• Het begrip van hier en nu opnieuw geijkt

    Het begrip van hier en nu opnieuw geijkt

    In mijn mand is de nieuwe dichtbundel van de huidige Dichter des Vaderlands Lieke Marsman (1990).  In de wijsbegeerte,  het vakgebied van Marsman, wemelt het van de uitspraken als zou filosoferen leren sterven zijn. In de poëzie speelt het doodsbesef vanouds een thuiswedstrijd. Van dat besef en het ziek zijn is deze nieuwe bundel van Marsman doordrenkt. Een bundel die getuigt van rijpheid, eerlijkheid en een milde zelfironie waarin de eigen positie wordt her-overdacht. Marsman gaat het gesprek met zichzelf aan met lucide vragen die ze opwerpt, ‘Is genade dat je gegeven wordt dat je niet sterft / vandaag of dat je je aanstaande dood leert aanvaarden?’  In mijn mand is daarmee een zeer menselijke bundel, intelligent en elegant, en dicht op de huid van het leven geschreven. 

    De van lengte wisselende gedichten zijn verdeeld over drie afdelingen. Dit nieuwe leven is de eerste en in de openingsreeks daarvan, Universele esthetiek, stelt Marsman de menselijke maat van ‘gevoel’ en ‘emoties’ primair. Het leven verschraalt waar emoties achterwege blijven: ‘Geen wonder dat we zijn aanbeland / waar we zijn aangestrand.’ Marsman tast naar een nieuw evenwicht in het leven dat geen vangnet in de vorm van een toekomst kent, waardoor ook ’terugblikken op het verleden (…) buitengewoon droevig maakt’. Dit nieuwe leven is ‘lelijk, maar dragelijk’ omdat de wil, de energie er niet altijd is om een andere weg dan die van de minste weerstand te gaan. En zonder weerstand bloeit er geen schoonheid op. 

    ‘Maar pas op, ook op deze weg
     kan een gemiste afslag zomaar tot genade leiden.
     Eén overwoekerde wegwijzer
     en je staat oog in oog met het sublieme
     (volstrekt onvoorbereid, alle jaren van studie ten spijt)
     en blijkt een manier te kennen om dit verteren
     in het licht van universele schoonheid uit te houden.’ 

    Het kwetsbare als teken van kracht

    Genade als een nieuw ijkpunt in het licht van universele schoonheid. ‘De waarheid behoeft geen nooduitgangen meer’ waar deze genade opdoemt. Het vierde en laatste gedicht uit die reeks onderstreept ook het belang van kunst in dit nieuwe leven, waarin het kleine, het kwetsbare als teken van kracht kan worden beleden.

    ‘Je vraagt ons wat esthetiek méér is
     dan de meest succesvolle marketingcampagne?
     Kunst is méér omdat er minder op het spel staat,
     de enige plek waar falen een optie is.
     De enige plek waar de doden niet vallen,
     maar herinnerd worden. Neem eens een risico
     en kies de wereld die je al kent, die je je eigen maakte
     door jarenlang nachtenlang waker te zijn, het schermlicht
     van obscure internetfora de twinkeling in je ogen.
     Dans jezelf nog eens naar dat licht.
     Sla desnoods een kruis waar het zeer doet.
     Vaar dit schip nog eens op de klippen.’

    Wat aan tijd rest is altijd langer dan wat voorbij is, luidt de bemoedigende conclusie. Deze poëzie is bezig het begrip hier en nu opnieuw te ijken om tot een nieuw levensbesef te komen. Daarbij soms een regelrechte worsteling aangaat met een ‘lang en stroperig hier en ik zijn’, het ultieme ‘leven in het nu’. Hetgeen ‘gekmakend’ is voor iemand die ‘haar zielenrust / doorgaans haalde uit de gedachte / dat in de toekomst alles beter wordt’. Door veel gedichten dwarrelen de dagelijkse snippers uit het heden dat zomaar door een telefoontje van de arts kan worden verstoord, maar deze poëzie behelst meer dan de som van al die snippers. De persoonlijke beleving mondt uit in waar de dichter het heft in handen neemt en de woorden naar zijn hand zet.

    ‘(…) Voor het eerst
     in mijn leven voel ik me tamelijk zelfverzekerd.
     Niet dat het ergens op gebaseerd is, het is meer
     de ongefundeerde zelfverzekerdheid
     die je vaak aantreft in regeringsleiders
     aan het begin van een mislukte termijn. Dun melkvel
     van arrogantie op een pap met klonten.’

    Dansend door het gedicht

    Het kortste gedicht uit de bundel telt slechts vier regels en dient gezien de titel Bij het vorige gedicht als commentaar op wat eraan voorafging. Niettemin staat het met zijn hoge soortelijk gewicht van pure poëzie op eenzame hoogte.

    ‘de hitte omhult ons als een sarcofaag
     de dagen volgen elkaar op in karavaan
     de zomer haalt de elastieken van wie haast heeft aan
     als een te strakke kraag’

    In de middelste afdeling Lichamen / kadavers overheerst een betrokken, geëngageerde toon die Marsman gaande haar oeuvre ontwikkelde bij wijze van tegengif tegen de sprankelend onthechtende toon uit haar beginperiode. Escapisme belooft geen uitweg meer, strijdlust des te meer. Marsman bewijst met een scherpe, soms regelrecht cynische ondertoon wervelend uit de voeten te kunnen. Als een bokser danst ze door het vers en deelt links en rechts voortdurend stoten uit.

    ‘(…) een stralend voorjaar
     dat wegdrijft
     uit de greep
     van onze dagelijkse routines
     en ons achterlaat
     met beurspagina’s
     waarop grafieken
     wortel schieten
     (de economie
     met z’n conjuncturen
     die het presenteert als wetmatigheden
     liet zich toch weer verrassen
     door het oliebeleid
     van Saoudi-Arabië
     en een stekelig virus)
     (…)’

    Een vanzelfsprekend doelwit vormt het uit de maatschappij wegbezuinigde gehalte aan menselijkheid. Het wrede gemak waarmee gezonde mensen dat voor lief nemen. Wie de dood nog niet in de ogen heeft gezien, onderschat de waarde van het leven en meent bijvoorbeeld dat men iedere dag moet leven alsof het de laatste is. Deze gedichten doen ons het dwaze van dat devies beseffen. Zat in de quasi zelfverzekerde toon uit haar vroegere bundels ook een frivole portie bluf, in deze gedichten is de zelfverzekerde toon het resultaat van haar persoonlijke levenservaring.

    Het moment van sterven

    De derde en laatste afdeling Barmhartig vennetje bestaat uit bespiegelingen, herinneringen, vergezichten afgezet tegen de notie dat niemand kan weten ‘wat er aan de overkant is’. Er hangt iets onheilspellends – als ‘het waaien voor de bui’ – in deze gedichten, zoals verbeeld in de rode achtergrond van het zogenaamde ‘barmhartige vennetje’ op het omslag van de bundel. De kleine, veronachtzaamde dingen waarvan we de geheimen nooit vermoedden, waarover we ons nooit wisten te verbazen, dienen zich nu helderder aan dan voorheen. Marsman weet ze treffend te vangen, opgediept uit een jeugdherinnering, zoals van na een ‘kerstoetje in ‘96’:

    ‘Na het eten met z’n allen
     het bevroren bos in
     met de honden, ondervond ik
     voor het eerst hoe stil de kou
     hoe warm de stilte is.’

