• Oogst week 9 – 2026

    Oogst week 9 – 2026

    Jong en eenzaam

    Jong en eenzaam van Kevin van Vliet is een verslag, in romanvorm, van een jonge journalist op reis langs de ruïnes van zijn verleden. Na vijf jaar in Zuid-Afrika gewoond te hebben komt hij terug naar Nederland om een nieuw werkvisum aan te vragen en ineens wordt hij geconfronteerd met zijn vroegere zelf. Alles staat op het spel, hij dreigt zijn werk, maar ook zijn verstand te verliezen. Jong en eenzaam, een verwijzing naar Oud en eenzaam van Gerard Reve, opent de aanval op de huidige stand van de Nederlandse literatuur.

    Van Vliet (1993) werkte bij HP/De Tijd, toen in Hilversum, vervolgens bij diverse kranten – en hij is nu correspondent in Zuid-Afrika voor Trouw en Het Financieele Dagblad.
    Zijn literaire debuut, de novelle Wolfsjong (2019) werd genomineerd voor een Bronzen Uil. Evenals de korte roman Bobbejaanskloof (2023)

    Jong en eenzaam
    Auteur: Kevin van Vliet
    Uitgeverij: Prometheus

    Het zwarte schip

    In de allereerste scène van deze verhalenbundel van Nicola Pugliese doemt uit de donkere nacht geruisloos een zwart schip op. Is het een collectieve zinsbegoocheling, een slecht omen of een waarschuwing? De komst van dit mysterieuze schip zet een reeks verontrustende, kafkaëske verhalen in gang, waarin het dagelijks leven in de stad van de rails loopt.

    De unieke schrijver Pugliese beschrijft in een donkere en betoverende stijl de meest onverwachte en vreemde gebeurtenissen, die iedereen in hun greep lijken te houden en alles staat op losse schroeven. Nieuwe agenda’s lopen niet meer synchroon, een steeds ontsnappende gevangene lijkt nooit echt vrij te kunnen komen; Tijdens een crisis wordt Kerstmis afgeschaft. De kettingrokende Carlo Andreoli is het alter ego van Pugliese en een terugkerend personage. In de krant leest hij over zijn aanstaande dood. De verhalen spelen zich af tegen de vage contouren van Napels.

    Nicola Pugliese (1944 – 2012) was een eigenzinnige Italiaanse schrijver en journalist. Malacqua is zijn enige boek, dat in 1977 verscheen. Het werd een soort cultroman, die niet mocht worden herdrukt van de auteur. Na Puglieses dood, verscheen Malacqua echter opnieuw in Italië. Ook hier heeft Carlo Andreoli, de melancholische journalist, een rol. Hij verslaat de mysterieuze gebeurtenissen die in Napels plaatsvinden. Dankzij vertaalster Annemart Pilon kwam het boek ook in Nederland uit.

    Het zwarte schip
    Auteur: Nicola Pugliese
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Omgeslagen dagen

    Omgeslagen dagen van Mensje van Keulen is het vervolg op haar dagboeken Alle dagen laat, Neerslag van een huwelijk en Moeder en pen. Met de haar zo kenmerkende scherpte en humor neemt Van Keulen de lezer ook in het vierde deel van haar dagboeken mee in het immer woelige schrijversleven in de jaren tachtig te Amsterdam. We volgen Van Keulen van 1983 tot 1987. Inmiddels is ze gescheiden en een gevierd schrijfster. Ze werkt aan de verhalenbundel De ketting (1983), haar roman Engelbert (1987) en haar jeugdboek Tommie Station (1985), dat een groot succes wordt. Toch gaat het schrijven, met een zoontje dat naar de basisschool gaat en een nieuwe liefde, bepaald niet vanzelf, maar Van Keulen zet door.

    Van Keulen debuteerde met de veelgeprezen roman Bleekers Zomer. Eerder was zij, van 1970 tot 1973, redacteur van het studentenweekblad Propria Cures, waar zij – naast verhalen – onder het pseudoniem Josien Meloen gedichten schreef. Later maakte zij samen met onder anderen Gerrit Komrij, Theo Sontrop en Martin Ros jarenlang deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift Maatstaf.

    Zij schreef niet alleen voor volwassenen, maar ook enkele kinderboeken.

    Omgeslagen dagen
    Auteur: Mensje van Keulen
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Magische roman over slachtoffers van de nazi’s, de Sovjets en vlucht MH17

    Magische roman over slachtoffers van de nazi’s, de Sovjets en vlucht MH17

    De witte dame van de mijn is een ontluisterende en noodzakelijke roman van de Russische schrijver en ‘buitenland agent’ Sergei Lebedev (1981). Een huiveringwekkend verhaal rond de vliegramp van de M17, gezien door de ogen van vier personages in de Donbas. Lebedev is in 2018 voor zijn eigen veiligheid verhuisd van Moskou naar Berlijn. Hij is een van de bekendste schrijvers van zijn generatie. In de meeste van zijn boeken doet hij onderzoek naar de psychische gevolgen van de Goelag op de Russische samenleving.

    Als kind zocht Lebedev naar mineralen en bergkristallen in verlaten mijnen om zijn zakgeld aan te vullen. Daarbij stuitte hij op resten van voormalige kampen uit de Goelag. Vanaf zijn vijftiende was hij jarenlang veldwerker bij geologische expedities in het Verre Noorden van Rusland en in Centraal-Azië, de voormalige Goelag gebieden die onbewoond waren gebleven nadat de gevangenkampen halverwege de jaren zestig waren gesloten. Als journalist schreef hij vanaf 2010 artikelen en romans over het Sovjetverleden. Met name over de gevolgen van de onderdrukkingen en vervolgingen die daar plaatsvonden. In De witte dame van de mijn verbindt hij de beginnende Russische agressie tegen Oekraïne na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie met het neerhalen van vlucht MH17 boven de Donbas.

    Versteende slachtoffers

    In een interview vertelde Lebedev dat hij al langer een roman wilde schrijven die in de Donbas speelt, omdat de holocaust nog verder naar het Oosten ging dan Baby Jar in Kiev waar de nazi’s meer dan dertigduizend Joden hebben vermoord. Bij hun terugtrekking uit de Donbas vernietigden ze alle sporen. Het was een van de dichtstbevolkte joodse gebieden in de Sovjet-Unie en tienduizenden Joden werden in de mijnschachten terechtgesteld en achtergelaten. Toen de Sovjets na de oorlog de schachten openden, sloten ze die onmiddellijk weer af nadat ze er een blik in hadden geworpen. Tienduizenden versteende slachtoffers bevinden zich nu nog in de mijnen en de Sovjets wilden het leed van de Joden niet openbaar maken.

    Op 17 juli 2014 werd vlucht MH17 boven datzelfde gebied uit de lucht geschoten. De brokstukken van het vliegtuig, de lichamen en de bagage van de passagiers lagen over vele kilometers verspreid, een beeld dat Lebedev jarenlang achtervolgde. Als hij in februari 2022 ziet dat Russische pantservoertuigen met halve hakenkruizen (Z) de grens oversteken, besluit hij dat het tijd is voor deze roman. Het absurdistische en cynische verhaal speelt over vijf dagen in juli 2014. Elke dag heeft als titel de naam van een van de personages: Jeanne, Valet, De Generaal en De Ingenieur. De laatste dag is getiteld Jeanne. Per hoofdstuk wisselt Lebedev van perspectief.

    Hoofd van de wasserij

    Het eerste hoofdstuk op de eerste dag gaat over Jeanne, de dochter van Marianne die drie decennia hoofd van de wasserij van de mijn is geweest. De vader van Jeanne was in 1996 overleden tijdens een mijnramp. Nadat de mijn werd gesloten, ging Marianne voor een half jaar als ziekenverzorgster naar Graz in Oostenrijk. Na terugkeer was zij ziek en bedlegerig. Ze wilde geen dokter en of andere hulp inroepen. Tijdens haar ziekte, wat kanker bleek te zijn, ondervond Marianne een complete persoonsverwisseling. Terwijl Jeanne in de kamer naast haar moeder sliep, overleed  Marianne. Een ambulancebroeder zei over haar moeder: “Zo uit het concentratiekamp’.  Dat deed Jeanne denken aan een verlaten mijnschacht: ‘Het hele dorp wist wat, of liever wie er in die schacht lag. Het was een geheim dat geen geheim was.’  Aan het eind van die dag ziet Jeanne nog een lijnvliegtuig, dat oplost in de lucht.

    Aan het begin van de tweede dag begluurt Valet zijn opgroeiende buurmeisje Jeanne. Hij zag ook het geleide luchtafweer raketsysteem Omela langsrijden. Het zijn in de roman de eerste voortekenen van het neerschieten van een lijnvliegtuig zoals Jeanne dat in de lucht zag verdwijnen. Op de derde dag, getiteld ‘Valet’, ziet Valet de brokstukken van MH17 neerkomen.

    Valets vader overleefde – verminkt – de mijnramp. Als jonge man dacht Valet dat er in de mijnschacht een geheime raket verborgen was,  maar van zijn vader hoorde hij dat er Joden lagen. Hij zocht er naar gouden kronen en vermoordde een zwerver die hem betrapte. Toen buurvrouw Marianne dat ontdekte, liet zij hem wegsturen. Jaren later , als Marianne op sterven ligt, komt Valet  terug uit Moskou. Hij bespiedt hun huis terwijl Marianne naakt op bed ligt en Jeanne zich in een witte stofjas over haar heen buigt. Die aanblik windt hem op, en om wraak te nemen, wil hij Jeanne overweldigen.

    Dossier Sneeuwwitje

    In de volgende hoofdstukken vertelt Lebedev het verhaal zodanig dat ze naadloos op elkaar aansluiten. De Generaal ziet ook het luchtafweerraketsysteem voorbij komen: ‘Maar zonder het te maskeren, de idioten!’ Als lid van de KGB had De Generaal dertig jaar eerder een dossier aangelegd met onderzoek naar de wasvrouw Marianne: Dossier Sneeuwwitje. In de omgeving van de mijnschacht was een executieplaats geweest van de NKVD, de voorloper van de KGB, er lagen duizenden mensen onder de grond. Nu zou hij haar kunnen ‘vastzetten en martelen’. En hij bedacht dat hij De Ingenieur, de man die de mijn ontworpen en gebouwd had, zou moeten spreken.

