• Oogst week 12 -2023

    De Zanzibardriehoek

    De boeken van historicus Martin Bossenbroek hebben een vaste insteek: altijd vanuit de standpunten van betrokken hoofdpersonen. Op deze manier heeft hij al een groot aantal toonaangevende boeken over belangrijke perioden uit de hedendaagse wereldgeschiedenis geschreven.

    In zijn waarschijnlijk bekendste boek De Boerenoorlog bijvoorbeeld (dat de Tweede Boerenoorlog van 1899- 1902 behandelt) verplaatst hij zich in alle partijen en volgt hij drie belangrijke personen op de voet: de Nederlandse jurist Willem Leyds, de Engelse oorlogsverslaggever Winston Churchill en de Boerencommando Deneys Reitz.

    In zijn andere boeken, bijvoorbeeld Fout in de Koude Oorlog (Nederland in tweestrijd 1945-1989), en De wraak van Diponegoro (Begin en einde van Nederlands-Indië) gaat hij op eenzelfde manier te werk.

    Met De Boerenoorlog won hij in 2013 de Libris Geschiedenis Prijs. Hij is daarnaast vele malen genomineerd geweest voor verschillende prijzen.

    Onlangs is van hem De Zanzibardriehoek verschenen met als ondertitel ‘Een slavernijgeschiedenis 1860-1900’.
    Het vertelt over de geschiedenis van de Oost-Afrikaanse mensenhandel in Zanzibar die onder Britse dwang in 1873 wordt afgeschaft waarna Zanzibar een Brits protectoraat wordt.
    In dit boek beschrijft Bossenbroek de laatste episode in deze slavernijgeschiedenis, ook weer vanuit direct betrokkenen, in dit geval o.a. David Livingstone, de bevrijde slaaf James Chuma, Sultan Barghash, slavenhandelaar Tippu Tip en de diplomaat John Kirk.

    De Zanzibardriehoek
    Auteur: Martin Bossenbroek
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2023)

    Hoe ik de vissen ontmoette

    De Tsjechische schrijver Ota Pavel, geboren als Ota Popper (1930-1973), was journalist, sportverslaggever en schrijver. Hij wordt geroemd om zijn korte verhalen en autobiografische romans.

    Een bipolaire stoornis betekende het einde van zijn carrière als sportverslaggever en later ook als journalist. Hij zou regelmatig worden opgenomen in een inrichting. Wrang is dat er wordt gezegd dat hij juist in die periodes het meest creatief was en hij toen zijn mooiste boeken geschreven zou hebben.

    In Hoe ik de vissen ontmoette schrijft Ota Pavel aanvankelijk over zijn onbezorgde jeugd in Tsjecho-Slowakije, een tijd waar door de inval van de Duitsers bruut een einde aan komt. Zijn vader en twee broers worden naar het concentratiekamp afgevoerd en Ota voelt zich verantwoordelijk voor de voedselvoorziening van de rest van het gezin en steelt de door de Duitsers gevorderde karpers terug.

    Op de flaptekst omschrijft de uitgeverij het als volgt: ‘De ontroerende verhalen over de strijd van zijn sprankelende vader om voor zijn gezin te zorgen en over de heroïsche vindingrijkheid van de jonge Ota Pavel, zijn boven alles een gepassioneerd en aangrijpend pleidooi voor leven, liefde, vrijheid en vissen.’

    Hoe ik de vissen ontmoette
    Auteur: Ota Pavel
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2023)

    Onder het Luchtspoor

    Jonge, talentvolle kunstenaars kraken in de jaren tachtig van de vorige eeuw samen een leegstaand pand in Rotterdam. Ze leven van de bijstand in een tijd van grote woningnood en jeugdwerkeloosheid. Zij hopen op succes, verwachten dat ook, maar zijn onvoldoende in staat hun talent tot bloei te laten komen. Een van hen is fotograaf Arend Zwart die na een aantal mislukte studies weer is teruggekeerd naar zijn geboortestad.

    ‘Na een kansloos avontuur aan de Faculteit der Aardwetenschappen en twee halverwege afgebroken studies op kunstacademies elders in het land keer ik noodgedwongen terug naar de stad waar ik ben opgegroeid.’
    Zo begint Onder het Luchtspoor. De toon is gezet.

    Peter Swanborn (1963) is vooral bekend als dichter. Onder het Luchtspoor is zijn prozadebuut.

    Onder het Luchtspoor
    Auteur: Peter Swanborn
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium (2022)
  • Meeslepend verhaal met een meer dan goed gecomponeerd einde

    Meeslepend verhaal met een meer dan goed gecomponeerd einde

    Vanaf haar debuut Een moeder van niks (1980), heeft Annemarie Oster  bewezen een uitstekende schrijfster te zijn, vilein, openhartig en een stilistische topper. Ze laat dat opnieuw zien in haar laatst verschenen werk, MantelliefdeOster trekt de lezer met ferme hand mee in haar no-nonsense verhaal over de studentikoze zestiger die haar rond het jaar 2000 in de kunstenaarssociëteit De Kring aanspreekt, met wie ze vervolgens 20 jaar samen is en die ze ten slotte als mantelzorger in zijn laatste jaren verpleegt tot de dood erop volgt. Ze doet dat met  onverbloemd woordgebruik, veel spot maar ook veel zelfspot.

    De man op wie zij op haar zestigste verliefd werd was advocaat en in zijn uiterlijk, gedrag en woordgebruik een corpsbal. Als zij zijn eigenaardigheden beschrijft vraag je je als lezer wel af wat dit stel ooit bij elkaar bracht. Die vraag stelt Oster zichzelf gelukkig ook.

    Waarom ze bleef

    ‘In het begin van onze relatie vreesde ik weleens dat hij ze helemaal niet had: “gevoelentjes”zoals hij mijn emotionele belevingswereld tot mijn ongenoegen noemde.’ (…) ‘Waarom blijf je bij hem?’ vroegen mijn zonen en vriendinnen. Dat vroeg ik mezelf ook af. Meerdere malen heb ik op het punt gestaan mijn biezen te pakken en weer op mezelf te gaan wonen. Maar ik deed het niet. In eerste instantie was ik te verliefd, en daarna, toen deze verblindende gemoedstoestand was geluwd, kon ik maar niet aan de gedachte wennen dat hij was zoals hij was. Ik kon eenvoudigweg niet geloven dat iemand alleen maar een rare snijboon is. Hij bleef me intrigeren; ik wilde hem leren kennen, hem me eigen maken, hem geleidelijk schillen, ja, pellen als een artisjok, om wat er daarna overbleef, niet zozeer te verslinden, maar te proeven, begrijpen, en ten slotte te koesteren.(…) Waarom ik bij hem bleef? Omdat ik voelde dat deze snijboon diep vanbinnen een lieve gevoelige jongen was. Hij kon het alleen niet laten blijken. Het was hem thuis niet geleerd.’

    Als hij eens wat openhartiger over zichzelf is hoort ze hoe moeilijk hij het heeft gehad met de opvoeding – naast zijn drukke baan als advocaat – van twee puberzonen na de dood van zijn eerste vrouw. Een ervaring die zij zelf als gescheiden vrouw ook heeft beleefd. ‘Vanaf dat moment begin ik mijn man, van wie ik nog niet wist dat hij het ooit zou worden, beetje bij beetje in mijn hart te sluiten.’ De eerste vijftien jaar brengen ze samen aangenaam door met veel café-bezoek, theatervoorstellingen, culinaire uitjes. Dan besluiten ze te trouwen en al tijdens de huwelijksreis gaat het mis. Hij valt om, is in de war en blijkt bij onderzoek ‘vasculair parkinsonisme’ te hebben, het gevolg van herseninfarcten die het bewegen aantasten. Ook zijn denkvermogen en geheugen zijn minder geworden. Hij is, kortom, een invalide geworden die permanente zorg nodig heeft. Opvallend is dat de toch wat pesterige man die ze trouwde, een model-patiënt blijkt te zijn bij wie in de daarna volgende jaren geen klacht over de lippen komt.