    Of een vakantieherinnering aan een snel ingevallen duisternis: ‘maar is dat niet hoe het altijd is / met het blauw voor het donker zei ze / het ene moment nog zo blauw / en het volgende moment o zo donker’

    Vestdijks beroemde gedicht De uiterste seconde heeft er een concurrent bij wanneer het gaat om poëzie die het moment van sterven wil vatten en er een hond doorheen laat lopen. Wie kent niet de beroemde slotregel, ‘De halsband los, en zij met de twee honden’. Welnu, In mijn mand is het afsluitende titelgedicht een even ontroerend en verontrustend helder gedicht met een hondje. Waarvan hier de laatste strofe.

    ‘Is het mijn sterfdag?
     De lucht is stil, als lucht
     op een kalender
     Is het mijn sterfdag?
     Vergeet klokken die luiden
     De lucht is stil, als lucht
     Is het mijn sterfdag?
     Vergeet engelen en psalmen
     Ik wil het vanille van een oud boek
     Ik wil een koud flesje bier
     en ik wil jou, nog één keer
     Vergeet vogels die zingen
     Ik wil mijn hond horen drinken’

    Moeilijk te zeggen of deze gedichten troost geven, wel valt te zeggen dat die laatste krachtige regels, die de aarde trouw blijven, het lang gaan uithouden.

     

  • Oogst week 6 – 2021

    De berenvrouw

    Het jaar 1541 lijkt niet ver af te staan van het heden in De berenvrouw van Karolina Ramqvist. Niet alleen omdat het verhaal van Marguerite de la Rocque, een daadwerkelijk historisch figuur, te maken heeft met seksuele intimidatie en verbanning, victim blaming avant la lettre, zeg maar – helaas weer en altijd actueel – maar ook omdat Ramqvist haar eigen verhaal met dat van Marguerite vervlecht. Ramqvists reflectie op haar moeder- en schrijverschap speelt namelijk een belangrijke rol in De berenvrouw. In de roman wordt De la Rocque na een seksschandaal van een schip gezet en achtergelaten op een onherbergzaam eiland in Newfoundland, waar ze het hoofd moet bieden aan de beren die er leven en in de wildernis bevalt van een zoon. Ramqvist doet verslag van haar leven en toont de lezer tegelijkertijd hoe ze tot het schrijven van het verhaal is gekomen, en welke keuzes haar eigen leven bepaald hebben.

    De berenvrouw
    Auteur: Karolina Ramqvist
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    In mijn mand

    Van schrijver en filosoof Lieke Marsman, die Tsead Bruinja op 21 januari van dit jaar officieel opvolgde als Dichter des Vaderlands, verscheen In mijn mand. Het is een maatschappelijk geëngageerde dichtbundel waarin zij reflecteert op het leven met een levensbedreigende ziekte, en de plek, de waarde, die ziekte en dood in een mensenleven en de maatschappij hebben. Marsman schrijft vanuit haar eigen ervaringen, zoals ze ook deed voor haar eerder verschenen bundel De volgende scan duurt vijf minuten: in 2018 werd kraakbeenkanker bij haar gediagnosticeerd, ze wordt inmiddels behandeld voor uitzaaiingen. Het leven met een levensbedreigende ziekte wakkert juist ook strijdvaardigheid en politiek activisme in haar aan. In 2020 stelde ze in een interview met Trouw al: ‘(…) me verdiepen in politiek is meer dan alleen afleiding. Ik wil geen verhaal houden van “die ziekte levert ook goeie dingen op”, toch is er ergens een soort oerkracht aangewakkerd. Die oerkracht voelt ongeveer als wanneer ik een gedicht aan het schrijven ben en alles op zijn plaats valt. Dat je ineens heel helder ziet: dit woord moet daar, en deze drie zinnen moeten er helemaal uit en die zin moet hier. In de kunst noemen ze dat inspiratie, in de politiek eerder gedrevenheid. Het is een fijn gevoel. Dat je heel scherp ziet waar ergens een probleem is en wat daaraan gedaan kan worden.’

    In mijn mand
    Auteur: Lieke Marsman
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    De andere kant van de zee

    Drie personages delen in De andere kant van de zee hun herinneringen aan de opstand van de zwarte bevolking in Angola tegen de koloniale Portugese onderdrukker, die in 1961 plaatsvond en leidde tot de Portugese koloniale oorlog (of ‘Overzeese Oorlog’). Aan het woord komen een kolonel, een directeur van de post en de dochter van een plantagehouder. Zij delen hun ontworteling en verdriet. Lobo Antunes schrijft de lezer het hoofd van de personages in: hij laat leestekens achterwege, beschrijft associatief of juist haarscherp de omstandigheden en creëert zo een stream of consciousness.

    Schrijver en psychiater António Lobo Antunes put uit eigen ervaring: hij was als arts-psychiater in Angola gestationeerd in 1973, tijdens de koloniale oorlog, en schreef naar aanleiding daarvan ook zijn romandebuut Memória de Elefante (1979).

    Lobo Antunes wordt wel ‘het geweten van Portugal’ genoemd vanwege zijn scherpe maatschappijkritiek en grillige karakter, en wordt door velen gezien als kanshebber voor de Nobelprijs voor Literatuur (hij zag de prijs aan zich voorbijgaan toen landgenoot en collega-auteur José Saramago die in 1998 won). Lobo Antunes heeft inmiddels 31 romans op zijn naam staan.

    De andere kant van de zee
    Auteur: António Lobo Antunes
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Oogst week 4 – 2021

    De jonge helden van de Sovjet-Unie

    De Amerikaanse journalist en non-fictieschrijver Alex Halberstadt werd in 1970 geboren in de toenmalige Sovjet Unie. Acht jaar later vertrok hij er met zijn moeder en grootouders op een uitreisvisum voor Israël, om via Europa naar de Verenigde Staten te reizen waar de familie zich wilde vestigen. Alex’ vader bleef achter. Deze gebroken relatie loopt als een rode draad door het boek.

    In een van hun summiere telefonische contacten hoort Halberstadt over zijn grootvader, van wie hij dacht dat deze dood was. Het is aanleiding voor hem om op reis te gaan, naar zijn grootvader in Oekraïne, die lijfwacht van Stalin blijkt te zijn geweest; naar de geboortegrond van zijn Joodse moeder in Litouwen waar hij de sporen van de Holocaust en het verborgen antisemitisme optekent; naar zijn geboorteplaats Moskou, waar zijn ouders hadden geleden onder de Sovjet-terreur. Zijn eigen verleden waarin hij zich als migrantenjongen nauwelijks kon handhaven komt dichterbij. ‘De jonge helden van de Sovjet-Unie’ – de titel verwijst naar het boekje dat Halberstadt als kind moest lezen – is geschiedschrijving en biografie ineen en laat zien hoe trauma’s van angst, wreedheid, woede en pijn in drie generaties doorwerken.

     

    De jonge helden van de Sovjet-Unie
    Auteur: Alex Halberstadt
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    De getalenteerde Mr. Ripley

    De BBC plaatste The talented Mr. Ripley uit 1955 op de lijst van honderd invloedrijkste romans, want schrijfster Patricia Highsmith (1921-1995) introduceerde met dit beroemde boek de psychologische thriller. Volgens schrijver en filosoof John Gray had Highsmith een diep inzicht in de broosheid van de moraliteit. Het nieuwe genre vond veel navolging. De getalenteerde meneer Ripley is door De Arbeiderspers nu opnieuw uitgegeven.

