• Indringend familieportret blijft nog lang bij

    Indringend familieportret blijft nog lang bij

    Het is een bekend genre in de Duitse literatuur, familiegeschiedenissen waarin schrijvers op zoek gaan naar het oorlogsverleden van broers, vaders en grootvaders. In Mijn broer bijvoorbeeld (herdruk van de in 2004 verschenen versie), onderzoekt schrijver Uwe Timm (1940) de beweegredenen van zijn zestien jaar oudere broer Karl-Heinz om zich vrijwillig aan te melden bij de Waffen-ss. Onvermijdelijk dringt de vraag zich op: was zijn broer, lid van de Totenkopfdivision, ‘goed’ of ‘fout’ en bestaat er wel zo’n scheidslijn?

    Het boek opent met een herinnering. De auteur is een kleuter wanneer hij uit de tuin de keuken binnenkomt en zijn broer ziet staan, waarschijnlijk gekleed in Waffen-ss uniform. Karl-Heinz tilt hem op en voor de jonge Uwe voelt het alsof hij zweeft. Het is de enige herinnering aan een broer die niet veel later, slechts negentien jaar oud, sterft aan het oostfront. Toch is Karl-Heinz gedurende Timms hele jeugd zijn ‘metgezel geweest, afwezig en toch aanwezig, in het verdriet van mijn moeder, in de twijfels van mijn vader, in de vage opmerkingen die mijn ouders tegen elkaar maakten.’ 

    Blauwbaard

    Pas na de dood van Timms ouders en zus – van iedereen die zijn broer heeft gekend – lukt het hem om over zijn broer te schrijven. Ook dan pas durft hij voor het eerst diens oorlogsdagboeken te lezen. Eerdere pogingen de dagboeken uit te lezen deden hem ‘angstig terugdeinzen’, mooi vergeleken met zijn angst als kind om het sprookje van Blauwbaard uit te lezen, bang voor wat die op zijn kerfstok zou hebben. Of dergelijke gruwelijkheden ook voor Karl-Heinz gelden komt Timm niet te weten. Wel zijn er aanwijzingen via cryptische dagboeknotities als: ‘grote luizenjacht’, ’75 m rookt Ivan sigaretten, voer voor mijn MG’ en ‘veel buit!’

    Uwe maakt zich een voorstelling van ‘die Rus, die Ivan’ en in dit soort empathische overpeinzingen zien we een meesterverteller aan het werk. ‘Een jongeman die net een sigaret had opgestoken – zijn eerste trek, het uitblazen, genieten van de rook die voor de volgende trek van de brandende sigaret opstijgt. Waar zal hij aan gedacht hebben? Aan de aflossing, die niet lang meer op zich kon laten wachten? Aan de thee, een stuk brood, aan zijn vriendin, zijn moeder, zijn vader? Een uiteendrijvend wolkje rook in dat met vochtigheid doordrenkte landschap, sneeuwresten, smeltwater in de loopgraaf, het tere groen van de wilgen.’ 

    Met zijn onderzoek probeert Timm te doorgronden wie zijn broer was en hoe hij zich verhield tot zijn taak. Nam hij het moorden op de koop toe, omdat het nou eenmaal bij oorlog hoort? In zijn dagboeken en brieven naar huis maakt Karl-Heinz geen enkele notitie over het leed van de vijand terwijl hij zich wel beklaagt over de Engelse luchtaanvallen op Duitsland: ‘Dat is toch geen oorlog meer, dat is moord op vrouwen en kinderen – en dat is niet humaan.’ Timm staat voor een raadsel. Hoe kon een stille, dromerige, ietwat ziekelijke jongen als zijn broer overgaan tot het plegen van moorden, de vijand niet langer als mens te zien? 

    Autoritaire vadergeneratie

    Schrijven over zijn broer betekent voor Timm ook schrijven over zijn vader, een vindingrijke man met een knappe verschijning die plichtsvervulling en gehoorzaamheid hoog in het vaandel had staan. Een man die veel wist van geschiedenis en lange verhalen kon vertellen. Maar ook een rigide man met wie Uwe als tiener voortdurend in de clinch lag. Hij hekelde de naoorlogse opkomst van Americana en alles wat daarmee gepaard ging: spijkerbroeken, jazz, films, allemaal dingen waar de jonge Uwe zich voor interesseerde. Buitenshuis vierde de cultuur van de overwinnaars weliswaar hoogtij maar binnenshuis, de enige plek waar zijn vader en zijn autoritaire generatiegenoten nog konden commanderen, was die cultuur verboden.

    Toch lukte het Timm zich door de vrijere naoorlogse tijd te bevrijden van het strenge oudergezag. Die luxe had zijn broer niet gehad. ‘Er werd altijd gezegd dat hij (Karl Heinz) zich echt vrijwillig had aangemeld en dat mijn vader geen druk op hem had uitgeoefend. Maar dat was ook niet nodig. Het was niet meer dan een stilzwijgende uitvoering van wat mijn vader in overeenstemming met de samenleving wilde dat hij deed. Ik daarentegen had eigen woorden kunnen vinden, kunnen tegenspreken, kunnen vragen en doorvragen.’

    Timms portret van zijn vader is nietsontziend, toch leest het nergens als een afrekening. Ronduit liefdevol zijn de scènes – soms mooi in de tegenwoordige tijd geschreven – waarin hij zijn vader even tot leven wekt en tegelijk zijn tragiek zichtbaar maakt. Zo zit zijn vader achter de bontnaaimachine die hij na het bombardement op Hamburg uit de puinhopen viste en ‘naait de eekhoornhuiden aan elkaar, strijkt de haartjes opzij, die zo fijn en dun zijn dat er bij het kleinste zuchtje wind grijze schaduwen overheen glijden. Een moeizaam friemelwerkje, waarbij mijn vader steeds weer vloekt omdat er haar tussen de naad is gekomen. (…) Het was de eerste bontmantel die mijn vader in zijn leven maakte.’

    Geen eenduidig antwoord

    Liefdevol zijn ook de portretten van zijn gelijkmoedige, nimmer klagende moeder en zijn grotendeels genegeerde en onfortuinlijke zus wier ‘wensen nauwelijks werden geregistreerd.’ Maar schrijven over zijn familie betekent voor Timm ook schrijven over zichzelf. Want hoe is hij zelf geworden wie hij is? En zou hij hetzelfde hebben gedaan als zijn broer? Zou hij zich ook ‘vrijwillig’ hebben aangemeld om vervolgens op commando te doden? In zijn zoektocht naar antwoorden neemt hij zijn conformistische opvoeding onder de loep. Als de lens van een camera zoomt hij uit en bekijkt zichzelf op afstand, schrijft dan in de derde persoon en probeert zodoende inzicht te krijgen in zijn eigen levensgeschiedenis en vorming. ‘De jongen kan zich niet herinneren ooit door zijn ouders aangemoedigd te zijn om niet te gehoorzamen, ook niet door zijn moeder – je erbuiten houden, voorzichtig zijn, dat wel, maar niet nee zeggen, nooit weigeren, nooit ongehoorzaam zijn.’

    Toch blijft de gesneuvelde broer de rode draad in het verhaal en het is dankzij Timms immense talent als schrijver dat we het zicht op Karl-Heinz nooit kwijtraken; overal lijkt hij aanwezig. In amper 152 bladzijden wordt Timm heen en weer geslingerd tussen zijn broer begrijpen en niet begrijpen, kennen en niet kennen. Het is een constant gissen naar motieven, tasten naar antwoorden, gebeurtenissen bij elkaar puzzelen. Maar een eenduidig antwoord bestaat niet en Timms worsteling met dat feit maakt het verhaal aangrijpend en diep menselijk. 

     

  • Omdraaien

    Omdraaien

    Ik ben niet zo’n held waar het idolen betreft. Eens schreef ik een brief aan Hans Warren, zijn Geheime dagboeken kende ik van voor naar achter. Ik dweepte met de schrijver. Die brief verstuurde ik niet. Om Jeroen Brouwers fietste ik een middag door de Achterhoek. Uit zijn Kroniek van een karakter dacht ik te weten waar zijn huis in Exel stond. Stel dat ik hem tegenkwam. Ik fietste heen en weer. Bij een pad naar een huis, gedeeltelijk verborgen achter bomen, stapte ik van mijn fiets. Het was een grijze dag, kraaien scheerden over omgeploegd land, er kwam een auto aan, ik keerde snel mijn fiets en ging er vandoor. Bij de boekpresentatie van De Zondvloed in 1988 bij een boekhandel in Zutphen, liep de straat vol. De schrijver werd buiten geïnterviewd op een soort houten spreekgestoelte. Daarna nam hij plaats achter een tafeltje om te signeren. In een lange rij bewogen we richting schrijver. Vlak voor ik het tafeltje bereikte sloeg de onrust toe, ik stapte uit de rij en liep weg.  