    Zichzelf wegcijferen

    Voor Oster is het een enorme omslag in haar bestaan. Ze besluit haar man te verzorgen, en  twijfelt wel of ze het kan: ‘Maar… kan ik dit wel aan? Houd ik dit wel vol? Ben ik in staat mijzelf weg te cijferen? Hoe handhaaf ik me als verpleegster zonder opleiding? Ik die weinig geduld en zelfvertrouwen heb, en bovendien niet graag mijn eigenbelang uit het oog verlies. (…) Een mens is een vat vol  tegenstrijdigheden en ik ben veel vrouwen tegelijk: egocentrische zeurpiet, behaagziek uitgaanstype, schuldbewuste moeder, dito echtgenote.’ In het begin is het ook heel moeilijk.

    Echt Osteriaans is de beschrijving van een ziekenhuisbezoek per auto met de patiënt die als een geduldige vriendelijke zoutzak probeert zo min mogelijk tot last te zijn maar het toch onherroepelijk is als de auto even buiten moet staan, terwijl zij probeert een rolstoel te pakken te krijgen maar geen 2-euromunt heeft om die los te krijgen. Dan, ‘Naar de balie. “Nee, mevrouw”, zei de dame op haar plastic troon gespeend van elk inlevingsvermogen, het wasbleke gezicht glimmend van machtswellust, “we hebben hier geen cash.”’ Grote woede. Om dan tot tranen toe geroerd te worden als een willekeurige passant haar aan de 2-euromunt helpt en zelfs geen geld terug wil hebben als hij ziet hoe ze in gevecht is met haar tas op zoek naar wisselgeld..

    Ergernissen en kleine vreugden

    Hoofdstuk na hoofdstuk vertelt ze over de perikelen van de mantelzorg, de ergernis over hulpverleners die met een beroep op de Arbowet net niet de hulp bieden die nodig is. Het schuldgevoel dat haar overvalt telkens als ze even vrij neemt, de weerzin die ze heeft als haar man incontinent wordt. De obstakels die het grachtenpand oplevert bij de zorg voor een invalide, de goedbedoelde en nimmer eindigende ongevraagde  adviezen van vrienden en kennissen. Maar ook de kleine vreugden, zoals de komst van enkele altijd goed gehumeurde Surinaamse hulpen, en het tot bejaardenstand verhoogde toilet met reinigende straal:’ Overigens profiteert mantelzorgster-in-spe terdege mee van deze hygiënische innovatie. Want niet alleen wordt het achterdeel van het menselijk lichaam verwend met een trefzeker straal, ook de voorkant mag zich verheugen op doelgericht gesproei.”’De achterste knop is voor de bips, de voorste voor de poes,” wist Henk, loodgieter door de eeuwen heen, zonder blikken of blozen te melden.’

    De verkoop van het grachtenpand maakt het uiteindelijk mogelijk voor het echtpaar om twee kleine appartementen te kopen in een senioren-complex, de een – met verzorging – voor de invalide en de ander voor zijn vrouw. Zo kunnen ze toch nog veel samen zijn. Tot de laatste hersenbloeding er een eind aan maakt en Oster afscheid van haar man moet nemen. Die roerende slotscene laat een andere Annemarie Oster zien dan de vertelster van het verhaal zich tot dan toe toonde.

    Osters vertelstijl vol ironie en zelfspot leent zich niet goed voor het beschrijven van diep verdriet en zij volstaat dan ook met een enkel zinnetje her en der over de pijn die zij voelde bij de aftakeling van haar geliefde. Dat onvermijdelijke manco in haar verder zo meeslepende verhaal maakt zij meer dan goed in de slotscene en in haar vertaling van W.H. Auden’s ‘Funeral Blues’waar het boek mee eindigt. Daarin staan  deze vier overtuigende verdriet-regels: 

    ‘Hij was mijn Noord, mijn Zuid, mijn Oost, mijn West,
     Dag in dag uit was hij mijn thuis, mijn best,
     Mijn ochtendgloren, avondrood, mijn huid en haar;
     Voor altijd, dacht ik, maar dat is niet waar.’

     

     

  • Oogst week 22 -2022

    Moeder wist niet beter

    Journalist en schrijver Paul Teunissen is geïnteresseerd in mensen. Dat blijkt uit zijn onderwerpkeuze voor zijn artikelen die hij schreef voor o.a. Het Parool en Vrij Nederland. Het zijn allemaal betrokken artikelen die ingaan op het verdriet, de worsteling en het leven van individuen. Verhalen over o.a. een thuisloos meisje, over ouders van omgekomen kinderen, zijn ouder wordende vader (ook verfilmd) en over het jongenmeisje Juul.

    Ook zijn eerder verschenen boeken gaan over echte mensen. In In de beste kringen kruipt hij in de huid van mensen die hun dierbaren zien lijden aan ziektes als dementie, depressie, schizofrenie en borderline. En in Extreme overlast schetst hij ‘Portretten van op drift geraakte levens’.

    Zijn derde boek, de onlangs verschenen roman Moeder wist niet beter wijkt echter af omdat het autobiografisch is. Het is een boek over rouw en berouw, over jezelf verliezen en uiteindelijk hervinden, over hoe de liefde ook na de dood blijft voortbestaan.

    Moeder wist niet beter is het verslag van een zoon die niet met de teloorgang van zijn eens liefdevolle moeder kan omgaan. Hij besluit haar een laatste brief te schrijven en verbreekt vervolgens het contact. Kort daarna overlijdt zijn moeder en verliest de rouwende zoon de grip op zijn bestaan. Twintig jaar later schrijft hij haar opnieuw, in een ultieme poging te doorgronden waarom hun ooit intens verbonden levens zo wreed uiteenvielen.

     

    Moeder wist niet beter
    Auteur: Paul Teunissen
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium

    School voor zotten

    In hetzelfde jaar dat de Russische schrijver Sasja Sokolov, in 1975, de Sovjet Unie voorgoed mocht verlaten werd zijn manuscript van School voor zotten de Sovjet-Unie uit gesmokkeld en in het westen gepubliceerd.
    Sokolov werd in 1943 in Canada geboren, als zoon van een hooggeplaatste diplomaat maar groeide sinds 1946 op in de Sovjet-Unie.

    School voor zotten gaat over een jonge bewoner van een inrichting voor geestelijk gehandicapten. De jongen probeert in het reine te komen met de dood van zijn dierbare mentor en met zijn onbeantwoorde liefde voor zijn lerares. Zijn herinneringen aan jeugdzomers vallen samen met het heden, de doden zijn nog in leven en de geliefde is alom aanwezig.

    School voor zotten laat zich eveneens lezen als een metafoor voor het leven in de toenmalige Sovjet-Unie. Maar ook voor het leven in het huidige Poetin-Rusland waar nog steeds outsiders en dissidenten in psychiatrische inrichtingen of kampen worden opgesloten.

    Het boek werd vertaald door Gerard Cruys. Maxim Osipov, auteur van De wereld is niet stuk te krijgen schreef een nawoord.

     

    School voor zotten
    Auteur: Sasja Sokolov
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Het gele behang

    Vorige week werd Moederland in deze rubriek genoemd, een van de ‘vergeten literaire werken’ die uitgeverij Karakters terug onder de aandacht van het lezend publiek wil brengen.
    De schrijfster daarvan, de sociologe Charlotte Perkins Gilman (1860-1935) wordt wereldwijd beschouwd als een (weliswaar niet onomstreden) belangrijke feministische schrijfster. Haar opvattingen en ideeën verwerkte ze in haar romans en verhalen, en Moederland en Het gele behang zijn daarvan de meest bekende.

