zijn er andere afdrukken achtergelaten die bewijzen dat er van de personages in deze roman wordt en werd gehouden?

    De zoektocht naar haar moeder en naar liefdevolle aandacht vormt de rode draad in het leven van Cica, die bijna het leven verloor toen ze letterlijk werd meegesleurd, de dood tegemoet, door de wanhoop en waanzin van diezelfde moeder. Toch is het vertrek van haar moeder het grootste verdriet van Cica. Na een vakantiekamp aan de Middellandse Zee gaat ze moedeloos terug naar haar vader. ‘Dat ze deze maand heeft overleefd, is nergens goed voor geweest: voor haar is het niet als voor de anderen. Omdat zij niet kan terugkeren naar waar ze zou willen. Het verleden is geen plek waar ze kan gaan leven.’

    Christiana, oftewel Cica, vanwege de sikkelvormige littekens (cicatrici) onder haar schouderbladen,  is gewend haar eigen boontjes te doppen. We leren haar kennen als klein meisje in een vakantiekamp waar ze afrekent met het ‘kutjoch’ dat haar slak, Steen, onder zijn schoen vermorzelt. Het is een eerste kennismaking met haar eigenzinnigheid, koppigheid en eenzaamheid. Cica woont met haar vader in een klein flatje in het stadje Novara. Ze gaat op zoek naar het graf van haar moeder die ze erg mist. Ze vindt op het kerkhof, op het graf van haar moeder, een grote hond die ze meeneemt naar huis. Tombe, zoals ze de hond noemt, verzorgt ze samen met de buurvrouw. Deze Carmelina neemt Cica onder haar hoede wanneer ze merkt dat vader Rivetti zijn dochter veel alleen laat.

    Naast het verhaal van Cica, loopt dat van Walker. Zijn belevenissen vormen in het eerste deel van de roman een geheel eigen verhaal. Walker, die eigenlijk Walter heet, maar zijn bijnaam dankt aan zijn fascinatie voor Walker Texas Ranger, heeft het syndroom van Down. Hij vormt met zijn vader, moeder, broer Angelo, zus  Catarina en grootouders een hecht en liefdevol gezin.

    De roman maakt van deel 1 naar deel 2 een sprong van 10 jaar. Cica is met haar vader verhuisd naar Ostuni, waar ook Walker woont. In dit stadje komen beide verhalen, dat van Cica en dat van Walker, bij elkaar en dat leidt tot een heel bijzonder, dramatisch einde.

    Cica is een sterke persoonlijkheid, dat komt in het eerste verhaal het sterkst naar voren. Ze is stoer, eigengereid en erg eerlijk. Maar ze is ook eenzaam: ze mist haar moeder en het contact met haar vader is afstandelijk en slecht.  Als lezer voel je zijn machteloosheid en de oorzaak van zijn afstandelijk gedrag wordt als een puzzel door de auteur gepresenteerd.  Bij Carmelina en in Tombe vindt Cica bescherming, aandacht en zorg die ze als klein meisje nodig heeft. Tombe lijkt door de verdwenen moeder gezonden al doet hij qua postuur niet direct aan een engel denken.

    Walker heeft over aandacht en liefde niet te klagen. Hij groeit op tussen normale, zorgzame gezinsleden die zijn beperking volledig accepteren. Door andere mensen wordt hij zich bewust van het feit dat hij anders is. Het sterkst komt dat naar voren in het eerste deel over Walker, wanneer hij niet meer met  ‘Roze Badpakje’ mag spelen. Haar hysterische moeder wil  niet dat deze gehandicapte zoon met haar dochter speelt. Verder maken we Walker mee in veel dagelijkse scènes wanneer hij gaat paardrijden, hij op zoek gaat naar werk of wanneer hij met opa en oma op het strand is. Ook Walker heeft een sterke persoonlijkheid; hij heeft veel vertrouwen in zichzelf en in de toekomst, hij heeft een sterk rechtvaardigheidsgevoel en hij is een doorzetter.

    Colombo verdeelt de roman in scènes die los van elkaar lijken te staan. Als lezer ga je van Noord-Italië naar Zuid-Italië, van Cica naar Walker en van vroeger, deel 1, naar nu, deel 2, 10 jaar later. De verschillende scènes hebben eigen titels: Muren, Deuren en Sleutels. Het eerste deel laat zich lezen als twee aparte verhalen die op zichzelf al de moeite waard zijn. In het tweede deel komen beide verhalen bij elkaar, maar dat had eigenlijk niet gehoeven. Het komt zelfs wat geforceerd over. Ook de epiloog had achterwege kunnen blijven, deze heeft geen meerwaarde en het ontneemt de lezer de ruimte om zelf het verdere leven van Cica en Walker in te vullen.