    Vanuit De Ingenieur, die paleontologie studeerde en uiteindelijk mijnbouwingenieur werd, wordt het nachtmerrieachtige verhaal over de ‘lijken van de gevangenen van de noordse strafkampen die aan de permafrost zijn vrijgegeven’ vertelt. De lijken liggen gestapeld in lagen: ‘op de door de Duitsers doodgeschoten, krijgsgevangen genomen soldaten van het Rode Leger. Daaronder de door de bolsjewieken doodgeschoten arrestanten uit de Sovjetgevangenissen, toen het Rode Leger terugtrok. Daaronder de tijdens de Burgeroorlog door optrekkende of zich terugtrekkende […] legers terechtgestelde, toevallig tot gijzelaar gemaakte dorpelingen… Daaronder de gedode stakers van de eerste revolutie, die van 1905.’

    In zijn verhaal ontvouwt Lebedev langzamerhand de gruwelijkheden uit de geschiedenis van de voormalige Sovjet-Unie, en van Oekraïne in 2017 aan de hand van de door hem bedachte personages.

    Neergehaald vliegtuig

    Op de derde dag ziet Valet een vliegtuig dat met zijn neus naar beneden komt en in de lucht uit elkaar valt. Hij ziet brokstukken neerkomen, een roze koffer met sieraden, polshorloges en andere persoonlijke eigendommen. Het is hem duidelijk dat er een passagiersvliegtuig is neergehaald. Hij vindt een ‘overdadig vrouwelijk’ lichaam en is ‘bang haar als dode aan te raken’, ondanks de ‘onverminderde aantrekkingskracht’. Ook vindt hij een kristallen flesje met een gouden lipstick. Die zal hij aan Jeanne geven en zeggen dat hij die in Moskou gekocht heeft. Lebedev laat hem cynisch en in misogyne fantasieën denken dat Jeanne haar lippen zou stiften ‘met de lipstick van dat dooie wijf.’

    De Generaal bedenkt dat hij een flinke leugen nodig zal hebben om een verklaring te geven voor het neergeschoten vliegtuig. Maar hij kan niets meer verzinnen. En De Ingenieur denkt aan de Witte Dame, ‘de wasvrouw’ die niet alleen het kwaad van de nazi’s witwaste, maar van alle misdaden, van alle achtergelaten lichamen.

    Op de vierde dag ontdekte Jeanne een vrouw die in de voortuin is gevallen. Valet kwam naar haar toe gelopen en geeft haar de lipstick. Zij vraagt zich af waar hij zo’n dure lipstick vandaan heeft en vermoedt dat hij die uit iemands bagage moet hebben gestolen. Ze stift haar lippen en trekt een witte jurk aan. Hij nodigt haar mee uit naar een dancing waar Jeanne danst terwijl Valet zich overgeeft aan meer misogyne gedachten. De Ingenieur ziet de (jonge) Witte Dame als ‘de kus van de oorlog en het sacrament van de leugen.’

    De roman eindigt de volgende ochtend met Jeanne, na een bizarre en dramatische gebeurtenis de avond daarvoor bij de dancing. In een wat apocalyptische scene verlaat ze haar huis en komt terecht in een ‘reusachtige, onderaardse ruimte waarin een heel land was afgedaald.’ Dan weet ze dat haar toekomst ligt in ‘de tunnels en kelders, de mijngangen de metrolijnen, vol met mensen.’ Lebedev eindigt dit aangrijpende verhaal met heldhaftigheid en medemenselijkheid zoals de meeste Oekrainers dit heden ten dagen steeds laten zien.

     

     

  • De diepere betekenislaag in Jansma’s gedichten

    De diepere betekenislaag in Jansma’s gedichten

    De dichter Esther Jansma is op 23 januari van dit jaar overleden. Haar laatste bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken, zal haar allerlaatste blijven. Haar dood zet de gedichten misschien niet in een ander licht, want ze leed al lang aan kanker, wist dat het einde onvermijdelijk naderbij kwam en beschouwde deze bundel als haar afscheid. Maar eens te meer valt op hoe groot haar moed was en hoe afwezig haar zelfbeklag. Nergens maakt ze duidelijk dat de gedichten autobiografisch zijn, het lyrisch ik mag niet automatisch vereenzelvigd worden met de dichter zelf. Toch is het overduidelijk dat zij veel van zichzelf in deze bundel verwerkt heeft.

    Zo haalt ze regelmatig de personages Romanticus, Oud en het hoofd van stal: deze drie protagonisten maken allen deel uit van de dichter zelf en leveren commentaar op de kanker, het aftakelingsproces en het gevoel dat daarbij opgeroepen wordt. Waar de dichter zich terughoudend opstelt en de aspecten van de ziekte niet alleen op zichzelf betrekt, maar algemener maakt, stellen deze drie zich harder op en verbloemen niets. Ze brengen daardoor ook een vreemd soort van humor en troost, omdat ze op een andere manier omgaan met de werkelijkheid. Voor het eerst traden ze op in haar bundel Picknick op de wenteltrap (1997) toen de ouders van de hoofdpersoon gescheiden waren en daarna de vader overleed. Ook nu zijn ze nodig bij verdriet en leed om te zorgen dat er steeds opnieuw een begin gemaakt kan worden, ook al loopt het op niets uit. 

    Elk jaar opnieuw een begin van iets

    Daar wijst ook het mooie gedicht ‘Hoop’ uit de Proloog op, waarin iemand elk jaar opnieuw een bougainville plant, ook al overleeft die de winter niet: ‘[…] en sterft al/ en het jaar daarop weer en het jaar daarop weer./ Iemand denkt: ik handel uit hoop, ik leer het nooit’. Hoop is gekoppeld aan ‘misschien’ denken. 

    Dat doet ook de foto op de omslag: een ei dat kapot gevallen is. Of heeft het kuiken dat erin zat, zich een weg naar buiten gebaand? Gaat het om dood of om leven, als Schrödingers kat? De kwetsbaarheid van dat kapotte ei, dat nog vaker terug zal keren in de gedichten, laat zich zonder voorbehoud verbinden met het menselijk lichaam met al zijn gebreken, de kanker en de hoop. De dichter geeft aan dat alles wat ons overkomt, willekeur en toeval is, maar als mens nemen we daar geen genoegen mee, we blijven zoeken naar oorzaak, reden, schuld. Ieder van ons wil iemand zijn die zich onderscheidt van de anderen:

    Zoek

    Wie van ons is waar, vraagt een eitje en breekt
    vraagt het koppie van het natte grijsverig
    kuiken dat eruit steekt, brutaal vraagt het: wie?

    Ik weet niet waar we zijn, is een antwoord.
    Ik ben hier, zegt het eitje, zie je me niet
    ik vraag wie van ons echt is, wie dan?

    We zijn meervoud, met velen, we zijn massa’s
    geworpen door oneindig toevallig zwart
    op zomaar een erf in zomaar een schuur

    die we nu en aarde en melkweg noemen
    waar we al vallend ons licht in schijnen
    en glimpen van zien, dat noemen we waarheid

    is een antwoord. Maar niet voor Eitje, niet
    voor het koppie van het kuiken. Het piept:
    vreemde weter, antwoordgever, wie ben ik?

    Veelzijdigheid van dichter en meer

    Deze bundel gaat niet alleen over ziekte en dood, zoals de dichter niet alleen maar kankerpatiënt was. Jansma was dichter, dendrochronoloog (een wetenschapper die zich bezighoudt met het dateren van houten voorwerpen of archeologische vondsten aan de hand van in de voorwerpen herkenbare groeiringen) en was feministe. In het nawoord van deze bundel vertelt ze hoe vaak het feit dat iemand vrouw is de overhand heeft bij het beoordelen van haar werk: ‘Ik heb tijdens mijn werkende leven lang geloofd dat de kwaliteiten van literair en wetenschappelijk werk eenvoudig herkenbaar zouden zijn. Maar helaas overschaduwt het vrouw-zijn van makers en denkers nog steeds de wijze waarop hun werk wordt beoordeeld.’ In een aantal gedichten in deze bundel brengt ze dat op humoristische, maar wrange manier naar voren, zoals in het volgende gedicht:

    Start

    In de fabriek voor porseleinen poppen
    maken ze beentjes en hoofdjes en armpjes
    en buikjes die allemaal zo intens wit zijn

    zo frêle dat je bijna de dag erdoorheen
    kunt zien gloeien en die hoofdjes
    en die doorschijnende glooiingen van hun hoofdjes

    och, daarvoor moeten de penselen haarfijn zijn
    hemelsblauw voor de oogjes, rozerode likjes
    op de lipjes, de haartjes een webje van goud –

    dan ijzerdraad om het beschilderde vanbinnen
    onzichtbaar houtje-touwtje finaal te verknopen
    tot: zo, dit is een lief en mooi meisje, dus af.

    Het veelvuldige gebruik van verkleinwoorden werkt eerst vertederend, maar wanneer de laatste versregel spreekt van ‘meisje’, wordt het denigrerend. Het brute ‘ijzerdraad’ staat in schril contrast tot al dat liefelijks. En hoe moeten de laatste woorden ‘dus af’ geïnterpreteerd worden? Als: klaar, niets meer aan doen? Of als: af als in een toneelaanwijzing, wegwezen, je rol is uitgespeeld? 