    Ik benijd dan ook Jannah Loontjens. Zij schreef Frida Vogels – de meest onbereikbare schrijver, mijn meest geliefde ooit – een brief. In Als het over liefde gaat, dat ze naar aanleiding van haar fascinatie voor Vogels schreef, schrijft ze dat ze zich op de grens  van een ‘lichte vorm van krankzinnigheid’ bevond toen ze die brief schreef. Daar kon ik me wel iets bij voorstellen.
    Loontjens schreef haar, ‘de opmerkzaamheid in uw schrijven maakt me rustig’. Het is bekend dat Vogels geen bezoek wenst. ‘Toch is bij mij het verlangen ontstaan u te bezoeken, (…) misschien samen een wandeling te maken. Mocht u dat niet willen of kunnen en mij ook liever niet ontvangen, heb ik daar vanzelfsprekend alle respect voor.’ Dan stelt ze voor of ze een route ergens in Italië, voor haar zou kunnen uittekenen, die zou ze dan gaan wandelen om zodoende toch in haar voetspoor te treden. Ze eindigt met, ‘dat lijkt mij “mieters’ om uw woordgebruik te lenen’.

    Frida Vogels beantwoordt haar brief en stuurt haar de originele aantekeningen (de originele!) van een wandeling die ze in 1968 maakte in Umbrië. Er verstrijken zes jaar voor Jannah Loontjens in 2018 daadwerkelijk op pelgrimage gaat met haar vriend. Ze wil erover schrijven zoals Vogels schreef. Het is een project, een zoektocht naar zichzelf, de ander, haar relatie. De boventoon wordt gevoerd door irritaties naar elkaar, haar verleden, zijn verhaal (door haar vertelt), het zoeken naar hotels en het invullen van achteraf gevonden bijzonderheden over de plaatsen waar ze waren. Alles krijgt net niet genoeg ruimte om iets te kunnen raken. Er daalt niets in. Dat zij meerdere keren, ‘[Frida’s]volgorde voor lief nemen en onze eigen route uitstippelen’, is haast niet te verdragen. Te willen schrijven als Frida Vogels, in haar voetsporen te treden, is een onmogelijkheid gebleken, dat begrijpt de schrijver uiteindelijk ook. Alsof je twee dezelfde polen van een magneet tegen elkaar houdt, ze ontspringen elkaar, stoten elkaar af. Zo lijkt dit boek op een vreemde manier geladen, aantrekkelijk maar ook afstotend.

     

    Als het over liefde gaat / Jannah Loontjens / Uitgeverij Podium (2019)


    Inge Meijer reist met het OV en schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Oogst week 6 – 2020

    Buiten beeld

    De Nederlandse fotograaf Alex Laagland ziet tijdens een demonstratie in Caracas een jongen struikelen die kort daarop, net als hij zijn camera op hem heeft gericht, wordt neergeschoten: ‘Achter elkaar drukt Alex af, de demonstrant die zijn vuist in de lucht steekt en recht in de lens kijkt, het schot dat uit de loop vlamt. En dan de foto: het moment net nadat de kogel hem in zijn linkerschouder heeft geraakt en zijn mond openstaat in een schreeuw’ – de foto wint de Zilveren Camera. Met die scene begint Buiten beeld, de debuutroman van journalist Jurriaan van Eerten. Op de cover staat een afbeelding die geïnspireerd is op de beroemde foto De gier (Starving child and Vulture) waarmee de Zuid-Afrikaan Kevin Carter in 1994 de Pullitzerprijs won. Daarop zagen we hoe een gier wacht op de dood van een hongerend kind in Soedan. Het leverde Carter kritiek op. Was hij niet zelf een soort gier? Dat brengt Van Eerten in deze roman tot vragen over ethische dilemma’s van een journalist

    Buiten beeld
    Auteur: Jurriaan van Eerten
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Broze aarde

    Broze aarde is een nieuwe bundel gedichten van Antjie Krog. Thema is de kwetsbaarheid van onze planeet. Krog heeft in deze tweetalige verzameling (Zuid-Afrikaans en Nederlands) de opbouw gekozen van een hoogmis, een mis voor het Universum. In de gebruikelijke gezangen is niet God maar de ‘Brose Aarde’ de aangesprokene. Dat leidt tot bijvoorbeeld de volgende regels in haar versie van het Onze Vader:
    U gee ons elke dag
    ons daaglikse lig, getemperde water, fotosintese en brood
    maar ons besoedeling kan u nie vergeef nie,
    ook nie ons mishandeling en vernietiging van mekaar nie;
    lei ons in die versoeking om u bo alles lief te hê
    u te verlos van alle etterende ontering.
    Een indrukwekkende uitvoering van de mis door Krog met koor en orkest tijdens Poetry International 2019 is hier te zien.

    Broze aarde
    Auteur: Antjie Krog
    Uitgeverij: Podium

    Een ongeneeslijk heimwee

    Willem Brakman (1922 – 2008) heeft vijfenvijftig boeken op zijn naam staan en won in 1980 de PC Hooftprijs voor zijn hele oeuvre. Zijn werk wordt nog steeds heruitgegeven en toch stond hij nooit hoog in beststellerlijsten. Zijn schrijftrant was niet geschikt voor lezers die een lineair verhaal willen. Nico Keuning schreef nu een biografie over hem, getiteld Een ongeneeslijk heimwee. Leven en werk van Willem Brakman. ‘Wim was een introverte, gevoelige jongen’, zegt Keuning in een recent interview: ‘Wellicht zou hij nu aangemerkt worden als hoogbegaafd. Hij keek op een indringende manier naar voorwerpen, kende elke winkel, iedere etalage en elk object. Een argeloos kind met veel fantasie, levend in zijn eigen wereld (…) Brakman schreef voor de ideale lezer. Dat hij daarmee geen groot publiek bereikte, heeft wel enigszins bitter gestemd, maar het weerhield hem er niet van om door te gaan op de ingeslagen weg. Hij kon niet anders. In een halve eeuw heeft hij een volstrekt uniek oeuvre bij elkaar geschreven. Een wereld op zichzelf. Daar heb ik enorme bewondering voor’.

    Een ongeneeslijk heimwee
    Auteur: Nico Keuning
    Uitgeverij: Querido
  • Mussolini greep macht via hypnotische toverij

    Mussolini greep macht via hypnotische toverij

    Het is 1919, de Eerste Wereldoorlog is net afgelopen. Italië speelde daarin een complexe rol. Het vormde aanvankelijk een alliantie met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, maar koos in 1915 de kant van de gealliëerden. Het land zou dus uiteindelijk gerekend kunnen worden tot de overwinnaars, maar dat werd door de Italianen niet zo gevoeld. Er waren honderdduizenden op een gruwelijke manier gesneuveld in de gevechten in de Alpen en nog meer keerden verminkt terug zonder dat Italië er iets mee was opgeschoten. Daar kwam bij dat Fiume (het huidige Rijeka) dat een overwegend Italiaanse bevolking had bij het Verdrag van Parijs niet aan Italië werd toegewezen, maar aan Joegoslavië. Voor de strijders uit de oorlog voelde het niet minder dan een vernedering, een gevoel dat een uitweg zocht waarop het fascisme kon opbloeien. Op dat punt begint de omvangrijke roman M. De zoon van de eeuw van Antonio Scurati.