    De roman begint met twee korte teksten, twee fragmenten uit brieven die nooit geschreven zullen worden. Ook aan het einde is er een brief. Deze geeft o.a. een verklaring voor de titels die Colombo heeft gekozen. Het verhaal van Cica is intrigerend en spannend; de lezer krijgt van de verteller in het verhaal heel gedoseerd informatie over het verleden van Cica en over het verdwijnen van haar moeder. Als lezer kun je meer compassie met de vader hebben dan Cica: zij ervaart alleen de afstandelijkheid en kilte van hem. Het leven van Walker en zijn familie wordt levendig en met humor beschreven.  Je ziet de belevenissen van deze Italiaanse familie  op het strand en aan tafel bijna als een film voor je. De andere families, ook met een kind met het downsyndroom, vullen het beeld op een mooie manier aan; het wordt duidelijk met welke problemen de ouders worstelen bij het opvoeden van hun bijzondere kinderen.

    Het begin van deze debuutroman van Maria Paola Colombo, 1979, vergt enige concentratie, maar verder leest het boek erg prettig.  Je krijgt steeds meer waardering voor de eigenzinnige Cica en de aandoenlijke, ontroerende Walker. Tijdens het lezen vormen zich twee levensechte personages van wie je graag meer wil weten en die je steeds dierbaarder worden. Dat is te danken aan de knappe beschrijvingen van de vele scènes, de originele gedachtegangen van de hoofdpersonages en de levendige, soms humoristische dialogen. Het maakt dit boek de moeite waard. Ondanks het slot, is het zeker een aanrader. Colombo kreeg voor dit debuut o.a. de Premio Flaiano, een prestigieuze literaire prijs.

     

     

  • Kinderlijke onschuld en onwetendheid in harde omgeving

    Kinderlijke onschuld en onwetendheid in harde omgeving

    Recensie door Jaap M. Jansen

    Actualiteit en Literatuur, ’t is een wonderlijk stel. Soms wil het maar niet klikken tussen die twee; dan verlaten ze elkaar al snel  – meestal op initiatief van de Actualiteit. Soms kennen ze elkaar niet eens, of hebben ze hooguit van elkaar horen spreken. Maar zo heel af en toe hebben ze een jarenlange, liefdevolle relatie. Dat heeft met allerlei dingen te maken, maar toch vooral met aanpassingsvermogen. De Actualiteit is slechts zelden – en dan nog kortstondig – literair, maar de Literatuur kan voor zeer lange tijd actueel zijn.

    We hebben nieuwe namen nodig (oorspronkelijk We Need New Names) van NoViolet Bulawayo is actueel en actueel en actueel. Het handelt over Zimbabwe, al wordt dat pas na verloop van tijd duidelijk. Het hoofdpersonage is Darling, een kind dat opgroeit in een sloppenwijk, met haar vriendjes bijzondere spelletjes speelt en er een uitgesproken doch onschuldige mening op na houdt. De schrijfster van dit boek is zelf afkomstig uit Zimbabwe en heeft delen van het verhaal mogelijk gebaseerd op eigen waarnemingen. Sloppenwijken (of beter: krottenwijken) als het door Bulawayo beschreven ‘Paradise’ zijn in een door armoede en onrust geteisterd land als Zimbabwe geen zeldzaamheid. Ook de uitzichtloosheid van de maatschappelijke malheur, vaak in verband gebracht met de almaar voortdurende heerschappij van president Mugabe, komt sterk naar voren in Bulawayo’s romandebuut. Het werk sluit in die zin naadloos aan op de actualiteit. De NOS maakte naar aanleiding van de Zimbabwaanse verkiezingen van afgelopen zomer een kort item over Zimbabwe, waar men zich steeds meer afkeert van de politiek en zijn heil zoekt in religie – hetgeen welhaast letterlijk ter sprake komt in We hebben nieuwe namen nodig.

