• Mens in de oorlog

    Mens in de oorlog

    Recensie door Peter Samuel

    De roman Grijze bijen van Andrej Koerkov gaat – uiterst aktueel – wél, en tegelijkertijd níet over de Russische ‘militaire operatie’ in Oekraïne. Zo duidt president Poetin immers zijn oorlogsinvasie aan: als een operatie. Romanpersonage Sergej Sergejitsj houdt zich van die strijd, zijnde een regelrechte oorlog, afzijdig. Deze innemende 49-jarige, vroegtijdig gepensioneerde woont in Mala Starohradivka, een dorp in de Donbas dat in zogeheten grijs gebied ligt. Spookdorp in een kilometerslang niemandsland, brede strook tussen de frontlinies van het Oekraïense leger en die van de separatisten.

    In zekere nacht is er een bom op de dorpskerk gevallen, waarna alle inwoners er vandoor zijn gegaan. Naar familie, naar separatisten, naar andere vluchters. Sergej blijft alleen achter, samen met Pasjka, een pestkop annex klasgenoot uit zijn jeugd, die een straat verderop woont. Met als roepnaam ‘Grijze’ voert Sergejitsj regelmatig gesprekken met zijn vriendvijand, soms met wodka overgoten, soms ook voorzien van gitzwarte humor.
    De overige straten van het dorp zijn uitgestorven, vol kapotte huizen. Aanhoudend geknal, overvliegende projectielen en soms inslaande granaatscherven verstoren Sergej niet in zijn bestaan.

    Uitgestorven omgeving

    Waar Sergej zich volstrekt op de vlakte houdt, geeft de gaande oorlog toch vorm aan zijn leven. Zijn vrouw heeft hem na de eerste bommen in de steek gelaten en hun vierjarige dochtertje meegenomen. ‘Misschien ben ik daar zelf ook schuldig aan geweest?’, vraagt Sergej Sergejitsj zich wel eens af. De enige familie die overblijft, is zijn bijenfamilie. Zijn dagelijkse routine op de plek waar eigenlijk geen leven meer is, bestaat uit zorg voor zichzelf en vooral ook voor zijn bijen. De toegewijde bijenhouder probeert zich warm te houden als de stroom weer eens uitvalt en verzamelt etenswaren, ondanks alles in samenwerking met zijn dorpsgenoot. In het uitgestorven landschap heerst een beklemmende sfeer, dreiging van sluipschutters is voelbaar. Oorlogsverschrikkingen vertonen zich in de vorm van een gesneuvelde soldaat, die Sergej onder een ijzige sneeuwlaag begraaft. Hij sluit vriendschap met een jonge Oekraïense soldaat – Petro – die hem een granaat verschaft om zich in geval van nood te verdedigen.

    Andrej Koerkov, geboren in Leningrad en bekend schrijver van Oekraïne, maakte kort na de Russische annexatie van de Krim en het begin van de oorlog met Oekraïne drie reizen door de Donbas, waartoe Donetsk, Loehansk en de grijze zone behoren. In zijn roman weet hij daardoor een levensechte wereld op te roepen, waarin angst van de bevolking voor oorlog en dood langzaam in een soort apathie overgaat. Hij beschrijft geen militaire operaties, maar verhaalt over doodgewone mensen, die ondanks de oorlog proberen zo onopgemerkt mogelijk door te leven. Zijn verhaal uit 2018, in 2022 door Arie van der Ent in het Nederlands vertaald en uitgegeven door Prometheus Amsterdam, beslaat 368 pagina’s in hoofdstukken, genummerd van 1 tot en met 74. De geschiedenis die zich in de uitgave afspeelt, is niet los te zien, noch los te lezen van het nieuws dat thans dagelijks via de media op ons afkomt.

    Zieke bijen

    Sergej ploetert dag in dag uit in zijn ontheemde dorpje. Soms in een onbuigzame Oekraïense houding, dan weer onverschillig, maar beslist ook wel onverzettelijk. Zijn leven verandert als hij naar het vreedzamer zuiden, naar de Krim reist. Hij hoopt zijn bijen daar een ‘fijne vakantie’ te bieden. Hij loopt er echter tegen de nodige problemen bij grensposten aan, waardoor ook zijn geliefde bijen in gevaar komen.
    Na betrekkelijk korte tijd in de Krim aan de lastige ‘thuisreis’ begonnen, wordt een van zijn bijenkasten door de Russen in beslag genomen. Hij krijgt deze terug, maar zijn bijen zijn grijs geworden. Om aantasting van de gezonde bijen te voorkomen, schermt hij ze van hun kasten af.
    Kunnen zijn bijen aan de oorlog ontsnappen? Kan Sergej aan de oorlog ontsnappen? Als hij uit een droom ontwaakt, hoort hij zijn geliefde bijen zoemen. Sergej weet ten slotte dat iemand hem en zijn bijen opwacht.

    Koerkov’s verhaal eindigt tamelijk open, de uitkomst is daarmee enigszins onbevredigend. Na het lezen van Grijze bijen blijft een bizarre tegenstelling bestaan. Enerzijds dit boeiende proza van een auteur die een tamelijk rustige hoofdpersoon, die soms droomt, dan weer in zijn realiteit leeft, ten voeten uittekent. Daar tegenover staat dat, sinds het boek is verschenen, zich in werkelijkheid een steeds gruwelijker oorlog ontwikkelt. Andrej Koerkov weet door zijn stijl – niet al te veel opsmuk, niet bepaald spectaculair – niettemin de aandacht in 74 hoofdstukken vast te houden. Dit komt mede door de impact van de waanzin in Oekraïne, die actueler is dan ooit. Zijn boek laat dan ook op virtuoze wijze zien wat het kan betekenen om in tijden van oorlog mens te zijn.

     

  • Oogst week 51 – 2022

    Grijze bijen

    Andrej Koerkov (Leningrad, 1961) is de beroemdste schrijver van Oekraïne. Niet omdat de Oekraïners zo veel lezen maar omdat Koerkov regelmatig op tv verschijnt en buitenlandse media hem interviewen over de huidige toestand van zijn land. Koerkov schrijft in het Russisch, wat hem door Oekraïners wel werd verweten. Zelf zegt hij daarover in een interview in Trouw: ‘Ik spreek beter Oekraïens dan veel Oekraïenstaligen. Toen Oekraïne nog een Sovjetrepubliek was, redigeerde ik Oekraïense vertalingen van buitenlandse romans.’ Inmiddels is hij opgehouden te publiceren in het Russisch.

    Toen pro-Russische separatisten de oblasten Loehansk en Donetsk in de oostelijke Donbass tot volksrepublieken verklaarden begon daar de oorlog al. Koerkov, die enkele reizen maakte in het gebied, schreef zijn roman Grijze bijen in 2018. Op de frontlijn, de grijze zone tussen Oekraïne en Donetsk, woont in een klein dorp de imker Sergej Sergejitsj. Stroom is er niet meer, voedsel nauwelijks en het is bitterkoud. Met een vroegere jeugdvijand, de enige andere menselijke aanwezige, drinkt Sergej wodka. De twee voeren gesprekken vol zwarte humor, opgetekend in Koerkovs ironiserende stijl. Sergej voelt zich verantwoordelijk voor zijn bijen. Hij is bang dat het oorlogsgeweld hen verjaagt en in de lente verlaat hij met zes bijenkasten het dorp, richting de Krim waar het dan nog veilig is. Onderweg krijgt hij te maken met strijders aan weerskanten van de gevechtslinies: loyalisten, separatisten, Russische bezetters en Krim-Tataren, en met evenzovele paspoortcontroles. Bij een ervan nemen de Russen één van Sergejs bijenkasten in beslag. Als hij de kast terugkrijgt, zijn de bijen grijs geworden.

    Het lezen van Grijze Bijen biedt een mogelijkheid om iets te gaan begrijpen van de waanzin die de oorlog in Oekraïne beheerst. De licht absurdistische stijl van de schrijver voorkomt dat het een zwaar boek is.

    Grijze bijen
    Auteur: Andrej Koerkov
    Uitgeverij: Uitgeverij Prometheus

    Pose – Over hoe we kijken en wie we spelen

    Basje Boer wil meer vrouwelijke sukkels in films. De schrijver en filmessayist publiceerde recent Pose – Over hoe we kijken en wie we spelen, een bundel met essays over hoe vrouwen worden neergezet in films, verhalen en ander cultuuruitingen, en hoe ze zich gedragen in de werkelijkheid: als vrouw, moeder, femme fatale, slachtoffer of bitch, clichébeelden die even stereotype als hardnekkig zijn.

    Aan de hand van oude en nieuwe films, popidolen, personages en persona’s onderzoekt Boer in Pose welke vrouwenrollen ons worden voorgeschoteld en hoe ze worden bekeken. Ook vrouwen kijken volgens Boer met de male gaze naar andere vrouwen. Zij worden nog te veel gezien als een passief wezen. Zo is schoonheid, mooi zijn, een rol die vrouwen macht geeft, maar wel een die vaak door de kleding die ze draagt passiviteit uitstraalt. Mooie kleding wekt geen actieve indruk.

    Boer schrijft ook over haar persoonlijke ervaringen wanneer dat relevant is voor het onderwerp van het desbetreffende essay. Bijvoorbeeld in een stuk over gekke vrouwen in films gaat ze in op haar eigen weg naar therapie. Ze heeft het over jeugdidolen en over films waarin vrouwen geen fouten maken. Film staat dicht bij de werkelijkheid, de vrouwen erin zijn voorbeelden waaraan we ons spiegelen. In films komen wel mannelijke sukkels voor, betoogt Boer, maar geen vrouwelijke. Zij zou zich graag eens met een vrouwelijke sukkel willen identificeren. Wordt het tijd ons tegen de clichés te gaan verzetten?

    Pose - Over hoe we kijken en wie we spelen
    Auteur: Basje Boer
    Uitgeverij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

    Na de bevrijding – Aantekeningen over de Goelag, 1944-1956

    De Poolse Barbara Skarga (1919-2009) moest haar manuscript van Na de bevrijding- Aantekeningen over de Goelag, 1944-1956 geregeld langere tijd wegleggen omdat tijdens het schrijven haar nachtmerries terugkwamen. Toch vond ze het haar plicht om haar herinneringen aan de gebeurtenissen in de strafkampen de wereld in te sturen.