    Bij uitgeverij Orlando is onlangs Het gele behang verschenen. Het titelverhaal is gebaseerd op de eigen worsteling van de auteur met een postnatale depressie. In het verhaal raakt een jonge moeder in de ban van het gele behangpatroon op haar kamer, waarin ze een verplichte rustkuur ondergaat, en verliest langzaam haar verstand. De publicatie van ‘Het gele behang’ in 1892 veroorzaakte indertijd grote opschudding in de literaire en medische wereld.
    De andere verhalen in de bundel gaan over de traditionele plaats van de vrouw in de maatschappij. Voor Perkins Gilman stond vast dat niet alleen vrouwen maar ook mannen en kinderen zouden profiteren van het doorbreken van de vaste rolpatronen. Leidraad in al haar verhalen is de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw.

    De verhalen voor deze bundel zijn geselecteerd, vertaald en van een nawoord voorzien door Tjadine Stheeman.

    Het gele behang
    Auteur: Charlotte Perkins Gilman
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando
  • Mooie scènes maar verhaal is lastig te volgen

    Mooie scènes maar verhaal is lastig te volgen

    Schrijver en journalist Thomas van Aalten bewijst in zijn tiende roman Voorstad dat hij gewend is goed om zich heen te kijken en naar zijn omgeving te luisteren. Het verhaal speelt zich af in een bekende stedelijke tweedeling van een witte vooroorlogse villawijk (hier Bomenwijk geheten) en een nabije volkswijk Oud Babylon, tegenwoordig vooral bewoond door mensen met een migratie achtergrond. De wijken liggen naast elkaar gescheiden door een viaduct. In korte hoofdstukken wordt telkens vanuit één van de personages diens leven geschetst. Dat zijn in de Bomenwijk Arthur, een vijftigjarige uitgebluste planoloog en zijn vrouw Selma die evenmin plezier in het leven heeft en parttime werkt als docent Franse moderne letterkunde. Hun 18-jarige dochter Claire weet niet wat ze na de middelbare school moet beginnen met haar leven en gaat uit lamlendigheid werken bij de supermarkt in Oud Babylon. 

    Met trots gedragen bijnamen

    Daar woont de Marokkaanse jongen Anwar en zijn vriend Zohair die gebrutaliseeerd worden door de buurtgenoten Scheerkop, Bamiblok en Kankerkapper. Deze met trots gedragen bijnamen danken ze aan respectievelijk de haardos, de snackbar van pa en de pruikenhandel van ma. ‘Kankerkapper stapte nu ook van zijn scooter af en kwam met zijn voorhoofd vlak voor het voorhoofd van Zohair. “Kat of hond, gebeten word je toch, aap. Wij regelen hier de straat, begrepen?”
    “Waar is je oranje hesje, zwerver?”
    Zohair snoof diep, “hoe is de operatie gegaan?”
    “Operatie, wat klets jij?”
    “Toen ze de kont op je gezicht naaiden, gek.”
    Scheerkop ging tegenover Anwar staan, “Alleen wij doen de speed en de pillen, begrepen? We willen geen ratten in de drogist.”
    “Is goed, jongen,”zei Anwar zo kalm mogelijk terwijl hij voor zich uitkeek.
    “Als ik je gore kankerkop hier nog een keer zie, kun je je tanden op de straat tellen.”
    “Omdat jij het niet kan, zeker.”
    “Wat praat je?”
    “Jij kunt zelf niet tellen, junk.” (…) Scheerkop haalde uit en stootte met zijn volle vuist in het gezicht van Anwar.’

    In de aan Arthur gewijde hoofdstukjes leren we dat zijn voornaamste genoegen in het leven bestaat uit het periodiek bezoeken van een bordeel waar hij zich laat verwennen door de Thaise ‘shemale’ Ling. ‘Ze had weliswaar kleine pronte tietjes, maar ook een kleine stevige piemel die soms fier naar voren stak (…) Ze stond op, pakte uit een toilettas een flesje met Monogatari en een tube Coke Life en smeerde haar stijve penis in met de middelen. Daarna smeerde ze met haar vingers zachtjes Arthurs anus in. Arthur trok routineus zijn knieën op en liet haar toe.’ 

    Planoloog Arthur

    In zijn beroep als planoloog heeft Arthur ook te maken met de planning van een voor de elite te bouwen woontoren Nieuw-Babylon die het uitzicht van de bewoners van de volkswijk zal bederven en dan ook leidt tot een steeds agressiever NEE-beweging. Waar natuurlijk de gemeentelijke beslissers zich niets van aantrekken. De bouw van deze woontoren, een zomerse wespenplaag van ongekende omvang en de drugscriminaliteit in de wijk bepalen de verdere loop van vaak nogal hevige gebeurtenissen in ‘Voorstad’, waardoor de twee wijken nog verder uit elkaar groeien.

    Arthur raakt dankzij een wespenaanval in een coma waaruit hij maar half ontwaakt en verder leeft in een droomstad. Anwar en Claire – die elkaar vinden in een Westend-romance – worden ongewild betrokken bij de activiteiten van een Algerijnse drugsbende. Met Kankerkapper loopt het slecht af als hij in de gevangenis belandt. Als Selma en de invalide Arthur in de splinternieuwe  woontoren Nieuw-Babylon zijn gaan wonen, deze door de Nee-beweging wordt bezet en een nieuwe wespenplaag op gang komt, start een volgende reeks rampen. Het riool werkt niet en er sijpelt stront door het plafond van hun badkamer.

    Geen binding met personages

    Als ze een verdieping hoger gaan om de oorzaak te zoeken meldt de buurvrouw: ‘Ik ben bang voor alles wat er boven me gebeurt. De maffia, het riool, een nieuwe plaag. Alles’ (..) ‘In de liftschacht hebben ze wespen gezien ter grootte van een vuist….’ Wegwezen dus. En dan vindt de schrijver het welletjes en beëindigt na 381 pagina’s het verhaal. Van Aalten’s schrijfstijl is filmisch en precies en je beleeft als lezer elke scène mee. Door de voortdurende wisseling van personages is het wel lastig het verhaal goed te kunnen volgen en dat is jammer. Een consequentie van die benadering is ook dat je als lezer nooit een binding krijgt met één of meer van de personen in het verhaal. Je herkent ze als personen die je dagelijks om je heen ziet, maar daar blijft het bij. En dat is helaas toch een gemiste kans.

     

     

  • Sfeer uit B-film jaren vijftig met een dystopisch trekje

    Sfeer uit B-film jaren vijftig met een dystopisch trekje

    ‘Goede Dood wiens zuiver pijpen / Door ’t verstilde leven boort / Die tot glimlach van begrijpen / Alle jong en schoon bekoort.’ Zo begint het bekende gedicht van Boutens over de dood die het leven bezielt. De goede dood is de titel van de tweede roman van Klaas ten Holt die als schrijver bekendheid heeft verworven door zijn blogs na het overlijden van zijn vrouw.
    De roman opent met een beschrijving van een dorp vanaf een dijk gezien waar een man aan een vrouw vertelt dat de dijk opgehoogd gaat worden. Goed nieuws, vindt hij, want dan `hebben die jongens uit De Sluis eindelijk eens wat nuttigs te doen’. Als omineus voorteken drijft, vastgebonden aan een paaltje, een dode kat in zee.

    Vervolgens wordt hoofdpersoon Franz Czekalski geïntroduceerd die zijn vader begeleidt op de piano. Eventuele positieve gedachten over huiselijkheid worden de lezer niet gegund: de vader -ooit beroemd operatenor- weigert mee te zingen, heeft in zijn broek geplast (dement) en scheldt zijn zoon uit die prompt overweegt een eind aan zijn leven te maken met een overdosis slaappillen. Hij doet het niet want de volgende dag heeft hij een sollicitatiegesprek; er is een vacature van huisarts in het dijkdorp Houweningen.