    De zoon van de eeuw is inderdaad een roman. Toch benadrukt Scurati in interviews dat gebeurtenissen en zelfs dialogen niet verzonnen zijn. Scurati’s interpretaties en weergave van de dynamiek ervan zijn natuurlijk wel zijn dichterlijke invullingen. Dat de roman zich beweegt op die grens van feit en fictie is herkenbaar in de structuur van het boek. Het verhaal wordt in chronologische volgorde verteld. De hoofdstukken hebben steeds een datum (als de macht eenmaal is gegrepen worden dat teksttitels) en ze worden steeds afgewisseld met letterlijke teksten in afwijkend lettertype uit brieven, verklaringen, redevoeringen, krantenberichten, dagboeken enzovoort, die door Scurati zijn geraadpleegd. Scurati verplaatste zich vijf jaar lang onafgebroken in het hoofd van Mussolini (de fascistenleider en de M uit de titel) en in de sfeer van de tijd. Zozeer dat hij zich na de voltooiing van deze roman, de eerste van wat een trilogie moet worden, zo labiel voelde dat hij de hulp van artsen nodig had om weer zijn evenwicht te vinden in zijn eigen dagelijkse bestaan. Dit eerste deel bestrijkt de periode van 1919, het jaar van de oprichting van de fascistische beweging, tot en met 1924, als Mussolini al enkele jaren premier is en zich ontpopt tot dictator.

    Metaforen

    Het is fascinerend en angstaanjagend om te zien hoe een aanvankelijk onbetekende beweging in zes jaar kon uitgroeien tot een dictatoriale macht. Angstaanjagend omdat je als lezer voortdurend parallellen voelt met bepaalde vormen van opkomend populisme in onze dagen.

    Als Mussolini in 1919 zijn Fasci di Combattimento opricht, een beweging van knokploegen die wordt gevormd door verbitterde oorlogsveteranen, stelt die nauwelijks iets voor. Bij de eerste verkiezingen in november 1919 behaalt ze als partij niet één zetel. Maar het land is een politieke warboel van fascisten, die het gepraat zat zijn en liever knuppelend rondgaan, socialisten, die proberen de Russische revolutie van 1917 naar Italië over te planten, anarchisten, communisten, liberalen, katholieken en radicalen.
    Mussolini is de formele leider van de Fasci, maar de schrijver Gabriele d’Annunzio, ‘Il Commandante’, doet in de eerste jaren het meest van zich spreken. Waar Mussolini afwachtend is, maar gespitst op situaties die hij kan gebruiken, gaat d’Annunzio de straat op. Hij weet de lagere bevolking op te zwepen tegen de lijdzaamheid van de elite. Hij is als literator ook de man van de metaforen: ‘de verminkte overwinning’ voor de afloop van de oorlog, Fiume als ‘de stad van het offer’ en later, als d’Annunzio deze stad eigenhandig met zijn mannen annexeert, ‘de wraakgodin’.
    Scurati kleurt de twee mannen bloemrijk in: hun houding, hun kleding, hun onbeschoftheid en bovenal hun rauwe taal, zoals ‘pisglazen van vlees’ voor de vrouwen op wie ze naar willekeur hun lusten botvieren.

    Passie

    Op de eerste landelijke vergadering van de fascisten komen amper honderd man af die niettemin het ‘Leve onze Duce! Voor Benito Mussolini eja, eja, eja, alalà’ inzetten als geloof in de toekomst. In de vele bijeenkomsten die volgen ontspint zich een richtingenstrijd. Moeten we de politieke orde van binnenuit om zeep helpen of willen we een buitenparlementaire beweging zijn? Dat pleit wordt door de sluw laverende Duce beslecht. Het wordt moeizaam de parlementaire route, maar de fascistische knokploegen blijven moordend door de straten trekken zonder dat Mussolini ze een strobreed in de weg legt.

    Wie zijn hun aanhangers? ‘De nieuwe fascisten zijn allemaal mensen die tot gisteren beefden van angst voor de socialistische revolutie, mensen die leefden op angst, angst aten, angst dronken, met angst naar bed gingen (…) Nu wordt op de bedelaarsbeurs het zware metaal van de benauwdheid ingewisseld voor de gewaardeerde valuta van dodelijke haat’, schrijft Scurati in de gedachtegang van zijn protagonist. En even later: ‘Het fascisme is geen kerk, het is een sportschool, het is geen partij, het is een beweging, het is geen programma, het is een passie. Het is de nieuwe kracht’.

    Dubbele gedachte

    Mussolini krijgt het uiteindelijk voor elkaar om als partij aan nieuwe verkiezingen mee te doen. Met succes. De fascisten zijn in 1921 verhoudingsgewijs de grote winnaars. Maar ook de Duce heeft geen programma. Hij is een sluwe tacticus die zijn kansen ruikt en ze waar mogelijk bewust zelf schept. Hij creëert wanorde om te laten zien dat hij de enige is die de chaos die hij zelf oproept kan beteugelen. Met de ene hand ontketent hij het geweld van zijn knokploegen en met de andere toomt hij ze in. Scurati: ‘Er komt een hypnotische toverij bij kijken waardoor je iets kunt doen en ontdoen, iets beweren en het tegendeel ervan, je bewust overtuigen van de waarachtigheid van iets en onbewust weten dat het onwaar is, vooral moet je kunnen vergeten en vergeten dat je hebt vergeten. Er is kortom een dubbele gedachte nodig. Zo blijf je altijd op het rechte spoor.’
    Het is de beangstigende parallel die veel lezers bij dit soort zinnen zullen herkennen met in onze tijd de populisten en dictators die verwarring zaaien, chaos scheppen en feiten voorstellen als niet meer dan verwerpelijke meningen. En de daarop volgende dringende vraag hoe deze ontwikkelingen te keren.

    Wachten als strategie

    Niemand blijkt bij machte Mussolini tegen te houden. De situatie in het land werkt er niet aan mee. Italië verkeert in 1922 in de tot dan toe langste parlementaire crisis. Niemand gelooft nog dat het geweld van het fascisme als politievraagstuk is op te lossen en er gaan stemmen op om de aanhangers juist regeringsverantwoordelijkheid te geven. Ook dat weet Mussolini uit te buiten. Hij wordt inderdaad premier. Zelfs als hij dreigt politiek te worden afgestraft voor de moord op de socialist Giacomo Matteotti in 1924 (Mussolini zou die hebben uitgelokt), weet hij zich daar uit te manoeuvreren en zijn macht te versterken tot een dictatorschap. Zijn macht berust op willekeur, geraffineerd opportunisme (‘Mussolini’s strategie is altijd dezelfde: wacht, wacht en wacht…’) en wellust. Dat laatste verbeeldt Scurati prachtig als de Duce, die zich graag voortbeweegt in sportauto’s en in een door hem zelf bestuurd vliegtuig, in de zomer van 1922 als zijn succes nog moet komen, vanuit de hoogte het land overziet: ‘Italië is echt een fantastisch land: in achtenveertig uur knuppelen is bereikt wat in een eeuw van strijd niet is gelukt: de socialisten zijn gebroken. Kijk daar die mensen beneden, die kranten, die socialistische organisaties die zich tot gisteren vertakten over de vlakten, de kusten, de bergruggen van dit geweldige land. Kijk ze nu toch… niet één gebaar, niet één kreet, ze durven niet eens adem te halen.’

    Beklemmend

    Het is verleidelijk om als één van de tekortkomingen van de roman te zien dat we zo weing lezen over hoe de gevestigde orde denkt over de aanpak van het fascisme. Evenmin komen we iets te weten over de aanhang van Mussolini onder het volk. Er worden alleen medestanders opgevoerd uit de directe coterie van de Duce en kopstukken van andere partijen. Toch is dat misschien een onterecht verwijt. We zien immers alles vanuit de optiek van Mussolini zelf. Hij luisterde niet naar argumenten en zorgen van zijn tegenstanders en het gewone volk interesseerde hem waarschijnlijk alleen voorzover hij er gebruik van kon maken. Het past daarom in het uitgangspunt van Scurati die schrijft vanuit het hoofd van de protagonist.

    In een ander opzicht vraagt de roman veel concentratie van de lezer en een lange adem. Die wordt overstelpt met namen van fascisten en andere politici, gekrakeel binnen allerlei stedelijke afdelingen van de beweging en gevechten over uiteenlopende politieke richtingen in het land. Scurati komt de lezer deels tegemoet door achterin twaalf pagina’s op te nemen met biografietjes van de belangrijkste personages. Een verdere tegemoetkoming aan de lezer zou hebben kunnen zijn om daaraan paginaverwijzingen toe te voegen.

    Wie zich echter door het oerwoud van namen laat afschrikken laat zich veel ontnemen. M. De zoon van de eeuw ontvouwt niet alleen een beklemmende geschiedenis maar doet dat ook nog eens begeesterd, beeldrijk en in smeuïg proza. Hulde ook aan de vertaler Jan van der Haar die dit alles in soepel Nederlands heeft omgezet.