    Een rijke industrieel betaalt Tom Ripley, een streberige jongeman uit een gebroken gezin, om zijn verwende zoon Dickie Greenleaf terug naar huis te halen. Dickie bevindt zich aan de Italiaanse kust, waar Ripley hem opzoekt en vervolgens totaal in de ban raakt van de luxueuze levensstijl van de playboy en zijn vriendin. Na een tijdje krijgt Dickie echter genoeg van Ripley, waardoor de laatste zich ontpopt als de moordenaar die met zijn charmes mensen grandioos voor de gek houdt en zo de sociopaat wordt waar Highsmith nog vier andere boeken aan wijdde. Haar romans werden meerde keren verfilmd. De Ripley uit De getalenteerde meneer Ripley werd eenmaal gespeeld door Alain Delon en eenmaal door Matt Damon. Alfred Hitchcock maakte een legendarische film van Vreemden in de trein, en recenter (2015) verscheen Carol op het witte doek.

    De getalenteerde Mr. Ripley
    Auteur: Patricia Highsmith
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Raaf

    Kun je werkelijk loskomen van waar je vandaan komt? is de vraag waarover het gaat in Raaf, de debuutroman van Roos Vlogman. Eerder schreef ze verhalen, gedichten en essays die o.a. werden gepubliceerd in Trouw, Tirade en De Morgen. In Raaf is de gelijknamige hoofdpersoon sterk verbonden met zijn moeder, de vrouw die hem overheerst en die telkens weer zijn aandacht opeist.

    Zo moet hij haar zoeken als zij zich voor de zoveelste maal verstopt heeft; ze dwingt Raaf haar te volgen als hun overleden hond Frederik via haar heeft laten weten waar hij wil worden uitgestrooid, en ze dwingt hem tot een soa-test waarbij ze zelf meegaat naar de huisarts. Het is een onafzienbare relatie waar geen ontsnappen aan is, dun maar onmetelijk krachtig. ‘Mijn moeder is als een  plant die naar de  grond toe groeit. Ze raakt overwoekerd door de tuin en er is niemand om haar los te knippen, haar wortels uit te trekken, licht en lucht te geven. Ik schud haar van me af.’ Zal het Raaf lukken om los te komen van zijn moeder?

    Raaf
    Auteur: Roos Vlogman
    Uitgeverij: De Harmonie
  • Zoek de verschillen tussen drieëndertig hoofdstukjes

    Zoek de verschillen tussen drieëndertig hoofdstukjes

    De tijd van de experimentele roman ligt al een tijdje achter ons. Studenten neerlandistiek moeten nog wel enkele klassiekers doorworstelen van Sybren Polet of Ivo Michiels, misschien zelfs Brakman. Aan het gewone lezerspubliek zijn diepgaande experimenten echter niet besteed. De grote romanciers van vandaag als Grunberg, Van der Heijden, Japin of Thomése schrijven verhalend en trachten via andere stijl- of vertel ingrepen de lezer te bekoren. Hier en daar is er nog wel een witte raaf die zich aan het totaal experiment waagt, zoals A.H.J. Dautzenberg. Hij heeft een patent op het experimentele, gezien zijn eerdere roman Geestman of zijn dichtbundel Niet het krassen van de kraai, beide uit 2019. Dautzenberg is een veelschrijver, in tien jaar tijd verschenen maar liefst achtentwintig werken van zijn hand in verschillende genres. Aslast is opnieuw een zuiver literair experiment.

    Verrassende herhaling

    Naar eigen zeggen weet de schrijver ook niet precies waarover het gaat en kijkt hij uit naar welke betekenis anderen in het werk vinden. De roman begint vrij klassiek met een omroepstem in de trein. Daarna volgt een beschrijving van hoofdpersonage P. die zijn veters strikt, een vuiltje uit zijn oog pulkt en om zich heen kijkt in de verder lege coupé. Hij ziet een Mondriaanachtige tekening op de achterwand, masseert zijn schedel, bekijkt het plafond en de handgreep van de noodrem. Ten slotte haalt hij een dichtbundel uit zijn zak en begint te lezen. Dit is te lezen over zes bladzijden. Daarna wordt dit nog eens drieeendertig maal herhaald. Verwarring en verrassing slaan toe bij de lezer na lezing van het tweede stukje: heeft hij nu net hetzelfde gelezen als daarvoor? Wat volgt is een zoektocht naar de verschillen… 

    Dautzenberg brengt telkens minimale, subtiele verschillen aan die een inzicht in de psyche van P. moeten bieden. Van meanderende figuren die uit de Mondriaantekening komen tot de dansende letters van het woord ‘noodrem’. Naast deze inhoudelijke variaties zijn er ook zeer opvallende typografische wijzigingen door het verhaal heen. De beschrijving van P. en zijn innerlijk staan in normaal gedrukte tekst. Alles wat zich buiten hem afspeelt, staat in het eerste stukje vet gedrukt en geleidelijk aan, hoofdstukje na hoofdstukje, vervaagt de tekst tot hij halverwege het boek niet meer zichtbaar is en langzaamaan vervangen wordt door blauwe vlakken, eerst heel licht, maar naar het einde toe zeer donkerblauw. 

    Spel met de lezer

    Dautzenberg speelt in Aslast met zijn publiek. Hij laat het aan de lezer over te ontdekken wat erachter het verhaal schuilt. Dat het werk door zijn experimentele vorm multi-interpreteerbaar is, staat buiten kijf. Het woord Aslast verwijst naar ‘het maximale gewicht op een as met twee wielen’. Moet de titel dan ook letterlijk geïnterpreteerd worden? Hebben we te maken met P. die een zware last met zich meedraagt en uitzoekt waar hij uiteindelijk aankomt? Verwijzen de vervagende teksten en de blauwe vlakken naar een steeds zwaarder wordende last om te dragen en voelt P. zich zodanig ‘blue’ dat hij er geen zin meer in heeft? De dichtbundel is op het einde van de roman vervangen door een Donald Duck en P.’s serieuze houding is een welluidende kinderlach geworden.  Maakt de lezer hier in drieëndertig hoofdstukjes de evolutie mee van een steeds depressiever wordende man die er de brui aan geeft? De lezer blijft achter met een hoop vragen en kan enkel zijn eigen invulling geven, maar wellicht is dat ook de bedoeling van de auteur.  

    In elk geval blijft Aslast een spel van zoek de verschillen tussen drieëndertig hoofdstukjes. In eerste instantie komt het wat bevreemdend over, uiteindelijk is het weinig beklijvend. Wat overblijft is de ‘Spielerei’ en verder  is het weinig hoogstaand. Als Dautzenberg hiermee de experimentele roman nieuw leven wil inblazen, dan is hij daarin niet geslaagd. Maar misschien is dat ook helemaal niet de bedoeling en wil hij eerder de lezer en de literatuur een hak zetten. Als het bedoeld is als een soort ironisch werk waarmee hij de klassieke literatuur op de korrel wil nemen, dan is het een verdienstelijke poging die echter te weinig als zodanig wordt geduid. Aslast roept immers geen blijvende herinnering op en lijkt eerder een eenvoudige manier om het literair experiment opnieuw op de kaart te zetten. 