    Anachronistische karakter

    Tijdens de reis ernaartoe wordt duidelijk dat de wereld van Franz Czekalski niet het hedendaagse Nederland is: zuur- en haringventers proberen hun waar aan de man te brengen, aan de provinciegrens is er controle, op het perron zitten kaalgeschoren jongemannen in rode overalls die door een soldaat bewaakt worden en tijdens het sollicitatiegesprek krijgt Franz Cichoreikoffie. Maar ook is er led-verlichting, zijn er computers en wanneer zijn vader ter sprake komt, merkt de gemeentesecretaresse op dat Houweningen een uitstekend euthanasieprogramma heeft. Dit anachronistische karakter is een van de aardigste kenmerken van de roman: iedereen zit overal te roken, er wordt korenwijn, vieux en jenever gedronken, mannen maken de dienst uit, vrouwen zijn alleen secretaresse, assistente, prostituee of jonge deerne die gered moet worden. Het ademt de sfeer van een B-film uit de jaren vijftig, maar tegelijkertijd heeft de roman ook een dystopisch trekje vanwege `de broederschap’ die sinds `de omwenteling’ aan de macht is en `onrendabelen’ in de gevangenis stopt en een euthanasieprogramma heeft ingevoerd voor mensen boven de zeventig.

    Natuurlijk krijgt Czekalski de baan en hij trekt meteen in het huis van zijn voorganger. Gezien de combinatie demente vader, euthanasieprogramma en de titel De goede dood verwacht je nu dat het dystopische element zal worden uitgewerkt: dorpelingen en partijfunctionarissen die steeds meer druk op huisarts Franz gaan uitoefenen om zijn eigen vader te euthanaseren met een interessant gewetensconflict tot gevolg. Een andere optie is dat Franz helemaal niet zo principieel of liefdevol is, maar zijn vader niet euthanaseert om diens leven zo ondraaglijk mogelijk te maken als wraakoefening voor een vervelende jeugd of iets dergelijks. Dit is echter niet het geval.

    Achter elk voorval zit iemand

    In plaats daarvan wordt Franz verliefd op het buurmeisje die hij de rest van de roman zal blijven lastig vallen (‘Ik wil je Meeke, ik wil je zo ontzettend graag’) en treedt hij als voorzitter van de feestcommissie toe tot het kringetje notabelen van het dorp: de burgemeester, de malafide aannemer, de fanatieke sociaal voorman, de kruiperige wethouder van onderwijs en de sympathieke (want homofiele) directeur van gevangenis De Sluis. De roman is vanaf dan een soap die stuurloos van de ene ontmoeting naar de andere gaat, waarbij steevast apen uit de mouw komen en achter elk voorval iemand blijkt te zitten zonder dat duidelijk wordt waarom.

    Franz en zijn vader lijken geen andere functie te hebben dan deze scènes met elkaar te verbinden. Hoewel de hoofdpersoon tal van problemen krijgt aangereikt (de vader die onsympathiek is maar toch verzorgd moet worden, Franz’ afwijkende ideologie, zijn gewetensbezwaren over het euthanasieprogramma, zijn verliefdheid op het buurmeisje dat het met de malafide aannemer houdt etc), heeft Franz over geen van deze onderwerpen een coherente gedachte. De hoofdpersoon is iemand zonder herinneringen, zonder ontwikkeling en zonder ideeën. Een man zonder eigenschappen dus. Om deze leemte op te vullen is Franz tijdens elke scène druk bezig `kelkjes’ te vullen met jenever, korenwijn of vieux, sigaretten op te steken of zijn seksuele behoeftes te lenigen.

    Hoop op ontknoping vervliegt

    Even lijkt de soap nog in een thriller te veranderen wanneer de halfbroer van het buurmeisje en tevens zoon van de burgemeester (hoe soapie wil je het hebben) uit De Sluis ontsnapt en Czekalski bij een plan betrekt om de dijk op te blazen. Waarom deze jongen zich uitgerekend tot hem wendt, zijn hulp nodig heeft en hem vertrouwt is onduidelijk, maar tegen die tijd is de lezer al zo gewend aan onduidelijke beweegredenen dat het nauwelijks nog opvalt. Er gloort dan wel enige hoop op een ontknoping waarbij misschien een complot of iets dergelijks aan het licht wordt gebracht, maar helaas, het mag niet zo wezen.

    Deze vreemde potpourri is opgediend in de stijl van een misdaadroman. Geen mooie metaforen of vergelijkingen, geen fraaie cadans, maar een zin als `vanaf de dijk heb je een goed uitzicht op het water’ (het zou gek zijn als dat niet zo was) en een hoofdstuk dat begint met ‘die zaterdag’ terwijl er nog over geen enkele zaterdag gesproken is. De malafide aannemer die bij elke ontmoeting knipoogt, Franz die voortdurend sarcastisch of geërgerd reageert en ‘sniert’. Hij stelt zich voortdurend vragen die nooit beantwoord worden en vooral het gebrek aan stuurmanskunst van de auteur onderstrepen. Het uitgangspunt van De goede dood is prima, maar doordat Ten Holt telkens de bakens verzet en geen idee heeft wie zijn hoofdpersoon is, is het geheel niet erg geslaagd.

     

     

  • Familieherinneringen bij het leegruimen van de zolder

    Familieherinneringen bij het leegruimen van de zolder

    Recensie door Anika Redhed

    Een witte piano met planten erop; dat is de omslag van Waar gezongen wordt van Shula Tas. Een plaatje waar je bijna net zo lusteloos van wordt als de hangende bladeren en toch past dit uitstekend bij de inhoud. Shula Tas is haar eigen hoofdpersoon. Ze heeft zang gestudeerd aan het conservatorium, maar zingt niet meer. Haar ouders zijn tijdens haar opleiding overleden. Beiden hadden een Joodse achtergrond, maar ze deden er thuis weinig aan. Vriend V. trekt bij haar in en daarom moet de zolder worden leeggeruimd; dozen en tassen vol herinneringen. Tekeningen, cd’s, videobanden en brieven nemen haar mee naar haar familie, haar zingende oma, haar oudere vader, het Joods zijn, de oorlog, en schaamte.

    Er volgt een reis die zich vooral in het hoofd van de hoofdpersoon afspeelt. Een reis waar je zo weinig mogelijk van te voren over wilt weten, zodat elke bladzijde kan verrassen. Ze gaat op veel verschillende onderwerpen kort in en doet dat in mooie beelden. Zo vergelijkt ze de verdieping in haar (voor)ouders als een legpuzzel en zegt ze over generaties, ‘Als een rode draad mij zou verbinden met alle generaties voor en na mij, dan zou die op dit moment alleen bestaan uit een klein, rood puntje.’

    Hond Mouche speelt een mooie rol om het gedrag van de hoofdpersoon te tonen. De Iraanse buurvrouw Mina is niet alleen de ideale buurvrouw, maar ook de ideale aanjager van het verhaal. Theebezoekjes worden weergegeven in slechts een paar zinnen, precies genoeg en precies raak. Zo zet Mina haar aan het denken over de vraag waarom Shula niet meer zingt en over anders zijn. ‘”Het is eenzaam, anders zijn,” zei ze, terwijl ze in haar thee roerde en staarde naar de draaikolk die in haar glas ontstond.’

    In het begin zijn de woordherhalingen soms wat veel, alsof de schrijfster even warm moest lopen. Verder is de woordkeuze veelzeggend; ouders zijn niet dood, maar ‘morsdood’, de zolder is ‘vetgemest’ en spullen waarvan ze niet weet wat ze ermee moet een ‘sluimerstapel’Shula Tas beschrijft alledaagse handelingen. Ze laat de hond uit, opent een doos, drinkt wijn met haar vriend. Maar onder die oppervlakte zit diepgang. In eenvoudige woorden schetst ze een scala aan gevoelens, waarnemingen, de tijd, de generaties en de mens. ‘Alsof ik door het uitvoeren van rituelen iets kan bewaren van wat ik ben kwijtgeraakt, iets kan vinden dat ik nooit heb gehad.’