    Meerduidige beelden

    Bij Jansma krijgt alles in haar gedichten een diepere betekenislaag, alle beelden zijn meerduidig. Begin en einde en opnieuw een begin, daar gaan haar gedichten over, zoals in ‘Weet’: ‘Je beweegt door het leven/ tot je daar weg bent// en het hele leven blijft en begint.’ Veel gedichten hebben een imperatief als titel: ‘Weet’, ‘Herneem’, ‘Wens’, ‘Stop’, alsof de dichter zichzelf bevelen heeft gegeven die betrekking hebben op de manier waarop zij met haar ziekte en haar leven om moest gaan. De hoop die daaruit spreekt, heeft niets te maken met het genezingsproces, want daar was geen sprake meer van, maar met berusting en vrede. In het laatste gedicht, ‘Word’, dat voor de epiloog is opgenomen, lijkt ze die vrede bereikt te hebben: 

    Overal is water en alles zingt, wolken
    bewegen in de diepte van plassen
    op straten die de wolken niet kennen
    en de hemel heeft geen weet van de aarde

    vingertoppen van bomen, die van gevoel
    dat sterft in de herfst en er nu nog is
    zijn klankkastjes voor al die vingers van regen

    overal schuilen mensen en iemand
    loopt door tijd die al bijna verdwenen is
    koud watergetokkel op het gezicht

    en weet: de wolken weten niet van de regen
    het water weet niet van de bladeren
    waaruit het muziek slaat, ritmes, taal

    en de snelle zilveren aanrakingen
    die leven heten en beweging
    kennen de druppels op mijn gezicht niet

    en straks ben ik dit allemaal.

    De gebiedende wijs ‘weet’ is hier niet alleen aan haarzelf gericht, maar zeker ook aan de lezers, de achterblijvers, die zich getroost kunnen voelen door de gedachte die in dit gedicht is uitgedrukt. Opvallend is ook dat er nergens in het gedicht een punt staat, alleen achter de allerlaatste versregel ‘en straks ben ik dit allemaal.’ Pas dan is het afgesloten, het leven zoals we het kennen. En elk einde is een begin, zegt Esther Jansma.



  • Prachtig en (on)Nederlands geschreven boek

    Prachtig en (on)Nederlands geschreven boek

    Waar alle wegen ophouden is een fascinerend literair verslag van de jarenlange zoektocht van Sana Valiulina (1964) naar het verleden van haar vader. Het is het vervolg op eerdere onderzoeken naar hem als voorbereiding op haar roman Didar en Faroek (2006). In Waar alle wegen ophouden laat Valiulina haar vader, ‘deze raadselachtige man’ historisch en poëtisch herleven. Valiulina is een Nederlands-Estisch schrijfster, dochter van een Tataarse oorlogsveteraan die na WO II krijgsgevangene werd gemaakt. Ze draagt haar boek op aan alle Sovjetkrijgsgevangenen en hun families.
    Met Didar en Faroek schreef Valiulina een op de werkelijkheid gebaseerde roman waarin haar moeder een brief aan haar vader in de Goelag schreef die het begin is van een liefdevolle correspondentie. Het
     is een autobiografisch boek en begint met de laatste keer dat Valiulina haar vader zag ‘door de stoffige achterruit van de bus.’

    Als Sana Valiulina na een bezoek aan haar ouders in Tallinn terugreist naar Amsterdam is ze bang dat de bus waar haar ouders in zaten, ‘van koers zou veranderen, van de radar verdwijnen en schommelend op de golven over de zwarte rivier zou varen, naar waar geen vogelenzang meer klinkt en vanwaar niemand terugkeert.’ Als ze in Amsterdam is aangekomen, belt ze hen meteen op. Haar vader neemt op. ‘Pak van mijn hart.’ De bus is niet van zijn route afgeraakt en ‘…niet de modderige oever opgereden waar verloren schaduwen ordeloos samendrommen en heeft niet met de sombere veerman met zijn ongekamde baard en zijn afgedragen chiton koers gezet naar de zwarte wateren.’ De toon en poëtische stijl van het boek zijn gezet.

    Geheimen en beloftes

    Na deze opening, waarin zij de laatste ontmoeting met haar vader beschrijft, is de elfjarige Valiulina met haar vader op bezoek in Koktebel op de Krim. Ze gaan naar het strand en vader gaat zwemmen waar hij bijna verdrinkt in de ‘valse golven’, zoals een van de redders zei. Het eerste wat haar vader zegt: ‘Niets tegen mama zeggen, hoor!’ Tot aan zijn dood, zal zij zich aan haar belofte houden. Het in drie hoofdstukken opgebouwde boek beweegt, zoals in het begin hierboven, heen en weer in plaats en tijd. De zoektocht van Valiulina naar het kampverleden van haar vader tijdens de Tweede Wereldoorlog, speelt zich af na zijn vroegtijdige dood. De eerste helft van de jaren tachtig woonde Valiulina in Moskou en zo is haar vaders droom uitgekomen: zijn beide dochters zijn ontsnapt aan ‘het verschrikkelijke lot om verkoopster te worden in het centrale warenhuis van Tallinn’. 

    Als Sana Valiulina in 1989 in Nederland woont en Goelag Archipel van Solzjenitsyn voor het eerst heeft kunnen lezen, durft ze later aan haar vader te vragen of hij in een strafkamp heeft gezeten. Het zou de laatste keer zijn dat ze haar vader zag, omdat hij daarna onverwacht op vroege leeftijd overleed. Na een zwempartij kreeg hij waarschijnlijk een hartaanval door de plotselinge daling van temperatuur.

    Dagboek en brieven als bron

    In Valiulina’s verhalenbundel Winterse buien (2016) vertelt ze in onder meer drie korte stukjes over haar vader, Solzjenitsyn’s Goelag Archipel en het lot van de miljoenen Russische krijgsgevangenen na de Tweede Wereldoorlog. De overlevenden werden na hun terugkeer op Russische bodem in treinen geladen en en naar strafkampen gestuurd. ‘Volgens artikel 58-1 “landverraad” kregen ze allemaal tien jaar kamp en vijf jaar ballingschap’. In het korte essay Wortel en Tak (2021) beschrijft Valiulina haar bezoek aan de Oeralregio waar haar vader na WO II in een strafkamp heeft gezeten. Een belangrijke bron voor haar speurtocht is het dagboek van haar vader dat zij van haar moeder kreeg na zijn overlijden en waaruit ze veel fragmenten aanhaalt, net als uit zijn brieven.  

    Sana’s vader kreeg in augustus 1941 een oproep voor het Sovjetleger en werd in april 1942 als lid van een bataljon parachutisten in district Smolensk achter het front gedropt. In zijn aantekeningen schrijft haar vader over de sprong uit het vliegtuig, de landing en de gevechten met fascisten. Zijn aantekeningen eindigen bij een slag in de buurt van een dorp op 2 mei 1942, hij werd in de borst geschoten, maar daar schrijft hij niets over. Later schrijft hij wel dat hij na zijn verwonding gevangen is genomen. In die tijd was de Stalin-verordening 270 al een jaar van kracht, de ‘verordening over de laatste kogel’. Die kogel moesten de soldaten zichzelf door het hoofd jagen om niet in handen van de vijand te vallen en later als landverrader veroordeeld te worden. Sana’s vader verdween van de radar in de zomer van 1942. Valiulina komt hem op het spoor via een artikel met foto in tijdschrift ‘Yank’, De Russen in Normandië van 30 juli 1944 dat zij in een vitrine in het Museum van de Invasie in Caen ziet liggen. ‘Ik kom ogen en adem te kort. Alle vijf mijn zintuigen spelen op en vechten met elkaar.’ Het is een foto van haar vader in een strak grijs uniformjasje met ‘een soldatenmuts waaronder plukken blond haar uitsteken’.

    Veroordeeld tot tien jaar strafkamp

    Door deze foto komt Sana Valiulina in contact met de dochter van de Amerikaanse militair die op de foto naast haar vader zit. In de tussentijd zoekt ze uit welke weg  haar vader heeft afgelegd na zijn gevangenneming door de Duitsers die hem dwongen mee te vechten tegen de geallieerden. Met een bataljon Russische krijgsgevangenen werd hij naar het front in Normandië gestuurd en na de landing van de geallieerden op D-day slaagde hij er op een onbewaakt ogenblik in om over te lopen. Vervolgens werkte hij – voornamelijk als tolk – mee aan de strijd tegen de nazi’s, eerst vanuit Engeland, later in de bevrijde gebieden. Tot hij na de vredesonderhandelingen in Jalta als krijgsgevangene naar Odessa wordt gestuurd en daar veroordeeld wordt tot tien jaar strafkamp. Dat alles dankzij een geheime overeenkomst over de gedwongen terugkeer van krijgsgevangenen tussen Stalin en Churchill.

    Sana Valiulina krijgt tijdens haar zoektocht van de – in 2021 verboden – organisatie Memorial te horen dat ze om rehabilitatie van haar vader kan verzoeken. Haar zuster schrijft de brief en verzorgt de correspondentie, dat kan Valiulina niet zelf ‘als burgeres van een andere en Rusland “vijandig gezinde staat”, die ook nog lid is van een Rusland vijandig gezind militair-politiek gezind blok’. Dat wil zeggen, van Nederland. Die rehabilitatie wordt natuurlijk geweigerd, maar ze krijgen wel inzage in haar vaders dossier en daar ging het ze om. Hij was ook nog een keer uit een Engels kamp voor Russische krijgsgevangenen gevlucht, door de politie aangehouden en ‘uitgeleverd aan het commando van het Sovjetleger’. Valiulina vindt het een mooie gedachte dat hij zich verzette tegen het Sovjetsysteem en ’tegen kameraad Stalin persoonlijk, die het in zijn broek deed bij de gedachte dat zijn slaven de vrijheid zouden kunnen krijgen en daarmee ook een stem, om de wereld te waarheid over de oorlog te zeggen.’     

    In het laatste hoofdstuk blikt Valiulina terug op het verblijf van haar vader in vier kampen en ze vraagt zich af hoe hij die heeft doorstaan. Als ze het hem vraagt, haalt hij zijn schouders op en zegt: ‘Soms was het verdomd onaangenaam.’ Ze schrijft ook over de eerste ontmoeting van haar ouders en over haar jeugd met beide ouders in Tallinn. Valiulina schrijft met trots over haar vader als ‘de worm die met al zijn ingewanden de staat toebehoort en de moed heeft gehad een subject van de geschiedenis te worden (…) die zelf over zijn eigen lot wil beschikken.’ Aan het eind van het boek zijn er verrassende en ontroerende ontmoetingen die de lezer zelf moet ontdekken. Net als de onbekende politieke gebeurtenissen en poëtische rijkdom in dit – in prachtig (on) Nederlands – geschreven) boek.