     

  • Oogst week 45 – 2019

    Allesverpletterende

    Allesverpletterende is de titel van het deze week verschenen derde boek van Nicolien Mizee met faxen aan Ger Beukenkamp. De vorige twee delen waren De kennismaking uit 2017 en De porseleinkast uit 2018. ‘Allesverpletterende’ is één van de aanspreekvormen die Mizee gebruikt in haar correspondentie met Ger. ‘Een oprechte stem die zichzelf niet spaart’, schreef Inge Meijer in een column op deze site over Mizee. Zij vond het tweede deel al diepgravender en onderzoekender dan het eerste. De recensie van De porseleinkast door Thomas de Veen in NRC Handelsblad kreeg zelfs de kop mee: ‘Nog een paar van deze verslavende boeken en Mizee wint de P.C. Hooft-prijs’. Dat belooft wat voor Allesverpletterende.

    Allesverpletterende
    Auteur: Nicolien Mizee
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Liever dier dan mens, Een overlevingsverhaal

    Journalist Pieter van Os, onder andere voor De Groene, wist van het bestaan van de in Polen geboren joodse Mala Rivka Kizel, die tegenwoordig Marilka Shlafer heet en in Amstelveen woont. Ze is nu tweeënnegentig. Van Os had de grote lijnen van haar wonderlijke overlevingsverhaal al eens gehoord van haar kleinzoon en zocht contact met haar. Hij las haar memoires, voerde gesprekken met haar en bereisde de plekken waar ze gewoond heeft. Ze overleefde de oorlog doordat ze inwoonde bij een nazigezin in Zerbst. Ze gedroeg zich alsof ze volksduitse was. Ontroerend is het moment waarop de Amerikanen bij de bevrijding ontdekken dat Mala geen Duitse is als ze meezingt met een jiddisch lied dat enkele joodse soldaten onder de Yankees hebben ingezet. In Liever dier dan mens vertelt van Os meeslepend zijn zoektocht en de odyssee van Mala door Polen, de Oekraïne, Duitsland, Israël en Nederland.

    Liever dier dan mens, Een overlevingsverhaal
    Auteur: Pieter van Os
    Uitgeverij: Prometheus

    M.

    M. De zoon van de eeuw van Antonio Scurati werd in Italië bekroond met de belangrijkste literaire prijs van het land, de Premio Strega. De M uit de titel is Mussolini, maar dan niet in retrospectie. Scurati is in deze vuistdikke roman in het hoofd gekropen van de Duce, of beter: de aanstaande Duce. Hij leefde zich helemaal in in de psyche en het taalgebruik van een man die er van overtuigd was dat hij een grote rol zou gaan spelen in zijn land en de wereld. Maar Scurati wilde het latere oordeel van de geschiedenis daar zoveel mogelijk buiten houden. ‘De toekomst is van ons. Al ga je op je kop staan, er is niets aan te doen, ik ben net als een dier, ik ruik de tijd die komt’, denkt de dan 36-jarige Mussolini. Hij is klaar voor de oprichting van zijn fascistische partij. Het is 1919.

    M.
    Auteur: Antonio Scurati
    Uitgeverij: Podium
  • Op zoek naar geluk voor de mensheid

    Op zoek naar geluk voor de mensheid

    Over zijn oudere broer die bij de waffen-SS zat en in 1943 omkwam aan het oostfront, schreef Uwe Timm ruim 15 jaar geleden een autobiografische roman. De opkomst van Hitler en de Tweede Wereldoorlog, een tijd die hij alleen als kind meemaakte, houden hem nog altijd sterk bezig. In het nawoord van Icarië komt naar voren dat de schrijver al in 1978 startte met het werk aan dit project. Het lukte hem echter aanvankelijk niet om een goede structuur te vinden. Onderzoek en documentatie gingen ondertussen door en leveren nu een roman op van meer dan 400 pagina’s, waarin Timm de ontwikkeling van de eugenetica en de (Duitse) rassenleer beschrijft.

    Van Utopia naar de gaskamers
    De titel Icarië verwijst naar een op sociaal-utopische leest geschoeide commune, gesticht in de 19eeuw in de VS. Vanuit ideeën over gemeenschappelijkheid en gelijkheid ontwikkeld door de Fransman Étienne Cabet, werd hier een poging ondernomen de menselijke samenleving te verbeteren. Twee personages uit het boek van Timm voelen zich met dit ideaal verwant en leggen begin 20eeuw een bezoek af aan de kolonie. Dit loopt voor beiden echter uit op een teleurstelling. Daardoor raakt de ene, Alfred Ploetz, ervan overtuigd dat er naast de gewenste sociale revolutie ook een biologische revolutie nodig is, in de vorm van rassenhygiëne waarmee het voortbestaan van bepaalde eigenschappen gestimuleerd en die van andere afgeremd wordt. De tweede, Wagner, onderkent direct de gevaren van deze denkrichting:

    Nee, heb ik gezegd, het zijn juist de zwakken die voor verandering zorgen, het zijn de zwakken die de onvolkomenheden kennen, het zijn de zwakken die de hoop belichamen dat de doffe, van kracht en bloed dampende natuur niet in zijn recht staat, het zijn de zwakken – en tegenover dood en ziekte zijn wij allemaal zwak -, zij zijn het die voor ons en voor de andere ongelukkigen het geluk opeisen (…)’.

    Ploetz kan echter niet op andere gedachten worden gebracht door zijn vriend. Hij laat zijn oorspronkelijk links georiënteerde idealen los en klimt al snel op tot een belangrijke geleerde in de jaren 30 in Duitsland. Zijn ideeën over rassenverbetering geven onder meer legitimatie aan het systematisch vermoorden van ‘sociaal ongewensten’ in instellingen en ziekenhuizen. Wagner ondertussen, die als socialist bekend staat, belandt in Dachau en moet na zijn vrijlating jarenlang onderduiken voor de nazi’s.

    Het uur nul
    Deze geschiedenis, sterk op feiten gebaseerd, zit in een merkwaardige compositie gegoten. Het perspectief van de roman ligt bij een Amerikaanse soldaat van Duitse afkomst in het net overwonnen Derde Rijk. Michael Hansen is als officier verbonden aan het snel oprukkende Amerikaanse leger; eigenlijk vinden er alleen nog enkele schermutselingen plaats. Vanwege zijn beheersing van de Duitse taal krijgt hij de opdracht om onderzoek te doen naar de overleden wetenschapper Alfred Ploetz, en wel via de man die hem zo goed kende. Avond aan avond voert Hansen daarom vraaggesprekken met Wagner, wat ook in de vorm van een interview zijn weerslag krijgt in de roman. Wagner vertelt, Hansen stelt vragen. Daarnaast is er een alwetend perspectief van waaruit beschreven wordt wat de Amerikaanse officier meemaakt in het land dat zojuist een catastrofale oorlog verloor. En tenslotte komen er fragmenten voorbij in dagboekstijl, waarin Hansen zijn persoonlijke ervaringen noteert. Vooral deze laatste passages maken de tekst onnodig warrig en overtuigen ook stilistisch niet.

    De compositie van het boek is erop gericht zoveel mogelijk informatie kwijt te kunnen over het onderwerp waar Uwe Timm zich jaren in verdiept heeft. Icarië voelt daardoor aan als non-fictie in romanvorm. Dit komt de stof die behandeld wordt ten goede: in een mum van tijd neem je kennis van de ontwikkeling van de nationaalsocialistische rassenleer, waarvan de wortels bijna honderd jaar teruggaan. Voor het romanelement pakt dit minder goed uit. Nog los van de gekunstelde en rommelige structuur is Icarië in dit opzicht vrij zouteloos; de weergave van het kapotgeschoten Duitsland kent geen verrassingen. Zo valt meermaals te lezen dat er bijna geen volwassen mannen in het straatbeeld opduiken. De wederwaardigheden van Michael Hansen, inclusief diverse plichtmatige avontuurtjes, komen binnen dat fletse decor maar niet tot leven. Ook qua stijl kan Uwe Timm weinig bijzonders brengen, op misschien de opening van het boek na.