    Toch is dit boek nauwelijks tijdgebonden. Natuurlijk komen er voldoende contemporaine begrippen in voor (Lady Gaga, de Xbox, The Simpsons), maar de thematiek in deze roman is van alle tijden. Hoe om te gaan met illegalen? Werkt ontwikkelingshulp? En, zeer prominent, de allochtonenkwestie. Kunnen asielzoekers één worden met het land waar zij niet in zijn opgegroeid? En als ze worden teruggestuurd, zijn zij in hun geboorteland dan eigenlijk ook niet allochtoon? Uiteraard zijn er al heel wat boeken in dit genre geschreven (men denke aan Kader Abdolahs De reis van de lege flessen en De kraai), maar het bijzondere aan Bulawayo’s boek is dat alles beleefd en gedacht wordt door een (in eerste instantie) negenjarig meisje. Volwassenen zijn hier slechts bijpersonages, het gaat vooral om Darling en haar vriendjes. De kinderen in Paradise worden grotendeels aan hun lot overgelaten en moeten zichzelf dus zien te vermaken. De ervaringen van Darling zijn zo ‘oprecht’ neergepend dat We hebben nieuwe namen nodig bij vlagen een luguber karakter krijgt. Darling is degene die bekijkt, beleeft, beschrijft en nadruk legt. Dat ze niet doorheeft dat haar vriendinnetje zwanger is ten gevolge van een incestueuze verkrachting, of dat ze hier althans nauwelijks aandacht aan besteedt, is niet verwonderlijk als we ons bedenken dat een woord als ‘verkrachting’ niet voorkomt in haar vocabulaire, en dat deze daad an sich nog geen negatieve connotatie heeft. Wanneer een woeste menigte rebellen het huis van een blank echtpaar bestormt en de overrompelde mensen met zich meevoert (‘Misschien gaan ze ze wel vermoorden’, p.121), besluiten de kinderen zelfs om een kijkje te nemen in het huis en doen ze al giechelend blanke mensen na. Kinderlijke onschuld en onwetendheid dus, in een omgeving waarin de kinderen desalniettemin vaak meer volwassen lijken dan hun ouders.

    Het taalgebruik van Darling heeft door zijn kinderlijke en soms confronterende eenvoud een poëtisch karakter. Neem een opmerking als deze: ‘Ze zeggen Paradise alsof ze het nooit meer zullen zeggen: het Pa-deel klinkt als iets wat plopt; ze laten hun tongen iets langer rollen als ze het ra-deel uitspreken; laten hun kaken zo ver mogelijk van elkaar komen bij het di-deel; en sissen uiteindelijk als de wielen van een bus waar ze lucht uit laten lopen als ze het se-deel zeggen. (p.73). Thematiek, verhaallijn en schrijfstijl, alle drie van hoge kwaliteit, zijn prachtig op elkaar afgestemd en het is daarom niet verwonderlijk dat Bulawayo reeds in 2011 voor haar korte verhaal ‘Hitting Budapest’ (waarvan deze roman een bewerking is) de Caine Prize for African Writing won. Evenmin wekt het verbazing dat We hebben nieuwe namen nodig op de shortlist stond voor de fameuze Man Booker Prize 2013.

    Ten slotte: het is lastig om een noemer te plakken op een boek als dit. Allochtonenliteratuur? Misschien geldt dat voor een Amerikaans leespubliek (zowel het hoofdpersonage als de auteur belandden als allochtoon in de VS), maar dat gaat voor Nederland niet op. Post-koloniale literatuur? Ook niet; er wordt maar weinig aandacht besteed aan de relatie tussen het Westen en de Derde Wereld. Hoewel het in hoofdzaak over kinderen gaat, is het in geen enkel opzicht een kinder- of jeugdboek, dus die categorieën vallen af. We zoeken naar een Literair genre waarin de Actualiteit beleefd wordt – de ene geliefde portretteert de ander. We hebben nieuwe namen nodig.

     

    We hebben nieuwe namen nodig 

    Auteur: NoViolet Bulawayo
    Vertaald door: Dirk-Jan Arensman
    Verschenen bij: Uitgeverij Prometheus
    Aantal pagina’s: 288
    Prijs: 19,95

  • Een oor tegen de nacht leggen

    Een oor tegen de nacht leggen

    Wie bij Papieren veulens denkt aan een bundel vol dartele, vrolijke gedichtjes over veulens heeft het mis. De papieren veulens van Hanneke van Eijken zijn namelijk niet het onderwerp van de gedichten, maar de gedichten zelf: papieren veulens over mensen, mensen in steden, in huizen en in kamers. Mensen en de wijze waarop ze zich verhouden tot hun leefomgeving is wat Van Eijken intrigeert,  en dat is niet verwonderlijk als je weet dat ze zes jaar lang in de Utrechtse dak- en thuislozenopvang heeft gewerkt. Haar ervaringen daar en de verhalen van de mensen daar zijn terug te vinden in deze schitterend opgebouwde bundel.
    Maar dat is niet het enige dat terug te vinden is, want elk gedicht laat zien hoe graag Van Eijken bezig is met taal. Haar taalspeeltuin strekt zich uit van poëzie tot (Europees) recht en ook die diversiteit is terug te vinden in haar gedichten. Het eerste gedicht ‘Waar’ is daar een prachtig voorbeeld van:

    Laten we beginnen, zei hij
    dingen te noemen die waar zijn

    er zijn steden
    waar men buiten rijst kookt
    waar meer scooters gonzen
    dan er huizen zijn, als het regent
    niemand naar binnen gaat

    in elke stad wonen mensen
    die van kruiswoordpuzzels houden
    roggen hebben net als haaien een ruggengraat
    van kraakbeen
    er bestaan meer manen dan we kennen

    dit is waar
    elders worden handelingen verricht

    nu hij is vertrokken, heb ik een huis gebouwd
    van feiten, ik slaap op palen
    waar wilde dieren onderdoor trekken

    soms kijk ik hoe planten groeien
    soms laat ik een raam openstaan voor als
    iets wil vliegen

    Bij feiten en waarheden denk je eerder aan droge rechtspraak dan aan poëzie. Maar niets aan dit gedicht is droog of saai. Van Eijken tovert in een paar zinnen de lezer een miljoenenstad voor ogen en schildert vervolgens de benauwde verschansing, waarin wij leven, daartoe gebracht door het niet aflatende zoeken naar feiten en zekerheden. Bovendien helpt het allemaal niets zoals ‘Stad’, het tweede gedicht in de bundel, laat zien:

    De nacht glijdt over onze gevouwen flanken
    aan de voet van dit appartement raast een stad, briesend
    kauwend op een bit van neonverlichting

    we houden ons vast
    aan klamme lakens
    we trekken onze vleugels in

    De bundel bestaat uit vier delen – ‘Ook steden hebben water nodig’, ‘Dit huis’, ‘Schaduwkamers’ en ‘Begin’ – waarin muren en mensen steeds dichterbij elkaar komen. Muren die eerst steden omringen, dan huizen omvatten en vervolgens kamers en de mens daarbinnen insluiten.

    ‘Dit huis’ bevat het kantelpunt van de bundel. Het eerste gedicht in dat onderdeel is nog tamelijk hoopvol: er wordt een begin gemaakt, een huis ingericht en eigen gemaakt. Er zijn verwachtingen, er is hoop en al het goede en mooie moet nog komen. De gedichten die volgen beklemmen echter steeds meer, worden steeds ongemakkelijker, totdat je uiteindelijk de Schaduwkamers binnenvlucht om te ontsnappen. Daar wordt al snel duidelijk dat van Eijken je alleen nog maar meer in het nauw drijft en dat de schaduwkamers niet veilig of troostend zijn. Integendeel zelfs:

    Water

    Denken aan water is meestal net te verdragen

    in een lege kamer
    trekt ze een badpak aan
    in grijstinten, een jonge raaf
    die niet zomaar het nest verlaat

    ze kijkt graag hoe dingen drogen
    plakken rosbief op het aanrechtblad
    parkeerbonnen, verwassen tot weke proppen

    vaak keert ze vazen om
    denkt aan vliegende herten, hoe ze sterven

    als ze op hun rug vallen

    soms zit ze op de grond, maakt trage armbewegingen
    zelden laat ze gordijnen op een kier

    Van Eijken roept verdriet op in eenvoudige, rechttoe rechtaan woorden, en korte, krachtige, ritmische zinnen. Nergens franjes, nergens eindeloos kronkelende zinnen, en dat is maar goed ook, want de eenvoud van de taal maakt de troosteloosheid alleen nog maar nog troostelozer, verdriet verdrietiger, angst angstiger. Schaduwkamer na schaduwkamer ren je door, gedragen door deze zinnen en achtervolgd door de beelden, totdat de laatste kamer is bereikt en je daar moet wegvluchten van jezelf. En dan, uiteindelijk, is er het begin dat opluchting en ruimte biedt. Ruimte voor al die papieren veulens om in rond te rennen, te springen en te bokken. Weg van het gevaar, weg van de beperkingen, weg van de veiligheid naar de plek waar

    […] kleine goden waken
    als je een oor tegen de nacht legt
    hoor je ze in de verte ruisen

     

     

  • Eenzaam in een post-apocalyptische wereld

    Eenzaam in een post-apocalyptische wereld

    De Hondsster van de Amerikaanse schrijver van natuurreportages Peter Heller is een post-apocalyptische roman die aansluit bij de tijdgeest. Het boek hoort echter niet tot beste in zijn soort. Het verhaal gaat over Hig die een pandemie die de wereld heeft getroffen heeft overleefd. Hij woont in de nabije toekomst op een verlaten vliegveld met als enige aanspreekpunt een norse gewelddadige buurman, Bangley. Dat is iemand die veel met wapens bezig is en die aan de muren van zijn werkplaats plaatjes heeft hangen van naakte vrouwen die met wapens schieten. Geen aimabele man.