    Skarga studeerde filosofie, waarmee ze stopt vanwege de Tweede Wereldoorlog. Ze gaat bij het Poolse verzet. Onverwacht wordt ze in september 1944 door het Russische leger gearresteerd. Vanaf 1946 zit ze met honderdduizenden landgenoten in verschillende goelags, onderworpen aan meer dan acht jaar dwangarbeid in een ziekenhuis, een steenfabriek en aan een spoorlijn.
    Als ze na tien jaar ‘vrij’ komt wordt ze nog verplicht in een kolchoz te werken. In 1956 pakt ze, terug in Polen, haar studie weer op, promoveert, werkt haar hele leven als hoogleraar en schrijft vele filosofische werken. Ze mengt zich in het publieke debat en is betrokken bij de Poolse solidariteitsbeweging Solidarność.
    Na de bevrijding publiceerde ze pas in 1985, onder pseudoniem. Haar aantekeningen over haar ervaringen in de goelagkampen zijn gegroepeerd rond thema’s als het dagelijks leven, ziekenhuis, werk en zelfs de liefde.

    Er zijn meer boeken verschenen over de Russische strafkampen, zoals het invloedrijke De Goelag Archipel van Aleksandr Solzjenitsin, Berichten uit Kolyma van Varlam Sjalamov en Goelag, een geschiedenis van Anne Applebaum, waarin de verschrikkingen van de gevangenkampen beschreven worden.
    Wat Na de bevrijding hiervan onderscheidt zijn de spot en humor waarmee Skarga vertelt over de kamphiërarchie, de honger, het vuil, het geweld, de misdaden. En over de angst voor verkrachtingen. Het boek is een mix van memoir, filosofische gedachten, essay en geschiedschrijving en toont de werking van het Sovjetsysteem aan.

    Na de bevrijding - Aantekeningen over de Goelag, 1944-1956
    Auteur: Barbara Skarga
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Feelgood

    Feelgood

    Ik ging voor een weekend naar Den Haag. Het was een uitdaging. Uitvallende intercity’s, gemiste aansluitingen, volle treinen. Meerdere keren klonk er, ‘personeels tekort’. Gevolgd door ‘raadpleeg de app’, ofwel, zoek het maar uit. Treinreizen van A naar B is de weg van de meeste weerstand geworden. Maar ik kon ertegen, had een goed boek bij me.  Zo’n nietkunnenstoppenmetlezen boek. Ik moest zelfs uitkijken de treinen die wel reden niet te missen, zo’n boek dus. Ik las het op perrons, treinen en in de wachtkamer van het Westeinde ziekenhuis. Door een ongelukkig manoeuvre van voeten, verkeerd ingeschatte afstanden en hoogte van een zitzak die voor de bank bij mijn dochter thuis lag, viel ik voorover en ving mijzelf op met mijn linkerpink. Op zich een niet geringe prestatie. Zo zit ik nu met een gespalkte pink te typen.

    Het woord ‘ontmanteling’ speelt door mijn hoofd. Dat denk ik vaker, dat alles uit elkaar valt. Dat de ontmanteling die leidt tot het einde van de wereld al gaande is. Op die bank bij mijn dochter keken wij met zijn allen Independent Day, met een beamer op de muur geprojecteerd. Het was me wat, het verschroeien van de aarde begon met het vernietigen van de grote steden.
    Waarom verhuizen we van de stad naar buiten? Waarom worden schrijvers als Thoreau, Raynor Winn of Annie Dillon zo graag gelezen?  Waarom, vraagt Rivka in het boek zich af, moet ‘iedereen tegenwoordig zo nodig de Mount Everest op’, om eenmaal op die top, ‘met z’n honderden naar eenzaamheid te snakken in peperdure donsjassen.’ Op de radio zegt iemand: ‘We verliezen het contact met de natuur.’   

    De trek van de grote stad naar de provincie is gaande. In Buitenleven verhuizen Esse en Rivka na een relatie van meer dan vier jaar, vanuit het westen naar een ‘karakteristiek’ woonhuis bij een fictief dorp in noord-Groningen. Esse heeft een baan gevonden als trainer basketbal van een meisjesteam, Rivka maakt van het schuurtje haar schrijfhuis. Rivka, die opgroeide in een grote stad, zal over haar leven in afzondering schrijven. Een krant en een literair tijdschrift beloofde ze alvast een artikel. En er moet een derde boek komen. Maar het schrijven lukt niet. Het schrijfhuis is te stil, of nee, er lopen luid pratende wandelaars voorbij. Wat moeten die hier? Zoals Lousje Voskuil, wandelend langs een druk bezochte route, eens wanhopig geroepen schijnt te hebben of al die anderen niet gewoon thuis konden blijven. Natuur is geen groepsvermaak.

    Als Rivka in haar schrijfhuis zit, kijkt ze op en ziet een man in een oranje windjack. ‘Hij droeg een rood petje, had een stoppelbaard en hij keek recht haar schuur in.’ Het Pieterpad bleek vlak langs hun tuin te lopen. ‘Het was overdreven, dat wist ze zelf ook wel, maar Rivka kookte. Ze graaide haar laptop en aantekeningen bij elkaar. Binnen vanuit de keuken, gluurde ze de tuin in om nog meer felgekleurd tuig te betrappen, maar het bleef groen.’
    Terwijl ik las, dacht ik, als de treinen niet meer rijden, als de wereld vergaat heb ik een goed boek nodig, dan overleef ik het wel. Wat natuurlijk onzin is, maar zo verborgen voelde ik me in de tijdelijke samenleving waar Rivka en Esse een jaar deel van uitmaakten. Dankzij het drama dat zich er afspeelt, (wie houdt niet van drama) is dit een springlevende roman.

     

     

    Buitenleven / Nina Polak / 237 blz. / uitgeverij Prometheus


     

    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • De kracht van fictie

    De kracht van fictie

    Paul Binnerts werd vlak voor de oorlog geboren als kind uit een gemengd joods huwelijk. Hoewel hij er geen actieve herinneringen aan heeft, heeft de oorlog hem wel zijn leven lang uit zijn slaap gehouden. Thuis werd niet over de oorlog gepraat. De nazi’s waren verslagen en daarmee was het antisemitisme uitgeroeid. Vooruitkijken was de boodschap. Hij was een overlevende en mocht niet klagen. Pas toen iedereen in zijn omgeving die het kon navertellen dood was, besloot hij zich tot taak te stellen uit te zoeken wat er was gebeurd. Hij moest naar hen op zoek en dat kon alleen door achterom te kijken. Die zoektocht resulteerde in Het leugenlabyrint.

    Tijdens zijn onderzoek stuitte hij op een keiharde historische paradox: hoe meer hij aan historisch feitenmateriaal verzamelde en verwerkte, hoe verder hij leek af te dwalen van waar het hem om ging, nl. dichterbij de belevingswereld zien te komen van zijn ouders en hun familie en vrienden. In alle boeken die hij over de oorlog las, vond hij alleen maar ‘de joden’ terug, niet zijn ouders, familie en vrienden. Daarvoor was fictie nodig, maar wel fictie tegen een feitelijk verifieerbare werkelijkheid.

    Gemengde huwelijken

    Aan de basis van zijn boek ligt, naast de vooroorlogse fotoalbums van zijn ouders, de groene map die hij kreeg van zijn broer Rob. In deze map zit het grootste deel van de nalatenschap van zijn vader. De hoofdpersoon in zijn boek heet Bert, gemodelleerd naar zijn oom Arnold, van wie hij, buiten een enkele foto, bijna niets weet, maar net voldoende om zijn nieuwsgierigheid te wekken. Hij wordt zo de ideale hoofdpersoon, met wie hij kan doen wat hij wil, als hij maar doodgaat aan het einde.

    Bert heeft, vlak voor de Duitse inval, een motorfiets gekocht, een Zündapp, waarmee hij de blits maakt en die hem tijdens de oorlog in staat stelt zijn handel in transport en opslag van goederen te runnen. Bert en zijn zus Emmeke hebben een joodse achtergrond, maar zijn niet religieus. Beiden zijn gemengd gehuwd, Bert met Lien en Emmeke met Joost. Terwijl Bert in het boek wordt geportretteerd als een weinig principiële opportunist, die zich op pragmatische wijze een weg zoekt door het door de nazi’s gebouwde leugenlabyrint, wordt Joost neergezet als een wat starre, principiële man, die zich vruchteloos beroept op bestaande democratische rechtsregels en procedures. Uiteindelijk bewandelen ze allebei een doodlopende weg. De wurggreep van de nazi’s wordt steeds klemmender naarmate de oorlog vordert en de krijgskansen keren. Voor zijn handel in transport en opslag van goederen heeft Bert een loods kunnen huren buiten Den Haag.

    Hij onderhoudt contact met welgestelde joodse mensen, die de wijk proberen te nemen naar het buitenland en hun bezittingen in veiligheid trachten te brengen. Soms helpt hij deze mensen te vluchten, zelfs met gevaar voor eigen leven. Daarnaast onderhoudt hij contacten met vooraanstaande nazi’s, die voor hun bazen op zoek zijn naar zeldzame kunststukken. Om zijn joodse connecties te helpen moet hij soms een aan hem in bewaring gegeven kunststuk offeren in ruil voor stilzwijgende protectie. Dit doet hij dan zonder toestemming van de eigenaar. Bert balanceert zo voortdurend op het scherp van de snede tussen goed en kwaad. Zijn lef brengt hem weliswaar heel ver, maar als hij in handen valt van de SD, zal dat hem niet meer baten. Joost vermoedt veel van de handel en wandel van zijn zwager, maar weet niets. Hij vecht zijn eigen strijd uit met de nazi’s. Hij meent als niet-jood en gemengd gehuwde man in aanmerking te komen voor bepaalde voorrechten. Om deze te effectueren klimt hij voortdurend in de pen om bezwaar aan te tekenen bij de hoogste Duitse instanties. Daarbij beroept hij zich op de grondwet en beginselen van de rechtsstaat, tegen beter weten in en niet accepterend dat die niet meer bestaat. Uiteindelijk wacht hem ontslag, arrestatie en, samen met zijn vrouw Emmeke, transport.

    Egodocument

    Om zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid te blijven bouwt Binnerts voortdurend intermezzi in waarin hij ons op de hoogte houdt van zijn zoektocht naar informatie over zijn verwanten. Zo komt er steeds meer informatie aan het licht over oom Arnold, informatie die wonderwel prachtig aansluit bij zijn creatie Bert. Zoals deze parallelle werkelijkheid de fictie geloofwaardiger maakt, zo blaast de fictie de historische werkelijkheid leven in. Deze intermezzi bieden Binnerts ook de gelegenheid om te schrijven over zijn eigen gevoelens over zijn ervaringen met naoorlogs antisemitisme, die hij met zijn vader nooit heeft kunnen delen, en die zelfs hebben geleid tot een afschuwelijke botsing met zijn vader en waaruit uiteindelijk ook zijn motivatie tot het schrijven van dit boek voortkomt. Zo wordt het ook een echt egodocument.