     

     

  • Oogst week 45 – 2024

    Geef niet mee! Een biografie van Ellen Warmond

    De gedichten van Ellen Warmond (pseudoniem van Pietronella Cornelia van Yperen, 1930-2011) waren voor vele lezers de eerste kennismaking met moderne poëzie. Vooral in de jaren zestig en zeventig werden verschillende van haar bundels opnieuw gedrukt in verband met het zich manifesterende feminisme in die jaren en haar ‘vrouwelijke stem’ waarvoor ze in 1987 de Anna Bijnsprijs kreeg voor haar gehele oeuvre. Maar Warmond wilde liever als individu beschouwd worden en niet beoordeeld worden op haar vrouwzijn. Haar existentialistische gedichten zijn getekend door melancholie en het verlangen naar onafhankelijkheid, haar taalgebruik is licht en relativerend. In haar debuut Proeftuin uit 1953 is al de overwegend sombere teneur van haar latere werk te herkennen, haar afstandelijkheid en haar ironie, maar ook haar angst die ontstond nadat zij als kind het bombardement op Rotterdam meemaakte. Ze danste in het Rotterdams Ballet Ensemble en was secretaresse op een handelskantoor, een baan die het noodzakelijk maakte dat zij een pseudoniem koos voor haar bundels. Haar gedichten hebben weliswaar verwantschap met die van de Vijftigers, maar staan toch op zichzelf. 

    Trudy van Wijk schreef eerder een biografie over de poëzie van Ida Gerhardt, Wat zingt het popelend refrein. Na haar dood in 2020 werd de biografie over Ellen Warmond voltooid door Bertram Mourits.

     



    Geef niet mee! Een biografie van Ellen Warmond
    Auteur: Trudy van Wijk
    Uitgeverij: Walburgpers

    We moeten 'misschien' blijven denken

    Esther Jansma debuteerde in 1988 met de bundel Stem onder mijn bed. Sindsdien heeft ze meerdere dichtbundels geschreven, waarvoor ze diverse literaire prijzen ontving, waaronder in 2006 de A. Roland Holstpenning voor haar gehele werk.

    Het verstrijken van de tijd is een thema dat in de poëzie van Esther Jansma regelmatig terugkeert. Ze vraagt zich af waarom de dingen niet kunnen blijven blijven zoals ze zijn. In haar elfde bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken, trekt ze dit thema door tot aan de uiterste consequentie van de eindigheid van tijd, het afscheid nemen van het leven. De drie spreekstemmen die ze al eerder liet horen in haar met de Halewijnprijs bekroonde bundel Picknick op de wenteltrap (1997) leveren door de hele bundel heen in korte, tragikomische dialogen commentaar op wat er gaande is. 

    Als archeoloog en speciaal dendrochronoloog ontwikkelde Jansma een methode om de ouderdom van houten voorwerpen vast te stellen, zoals je bij een boom de jaarringen telt. Ook in haar gedichten graaft ze diep om de herkomst van gebeurtenissen en emoties te herkennen. ‘Het hoefde alleen maar gevonden te worden’, schreef ze in haar gedicht ‘Alles is nieuw’. 

    Haar poëzie is beïnvloed door een moeilijke jeugd, zoals ze zelf aangeeft. Haar vader stierf toen ze zes was en met haar moeder was er geen sprake van een liefderijke band. Ook de dood van haar ongeboren dochter en pasgeboren zoon hebben groeven gekrast in haar werk. Woede en beheersing wisselen elkaar af in een beeldende en sterke taal.

     

    We moeten 'misschien' blijven denken
    Auteur: Esther Jansma
    Uitgeverij: Prometheus

    Verzamelde gedichten

    Jean Pierre Rawie is een van de weinig dichters in Nederland die nog traditionele gedichten schrijft, vormvaste sonnetten met eindrijm. In 1979 debuteerde hij met Het meisje en de dood. Hij is met Annie M.G. Schmidt, Nel Benschop en Toon Hermans een van de meest geliefde dichters, die vaak geciteerd wordt in rouwadvertenties. Daardoor duurde het tot 1989 voordat Rawie met zijn bundel Woelig stof ook erkenning kreeg van de literaire kritiek. Uiteindelijk ontving Rawie in 2008 de Charlotte Köhler Prijs voor zijn gehele oeuvre

    Dat het zo lang geduurd heeft eer men het werk van Rawie op waarde schatte is nu nauwelijks meer voor te stellen. Zijn thema’s zijn al even klassiek: verval, dood, melancholie en verloren liefde. Zijn grote eruditie blijkt uit zijn vertalingen uit negen verschillende talen van poëzie vanaf de dertiende eeuw tot aan het midden van de vorige eeuw. Deze vertalingen werden opgenomen in afdelingen in zijn bundels. Ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Rawie werden een groot aantal van zijn vertalingen opgenomen in Een luchtbel in een vluchtige rivier, voorzien van zijn eigen commentaar. Ook werd er in 2006 Verzamelde verzen uitgebracht.

    Nu is er een uitgave verschenen waarin alle gedichten van Rawie zijn verzameld vanaf het begin van zijn dichtersloopbaan tot en met de bundel met vertalingen. Een absolute must have  voor de talloze bewonderaars.



    Verzamelde gedichten
    Auteur: Jean Pierre Rawie
    Uitgeverij: Prometheus
  • Wijsbegeerte of reisbegeerte

    Wijsbegeerte of reisbegeerte

    Wie het voorrecht heeft veel te kunnen reizen, voelt zich op den duur nergens meer thuis. Dat wordt pijnlijk duidelijk in de nieuwe essaybundel Onder een andere hemel van filosoof Joke J. Hermsen. De ondertitel luidt ‘Over heimwee en vertepijn’. Mensen kunnen namelijk enorme heimwee ervaren vanuit huis, en verlangen naar een elders, wanneer zij al elders zijn. Precies dit spanningsveld brengt Hermsen voortdurend in beweging, letterlijk.

    Op haar landgoed in de Bourgogne bekruipt haar het eerste ongemak. Ze vlucht naar haar dubbele appartement in Amsterdam en kan zelfs terecht in Parijs, waar zij vroeger filosofie studeerde. Daarnaast gaat ze oude adressen langs van allerlei beroemde Duitse schrijvers, zoals Rainer Maria Rilke en Lou Salomé. Als ze verblijft in het kunstenaarsdorpje Bergen of op haar Drentse boerderij, komen wederom de muren op haar af. Ze maakt, kortom, nogal wat omzwervingen van de ene naar de andere idylle. Uiteraard zijn de Odysseus-verwijzingen niet van de lucht, want ook hij had last van hinausweh, zoals Hermsen dat noemt. De zucht om eropuit te gaan. Langzamerhand dringt zich echter de vraag op: gaat dit boek wel over wijsbegeerte, of over reisbegeerte?

    Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg

    Het boek laat zien hoe de westerse filosofie tegen de fenomenen ‘heimwee’ en ‘thuis’ aankijkt. Daarnaast komen andere, wat navelstaarderige motieven voorbij, zoals ‘het Zelf’, ‘het Onzegbare’ en ‘het Niets’. Onder een andere hemel overtuigt in de aardse passages dan ook het meest. Ondertussen vloeit de witte wijn rijkelijk.

    Grotendeels spreekt een vrouw die duidelijk tot de happy few behoort van de Nederlandse maatschappij. Ze quoot keurig de complete westerse canon en doet vanuit een nostalgische opwelling, zo lijkt het, haar studietijd aan de Sorbonne nog eens dunnetjes over. Alsof het niets is, wisselt ze bovendien continu van uitvalsbasis, zonder enige financiële belemmering. Maar wanneer Hermsen vertelt over de harde realiteit waarin vrouwen moeten leven, inclusief een weerzinwekkende ervaring uit haar jeugd, wint Onder een andere hemel aan belang.

    Met engagement engageert ze het lezerspubliek. Dat beseft ze zelf ook, wanneer ze Hannah Arendt aanhaalt: ‘Van haar had ik geleerd dat filosofie altijd op de politiek en de wereld betrokken moet zijn. (…) Arendt verweet de westerse filosofie politieke desinteresse en een obsessie met zichzelf.’ Helaas gaat dit soms ook op voor Onder een andere hemel. Op de momenten dat Hermsen als nuchtere Noord-Hollandse dame het gemijmer over het Zelf loslaat en gewoon aanwijst wat er beter kan in de maatschappij, wordt het pas echt interessant.

    Het nomadische als leugen

    ‘Zet mij maar neer in de jungle, ik pas me wel aan.’ Je hoort dit soort dingen vaker op verjaardagen, nieuwjaarsborrels of recepties. Anders gezegd: een thuis is ook maar overschat. Ook Hermsen debiteert zulke wijsheden die druipen van privilege: ‘Thuisloosheid als thuis. Dat gold zeker voor Hannah Arendt, en in een bepaald opzicht ook voor mij.’ Je eigen odyssee vergelijken met die van een Holocaustvluchtelinge is ongelukkig, maar wat te denken van haar verwijzing naar dichter Robert Lowell: ‘Wat is thuis anders dan een gevoel van heimwee naar het verloren moment van fladderende angst tijdens de vlucht?’ Nou, misschien is thuis gewoon een ouderwets dak boven je hoofd? Misschien is thuis bijvoorbeeld dat je niet door je complete omgeving wordt gewantrouwd, omdat je er anders uitziet dan de rest? Een familie die nog leeft? Van de driehonderdtwaalf pagina’s besteedt Hermsen een schamele twee bladzijdes aan de vluchtelingen in de banlieus, waar ze vanuit haar universitaire bubbel in Parijs amper iets van meekreeg. En krijgt.