     

     

  • Een rijke bundel over de Joodse cultuur

    Een rijke bundel over de Joodse cultuur

    Joodse gedichten is simpelweg de titel van de twintigste poëziebundel van Nachoem M. Wijnberg (1961). Bestreek de vorige bundel van de P.C. Hooft-laureaat, Afscheidswedstrijd uit 2018, het terrein van de voetbalsport, ditmaal heeft de dichter zijn speelveld verruimd tot de rijke geschiedenis van de Joodse cultuur. Onder veel meer biedt deze cultuur  met haar ballingschap, diaspora, het wachten op de echte Messias in plaats van een valse, anti-semitisme, (anti)zionisme, hoe Joden elkaar en anderen zien, hoe anderen Joden zien, een bont en uitdagend palet. Niet het minst voor Wijnberg die inmiddels heeft aangetoond dat alles voor hem aanleiding kan zijn er zijn gedachten in gedichtvorm over uit te spreiden. Deze rijke bundel met 69 gedichten, illustreert dat opnieuw. 

    De bundel wekt niet de indruk het product te zijn van iemand die met zijn Joodse identiteit worstelt noch ermee te koop loopt. Integendeel, Wijnberg spreekt de hoop uit dat hij ‘vreemdeling zal blijven in het midden van [zijn] eigen vreemdheid.’ Die bekentenis maakt het minder vreemd dat de Holocaust er geen vooraanstaande plaats inneemt. Hoewel er gestrooid wordt met referenties aan prominenten uit de Joodse cultuur als Abraham, Mozes, Maimonides, Nachmanides, Einstein, Celan, Seinfeld tot en met Judith Herzberg, valt deze poëzie prima zonder achtergrondkennis van de Joodse cultuur te lezen. Deze bundel  is op z’n plaats in het oeuvre van Nachoem M. Wijnberg met als vanouds af en toe een gedicht met een titel waarbij op het aantal woorden niet is gespaard:

    DE SABBAT VAN TROOST DIE VOLGT OP DE VERWOESTING VAN DE TEMPEL, DE PLAATS WAAROVER IK KON ZEGGEN: ALS JE NAAR MIJ WIL ZOEKEN, AAN HET BEGIN VAN DE AVOND, BEN IK IN DIE PLAATS DIE MAKKELIJK TE VINDEN IS

    ‘Als er iets is wat ik elke dag moet doen
     is er een dag van de week dat ik niet hoef.

     Dat is alles wat de sabbat betekent
     en dat mag ik ook op de sabbat bedenken.

     De sabbat kan ik elke dag uitroepen,
     zo zijn ook hemel en aarde gemaakt.

     Alsof ik elke dag iets nieuws moet maken
     en op de sabbat maak ik wat er al was.’

    Raadselachtige eenvoud

    Wijnberg is een dichter die het ingewikkelde terugbrengt tot een raadselachtige eenvoud. Met een simpele zin weet Wijnberg de humanistische inslag van de orthodoxe Yeshayahu Leibowitz te schetsen. Hij laat hem zeggen, ‘dat de wet zo vrijgevig is een Jood toe te staan zich aan de wet te houden’. Voor wie de Joodse cultuur niet erg vertrouwd is, loopt in deze Joodse gedichten toch tegen een vertrouwde Wijnberg aan. Om onder het fijne weefsel van Wijnbergs gedachtensluier de schoonheid van poëzie te ontdekken hoeft men niet dieper te graven dan in vorige bundels. De zinnen blijven met hun alledaagse woorden en parlando genoeg aan de oppervlakte om er een diepere laag onder te vermoeden. ‘De Messias komt / als iedereen enkel nog boeken schrijft / alsof ze door een ander geschreven zijn.’ Of: ‘Beter dan eten / is kijken naar kookwedstrijden op tv / en het begin gemist hebben en het einde / overslaan.’ 

    De kracht van Wijnberg is dat zijn manier van denken, met schijnbewegingen en uitweidingen per bundel niet zo verschilt. Waar de onderwerpen dat wel doen, blijft een nieuwe Wijnberg toch altijd weer verrassen. Waar een dichter als Kouwenaar de pijl in de roos van een perfecte gedicht tracht te splijten door nog eens zo’n pijl af te schieten, biedt Wijnberg meer variatie.

    Uitwerken van gedachten

    In interviews heeft Wijnberg geregeld benadrukt dat gedichten schrijven voor hem een manier van het uitwerken van zijn gedachten is. Het zal duidelijk zijn dat hij met het onderwerp Joodse cultuur alle kanten op kon. Met de wetteksten, de bijhorende commentaren en uitweidende verhalen, gelardeerd met discussies tussen rabbijnenscholen. Daarbij wordt van de ene stelling op de andere tegenstelling gesprongen en moet de Talmoed voor Wijnberg een zeer rijke, inspirerende bron voor zijn denken, en dus zijn gedichten zijn geweest. Maar meer dan in de Joodse identiteit lijkt Wijnberg thuis te zijn in zijn gedichten. Hij heeft in zijn gedichten een scherp oog voor de benarde positie van het Joodse volk. Door zijn lange geschiedenis heen ziet hij dat ‘enkel de Joden op het land overblijven, / waar ze als vissen zijn.’ Het kwetsbare is bij Wijnberg in veilige handen, zoals blijkt uit de prachtige zin: ‘dat een Jood niet gevraagd kan worden op te geven / waar er maar één van is.’

    Aan het slot van deze bundel, waarin men aan de hand van de dichter een eind heeft opgelopen met werkelijke en mythologische vertegenwoordigers uit de Joodse cultuur, kan men zich wellicht goed vinden in de allerlaatste woorden: ‘vreemdheid heeft in mij bezit genomen, / ik heb vreemde gedachten, / de enige die ik nog heb.’

     

     

  • De toekomst na de coronacrisis  

    De toekomst na de coronacrisis  

    Het is 4 mei 2020: de geboorte van Josje Silvius dient zich aan. Ze komt ter wereld zonder te huilen, terwijl haar moeder het op een huilen zet. Het was een vreemde tijd, maar voor Josje scheen het, als ze er later op terug kijkt, toe dat ‘de tijd van vóór de Stilte [de coronacrisis, EvS], toen iedereen maar een beetje aanrommelde’ heel wat vreemder was. Om maar niet te spreken over de tijd erná, toen haar moeder zich in huis opsloot. ‘Ze was een makkelijke kamerplant geworden’, zei haar vader. 

    Josje beschrijft aan haar in 2042 geboren dochter Avid (Hebreeuws voor lente; haar vader is joods) hoe zij de tijd tijdens en na de coronacrisis ervaren heeft. Iedereen kreeg een dagvergoeding, waardoor je recht had op een baan, woning, medische hulp en eten. Iedereen kreeg ook een beperkt aantal reiskilometers toegewezen en werd jaarlijks gecheckt op hun gezondheid.
    Haar vader ontwierp grote gebouwen waar werk, vermaak en wonen samengingen. Met haar moeder ging ze naar het Louvre, via Google Art. 