    Grote literatuur

    In dit zeer gelaagde boek neemt Paul Binnerts ons mee op zijn zoektocht naar zijn familie en maakt ons niet alleen deelgenoot van de morele vragen waarmee deze mensen in oorlogstijd moeten hebben geworsteld, maar ook met die van de naoorlogse generatie, van hemzelf dus. Het laat zien hoe de individuele mens geconfronteerd met de barbarij van het nazidom voor keuzes komt te staan waarvoor een mens eigenlijk niet gesteld mag worden en hoe moeilijk het is te oordelen over de gemaakte keuzes door latere generaties. Het verhaal is geschreven in een directe, glasheldere stijl met gebruikmaking van korte zinnen zonder poespas. Het krijgt daardoor vaart en wordt ook spannend. De lezer wordt meegezogen in de dilemma’s waar iedereen voor komt te staan, ook ten aanzien van je meest intieme vrienden en familieleden.

    Hoewel het boek over de oorlog gaat en over de persoonlijke zoektocht naar de familie van Paul Binnerts, heeft het stellig ook een meer universele en zeker ook actuele waarde. Hoe verhoud ik mij tot de mensen om mij heen, tot de ander? Het laat zien hoe moeilijk het is de ander te kennen en daardoor jezelf. Dit is grote literatuur.

     

  • Uitdrukkingen van andere schrijvers als struikelstenen

    Uitdrukkingen van andere schrijvers als struikelstenen

    In een klein dorp, waar iedereen elkaar kent, arriveert een jongen die er heel anders uitziet dan de meeste dorpsbewoners gewend zijn, tenger en haast vrouwelijk:

    ‘[…] zo’n
     jongen die doet of hij een meisje is, zijn vriendelijke

     glimlach, witte tanden, zijn lippen die speels omhoog
     krullen, die engelachtige lokken die omlaagregenen
     langs zijn jukbeenderen, ik moet er niets van hebben.’

    De man die deze woorden uit, beschrijft daarmee de mening van het hele dorp, dat vijandig staat tegenover vreemdelingen in het algemeen en deze jongen in het bijzonder. Toch wordt juist de dochter van deze man verliefd op de jongen. Als reactie daarop slaat de vader de jongen met een stoel tegen de grond. Later drijft het lijk van de jongen in de rivier. Het meisje probeert zelfmoord te plegen door zich op te knopen, maar haar vader weet dit net op tijd te verhinderen. Ze blijkt zwanger te zijn.

    Liefdesverhaal

    Dat is het verhaal, ‘een liefdesverhaal in gedichten’, zoals de ondertitel luidt. De bundel is samengesteld uit een proloog, drie afdelingen die respectievelijk Liefde, Tijd, en Dood getiteld zijn, gevolgd door een epiloog. De middelste drie afdelingen worden voorafgegaan door een citaat uit een Engelstalig lied.

    De proloog springt in het tweede gedicht Liefde al meteen in het midden van het verhaal: in een café krijgt iemand ineens een stoel in zijn gezicht geslagen. Die ‘hij’ blijkt de jongen te zijn, die slechts één keer in de hele bundel met zijn naam Momo wordt aangeduid. Zes mannen die hierbij aanwezig zijn, stamgasten en waard, geven later commentaar op deze gebeurtenis; tegen wie ze hun verhaal doen, wordt niet duidelijk. Later in de epiloog komen zij in omgekeerde volgorde weer aan het woord. 

    Wim

    ‘Als je het precies wilt weten moet je niet bij
     mij zijn ik was moe  en had al wat gedronken
     ik ben geen makkelijke prater sowieso ik kijk

     als niemand kijkt soms naar de sterren buiten
     boven onze domme koppen en weet dan niets
     te zeggen en weet dan het is niets het is niet erg

     we duren zolang het duurt en strompelen als
     het tijd is naar huis staan binnen in de deuropening
     nog even naar onze kinderen te staren schudden

     al bijna afwezig een loos verlangen van onze schouders
     leggen ons stil naast de moeder  van onze kinderen neer

     het is niets en het is niet erg.’

    Meerstemmige klanken

    Het geheel doet denken aan Under Milk Wood van Dylan Thomas, waar zes stemmen het verhaal vertellen. Of de verteltechniek van William Faulkner in The sound and the fury of in As I lay dying, waar ook verschillende stemmen van eenzelfde gebeurtenis belichten en die Hugo Claus inspireerde tot zijn roman De MetsiersDe stoel is een belangrijk gegeven: de afdeling Tijd bestaat uit acht gedichten waarin een stoel centraal staat. Zo is er de stoel die de jongen in zijn gezicht krijgt en de stoel waarop het meisje gaat staan om zich op te hangen: ‘[…] hier wacht de stoel, hier hangt het touw.’ 

    Maar ook is er twee keer een gedicht te lezen dat De kinderen is getiteld, in het begin en aan het einde van de bundel. Het zijn twee gedichten die doen denken aan zangerige kinderrijmpjes, aftelversjes, waarbij het meer om het ritme dan de betekenis gaat. Ze lijken identiek, maar verschillen in enkele woorden. Ze fungeren als een intermezzo, als een Grieks koor dat in een reizang afstandelijk commentaar levert op de gebeurtenissen zonder daarbij in te grijpen. 

    Literaire zoekplaat

    In de afdeling Liefde is het naamloze meisje aan het woord. Ze vertelt over haar ontmoeting met de jongen, die op blote voeten uit het niets kwam. In parlando en prozagedichten vertelt ze hoe ze de liefde bedreven, één keer slechts. Er wordt al vooruitgewezen naar hoe de jongen straks als een dode Ophelia in de rivier zal drijven:

    ‘ik ben alleen en drijf traag door de lucht, we zijn fijner in een stapel, staren door tralies, verwijten onze liefste niets, ik ben alleen en zink langzaam tot de bodem, wier voor mijn ogen, honing op mijn wangen, bloesems in mijn haar en de rivier is als jouw schoot, je wiegt me naar beneden, we zijn fijner en staren, ook als we wegzinken in de laatste stuiptrekkingen van het feest, als de band zichzelf in slaap speelt, als alle kaarsen uitgewapperd zijn, het donker en koud wordt, lig ik tussen je benen, met mijn ogen dicht, alsof je mijn broertje  of mijn zusje was.’ 

    Vergeet wat je gelezen hebt

    Binnen deze afdeling is er een cyclus van gedichten samengebracht onder de titel Hooglied. Hier spreken zowel de jongen als het meisje over hun liefde. In de aantekeningen achter in de bundel vertelt Möhlmann dat deze onderafdeling ‘rijkelijk uit de Bijbel put’. Toch is het niet de Bijbel, maar de 27 liefdesliedjes van Judith Herzberg die door de gedichten sterk in het geheugen worden gebracht. En dat is gelijk wat storend werkt, er zitten zoveel verwijzingen en parafrases van andere literaire werken in Dankbaar lichaam, als ook veel citaten die al dan niet letterlijk zijn gebruikt, dat je als lezer argwanend blijft zoeken naar waar die zinsnede of versregel vandaan komt, alsof je bezig bent in de boeken van Waar is Wally?

    Elke keer herken je weer een uitdrukking van een ander, als een struikelsteen in het gedicht. Het gedicht wordt een zoekplaatje, de leeservaring wordt daardoor naar de achtergrond gedrongen en dat is jammer. Zo kwamen Dylan Thomas en Faulkner al voorbij, Judith Herzberg en Vasalis, wier versregels uit De idioot in het bad door Möhlmann zelf al aangegeven worden in de aantekeningen, maar ook Paul Celan met zijn onvergetelijke Todesfuge zien we terug in ‘mijn / melkmeisje, mijn asgrauw, mijn zwart slangen- / kind’ en in ‘asbaklokkige’ verderop in hetzelfde gedicht Waar.

    Jammer is ook dat verhaallijnen die in het begin worden aangegeven, later niet worden uitgewerkt. De komst van de jongen, zijn naam, maar vooral zijn tweeslachtige sekse leken een aanduiding te zijn, maar blijven een belofte die niet wordt vervuld. Het blijft een raadsel waarom de jongen als ‘wijfjoch’ betiteld wordt, tenzij om de ergernis van de dorpsbewoners op te wekken. Daarom blijven de volgende strofen van het gedicht Nog staat de stoel in het luchtledige hangen: 

    ‘[…]
     een dankbaar lichaam neemt genoegen met wat
     het gegeven werd, je bent als man geboren en
     je blijft je geboorte trouw, waar werd een kiem 

     je hoofd ingeduwd dat je geboren werd als vrouw,
     en waar als je nu eenmaal nu een meisje blijkt
     brengt dat bewustzijn je nu verder, nou? […]

    Dankbaar lichaam is zeker een mooie bundel, maar om hem ten volle te kunnen waarderen moet je als lezer alles vergeten wat je ooit gelezen hebt.

     

  • Oogst week 24 – 2021

    Mijn vrienden

    De Franse schrijver Emmanuel Bove (1898-1945) raakte na zijn dood in de vergetelheid, tot de jaren tachtig van de vorige eeuw en sinds die tijd komen er geregeld nieuwe uitgaven of vertalingen van zijn werk uit. In 1923 wordt Bove (pseudoniem van Emmanuel Bobovnikoff ) ‘ontdekt’ door Colette en als hij vierentwintig is voltooit hij Mes amis dat een groot succes wordt. Zelf noemt hij zijn publicatie ‘de roman van de verarmde eenzaamheid’. Uitgeverij Vleugels geeft Mijn vrienden nu opnieuw uit in een vertaling van Katelijne De Vuyst.

    Hoofdpersoon Victor Baton is een jonge oorlogsinvalide, woonachtig op een klein zolderkamertje. Hij slentert door Parijs op zoek naar mensen van wie hij zou kunnen houden en die van hem houden. Zijn zoektocht brengt hem tot korte ontmoetingen op straat, in een station, in een restaurantje of langs de Seine, zonder dat hij in zijn missie slaagt. Hij wordt, behalve door etiquetteregels, gehinderd door zijn eigen trots en verwaandheid. ‘Ach de eenzaamheid,’ zegt hij op het einde van de novelle, ‘wat een schone en droevige zaak! Hoe schoon wanneer we ervoor kiezen, hoe droevig wanneer ze ons al jaren wordt opgedrongen. Sommige sterke mannen zijn niet alleen in de eenzaamheid, maar ik die zwak ben, ik ben eenzaam omdat ik geen vrienden heb.’ Op tragi-komische wijze laat Bove zien dat eenzame vrijheid of menselijke solidariteit onverenigbare zaken zijn. Bove was een bescheiden mens die zich uit eigen keuze in de marges van het Parijse literaire leven ophield. Hij was een eenling met een eigen stijl, een eigen toon, voor wie het leven een voortdurende strijd was. Mijn vrienden wordt wel vergeleken met Oblomov en Bove met Proust en Dostojevski. Zijn werk en personages zijn even tijdloos.