    Schuivende belangen
    Overigens verliest de Amerikaanse legerleiding vrij snel zijn belangstelling voor het onderzoek waar ze Hansen mee belastten. Het is zelfs nog sterker, want tegen het einde verschuift het vijandsbeeld alweer van de nazi’s naar de communisten, en is het de oude Wagner die als gevaar wordt gezien in plaats van Ploetz en diens denkbeelden. Degenen die onder het bewind van Hitler floreerden, claimen opnieuw hun rechten. Deze pijnlijke verandering vindt op allerlei fronten plaats, zonder dat het van commentaar wordt voorzien. Dit is fraai gedaan.

    Icarië kan dus onderhoudend en informatief worden genoemd, maar de literaire vorm die Uwe Timm gekozen heeft is vooral een kapstok om zijn uitgebreide bronnenonderzoek aan op te hangen. Daarmee is dit niet de grote roman geworden over rassenwaan en Stunde Null die vooral de Duitse pers ervan heeft willen maken.

  • ‘Discussiëren is onmogelijk in dit land’

    ‘Discussiëren is onmogelijk in dit land’

    De Zuid-Afrikaanse schrijfster Antjie Krog (1952) verwierf naam en faam als dichteres, maar was ook journaliste en bundelde een aantal essays en reportages in drie non-fictieboeken (in het Nederlands vertaald als De kleur van je hart, Een andere tongval en Niets liever dan zwart). Uit die boeken maakte ze een persoonlijke keuze die werd gebundeld in Hoe alles hier verandert. Het gaat om stukken die meestal dateren uit een van de woeligste, maar ook boeiendste periodes in de geschiedenis van Zuid-Afrika: de moeizame, geleidelijke overgang van het apartheidsregime naar democratie na de vrijlating van Nelson Mandela in 1990 en de eerste vrije verkiezingen in 1994.

    Daarbij put Antjie Krog uitvoerig uit haar eigen ervaringen en relatie met haar familie van blanke Afrikaanstalige Boeren uit Kroonstad. Zo haalt ze in Na de bevrijding herinneringen op aan een zenuwslopende nacht waarin haar broers Hendrik en Andries gewapend achter een stel zwarte veedieven aan gaan, of schrijft ze over een kerstfeest op de boerderij dat met strikte veiligheidsmaatregelen gepaard gaat. Het is immers oppassen geblazen voor plaasmoorde, aanvallen op boerderijen met dodelijke afloop. Bovendien wordt de familie geteisterd door diefstal en neemt de druk om te verkopen steeds toe doordat de boerderij amper nog rendabel blijkt te zijn.

    Toch benadert Krog de gespannen rassenverhoudingen altijd genuanceerd: de waarheid is nooit zwart-wit. Krog, die als jongedame nog protestgedichten tegen de apartheid schreef, probeert het samenlevingsprobleem empathisch te benaderen door in gesprek te gaan met zwarte Zuid-Afrikanen en begrip te tonen voor hun grieven. ‘De blanken laten zich niet uitroeien, het overleven zit ze in het bloed. Maar wij, als wij niet voor elkaar opkomen, dan worden we weggevaagd,’ tekent ze op uit de mond van een zwarte schrijver. En ze is hoopvol, ziet ook voorzichtige redenen tot optimisme, zoals wanneer zwarte en blanke scholieren samen meedoen aan een atletiekwedstrijd: ‘De zwarten zijn blij omdat een zwart kind de blanke kinderen verslaat. De blanken zijn blij omdat het winnende zwarte kind op een witte school zit en door hen is getraind.’ Er is eigenlijk geen andere keuze, het besef groeit dat iedereen elkaar ‘een toekomst moet gunnen’, en dat de spanningen in het land niet alleen met ras, maar zeker ook met klasse te maken heeft. Zo klinkt er kritiek op de nieuwe zwarte elite die ‘de armen al het vuile werk laten doen en vervolgens voor de wolven gooien’.

    Bovenal valt op hoezeer Krog verknocht is aan haar geboortegrond:
    Hoe dichter bij Kroonstad, hoe meer mijn ogen op hun plaats vallen. Ik ben er langzaam achter gekomen dat er grond is die zich hecht in je ziel. Mijn voorouders behoorden tot de eerste zes Boere-families die zich langs de Valschrivier vestigden, lang voor de Grote Trek.’
    Krogs complexe identiteit is minstens zo afhankelijk van haar geboortegrond, waar ze zich tegelijkertijd thuis en ontheemd voelt, als van haar afstamming, zoals blijkt wanneer ze in Berlijn of Londen met cultuurverschillen wordt geconfronteerd.

    Ondanks de vrij nuchtere, journalistieke toon van dit boek, komt de dichter in Antjie Krog af en toe naar boven. Verrassend genoeg beweert die zelfs dat ‘alles wat in taal getransformeerd wordt al fictie is’, wat eigenlijk betekent dat de in de journalistiek zo hoog gewaardeerde objectiviteit voor Krog een mythe is. Dat lijkt op het eerste gezicht tegenstrijdig, maar in feite getuigt zo’n inzicht van het besef dat in een uiterst complex land als Zuid-Afrika niemand de waarheid in pacht heeft en iedereen bereid moet zijn om naar de ander te luisteren. De ruimdenkende ingesteldheid van Antjie Krog, die zich nooit op een apodictische uitspraak laat betrappen, maakt deze bundel zo boeiend.

     

  • Oogst week 44

    De dochter van Crusoe

    Deze week een vertaalde roman uit 1985 van Jane Gardam, poëzie van Karel Wasch, een kerstverhaal zonder woorden van Frank Flöthmann en een roman van de Duitse schrijver Uwe Timm.

    Jane Gardam (1928) publiceerde meer dan dertig boeken waaronder romans, verhalen en kinderboeken. Ze is de enige auteur in Engeland die twee keer met de Whitbread/Costa Award werd bekroond. Toch maakten wij in Nederland pas in 2017 kennis met haar door de uitgave van de Old Filth-trilogie bij uitgeverij Cossee die direct een groot succes werd.
    De roman De dochter van Crusoë uit 1985 werd onlangs vertaald. Het boek is deels gebaseerd op Gardam’s eigen jeugd en die van haar moeder in het Yorkshire van begin vorige eeuw.
    De zesjarige Polly Flint wordt bij twee vrome tantes achtergelaten in een huis aan de Engelse kust. Met om zich heen niets anders dan de duinen en een uitgestrekt landschap leest Polly zich de dagen door. Daarbij ontwikkelt ze een grote verwantschap met Robinson Crusoë: zij leeft immers net als Crusoë eenzaam en verlaten aan de kust en ze zijn beiden de held van hun eigen verhaal. De beschrijvingen van het leven van Polly strekt zich uit over acht decennia. Ze ontmoet de liefde en de overzichtelijke Victoriaanse eeuw maakt plaats voor de grote veranderingen van de twintigste eeuw. We worden meegenomen in de veranderingen in het leven van Polly en hoe het huis aan de Engelse kust omsloten wordt door woonwijken en autowegen.

    En ja, het is zoals de schrijver Ian McEwan al zei: ‘Jane Gardams boeken behoren tot de grote schatten van de Engelse literatuur.’

    De dochter van Crusoe
    Auteur: Jane Gardam
    Uitgeverij: Cossee, Uitgeverij

    Icarië

    In het werk van Uwe Timm (1940) spelen autobiografische apsecten en het verleden van Duitsland een grote rol. Zijn boek Mijn broer bijvoorbeeld (2003) gaat over zijn zestien jaar oudere broer die bij de Waffen-SS diende en in 1943 in Oekraïne is gestorven. Het werd door NRC Handelsblad geselecteerd als een van de beste boeken van 2003. In eigen land ontving hij dit jaar de prestigieuze Schiller-Preis voor zijn hele oeuvre.

    Ook in Icarië dat zich afspeelt in het Duitsland van 1945, verweeft hij feiten met fictie. De oorlog is verloren en geallieerde troepen rukken op langs verwoeste steden. De Amerikaanse officier Michael Hansen krijgt opdracht van de geheime dienst uit te zoeken welke rol de vooraanstaande rassenhygiënicus dr. Alfred Ploetz heeft gespeeld in het Derde Rijk. Hansen verricht zijn werk vanuit een geconfisqueerde villa, legt beslag op een luxe cabriolet en wordt verliefd op de jonge Duitse weduwe Molly.
    Uwe Timm wilde al meer dan veertig jaar over dr. Alfred Ploetz – die de grootvader van Timm’s vrouw is en van grote invloed was op de rassenleer van de nazi’s – schrijven. Nu het zich eindelijk liet schrijven is het evenals Mijn broer bijvoorbeeld, een zeer persoonlijk werk geworden waarvoor hij een indrukwekkende hoeveelheid research pleegde.