    Over het noodlot van een Franse filosofe weidt Hermsen wel uit. Anne Dufourmantelle bleek vroeger een vurige pleitbezorger van vreemdelingen en schreef hierover in De kracht van tederheid en Een lofrede op het risico. Volgens de Française moest het Westen maar eens leren geen oneindige zekerheden in te bouwen ten koste van medemenselijkheid. Dufourmantelle stierf op 53-jarige leeftijd in zee, toen ze een jongetje redde van de verdrinkingsdood. Hermsen looft haar dubbele dapperheid: ‘Er is veel moed voor nodig om de wereld een andere kant op te duwen, en maar tegen de stroom in te blijven zwemmen.’ Exact zo lijkt Hermsen soms tegen de stroom in te zwemmen, om daarna toch weer op safe te spelen en vooral te herhalen wat andere filosofen gezegd hebben over thuiszijn. Hermsen citeert Kafka, die zich kritisch uitlaat over veilige teksten: ‘Als een boek dat wij lezen ons niet met een vuistslag op de schedel wakker maakt, waarom lezen wij dan dat boek? Een boek moet een bijl zijn voor de bevroren zee in ons.’ Onbewust stipt Hermsen het gebrek aan urgentie aan in haar eigen boek. Onder een andere hemel aait ons meer over de bol dan dat het onze schedel openklieft. Totdat…

    De voorheen verstomde stem klinkt het helderst

    De titel Onder een andere hemel ontleent Hermsen aan Hannah Arendt. ‘Mogelijk dat haar ziel onder een andere hemel de kans ziet om zich uit te spreken.’ Gelukkig spreekt Hermsen zich uit, al doet ze dat – geheel in de meanderende stijl van de essayistiek – met een omtrekkende beweging. Op een congres treft Hermsen een oude bekende. Onverwacht en ongewenst. Ze verstijft, krijgt geen druppel door haar keel en kan niets anders doen dan wachten tot ‘hij’ de ruimte verlaat. Hij heeft overigens een dikke pens gekregen en herkent haar niet eens. Eenmaal achter haar schrijftafel keert Joke terug naar haar 14-jarige ik en verschuift ze het perspectief van eerste naar derde persoon. Trauma’s bespreek je makkelijker met een beetje afstand.

    De vader van haar oppaskinderen rijdt haar, zoals altijd, naar huis. Althans, dat denkt Joke: ‘Ze trekt aan de hendel van het portier om de deur open te gooien. Weggaan, denkt ze, nu meteen. Maar hij pakt haar hardhandiger beet, duwt haar terug in de stoel en vergrendelt het portier. “Ik weet zeker dat jij dit ook wilt”, hijgt hij in haar oor.’ Een paar minuten later, hooguit, is ze terug: ‘“Ik ben thuis!” roept ze naar haar ouders en schiet meteen de trap op naar boven. Ze kleedt zich uit, gaat onder de douche staan en wrijft langdurig met haar handen over haar lichaam, totdat haar huid roodgloeiend is. (…) Ze doet snel het licht uit in de badkamer, gaat in bed liggen en trekt de dekens over zich heen.’ Toch doet de gebeurtenis haar het meeste pijn vanwege het besef ‘dat er zelfs van mijn ouders geen hulp te verwachten viel’. Dat komt binnen.

    Schrijver en moeder

    In de door mannen gedomineerde filosofie- en literatuurkringen wordt van de vrouw verwacht heel haar leven op te offeren aan kinderen. En mannen maar geniaal zijn… Daar doet Hermsen gelukkig niet aan mee. Hoewel drie van haar vrouwelijke rolmodellen (Lou Salomé, Simone de Beauvoir en Virginia Woolf) bewust kinderloos bleven, combineert ze zelf moederschap en schrijverschap met succes. De band met haar beide kinderen is warm en haar werk is indrukwekkend. Juist in het licht van haar oeuvre blijft Onder een andere hemel toch te gewoontjes. Een van haar conclusies doet erg denken aan het cliché ‘Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen’: ‘Elke plek van de wereld, hoe vreemd ook, kan een thuis zijn.’ Dit klopt, zolang je tenminste beschikt over de drie g’s: geld, geluk en een goed paspoort.

     

     

  • Oude rouw en nieuwe liefde

    Oude rouw en nieuwe liefde

    Verdriet en rouw veranderen een mens, vaak definitief. Als iets vanzelfsprekends wegvalt ontstaat er een enorme leegte. Zoals de liefde van een ouder of een geliefde die er opeens niet meer is. Voor Sanne van Rij, journalist en schrijver voor onder andere de Volkskrant en ELLE was dit haar moeder. Zoals ze beschrijft in Ik weet zeker dat het liefde was moest ze leren leven zonder moeder. Dit resulteert in een zeer persoonlijk en intiem relaas. Ze beschrijft liefdesperikelen, levenslessen en allerlei dagelijkse trammelant met een fijne antenne voor interpersoonlijke verhoudingen.

    Voor Van Rij begint het allemaal met de guacamole van haar moeder. Een herinnering die de essentie bevat van wat haar moeder voor haar betekende. Door oude videobanden leert ze haar moeder weer kennen zoals zij was voor de psychose. Dit trapt een stortvloed aan herinneringen af, vaak aan de hand van iets tastbaars. Zoals een bruisbal of een herinnering aan in olijfolie gedoopt stokbrood. Veel van die herinneringen zijn gekleurd door de bril van nostalgie en herkenbaar jeugdsentiment. De korte stukjes hebben telkens iemand uit haar leven als onderwerp. Ze worden vooral gekenmerkt door het grote empathisch vermogen van Van Rij, haar gave om zich in iedereen te kunnen verplaatsen. Wat ook soms als een tweesnijdend zwaard voelt.

    De blauwdruk voor relaties lijkt soms al ontstaan te zijn in het verleden. Voor Van Rij was dit de relatie met haar moeder die zo abrupt eindigde. De worsteling van haar moeder met een psychose leverde verwarrende en tegenstrijdige gevoelens op voor de dochter die met vijftien jaar nog zo jong was. ‘Mijn moeder was vergankelijk, merkte ik, en ik had geen flauw idee hoe ik haar wegebben kon stoppen.’ Na het overlijden van haar moeder begint een zware tijd voor Van Rij. Ze moet wennen aan een leven zonder moeder, gaat studeren in Utrecht en begint het grote zoeken naar erkenning. De problemen met liefde en relaties die zij ervaart deelt ze vooral in intieme vriendschappen. Met vriendinnen en psychologen reflecteert ze over liefde, vriendschap en verlies. Daarbij ervaart ze een grote behoefte aan een vanzelfsprekende aanwezigheid van de ander.

    Gebroken optimisme

    In columns vormt het gezin altijd een dankbare inspiratiebron. De memoires van Van Rij gaan dieper dan kleine voorvallen, maar de toon daarvan is wel geworteld in de stijl van de column. Het is dan ook niet verwonderlijk om in het nawoord te lezen dat het boek begonnen is als artikel in het Volkskrant magazine. In korte stukjes, van hot naar her springend in de tijd, beschrijft Van Rij voornamelijk haar relaties met anderen en haar eigen rol daarin, waarbij ze probeert tot de kern te komen van haar problematiek. De fragmentarische stukken hebben een lichte toon, ook al gaat het vaak om vrij zware onderwerpen. Ze komt af en toe met leuke vondsten, zoals misplaatst doorzettingsvermogen. Daar staat tegenover dat er ook kleine taalkundige ergernissen zijn, zoals het gebruik van clichématige uitdrukkingen als: ‘de zenuwen gierden door mijn lijf.’ En er wordt vrij veel psychologisch jargon gebezigd.

    Haar romantische strubbelingen zullen elke millennial maar al te bekend voorkomen. Ongemakkelijke stiltes, miscommunicatie, een hoop hansworsten en ongewenste intimiteiten passeren de revue. Van Rij weet haar relaties uitermate goed samen te vatten en geeft helder aan waar het wringt. ‘Ongelofelijk slecht in loslaten, dat was ik.’ De rode draad in het boek is absoluut de liefde. Maar de liefde maakt ook een trauma los. Naast verbinding met haar geliefde ervaart ze rouw om haar moeder. Haar vertrouwen in de ander moet weer groeien na alle slechte ervaringen. Dat ze zo open is over deze thema’s is moedig. In plaats van te verkrampen of verstijven in het aangezicht van de pijn kiest Van Rij voor een soort gebroken optimisme.

     Licht en schaduw

    De schrijfster durft behoorlijk diep te gaan in haar analyse en toont hoe de erfenis van verlies in een leven doorwerkt. De constant aanwezige schaduw daarvan weerhoudt haar er niet van zich in vriendschap en liefde te geven. Wat zich wel weerspiegelt in het aantal diepe vriendschappen die ze onderhoudt. Sommige van deze personen verdwijnen in het boek na een tijdje meer naar de achtergrond en dat is wel een beetje zonde. Ze weet de vinger vaak precies op de zere plek te leggen, ook als ze over haar relatiewens schrijft en het woord tot zichzelf richt. ‘Onbewust ben je er elke dag mee bezig: doen alsof je heel bent.’ Op deze manier vindt ze iets van schoonheid in het koesteren van haar verleden. Na de nodige tegenslagen groeit Van Rij in een veilige relatie toch langzaam naar geborgenheid toe. Onderweg demonstreert ze een hoop groei en zelfinzicht en dit maakt het boek tot een uitermate sympathiek verhaal, ook al moet de auteur daarvoor het nodige ‘in haar wonden roeren’, zoals ze het beschrijft.

    De manier waarop zij het met veel warmte over relaties heeft doet denken aan een citaat uit de film Into the wild: ‘That happiness is only real when shared.’ Op een bepaalde manier kan het ook voor een lezer therapeutisch zijn om over Van Rij’s proces van heling te lezen. Dat het soms een beetje als een dagboek leest doet niets af aan de boodschap. Daarbij geeft ze uitdrukking aan iets wat iedereen ervaart: liefde en rouw, het licht naast de schaduw. Dat rouw ook in liefde verpakt kan zitten is een rauwe les. De grote gevoelens die dit oproept gaat de auteur niet uit de weg en ze weet een mooie taal te vinden voor het verlies in deze lessen in liefde. Door dat taalgebruik stijgt het boek uit boven de navelstaarderijen van generatiegenoten.