    Mijn vrienden
    Auteur: Emmanuel Bove
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Exces

    Decor: Amsterdam eind jaren tachtig, Berlijn begin jaren negentig. Ook New York en Londen komen voorbij, tot weer hedendaags Amsterdam in beeld is en zelfs de actuele lockdown, in Exces van Persis Bekkering. Tegen deze achtergrond waarin rave, dansen, feesten, vrijheid, extase, vele geliefden en eindeloze nachten tot de opperste existentie worden verheven viert danseres Nim het leven. Haar jeugd was precair, bedenkelijke vaderfiguren begeleidden de jonge Nim naar volwassenheid.

    Ze wordt de dansende overlever, met dansen, zuipen en snuiven en driehoeksverhoudingen in een nieuwe westerse jeugdcultuur. Toch heeft ze het gevoel dat er nooit iets verandert, dat alles zich alleen maar herhaalt en zij in eenzelfde kringetje blijft ronddraaien. Met twee doden in haar herinnering probeert Nim te begrijpen hoe haar leven zich voltrekt en waarom ze zo’n verwoestend spoor achter zich laat.

    Persis Bekkering is literatuurcriticus voor NRC Handelsblad. Ze schrijft columns, proza en essays voor onder andere De Gids, Mister Motley en De Nederlandse Boekengids. Exces is haar tweede roman.

    Exces
    Auteur: Persis Bekkering
    Uitgeverij: uitgeverij Prometheus

    Uit het oosten, licht

    Raymond Carver (1938-1988) was een van de grootste Amerikaanse schrijvers, meester van het korte verhaal. Door deze verhalen werd hij het meest bekend. Ze gaan over mensen aan de onderkant van de samenleving, over relaties die stuklopen, uitzichtloosheid en alcoholisme. Huwelijksproblematiek (hetero) oftewel wederzijds onbegrip tussen de seksen is zijn hoofdthema. Carver tekent het allemaal op droge toon op. Hij voelde zich verbonden met armlastigen omdat hij zelf in armoede en met drankmisbruik was opgegroeid. Zelf leefde hij jarenlang in dezelfde omstandigheden en toen hij de drank voorgoed had afgezworen brak de periode aan waarin hij de meeste gedichten schreef.

    Uit het oosten, licht is een selectie uit al zijn gedichten. Ze lezen bijna als proza, alleen de afgebroken regels en de korte zinnen rechtvaardigen het predicaat gedicht. De personages zijn Carveriaans: gewone mensen met kleine of grotere tragedies die eveneens haast achteloos worden verteld:
    ‘De dochter zit de hele dag op haar kamer
    gedichten te schrijven over haar zelfmoordpoging.
    Daarom zien we haar niet. Niemand ziet
    haar nog. Ze verscheurt haar gedichten
    en schrijft ze opnieuw. Maar een dezer
    dagen zal het haar lukken.’

    Een kleine vertelling in een veel groter en langer verhaal in een taal die niet loslaat maar meesleept.

    Uit het oosten, licht
    Auteur: Raymond Carver
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels
  • In boeken

    In boeken

    Van een schrijver wil ik alleen weten of het boek waaraan gewerkt is me vermaakt, eventueel verbijstert. Het hoeft niet lekker (weg) te lezen, wat als criterium voor een goed boek wel gebruikt wordt, dat het ‘lekker wegleest’. Dan denk ik, je moet er wel bijblijven, bij wat je leest. Het leven is al versnipperd genoeg, laat het lezen ons een zorg zijn. Ik wil niet weten (weet niet of ik hier helemaal oprecht ben) of de schrijver aardig is, veel drinkt of tegen haar/zijn man/vrouw schreeuwt. Als ik dat weet, sluipt er een ‘meeleef’ factor in, die de dingen besmoezelt. Wat ik lees, daar moet ik het mee doen, al gluur ik wel eens bij de buren. Ik las Schoonheidsdrift van Arie Storm.

    Eigenlijk is het geen doen deze nieuwe van Storm te lezen als je je hebt voorgenomen de opmerkelijkste passages in de roman te markeren, met potlood, stickertjes. Na honderd bladzijden was het boek niet meer te hanteren, op elke bladzijde stond wel iets dat omcirkeld moest worden, zoals, ‘Ik was inderdaad alleen in Londen: mijn vrouw en dochter waren in Amsterdam gebleven. Ik denk dat ik deze kwestie (wel/geen vrouw en dochter I.M.) nu maar eens moet oplossen, anders gaat ze tegen me werken. Het zit zo. Een lezer houdt wel van een onbetrouwbare of manipulatieve verteller. maar tot op zekere hoogte.’ Ach, denk je, wat een eerlijke schrijver! Maar daar kom je op de laatste pagina’s wel achter. Storm schrijft en leest, dat is zijn leven hoorde ik in een interview op Radio Bloemendaal, en zijn belangrijkste bezit is zijn computer (nee, geen laptop). 

    In Schoonheidsdrift vindt een ontmoeting met de dichter Keats in Londen plaats, anno 2020. Het is bizar, maar waar. Er gebeurt veel onverklaarbaars dat geen verklaring nodig heeft. Storm neemt de literatuur en degenen die het bedrijven op de hak. De verteller is een wat suf, afwezig persoon (wat de schrijver misschien ook is, dat krijg je als je steeds maar in de boeken zit). Nog zo’n omcirkelde alinea, ‘Met Ruby heb ik nooit een seksuele relatie gehad, al kan ik me op een bepaalde manier wel voorstellen dat het misschien ooit zover zou zijn gekomen (terwijl ik dit opschrijf vind ik het een erg foute opmerking, maar ik laat haar toch maar staan, misschien dat ik haar later weghaal.)’ Wat hij niet deed, anders had ik het niet kunnen lezen. Kijk, dat is nu zo fijn aan dit boek, of dit verslag zoals de schrijver het noemt, dat je meegenomen wordt in het maakproces, (ik denk niet dat de schrijver dit een fijn woord vindt, maar ik laat het toch maar staan), in zijn overwegingen. 

    Wat wil een schrijver meer dan zijn lezers bereiken. ‘Ik kijk naar mijn vingers die dit typen en haal ze van het toetsenbord en ik strek ze naar je uit, niet slechts om contact te maken  door tijd en ruimte heen, maar in een poging samen te zijn in de droom die lezers en schrijvers die in de tijd en ruimte verstrooid zijn op deze wereld met elkaar verbindt.’ En verdomd, ik voelde me verbonden, met Londen, met de schrijver, die zweefde door tijd en ruimte. Geweldig boek.

     

     

    Schoonheidsdrift / Arie Storm/ Uitgeverij Prometheus
    Interview Radio Bloemendaal


    Inge Meijer leest en reist met het OV.

     

     

  • Snoeien en groeien dat is schrijven voor mij

    Snoeien en groeien dat is schrijven voor mij

    Wie het afgelopen jaar debuteerde met een roman of verhalenbundel heeft – naast de ervaring om het lang gedroomde debuut eindelijk in handen te houden – er weinig feestelijks aan beleefd. Er waren geen presentaties, geen borrels en geen signeersessies. De Vlaamse schrijver Amarylis De Gryse (1989), die vorig jaar oktober bij uitgeverij Prometheus debuteerde met de roman Varkensribben, verwoordde het zo: ‘Het voelt alsof ik stiekem gedebuteerd ben, een feestje dat onopgemerkt voorbij ging.’ 

    Met haar korte verhalen stond Amarylis De Gryse al eens op de shortlist van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. In 2019 studeerde ze af aan de Antwerpse Schrijversacademie en eind vorig jaar debuteerde ze bij Prometheus met Varkensribben. Een tragikomische roman over loyaliteit en medemenselijkheid. 

    De Gryse woont in een klein huisje langs een Antwerpse snelweg en volgt een opleiding om boer te worden. Op dit moment loopt ze stage bij een biologische plukboerderij bij Antwerpen. Literair Nederland sprak met haar via een zoom verbinding. Een gesprek over schrijven, herschrijven, het proces van snoeien en groeien en debuteren. En hoe je in een tijd waarin honderden aspirant schrijvers hun boek uitgegeven willen zien, nog ontdekt kunt worden als literaire belofte. Zoals het Amarylis De Gryse overkwam: ‘Ik was al even bezig met Varkensribben toen ik op schrijversresidentie ging met De Buren, (Vlaams-Nederlands literatuurhuis Iv/dG). Ik denk dat Prometheus mij daar gezien heeft want daarna namen zij contact met mij op. En dat viel mooi samen want mijn manuscript was net af.’

     

    Hoe lang heb je aan je debuut gewerkt?

    ‘Zo’n drie jaar heb ik eraan gewerkt. Omdat ik ook een baan had, was er wel eens een periode van drie maanden dat ik er niets mee deed. Ik schrijf heel organisch en dan is het soms ook nodig het even te laten rusten, te laten gisten zeg maar.’

     

    Moest er veel herschreven worden toen het eenmaal bij de uitgever lag?

    ‘Tussen het eerste contact met de uitgever en het drukken van het boek zit een jaar. Er is nog veel aangepast, maar de basis was er al en die was goed. Hier en daar zijn er wat plotlijnen veranderd, maar de grote lijnen, de constructie bleef staan.’

    Dat is gelijk wat opvalt tijdens het lezen van Varkensribben: het boek zit goed in elkaar. Niets is overbodig, de hoofdstukken zijn kort, het verhaal meerlagig. De toon is onderkoeld waardoor de dingen die in wezen triest zijn, komisch worden. Marieke, de protagonist, is door haar vriend op straat gezet en leeft in een huurauto. Ze heeft herinneringen aan haar alleenstaande moeder en haar drie zussen. Ze herinnert zich dat haar vader niet naar haar omkeek, dat ze als kind met haar moeder in de keuken gehaktballen aan het draaien is. ‘Ze hing haar grote donkerblauwe keukenschort om mijn nek en draaide de linten tweemaal rond mijn middel. “Goed,” zei ze, en ze klapte in haar handen.’ Zoals Marieke het zich herinnert, lijkt het een liefdevolle moeder dochter relatie. Gaandeweg het boek wordt duidelijk dat haar herinneringen niet de werkelijkheid weergeven. 