    Icarië
    Auteur: Uwe Timm
    Uitgeverij: Podium

    Het geluid van denken

    Dichter, biograaf, columnist en essayist, Karel Wasch, publiceert voor het eerst een gedichtenbundel bij uitgeverij In de Knipscheer. Zijn gedichten gaan over liefde en schuld, en indringende thema’s als een tragische vriendschap, een zieke moeder, katholieke rituelen als een processie en spanningen in een gezin. In deze bundel neemt de dichter de lezer mee op een odyssee door zijn leven, maakt hem deelgenoot van zijn ontheemding, de turbulenties in zijn geest. Volgens de uitgever is Het geluid van denken ‘een bundel voor de poëzieliefhebber, persoonlijk, gedurfd en buiten de gebaande paden van de mediawerkelijkheid.’
    En kan gelezen worden als een poëtische autobiografie ‘waarbij de lezer als een blinde een beeld aftast, voelt wat het voorstelt en er zo zijn eigen betekenis aan geeft.’

    Het geluid van denken
    Auteur: Karel Wasch
    Uitgeverij: In de Knipscheer

    Stille nacht

    De tekenaar Frank Flöthmann maakte al eerder van traditionele vertellingen een getekende versie; zonder tekst. Daarbij is het steeds weer verbazend hoeveel informatie Flöthmann kwijt kan in enkele simpele beelden.
    Zo hertekende hij verhalen van Shakespeare, maar ook maakte hij een animatiefilm over het Kindeke Jezus waarbij de enige woorden gebruikt worden voor de inleiding die aldus luiden: ‘Er zijn verhalen die zo groot zijn, dat ze geen woorden nodig hebben’.

    Zo heeft hij nu ook het kerstverhaal met tekeningen vertaald naar deze tijd. Waarin vragen naar voren komen als: ‘Wat geef je een kind dat de hele wereld in zijn hand houdt? En als dat kind de zoon van God is maar niet wil slapen, houdt zijn stiefvader dan ook nog van hem? En is het wel verantwoord van de Drie Wijzen om een klein kind zo veel geschenken te geven?’ Een kerstverhaal met humor en liefde voor detail en zonder woorden: dat prikkelt de verbeelding.

    Er wordt gezegd dat zijn boek over het kerstverhaal behoort tot de hoogtepunten van de stille strips.

    Stille nacht
    Auteur: Frank Flöthmann
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Poëzie is haar liefde, ze debuteerde met korte verhalen


    In 2017 debuteerden meer dan honderd Nederlandstalige schrijvers bij een gerenommeerde uitgeverij met een roman, poëzie- of verhalenbundel. Enkelen werden in de landelijke pers besproken of genomineerd voor een literaire prijs. Weinigen halen met hun eersteling een herdruk. Van velen blijft het debuut onopgemerkt. Wie van deze debutanten moet je in de gaten houden?

    Literair Nederland liet zijn oog vallen op Gerda Blees, zij debuteerde begin 2017 met de verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet bij uitgeverij Podium. Een titel waarvan je wilt weten wat zich daarachter ophoudt. Tien verhalen die stuk voor stuk verbluffend goed geschreven zijn en je geregeld naar adem doen happen. Zo goed dat je wilt weten hoe ze dit gedaan heeft. Duidelijk is dat ze het detail niet schuwt en heeft ze een soort brutale flair in haar schrijven waarmee ze het onwaarschijnlijke als uiterst waarschijnlijk voorstelt. De lezer gaat er grif in mee; een overtuigend schrijfster.

    Gerda Blees (1985) publiceerde in de afgelopen jaren met enige regelmaat verhalen en gedichten in literaire tijdschriften (Kortverhaal, Hollands Maandblad, Het Liegend Konijn). In 2016 kreeg ze de (laatste) Nieuw Proza Prijs Venlo uitgereikt, een prijs voor het beste debuut in een Nederlandstalig literair tijdschrift. Ze won de prijs met ‘Zomerkroos’, dat in 2015 in Tirade werd geplaatst en in haar debuut als openingsverhaal is opgenomen. Toen ze in 2015 meedeed aan Poetry Slam, stuurde iemand van de organisatie een gedicht van haar naar uitgeverij Podium. Ze werd uitgenodigd voor een gesprek en zo kwam van het een het ander.

    Twee romans

    We treffen elkaar in café Broers aan het Janskerkhof te Utrecht. Terwijl Gerda Blees haar rugzak onder de tafel zet, er een bestelling wordt opgenomen en we onze stoelen  aanschuiven vertelt ze als in een ‘by the way’, dat ze ‘eerder twee romans heeft geschreven’. Waarop ik verbaasd vraag of die uitgegeven zijn.
    ‘Ik ben er wel mee langs uitgevers geweest maar niemand zag er wat in. Ik had bij een roman schrijven het idee van een lang uitgesponnen verhaal. Maar dat werkte natuurlijk niet. Uit die eerste roman, waarvan ik ook wel zag dat die niet goed was, is het verhaal ‘Naar het oosten’ gehaald en die tweede roman ligt nog in een la.’

    Ze vertelt het alsof het heel gewoon is om aan een roman een kort verhaal over te houden. En dat is het eigenlijk ook voor Gerda Blees. Schrijven is voor haar tevens een ontdekken waar haar kracht zit. De ambitie om eens een roman te schrijven, is met haar twee eerdere pogingen daarbij dan ook niet verdwenen.

    Heb je altijd de ambitie gehad om schrijver te worden?

    Als kind dacht ik er wel eens aan om kinderboekenschrijver te worden. Dat leek me wel wat. Ik zat altijd te lezen, veel van Roald Dahl, Paul Biegel, Thea Beckman. Ik schreef ook graag. Op mijn negende schreef ik eens het langste opstel van de klas. Ik herinner me nog dat dat opviel, maar had zelf niet het gevoel dat het bijzonder was. Op mijn twaalfde had ik met een vriendinnetje het idee opgevat een boek te schrijven.’

    Tijdens haar studie (Liberal Arts and Sciences, Communicatiestudies en Bestuurs- en Organisatiewetenschap in Utrecht), was er weinig tijd over om te schrijven.
    ‘Ik volgde wel schrijvers die aan Write Now! meededen, zoals Maartje Wortel. Maar na mijn afstuderen ben ik
    pas echt gaan schrijven.’

    Was er sprake van een onvermijdelijke drang om te schrijven?

    Ik heb eigenlijk altijd geschreven, voor de schoolkrant en op school. Ik wist ook wel dat ik daar iets mee wilde, maar ik dacht eerder in de richting van journalistiek of het schrijven van zakelijke teksten. Dat schrijven als kunstvorm zo goed bij mij past heb ik pas ontdekt toen ik na mijn studie mijn eerste serieuze verhalen en gedichten begon te schrijven. Dat ik taal kon gebruiken om dingen te verzinnen en te verbeelden was echt een ontdekking: ik had het niet achter mezelf gezocht. Het was alsof er een luikje in me open ging en dat luikje is niet meer dicht gegaan.’

    Hoe lang heb je aan deze verhalenbundel gewerkt?

    Ik heb een jaar vrij genomen om aan een reeks verhalen met als thema ‘niet denken aan de dood’ te werken. Ik had al een paar verhalen die in Tirade en Kortverhaal waren verschenen. De rest van de verhalen heb ik erbij geschreven”, vertelt ze op een toon alsof je dat zo even doet. Ik vraag of ze makkelijk schrijft.
    “Als ik eenmaal het idee heb voor een verhaal dan gaat het eigenlijk wel. Het concept schrijf ik altijd met de hand. Dan kan ik het tempo van mijn gedachten beter bijhouden. Daarna typ ik het uit, print het en schrijf veel woorden opnieuw, waarna ik het weer uit typ, print en woorden verander. Zo herschrijf ik een verhaal toch wel zo’n tien keer.’

    Waar komt de titel vandaan?

    ‘Ik had de titel ‘Aan doodgaan dachten we niet’, al bedacht maar dat vond de uitgever niet zo’n goed idee vanwege het woord ‘dood’ erin. Maar omdat ik een andere titel niet geslaagd vond, kwamen we uiteindelijk toch weer bij ‘Aan doodgaan dachten we niet’. In het laatste verhaal van de bundel ‘Regen en geen regen’, komt dit ook voor. Daar hebben ze het niet over de dood, daar dachten ze gewoon niet aan.’