    Voor Hig zijn zijn vliegtuig, dat hij het beest noemt, en zijn hond Jasper zijn leven. Het is een leven van eenzaamheid, een eenzaamheid die Heller goed weet op te roepen. Voor mensen die de huidige maatschappij van overcommunicatie gewend zijn is de beschrijving van een desolaat bestaan een soort tegengif. Toch pakt deze beschrijving niet goed uit voor de leesbaarheid. Het leven van Hig is niet heel afwisselend. In een wereld met nauwelijks nog mensen gebeurt niet zoveel. Het zijn meestal de verwikkelingen tussen mensen die een boek aansprekend maken. Beschouwingen over vissen, de natuur of  vliegtuigen kunnen interessant zijn, maar ze zullen niet iedere lezer bekoren. Je moet een bepaald soort lezer zijn om een Robinson Crusoe-achtig verhaal te kunnen waarderen. Het verhaal doet je wel nadenken over de vraag hoe je het er zelf vanaf zou brengen in een wereld waarin je naar je eigen voedsel moet gaan jagen of het moet verbouwen, in een wereld zonder toekomstperspectief en gedeelde verhalen.

    Spannend is het echter allemaal niet zo. Zelfs de momenten dat Hig wordt bedreigd door botte vreemdelingen, ook overlevers, zijn niet boeiend. Hig heeft geen interessante visie op het leven, lijkt weinig intellectuele of culturele bagage te hebben, al heeft hij ooit gedichten geschreven. Hij is niet onsympathiek, maar gewoon niet zo heel interessant.

    De schrijfstijl van het boek, vertaald door Dennis Keesmaat, vind je mooi of irritant. Neem de volgende passage waarin Hig met zijn hond aan het joggen is: ‘De ruzie met Bangley knaagt aan me. Nu alleen onze ademhaling. Wintervet.  Voel het in mijn benen. Goed om te bewegen, snel te bewegen.’ (105) Zo gaat het in het hele boek. Nog een voorbeeld: ‘Dein dein. Heen en weer. Stilte. Duw. Laat los. Zwaai terug. De sterren, de bladeren, zelfs het geluid van het riviertje, dat heen en weer gonsde. Van een boot. Van een hangmat. Van een kinderschommel. Van een baarmoeder. Heen en weer. Dein dein. Geur van koud stromend water, van steen, mest, bloesem. Slaap.’ (234) Stilistisch interessant, maar het zorgt niet voor een soepel leesproces, waardoor het lezen van deze roman weinig plezier biedt. Door het gebruik van vele staccato zinnetjes en tot vervelens toe veel gebruik van witregels, soms meer dan tien op een bladzijde, zuigt Heller je niet het verhaal in.

    Naar het einde toe wordt het boek interessanter en dan gloort er een soort hoop op enig geluk. Er zijn dystopische romans met minder hoop en het boek doet je nadenken over wat de mensheid te wachten zou kunnen staan en hoe je daar dan zelf op zou reageren. Hiervoor zou je echter ook een nonfictie publicatie kunnen lezen, zoals The doomsday handbook. 50 ways the world could end van Alok Jha. Dan heb je waar voor je geld: wel vijftig vormen van mogelijk wereldonheil. Daar kan je dan je eigen fantasie op loslaten. Het toekomstbeeld van Heller is misschien wel niet zo heel bijzonder.

     

    De Hondsster

    Auteur: Peter Heller
    Vertaald door: Dennis Keesmaat
    Verschenen bij: Uitgeverij Prometheus
    Aantal pagina’s: 344
    Prijs: € 19,95

  • Niet alles is te begrijpen maar mooi is het wel

    Niet alles is te begrijpen maar mooi is het wel

    Peter Verhelst wordt in het algemeen beschouwd als een ‘moeilijke’ schrijver. Hij heeft een aantal prijzen voor zijn werk ontvangen en er wordt wel eens gegrapt dat hij meer prijzen heeft dan lezers. Boeken als Tongkat en Zwerm zijn enerzijds bekend vanwege hun ondoordringbaarheid en anderzijds vanwege hun prachtige beelden en gedurfde opzet. Laten we zeggen dat Verhelst voor een hermetische auteur veel gelezen wordt (niet alleen in België). In zijn nieuwste boek Geschiedenis van een berg bevestigt Verhelst zijn reputatie; je hoeft niet alles te begrijpen om het mooi te vinden.