    ‘Ik herken dat bij mezelf ook wel, dat herinneringen onbetrouwbaar zijn, maar wel je hele leven kleuren. Dat de dingen niet zijn zoals je ze herinnert was iets waar ik plotmatig wel mee wilde spelen.’


    In haar relatie met haar vriend Blok de slagerszoon heeft ze niets in te brengen, ook bij haar familie niet. Is het een boek over eenzaamheid, buitenstaanders?

    ‘Ja, dat ook wel. Maar voor mij gaat het vooral over het onderdrukken van jezelf. Marieke herinnert zich van alles maar wil de ware toedracht van haar herinneringen niet toelaten. Daarover wilde ik schrijven. Over iemand die zijn gevoelens onderdrukt, alles ondergaat en enkel registreert. En dat uiteindelijk niets zich laat wegdrukken, dat het altijd weer opspeelt.’ 


    Dat Marieke alles ondergaat is soms bijna niet uit te houden en dan komt er naar het einde toe opeens een geweldige apotheose. Had je dit van tevoren uitgedacht?

    ‘Tijdens het redigeren van het manuscript, ontstond dit moment van ommekeer bij Marieke. Vanuit al die thematieken als herinneringen, eenzaamheid, het geleefd worden en steeds weer tegen de grenzen van het zorgsysteem aanlopen, is het verhaal beginnen te groeien. En weer krimpen, en weer gegroeid. Snoeien en groeien dat is schrijven voor mij.’


    Het verhaal speelt zich voor een groot deel af in een verzorgingstehuis. De sfeer van vereenzaming, ontheemd zijn is goed in beeld gebracht. Heb je zelf ervaring met in de zorg werken?

    ‘Ik ben maatschappelijk assistent en heb in verschillende takken van de maatschappelijke dienstverlening gewerkt. In de medische sector, maar ook in de asiel- en migratie sector. Daar liep ik steeds tegen de grenzen aan van wat wel en niet mag. Er is geen tijd, want er is geen geld. Daarnaast was er ook het gevoel dat leeftijdsgenoten  uit mijn omgeving er vaak doorheen zaten door de grote druk in de sociale sector en in de dienstverlening. Ik vond dit frappant, dat weerbare jongeren die vol energie zouden moeten zitten, zo gedesillusioneerd waren, zo vermoeid. Dat was iets dat ik ook in het verhaal wilde hebben.’ 


    Heb je nog reacties gekregen op de schrijnende situaties die je beschrijft in het verzorgingstehuis? 

    Ik heb vrienden en familie die in een woonzorgcentrum werken. Van hen hoorde ik dat het herkenbaar is zoals ik erover schreef. Fijn om te horen dat het klopte, maar ook jammer dat dit de werkelijkheid is. Ik heb voor een woonzorgcentrum gekozen omdat ik er wel mee bekend was, maar niet te dicht bij me stond. Ik heb daarvoor een week meegelopen in een woonzorgcentrum met een verpleegster die daar de ochtenddienst had. En, (begint te lachen) het frappante was dat die verpleegster zei, ‘Ik ben blij dat je er bent want nu kunnen we eens iemand in bad doen.’


    Wilde je altijd al schrijver worden?

    ‘Ik heb altijd verhalen geschreven. Als kind ging ik wekelijks met mijn moeder naar de bieb. Ik was niet zo’n goede student, er werd me afgeraden om talen te gaan studeren. En als je geen talen gestudeerd hebt, kun je er moeilijk ambities in hebben, dacht ik. Het lezen en schrijven heb ik toen losgelaten. Pas toen ik de opleiding voor maatschappelijk werker had afgerond dacht ik opnieuw aan schrijven, dat het altijd een rode draad in mijn leven is geweest. Toen ben ik weer verhalen gaan schrijven en naast het werk ben ik toen een schrijfopleiding gaan volgen.’ 


    Hoeveel versies heb je geschreven?

    ‘Het waren meestal losse stukken die herzien werden. Met schaar en plakband knipte ik alinea’s uit en plakte die weer ergens anders. Op het scherm kan ik het geheel niet goed overzien. Er was dus eigenlijk nooit een versie die ik had afgerond, het bleef steeds in beweging. Zoals ik al zei, ik schrijf organisch. Ook heb ik veel hardop gelezen voor mezelf.’


    In Varkensribben wordt veel over vlees geschreven, het bereiden, het eten ervan, vet druipt van kinnen. Marieke heeft zelfs een relatie met een slagerszoon, waar kwam die vandaan?

    ‘Tijdens het schrijven van Marieke’s omgeving, vroeg ik mij telkens af, ‘Waarom doet ze zo? Wat heeft ervoor gezorgd dat ze zich op een bepaalde manier gedraagt’ En zo kwam daar onder andere die vriend, die haar onderdrukt en klein houdt. Dat hij er in de gedaante van een slagerszoon bij kwam, ontstond gewoon en klopte voor het verhaal en mijn gevoel.’


    Ik las ergens dat je zelf veganist bent, was het dan niet vreemd over vlees te schrijven? 

    ‘Ik heb altijd graag vlees gegeten maar was al veganist voor het boek ontstond. Voor mij was vlees eten ook een sociaal ding. Toen ik stopte met vlees en zuivel gebruiken dacht ik wel, oei, wat gaat mijn moeder nu voor mij maken als ik jarig ben? De nostalgie van het eten van vlees kon ik niet meer delen. Ik ben opgegroeid met de gedachte dat vlees erbij hoort. Daarom wilde ik het ook in het boek opnemen, om vlees eten te fictionaliseren. Maar ook als een soort eerbetoon aan de gerechten waarmee ik ben opgegroeid.’ 


    Wat was de aanleiding om veganist te worden?

    ‘Ik was me al langer bewust van de gevolgen die de dierenindustrie heeft op het milieu. Toen ik op een melkboerderij werkte dacht ik opeens, Ja, maar. Die kalfjes! (worden bij de moeder weggehaald zodat de melk verhandeld kan worden Iv/dG). Toen ben ik voor het volledige pakket gegaan. Niets van dieren. Soms nam ik nog wel eens een ei als ik bij mijn grootmoeder, die zwaar ziek lag, was. Dat ga ik dan niet afwijzen.’

    In het boek zitten twee droomachtige scènes. Marieke valt ongelukkig met haar fiets. Haar vader komt, hij steekt zijn hand in zijn romp en haalt er een rib uit waarmee hij Marieke heelt. De tweede scène is aan het eind. Haar moeder, die een kast aan het verschuiven is, komt eronder terecht. Marieke wil haar helpen, zoekt in haar romp naar een rib maar kan die niet vinden.


    Wat is de symboliek hiervan?

    ‘Dat heeft te maken met onderdrukte gevoelens die in je slaap naar boven kunnen komen. Marieke onderdrukt de aanwezigheid van haar vader in haar leven. Op ongewenste momenten komt dit toch opborrelen. Er komt het besef dat haar vader, in tegenstelling tot wat haar moeder haar deed geloven over hem, wel voor haar gezorgd heeft. Het is de symboliek van hoe je een stuk van jezelf kunt gebruiken om de ander te helpen, te helen. Het is in het hele verhaal duidelijk dat Marieke zichzelf klein maakte voor haar moeder, ze zwijgt op alles wat haar moeder haar te zeggen heeft. Marieke geeft zichzelf volledig weg tot ze eindelijk kan toelaten dat haar vader haar helpt. En haar moeder zou ze wel willen helpen, maar ze kan het niet.’


    Hoe was het om te debuteren?

    ‘Het was toch wel een droom die uitkwam. Spannend ook, maar tegelijk raar om in deze tijd, waarin iedereen thuis blijft dit mee te maken. Het leek een beetje op een verjaardag die onopgemerkt voorbij gaat. Toen het in oktober in België uitkwam mochten we  nog net met een groep van twintig mensen samenkomen. Toch heb ik besloten dat niet te doen. Een feestje geven voor een boek over de zorg, net wanneer de verzorgingstehuizen extra onder druk staan door corona, vond ik ongepast.’


    Staat er een volgend boek op stapel?

    ‘Mijn vorige boek moest ik eerst wel even laten bezinken. Nu begint het weer te borrelen. Ik denk weer over een roman en (lachend), ik denk dat veel van het buitenleven er in zal sluipen. Het boerenleven is een poëtisch gegeven.’

     

     

     


    Varkensribben / Amarylis De Gryse / 222 pagina’s / Prometheus (2020)

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Ilja Keizer

  • Een versregel is genoeg om een hele wereld op te roepen

    Een versregel is genoeg om een hele wereld op te roepen

    Met haar nieuwste bundel Rennen naar het einde van honger, lijkt Esther Jansma ervoor gekozen te hebben om zowel daders als slachtoffers van groot en klein leed te portretteren. Ze richt zich daarbij niet alleen op mensen, maar ook op dieren en bomen. Ze doet dit zonder een oordeel te vellen, ze constateert en beschrijft slechts. Maar juist doordat ze heel inzichtelijk weet te maken waar het wezenlijk om gaat, zijn haar gedichten scherp als een foto. Bovendien schuwt ze het maatschappelijk engagement niet door actuele gebeurtenissen weer te geven. Zo dicht ze bijvoorbeeld over mensen die vluchten vanwege een natuurramp die hun huis dreigt te doen instorten, maar ook over vluchtelingen die door oorlog uit hun land verdreven werden. Ze geeft een stem aan degenen die het overkomen is, maar ook aan de toeschouwers die langs de zijlijn staan en toekijken. Het zouden politieke gedichten zijn geworden als Jansma stelling had genomen, maar deze bundel is geen pamflet, maar een impressie. Jansma kiest haar beeldspraak zorgvuldig en ook de constructie van haar gedichten is heel doordacht.

    Bewaren van het verleden

    Jansma gaat in de eerste afdeling Waar het begint uit van het opgeven van de oude vertrouwde positie die mensen hebben ingenomen en die haaks staat op de noodzaak van bewegen en veranderen. Ze doet dit aan de hand van een gedicht over een boom, die al eeuwen begraven ligt onder het zand. ‘[…] ze is niets en doet niets / dan steeds verder en zachter / wegraken uit haar bestaan.’ Pas als de boom wordt uitgegraven, verandert ze ‘en zij stopt met iets zijn wat  vergaat’. Opvallend is dat Jansma de boom als vrouwelijk wezen beschrijft. Ze is dan ook de enige dichter in Nederland die dendrochronoloog is: een archeoloog die zich bezighoudt met de datering van bodemvondsten aan de hand van groeiringen. Het kan geen toeval zijn dat veel van haar gedichten te maken hebben met het benoemen van herinneringen en het bewaren van het verleden.