    In elk verhaal in je bundel las ik ook een waarschuwing. In ‘Zomerkroos’ dat we onze kinderen niet uit het oog mogen verliezen en in ‘Echt vakwerk’, dat ouders niet te veel van hun kinderen mogen verwachten. Wil je iets aantonen met je verhalen?

    Ik heb niet echt een boodschap. Het is meer dat ik zelf iets wil ontdekken in mijn verhalen. Extreme situaties intrigeren me. Hoe komt iemand tot iets. Vaak kom ik daar al schrijvende  achter. Ik zit er bovenop, wil het onwaarschijnlijke van wat er gebeurt, zichtbaar maken.’

    Als ik zeg dat haar personages eenzaam zijn, klinkt ze verbaasd. ‘Zo heb ik er nog niet naar gekeken, dat ze eenzaam zouden zijn. Dat ze daarom de dingen doen die ze doen. Ik vind het meer dat ze buiten de norm vallen. Dat ze anders doen dan wat er normaal gesproken van iemand verwacht wordt.’

    Hoe ontstaan je verhalen?

    ‘Vaak begin ik met een personage of een bepaalde handeling. Het gegeven voor het verhaal ‘Op reis’ waarin een dochter haar terminale moeder onttrekt aan de medische zorg, las ik in de krant. De werkelijkheid was nog extremer dan in mijn verhaal, de dochter  in het artikel nam haar dode moeder mee naar een bos en liet haar daar achter. Een ander verhaal ‘Blauw, blauw’, over een vrouw die een baby wil en die op een gegeven moment steelt, begon met een gedachte, een voorstelling. Ik weet dan nog niet hoe het zal eindigen. Dat ontwikkelt zich tijdens het schrijven. Voor sommige verhalen, zoals bij ‘Echt vakwerk’, bedenk ik een achtergrond om te begrijpen waarom die ouders zo zijn. Ik hoef zo’n achtergrond niet uit te schrijven maar het helpt me wel om personages waarachtig neer te zetten.’

    Wie zijn je voorbeelden in de literatuur?

    Die vind ik vooral in de buitenlandse literatuur. Zo’n alwetende verteller als in het eerste verhaal (‘Zomerkroos’) heb ik ontdekt door Tolstoj te lezen. Bij zijn verhalen dacht ik: “Oh, dat kan je zo doen”. Schrijven alsof je erboven staat. Ik leer schrijven door te lezen. Ik lees ook graag schrijvers als José Saramago; De stad der blinden, Het jaar van de dood van Ricardo Reis. En Gabriel García Márquez en Milan Kundera, vertellers die duidelijk boven hun verhaal staan.’

    En de poëzie, waarmee je toch binnenkwam bij de uitgever?

    Hoewel ik er veel meer moeite mee heb een goed gedicht te schrijven dan een kort verhaal, werk ik graag aan gedichten. Het is niet eenvoudig, wordt niet veel gelezen en uitgeverijen zijn er niet altijd zo happig op. Toch blijf ik het schrijven. Poëzie is een liefde van mij. Binnenkort komt er ook een dichtbundel van me uit.’

     

    Binnenkort blijkt al heel snel te zijn. Donderdag 12 april verschijnt haar bundel Dwaalllichten bij uitgeverij Podium.

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: fotoBuffel

     

  • Kijkje in de keuken van DBC Pierre 

    Kijkje in de keuken van DBC Pierre 

    Naar verluidt belanden er jaarlijks meer dan achthonderd manuscripten op de bureaus van Nederlandse uitgevers. Die, ook al willen de uitgevers je dat wel laten geloven, lang niet allemaal gelezen worden. Wie zijn of haar werk gepubliceerd wil zien, heeft meer aan een goed netwerk dan aan een stevige envelop. Je hoort weleens zeggen dat er in Nederland meer geschreven wordt dan gelezen. Dat er wel een miljoen mensen zijn die een boek zouden willen publiceren.
    Ook dat is een markt. Er zijn bureaus, magazines en websites die de schrijver in spe vooruit willen helpen. En er zijn gevestigde schrijvers die niet te beroerd zijn om de amateurs van adviezen te voorzien. Op websites, zoals Stephen King dat doet. Of in boeken die als schrijfhulp worden gepresenteerd.

    DBC Pierre (1961), die we vooral kennen als de auteur van Vernon God Little (2003), ontpopt zich op geheel eigen wijze als schrijfadviseur. In zijn nieuwste boek, met een titel die direct al een advies is: Laat ze maar denken dat je als schrijver geboren bent, geeft hij op een bijzondere manier een kijkje in zijn keuken. De ondertitel luidt: Een atypische schrijfgids, en atypisch is die zeker. Zo barstensvol ironie dat je niet zelden het gevoel hebt dat je voor de gek gehouden worden. Zie hem daar zitten: verwoed tikkend op zijn toetsenbord, voor zich uit murmelend: ‘Ik zal al die nepschrijvers eens een poepje laten ruiken.’

    Doolhof
    Dat gevoel bekruipt je tijdens hoofdstukken waarin hij je een doolhof instuurt waaruit geen uitweg mogelijk lijkt. Als hij het heeft over ‘de krakende kloof tussen conceptueel ideaal en existentiële chaos: waar geweld vermomd is als vrijheid, autocratie als democratie, verlangen als behoefte, verwijt als onschuld.’ Mooie zinnen, daar niet van. Maar ze bieden de lezer, de potentiële schrijver, weinig praktische handvatten.
    Toch staan ze er wel degelijk in, de concrete adviezen. Zoals deze: trek je er niks van aan als je redacteur zegt dat je rekening moet houden met de markt. ‘De markt gedraagt zich als een school angstige sardientjes, zenuwpezende flitsen in de vorm van uitgevers die uitgevers volgen, agenten die agenten volgen die uitgevers volgen die uitgevers volgen (…). Laat ze hun gang maar gaan. Als de school op een dag achter jou aan zwemt zal hij vol hese stemmen zijn die zeggen dat ze altijd al geweten hebben dat jij de nieuwste hit was.’ Waarna DBP Pierre het belangrijkste advies geeft dat een beginnend schrijver kan krijgen: ‘De enige manier om te schrijven is je best doen.’

    Drugs
    Heel onorthodox is ook de manier waarop DBC Pierre aankijkt tegen het gebruik van alcohol en drugs. Vermakelijk is de manier waarop hij één voor één verschillende opwekkende middelen behandelt. Om af te sluiten met de meest verslavende van allemaal: het schrijven zelf.

    Een van de meest aansprekende hoofdstukken is die waarin de schrijver fictie en de waarheid tegenover elkaar zet. Waarin hij vertelt hoe huiverig hij is om echte gebeurtenissen in zijn fictiewerk op te nemen. Hij geeft voorbeelden van gebeurtenissen uit de werkelijkheid die een willekeurige luisteraar of lezer als fictie zou bestempelen. Eenvoudige voorbeelden, over iemand wiens motor was gestolen en die, toen hij na allerlei omzwervingen terugkwam, in een veel betere conditie was dan daarvoor. ‘Het is een ironie van de moderne tijd dat de ware realiteit vaak te onwaarschijnlijk is om in fictie te verwerken.’ Toen hij feiten verzamelde voor zijn debuutroman, over een schietpartij op een middelbare school in de VS, schrok hij zo van de waarheden achter wapencriminaliteit en doodstraf in de VS, dat hij ze niet durfde te gebruiken.

    Het vergt enig doorzettingsvermogen om uit het driehonderd pagina’s tellende boek de tips en adviezen te destilleren waar een beginnend fictieschrijver echt iets aan heeft. Ze staan er wel in. Maar eigenlijk is het lezen van Laat ze maar denken dat je als schrijver geboren bent leuker als je je niet focust op schrijftips en je je in plaats daarvan laat meesleuren in die lawineachtige, ironische schrijfstijl van DBC Pierre. Dan krijg je in ieder geval een fraaie inkijk in de manier waarop híj schrijft, een succesvol auteur die in meer dan 43 landen wordt gelezen.