    Dichter, romanschrijver en theatermaker Peter Verhelst is pas sinds 1999 gestopt met zijn werk als leraar in Brugge om zich fulltime op zijn schrijverschap te richten. Hij heeft in een relatief korte tijd een enorme hoeveelheid werk afgeleverd. In het geval van Geschiedenis van een berg heeft hij zich beperkt tot een novelle. We lezen over het paradijselijke leven van de verteller voordat hij wordt ontvoerd door mensen. En over de helse tocht door de woestijn en per schip over zee, naar een ander land. De verteller blijkt een aap, het gaat om dieren, maar de hele tocht doet denken aan het vervoer van menselijke slaven van eeuwen geleden. De dieren die de tocht overleven worden gedwongen gecultiveerd, ze worden omgevormd tot mensen. Ze leren lezen en praten (converseren) en zich menselijk te gedragen. Wanneer ze voor het eerst sinds hun civilisatie weer buiten komen blijken ze terecht te zijn gekomen in een soort pretpark, Droomland. De verteller werkt zich met succes omhoog in de sterk hiërarchische samenleving binnen het park. Maar hoe hoger hij komt, hoe duidelijker het wordt dat er iets mis is achter de schermen. Ondertussen hebben we ettelijke prachtige beelden en scènes gelezen en lijken we verzeild in een science-fictionroman. We lezen ademloos door omdat het verhaal steeds spannender wordt.

    Na een gewelddadige climax volgt een nasleep waarin verschillende hedendaagse sociale problemen voorbij komen. Het verhaal wordt een allegorie waarin vluchtelingen, illegalen, mensenhandel en bijkomende problemen als armoede, criminaliteit en ziekte ter sprake worden gebracht. De tegenstelling natuur en cultuur is een thema in het boek. Een aantal mensen heeft in de loop van het verhaal beestachtige trekjes gekregen terwijl een aantal dieren juist meer mens (beschaafder) is geworden. De ruïnes van Droomland raken overwoekerd door bloemen en planten en worden op deze manier weer natuur. De botsing tussen natuur en cultuur kent uiteindelijk meer verliezers dan winnaars lijkt de conclusie van Verhelst. De geleerde les neigt naar cultuurrelativisme; laat anderen met rust en in hun waarde.

    Verhelst heeft een gewelddadig sprookje geschreven met prachtige beelden en een toverachtige sfeer die overgaat in een ruw, hard thrillerachtig verhaal. Zijn boek doet denken aan Het leven van Pi en Beatrice en Vergilius van Yann Martel. Niet alleen door de dubbelrol van de dieren, maar ook door de wrede werkelijkheid die min of meer indirect ter sprake komt. Beiden proberen hedendaagse problemen in een fabelachtig verhaal te verzinken. Uiteindelijk is bij Verhelst de bedoeling minder duidelijk dan bij Martel. Het lijkt bij Verhelst meer te gaan om de mooie beelden, de spanning en de sfeer dan om een duidelijk statement over de samenleving of het vertellen van verhalen. Lezers met een sterke behoefte aan duiding kunnen Geschiedenis van een berg beter links laten liggen. Voor lezers die houden van boeken met prachtige, droomachtige scènes die af en toe overgaan in een nachtmerrie is deze nieuwe Verhelst een aanrader.

     

  • Willoos in de chaos

    Willoos in de chaos

    Kevin Powers was 17 toen hij zich aanmeldde bij het Amerikaanse leger. In 2004 en 2005 diende hij als mitrailleur in Irak. Na zijn diensttijd had hij een paar uitzichtloze baantjes voordat hij besloot Engels te gaan studeren. Nu is hij docent poëzie aan de Universiteit van Texas. In 2012 verscheen zijn debuutroman The Yellow Birds waarvan de rechten voor verschijning al aan 16 landen verkocht waren. Tegen de tijd dat in september 2012 de Nederlandse vertaling ‘De gele vogels‘ een feit was, stond het boek al op de longlist van de Guardian First Book Award. En terecht.