    In de afdeling De verandering staan sterke gedichten die beschrijven hoe mensen van huis en haard verdreven worden. Jansma kiest haar woorden zo zorgvuldig dat ze een willekeurige periode uit het verleden verbinden met het heden. Zo laat ze zien dat er in de lange geschiedenis van de mensheid nog steeds niets veranderd is. Oorlog, vernietiging en stromen vluchtelingen zijn universeel en van alle tijden, net als onbegrip en vreemdelingenhaat. Ze heeft daarvoor geen grote woorden nodig:

    ‘Beleid van wormen en aarde

     Ze leggen hun jas naast de weg en gaan liggen.
     Ze vertellen hun lichaam dat dit een hier is.
     Ze wuiven elkaar de troost dat dit mag toe.

     Ze mompelen over mensen en plaatsen die niemand meer kent –
     de namen ontsnappen uit hun monden als damp
     die nergens kan neerslaan, geen enkele dorst lest –
     en ze gaan slapen. En morgen weer en daarna weer.

     Niet ongerust zijn, zegt iemand bij een radiator,
     na een tijdje vermageren ze, binnenkort zijn ze papier,
     wat foto’s in een oude krant die door de wind
     omhoog gegooid smeekbeden ritselend verdwijnt.’

    Bijzonder emotioneel

    Van het gedicht ‘Hier en daar’ is de inhoud niet meer anoniem, maar verwijst naar bestaande maatschappelijke groeperingen, al noemt Jansma geen namen: een groep terroristen verkracht na het gebed een tiener, ‘- de boog / kan niet altijd gespannen blijven, het is nu pauze.’, terwijl in het witte huis de bewoner zich druk maakt over het feit dat de kristallen kroonluchter te klein is. ‘Wegwerpkindertjes’ is een afdeling met gedichten over mishandeling, misbruik, onthechting. Hoewel Jansma met ingehouden versregels niet nadrukkelijk het leed oproept, zijn deze gedichten bijzonder emotioneel. Ze laten een diepe indruk na. In het gedicht ‘Je kunt aan van alles denken’ verbindt de dichter via de titel in de eerste strofe het heden van een mishandeld kind met de slachtoffers van concentratiekampen uit het verleden: ‘Op een stoel gesmeten, je haren geroofd. / Jouw hoofd, jouw straf. Had je maar / niet moeten bestaan.’

    Ook in de afdeling Dit is niet een giraffe gaat het over mensen die nergens bij horen, buitengesloten zijn, geen vaste grond onder de voeten hebben. In het vierluik ‘Al die herinneringen’ probeert een lyrisch ik het verleden achter zich te laten en opnieuw te beginnen, maar moet daarvoor veel van zichzelf opofferen. Identiteit en imago lijken elkaars tegenpool te zijn.
    Jansma heeft vaak aan een versregel genoeg om een hele wereld op te roepen en de lezer daar midden in te trekken. ‘Ze mocht het weer slaan van zichzelf. / Ze denkt dat het een hersenschudding heeft.’ Of neem het gedicht ‘De wind steekt op’, dat net als het bekende gedicht van Remco Campert, ‘Iemand stelt de vraag’,  steeds met ‘iemand’ begint. De eerste regel luidt, ‘Iemand zegt: dat een olifant zoals jij uit míj kon komen.’ Maar waar bij Campert het stellen van vragen tot verzet leidt, is daar bij Jansma geen sprake van. 

    Eén gedicht onttrekt zich aan het algemene thema en is zacht en teder, in ‘Kattebel’ is sprake van geluksgevoelens. Ook het eindgedicht spreekt van hoop, ‘wij hebben in alle variaties al samen bestaan, ooit / zijn we er weer, zitten we hier aan precies deze tafel / te lachen, want het heelal is een lichaam dat ademt.’ Een nieuwe kans lijkt, ondanks alle ellende,  hiermee te worden aangeduid voor een niet klein te krijgen mensheid.

    Stem van schuldeloze slachtoffers

    Esther Jansma heeft in deze bundel gedichten samengebracht die op een onnadrukkelijke manier aangrijpend zijn. Ze roept situaties op waarbij geen uitleg nodig is. Ze registreert niet alleen, ze geeft schuldeloze slachtoffers een stem die net zo luid klinkt als die van de schrijnende berichten in de media. Als symbool van alle onderdrukking, marteling en moord, kiest ze niet voor een lam, wat voor de hand zou liggen, maar voor een kalf, wiens huid tot perkament gemaakt is.

    ‘Gebedenboek

     Ik werd van mijn karkas gestroopt, te weken gelegd
     in een snelstromende beek, met ijzer geschraapt,
     op een rek gespannen, met puimsteen en kalk gepolijst,
     op maat gesneden, in elkaar genaaid en vol bezweringen
     gezet tegen ontelbare ondenkbaar ellendige eindes.

     Ik werd voor mijn moordenaars een plattegrond,
     een partituur van hoe men om genade hoort te smeken.
     Zo dwing ik ontzag af voor mijn godsvruchtige slachters.
     Maar ooit was het anders, drukte ik me eenvoudig
     tegen de eeuwige warmte van mijn moeder en sliep.’

    Rennen naar het einde van honger is een tragische titel, want wie zegt dat het einde daarvan bestaat? En of de mensen die deze gedichten bevolken, die eindstreep halen? Jansma geeft ze wat hoop, maar niet veel.

     

     

  • Een reservaat waarin diersoorten worden gekoesterd en verjaagd

    P.F. Thomése kwam in 1990 de literatuur binnen met de verhalenbundel Zuidland, waarmee hij meteen de AKO-literatuurprijs won. Daarna oogstte hij grote successen met Schaduwkind (2003), een requiem voor zijn overleden dochtertje en naar eigen zeggen zijn beste werk. De onderwaterzwemmer (2015), bezorgde hem in 2016 de Prijs van de lezersjury van de Fintro-literatuurprijs. Vorig jaar verscheen Vaderliefde, een pakkende roman over zijn overleden ouders. Thomése oogstte internationaal succes met zijn boeken. Tussendoor schreef hij enkele komische werken waarin zijn vriend J. Kessels de hoofdrol speelt. Onlangs verscheen de Tilburg Trilogy, een bundeling van de drie boeken over J. Kessels.

    Kris Mattheeuws sprak via een videoverbinding met P.F. Thomése over zijn oeuvre, een boek als een country song, het schoppen tegen schenen en het oprekken van de grenzen van de literatuur.

    Bekend als stilist van serieuze literatuur, leek het vreemd dat uitgerekend Thomése een aantal scabreuze romans schreef waarin borsten en billen in al hun aspecten welig tieren. Boeken waarin de country & western-tearjerkers uit de autoradio jengelt, bier rijkelijk vloeit, het platvloerse en de onderbroekenlol niet uit de weg worden gegaan. Thomése heeft er geen probleem mee, integendeel.

     

    De stijl van de J. Kesselsromans is van een heel andere orde dan het meer serieuze werk dat we van u gewoon zijn. Is daar een specifieke reden toe?

    ‘Een boek schrijf ik niet met voorbedachten rade. Kort nadat Zuidland in 1990, verscheen bij een bibliofiel uitgeverijtje in Heiloo, een serie reisverhalen Deep South & Far West waarin ik met mijn vriend J. Kessels door het country gebied van de VS reisde. Omdat ik net de AKO-literatuurprijs had gewonnen, werd dit boekje ook opgemerkt. En tot mijn verwondering werd het goed onthaald. Gaandeweg is het J. Kessels-werk wel wat scabreuzer en lichtzinniger geworden. Mijn andere boeken hebben daar misschien geen gelijke tred mee gehouden, ik denk dat we alles in dat licht moeten zien. Want ook Het zesde bedrijf (1999) heeft een zekere lichtvoetigheid. Ik probeer in die roman, die zich afspeelt in Parijs tijdens de Franse Revolutie, een soort operetteachtige sfeer te creëren. De recensenten hebben dat toen een beetje gemist omdat ze zich erover verbaasden dat ik een vrouw als hoofdpersoon had gekozen. Een man die over een vrouw schreef, was voor sommigen ‘not done’ of werd op zijn minst gewantrouwd. Het was een beetje omgekeerd seksisme, terwijl ik daar helemaal geen slechte bedoelingen mee had, geen slechtere althans dan met mijn andere personages. Ik denk dat beide kanten, het komische en het tragische, het ernstige en het speelse, altijd aanwezig zijn geweest in mijn werk. In mijn debuut Zuidland is het komische al aanwezig. Ik zag onlangs een optreden van Josse De Pauw waarin hij Leviathan (kort verhaal van Thomése, K.M) als ‘Sprechtheater’ bracht. Ik moet zeggen dat ik dertig jaar na datum toch weer bij bepaalde passages in de lach schoot.’

     

    Het personage J. Kessels kwam tot leven in verhalen over roadtrips in de VS. Waarom besloot u hem als hoofdfiguur op te voeren in maar liefst drie romans? Wat is zo dankbaar aan de figuur Kessels?

    ‘Het is eigenlijk een uit de hand gelopen project. Veel had te maken met het feit dat mijn eerste uitgever Querido geen interesse had in mijn J. Kessels verhalen. Ze wilden er niets van weten, dat was ook een van de redenen om daar weg te gaan. Ik vond het een miskenning van mijn schrijverschap door niet het hele schrijverschap te willen omarmen. Het was ook een soort bevrijding, mede doordat ze bij mijn nieuwe uitgeverij Atlas Contact een groot liefhebber van J. Kessels waren. Zonder enige aarzeling gaven ze het uit. De belangrijkste rol hierin werd echter gespeeld door de redactie van Hard Gras, het literaire voetbalblad. Het blad werd zo populair dat we op een bepaald moment gingen toeren. We zaten in een busje met Anna Enquist, Henk Spaan, Herman Koch, Matthijs van Nieuwkerk en Ronald Giphart. Zij kenden mijn J. Kessels-kant nog niet. 