    Sprongen in de tijd

    Telkens springt het verhaal een paar jaar vooruit. In hoofdstuk drie zitten we in 2029 en harkt een zorgrobot de sportvelden van Josjes school aan. Josje is een goede leerling en krijgt virtueel extra lessen maatschappijleer van haar filosofiedocent Julian Scheer. Hij vertelt over de economische depressie van 2022, toen er niet genoeg geld was ‘om ouderen, zwakkeren, zieken en armen in leven te houden’.
    Josje wil kunstenaar worden, wat volgens de maatschappijvisie van Scheer zoiets is als ‘een peperdure, breekbare vaas’. Ze doet in 2038 toelatingsexamen voor de kunstacademie en maakt maquettes en poppenhuizen, waarmee ze kritiek geeft op ‘hoe architectuur aan de tekentafel mensenlevens dacht te kunnen vormen’, impliciet dus ook op de ontwerpen van haar vader. Op de academie had men liever, dat ze iets figuratiefs ging uitproberen, wat ze ook doet. Ze zet haar goggles op, die – wanneer ze met haar ogen knippert – foto’s van haar omgeving maakt die ze daarna bewerkt. 

    Een vroegere buurjongen, Dorian, draagt haar min of meer op om hem en zijn erbarmelijke leefomstandigheden te filmen, ‘de achterkant van het decor’, zoals hij het noemt. Ze gaan daarin ver, heel ver. Josje meende dat ze ‘de renaissance van de echte kunsten inluidde’ met haar werk, al dacht lang niet iedereen daar zo over.

    Sensitief futurisme

    De stilte is niet de eerste coronaroman, al zou je hier van een novelle kunnen spreken, maar het steekt wél met kop en schouders uit boven die eersteling, Quarantaine van Wim Daniëls. Diens roman over Karel Vielligers die op een vakantiepark in de Dordogne aan zijn proefschrift werkt en er ‘een dame met een hondje’ ontmoet.
    Het boek van Sarah Sluimer, die essays en columns publiceert in dagbladen en tijdschriften, gaat ook over iemand die werkt, in dit geval in de kunsten, een jongen ontmoet, Sol, de vader van Aviv. Tot op zekere hoogte is ook dit boek zelfs wat voorspelbaar – of misschien beter: voorstelbaar –, want we weten wat de gevolgen van Covid-19 kunnen zijn. Het verschil zit hem echter in de literaire kwaliteit en de gelaagdheid van Sarah Sluimers boek.

    Daan Heerma van Voss – zelf auteur van Coronakronieken, een combinatie van autobiografie, reportage, essay en pamflet – noemt Sluimers boek ‘sensitief futurisme’, zoals Mark Dery in de jaren negentig van de vorige eeuw de term ‘afrofuturisme’ muntte: speculatieve fictie over in dat geval Afro-Amerikanen en in dit geval de toekomst na de coronacrisis op middellange termijn. 

    Ook zonder dit etiket is het inderdaad in tere tonen geschreven boek van Sluimer, – het tweede van haar hand na Keizer -, een mooie novelle die best had mogen uitgroeien tot een volwaardige roman. Dan hadden de verschillende scenario’s, zoals met de personages het geval is, aan diepte kunnen winnen. Niets ten nadele van de soms huiveringwekkende zaken die nu alleen worden aangestipt, zoals die over het niet in leven kunnen houden van ouderen, zwakkeren, zieken en armen.
    Deze beknoptheid is waarschijnlijk (mede) te wijten aan het format van de serie ‘Vitale ideeën voor de wereld van morgen’, over de belangrijkste thema’s die een rol spelen bij een wereld post-corona, waarin dit boek is opgenomen. Daarin verschenen tot nu toe boekjes van de hand van Barbara Baarsma, Dirk Bezemer, Sanne Bloemink en Wanda de Kanter. Het is goed dat daaraan nu literatuur is toegevoegd! Die hoort er gewoon helemaal bij. Vooral nu, heet het dan.

     

     

  • Oogst week 43 – 2020

    Onzichtbare boeken Verdwenen boeken

    Thomas Heerma van Voss (1990) is niet alleen schrijver van romans als Stern en Condities, maar hij was ook actief als redacteur bij Babel & Voss, een uitgeverij die in 2009 werd opgericht door Reinjan Mulder. Deze uitgeverij was een frisse wind binnen het literaire veld, maar na een veelbelovend begin bleef het echte succes uit. In 2014 schreef Heerma van Voss daarom het afscheidsboekje Onzichtbare boeken. Ironisch genoeg werd juist dit werk een succes. De uitgeverij ging tóch door.

    Dit jaar viel het doek voor Babel & Voss definitief. Daarom schreef Heerma van Voss opnieuw een afscheidsboekje: Verdwenen boeken. Das Mag heeft Onzichtbare boeken en Verdwenen boeken gebundeld. In deze uitgave gaat het niet alleen over de pieken en dalen van een uitgeverij, maar ook over de band tussen Heerma van Voss en Mulder.

    Onzichtbare boeken Verdwenen boeken
    Auteur: Thomas Heerma van Voss
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.

    Aslast

    In 2010 debuteerde A.H.J. Dautzenberg (1967) met de verhalenbundel Vogels met zwarte poten kun je niet vreten. Sindsdien publiceert hij onder meer romans, gedichten, essays, theaterteksten en korte verhalen. Tien jaar na zijn debuut verschijnt Aslast, een novelle over P., een man van middelbare leeftijd. Hij bevindt zich niet alleen in een trein, maar ook in een absurdistisch grensgebied tussen binnen- en buitenwereld. Zo is de wagon opgeleukt met een tekening in de stijl van Mondriaan en beginnen de gekleurde rechthoeken opeens te bewegen. Dautzenberg gebruikt muzikale taal, waardoor deze novelle over eenzaamheid, lotsbestemming en individualiteit veel wegheeft van een lang gedicht.

    Aslast
    Auteur: A.H.J. Dautzenberg
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl

    Een bijzonder boek dat recent verscheen is Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl van Uwe Johnson (1934-1984), een vertaling door Marc Hoogma, met medewerking van Theo Veenhof, van Jahrestage. Aus dem Leben von Gesine Cresspahl dat tussen 1970 en 1983 in vier delen werd uitgebracht. Deze Nederlandstalige editie bevat ruim vijftienhonderd pagina’s en gaat over een jonge vrouw in New York die haar dochtertje vertelt over haar eigen jeugd in Duitsland. Niet alleen komen de nazi’s en het leven in de DDR uitgebreid aan bod, ook wordt de wereldpolitiek aan het einde van de jaren 60 belicht, zoals de oorlog in Vietnam, de Praagse lente en de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy.

    Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl
    Auteur: Uwe Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.
  • Deze zeereis is niet zomaar een reisverhaal

    Deze zeereis is niet zomaar een reisverhaal

    L.H. Wiener (1945) mag gerust tot de eminence grises van de Nederlandse literatuur worden gerekend. Wiener debuteerde in 1966 met verhalen in het literaire tijdschrift Tirade en heeft daarna decennialang zijn oeuvre gestaag uitgebreid. Aanvankelijk schreef hij onder de naam Lodewijk Henri Wiener, maar sinds 1980 publiceert hij onder de naam L.H. Wiener. In 1967 verscheen zijn eerste verhalenbundel Seizoenarbeid. Hoewel Wiener in de jaren daarna bleef werken aan zijn verhalen oeuvre en een groeiende groep bewonderaars opbouwde, kreeg hij lange tijd weinig aandacht van de pers. Het duurde meer dan drie decennia voordat hem erkenning ten deel viel. Voor zijn tweede roman Nestor (2002) werd hij in 2003 bekroond met de F. Bordewijk-prijs. Niet lang daarna verschenen zijn verhalen in twee gebundelde delen die door de pers gunstig werden besproken. 