     

     

  • Oogst week 25 – 2023

    Veelvuldig en alleen

    Voor Veelvuldig en alleen maakte schrijver en wiskundige Anjet Daanje foto’s van rotspartijen en tekende ze plattegronden, van het verzonnen dorp waar het verhaal zich afspeelt, van het kasteel waarin hoofdpersoon Daan verblijft, van zijn kamer. Dat laat zien hoe grondig zij te werk gaat bij het schrijven van romans en scenario’s, wat ze al sinds de jaren tachtig doet. Met De herinnerde soldaat (2019) kreeg ze grote bekendheid en sinds Het lied van ooievaar en dromedaris (2022) een bestseller werd, mag voor velen duidelijk zijn hoe ingenieus haar romans (en scenario’s) in elkaar zitten.

    Veelvuldig en alleen werd voor het eerst uitgegeven in 2003. Het handelt over Daan, die zeven jaar eerder een beslissing nam waardoor er iets vreselijks gebeurde. Vanaf die tijd ligt hij in bed en ontvangt vrienden aan wie hij het graag doet voorkomen alsof de reden daarvoor een intellectuele oorsprong heeft. De vrienden vertellen hem over de vroegere gebeurtenissen, Daan piekert. Hoe betrouwbaar zijn hun aller herinneringen?
    ‘Als hij zich nu voorstelt hoe hij daar loopt, met de zelfverzekerde, ferme passen die voor Floors ogen zijn bedoeld, de zebragestreepte handdoek om zijn nek, voelt hij een verlamd, opstandig medelijden. Het is alsof hij naar een onwetend kind kijkt en niets kan ondernemen om te verhinderen dat het straks over een boomwortel zal struikelen. De vijftienjarige Daan is hopeloos onnozel. Hij zoekt zijn vrienden bij de zee waarin een van hen vier dagen later zal verdrinken, maar hij voelt het niet aankomen.’
    Daanje laat in dit verhaal de waarheid vele gezichten hebben en schuld vele verschijningen.

    Veelvuldig en alleen
    Auteur: Anjet Daanje
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim 2023

    Kwade wind

    Kaouther Adimi (Algiers, 1986) ontdekte tussen haar vierde en achtste levensjaar het plezier van het lezen. Ze woonde op dat moment met haar familie in Grenoble. In 1994 keerde ze terug naar Algerije, waar toen een religieuze burgeroorlog tussen de Algerijnse overheid en gewapende islamitische groeperingen woedde. De mogelijkheden om te lezen waren beperkt, reden waarom Adimi zelf maar verhalen begon te schrijven. Ook tijdens haar studies literatuur en hrm schreef ze. Met haar verhalen en novellen won ze vele prijzen. Sinds 2009 woont en werkt ze in Parijs. De boekhandel van Algiers verscheen in 2017 en werd in 2021 in het Nederlands uitgegeven. De roman werd alom geprezen. Dagblad Le Figaro ziet Adimi als het nieuwe wonderkind van de literatuur.

    Nu is daar Kwade wind, waarin bijna een eeuw Algerijnse geschiedenis aan bod komt; van de kolonisatie tot aan de burgeroorlog. In de jaren twintig zijn twee jongens en een meisje in een Algerijns dorp goede vrienden. De jongens, Tarek en Saïd, zijn beide verliefd op Leila. Zij wordt jong uitgehuwelijkt, de rijke Saïd gaat in het buitenland studeren en Tarek wordt herder. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog moeten beide mannen naar het front.
    Als Tarek terugkomt ontmoet hij Leila, die dan gescheiden is en een zoon heeft, opnieuw en trouwt met haar. Hij werpt zich in de strijd voor onafhankelijkheid en keert terug naar Europa omdat hij in eigen land geen werk kan vinden. Saïd is schrijver geworden en publiceert een roman, met grote gevolgen voor Tarek en Leila.

    Kwade wind
    Auteur: Kaouther Adimi
    Uitgeverij: Uitgeverij Ambo⎪Anthos 2023

    Een tafel bij het raam

    In de tweede roman van Mirthe van Doornik is chef-kok en ik-personage Alp het liefst alleen in de keuken van zijn restaurant dat een tragische geschiedenis achter zich heeft. Koken is niet direct zijn passie. Hij heeft zich op het restaurant gestort om te ontkomen aan de zorg voor zijn ouders. De gasten en de rest van de buitenwereld interesseren hem niet echt. Zijn aandacht is bij het koken, bij recepten, zijn to-dolijstjes en de zorg voor het op tijd klaar zijn van zijn menu’s. In de warme zomer kampt hij ook nog eens met te weinig personeel en is genoodzaakt om voor de bediening de afwasjongen in te schakelen. Een eenling, net als hijzelf.

    Plastisch, zwartkomisch en fijngevoelig beschrijft Van Doornik de gebeurtenissen rondom Alp. ‘Nooit eerder had ik muizen gehad. Het was een dik, traag beestje, absoluut een muis voor beginners, maar ik had geen idee hoe ik het moest aanpakken. (…) Er zijn veel dierenhemelen waar ik zelf ook niet meer aan kan kloppen. Piepende kreeften in mijn pan, soms nog stuiptrekkend op de grill. Niet in de kreeftenhemel, niet in de hertenhemel, geen hemelse velden waar lammetjes grazen. Ik ben er nooit helemaal onverschillig over geweest.’ Mens en dier komen in Een tafel bij het raam aan bod, net als eenzaamheid, erkenning en verzet. Hoe moet Alp tegemoetkomen aan de steeds buitenissigere wensen van de gasten? Hoe moet hij met teruglopende reserveringen het restaurant laten voortbestaan?

    Een tafel bij het raam
    Auteur: Mirthe van Doornik
    Uitgeverij: Uitgeverij Prometheus 2023
  • Niets is zonder ons

    Niets is zonder ons

    Begin dit jaar verscheen bij uitgeverij Prometheus, Ik meld mij af, ik meld mij aan van Philip Huff. Gedichten die lezen als verhalen van een of meerdere pagina’s lang, soms opgedeeld in enkele korte scènes. De titels zijn de ene keer poëtisch, de andere keer bijtend nuchter – niet meer dan één woord – maar hoe dan ook verlokkend tot verder lezen: Handen, Spiegel voor een spiegel, Williamsburg Bridge, IJsland, Halverwege de wandeling, Acid, Maart (dennenappels die opentikken).
    Meteen al het eerste gedicht verklaart de titel: ‘Soms denk ik dat wat gebeurt op ons teert. // Niets is zonder ons. // De wereld heeft klerken nodig, // anders is alles voor niemand gebeurd. // Ik meld mij af, ik meld mij aan.’

    De plicht om verslag te doen van wat er gebeurt, van het eigen leven, wordt door de schrijver wel gevoeld maar – zo lijkt het – niet van harte vervuld. Waarom ook? In het geval van Philip Huff gaat het om een pijnlijke en verdrietige jeugd die je je liever niet zou herinneren, laat staan beschrijven. ‘Ik meld mij af’. Maar het verleden, de herinnering laat zich niet vergeten. Je moet er wat mee of je wilt of niet. En soms wil je er inderdaad wat mee. Omdat ook van een ellendig verhaal soms de behoefte wordt gevoeld dat het verteld wil worden. ‘Ik meld mij aan’.

    En omdat ook de beschadigde mens het recht heeft zichtbaar te zijn: hier ben ik, dit is er met mij gebeurd. Los van verwijt of een eventuele schuldvraag; los van de vraag of men zich ooit slachtoffer heeft gevoeld en dat later al dan niet wil blijven. De naakte feiten, zoals in een aantal van Huffs gedichten, door een kind geregistreerd; derhalve zonder schuld, want kunnen kinderen wel schuldig zijn? Ook waar de woorden als zodanig niet vallen, gaat het veel over schuld en plicht, en de twijfel daarover. Moet je het verleden met je meeslepen, of mag je loslaten, vergeten?

    Straffe metaforen, prachtige beelden

    Hoe belangrijk is het om iets van de achtergrond van de schrijver te weten? Bij poëzie, muziek, beeldende kunst wordt vaak gezegd: laat het gewoon over je heen komen, het gaat om wat je voelt. Zonder voorkennis. Anderen zeggen juist meer te begrijpen als ze wel iets van de kunstenaar weten, van zijn of haar motieven, jeugd, omstandigheden. Hoe merkwaardiger de details, hoe interessanter het wordt. Gewoon maar onbevangen en onbevooroordeeld iets laten binnenkomen, daar is de kijker, lezer, luisteraar doorgaans niet zo goed in. Die wil graag kunnen duiden wat ie hoort of ziet.

    Straffe metaforen gebruikt Huff om de pijn in te kunnen bergen, om te vertellen over dingen die hij zich herinnert maar zich eigenlijk niet herinneren wil. Je zou een pilaar moeten zijn, oppert hij, want hoe minder je opvalt, hoe minder zichtbaar je bent, hoe beter het is.

    ‘We waren studenten: we kregen handvatten voor het leven
     aangereikt, maar, meenden we, het leven kreeg geen grip op ons.
     Pas als je eruit bent, kun je zien hoe stompzinnig
     die gedachte is. Het leven ging niet beginnen,
     het was het leven al, en wij bloedden,
     bloedden uit wonden –
     die wij nog niet zagen.’