    Ik verraste hen daar mee en ik maakte er op den duur een sport van om hen achter de coulissen zo hard te doen lachen dat het publiek het ook hoorde. Toen Matthijs van Nieuwkerk zo gierde, is dat voor mij wel de trigger geweest er met nog meer zin mee aan de slag te gaan. Ik besefte toen dat het iets heel bijzonders had, wat ik er eerder nog niet in gezien had. Het komisch effect werd vergroot door het feit dat dit werk zo haaks stond op alles wat ze van mij kenden. Dat heb ik dan ook wel uitgebuit. In die zin zie ik het meer als het werk van een straatmuzikant. Ik begin en er staat onmiddellijk een kring om me heen. Het is informeler dan mijn andere werk, ofschoon het ook heel erg gekunsteld is. Het is mijn meest postmodernistische roman. Het bevat een heleboel metagrappen.’ 

     

    U brengt ook het personage P.F. Thomése naast de figuur van J. Kessels. Zijn de twee antipolen?

    ‘Alles is natuurlijk gebaseerd op mijn vriendschap met J. Kessels. In een vriendschap is er de neiging tot symbiose, maar die bestaat wel uit twee polen. Dat is altijd zo, denk ik.  Bij ons werd dit zeker versterkt en als schrijver versterk je dat nog meer. Het zijn complementaire gestalten, daar kwam ik gaandeweg achter en daar ging ik ook meer mee spelen. Zo valt J. Kessels op rondborstige vrouwen en bekijkt P.F. Thomése het meer van achteren, van de bilzijde. Dat getuigt ook een beetje van het achterbakse van de schrijver die altijd een beetje van achteren zit te loeren, terwijl J. Kessels oprecht is en rondborstige vrouwen met open vizier tegemoet gaat, zonder enige bijgedachte.’

     

    Is er enige gelijkenis tussen het personage Thomése en de auteur Thomése? 

    ‘Autobiografie is oninteressant in de zin dat ik er geen behoefte aan heb feiten getrouw weer te geven. Niet omdat ik iets te verbergen heb, maar omdat ik denk dat het in de tekst zelf zit. De spanning en de gevoelens worden vanzelf waar, meer dan de zogenaamde droge feiten. Door lang te figureren in die boeken ben ik überhaupt langzaamaan op hem gaan lijken. Daar ontkom ik niet aan en dat ga ik ook niet ontkennen. Maar ik denk niet dat wanneer ik mijn zoons naar  hockey breng, andere ouders denken: “Daar heb je die viespeuk weer die altijd in onzedelijke toestanden terechtkomt”.’

     

    De rode draad in de Kessels romans, naast de queeste naar seksuele verlossing, is countrymuziek. Is dat een echte passie en vanwaar die passie?

    ‘Ik ben er een beetje van afgedreven in het tweede en derde boek, maar de verhalen en het eerste boek heb ik proberen te schrijven als een country song, een melodrama. Een country song is melodramatisch in de zin van ‘vroeger was het beter’. Het verlangen naar een vroeger dat er nooit is geweest, zit er altijd in. Nostalgie is de drijfveer en dat maakt misschien ook dat ik het lichtere genre heb gekozen. Nostalgie staat bekend als een oppervlakkige emotie, terwijl iemand met een retrospectieve geest zoals ik niet zonder nostalgie zou kunnen leven. Dat betekent niet altijd het verheerlijken van het verleden, maar evenzeer het lijden aan de onmogelijke terugkeer daarnaar. Dat noem ik mijn country & western gevoel. Daar val je niemand mee lastig, maar in een verhaal kan dat heel goed werken. Het motief om het verlangen over te doen, maar dan goed, speelt een grote rol in zowel J. Kessels: The Novel als in Ik, J. Kessels. Dat verlangen naar verlossing zit ook in country songs. Denk aan het kernbegrip ‘redemption’ bij Johnny Cash. 

    Op de een of andere manier spelen deze zaken in de officiële, erkende literatuur minder een rol omdat men het kinderachtig vindt, of gênant. Als een schrijver dat doet wordt hij op de vingers getikt. Ik zie het bij veel schrijvers gebeuren. Iemand als A.F.Th. van der Heijden is voortdurend zijn verleden aan het herbezoeken en aan het herschrijven. Dat is een klassiek gegeven in de literatuur. Als je het zo vet doet als ik in de J. Kesselsromans, dan worden de wenkbrauwen gefronst. Maar ik denk dat je er juist dan dichterbij komt. Door overdrijving en het thematiseren van het smakeloze. Zoals bijvoorbeeld het literair ejaculerende teruggeilen op een meisje aan de flipperkast in de cafetaria van mijn jeugd. Het is een soort ‘not done’. Ik ken het niet als motief. Wel de onbeantwoorde jeugdliefde, maar niet de al dan niet beantwoordde eerste geilheid of erotische sensatie, en die is eigenlijk veel bepalender.’ 

     

    In de drie romans is een opvallende evolutie in de aanwezigheid van de figuur J. Kessels. In de eerste is hij zeer aanwezig, in de tweede is het op zoek gaan naar, en wordt uiteindelijk gevonden. In de derde is hij afwezig tot het einde. Is dat een bewuste keuze?

    ‘Dat is een autobiografisch gegeven. Het zijn drie boeken geworden omdat J. Kessels er genoeg van kreeg, ook van mij als vriend. Die boeken zijn het afscheid van een vriendschap geworden en dat is in drie stappen gegaan. Elk boek ging er weer een deur dicht en dan was het voorbij. In Het bamischandaal vind ik hem nog kettingrokend terug op een stoep in Shanghai, maar in Ik, J. Kessels moet ik het doen met Peerke Sonnemans die nu zijn beste vriend geworden is.’

     

    Inderdaad. J. Kessels’ rol wordt langzaam maar zeker ingenomen door Peerke Sonnemans. Welke rol speelt hij in het hele verhaal?

    ‘Hij is een epigoon van Kessels maar zonder de grandeur die Kessels heeft. Kessels zou zo uit een country song kunnen komen. Sterker, toen ik met hem door Amerika  trok, werden we dikwijls gefotografeerd omdat ze ervan overtuigd waren dat ik Art Garfunkel was, ik had toen nog meer haar, en hij een country zanger. Peerke daarentegen heeft helemaal geen stijl, hij is berekenend. Hij heeft wel één significant voordeel ten opzichte van P.F. Thomése, hij is hondstrouw. Hij doet alles voor J. Kessels, terwijl P.F. Thomése hem verraadt in toenemende mate. Dat is trouwens ook een vreemd aspect van een autobiografische roman dat niet vaak voorkomt. Dat de ik-verteller een uitermate onsympathieke, onbetrouwbare figuur is, en dat de schrijver die zelf belichaamt, is een unicum.’

     

    U schopt tegen veel schenen. De zogenaamde politieke correctheid is niet aan u besteed? U spot met homo’s, zwarten, collega-schrijvers.  Hebt u daar geen problemen mee of mee gehad?

    ‘Sinds George Floyd en Black Lives Matter is de wereld veranderd. Ik zou het nu, denk ik, niet meer doen, ik zou er tenminste niet meer zo achteloos overheen gaan.  De beweging heeft iets aan het licht gebracht waar je je als schrijver wel rekenschap van moet willen geven. In die zin zijn het dus historische romans geworden. Als ze het zouden willen censureren zou ik me wel met hand en tand verzetten. Men is niet verplicht het te lezen. Ik heb het ook niet bewust gedaan. Ik heb het gedaan omdat ik die country & westernstijl tot leven wilde brengen. Stereotypering is de ruggengraat van een goede country song, die stijlfiguur is verplicht. Alles wordt gestereotypeerd, ikzelf, J. Kessels.

    Ik heb voor deze editie een nieuwe omslag gekozen, in de oorspronkelijke editie had cartoonist Gerrit de Jager op mijn verzoek cartoons gemaakt, dat cartooneske speelt ook bij de leeservaring mee. Dat ontslaat je natuurlijk niet van verantwoordelijkheden. Hier en daar is het explosieve materie geworden. We kijken nu ook anders naar Kuifje in Afrika. Terecht. Al blijft dat album cultuurgoed. Kunstenaars zijn vaak ‘fout’, dat zit een beetje in de aard van het beestje. Als je iedereen gaat cancelen, houd je alleen koorknapen over. Dan heeft kunst geen zin meer. Veel heeft met het vermogen tot zelfspot te maken. Maar niet iedereen is het daarmee eens. In Breda lachen ze erom, in Tilburg hebben ze het er soms moeilijk mee. Dat geldt ook voor de mensen wier identiteit ik heb gebruikt. 

    De personages zijn allemaal bestaande mensen. Toen Frans Schellekens alias De Schel, mijn vriend en gids in Shanghai, na een val van een trap overleed, vroeg zijn familie mij om iets te zeggen op zijn uitvaart. Er werd met klem gevraagd óók iets voor te lezen uit Het bamischandaal. Het publiek herkende het en de lach rolde door de tent, het was ontroerend en hartverwarmend. Dat was heel bijzonder. Zo zie je, het gaat erom hoe je het opvat.’ 

     

    De zeer ironische stijl is dus een bewuste keuze.

    ‘Ja, natuurlijk. Zoals ik het schrijf is alles omkeerbaar. J. Kessels, de centrale figuur, heeft altijd stellige meningen, apodictische uitspraken, oneliners die zo uit een country song kunnen komen en slaan meestal nergens op. De waarheid is in die boeken sowieso op drift geraakt en het omgekeerde is even goed waar. De woorden hebben eigenlijk in die zin geen waarde meer. Daar heb ik ook enorm veel plezier in, om die woorden bijna te gebruiken als een autonome taal, een taal die van de pot gerukt is. 

    Een van mijn allergrootste helden is Nabokov. In Lolita zingen de woorden zich ook helemaal los van hun betekenis en dat is een van de redenen waarom het zo’n fantastisch boek is. Velen vinden het een boek over een pedofiel, maar  het is een boek over taal en die taal is losgeraakt van zijn anker, los van zijn vaste betekenis. Voor Nabokov was Engels ook een vreemde taal. Dat heb ik ook, die vreemdheid, ik druk me uit in een taal die alle kanten op kan. Dat is gemaniëreerd. Zoals de Italianen na de barok deden, ‘alla sua maniera’, op zijn eigen manier, de eigenheid van het schrijven. 

    Taal is natuurlijk iets algemeens, we wisselen uit, we weten allemaal precies wat een woord betekent en als iemand de taal op een eigen manier gebruikt, is het niet meer zo duidelijk. Dat is voor mij als schrijver belangrijk, dat de lezer niet meer weet waarheen hij wordt gevoerd. Daarom gebruik ik mezelf en die vriendschap en dat autobiografische ook. Het begint met twee vrienden die samen naar het café gaan, heel herkenbaar, en dan gaat het verder en komen ze in een krankzinnig universum terecht.’

     

    Het is een boek over vriendschap, maar evenzeer over het verlies van vriendschap. Was het schrijven van boek drie een soort van loutering of catharsis?