    In Zeeangst vertelt L.H. Wiener over zijn zeiltocht vanuit Nederland naar de zuidkust van Engeland, die hij samen met zijn levensgezellin Ant en poes Loes onderneemt. Zijn doel is om langs de Belgische en Noord-Franse kust af te zakken richting Duinkerken om van daaruit het Kanaal over te steken. Het is echter zeker niet zomaar het zoveelste reisverhaal. Wiener is van kinds af aan een groot zeilenthousiast en vertelt daar in Zeeangst met bijzonder veel enthousiasme over. Hij gebruikt daarbij veel nautische terminologie die voor echte landrotten misschien moeilijk zijn te volgen, maar gelukkig is er een uitgebreide en verklarende woordenlijst achterin het boek opgenomen.

    Relatie tot de zee

    Zeeangst is een autobiografisch geschrift. Zelf noemt hij het deels een nautisch logboek waarin hij zijn verhouding tot de zee, de literatuur en het leven uiteenzet. Het logboek-karakter is overal aanwezig in het boek. Wat daarbij opvalt is het regelmatige gebruik van steekzinnen. Als hij en Ant aankomen in de haven van Calais noteert hij het volgende: Het Bassin de Plaisance de Calais. Klinkt mooi, is niets. Hadden niet naar binnen moeten gaan. De metalen steigers piepen door de beweging van het water, zodat je geen oog doet, dat is trouwens ook zo in Boulogne-sur-Mer, maar minder. ’ 

    Wiener beschrijft op een fascinerende manier zijn relatie tot de zee, die hem zowel afschrikt als aantrekt. Hij leidt aan zeeangst dat hij als volgt onder woorden brengt: Voor mij geldt geen liefde voor de zee, wel ontzag in een altijd sluimerende angst. En in dat ontzag en in die onderdrukte vrees begeef ik me op zee, om haar tegemoet te treden, om haar te tonen dat ik haar macht niet willoos zal ondergaan, maar die als zeiler juist naar mijn hand zal trachten te zetten, in de overtuiging dat de zee zelf willoos onderhevig is aan de oerkrachten van tij en wind, krachten die ik beide, anders dan de zee, in mijn voordeel kan aanwenden, of mijden.’ 

    Vriend en vijand

    Wiener ontkracht tegelijkertijd vele mythes over de zee alsof het een kwaadaardig schepsel zou zijn dat er op uit is om schepen schipbreuk te laten leiden. De zee is geen vijand, maar slechts een neutrale macht. Een macht die echter in staat is te vermorzelen als de mens niet goed voorbereid het ruime sop kiest. De zee blijft daarom zowel vriend als vijand voor Wiener. Een vriend die je waardeert en een vijand die je respecteert. 

    Zijn relatie met Engeland is eveneens op zijn minst ambivalent te noemen. Een echte Anglofiel is hij zeker niet. Wiener schrijft weliswaar met liefde, maar ook met kritische spot over Engeland. Wiener is op zulke momenten lekker op dreef. Hij is hoogst in zijn wiek geschoten als blijkt dat poes Loes alleen met de juiste formulieren Engeland in kan, en die zijn niet volledig. Zo krijgt Wiener opeens met de Engelse bureaucratie te maken, hetgeen een grote ergernis bij hem opwekt. ‘Regels zijn regels, de Duitsers hebben de naam, maar de Engelsen zijn erger, aangezien ze er een forse dosis hypocrisie aan toevoegen. Ik moest denken aan de vernedering van Oscar Wilde die op 20 november 1895, in gestreepte gevangeniskleding en met handboeien om, tentoongesteld werd aan het spugende publiek op het perron van Clapham Junction, in afwachting van zijn transport naar Reading Goal, hoewel in Londen avond aan avond, in twee theaters tegelijk, zijn geestige toneelstukken voor volle zalen werden opgevoerd, waarbij zijn naam als auteur op de affiches was zwartgemaakt.’ 

    Erudiete passages

    Deze passage is L.H. Wiener ten voeten uit. Hij rijgt op bijna achteloze wijze allerlei anekdotes die op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken hebben op een bijna vanzelfsprekende manier aan elkaar. Zo wemelt het in Zeeangst van de literaire terzijdes. Vooral Malcolm Lowry die Under the volcano schreef, blijkt een belangrijke invloed op L.H. Wiener te hebben. Ook veel andere schrijvers komen voorbij, waaronder Frans Kellendonk. Zeeangst werkt vooral erg goed doordat de schrijver allerlei erudiete passages over literatuur, geschiedenis en cultuur afwisselt met de nodige zelfspot en zijn oog voor het vrouwelijke schoon dat hij tijdens deze reis tegenkomt. Het maakt het lezen van Zeeangst tot een bijzonder aangenaam tijdverdrijf, waarbij de lezer veel te weten komt over zeilreizen, literatuur en de rare gewoontes van de Britten.

     

     

  • Oogst week 29 – 2020

    Suikerbastaard

    Jaap Frederik Scholten (1963) is een echte romancier en woont sinds 2003 in Hongarije waarover hij jarenlang columns schreef voor het NRC. In 2011 won hij de Libris Geschiedenis Prijs voor Kameraad Baron, een verslag van de gevolgen van het communisme voor de Hongaarse aristocratie in Transsylvanië. In 2014 verscheen Horizon City en dit jaar zijn meest omvangrijke roman Suikerbastaard.

    Hoofdpersoon Frederik vertrekt met zijn jeugdliefde Mila naar Ethiopië om het verleden van zijn grootvader te achterhalen en Mila gaat op zoek naar haar vader, die voor Frederiks grootvader in Ethiopië werkte en nooit terugkwam naar Nederland. Deze grootvader was leidinggevende bij een internationale machinefabriek die machines leverde om suikerfabrieken in Ethiopië te laten bouwen.

    Niet alleen Frederik en Mila vertellen een verhaal: ook hun families en de Twentse jongens die in de jaren vijftig en zestig voor drie jaar naar Ethiopië vertrokken, maken deel uit van deze grootse roman.
    Suikerbastaard is een mengeling van feit en fictie en werd uitgeven in een samenwerkingsverband tussen AFdH Uitgevers en Uitgeverij Pluim.

    Suikerbastaard
    Auteur: Jaap Scholten
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim en uitgeverij AFdH

    Houd afstand, raak me aan

    Onlangs verscheen er nog een publicatie als reactie op de coronacrisis: de Vlaamse hoogleraar klinische psychologie en psychoanalyse Paul Verhaeghe (1955) richt zich in Houd afstand raak me aan op het leven na deze crisis. Hij pleit voor het maken van andere keuzes op het gebied van economie, milieu, omgang met elkaar en onderzoekt welk effect dit heeft op onze mentale gezondheid.

    Paul Verhaeghe publiceerde ruim tweehonderd artikelen en verschillende boeken. Met Liefde in tijden van eenzaamheid (1998) brak hij door naar een algemeen en internationaal publiek. In zijn werk is de wisselwerking tussen de maatschappij en het individu een terugkerend thema. Houd afstand raak me aan bevat een hoopvolle boodschap: de coronacrisis biedt een kans voor verandering, het leven na de crisis kan beter worden dan het leven daarvoor.