    Verzen zonder rijm of vaste structuur zijn het. Ongrijpbaar, gratuit als de gedachten zelf; sommige laten zich lang genoeg vasthouden voor een paar fraaie, coherente regels; sommige niet lang genoeg om te worden getemd; van sommige komt slechts de geur voorbij, of een ruis in bladeren. Je weet dat er iets is, iets was, zonder precies te weten wat. Laat het genoeg zijn. Het is genoeg. Die open, vrije, bijna nihilistische verzen zijn gevuld met een weelderige, haast ouderwets aandoende beeldtaal. Rijk aan aandacht voor de schoonheid van het alledaagse, hoe ruig, banaal, liederlijk, onbeduidend ook. Rijk aan bijvoeglijke naamwoorden – dat zal dat ouderwetse dan wel zijn -; rijk aan kleur ook, en van alle kleuren het meest nog blauw; frescoblauw, lichtblauw, vaalblauw, aderblauw. ‘een blauw licht dat om mijn voeten // op de uitlopende golven viel, // inkt-, kobalt-, en marineblauw, // zo diep dat geen renaissanceschilder // er ooit bij kon.’

    Licht, veel warm licht

    Er zijn kinderen, en dieren; zowel kleine als grote, dode als levende; verval en kwetsbaarheid ineen. Er wordt verdronken, gestorven, begraven, liefde verloren. Er is bloed, ziekte, opmerkelijk veel lichaamsdelen, een dode broer, en zorgen om een kwijnende planeet. En dat alles wordt op een uiterst zintuigelijke manier beschouwd en waargenomen.

    ‘Je donderend hart en een moeder met een tumor,
     je broer in de aarde en je vader in een tehuis.
     Er zal steeds meer verdriet dan geluk bestaan,
     dat is wat je terughoort in de diepe klanken van de toetsen
     op dagen dat de grijze wind waait –
     over een veld aan een baai waar warm licht op staat.’

    Gezien wordt er wat licht is en donker, wat glinstert of juist niet. Alles heeft klank, maakt geluid. Geproefd wordt het zoute, zoete en zure. En man, wat wordt er veel gegeten in deze bundel, gedronken trouwens ook. Bovenal wordt er gevoeld; warm en koud, glad en ruw en zand tussen de tenen. Vooral het contrast tussen droog en nat is treffend en keert veelvuldig terug. Of dit: ‘Om hoe het is // met je hoofd te rusten // op een jas, tegen het trillende glas // van de trein, de zon op je gezicht -‘

    En natuurlijk wat veel dichters het meest lijkt te bezielen: jeugdherinneringen. Met name het onherroepelijk voorbije staat garant voor weemoed, nostalgie; dat wat was en nooit meer terugkomt. Ja, vooral dichters hebben er een antenne voor.

    Autoroute du soleil

    In zo’n hoofd waar zoveel ruimte is voor dolen en dwalen, is vast ook een vergaarbak vol herinneringen van allerlei soort. Zoals die ene bak achter in de kringloopwinkel, waar van alles in zit wat in geen enkele categorie valt onder te brengen en waarbij je je afvraagt of het überhaupt nog voor iemand van nut kan zijn. Maar wie kan bepalen wat de zin is van al die bewaarde flarden, gedachten, beelden, snippers van feiten en gebeurtenissen in andermans hoofd? Mogelijk stelt zelfs de bewaarder zichzelf weleens die vraag: wat moet ik hiermee?

    Schrijvers en dichters weten er wel raad mee. Geen herinnering zo bizar of ongerijmd, vroeg of laat komt die ergens van pas; omdat het op die plek, op dat moment iets betekent. Of niet. Dan is het enkel een prachtig beeld – of een reeks van prachtige beelden – waarvan de lezer mag meegenieten.

    ‘Platgelopen plastic flessen lagen rondom vuilnisbakken.
     Het tankstation was koel, de airco gierde en mijn moeder
     pakte voorverpakte ham-kaas-eistokbroden uit een open ijskast,
     stapelde ze tegen haar borst als houtblokken.
     Een lange rij bij de pomp, een lange rij bij de kassa.

     We werkten een rozenkrans af van frescoblauwe dagen,
     waterijsgroen gras, popliedjesgouden graanvelden
     en betrouwbaar ijs, toegewijde sneeuw.
     Dag vorst, mijn norse vriend.
     Kom je nog eens praten?’

    Wie met zo veel gemak en flair en in slechts enkele zinnen de lezer weet mee te sleuren van alledaagse noodzakelijkheden als brood, benzine en toiletbezoek, naar beelden die zo wondermooi zijn dat de tranen er van in je ogen springen, kan zich met recht een dichter noemen. Dan verdwijnt de vraag of het iets betekent – de eis ook dat het iets zou móeten betekenen – naar de achtergrond; dan is poëzie doel in en op zichzelf, puur omdat ze doet wat ze doet, omdat ze schuurt, raakt, ontroert, troost, verstilt, of juist rammelt, trapt, schudt tot er iets in beweging komt.

     

     

  • Oogst week 11 – 2023

    is daar iemand

    Bij het grote publiek is Micha Hamel bekend vanwege Maestro, een tv-programma waarin BN’ers orkesten dirigeren. Met wisselend succes. Zijn eigen succes is allesbehalve wisselend. Als componist verzorgt hij wereldwijd muziekvoorstellingen en hij is sinds 2015 voorzitter van de werkgroep Kunst en Wetenschap voor de KNAW. Ook als dichter heeft hij zijn sporen verdiend. Zo werden zijn poëziebundels Alle enen opgeteld en Bewegend doel beloond met meerdere prijzen. Hamels zesde bundel, is daar iemand, heeft een GGZ-instelling als decor.

    In 2009 verkeert Hamel in een psychose, waarvoor hij wordt opgenomen in het ziekenhuis. Veertien jaar later vindt hij eindelijk de juiste woorden om die periode te verdichten. Zelf noemt Hamel is daar iemand een psychografie, het verhaal van een geest. Tijdens die wazige dagen bij de GGZ vormt de hoofdmaaltijd het enige hoogtepunt. Het ansichtkaart-zinnetje ‘het eten was er lekker’ keert geregeld terug in zijn 101 gedichten. Net als een paard, een leeuw en een makreel. Poëzie over waanideeën? Een waanzinnig idee!

    is daar iemand
    Auteur: Micha Hamel
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    De tedere verteller (essays)

    Olga Tokarczuk vermorzelt de superioriteitsgevoelens van westerse reizigers: ‘De toerist wil dat het exotisch is, maar niet té. Hij wil dat het authentiek is, maar wil onder geen beding afzien van zijn ochtenddouche. Hij wil een lichte huivering van emotie, maar niet in die mate dat hij er onrustig van wordt. Hij wil contact met de plaatselijke bewoners, maar niet dat het hem ergens toe verplicht en te serieus wordt.’ Zou I.L. Pfeijffer Grand Hotel Europa op Tokarczuks essays hebben gebaseerd? In De tedere verteller bewijst Tokarczuk dat de bevoorrechte mens geen échte empathie meer heeft, en hoe gevaarlijk dat is.

    Nederland schermt al jaren met zijn meest geëngageerde schrijver aller tijden: Eduard Douwes Dekker. Zijn Max Havelaar was zo’n oproep tot empathie, maar inmiddels doet die naam hooguit denken aan goeie koffie en ‘iets met Indonesië’. Dan heeft Polen met de Nobelprijswinnares van de Literatuur een serieuzere krachtpatser in huis. Tokarczuk krijgt het zelfs voor elkaar dat haar fictieve romanpersonages (Janina Duszejko) op echte spandoeken van demonstranten staan. Zij laat ons geloven dat literatuur de wereld inderdaad ten goede kan veranderen. Zolang we maar teder en kritisch durven te zijn.

    De tedere verteller (essays)
    Auteur: Olga Tokarczuk
    Uitgeverij: De Geus

    DealersDochter

    Astrid Roemer geldt als een grand dame van de Nederlandse literatuur. In 2016 en 2021 ontvangt zij respectievelijk de P.C.-Hooftprijs en de Prijs der Nederlandse Letteren voor haar gehele oeuvre. De laatste onderscheiding wordt met calvinistische soberheid toegekend vanwege haar openlijke steun aan Desi Bouterse. De Belgische koning woont de uitreiking niet bij. Als nasleep van deze affaire verschijnt nu DealersDochter anderhalf jaar later dan de bedoeling was. Gecanceld te worden, dat verdienen alleen middelmatige makers. Gelukkig maar.

    Roemers nieuwe roman volgt vijf personages wier levensloop wordt bepaald door hun geboortegrond: Suriname. Allen hebben zij zijdelings iets te maken met een personage uit Roemers roman Gebroken wit (2019). Via vervreemding, criminaliteit en racisme laat Roemer zien wat de gevolgen kunnen zijn van een zelf gekozen exodus. Bovendien zet Roemer de lezer aan het denken over hoe geschiedenis generaties lang doorwerkt in individuen. Kan iemand, wiens voorouders van continent naar continent zijn gesleurd, zich ooit ergens écht thuis voelen?

    DealersDochter
    Auteur: Astrid H. Roemer
    Uitgeverij: Prometheus
  • Basis van ons collectieve denken stamt al uit de 16e eeuw

    Basis van ons collectieve denken stamt al uit de 16e eeuw

    Met het begin van de oorlog in Oekraïne in februari 2022 kreeg Nederland plotseling weer te maken met een vluchtelingenstroom op een moment dat de acceptatie van asielzoekers in het algemeen een dieptepunt leek te bereiken. Populisten roepen al lang dat Nederland te vol is en het gevaar loopt zijn cultuur te verliezen; de politiek gaat al jaren over manieren om muren op te trekken voor vluchtelingen van buiten de EU omdat we zelf al te veel problemen zouden hebben. En toch stond Nederland vanaf dag één klaar om Oekraïners op te vangen en ze zelfs in huis te nemen. Het zojuist verschenen De vluchtelingenrepubliek zegt het in de inleiding zo: ‘Vastbesloten om aan de goede kant van de geschiedenis te staan, ontstaken grote delen van Nederland in een liefdadigheidseuforie’. Het maakte dat ‘sommige opiniemakers voorzichtig durfden te hopen op een cultuuromslag in onze omgang met vluchtelingen’. Zou Nederland dan misschien toch dat tolerante land zijn dat het in de geschiedenis heette te zijn geweest? Als De vluchtelingenrepubliek iets laat zien is het wel dat de werkelijkheid heel wat complexer is en dat op die historische tolerantie het een en ander valt af te dingen.