     

     

  • Subtiele stijl in verhalen over ontluistering

    Subtiele stijl in verhalen over ontluistering

    De Zuid-Afrikaanse schrijver S.J. Naudé brak een internationale carrière als advocaat af om een masterstudie creatief schrijven aan de universiteit van Stellenbosch te gaan volgen. Een van de resultaten van die keuze is de verhalenbundel Het vogelalfabet, waarvoor hij de South African Literary Award kreeg.

    De zeven verhalen in deze verzameling kennen thema’s als zelfverzaking, moeizame (familie)relaties en de Zuid-Afrikaanse expat cultuur die de schrijver uit eigen ervaringen in New York en Londen kent. Op het verhaal ‘Moeders kwartet’ na, hebben de verhalen onnadrukkelijke eindes, waaruit desillusie spreekt. Onder meer desillusie over de toekomst en over de wreedheid van ziektes, maar ook naar aanleiding van de moeizaamheid van het aangaan van relaties en het zoeken naar identiteit. Het slot van het genoemde ‘Moeders kwartet’ wekt de suggestie van komende gewelddadigheid en werpt daarmee een ander licht dan de overige verhalen op de ontluistering die leven is. Maar ook hier is de behandeling van de genoemde thema’s subtiel.

    Naast de eenheid in thematiek kent deze bundeling vooral ook een eenheid in stijl. Het vogelalfabet staat vol met passages als: ‘Hij is alleen hierbinnen. Het licht is fel en hij heeft honger. Hij zit naar de hammen te kijken. Ze vertrekken zonder te eten.’ (77) Of: ‘Joschka’s moeder belt om te zeggen dat ze langskomt. Joschka verstijft als zijn zus hem dat vertelt. Er daalt een spanning neer over het huis. Het duurt een uur voordat ze komt opdagen; ze komt van ergens bij de Tsjechische grens. Een buurvrouw brengt haar.’ (85) De stijl in Het vogelalfabet is sober, met veel korte mededelende zinnetjes na elkaar geplaatst, maar kent af en toe ook geheimzinnige passages als: ‘Schaduwen van oude bewegingen beginnen het geheugen van het lichaam te ontrafelen.’ (127) Een rug wordt omschreven als ‘een massief blok’ dat ‘ uiteenbrokkelt in een mozaïek van spieren.’ (131) Naudé biedt in zijn stijl een mix van eenvoudige woordkeus, met hier en daar een ambitieuze zin. Het is met name deze subtiliteit in verwoording die ervoor zorgt dat deze verhalen aanspreken.

    Hiernaast biedt de verzameling een tijdsbeeld van het Zuid-Afrika van na de Apartheid. Onder meer hiv (wijd verspreid in het land) en corruptie van de nieuwe overheid spelen er een rol in. Het raciale thema is niet onbelangrijk, maar is niet alles overheersend in deze verhalen. Naudé stamt uit een geslacht van blanke Afrikaners. Het blank zijn in een zwarte maatschappij wordt echter niet heel nadrukkelijk gethematiseerd. De blanke personages zoeken vooral hun heil in verre buitenlanden, om uiteindelijk wel weer terug te keren naar Zuid-Afrika, maar zonder hoop dat hun terugkeer hen nieuwe levensvreugde of zingeving zal schenken.

    De bundel werd uit het Afrikaans vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer, die echter ook gebruik maakten van de afwijkende Engelse versie die Naudé van zijn verhalen maakte. Het moet voor de vertaalsters interessant zijn geweest om met een schrijver uit een verwant taalgebied te maken te hebben die de vertaling op zijn merites kan beoordelen.

    Het zijn geen vrolijke verhalen, humor en lichtheid ontbreken. De hopeloosheid van een onrechtvaardig bestaan waarin mensen op weg zijn naar een onprettig einde, zonder veel respijt, dat drukt deze verzameling uit, die vooral om zijn stijl een aanrader is.

     

  • Getuigenis van een sterven

    Getuigenis van een sterven

    Michel Faber (1960) is geboren in Nederland maar woont al sinds zijn kindertijd in landen waar Engels de voertaal is: eerst Australië, later Schotland. Sinds eind jaren 90 publiceert hij romans en verhalen, alle geschreven in het Engels. Meerdere van zijn boeken zijn vertaald in het Nederlands. Wereldwijd succes verwierf hij met The crimson petal and the white uit 2002 (vertaald als: Lelieblank, scharlakenrood), een omvangrijke roman over het leven van een 19-jarige prostituee in Londen tijdens de regeerperiode van koningin Victoria. Tot leven. Een liefdegeschiedenis is de eerste bundel gedichten van Faber.

    De reikwijdte van poëzie in onbegrensd. Gerrit Komrij merkte al eens op: de onderwerpen waarover gedicht wordt, variëren van God tot een eierslaatje. Nu is er dan de bundel Tot leven. Deze gedichten zijn geschreven naar aanleiding van de ziektegeschiedenis en het overlijden van Fabers vrouw Eva, gedichten over multipel myeloom, een ongeneeslijke vorm van beenmergkanker. Nu kan poëzie heel goed waarachtig zijn, en zelfs zuiver autobiografisch zonder terughoudendheid. Met pathetiek ligt het anders: dat kan gedichten gruwelijk ongenietbaar maken of in elk geval onpoëtisch. Het rustige, nuchter-informatieve voorwoord bij deze gedichtenbundel is in dat opzicht – klinkt gek in deze context misschien – geruststellend. Pathetiek staat de lezer niet te wachten. Hartverscheurend verdriet des te meer.

    […]

    Waar je ook komt kussen ze je op de wangen,
    betrekken ze je in hun toekomstplannen,
    vertellen ze je hun geheimen,
    delen ze je hun dromen mee,
    en beloven je van alles
    wat ze nooit zullen gaan doen.
    Alleen je beenmerg kan
    met zekerheid voorspellen
    wat je toekomst brengen zal.

    Dit zijn geen gedichten die je leest omdat je graag ‘een mooi gedicht’ wilt lezen. Deze gedichten zijn een getuigenis die in een andere vorm waarschijnlijk tenenkrommend zou zijn geweest vanwege de volkomen ongefilterde realiteit, de overbodige feitelijke details die het juist in poëzie zo goed doen.

    […]

    Na elk verlies en elke nieuwe zwakte
    verviel je verder aan mijn zorg.
    Bij elke nieuwe handeling besefte ik nog meer
    dat ik er was voor jou, en dat wij tot het laatst
    er samen voor zouden staan.
    Met elke nieuwe taak won
    ik meer je vertrouwen
    en leerde jou op mijn beurt
    dat je mij vertrouwen kon
    Mijn liefde was niet langer uit op je genezing,
    maar richtte zich op het verwarmen van je sokken,
    het kloppen van je custard, het prakken van tomaat,
    het lezen van verhalen, het masseren van je been,
    en op geliefde, vriend, verzorger zijn ineen.
    Kapot en weer hersteld was ik wat ik beweerd had
    nooit te kunnen zijn: je steun en toeverlaat.

    De bundel valt in twee delen uiteen. Het eerste deel gaat in op de ziekte en het aftakelingsproces. Het tweede deel op de periode na de dood van de geliefde vrouw. Het [moment van] overlijden zelf komt – overtuigend, net als in veel andere gedichten – onnadrukkelijk maar onverbiddelijk voorbij. Nog een treffend voorbeeld van deze krachtige gedichten:

    Je as
    Je as weegt zwaar, weegt
    zwaarder dan ik dacht.
    Ik wandel naar de trein
    met in mijn hand het plastic tasje met
    de asbus die de uitvaartleider meegaf,
    door de hoofdstraat met zijn cafetaria’s,
    winkelfilialen en moegslenterde toeristen
    met tasjes als het mijne, waarin flessen drank
    die minder wegen dan jouw overschot,
    en ik heb het gevoel dat ik
    te veel heb gekocht.

    Voor wie het weten wil: ‘Vraag het dan gerust’ is het mooiste (of beste?) gedicht in deze bundel. Zoek het maar op. Anderzijds … ‘mooiste’ of ‘beste’ zijn kwalificaties die slecht bruikbaar zijn in dit verband. Het criterium van vorm of traditie is hier ook al ruimschoots losgelaten. En toch is er iets ontstaan in dichtvorm dat – zoals altijd bij goede poëzie –  meer is dan de som der delen. Een bevrijding voor de schrijver, een memento voor de aanbeden overledene, een houvast voor wie dit is overkomen of te wachten staat. Kankerpoëzie die sterk is en onnadrukkelijk, die straalt, heelt en troost.