     

    Houd afstand, raak me aan
    Auteur: Paul Verhaeghe
    Uitgeverij: Bezige Bij

    De man van nu

    Sara Berkeljon (1982) werkt bij De Volkskrant en maakt al negen jaar portretterende interviews voor Volkskrant Magazine. Het viel haar op dat ze meer mannen interviewde dan vrouwen. In De man van nu zijn twintig van haar beste interviews met mannen gebundeld. De interviews geven een beeld van hoe de ander zich door het leven slaat. Voor haar is een goed interview een portret dat door iedereen anders gelezen wordt: ze is tevreden wanneer de ene lezer de geïnterviewde sympathiek vindt en de andere lezer huivert van afschuw.

    De man van nu gaat uit van de stelling dat de man zichzelf opnieuw moet uitvinden. De interviews geven de lezer de kans om zelf een oordeel te vellen over zowel de geportretteerde personen als over mannen in het algemeen.

    De man van nu
    Auteur: Sara Berkeljon
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Oogst week 27 – 2020

    De hel en andere bestemmingen

    Madeleine Albright (1937) werd in 1997 de eerste vrouwelijke minister van Buitenlandse Zaken onder Bill Clinton. Ze was lid van de Nationale Veiligheidsraad en ambassadeur voor de VS bij de Verenigde Naties. De hel en andere bestemmingen zijn haar memoires van 2001-2019.

    Toen Albright in 2001 terugtrad als minister van Buitenlandse Zaken, werd haar gevraagd hoe zij herinnerd wilde worden. Haar antwoord: ‘Ik wil niet herinnerd worden, ik ben er nog steeds en ik wil dat elke fase van mijn leven spannender is dan de voorgaande.’

    Sinds die tijd houdt ze zich bezig met schrijven, lesgeven, reizen, lezingen geven, strijden voor democratie, opkomen voor vrouwen, campagne voeren voor politieke kandidaten en haar kleinkinderen. Ze is een strijder pur sang en met haar schrijven geeft ze een stem aan miljoenen mensen die respect verdienen, ongeacht hun gender, achtergrond of leeftijd.

    Volgens de uitgever is Madeleine Albright op haar best in dit boek: ‘openhartig, grappig, persoonlijk en serieus’.

    De hel en andere bestemmingen
    Auteur: Madeleine Albright
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    De dagen

    Willem van Toorn (1935) heeft een lange staat van dienst als roman- en verhalenschrijver, dichter en essayist. Daarnaast schreef hij de biografie van Emanuel Querido, de grondlegger van Uitgeverij Querido. 

    Onlangs verscheen van hem de dichtbundel De dagen bij uitgeverij Querido. Een bundel met heldere gedichten die hun oorsprong vinden in alledaagse ervaringen en waarnemingen. Van Toorn woont een groot deel van het jaar in Midden-Frankrijk, de dagelijkse werkzaamheden daar – zoals houthakken voor de winter, omgang met eeuwenoud gereedschap, het overtrekken van kraanvogels, krijgen soms een plaats in zijn poëzie. Weer andere gedichten ontstaan uit confrontaties met de dood, zo is daar de aanwezigheid van een overleden vader, de herinneringen van Dora Diamant aan Franz Kafka, en het delven van een graf voor een kleine hond.

    Voor zijn poëzie ontving Willem van Toorn de Jan Campertprijs, de Herman Gorterprijs en de A. Roland Holst-penning 2000.

    In het juryrapport van die laatste prijs: ‘Willem van Toorn ergert zich aan het feit dat mensen betrekkelijk machteloos staan tegenover een voortdurend veranderende samenleving, die helaas ook steeds onpersoonlijker wordt, die ons haar regels oplegt en ons een bestaan laat leiden dat we niet zelf hebben gekozen. […] Dit is wat Van Toorn bezighoudt. De melancholie om het verval, de liefde voor het landschap, het ironisch geamuseerd zijn, het meegevoel, het verlangen om iets vast te houden in taal […] De taal overleeft.’ 

    De dagen
    Auteur: Willem van Toorn
    Uitgeverij: Querido

    Zeeangst

    Als jongetje van dertien was schrijver L.H. Wiener bijna verdronken, of zoals hij het zelf zegt, had hij, ‘het verdrinkingsproces zo goed als geheel ondergaan.’ Deze gebeurtenis heeft de zee tot zijn vijand gemaakt, die aldus bestreden moet worden. In zijn logboek Zeeangst doet Wiener daar verslag van. Wiener maakte als schipper met zijn vriendin en hun poes een zeiltocht langs de Engelse zuidkust en het eiland Wight.

    Naast een logboek is het ook een scheepsjournaal van een schrijver die een glas whisky brengt naar het graf van Malcolm Lowry, een saluut brengt aan Virginia Woolf. Inzake de poes die meevaart, spreekt de schrijver ook Paul Leéautaud nog aan.

    Achterin is een mooie lijst met zeilbegrippen opgenomen, zoals: ‘zeemijl – nautische afstandsaanduiding: 1.852 meter’. Dat maakt het meevaren als lezer inzichtelijker.

    Zeeangst
    Auteur: L.H. Wiener
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Een brief

    Een brief

    Vorige week zondag was Jaap Scholten op de radio. Ik lees zijn verhalen, zijn eerste boek. Mooie verhalen die goed beginnen met, ‘Het regende en het regende.’ Of ‘Vanuit de trein zag ik een schaap. Of ‘Een paar weken geleden ben ik op een avond bij Louise binnengevallen.’ Ze gaan nergens over, toch ook weer over van alles. Zoals een goede brief. Waarvan elke zin je nieuwsgierig maakt naar de volgende, wat de schrijver je wil vertellen, wat hem overkomen is.

    Op de radio vertelde Scholten over het ontstaan van zijn nieuwe roman Suikerbastaard. Hoe er vijf jaar geleden in Deventer na een lezing over Horizon City, een man naar hem toekwam. Hem vertelde dat machinefabriek Stork uit Hengelo in de jaren vijftig in Ethiopië suikerfabrieken had gebouwd. Dat daar veel bastaardkinderen rondlopen, die, zoals daar gebruikelijk, de voornaam van de vader als achternaam kregen. Zijn grootvader Frans Stork leidde de machinefabriek Stork in Hengelo, was in Ethiopië geweest. De man wist dat er drie kinderen met de achternaam Frans, waren. ‘Dat was voor mij het startpunt om dit uit te gaan zoeken en een roman te schrijven.’ 

    Eenmaal in Ethiopië bleek het zoeken naar die kinderen geen doen. Zijn onderzoek richtte zich op de suikerfabrieken, het leven van de Nederlandse jongens die daar gewerkt hebben. Daar naartoe gehaald door Keizer Haile Selassie van Ethiopië, die in 1942 Koningin Wilhelmina in Londen had ontmoet, de contacten waren gelegd. Voor de bouw van deze fabrieken werden jongens van de Storkfabriek in Hengelo geronseld. Jonge jongens, ongetrouwd. Bleven er drie jaar, hadden een eigen huisje, een motor, een zogenaamde tuinboy, vrijheid.

    Begin dit jaar was de schrijver op het festival Lutterzand Literair. Op een zaterdagmiddag gaf hij drie maal een lezing over Suikerbastaard, dat in de afrondende fase zat. Eenzelfde verhaal werd drie keer verteld. Ik was een van de gastvrouwen. Goeie verhalen kun je niet genoeg horen. Tussendoor regelden we glaasjes water, ordenende stoelen, lieten een nieuwe stroom bezoekers binnen. Na afloop kregen we van de schrijver een kopie van een brief die in 1959  per Air Mail verstuurd was vanuit Djibouti, Ethiopië, naar Hengelo (O), Holland. Een brief van een van die jongens, de hoofdpersoon uit Suikerbastaard, aan zijn meisje. Een fijne attentie, een brief van vier kantjes met pen beschreven. Hierbij een fragment, een schets van de omgeving van de jongeman in Djibouti.