    Het einde is erg rond, het boek verandert van een geloofwaardig verhaal ineens in een feel-good-movie, maar tegen die tijd is haar dat al vergeven en wordt er uitgekeken naar een volgende boek. Hoe vergaat het de planten die van de piano zijn afgehaald? Blijft de zolder zo netjes? Gaat ze weer optreden? Het maakt niet uit waar het over gaat, als Shula Tas het op dezelfde wijze schrijft, is het het lezen waard.

     

     

  • Een aaneenschakeling van mensonterende gebeurtenissen

    Een aaneenschakeling van mensonterende gebeurtenissen

    De oorspronkelijke titel van De verschroeiden van de Mexicaanse schrijver en journalist Antonio Ortuño is La fila india, wat vertaald zou kunnen worden als De Indiaanse karavaan. De gekozen Nederlandse titel is eenduidiger – de associatie met vernietiging door brand popt immers direct op – en vreemd genoeg strookt hij – juist in zijn eenduidigheid – naadloos met het boek. Verschroeid is een soort overtreffende trap van verbrand. De verschroeiden is één lange overtreffende trap van gruwelen.

    Ortuño buigt zich over het lot van vluchtelingen uit Midden-Amerika die door Mexico trekken om de Verenigde Staten te bereiken. Een verslaggever in het boek omschrijft deze tocht als een reis ‘door de zeven kringen van de Mexicaanse hel, waarbij de vluchtelingen – pure koopwaar voor mensensmokkelaars en gangsters zonder scrupules – de meest verschrikkelijke terreur, van uithongeren, van marteling tot verkrachting en moord, moeten zien te overleven. ‘Als je het haalt, proficiat. Haal diep adem: van nu af aan komen de gruwelen voor de rekening van de gringo ’s (Amerikanen)’, vat de verslaggever het lot van de migranten samen.

    Dubbelspel zonder grenzen

    De hoofdverteller in de roman is Irma, ook wel als La Negra aangeduid. Ze is maatschappelijke werkster en uitgezonden door het COM (Centraal Orgaan Migratie), naar het Zuid-Mexicaanse stadje Santa Rita. Daar heeft een slachting onder migranten plaatsgevonden in een in brand gestoken opvangcentrum. Zij moet zich over de slachtoffers, de enkele overlevenden en de eventuele nabestaanden ontfermen. Al snel begrijpt ze dat haar taak voor haar en haar meegereisde dochtertje levensgevaarlijk zal zijn en dat ze  haar gevoel voor rechtvaardigheid en haar naïeve hunkering naar genegenheid ondergeschikt zal moeten maken aan de door hebzucht en egoïsme ingegeven wetten die hier heersen. Waar alles en iedereen geëxploiteerd, gemanipuleerd en bedrogen mag worden is iedereen corrupt, verdacht en medeplichtig en zijn alle grenzen vloeibaar. Regeringsambtenaren, politie en onderwereld werken keurig samen en ook Irma moet in dit dubbelspel meegaan.

    Al snel dient de volgende ramp zich aan op een andere plek in Mexico – er worden massagraven gevonden met honderden verminkte lijken van migranten – wat er voor zorgt dat een chef van de plaatselijke COM in Santa Rita verheugd kan verzuchten  ‘Het haalt ons van de voorpagina’. Dit cynisme is natuurlijk schokkend, dat kan niet missen. De autoriteiten hebben baat bij het hollen van de pers van incident naar incident, zodat oorzaken niet aangepakt hoeven te worden. ‘Wie had er ook behoefte aan context?’ vraagt Irma zich af. Niemand natuurlijk.

    Journalistiek met literaire trekjes

    Zo raast de schrijver door en zorgt dat de aaneenschakeling van mensonterende gebeurtenissen met gruwelijk expliciete details en de niet aflatende dreiging een vrij ééndimensionaal horrorverhaal oplevert, dat murw maakt en noch tot nadenken of begrip, laat staan tot empathie uitnodigt. 

    Er zitten een paar literaire stijlfiguren in, interessante vondsten die het cynisme extra doen uitkomen, de hopeloosheid en rottigheid raak weergeven.  Dat doet het zestal door het boek heen verspreide persberichten, uitgevaardigd na ieder incident door het COM. Het zijn identieke officiële verklaringen van medeleven en goede voornemens van de autoriteiten waarin slechts het aantal slachtoffers, datum en plaats delict variëren. Het is immers maar camouflage of, zoals de grootste COM-baas concludeert: ‘Het idee van een persbericht was niet dat het geloofwaardig was, maar dat het geen problemen veroorzaakte.’ Ergens is deze manier van schrijven ook contraproductief: de boodschap wordt plat, mist elke nuance en wordt gaandeweg betekenisloos.

    Alles is corrupt

    Het achttal ‘Fatsoen’-hoofdstukken, waarin de ex van Irma aan het woord is, hebben hetzelfde effect. Die ex is allesbehalve een fatsoenlijke man – de ironie ligt er wel erg dik bovenop – maar moet kennelijk meer reliëf aan het personage van Irma geven: niet alleen op de werkvloer is alles corrupt, maar ook in de privésfeer is eigenlijk iedereen bedorven. In eerste instantie lijken die hoofdstukken een vondst om treffend de afgronden van de menselijke ziel te schetsen. Maar ze zijn zo cru en beschrijven een dermate verknipte moraal dat  het resultaat een karikatuur is. In dit hyperrealistisch drama wordt eerder een surrealistisch monster gecreëerd waar je alleen maar van kan griezelen.

    Antonio Ortuño lijkt in de voetsporen van de ‘new journalist’ te willen treden: hij doet (ogenschijnlijk) verslag van realistische feiten, maar kiest voor een zeer subjectief, emotioneel perspectief, waardoor hij zijn proza krachtiger en waarheidsgetrouwer denkt te maken. Deze literaire non-fictie klinkt geëngageerd en spreekt tot de verbeelding, wellicht meer dan droge feiten, maar wanneer de nadruk keer op keer valt op een zo indringend mogelijk beschrijven van een situatie, gaat het ten koste van de gelaagdheid van het verhaal en van de karakters. En een door het horrorverhaal verpletterde lezer blijft in wanhoop achter.

     

  • Poëzie die opvallend nieuw en anders klinkt

    Poëzie die opvallend nieuw en anders klinkt

    Bitter, scherp, confronterend, krachtig. Dit zijn de kwalificaties die zich opdringen aan wie Chinatown leest, de nieuwe gedichtenbundel van Ronelda S. Kamfer. Het is de vierde bundel die in Nederland verschijnt van deze dichteres. Alle vier zijn ze uitgevoerd in twee talen: het Afrikaans en het Nederlands. En voor alle vier de bundels verzorgde dichter en P.C. Hooftprijswinnaar Alfred Schaffer de Nederlandse vertaling. 

    Ronelda Sonnet Kamfer werd geboren in Kaapstad in 1981. Volgens de flaptekst van het boek wordt zij gezien als ‘de meest vooraanstaande Zuid-Afrikaanse dichter van haar generatie’. De gedichten in deze bundel – vrije verzen, zonder rijm of metrum – vertonen verschillen en overeenkomsten. Ze verschillen bijvoorbeeld zeer in lengte, van drie regels tot twee volle pagina’s. Qua thematiek is er de eenheid der familieverbanden. In veel gedichten figureert een vader, een moeder, een zus, een oma, een neefje, een kind. En verder lopen deze gedichten over van ellende: geweld, verkrachting, racisme, onverschilligheid en dood, weinig poëtische onderwerpen. Toch is er in het huis van de poëzie ook voor dit soort gedichten een kamer. 

    ‘hou vol
     doe niet zo ontzettend je best
     om te lachen
     doe het licht uit
     doe de gordijnen dicht
     denk slechte gedachten
     hou vol’

    Bezwerend en woedend

    Het lijkt erop dat Ronelda Kamfer met haar gedichten probeert te bezweren wat haar raakt, verontrust, kwetst en woedend maakt. En waar ruimte is voor kracht, hoop op nieuwe kansen, komt ook zoiets als triomf om de hoek – gelaten weliswaar, maar toch. 