    De gele vogels vertelt het verhaal van soldaat John Bartle. De lezer is niet alleen getuige van zijn diensttijd in Irak, – dagen die gevuld zijn met dood en ellende – , maar ook van zijn onvermogen om zich na terugkomst aan te passen aan het normale leven.
    De openingsscène speelt zich af op een dak ergens in de stad Al Tafar in Irak. De Amerikanen zijn in een vuurgevecht verwikkeld met een onzichtbare vijand. Bartle probeert zichzelf in zijn angst om te sterven van alles wijs te maken. Als hij maar niet opvalt en anoniem blijft, zal hij vast niet sneuvelen. ‘We verwarden correlatie met oorzakelijkheid en kenden een speciale betekenis toe aan de portretfoto’s van de doden, gerangschikt naar hun positie op de groeiende slachtofferlijsten in de kranten, ten teken dat de oorlog een bepaalde orde kende.’ De tegenstrijdige gevoelens worden goed beschreven: ‘Het maakte ons blij dat te lezen. Niet omdat zij dood was, maar omdat wij het niet waren.’ De dood als bevestiging van zijn eigen leven.

    Bartle hangt aan de kameraadschap met zijn medesoldaten en kent gevoelens van liefde en haat voor zijn sergeant Sterling. ‘Ik haatte het hoe laf ik bleef tot hij riep: “Maak ze af, die geitenneukers!” Haatte het hoezeer ik van hem hield als ik dankzij hem mijn doodsangst overwon en begon te schieten, hem ook zag schieten, met een grijnslach, onophoudelijk schreeuwend. Haatte zijn vermogen om alle haat van deze omgeving, deze paar hectaren, in zich op te nemen en om te zetten in nietsontziende moodzucht.’ Er zijn momenten dat hij Sterlings goedkeuring koestert, maar er zijn evenveel momenten dat deze man hem angst in boezemt. ‘Ik vroeg me af hoeveel verder hij zou kunnen gaan. En hoeveel verder ík zou kunnen gaan. Waar zou hij ons nog toe kunnen brengen?’

    Van het dak in Irak neemt Bartle de lezer mee terug in de tijd: naar zijn training, zijn reactie op zijn uitzending, het afscheid van familie, maar vooral zijn ontmoeting met medesoldaat Murphy is belangrijk. Net voor hun missie doet Bartle Murphys moeder een onmogelijke belofte. Een snelle toezegging die cruciaal blijkt te zijn voor het verloop van zijn leven. De auteur springt soepel door de tijd: het verloop van de missie in Irak wordt afgewisseld met het leven dat opgepakt moet worden in Amerika. De tijd in Irak wordt gekenmerkt door overleven. Angst, onverschilligheid, doffe machteloosheid en barbaarsheid wisselen elkaar af. Niet alleen de soldaten en bevolkingen lijden, datzelfde geldt voor de stad: die lege stad die er smeulend bij ligt, tot op het bot ontluisterd. Terug in Amerika overheersen de desoriëntatie en het onvermogen terug te keren in de wereld. Ook thuis blijft hij ontheemd: ‘De mogelijkheid van een volgende dag lijkt de meest fundamentele natuurwetten te trotseren.’ Bartle heeft last van schuldgevoelens en schaamte, maar vooral de reconstructie van de waarheid rond de dood van Murphy houdt hem dag en nacht bezig. Zijn warrige gedachten en tegenstrijdige gevoelens zijn overtuigend neergezet. Soms zijn zij zo overweldigend dat de gedachtengang van Bartle een zin van ruim 2 pagina’s beslaat. Maar zelfs zo’n zin is logisch en prima te volgen.

    De gele vogels is meer dan een bildungsroman van een soldaat. Het gaat om relaties en onderlinge verhoudingen. Bartle blijft zoeken of en zo ja in welke mate hij verantwoordelijk is voor de dood van Murphy. Zijn geheugen speelt hem parten: wat is vertelling en wat is waarheid? Het is een gevecht om zijn herinneringen te ordenen tot een samenhangend geheel. ‘Ik kon niet meer uitmaken wat waar was en wat ik me slechts inbeeldde…’

    Uiteindelijk kan Bartle maar tot één conclusie komen: hij was geen held, geen toonbeeld van krijgshartigheid en het was enkel geluk dat hij overleefde en anderen niet. Maar zijn de overlevenden schuldig aan de dood van de gesneuvelden? ‘Wie kon nog denken dat zijn wil ertoe deed in zo’n chaos?’ En in die allesoverheersende wanorde moet een mens aanvaarden dat er geen blijvende waarheid is.
    De grote vraagstukken maken De gele vogels heel wat meer dan de beschrijving van een oorlog, het is een zoektocht naar waarheid en verantwoordelijkheid.

    Een prachtige, aangrijpende roman.