    ‘Boek drie is best wel een elegische roman, een elegische pornografie. P.F. Thomése belandt in de armen van een ex van J. Kessels. Hij beleeft iets wat verjaard is, nergens meer op slaat. In zijn gedachten zijn die vrouwen nog de vamps van weleer, maar daar is de tijd ook overheen gegaan.’

     

    Hoe moeilijk is het om over een bestaand figuur te schrijven die ook reacties kan geven. Bij Vaderliefde waren uw ouders al overleden, daar kon geen reactie meer van komen. Hebt u er ooit bij stilgestaan dat dit kon leiden tot de teloorgang van de vriendschap?

    ‘Ik was me daar niet bewust van. Ik had natuurlijk al in 1990 over hem geschreven en toen had ik niet de indruk dat het verkeerd viel. Ik denk dat het probleem ontstond toen de boeken steeds populairder werden. Nolens volens werd hij opeens een lokale beroemdheid, in Tilburg werd hij erop aangesproken. Die receptie heb ik onderschat. Voor mij als schrijver was dat bekend, hij had het er moeite mee. Hij werd opeens een publieke figuur, terwijl hij daar geen behoefte aan had. Maar omdat hij niks zei, was ik me daar niet van bewust. Na het tweede boek kwam de film, het media gedoe daaromheen leidde tot een definitieve breuk.’ 

     

    Om terug te komen op de stijl. Er zijn die twee aspecten in uw werk, het ernstige en het lichtvoetige, dit wordt soms bestempeld als platvloers, onderbroekenlol, goedkope humor? Houdt u zelf van die stijl?

    ‘Jazeker, zeker in een genre als de film. De films van Tarantino kan ik eindeloos bekijken. Ook in de literatuur: ik ben opgegroeid met Gerard Reve en ik hou erg van die Amerikaanse hard boiled stijl. Mijn eerste boek draag ik op aan hardgekookte jongens als Charles Bukowski, Jack Kerouac, Kinky Friedman, Hunter S. Thompson, Schrijvers die ik in verschillende fasen van mijn leven heb gekoesterd. Ik hou ervan met een bepaalde weerzin te kijken naar de lessen Nederlands of de neerlandistiek, waar de literatuur behandeld wordt als een soort reservaat, bepaalde diersoorten worden gekoesterd en andere worden als mussen afgedaan. Dat heb ik ook met de J. Kesselsboeken. Ze moeten wel naast mijn andere boeken kunnen staan, maar dat doen ze soms niet van harte. Daar heb ik wel plezier in. Het is het oprekken van de grenzen van de literatuur. 

    Dat vind ik heel belangrijk, literatuur beslaat het hele leven en de hele werkelijkheid, niet enkel het serieuze deel daarvan. Dat vind ik het knappe van Tarantino. Hij betrekt allerlei banaliteiten in zijn films, hij kan een gesprek over de kwaliteit van koffie opnemen, zoals in Pulp Fiction. W.F. Hermans claimt in zijn essay over antipathieke personages dat een personage weerstand moet oproepen. De lezer wil bevestigd worden, wil een positieve ervaring, gevleid en gerustgesteld worden. Maar de schrijver moet daar tegenin gaan, de lezer uit zijn comfortzone halen. Volgens Hermans gaat het erom dat je als lezer iets te weten komt wat je niet wilde weten maar, nu je het weet, niet meer kan vergeten. Bij Hermans is dat de bittere waarheid, terwijl het bij mij komisch kan zijn de broek te laten zakken.’

     

    Wat zijn uw plannen voor 2021, staat er een nieuw boek op stapel?

    ‘Ik ben al een jaar bezig met Lohengrin. Een roman over een broer-en-zus-achtige verhouding tussen een Amerikaanse jongen die op zoek is naar zijn gesneuvelde vader en een meisje op zoek naar haar weggelopen moeder, verloren zielen in een reële wereld. Ik verwacht het dit jaar af te maken.’

     

    Tilburg trilogy, De J. Kessels romans / P.F. Thomése / 688 pag. / Uitgeverij Prometheus (2020)
    Foto: Annaleen Louwes, (via de uitgeverij)
  • Oogst week 51 – 2020

    Zuca-magazine, Fernando Pessoa special

    In de laatste Oogst van dit jaar een vers verschenen literair tijdschrift, een debuutroman, en een keuze van twee boeken uit de stapel boeken die de afgelopen maanden zijn binnengekomen.

    De vijfde papieren editie van Zuca-magazine is geheel gewijd aan de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935). Wat deze editie vooral wil laten zien is dat Pessoa niet alleen dichter was, maar ook was hij journalist, chroniqueur, verhalenschrijver, filosoof, polemist, reclameman, oprichter van tijdschriften, misdaadauteur, uitgever en groot briefschrijver. Veel schreef hij vanuit zijn zogenaamde heteroniemen, zoals de dichter Ricardo Reis. Waarover Yves van Kempen een mooi stuk schreef, ‘De dichter Ricardo Reis en zijn geestelijke vaders’. Waarmee hij natuurlijk Pessoa zelf bedoelt, maar ook Saramago die Ricardo Reis in zijn roman Het jaar van de dood van Ricardo Reis, vanuit Brazilië waarheen Pessoa hem had laten emigreren, laat terugkeren naar Portugal. En beste lezer, wees gewaar dat het hier dus een door Pessoa verzonnen persoonlijkheid betreft, die verder leefde nadat hij zelf overleden was.

    Van Abdelkader Benali een stuk over toen hij als jongeman Het boek der rusteloosheid begon te lezen, de vele streepjes die hij zette, tot pag. 30 van het boek, toen begon het ‘fladderen’ zoals hij schrijft. ‘Het oog werd ekster’ die de aansprekende stukken eruit pikt, ze verzamelt. ‘Snapshots. Dit boek leent zich daar goed voor.’ De korte en langere stukken tekst van Pessoa, die zoals het redactionele stuk vermeldt: ‘Er is een Pessoa voor iedereen!’ Maar het mooie is, dat deze special de verschillende delen van Pessoa naast elkaar laat zien, die soms aan elkaar passen maar nooit helemaal samenvallen met een en dezelfde persoon.

    De vertalingen zijn van de hand van Harrie Lemmens, met een enkel opgenomen stuk in vertaling van August Willemsen.

    In het middenkatern een keuze uit de eerder op de site van Zuca-magazine verschenen citaten van Pessoa die samengaan met een kleurenfoto van Ana Carvalho, die een beeld zo dichtbij haalt dat er een andere werkelijkheid ontstaat.

     

     

    Zuca-magazine, Fernando Pessoa special
    Auteur: Onder redactie van Ana Carvalho, Marylin Suy en Harrie Lemmens
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    De druppel

    Jan van Mersbergen is romanschrijver en een veelschrijver, en dat is positief bedoelt. Dagelijks schrijft hij een verhaal op zijn blog, of een stuk dat leest als een fragment uit een roman, hij is schrijfdocent en schrijft ook nog onder het pseudoniem van Frederik Baas thrillers.

    De druppel is zijn derde thriller en gaat over een burenruzie die nogal uit de hand loopt. Met de nogal obsessieve schrijver van een bestseller over opruimen, rust en regelmaat, Tom: een echte controlefreak. Schrijver Jan van Mersbergen is niet ver weg in deze thriller, hij zit in de schrijfstijl, in fragmenten als, ‘Als je een vaste baan hebt en iedere dag naar kantoor gaat dan weet je altijd hoe laat het is en welke dag het is. Zit je thuis met een stapel boeken op je tafeltje, en het werk is gedaan, dan maakt het niet uit welke dag het is.’

    En dan is er de mailwisseling met een schrijfdocent met de initialen J.M, en de cursist Gerard, die in het verhaal de bovenbuurman van Tom is. De druppel zit gewoon geweldig in elkaar, ingenieus geconstrueerd, en levert ook nog schrijftips op.

     

    De druppel
    Auteur: Frederik Baas
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Varkensribben

    Het prozadebuut Varkensribben van Amarylis De Gryse is een tragikomisch verhaal over een jonge vrouw die aan het begin van de roman in een auto leeft omdat haar jeugdliefde haar uit huis heeft gezet. Vanuit die auto vertrekt ze elke ochtend naar een verzorgingstehuis om haar ochtendshift te doen. Terug naar huis, naar haar moeder, blijkt geen optie. Als jongste van vier dochters, wordt het niet gewaardeerd dat haar relatie met de zoon van de slager verbroken is. Waarbij even gedacht wordt aan het prozadebuut van Tom Lanoye, Een slagerszoon met een brilletje. Waarbij met name de sfeer uit het leven van een middenstandsfamilie overeenkomsten vertoont.
    Varkensribben is opgebouwd uit herinneringen, mooi beschreven familietafereeltjes als uitstapjes naar het strand, het vieren van verjaardagen, de rolverdeling onderling.

    Maar meer nog is Varkensribben het verhaal van een jonge vrouw die zich in de steek gelaten voelt, haar eigen route moet gaan bepalen. Het verleden, herinneringen daaraan, spelen een belangrijke rol. Geschreven in prettig korte hoofdstukken, met gedetailleerde beschrijvingen van het menselijk ongemak.

    Varkensribben
    Auteur: Amarylis de Gryse
    Uitgeverij: Prometheus

    Treurzang voor een thuisland

    Ayad Akhtar(1971)  is een Amerikaanse toneel-, roman- en scenarioschrijver van Pakistaanse afkomst die in 2013 de Pulitzerprijs voor Drama ontving voor zijn toneelstuk ‘Disgraced’. Zijn romandebuut De hemelverdiener (2012) verscheen in meer dan twintig landen.

    Zijn nieuwe boek Treurzang voor een thuisland is een hybride roman waarin het politieke met het persoonlijke verhaal verweven is en leest als een aanklacht tegen Amerika. Het verhaal van een vader die cardioloog is, zijn zoon en de ‘Great American Dream’. Een droom die ook voor Ayad Ahkyar uitkwam, na jaren van geploeter werd hij beroemd en rijk. Toch hoort hij er nog steeds niet helemaal bij, omdat hij moslim is, kind van Pakistaanse ouders.

    Treurzang voor een thuisland  gaat over die Amerikaanse Droom, over schulden en drugsverslaving die talloze levens verwoesten, over een gierige reality-tv-persoonlijkheid die president is geworden en over hardwerkende immigranten die voortdurend in angst leven. Een boek dat we zouden moeten lezen.

    Treurzang voor een thuisland
    Auteur: Ayad Akhtar
    Uitgeverij: Atlas Contact