    ‘meire
     ik leer mijn kind bendetekens met haar flashcards
     zij leert het ABC van white supremacy
     samen met haar bedtijdritueel
     ik was haar haren met salie
     en leer haar over haar voorouders
     ik leer haar over vuur en over oorlog en ik leer haar
     hoe je precies genoeg eten kookt

     ik ben de moeder die ik niet heb gehad
     zij is het kind dat mijn moeder nooit heeft gekregen’

    Soms zijn de gedichten ronduit gewelddadig, wat een toch al sluimerend gevoel van ongemak bij het lezen van deze gedichten nog eens versterkt. 

    ‘[…]
     en ik geef nog minder om een vrouw die
     tijdens de apartheid mooie gedichten schreef
     mijn literaire helden winnen geen belangrijke prijzen
     ik ben nooit iemands bazin of mevrouw geweest
     mijn gedichten zijn niet voor feministen
     mijn gedichten zijn voor de vrouwen in de keuken
     mijn gedichten zijn voor zwarte en bruine jochies
     in een klas vol witte kinderen
     ik ben het kind van de werkster en nu ben ik groot
     ik ruil mijn moeders as voor kruit
     voor de volgende generatie
     opdat die gewapend kan zijn
     jullie schieten ons niet nog eens in de rug
     terwijl wij angstig wegrennen’  

    Bijzondere poëzie

    Naast deze bijzondere poëzie, die ongepolijst getuigt van een barre Zuid-Afrikaanse realiteit, biedt deze bundel in poëtisch opzicht minstens twee extra’s. In de eerste plaats zijn naast de Nederlandse vertalingen de originele gedichten in het Afrikaans afgedrukt. Omdat deze taal veel verwantschap vertoont met het Nederlands is het voor lezers in ons taalgebied een buitenkans om kennis te kunnen maken met de gedichten van Ronelda S. Kamfer in hun oorspronkelijke vorm en klank. 

    ‘safe word stopwoord’

     soms kyk ek                     soms kijk ik
     in die spieël                     in de spiegel
     dan sien ek myself         dan zie ik mezelf
     daar waar ek vir dood   daar waar ik voor dood
    agtergelaat is                   ben achtergelaten’

    Dat de Nederlandse vertalingen van Kamfers gedichten zijn gemaakt door een gelauwerd dichter als Alfred Schaffer is een extra bonus. Schaffer is de ideale gegadigde voor deze vertaling. Hijzelf is immers ook opgegroeid ‘tussen twee vaderlanden’, in zijn geval Nederland en Aruba, met een Arubaanse moeder en een Nederlandse vader is ook hij vertrouwd met het concept van de gemengde culturele identiteit. Bovendien woont en werkt Schaffer een groot deel van het jaar in Zuid-Afrika, waardoor hij de gedichten van Ronelda S. Kamfer met meer dan gemiddelde kennis van zaken tegemoet kan treden.

    Gedichten die een verhaal vertellen dat doorgaans wordt vertolkt via kranten, nieuwssites en  actualiteitenprogramma’s op tv. Een verhaal dat weinig goed nieuws bevat – en dat in de enorme veelheid van slecht en slechter nieuws van over de gehele wereld makkelijk verloren gaat. De vorm van dit verhaal in de gedichten van Ronelda S. Kamfer heeft verbluffende zeggingskracht en indringende pregnantie en klinkt daarom opvallend nieuw en anders. Het verdient alleen al daarom te worden gehoord. 

     

  • Oogst week 15 – 2021

    Het eigenlijke

    De Duitse schrijfster Iris Hanika (1962) won de LiteraTour Nord-prijs en de EU-prijs voor literatuur met haar roman Das Eigentliche, in het Nederlands vertaald als Het eigenlijke door Jantsje Post.
    Het ‘eigenlijke’ betekent voor iedereen iets anders. Voor Hans Frambach, de hoofdfiguur in deze roman, zijn het de misdaden in het nazitijdperk waar hij na de oorlog niet mee leven kan. Hij werkt als archivaris bij het Instituut voor ‘Exploitatie van het Verleden’ in Berlijn maar overweegt een andere baan te zoeken.

    Voor zijn enige vriendin Graziela stond verbijstering over dit oorlogsverleden centraal – totdat ze een man ontmoet die haar begeert en vanaf dat moment zoekt ze ‘het eigenlijke’ in de vleselijke liefde; een concept waar ze nu aan begint te twijfelen.
    Is het het nationaalsocialisme dat verantwoordelijk houden voor hun ongelukkig zijn? Of is het hun eigen onvermogen waardoor ze geen geluk vinden? Iris Hanika laat zien hoe misdaden uit het verleden tot op de dag van vandaag een rol spelen in het leven van anderen. Met een belangrijke rol voor de professionalisering van het herdenken, en waartoe dit kan leiden.

     

    Het eigenlijke
    Auteur: Iris Hanika
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Chinatown

    Uit Ronelda S. Kamfers (1981) vierde, tweetalige bundel Chinatown, spreekt een activistische en overtuigende taal. Er zit woede in haar gedichten, evenals ironische humor. Kamfer dicht over haar geschiedenis van complexe familieverhoudingen, hoe je een dochter opvoedt in het Zuid-Afrika van nu. Ronelda S. Kamfer zegt de helft van haar leven op zoek te zijn geweest naar een vorm van feminisme die ook over haar en de vrouwen uit haar gemeenschap gaat. ‘Mijn moeder en ik hadden de stille afspraak dat ik met mijn leven zou doen wat ik zelf wilde. Ze keek dan ook niet op toen ik zei dat ik wilde schrijven. De enige waarschuwing die zij me gaf was: ‘As jy besluit wat jy gaan skryf, moenie skryf vir ’n gat nie.’ (Als je weet wat je gaat schrijven, vrkloot het dan niet.)

    Haar moeder kan tevreden zijn, er is integendeel iets ‘vrkloot’. Met deze uitdagende bundel confronteert ze op vaak luchtige wijze haar lezers met de realiteit van marginalisering, armoede en geweld, alles  beschreven vanuit haar eigen ervaringen. Daarnaast bevat Chinatown ook intieme gedichten over liefde, familie en ouderschap. Kortom, een zeer uitgesproken bundel.

     

    Chinatown
    Auteur: Ronelda S. Kamfer
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Stilte is mijn moedertaal

    De Eritrese schrijver  Sulaiman Addonia (1972) vluchtte in 1976 met zijn familie naar een vluchtelingenkamp in Soedan, waar zijn vader vermoord werd. Met zijn moeder en jongere broer verhuisde hij naar Jedda waar hij zijn jeugd doorbracht. In 1990 vroeg hij asiel aan in Engeland en sindsdien woont hij in Londen. Hij debuteerde met de roman Als gevolg van liefde waarin hij over zijn eigen ervaringen schreef over het leven in een vluchtelingenkamp.

    Zijn tweede roman Stilte is mijn moedertaal gaat over Saba, een jong meisje dat met haar familie hals over kop moest vluchten en speelt eveneens in een vluchtelingenkamp. Ze komen terecht in een Oost-Afrikaans vluchtelingenkamp. Het leven daar is hectisch en onveilig voor een jong meisje. Dan is er ook nog Hagos, haar zwijgende broer die ze beschermen moet tegen de gangbare normen. Broer en zus weigeren zich te schikken in de rol die hen wordt opgelegd. Aan de hand van intrigerende personages onderzoekt de schrijver wat het betekent om een man of een vrouw te zijn. Wat het betekent een individu te zijn wanneer je geen thuis of toekomst hebt.

    Addonia analyseert hoe het kan dat een samenleving in staat is de oorlog te verklaren aan haar eigen vrouwen. Hij vertelt de verhalen die nodig zijn om te overleven in een vijandige omgeving.