    ‘Ik zit onder de bogen van Hotel des Arcades (hier is schaduw) en heb het eerste al genoteerd. Ik denk niet dat ik je elke dag kan schrijven maar ga wel proberen zoveel mogelijk. Doe jij dat ook Mon chérie? Dit heb ik vandaag voor jou in het dagboek opgeschreven: bougainvillea palmen […] rioolstank lepralijders mensen met horrelvoeten gezwellen kinderen op blote voeten geen last van de kiezels vrouwen in gewaden soldaten van vreemdelingenlegioen keppies brede lege straten witte gebouwen met platte daken afgeronde kantelen de markt chaos kriskras paardenkarren dromedarissen takkenbossen op de flanken koopwaar op de zandvlakte armoede. Telegramstijl zo ga ik dat doen. Dan kan ik alles voor jou onthouden.’
    Een pracht brief, ondertekend met, ‘Honderd kussen en lieve pakkerds, Je Rinus’.
    Het moet wel een kanjer van een roman zijn geworden.

     

    Suikerbastaard / Jaap Scholten / AFdH Uitgevers|Uitgeverij Pluim / verschijnt 28 mei
    Luister hier het radiofragment bij OVT VPRO


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft nog steeds thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Dialogen met de duivel

    Dialogen met de duivel

    De eerste roman van Hannah van Binsbergen (1993) heet Harpie, naar het gelijknamige hoofdpersonage dat al even bijzonder is als haar naam. Van Binsbergen was al eerder zichtbaar in de literaire wereld: met haar eerste dichtbundel Kwaad gesternte won ze in 2017 de VSB-poëzieprijs. Zij was de jongste dichteres die deze prestigieuze prijs won. 

    In Harpie staat een jong en knap meisje centraal dat zich in een isolement bevindt. Ze maakt haar post niet open en bekommert zich evenmin over de stapel beschimmelde borden die in een teiltje in de hoek van de kamer staat. Wat echter het meest in het oog springt zijn de gesprekken die ze al vanaf de eerste pagina voert met iemand die zij afwisselend Lucifer en Satan noemt. 

    Satan en de dood

    Het uiterlijk van dit personage varieert van ‘een grappig mannetje […], een klein bloedduiveltje met zwarte schubben en prachtige gouden paddenogen’ tot een vertrouwenwekkende vijftiger, gekleed in een ‘geruit overhemd met wiebertjesspencer’. Naarmate het verhaal vordert, ontwikkelt dat enige wezen met wie Harpie nog echt contact heeft zich tot een therapeutisch aandoende stem, die fungeert als een soort alter ego. Harpie blijkt gekweld te worden door de continue gedachte om er ‘een eind aan te maken’ en ze reflecteert op die gedachte door daarover in gesprek te gaan met Satan. Het boek begint als volgt:

    ‘Als je lang genoeg naar een plas bloed kijkt, zul je zien dat er een gat ontstaat, een portaal naar een andere wereld. Haar handen trilden niet maar lagen open en verbaasd op tafel.
    Je zou kunnen overwegen om iets op de muur te schrijven met dat bloed, lijkt dat je niet dramatisch?
    Bek houden, daar weet jij niks van.
    Kom op, kind, als er een moment in je leven is dat je het je kunt veroorloven om een beetje reflectief te zijn, dan is het wel tijdens je zelfmoord.
    Ik ben geen zelfmoord aan het plegen.
    Wat, in de naam van de heilige tering, ben je dan aan het doen?’

    Receptioniste en callgirl

    De toon is vanaf de eerste bladzijde gezet omdat de vragen naar aanleiding van deze heftige en bloederige eerste scène over elkaar buitelen. Wat is er aan de hand? Met wie wordt deze monologue intérieur als dat het al is gevoerd en wat is de functie ervan? Vervolgens komt het boek helaas tamelijk traag op gang. De tweeëntwintigjarige Harpie blijkt een zielig vereenzaamd meisje dat is opgehouden met haar studie. Ze is broodmager, heeft een stukgelopen relatie achter de rug en voelt zich vrijwel niet meer in staat om haar huis te verlaten; voor haar redenen genoeg om zelfmoord te overwegen. Omdat de rekeningen zich ondertussen opstapelen en omdat ze haar ouders niet de illusie wil ontnemen dat ze zich in haar eentje prima redt in de grote stad, neemt ze zich wat pragmatisch voor om tot haar volgende verjaardag toch te proberen iets van het leven te maken en haar zelfmoordplannen voorlopig in de ijskast te zetten. 

    Ze gaat naar een uitzendbureau en krijgt voor overdag een simpel en slecht betaald baantje als receptioniste aangeboden. Daarnaast verdient ze ’s avonds en ’s nachts aanzienlijk meer geld met haar baantje als luxe callgirl. De beschrijvingen van de handelingen die ze verricht met haar klanten zijn voor de lezer vaak huiveringwekkend, alhoewel Harpie zelf weinig moeite lijkt te hebben met wat er van haar verwacht wordt. Terwijl ze zich gewillig schikt naar de soms perverse wensen van haar cliënten bedenkt ze bijvoorbeeld dat ‘kledingrichtlijnen voor escort tamelijk dicht bij die voor receptioniste [blijken] te staan’. Van Binsbergen heeft een prettig lezende, droogkomische manier van schrijven. De apotheose waarmee het boek eindigt doet wat kluchtig aan.

    Duiding

    De auteur geeft haar lezers veel vrijheid in de interpretatie van haar debuut. Een aantal thema’s wordt losjes geschetst, het is aan de lezer om er verder mee aan de slag te gaan. Er lijkt een strijd aan de gang tussen goed en kwaad in Harpie, maar net als in het echte leven is niets helemaal zwart of wit. Filosofische beschouwingen worden afgewisseld met vrij platvloerse beschrijvingen van seksuele handelingen. De gesprekken met Satan krijgen steeds meer het karakter van therapeutische sessies, of doen denken aan schizofrenie of een meervoudige persoonlijkheidsstoornis, maar het ontbreekt de lezer aan houvast om het hoe en waarom ervan te doorgronden. Veel vragen die tijdens het lezen opborrelen worden niet of onvoldoende beantwoord. 

    Het zou prettig zijn geweest als er door de schrijfster meer duiding gegeven zou zijn aan bijvoorbeeld het feit dat Harpie een nakomertje was in het gezin waar ze opgroeide, aan de redenen van de verbroken relatie met Albert en aan de relatie met haar broer. Enerzijds wijst de schrijfster in een bepaalde richting door te vermelden dat Harpie is opgegroeid in Helmond, dat haar achternaam Poelgeest is, dat haar broer Joris heet en door te verwijzen naar De hel van Dante. Anderzijds blijft het onduidelijk wat de toegevoegde waarde is van de gesprekken met Satan aan het verhaal, waardoor het karakter van Harpie ergens tussen meelijwekkend en irritant komt te zweven. Dat Van Binsbergen kan schrijven heeft ze zeker bewezen, maar de pluri-interpretabiliteit van poëzie geeft in het proza van deze kleine roman de lezer onvoldoende vaste grond onder de voeten.