     

  • Door de ogen van een grootvader

    Door de ogen van een grootvader

    Al direct bij het ter hand nemen van De aankondiging rijzen er vragen. Wat wordt er aangekondigd en wat is de relatie met de olifant die op de omslag staat afgebeeld? Er zit maar één ding op, het boek lezen. Dat is een heel plezierige en vooral interessante bezigheid. Er zijn 50 korte hoofdstukken en het verdient aanbeveling ze gedoseerd te lezen. Er is dan voldoende tijd om een en ander te laten bezinken en aanvullende informatie te verzamelen. Said El Haji doet verslag van het dagelijks leven in de voor-islamitische periode, de Jahiliyya, die veelal wordt aangemerkt als een tijd van onwetendheid en immoraliteit.

    Aan de hand van de belevenissen van Sjaïba, de in Yatrib (het latere Medina) geboren jongeling, wordt de lezer ingewijd in de wereld van de zoon van de verkruimelaar Haasjim, de heer en gebieder van de vallei. Onder de hoede van zijn oom Moetalieb vertrekt Sjaïba naar Mekka waar hij rondzwerft in het gezelschap van zijn jeugdvriendin Hafsa. Na het overlijden van zijn oom neemt Sjaïba de naam Moetalieb aan. Hij zal later de grootvader van de profeet Mohammed zijn.

    Om de lezer te helpen de familieverwikkelingen te kunnen blijven volgen is vóór in het boek een namenoverzicht opgenomen. Bepaald geen overbodige luxe want in het verdere verloop van het verhaal zal blijken dat Moetalieb meerdere malen trouwt en tenslotte de trotse vader zal worden van vele zonen en dochters. De woeste branding van de jeugd ebt weg op het strand van het huwelijk na de geboorte van de eerste zoon Harith. Echter na een nacht van vreugde en dronkenschap ter gelegenheid van een familiefeest, belandt Moetalieb in de sponde van een jonge maagd Fatima. Dit blijft niet zonder gevolgen, zij wordt zijn tweede vrouw.

    Tijdens momenten van rust en zelfonderzoek droomt Moetalieb over een eerbiedwaardig heer die moet kiezen tussen twee vrouwen. Zijn echtgenote die hem aanvankelijk geen zonen kan schenken en de slavin aan wie het geluk van een vruchtbare schoot is toebedeeld en haar heer een zoon schenkt. De slavin weigert haar kind af te staan hetgeen grote spanningen te weeg brengt. Uiteindelijk wordt de slavin met haar zoon verbannen naar de woestijn. Tot drie keer toe droomt Moetalieb over de verbannen slavin en de verstoten zoon. Gemakkelijk zijn in deze dromen aartsvader Abraham en zijn vrouw Sara te herkennen, de slavin Hazjar heet in de christelijke traditie Hagar en haar zoon was Ismaël, van hem werd gezegd: ‘Smaël zal een wilde ezel van een mens zijn. Zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem’. De lezer zal zich hier ongetwijfeld afvragen in hoeverre deze profetie is uitgekomen.

    Wanneer Moetalieb kennis maakt met Akiel, een in lompen gehulde vluchteling uit Yemen vat hij voor deze kleine bescheiden barbier een warme genegenheid op. Met Akiel bespreekt hij de ideeën van de Haniefen, een monotheïstische stroming onder de Arabische stammen. Zij zochten hun toevlucht, in tijden van afgoderij, tot de voor hen enige god, Allah.

    In het laatste gedeelte van het boek gaat El Haji uitvoerig in op de veldtocht van de door de Negus van Abbesinië op pad gestuurde generaal Abraha, die met een groot aantal olifanten er op uit was om Mekka, met al haar heiligdommen, met de grond gelijk te maken. Geen van hun driehonderd goden schijnt de Mekkanen nog van de ondergang te kunnen redden. Als door een wonder wordt Abraha verjaagd door een geheimzinnige macht van miljoenen krijsende vogels. Het machtige leger wordt uiteen gedreven en vernietigd. Moetalieb ziet na al deze gebeurtenissen in dat de aanbidding van dode stenen alleen maar leidt tot een domme krachtmeting van domme instincten in handen van domme goden.

    Saïd El Haji heeft getracht de gedachten, gevoelens en de vragen zoals die in een wereldgodsdienst als de Islam tot uitdrukking komen, voelbaar te maken. Er is duidelijk een behoefte om alle tegenstellingen te overstijgen. In ieder geval zal de nieuwsgierigheid van de lezer gewekt zijn en dit zal wellicht tot verdere oriëntatie leiden.