     

    Stilte is mijn moedertaal
    Auteur: Sulaiman Addonia
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas
  • Zijn soepele vertelstijl trekt de lezer moeiteloos het verhaal in

    Zijn soepele vertelstijl trekt de lezer moeiteloos het verhaal in

    De Noorse schrijver Dag Solstad heeft in eigen land een omvangrijk oeuvre opgebouwd en is meermaals genoemd als droomkandidaat voor de Nobelprijs voor Literatuur. In Nederland is de Noor nog nauwelijks bekend. Van de meer dan dertig boeken die hij heeft geschreven zijn er slechts enkelen in het Nederlands vertaald, waaronder Roman 11, boek 18, het eerste deel in de trilogie over Bjørn Hansen. Het boek verscheen in Noorwegen in 1992 en was in werkelijkheid ook de elfde roman van de schrijver. De andere twee delen van de trilogie verschenen in 2009 en 2019. Roman 11, boek 18 maakt niet alleen onderdeel uit van een trilogie, maar is zelf ook opgedeeld in drie episodes.

    Drie episodes

    In de eerste episode wordt verteld hoe Bjørn Hansen zijn vrouw en tweejarige zoon in de steek laat om samen te gaan wonen met een vrouw die in het provinciestadje Kongsberg woont. Hij geeft voor haar zijn baan en een veelbelovende carrière in Oslo op. Veertien jaar later verlaat hij de vrouw, maar blijft in Kongsberg wonen. In de tweede episode neemt zijn inmiddels volwassen zoon, net afgezwaaid uit militaire dienst en in Kongsberg het vak van optometrist wil gaan studeren, contact met hem op. Ondanks dat ze elkaar jaren niet hebben gezien of gesproken hebben ze elkaar nauwelijks iets te vertellen. Sterker nog, Bjørn Hansen ergert zich regelmatig aan zijn zoon, die hij erg pedant vindt. In de derde en laatste episode wil Bjørn een dramatische daad stellen als een soort protest tegen zijn tot dan toe volstrekt willekeurige leven waarop hij nauwelijks grip lijkt te hebben. Over deze nogal onbegrijpelijke daad kan hier weinig over worden gezegd aangezien dat de ontknoping van het verhaal zou weggeven. 

    Afstandelijke vertelstijl

    Wat onmiddellijk opvalt aan Roman 11, boek 18 is de afstandelijke vertelstijl. Het boek gaat over het leven van een doorsnee man in vogelvlucht beschreven zonder dat de lezer hem echt goed leert kennen. Wat verder opvalt is dat de schrijver de hoofdpersoon zeker drie tot vier keer per pagina Bjørn Hansen noemt in plaats van dat hij de hij-vorm gebruikt. Bjørn blijft daardoor grotendeels een mysterie en zijn keuzes in het leven blijven voor de lezer onverklaarbaar. Dat wringt soms. Hoe is het bijvoorbeeld mogelijk dat hij schijnbaar zonder enige gewetenswroeging zijn vrouw en zijn kind in de steek laat voor een andere vrouw? Er worden weinig woorden aan vuil gemaakt, behalve dat hij bang was dat hij anders van alles spijt zou krijgen. 

    Duidelijk wordt wel dat Bjørn het zelf eigenlijk ook allemaal niet zo precies weet. Bjørn Hansen beschrijft zichzelf in het begin van de roman als een wat stugge, introverte, niet erg spontane persoon, die het leven aan zich voorbij ziet glijden terwijl hij vergeefs op zoek is naar zingeving. Verder komen we te weten dat hij een man met weinig persoonlijke bezittingen is. Als hij zijn vrouw voor een andere verlaat, bestaat zijn bagage vooral uit boeken. 

    Aangenaam boek

    Hoewel het boek weinig dramatische hoogtepunten kent en Bjørn Hansen moeilijk is te doorgronden, is Roman 11, boek 18 wel een aangenaam boek om te lezen. Door zijn soepele vertelstijl trekt Solstad de lezer moeiteloos het verhaal in. Hij hanteert een gemoedelijke verhaaltempo, waarbij hij ruim baan geeft voor de soms wat wijdlopige gedachtes van de hoofdpersoon en de random ontmoetingen die hij heeft met andere mensen. Zo ontmoet hij een zingende tandarts en een huisarts die verslaafd is aan geestverruimende middelen. Het zijn dit soort momenten tezamen met een milde humor die het verhaal een zekere charme verlenen. Het eerste deel van deze trilogie smaakt in elk geval naar meer en het is dan ook te hopen dat de volgende twee delen snel worden vertaald.

     

     

  • En de stad verzwolg hen

    En de stad verzwolg hen

    In Paravion vertelt Hafid Bouazza over drie generaties Baba Baloek. Zij wonen in Morea, waar Marokko in herkend kan worden, en ze zijn ontevreden. Elke dag verleidt een luchtspiegeling van een rijk land in het noorden hen ertoe hun spullen te pakken en van de overvloed te genieten. Vooral een groen lustoord middenin die stad vol verlustiging en zonde, het Vondelpark gelijkend, doet hen watertanden. De mannen wagen het erop en verlaten hun vaderland. Ze komen bedrogen uit. Eenmaal verschanst in hun theehuis, komen zij er niet meer uit en missen ze de restricties die vroeger duidelijkheid verschaften. In vrijheid zijn ze reddeloos verloren.

    Eenzelfde desillusie verwoordt Kira Wuck in haar debuutroman Knikkerkoning. In dit eerbetoon aan haar ouders dompelen de Finse Anne en de Indonesische Otto zich onder in het Amsterdam van de jaren ’60 en ’70: de een zoekend naar een groots, meeslepend leven zonder bedilzuchtige moeder, de ander vluchtend voor zijn gewelddadige vader. Verreweg het sterkste element van Knikkerkoning is het onvermogen van de hoofdpersonen om de negatieve patronen uit hun jeugd te doorbreken. Hoewel het geweeklaag nergens Freudiaans wordt, is de schrijver niet wars van stilistisch melodrama. Vanuit de leeftijd van de beide hoofdpersonen valt dit te begrijpen. Als jonge twintigers raken zij in verwachting van Jane en de moeder ‘is bezig met verdwijnen’, zo ontdekt het dochtertje nog voordat zij haar kleutertijd ontgroeid is.

    Kauwtjes en ijskoude sisu

    Op de mooi geïllustreerde omslag van Knikkerkoning staat een kauw. Dit vogeltje, Kay geheten, is de enige bij wie Otto zich in zijn jonge jaren veilig voelt als zoon van een verwoed om zich heen slaande Indonesië-veteraan. Zijn moeder sterft jong, vader hertrouwt met de vrome Albertina. Voor terugkijken en gevoelens is geen plaats; stiefbroertjes en -zusjes krijgen het eerstgeboorterecht. Eén bedrukte gelaatstrek, één traan om zijn moeder is voor vader voldoende aanleiding om Otto een eetlepel sambal zijn huig in te schuiven, hem een zomervakantie lang huisarrest te geven of hem verrot te slaan. Uit zulke blinde razernij valt slechts één conclusie te trekken: het gezin lijdt onder de oorlogstrauma’s van vader Herman. Het mag een wonder heten dat Otto het er levend vanaf brengt, evenals het gegeven dat de kauw hem verhalen vertelt. Tot vader de vogel het erf af jaagt met een luchtbuks, en dit sterkt Otto in zijn beslissing: hij vlucht naar Amsterdam.

    Waar Otto de toorn van zijn vader probeert te ontwijken, verlangt Anne naar meer contact met de hare. Hij is een goedgemutste drinkebroer die zijn ex-vrouw, Annes moeder, zo gek krijgt steeds weer de slaapbank voor hem gereed te maken, na de zoveelste nacht doorzakken. Hij ruikt dan wel sterk naar alcohol en tabak, Anne houdt ervan. Later zal menig man met eenzelfde aroma haar gebruiken, verwaarlozen en vergeten. Desondanks houdt Anne van haar vader, wat haar moeder steekt. Zij voedt hun dochter op en hoeft niets te verwachten van haar ex-man. Zij brengt Anne sisu bij, de Finse onverzettelijkheid waar de Engelse stiff upper lip bij verbleekt. Deze hardheid heeft een prijs: Anne worstelt met depressies en kent louter destructieve manieren hiermee om te gaan. Voordat ze van Helsinki naar Amsterdam vliegt, merkt de verteller op ‘dat er iets in haar kapot gaat, een klein onderdeel dat niemand kan zien maar zich langzaam steeds verder uitspreidt.’