    Het is inderdaad zeer leerzaam om de loep die we op onze eigen dagen richten eens in te ruilen voor de verrekijker naar het verleden. Redacteuren David de Boer en Geert Janssen, respectievelijk docent en hoogleraar aan de UvA, bundelden voor dat doel bijdragen van dertien onderzoekers en historici over verschillende perioden uit de Nederlandse geschiedenis waarin ons land te maken had met vluchtelingen en voegden daar een terugblik van Leo Lucassen, hoogleraar arbeids- en migratiegeschiedenis in Leiden, aan toe. Hoe complex die geschiedenis is blijkt al als we het woord vluchteling bezigen. In het spraakgebruik figureerde het toen de Hugenoten eind 17de eeuw Frankrijk ontvluchtten, maar in formele zin kreeg het begrip zijn status pas na de Tweede Wereldoorlog in het Vluchtelingenverdrag van Genève uit 1951.

    Diepe wortels

    In De vluchtelingenrepubliek worden dan ook verschillende begrippen door elkaar gebruikt, van immigrant (al vroeg) tot repatriant (uit Indië) en asielzoeker (in onze tijd). Het zijn benamingen die soms verhullend zijn. Veel mensen die na 1945 Indië verlieten waren wel degelijk op de vlucht, maar de regering noemde ze liever ‘repatrianten’ omdat dat hun komst acceptabeler zou maken in een land dat het al druk genoeg had met zijn eigen wederopbouw. En in de jaren negentig van de vorige eeuw werd de term ‘asielzoeker’ een stempel dat duidelijk moest maken dat niet iedereen zich zomaar vluchteling diende te noemen; hij moest eerst maar eens bewijzen dat hij dat was. Het is een ‘twijfelwoord dat niet toevallig lijkt op “gelukszoeker”’, schrijft Marlou Schrover (hoogleraar migratiegeschiedenis in Leiden) in haar bijdrage.

    In hun introductie schrijven de Boer en Janssen dat vluchtelingen in de huidige media als een typisch eigentijds ‘probleem’ worden gepresenteerd. ‘Dit boek gaat op zoek naar de sporen die deze vluchtelingen hebben achtergelaten in het Nederlandse landschap. Daarbij zullen we zien dat ook de angst voor vluchtelingen als een bedreiging voor onze veiligheid, welvaart en cultuur diepe wortels heeft’. Het overgrote deel van de huidige Nederlanders heeft volgens genetici, archeologen en historici zelfs een onvermoede migratieachtergrond.

    Fotogeniek

    In zijn slotbeschouwing geeft Lucassen een interessante verklaring voor het ontstaan van die hedendaagse kijk op vluchtelingen als een bedreiging. Hij legt uit dat met het Schengenverdrag dat in 1995 in werking trad de binnengrenzen in Europa vervielen; mensen van buiten de EU konden Europa alleen nog in met een visum. De gevolgen van dat verdrag voor honderdduizenden vluchtelingen uit Syrië, Irak, Afghanistan en Eritrea werden ineens schrijnend duidelijk toen zij massaal naar Europa wilden, maar door de situatie in hun respectievelijke landen eenvoudigweg geen visum konden aanvragen. Zomaar op een vliegtuig stappen kon ook niet omdat de luchtvaartmaatschappijen hen weigerden (ze zouden voor de kosten opdraaien als later bleek dat ze iemand met valse papieren hadden vervoerd). Daarom restte die vluchtelingen niets anders dan met mensensmokkelaars in zee te gaan en dagenlange trektochten over land te ondernemen. Zo werd de migratie ineens, zoals Lucassen het noemt, ‘fotogeniek’.  De vluchtelingen kwamen als een aanstormende horde alle huiskamers binnen en versterkten het beeld van een dreiging.

    Uit alle bijdragen blijkt dat Nederland vluchtelingen slechts in een paar uitzonderingsgevallen verwelkomde. Dat was bijvoorbeeld zo in 1956 toen Hongaren na de mislukte opstand tegen het stalinistische bewind hun land massaal verlieten. Nederland ontving ze met open armen. Aanvankelijk gebeurde dat ook met Belgen die in 1914 met één miljoen Nederland binnenkwamen, maar toen gingen al snel eigen belangen opspelen.
    De overheid legde vaak al snel restricties op uit angst voor economische nadelen, vrees voor ziektes en criminele elementen en uit beduchtheid voor aantasting van de eigen waarden en normen. In die gevallen was de inzet van maatschappelijke organisaties nodig om uitzetting van vluchtelingen te voorkomen of te bereiken dat ze Nederland überhaupt binnen mochten. Zo sloot Nederland, net als andere landen, in de late jaren dertig van de vorige eeuw de grenzen voor Duitse joden die aan het nazibewind wilden ontkomen. Ze gingen pas open onder grote druk van joodse organisaties in ons eigen land.

    Nieuw verhaal

    Een interessant aspect dat naar voren komt uit De vluchtelingenrepubliek is de herkomst van het beroep op het gevaar van aantasting van de Nederlandse identiteit. In zijn bijdrage toont Geert Janssen overtuigend aan dat de Nederlanden in de 16e eeuw zowel demografisch als economisch, politiek en religieus in belangrijke mate zijn gevormd door vluchtelingenstromen uit het zuiden uit onder meer Antwerpen (Marten Schoolmans, bekend van Rembrandts dubbelportret met zijn vrouw Oopjen Coppit, was de zoon van één van hen). In die tijd ontstond het collectieve denken over wat ‘Nederland’ eigenlijk is. De vluchtelingen waren ‘buitengewoon creatief in het bedenken van een nieuw “verhaal van Nederland” om op die manier ook hun eigen plaats in deze samenleving veilig te stellen. Onderdelen van deze ontstaansmythe – Nederland als protestantse natie, met een sterk ontwikkeld vrijheidsdenken en een bijzondere band met Oranje – zijn als propagandanarratief zo succesvol geweest, dat latere generaties er steeds opnieuw op terug zouden grijpen, tot op de dag van vandaag’.

    Deze en meer van dergelijke lessen zijn de grote verdiensten van De vluchtelingenrepubliek. Het is een boek dat iedereen die een mening over (opvang van) vluchtelingen wil roepen zou moeten lezen.

     

  • Wezenlijke stukjes uit het leven van een jonge, zoekende vrouw

    Wezenlijke stukjes uit het leven van een jonge, zoekende vrouw

    Lot, een jonge vrouw die net haar moeder heeft verloren, belandt in de onderste regionen van de huidige samenleving. Door de plotselinge en veel te vroege dood van haar moeder is ze van haar enige anker weggeslagen en raakt op drift. Aan haar vader, die nooit een positieve rol in haar leven speelde, blijkt ze ook nu geen enkele houvast te hebben. In de wereld waarin ze is opgegroeid, voelt ze zich steeds meer een vreemde en daarom gaat ze weg en gaat ze dwalen. Ze voelt zich steeds meer thuis in de rauwe rafelranden waar ze terecht komt. Schrijfster Ine Boermans borduurt in het boek Het liefdesinterbellum door op enkele thema’s die ze in haar vorige boek, Een opsomming van tekortkomingen, aansneed. Dat doet ze opnieuw in de eerste persoonsvorm en met dezelfde paradoxale humor die, na een aanvankelijke, instinctieve lach, aanzet tot meevoelen en nadenken. 

    Getroebleerd leven

    In kordate zinnen beschrijft Boermans de wederwaardigheden van Lot die van liefde naar liefde vlindert en tussendoor geregeld als een baksteen op de keien smakt. In die periodes huilt ze om de dood van haar moeder, het gemis van familie, om haar hele eenzame bestaan. In haar eigen bewoording heet dat ‘remournen’. Ze heeft een getroebleerd verleden, en lijdt een moeizaam en eenzaam leven. Juiste besluiten stelt ze voortdurend uit en vaak kiest ze voor de verkeerde mannen. Ze lijkt haar richting in het leven niet zelf te kunnen bepalen en neemt het daarom zoals het zich aan haar voordoet. 

    Ze leeft met weinig spullen, heeft af en toe werk, woont antikraak, bij een vriend of is op reis. Door haar gebrek aan zelfvertrouwen durft ze geen plan te maken voor haar eigen leven. Na elke doodlopende verkering krabbelt ze weer op door haar vastbesloten optimisme. 

    Lot beschrijft zichzelf als erg dun. ‘Een voordeel van veel liefdesverdriet, veel roken en remournen was mijn jaloersmakende slankheid’. Ze beschikt over een levensreddende nuchterheid ‘Ik probeerde zo lang mogelijk onder water te blijven maar kon er helaas niet ademen’. Die nuchterheid van haar moet niet te letterlijk genomen worden, want drank en drugs zijn nooit ver weg. Godzijdank heeft ze een sterk karakter, waardoor de problematische mannen op wie ze verliefd wordt haar niet meetrekken in de afgrond waarlangs ze samen, soms weken, soms jaren, een wankel leven lijden. 

    Vertellingen

    Ine Boermans heeft, net als in haar vorige boek, een duidelijke, openhartige en laconieke vertelstijl waardoor de tegenstelling met de loodzware omstandigheden waarin Lot verkeert des te navranter is. In de loop van de zes jaar die het boek beslaat blijkt een van de verliefdheden bestendig en wederzijds. Lot heeft een goede invloed op hem en hij op haar, ze vinden een nieuw anker bij elkaar. Maar voordat het zo ver is, leeft Lot alleen in Amsterdam, reist naar China en Hongkong, naar de wondere wereld van kroegen en hoerenlopers. Het is goed te begrijpen dat ze af en toe moet stelen om haar armoede te overleven.
    De opbouw van het boek bestaat uit vertellingen die in lengte variëren van een halve pagina tot meer dan tien. Ze tonen telkens weer een wezenlijk stukje van het leven van Lot. Het doet denken aan een impressionistisch schilderij met hier en daar een precies rake vrolijke toets, waardoor het niet beschreven verdriet goed zichtbaar wordt.