    Dolende adolescenten

    Het tweetal leidt een nomadisch bestaan in Amsterdam, waardoor het bohemiencliché opdoemt. Zo waant Otto zich een onontdekte zielsverwant van Bob Dylan en Jimi Hendrix na drie seconden op zijn gitaar te tokkelen bij het Rijksmuseum. En wie spreekt onze troubadour aan, wanneer hij vrijuit musiceert in Montmartre? Brigitte Bardot, die hem uitnodigt bij haar thuis. De acteerambities van Anne blijven onvervuld: ze raakt verslaafd aan alcohol, zoals haar vader, en wordt geronseld door Ron voor prostitutie. De verwijzingen naar Flauberts meesterwerk Madame Bovary stapelen zich in dit gedeelte van het boek op. Maar waar de Fransman naarstig zocht naar wat hij ‘le mot juste’ (het juiste woord) noemde, legt Wuck meer uit dan nodig.

    Met haar poëziebundels Finse meisjes en De zee heeft honger geeft ze blijk van scherpte, bondigheid en lichtvoetigheid. In deze roman lijkt voor de toeschouwers te zijn bepaald wat ze van Anne en Otto moeten vinden. Ze zijn namelijk te zeer verweven met Wucks echte ouders, waardoor je hun twijfelachtige acties en opmerkingen met de mantel der liefde móét bedekken. Je zou haast de inhoudelijke en stilistische opvallendheden door de vingers zien die nu eens de wispelturigheid van de adolescentie vertolken, dan weer doorslaan in karikaturaal pubergedrag.

    Het koppel wordt neergezet als vrijgevochten, verfrissend onconventioneel bovendien. Ze weigeren in de rij te staan bij het Louvre, sluipen zonder te betalen naar binnen en de Mona Lisa vinden ze maar weinig aan. Daarnaast moeten doodgewone mensen in pak met aktetas – o gruwelijk symbool van burgerlijkheid! – het ontgelden, omdat deze kleingeestige mensjes ‘meewarig’ kijken naar seksende stellen in het Vondelpark. En zo zijn er meer overtollige bijwoorden die de fantasie niet prikkelen, maar lamleggen. Er wordt ‘stilletjes’ geslopen, ‘brutaal’ gescholden, ‘streng’ toegesproken, ‘verlegen’ gebloosd, ‘geërgerd’ gefronst en ‘sarcastisch’ opgemerkt dat het lekker gaat met de drankinname van Anne. Daarbij spreken personages zinnen uit, die hen niet passen. Zo oreert de reeds genoemde pooier én drugsbaas Ron tegen Anne, voordat hij haar de straat op schopt: ‘Een tijdlang woonde je in mijn pels, als een vlo, als een parasiet.’ Over de als-vergelijking gesproken: omdat elke bladzijde drie van zulke kunstgrepen herbergt, is het net alsof de dichteres Wuck de kundige, personale verteller naar de achtergrond verdrijft. 

    Eerlijke onmacht

    Los van de passages waarin de schrijver te aanwezig is, blijft Knikkerkoning een liefdevol, integer portret. De krachttoer culmineert in het derde deel, waarin dochter Jane vanuit een ik-perspectief over de ondergang van haar ouders vertelt. Wuck laat zien dat mensen liever vertrouwen op het slechte dat ze kennen, dan op het onbekende waarvan de gevolgen ongewis zijn. Daarin schuilt een onmetelijke wijsheid en pijn. Hoe vaak de personages er ook van wegrennen, hun psychische problemen verdampen niet in de ether na een vliegreis. Anne, de labielste van het jonge gezin, beseft dit. In een discussie over zelfdoding beweert Otto dat optimisme een keuze is en neerslachtigheid dus ook. Zijn vrouw antwoordt: ‘Niet iedereen is in staat dat te zien en daarin te geloven. (…) Doodgaan betekent vrijheid en dit was de enige manier om dat te bereiken.’ Het onvermogen van Anne om vol te houden en van Otto om haar te redden, maakt hen menselijk en beminnelijk. Door hun sterfelijkheid wekt Wuck haar ouders tot leven. Zwakte is wat deze vertelling kracht verleent.

     

     

  • Oogst week 3 -2021

    Vuurtorenberichten

    In 1896 kwam postuum Record of a Family of Engineers van Robert Louis Stevenson uit. Daarin ging hij op zoek naar de verbanden tussen de verhalen van zijn vader, opa en stiefvader, die allemaal ingenieurs en uitvinders waren van vuurtorens. Hij legde zo, zoals hij het zelf omschreef, een reis af door de afgelopen eeuwen. De Mexicaanse Jazmina Barrera (1988), schrijver van essays en verhalen, had als kind eens een droom van een vuurtoren (ze had er nog nooit een gezien) aan de voet waarvan haar ouders woonden.

    Op haar vraag wat in de toren te zien zou zijn, antwoordde haar vader: ‘Enkel het skelet van een vleermuis’. Die droom en de latere kennismaking met het boek van Stevenson waren het startsein voor een reis langs vuurtorens. Het verslag daarvan, Vuurtorenberichten, is tevens een onderzoek naar haar eigen schrijverschap.

    Vuurtorenberichten
    Auteur: Jazmina Barrera
    Uitgeverij: Karaat, Uitgeverij

    De tuinen van Buitenzorg

    Ook Jan Brokken werd op het spoor gezet van een levensverhaal door een kennismaking met een kunstuiting: niet een boek (zoals vorig jaar in zijn Het eiland van Jean Rhys), maar met een muziekstuk. Hij hoorde op de radio De tuinen van Buitenzorg, een pianostuk van de Poolse componist Leopold Godowsky (1870-1936). Dat deed hem denken aan  de brieven die zijn in Nederlands-Indië wonende moeder in de tijd vóór zijn eigen geboorte in 1949 schreef aan haar Nederlandse zus. Zijn moeder was in 1935, toen ze 23 was met haar man naar Java verhuisd en in 1947, getekend door het Jappenkamp, teruggegaan naar Nederland.

    In De tuinen van Buitenzorg combineert Brokken de beschrijving van het verblijf van zijn moeder in Nederlands-Indië (op basis van haar brieven en de herinneringen van zijn oudere broers) met beschouwingen over taal en muziek, zoals die van Godowsky. De beoogde verschijningsdatum is 2 februari.

    De tuinen van Buitenzorg
    Auteur: Jan Brokken
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Knikkerkoning

    Kira Wuck is de dochter van een Finse moeder en een Indische vader, die elkaar leerden kennen in het Vondelpark. ‘Mijn vader schepte veel op. Hij was de beste geweest in knikkeren, in schaken en dammen en noem maar op. Hij had geen fijne jeugd gehad, maar hij vertelde altijd mooie verhalen’, vertelde Wuck onlangs in Het Parool.

    In haar eerste roman Knikkerkoning beschrijft ze haar versie van de jonge jaren van haar ouders. ‘Voor mijn boek vond ik het vooral interessant om een soort tijdgeest te laten zien waarin nog niet alles zo voorgekauwd was. Ik vind het nu soms wel heel bekrompen. Er was in die tijd meer anarchie, meer vrijheid, meer tijd om jezelf te ontplooien. Er was meer ruimte voor mensen die eigenlijk niet in het systeem passen’, zegt ze in hetzelfde gesprek. Het is een verhaal geworden over harde levens en toch een eerbetoon.

    Knikkerkoning
    Auteur: Kira Wuck
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij