• Oogst week 25 – 2023

    Veelvuldig en alleen

    Voor Veelvuldig en alleen maakte schrijver en wiskundige Anjet Daanje foto’s van rotspartijen en tekende ze plattegronden, van het verzonnen dorp waar het verhaal zich afspeelt, van het kasteel waarin hoofdpersoon Daan verblijft, van zijn kamer. Dat laat zien hoe grondig zij te werk gaat bij het schrijven van romans en scenario’s, wat ze al sinds de jaren tachtig doet. Met De herinnerde soldaat (2019) kreeg ze grote bekendheid en sinds Het lied van ooievaar en dromedaris (2022) een bestseller werd, mag voor velen duidelijk zijn hoe ingenieus haar romans (en scenario’s) in elkaar zitten.

    Veelvuldig en alleen werd voor het eerst uitgegeven in 2003. Het handelt over Daan, die zeven jaar eerder een beslissing nam waardoor er iets vreselijks gebeurde. Vanaf die tijd ligt hij in bed en ontvangt vrienden aan wie hij het graag doet voorkomen alsof de reden daarvoor een intellectuele oorsprong heeft. De vrienden vertellen hem over de vroegere gebeurtenissen, Daan piekert. Hoe betrouwbaar zijn hun aller herinneringen?
    ‘Als hij zich nu voorstelt hoe hij daar loopt, met de zelfverzekerde, ferme passen die voor Floors ogen zijn bedoeld, de zebragestreepte handdoek om zijn nek, voelt hij een verlamd, opstandig medelijden. Het is alsof hij naar een onwetend kind kijkt en niets kan ondernemen om te verhinderen dat het straks over een boomwortel zal struikelen. De vijftienjarige Daan is hopeloos onnozel. Hij zoekt zijn vrienden bij de zee waarin een van hen vier dagen later zal verdrinken, maar hij voelt het niet aankomen.’
    Daanje laat in dit verhaal de waarheid vele gezichten hebben en schuld vele verschijningen.

    Veelvuldig en alleen
    Auteur: Anjet Daanje
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim 2023

    Kwade wind

    Kaouther Adimi (Algiers, 1986) ontdekte tussen haar vierde en achtste levensjaar het plezier van het lezen. Ze woonde op dat moment met haar familie in Grenoble. In 1994 keerde ze terug naar Algerije, waar toen een religieuze burgeroorlog tussen de Algerijnse overheid en gewapende islamitische groeperingen woedde. De mogelijkheden om te lezen waren beperkt, reden waarom Adimi zelf maar verhalen begon te schrijven. Ook tijdens haar studies literatuur en hrm schreef ze. Met haar verhalen en novellen won ze vele prijzen. Sinds 2009 woont en werkt ze in Parijs. De boekhandel van Algiers verscheen in 2017 en werd in 2021 in het Nederlands uitgegeven. De roman werd alom geprezen. Dagblad Le Figaro ziet Adimi als het nieuwe wonderkind van de literatuur.

    Nu is daar Kwade wind, waarin bijna een eeuw Algerijnse geschiedenis aan bod komt; van de kolonisatie tot aan de burgeroorlog. In de jaren twintig zijn twee jongens en een meisje in een Algerijns dorp goede vrienden. De jongens, Tarek en Saïd, zijn beide verliefd op Leila. Zij wordt jong uitgehuwelijkt, de rijke Saïd gaat in het buitenland studeren en Tarek wordt herder. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog moeten beide mannen naar het front.
    Als Tarek terugkomt ontmoet hij Leila, die dan gescheiden is en een zoon heeft, opnieuw en trouwt met haar. Hij werpt zich in de strijd voor onafhankelijkheid en keert terug naar Europa omdat hij in eigen land geen werk kan vinden. Saïd is schrijver geworden en publiceert een roman, met grote gevolgen voor Tarek en Leila.

    Kwade wind
    Auteur: Kaouther Adimi
    Uitgeverij: Uitgeverij Ambo⎪Anthos 2023

    Een tafel bij het raam

    In de tweede roman van Mirthe van Doornik is chef-kok en ik-personage Alp het liefst alleen in de keuken van zijn restaurant dat een tragische geschiedenis achter zich heeft. Koken is niet direct zijn passie. Hij heeft zich op het restaurant gestort om te ontkomen aan de zorg voor zijn ouders. De gasten en de rest van de buitenwereld interesseren hem niet echt. Zijn aandacht is bij het koken, bij recepten, zijn to-dolijstjes en de zorg voor het op tijd klaar zijn van zijn menu’s. In de warme zomer kampt hij ook nog eens met te weinig personeel en is genoodzaakt om voor de bediening de afwasjongen in te schakelen. Een eenling, net als hijzelf.

    Plastisch, zwartkomisch en fijngevoelig beschrijft Van Doornik de gebeurtenissen rondom Alp. ‘Nooit eerder had ik muizen gehad. Het was een dik, traag beestje, absoluut een muis voor beginners, maar ik had geen idee hoe ik het moest aanpakken. (…) Er zijn veel dierenhemelen waar ik zelf ook niet meer aan kan kloppen. Piepende kreeften in mijn pan, soms nog stuiptrekkend op de grill. Niet in de kreeftenhemel, niet in de hertenhemel, geen hemelse velden waar lammetjes grazen. Ik ben er nooit helemaal onverschillig over geweest.’ Mens en dier komen in Een tafel bij het raam aan bod, net als eenzaamheid, erkenning en verzet. Hoe moet Alp tegemoetkomen aan de steeds buitenissigere wensen van de gasten? Hoe moet hij met teruglopende reserveringen het restaurant laten voortbestaan?

    Een tafel bij het raam
    Auteur: Mirthe van Doornik
    Uitgeverij: Uitgeverij Prometheus 2023
  • Feminisme avant la lettre?

    Feminisme avant la lettre?

    Jente Posthuma studeerde Frans en Literatuurwetenschap en werkte als journalist voor onder andere De Groene Amsterdammer, NRC Next en De Volkskrant. Haar boek Waar ik liever niet aan denk uit 2020 kreeg lovende recensies. Posthuma kreeg de vraag om oude heksenverhalen uit Overijsselsche sagen uit 1914 te hertalen in modern Nederlands. Het werden er drie, nu gebundeld in dit boek, aangevuld met een essay waarin ze probeert verbindingen te leggen tussen hedendaags feminisme en de heksenvervolgingen in de Middeleeuwen en later.

    Wat is dat toch met heksen? Op het moment dat deze recensie geschreven wordt, legt Susan Smit, ook schrijver en zelfverklaard heks, bloemen op de Dam voor de slachtoffers van de heksenvervolging. Er wordt gepleit voor een nationaal monument. Twee dagen later verschijnt een artikel in de Volkskrant waarin staat dat heksenvervolgingen in Europa zeker aan 16.000 mensen het leven kostten. Het artikel bevat een tijdlijn, een kaart van Europa en een opsomming van de plaatsen in Nederland waar de meeste heksen werden geëxecuteerd. Schiedam, dat begin dit jaar een heksenmonument oprichtte, spant de kroon in Nederland, in Europa is Duitsland kampioen heksenverbranding.

    Stereotype

    Historici hangen twee verschillende theorieën aan over de vervolging van heksen. Een deel stelt dat heksen vaak werden aangewezen als zondebok voor onverklaarbare natuurverschijnselen, anderen beweren dat de kerk heksen verbrandde om ongelovigen te overtuigen, vooral op plekken waar de katholieke kerk botste met de protestantse. Heeft het met de tijdgeest te maken dat we onafhankelijke en sterke vrouwen eren?

    Hoe dan ook, Posthuma beweert in haar boek dat heksen het stereotype waren van zelfstandige vrouwen, of vrouwen die te lelijk, te oud, te knap, te verleidelijk waren. Ze schrijft ‘[…] Vrouwen die lazen. Vrouwen die niet wilden trouwen. Kinderloze vrouwen. Vrouwen die hard praatten. Vrouwen die genoten van seks. Vrouwen die erg aanwezig waren. Vrouwen die zich vaak terugtrokken. Vrouwen die zelden de mis bijwoonden. Vrouwen die altijd de mis bijwoonden. Vrouwen met een bleke huid. Vrouwen met een donkere huid. Vrouwen met veel moedervlekken. Vrouwen die hun intuïtie gebruikten. Vrouwen met een karakter.’ Oftewel: vrouwen voor wie mannen bang waren of die ze niet aan konden. Slimme, onafhankelijke, sterke vrouwen: mannen in de Middeleeuwen gruwden daarvan. Posthuma vindt dat heksen aan een vorm van herwaardering toe zijn. Het waren juist niet de vrouwen die de slechterik waren.

    Drie oude sagen

    De drie sagen die Posthuma in dit boek een moderne versie gaf, zijn ruim inwisselbaar voor allerlei andere verhalen over heksen, kobolden, witte wieven en wat je nog meer hebt. Waarom ze juist voor deze drie koos, is niet helder. Ze lijken willekeurig gekozen. Wat Posthuma ermee doet is ze een modern tintje geven. Heksen zijn vooral slachtoffer in de oude verhalen. Posthuma geeft ze een aantal kenmerken waardoor ze meer voor zichzelf opkomen dan in de oorspronkelijke versies. Mannen zijn de boosdoeners in de drie verhalen en zijn in deze bewerkingen uiteindelijk de onderliggende partij.

    Posthuma brengt een soort doorlopende lijn aan in de verhalen die oorspronkelijk los van elkaar staan. Ze laat daarmee als het ware een vorm van solidariteit ontstaan tussen de als heks aangemerkte vrouwen. En die solidariteit zou je weer kunnen zien als een pre-moderne versie van wat we nu feminisme noemen. De vrouwen worden gerehabiliteerd en dat is mooi, maar de draai die Posthuma eraan geeft, heeft weinig te maken met de oorspronkelijk moralistische lessen die de oude sagen aan de Middeleeuwer mee wilde geven. Van dat moralisme blijft in deze versies weinig over. Posthuma’s prettig leesbare taal sluit daar niet bij aan. Het wordt vaak gemaakt grappig. De verhalen zijn gemakkelijk en leuk om te lezen, en daarmee is er dan ook bijna alles over gezegd. De anekdotische waarde overstijgt niet de boodschap, mocht die er in zitten.

    Essay

    Het essay dat in dit boekje is opgenomen heet ‘Trut’, waarmee Posthuma verwijst naar een columnist en enkele deskundigen en wetenschappers met een mening over de berichten en theorieën die over heksen en heksenvervolgingen de ronde doen. Later nuanceert ze deze benaming overigens weer. ‘Wie ben ik om Elma Drayer een trut te noemen?’ In het essay probeert ze de lading die ze in de verhalen voorzichtig aanbrengt wat door te trekken: vrouwen moeten meer voor zichzelf opkomen, zijn nu nog te vaak slachtoffer en daar kunnen ze en moeten ze zelf wat aan doen: kom op voor jezelf! Ze windt zich, zeer terecht, op over hoe vrouwen sinds mensenheugenis zijn neergezet. Er worden verbindingen gelegd met emancipatie, feminisme en masculiene overheersing, maar wat ze nu eigenlijk wil zeggen over hoe het allemaal wel moet en hoe we daar een rol in kunnen en moeten spelen, is totaal niet duidelijk. Is dat wellicht de achtergrond van de hedendaagse heksenverering of heksenwaardering? Moet de moderne vrouw meer heks zijn? En wat dan met de man?

    In dit essay speelt Posthuma’s vader een rol, wellicht om er wat meer inhoud aan te geven. Hij probeert haar duidelijk te maken dat ze niet boos moet zijn. Over zichzelf zegt hij: ’Boosheid is misschien niet mijn meest voor de hand liggende emotie’, waarop zijn dochter zegt: ‘Wat goed.’ ‘Ja,’ antwoordt hij, ‘maar het is niet zo dat ik me nu ineens bevrijd voel, hoor.’
    Een essay heeft een doel nodig: wat wil ik als schrijver bereiken en duidelijk maken? Dat doel ontbreekt hier.

     

     

  • Op drift geraakt

    Op drift geraakt

    Dichter, componist en dirigent Micha Hamel wordt in 2009 met een psychose in een psychiatrische kliniek opgenomen. Als het dagelijkse vreemd wordt en tekens en symbolen betekenis verliezen wordt zijn omgeving tot een zone. Een neutrale plek waar vrijelijk geassocieerd kan worden in alle richtingen. Dit levert bijna mythologische beelden op van leeuwen, makrelen en paarden terwijl Hamel zijn geest weer terug moet vinden. De neerslag hiervan lezen we in zijn nieuwste bundel is daar iemand.

    Het verwoorden van waanzin gebeurt niet vaak vanuit degene die de psychose meemaakt omdat er iets onvertaalbaars in die ervaring zit. Wouter Kusters deed een poging in Pure waanzin en Myrthe van der Meer beschreef het leven van een psychiatrische patiënt in Paaz en Up. Maar meestal gebeurt dat met de klinische blik van de psychiatrie die daar dan gelijk een etiket op plakt.

    De poëzie leent zich goed voor het conventieloze taalspel. Hamel verwoordt de topografie van angst en de ontregeling die ontstaat als je op drift raakt, door bijvoorbeeld alle woorden uit de eerste zes gedichten alfabetisch te ordenen. De verspringende regels representeren de eerste en derde persoon die chaotisch door elkaar praten. Uit het belanden in een andere zijnstoestand resulteert een storm van beelden. De interne structuur van dit magische denken reflecteert zijn psychische gesteldheid en leidt tot diepgaande observaties. Daardoor ontstaat een elastisch oprekken van begrippen waar de zieke ziel tussen patiënten dwaalt, vazen kleit en wandelingen maakt.

    Dit resulteert soms in absurde beelden die het verblijf in de inrichting beschrijven: ‘zijn mond beweert in isolaat voorzeker dit / is de laatste keer dat ik leef en de eerste / keer dat ik met mijn bazuin onder de arm ga / auditeren voor de blaaspoep der hemelingen’. De fase van controleverlies verloopt als een afrafelen en uiteenvallen van grenzen en plaatsen. Op het ene moment uit Hamel zich in vrij vormelijke gestileerde gedichten en gaat dan in alledaagse taal verder over belevenissen met medepatiënten. Opmerkelijk is ook dat niemand in de inrichting namen heeft in het begin van de bundel maar daarna iedereen bij naam wordt genoemd.

    Koortsdroom

    In koortsachtige zelfgesprekken lijkt het ik van Hamel telkens te verspringen. De typografie reflecteert de gespletenheid van het ego. Door dit heen en weer springen lijkt het soms of het verhaal net als de werkelijkheid van Hamel op losse schroeven staat. Zonder conventies wordt de identiteit onzeker. De dokters of het personeel bieden een onderzoekende en keurende blik van buiten: ‘ijverige wetenschappers / kijken mijn geraamte uit’. Zo ontstaat er een polyfone keur aan stemmen, van binnen en buiten. Hamel moet zijn geest weer bij elkaar grabbelen en dit geeft soms aanleiding tot momenten van diepe wanhoop, maar ook een vorm van extase en inzicht.

    In het neutrale middenveld van de zone zoekt hij naar zingeving. God moet ook in therapie, en de verlosser is zijn sandalen kwijt. Alles vervloeit in deze open speelruimte. De feitelijke taal die diagnoses constateert en oordelen uitspreekt over vooruitgang werkt vervreemdend. ‘wordt vervolgd is de diagnose.’ Voor anderen ben je in zo’n omgeving een geval om te bespreken, of aanleiding tot gegniffel om een dossier. Ironisch genoeg is er ook een vorm van muziektherapie waar de dirigent wordt gedegradeerd tot de rol van xylofoon. Het perspectief op de toekomst vervaagt en beter worden wordt een opdracht. Er zit ook veel ironie en zelfspot in de bundel: ‘we werken hier / op basis van vrijwilligheid / tot aan het moment van gewetenloze onderwerping / aan meerkeuzevragen’.

    Makrelen

    Iedere van de 101 ongenummerde pagina’s heeft een los gedicht, waarin de dichter soms met spreektaal en soms met abstracte metaforen zijn innerlijke reis beschrijft. De taal en logica doen soms denken aan de wereld van de droom. ‘merrie merrie merrie merrie / het leven is maar een droom’ Er wordt ook veel van vorm gewisseld in wat meer experimentele uitingen waar geknipt en geplakt wordt met de tekst zoals in het gedicht: ‘TAK-de peer knalt op zwart het hoofd / springt de donkere kamer in’. Waarna een zwart vierkant de regel afsluit. Of wanneer woorden uitgestrooid worden over de pagina zoals hier: ‘afscheur helwit / huichelende moker / gekarteld alarm / doodskop / koorzang’. De regel verspringt telkens een beetje naar voren of achteren, wat een soort Droste-effect oplevert.

    Er zit een zekere urgentie in de tekst, de diepte van de crisis die Hamel doormaakte klinkt erin door. Soms wijkt de lyriek wat meer af van het thema en geraakt in een soort tussenruimte waar paarden helend zijn en makrelen in holsters zitten. De makreel keert vaker terug en lijkt een metafoor te zijn voor de lege vissenogen die de dichter vaak ziet. Dit soort symboliek is typerend voor de droomlogica. Het buitenissige karakter van deze warrige beelden werkt als een soort taalroes ook lichtelijk bevreemdend op de lezer.

    Als het dan eindelijk wat beter gaat is er een grote opluchting te bekennen. ‘eindelijk klaar met klotevazen kleien / eindelijk in dat xylofoontje opgestegen / volgt mijn eerbiedige hymne uit het hart’ De weg naar huis wordt weer zichtbaar, wat een ontroerende scène oplevert. De dichter wordt tenslotte thuisgebracht op het einde van de bundel. ‘als een gekruisigde / brengen ze me thuis’ Na deze apotheose biedt het thuisland waar vrouw en kinderen wachten weer een veilige haven. Er lijkt zelfs sprake te zijn van een soort tweede geboorte. Op de grens tussen gek en normaal gidst Hamel ons op geheel eigen wijze het domein van zijn verbeelding in. Het levert een zeer persoonlijke bundel op met een heel eigen geluid.

     

     

  • Een stad als een verhaal

    Een stad als een verhaal

    ‘Woorden zijn de enige overwinnaars,’ luiden de laatste woorden van Pampa Kampana, de 247-jarige protagoniste van Victoriestad, de nieuwste roman van Salman Rushdie. Eindelijk is Pampa Kampana oud geworden en mag ze sterven.
    Victoriestad is een mythe van een mythe, of een mythe bovenop een mythe, zoals gecreëerd door Rushdie, opgeschreven door Pampa Kampana en selectief herverteld door de naamloze alwetende verteller. Dit is niet de eerste roman waarin Rushdie vrijelijk jongleert met geschiedenis en bestaande verhalen en personen, wel misschien een van de boeken in zijn rijke oeuvre met de meest opengewerkte constructie. Wat we lezen, waarschuwt zijn verteller keer op keer, is niet te vertrouwen, alleen te geloven.

    Mythe én geschiedenis

    Het verhaal van Pampa Kampana is gelijk aan de opkomst en ondergang van Vijyanagara, de hoofdstad van een Zuid-Indiaans rijk dat werkelijk heeft bestaan. Vijyanagara stond van halverwege de veertiende tot halverwege de zestiende eeuw op de grens tussen de huidige deelstaten Karnataka en Andhra Pradesh. De ruïnes van de stad zijn door Unesco erkend werelderfgoed en dragen nu de naam Hampi. De ‘victoriestad’, een letterlijke vertaling van Vijyanagara, ontstaat in Rushdie’s versie door de magische kracht van Pampa Kampana. Als haar grote liefde, de Portugese paardenhandelaar Domingo Nunes, over de naam struikelt en er Bisnaga van maakt, aarzelt zij niet de stad zo te hernoemen. Zo krijgt de mythische stad krijgt een naam, die berust op een verspreking: een even ludieke als veelzeggende ingreep van Rushdie.

    Alles wat eenmaal ontstaat, verdwijnt weer: zoals Bisnaga, kent ook het lange leven van Pampa Kampana meerdere cycli. Na de dood van Domingo Nunes volgt haar tweede roodharige Portugees, en als ook hij overleden is, nog een Venetiaan. Zij hebben een voor hun tijd gebruikelijk kort leven. Alleen Pampa Kampana leeft voort als de jonge vrouw die ze eens was, want de goden zijn aan haar kant en beschermen haar tegen ouder worden. Althans, tot het onvermijdelijke gebeurt en ook zij een grijsaard wordt, nadat ze haar zicht en daarmee haar magische krachten kwijt is geraakt.

    Liefde, samen met het verzet van Pampa Kampana tegen de naargeestige, door mannen en hun onvermogen overheerste samenleving, mag naast het onwrikbare vertrouwen in de kracht van het vertellen, gerust het hoofdmotief van het boek genoemd worden. Rushdie rekt het verhaal wijd en breed op, maar vaart en spanning zitten er eigenlijk alleen in het eerste deel. Die slordige honderd pagina’s zijn een weergaloze vertelling die alle natuurwetten teistert, overeenkomstig het ontembare karakter van Pampa Kampana. Daarna neemt het tempo af en volgen er passages die, hoewel nog steeds aardig, het niveau van het begin bij verre niet halen. Of dat daadwerkelijk de bedoeling van Rushdie is geweest, valt te betwijfelen, al is het idee dat hij met Victoriestad de kracht van de jeugd bezingt, misschien niet heel ver gezocht.

    Ingehaald door werkelijkheid

    Met de kennis van nu doet de blindheid van Pampa Kampana onheilspellend aan. In augustus vorig jaar, een paar weken nadat hij de drukproeven van Victoriestad had gecontroleerd, werd Rushdie net voor het begin van een openbare lezing aangevallen door een jonge moslim. Binnen een halve minuut stak hij de schrijver twintig keer met een mes. Ook in zijn rechteroog. Dat Rushdie de aanval overleefde, lag aan een gelukkig toeval. Zoals hij aan David Remnick van The New Yorker vertelt in het eerste interview dat hij vier maanden na de aanslag gaf, werd hij gered door een duim. Na dertig seconden kwamen omstanders in beweging en lukte het iemand zijn vinger op de bloedende slagader van Rushdie te leggen, terwijl ze wachtten op de helikopter die hem naar het ziekenhuis zou brengen.

    ‘Ik heb altijd gedacht is dat mijn boeken interessanter zijn dan mijn leven. Helaas lijkt de wereld anders te denken,’ zegt Rushdie tegen Remnick. De hetze tegen zijn persoon, met als culminatie de fatwa die op hem werd uitgeroepen na de publicatie van de roman Satansverzen, heeft zijn gevoel voor ironie niet kunnen aantasten. Hoewel hij zijn oog voorgoed kwijt is, blijvend moe is en niet weet of hij ooit nog een boek zal schrijven, is hij net zo strijdbaar als altijd.

    Dat wordt ook duidelijk in Victoriestad. De roman leest even goed als een bespiegeling op de huidige tijd: er zitten talrijke verwijzingen in naar de groeiende intolerantie in het India van premier Modi, een hindoenationalist, die de Indiase geschiedenis graag presenteert als één grote strijd tussen hindoes en anderen. De werkelijkheid is veel ingewikkelder en rommeliger, zoals overal. Ook in het hindoeïstische deel van India zijn er talloze voorbeelden van culturele invloeden en overnames van gebruiken, net zo goed van moslims en sikhs als van christenen, in werkelijkheid en in de roman.

    Als een van Bisnaga’s koningen, de eigengereide Krishnadevaraya, zich toont in een kostuum van noordelijke moslim-heersers, steken zijn toekomstige vrouw en schoonmoeder hun afschuw niet onder stoelen of banken. Een Zuid-Indiase koning hoort een bloot bovenlijf te hebben, laten ze hem weten. Op de achtergrond wrijft Pampa Kampana in haar handen van plezier: zij is de belichaming van tolerantie en culturele versmelting. En van vrouwenrechten. Trouwen doet ze alleen uit strategische overwegingen. Ze trouwt drie keer met drie koningen, waarvan de eerste twee, de broers Hukka en Bukka, geënt zijn op historische figuren: de eerste twee koningen van het Vijyanagara-rijk.

    Tijdelijkheid

    Rond haar tweehonderdste, tijdens de afwezigheid van Krishnadevaraya, haar derde en laatste echtgenoot, lukt het Pampa Kampana eindelijk haar ideale Bisnaga te creëren, met scholen voor meisjes, rijkdom, goederen uit alle windrichtingen en, vooral, ‘talen, die tot extatische hoogte werden verheven door de grote dichters die huizen om in te wonen en podia om op te spreken hadden gekregen.’ Die wensdroom van iedere literatuurbeminnende geest is helaas net zo kortstondig als al het andere in het leven – in het leven van gewone stervelingen althans – en als al het moois met een onverklaarbare droogte verdwijnt, is ook het leven van Pampa Kampana over.

    Victoriestad, misschien wel de laatste roman van Salman Rushdie, zit bol van plezier, het soort plezier waarvan Rushdie in het interview met David Remnick zegt dat het wat hem betreft best het uiteindelijke doel van alle kunst zou kunnen zijn. Hij laat zijn Pampa Kampana gelijk in het begin van het boek constateren dat als het leven te veel wordt, het tijd is dat de verbeelding het overneemt van de herinnering. Ondanks de oneffen kwaliteit van de hoofdstukken is Victoriestad een lust om te lezen, was het alleen al om de vele grappen en verwijzingen naar andere verhalen en personages uit alle tijden, tot en met – een spoiler – The Pirates of the Caribbean.

     

     

  • Oogst week 11 – 2023

    is daar iemand

    Bij het grote publiek is Micha Hamel bekend vanwege Maestro, een tv-programma waarin BN’ers orkesten dirigeren. Met wisselend succes. Zijn eigen succes is allesbehalve wisselend. Als componist verzorgt hij wereldwijd muziekvoorstellingen en hij is sinds 2015 voorzitter van de werkgroep Kunst en Wetenschap voor de KNAW. Ook als dichter heeft hij zijn sporen verdiend. Zo werden zijn poëziebundels Alle enen opgeteld en Bewegend doel beloond met meerdere prijzen. Hamels zesde bundel, is daar iemand, heeft een GGZ-instelling als decor.

    In 2009 verkeert Hamel in een psychose, waarvoor hij wordt opgenomen in het ziekenhuis. Veertien jaar later vindt hij eindelijk de juiste woorden om die periode te verdichten. Zelf noemt Hamel is daar iemand een psychografie, het verhaal van een geest. Tijdens die wazige dagen bij de GGZ vormt de hoofdmaaltijd het enige hoogtepunt. Het ansichtkaart-zinnetje ‘het eten was er lekker’ keert geregeld terug in zijn 101 gedichten. Net als een paard, een leeuw en een makreel. Poëzie over waanideeën? Een waanzinnig idee!

    is daar iemand
    Auteur: Micha Hamel
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    De tedere verteller (essays)

    Olga Tokarczuk vermorzelt de superioriteitsgevoelens van westerse reizigers: ‘De toerist wil dat het exotisch is, maar niet té. Hij wil dat het authentiek is, maar wil onder geen beding afzien van zijn ochtenddouche. Hij wil een lichte huivering van emotie, maar niet in die mate dat hij er onrustig van wordt. Hij wil contact met de plaatselijke bewoners, maar niet dat het hem ergens toe verplicht en te serieus wordt.’ Zou I.L. Pfeijffer Grand Hotel Europa op Tokarczuks essays hebben gebaseerd? In De tedere verteller bewijst Tokarczuk dat de bevoorrechte mens geen échte empathie meer heeft, en hoe gevaarlijk dat is.

    Nederland schermt al jaren met zijn meest geëngageerde schrijver aller tijden: Eduard Douwes Dekker. Zijn Max Havelaar was zo’n oproep tot empathie, maar inmiddels doet die naam hooguit denken aan goeie koffie en ‘iets met Indonesië’. Dan heeft Polen met de Nobelprijswinnares van de Literatuur een serieuzere krachtpatser in huis. Tokarczuk krijgt het zelfs voor elkaar dat haar fictieve romanpersonages (Janina Duszejko) op echte spandoeken van demonstranten staan. Zij laat ons geloven dat literatuur de wereld inderdaad ten goede kan veranderen. Zolang we maar teder en kritisch durven te zijn.

    De tedere verteller (essays)
    Auteur: Olga Tokarczuk
    Uitgeverij: De Geus

    DealersDochter

    Astrid Roemer geldt als een grand dame van de Nederlandse literatuur. In 2016 en 2021 ontvangt zij respectievelijk de P.C.-Hooftprijs en de Prijs der Nederlandse Letteren voor haar gehele oeuvre. De laatste onderscheiding wordt met calvinistische soberheid toegekend vanwege haar openlijke steun aan Desi Bouterse. De Belgische koning woont de uitreiking niet bij. Als nasleep van deze affaire verschijnt nu DealersDochter anderhalf jaar later dan de bedoeling was. Gecanceld te worden, dat verdienen alleen middelmatige makers. Gelukkig maar.

    Roemers nieuwe roman volgt vijf personages wier levensloop wordt bepaald door hun geboortegrond: Suriname. Allen hebben zij zijdelings iets te maken met een personage uit Roemers roman Gebroken wit (2019). Via vervreemding, criminaliteit en racisme laat Roemer zien wat de gevolgen kunnen zijn van een zelf gekozen exodus. Bovendien zet Roemer de lezer aan het denken over hoe geschiedenis generaties lang doorwerkt in individuen. Kan iemand, wiens voorouders van continent naar continent zijn gesleurd, zich ooit ergens écht thuis voelen?

    DealersDochter
    Auteur: Astrid H. Roemer
    Uitgeverij: Prometheus
  • Oogst week 6 – 2023

    Victoriestad

    Salman Rushdie heeft juist deze week voor het eerst weer van zich laten horen sinds de aanslag op zijn leven augustus vorig jaar in een interview in de New Yorker. Veel over de aanslag en de aanslagpleger, een beetje over zijn nieuwste boek Victoriestad, dat voor de aanslag al geschreven was. Eigenlijk stond er een grote boektour gepland voor deze winter. Maar daar zal niks van komen. Zijn lichamelijke conditie is niet zo best. Hij is blind aan zijn rechteroog, zijn vingertoppen zijn gevoelloos. De grote vraag in het interview is of hij nog weer zal kunnen schrijven. Maar eerst is daar Victoriestad, een episch verhaal over een vrouw die een mythisch rijk tot leven ademt om er vervolgens in de loop der eeuwen door vernietigd te worden.

    In de nasleep van een veldslag tussen twee vergeten koninkrijken in het veertiende-eeuwse Zuid-India heeft een negenjarig meisje een goddelijke ontmoeting. Nadat haar moeder gedood is, wordt het negenjarige meisje Pampa Kampana een medium voor de godin die door de mond van het meisje begint te spreken. De godin verleent Pampa Kampana krachten die het begrip van het meisje te boven gaan en vertelt haar dat ze een rol zal spelen in de opkomst van een grote stad genaamd Bisnaga – letterlijk ‘victoriestad’ – het wereldwonder.

     

    Victoriestad
    Auteur: Salman Rushdie
    Uitgeverij: Pluim

    Een mens valt uit Duitsland

    De in 1908 in Berlijn geboren Kurt Lehmann vluchtte in 1934 naar Nederland. Daar verscheen bij Querido, in die tijd uitgever van emigrantenliteratuur, zijn boek Ein Mensch fällt aus Deutschland. Dat het boek hier werd uitgegeven had hij te danken aan Menno ter Braak, die bleef aandringen toen Querido het manuscript in eerste instantie had afgewezen. Lehmann schreef het boek  onder het pseudoniem Konrad Merz, waardoor de Duitsers ook lang niet wisten dat hij de auteur was. Merz verklaarde de titel als volgt: ‘Mijn vader is voor Duitsland gevallen [hij kwam om in de Eerste Wereldoorlog], zijn zoon is uit Duitsland gevallen.’

    Menno Ter Braak recenseerde het boek in 1936 in Het Vaderland en vergeleek Merz daarin met Heinrich Heine om hun beider vermogen om culturen met elkaar te verbinden. Het met Berlijnse humor geschreven Ein Mensch fällt aus Deutschland was volgens hem geschreven op de grens van twee landen: ‘Dat is ook de reden waarom men deze lotgevallen van een Duitser, die naar Nederland moet vluchten, beschouwen kan als een werk van Europese betekenis’.
    Er kwamen al snel Nederlandse vertalingen, maar de bekendste daarvan is de latere Een mens valt uit Duitsland van Lore Coutinho uit 1979. Van deze is nu een herdruk verschenen.

    Een mens valt uit Duitsland
    Auteur: Konrad Merz
    Uitgeverij: Cossee

    Ik zal alles verdragen, ook mezelf

    ‘Gisteren avond kreeg ik de mededeling dat mijn dochtertje, Raphaëla, overleden is. Het was haar geboortedag, want ze is op 3 januari 1947 ter wereld gekomen. Ik heb haar de naam gegeven van de schilder der idealen, van de zon en het licht, van de zoetste harmonie. Ze mocht niet lang bij haar moeder blijven, die geestesziek naar een gesticht voor zenuwlijders ging. Ik heb Raphaëla, dochter van mijn dromen, in een kinderkribbe moeten doen. Ze had haar eigen kleedjes niet meer. Ze werd een nummer en ze trok zo op mij, met haar grote, bange oogjes. En nu is ze gegaan, zonder een glimlach, zonder een glimpje liefde, gestorven in een vreemde wereld, verwelkt voor haar ontluiken. “Het is maar een wicht van drie maanden”, zegt men, “troost u dus”. Ik kan geen troost vinden, want met haar ging iets schoons en goeds van mezelf. De nacht heeft dit glimpje licht opgeslorpt, mij nu nog meer alleen latend.’

    Dit schreef Leopold Flam op 4 april 1947 in zijn dagboek. Flam (1912-1995) was een Belgische filosoof met een indrukwekkende bibliografie. Hij was kind van analfabetische joodse ouders en leerde zichzelf vanaf zijn achtste jaar in barre armoede in Antwerpen lezen. Hij overleefde Buchenwald en een werkkamp. Van 1925 tot 1957 schreef hij bijna obsessief brieven en dagboeken die zeer intiem zijn. Een selectie daaruit is door Kristien Hemmerechts en Guido van Wambeke uitgegeven in het lijvige Ik zal alles verdragen, ook mezelf. Ze leveren ook toelichtingen op de tekst.

     

    Ik zal alles verdragen, ook mezelf
    Auteur: Leopold Flam
    Uitgeverij: De Geus
  • Een geredde strook met verhalen

    Een geredde strook met verhalen

    De titel Rombo duidt op het verschijnsel dat zich bij aardbevingen bijna altijd voordoet. Het is een eigenaardig onderaards geluid dat bestaat uit een rollende klank en vaak wordt vergeleken met de donder. In Rombo vertelt de Duitse vertaler, schrijver en dichter Esther Kinsky over de Italiaanse regio Friuli die in 1976 zwaar geteisterd werd door twee aardbevingen.

    Verschillende lagen liggen in dit verhaal door elkaar, als na een aardbeving. Kinsky wisselt lenig tussen verschillende tijden, van toekomstdromen van vroeger tot het puin van na de aarbevingen. Zij zigzagt langs bergpaden en rivieren, over bergketens naar dalen en voert de lezer mee door het landschap en in de hoofden van dorpsbewoners. Dit verhaal is een landschap.

    Voorvoelde ramp

    Natuurkrachten vallen buiten de categorieën van goed en kwaad. De mens heeft niet steeds controle. Het zijn grote thema’s die Kinksy voortreffelijk weergeeft. ‘De mens met zijn twee benen op de grond, met zeis, hamer, zaag, fluit en viool, wordt het wanhopigste wezen van allemaal als de trillingen niet meer te negeren zijn.’

    Ook op metaniveau krijgen de zinnen betekenis. Wanneer Kinsky schrijft over aardlagen, aardverschuivingen en trillingen, lijkt ze het evenzeer over de menselijke psyche te hebben. De aardbeving als metafoor. Rombo komt niet alleen uit de diepere lagen van de aarde maar ook uit die van de geest. Degenen zonder talig bewustzijn, zoals de dieren, voorvoelden de ramp. De slangen kropen plots tot boven in het dorp en ‘De koekoek riep aan één stuk door, ’s ochtends al.’ Ook de vergeetachtige moeder is de dag voor de aardbeving onrustiger dan anders. Wat Kinsky in Rombo schrijft, grijpt je naar de keel. Kolossaal en wreed, ontroerend en poëtisch.

    De beschrijvingen van de landschappen zijn meesterlijk. ‘De rivier is vooral een bedding, een met het stijgen en dalen, het stromen en sijpelen van het water veranderend landschap van stenen, een grensgebied, dat zijn eilanden opwerpt en afgraaft, ranke wilgen neerplant en uitrukt, de oevers onderspoelt, uitspoelt, opbouwt en links laat liggen, tot ze zich hebben verlaagd tot vlakke tongen die het water in lopen, alsof ze op zoek zijn naar een nieuwe gedaante.’ Elders gaat het over een pijnbomenbos dat ‘donker en ernstig boven op de kam ligt’.

    In kleine stukjes, brokstukken geklemd tussen het getormenteerde landschap en encyclopedische kennis, doen zeven bergbewoners hun verhaal. Elk heeft een eigen stille stem. Ze zijn geitenhoeder, of vrouwen die look verbouwen of konijnen kweken. Een meisje van wie de flamboyante moeder aan zee is gaan werken, een dochter die voor haar moedertje zorgt. Gewone dorpsbewoners. Esther Kinsky opent het hoofd van de getroffenen, kijkt door de spleten en groeven. Deze schijnbaar eenvoudige mensen beschikken vaak over een kennis van landschap en natuur die stedelingen vergeten zijn. Ze zijn geworteld in het landschap, maar door de aardebevingen ontworteld.

    Oerverhalen

    Zelden praten de mensen met elkaar over de wond. Voor de aardbeving verstopten zij hun diepste geheimen al. Het leven in de bergen is hard, vaak conservatief. Er worden snel oplawaaien verkocht. De getuigenissen van het natuurgeweld zijn eenzame monologen en inwoners zoeken moeizaam naar woorden over dat wat hen roert. ‘Hoe zag het land er eerst uit? Opeens ben je het vergeten en zul je er in je dromen nog jaren naar zoeken – hoe zag de aardbodem eruit voor de scheur, voor de brokstukken, het puin, de sleepsporen, hoe zag de grond onder je voeten eruit, van dag tot dag?’

    Sommigen geven aan dat ze het trauma weleens kwijt willen. Zij vormen een koor met verschillende stemmen. In elke versie wordt er iets herhaald door een andere stem. Ten slotte rest er een soort oerverhaal van het gebeuren, met scherven en brokstukken bij elkaar gebracht. Behalve getuigenissen tekent Kinsky ook oude verhalen op zoals verklaringen, fabels, sagen, geruchten van de streek, waarbij waarheid en verzinsels door elkaar lopen. ‘Eronder of erin, donderde de Orcolat, het aardbevingsmonster. Een fabelwezen met sporen die onuitwisbaar zijn.’

    En er is de sage van Riba Faronika, de Farao-Vissin. Ze lag te sluimeren op de bodem van de zee, een enorm wezen, tot aan haar buik vrouw, vanaf de buik voorzien van een gespleten vissenstaart. Opgeschrikt door de zandkorrel die God liet vallen, maakte ze met een van haar vissenstaarten een schokkende beweging en de aarde begon te rommelen…

    Het verhaal van het grote witte steenveld ontstond na een steenlawine. Sindsdien lag dat veld daar. ‘Volgens de verhalen werd er na die steenlawine iemand uit het dorp vermist. En de mensen zeiden dat die witte vlek eruitzag alsof daar iemand stond met gespreide armen. Een grootmoeder kende alle bergen bij naam. Bij elke naam hoorde een verhaal.’ De verhalen zijn in het landschap gegrift. De aardbeving deed er een schepje bovenop. ‘Aan de andere kant van de bergen, aan de zuidkant, regent het alleen, ook in de winter valt er geen sneeuw. Daar is het urinoir van Onze-Lieve-Heer, zeggen de mensen.’
    Ook de geluiden zijn verankerd in het landschap. De geitenmelker is een nacht- en schemeractieve vogel die ‘net als de muziek van de streek’ een stijgend en dalend vibrerend geluid voortbrengt, gevoelig en minimaal wisselend van toonhoogte.

    Levend landschap

    De auteur laat ook het landschap zelf leven. Ze spreekt over een rivier die van richting veranderde. ‘Misschien veranderde hij van stemming. Voelde hij zich aangetrokken tot de andere rivier, het andere dal, ander gesteente, de oostkant. Rivieren hebben hun eigen beweegredenen.’

    Ze getuigt ook van het menselijk landschap, zoals bij het motel ‘met een hoogdravende naam met een fout gespeld Engels woord erin’. Gammel en poëtisch. De pomphoudster is tevens de kokkin. Mannen drinken er een biertje, soms buiten op een blok beton, en lachen de dingen weg. Op een Italiaans kerkhof met plastic bloemen poetst een oude vrouw een grafsteen ‘met de foto van een oude vrouw die op de poetsende vrouw lijkt.’ Humor en weemoed komen tot uiting in zinnen als ‘De nieuwe Moeder Gods, die licht gaf in het donker, zat in haar schortzak en scheen door de stof heen, zo’n blauwgroen licht. Je kon de Moeder Gods ook in flikkerstand zetten, als een knipperlicht.’

    Van encyclopedische kennis maakt Kinsky literatuur. Aardlagen, de eigenschappen van kalksteen, planten en bloemen worden door haar beschrijvingen levendige essenties, net als de diepste holten op aarde. ‘Ravijnen, kloven, afgronden, abissi, waar niets wat er eenmaal in terecht is gekomen ooit nog de weg vindt naar het licht. Afgronden van het vergeten. Wanneer verandert het-zich-herinneren in echt-vergeten?’ Het geheugen zelf kan door verschuivingen en gerommel littekens krijgen, want de psyche krijgt evenveel klappen. Rombo blijft voelbaar en hoorbaar, soms hard, soms in verre echo’s.

    Het einde van het boek verhaalt over de tweede aardbeving, waarop Kinsky met de ouder geworden inwoners wederom terugblikt. Op de cover en in het boek staan foto’s van een fresco. In het koor van de heropgebouwde kathedraal van Venzone is een lange, van een vernield fresco geredde, strook te zien. Hij is bedekt met tekens en inscripties zoals pelgrims die er eeuwenlang op achterlieten. De sublieme roman van Kinsky lijkt op een geredde strook met verhalen uit het geheugen van de landstreek Friuli.

     

     

  • Vijf levens in de schaduw

    Vijf levens in de schaduw

    Alma’s dochters is een familiegeschiedenis waarin de levens van vijf vrouwen centraal staan. Het boek begint in de negentiende eeuw met stammoeder Alma en volgt daarna de levens van Alma’s dochter Elly, haar kleindochters Sylvia en Elly en haar achterkleindochter Lili. Dan zijn we in het heden. Lili leeft nog en de koffer met familiemateriaal die zij bewaard heeft, vormt de basis van dit boek dat de vrouwelijke lijn volgt. Naast de vijf vrouwen komen er in dit boek wat interessante mannen langs, onder wie bekenden als commentator G.B.J. Hiltermann en regisseur Fons Rademakers. Al met al is het een vol boek, waarin heel veel mensenlevens voorbijkomen, dat via de geschiedenis de problematiek van de ongelijkwaardigheid van man en vrouw aan de orde stelt.

    Schrijfster Jutta Chrorus beweert in de proloog dat de vrouwen in dit boek, als ze mannen waren geweest, hun talenten met meer bravoure ten toon hadden kunnen spreiden. Dat ze zelfverzekerder waren geweest en maatschappelijk meer bereikt hadden. Alle vijf vrouwen, de ene meer dan de andere, moesten hun licht onder de korenmaat zetten.

    Stammoeder van dit familieverhaal is de in Duitsland geboren Alma Bimmerman (1853-1948), een zelfstandige vrouw, die haar opleiding in Nederland volgde. Zij vertrok als onderwijzeres naar Indië om met haar verloofde te trouwen. Helaas was die verloofde net overleden toen zij er aankwam. Ze pionierde als vrouw alleen en trouwde na enige jaren met de bosbouwer Anton Berkhout (1854-1945). Naast de opvoeding van haar vier kinderen, schreef ze enkele feuilletons en romans.

    Haar man was vrij van conventies, een ‘onbekommerde geest’ die vrouwen gelijkwaardig aan mannen achtte. Alma en Anton voedden samen de kinderen op. Hij verdiende het geld, maar als schrijfster had zij ook een eigen inkomentje. Haar naam kom je echter niet tegen in Wikipedia of waar dan ook op het internet, al werd ze in haar tijd met waardering gelezen. Het zal altijd de vraag blijven of ze als man bekender was geworden en gebleven.

    Stapje terug

    Dit tamelijk gelijkwaardige huwelijk bracht een oudste dochter voort, Elly Berkhout (1882-1943), die minder voor zichzelf opkwam dan haar moeder. Haar leven begon veelbelovend: ze was de eerste vrouw die het diploma behaalde van de Landbouwschool in Wageningen, de latere Hogeschool en Universiteit. Vervolgens zag ze van een vaste betrekking als landbouwonderzoekster af, om plaats te maken voor een mannelijke kostwinner. Dat zou nu geen enkele vrouw meer doen.

    Ze cijferde zich ook weg tegenover haar man, de in Indië rijk geworden Ger Brandts Buys. Ze reisde naar Indië om met hem te trouwen, waar ze ontdekte dat hij al een kind had bij een njai, een Javaanse slavin. In plaats van linea recta terug te keren naar huis, accepteerde ze het als een gegeven en ze zou vervolgens ook accepteren dat haar man vreemdging. Uiteindelijk maakte hij een einde aan het huwelijk en keerde zij met haar kinderen terug naar Nederland. Elly deed wat emancipatie betreft dus een stapje terug in vergelijking met haar moeder. Ze trouwde dan ook een ander soort man dan haar vader was.

    De derde generatie vrouwen die in dit boek aan de orde komt bestaat uit de kleindochters Sylvia (1907-1994) en Elly Brandts Buys (1913-1985), kinderen van Elly Berkhout en Ger Brandts Buys.

    Eigen keuzes

    Sylvia had veel pit. Ze werd als oudste dochter op jonge leeftijd in een internaat geplaatst, omdat haar moeder haar niet de baas kon. Als vijftienjarige werd ze in haar eentje naar haar grootouders in Nederland gestuurd waar ze een HBS-diploma behaalde. Zij leek heel zelfstandig en autonoom, maar zou in haar leven toch ook weer veel van mannen moeten slikken. Ze is vooral bekend vanwege het weekblad Haagse Post, waarvan ze lange tijd hoofdredacteur was. Ze gebruikte het kapitaal uit haar erfenis voor de overname van dit blad.

    Als hoofdredacteur kwam ze goed uit de verf, met vrijwel alleen jonge mannen om zich heen die ze met enige ironie en liefkozend ‘de heertjes’ en later ‘krengen van jongens’ noemde. Sylvia ontwikkelde een nieuwe journalistieke stijl, die ze had opgepikt bij het Franse weekblad L’Express, het ‘koel opnoteren’ dat wil zeggen dat een verslaggever niet interpreteert maar enkel registreert.

    Na een mislukt huwelijk met de arts Ad Veenman krijgt Sylvia een relatie met de later als radiocommentator bekend geworden journalist G.B.J. Hiltermann, met wie ze in 1960 trouwt. Hiltermann komt er in het verhaal van Jutta Chorus niet al te best van af. Hij is een linkmiegel die helemaal zijn eigen gang gaat, diverse seksuele relaties onderhoudt, onder meer – zoals pas veel later bekend wordt – met Sylvia’s dochter Lili, en onderwijl pocht en draait om invloed te verkrijgen en te behouden.

    Toen het slechter ging met Haagse Post sloot hij een deal met de nieuwe uitgeverij van het blad, die tot Sylvia’s ontslag leidde. Mooie aanleiding om die man te verlaten zou je zeggen, maar nee hoor, ze bleef bij hem al hielden ze niet meer van elkaar: ze waren tot elkaar veroordeeld. Waarom bleef zij bij hem, ondanks zijn escapades? Chorus komt hier niet goed uit.

    Een heel ander leven had Sylvia’s jongere zus Elly. Zij reisde voor de oorlog door heel Europa, was als fotomodel en fotografe erg geliefd en zou hoewel ze getrouwd was kinderloos blijven. Jutta Chorus noemt haar ‘een zondagskind’. Zij kon in een mannenwereld tot op zekere hoogte haar eigen gang gaan en verbleef een groot deel van haar leven in Rome. Blijkbaar was zij een van de vrouwen die haar eigen keuzes kon maken, wat wellicht alles te maken had met het feit dat ze – na een abortus – geen kinderen meer kon krijgen en niet gebonden was aan de opvoedingstaak.

    Ten slotte vertelt Chorus het verhaal van Lili Veenman (1930), de enige dochter van Sylvia Brandts Buys. Ze kreeg les aan een filmschool in Parijs en was in Rome de eerste vrouw die een hoog aangeschreven opleiding als regisseur volgde. Ze trouwde in 1960 met de regisseur Fons Rademakers in wiens schaduw ze bleef staan, terwijl ze zoveel in haar mars had. Ze werkte op de set van de films van haar man als regieassistente. Daar werd ze laatdunkend de sergeant-majoor genoemd, omdat ze door haar krachtige optreden en organisatievermogen zorgde dat de zaak letterlijk bleef draaien.
    Een vrouw die op een capabele en zelfbewuste wijze haar werk doet wordt blijkbaar meteen met de meest gevreesde en gehate man in militaire dienst vergeleken.

    Ze maakte zelf ook twee speelfilms, met enig succes, maar verder bleef ze ook in de schaduw van haar man opereren. Enigszins gelaten constateert ze: ‘Een man hoeft vaak minder te kunnen om hetzelfde te mogen.’ Na de pensionering van haar man leefde ze als een vorstin in een prachtig huis ten noorden van Rome, waar ze evenwichtig en zonder wrok of spijt terugkijkt op haar leven.

    Genderbepaalde rol

    Alma’s dochters is een vol en boeiend boek dat stof tot nadenken geeft. Jutta Chorus maakt het geschiedverhaal levendig met allerlei maatschappelijke doorkijkjes, persoonlijke details en beeldende voorstellingen. Zo beschrijft ze de brief die Alma naar haar geliefde in Indië schreef: ‘In de jaren dat Alma’s brieven per stoomboot zes weken lang via Spanje de Middellandse Zee over voeren, het Suezkanaal door, de Rode Zee over, de Golf van Aden en dan na de Indische Oceaan en Sumatra aankwamen in Batavia, wachtte haar verloofde in zijn vrijgezellenhuis tegenover de cavaleriekazerne.’

    Het is wel een beetje jammer dat Jutta Chorus door haar bewering in de proloog de lezer voor de voeten loopt. De vrouwen kunnen hun leven niet overdoen. Zij hebben allen op hun eigen manier geworsteld met de positie die zij als vrouw in die historische samenleving innamen. Het is niet bij alle vrouwen duidelijk of zij zelfverzekerder hun talenten zouden hebben gebruikt bij gelijke kansen. Er bestaat ook nog zoiets als karakter en moed.

    Wel staat vast dat de vijf vrouwen in de mannenmaatschappij minder kansen kregen zich beroepsmatig te ontwikkelen. Je kunt de vrouwen in dit boek als slachtoffer beschouwen, maar hoe zit het met de mannen? Ook zij konden zich niet ontworstelen aan hun genderbepaalde rol. Het zou interessant zijn om de levens van de mannen uit deze familiegeschiedenis ook eens vanuit het perspectief van de man te beschrijven. Was Hiltermann echt zo’n macho en linkmiegel als Chorus hem beschrijft? Zou hij in een door vrouwen gedomineerde maatschappij wezenlijk anders zijn geweest? Hoe heeft Anton Berkhout, Alma Bimmermans vrijdenkende man, het gevonden dat zijn vrouw hem altijd in het onzekere hield of zij wel van hem hield?

    Genderongelijkwaardigheid heeft veel kapot gemaakt. Volgens Chorus is er nog veel werk aan de winkel voordat die is weggenomen. Zij had er nog aan kunnen toevoegen dat dat nog veel toewijding, inspanning, bescheidenheid en moed vereist van vrouwen én mannen.

     

     

  • Van Binsbergen viert de taal

    Van Binsbergen viert de taal

    Toen het begrip overvloed nog geen schaduwrandje van onbehagen kende droomde menigeen over een aards paradijs waar, zonder dat men er moeite voor hoefde te doen, alles in overvloed voorhanden had. In Luilekkerland of ‘Cocagne’, zoals dit paradijselijke lustoord heette, vlogen de gebraden ganzen je in de mond. Waar dit rijk zonder schaarste precies gelegen was, kon echter niemand vertellen. Wel dat de weg erheen niet eenvoudig was. Wie het onderwerp van Luilekkerland bij de horens vat, zoals van Hannah van Binsbergen in haar dichtbundel Kokanje, heeft de mogelijkheid het via meerdere routes aan te vliegen.

    In onze tijd van – althans tot voor kort – vanzelfsprekende overvloed tegen betaalbare prijzen heeft dergelijk wensdenken zijn bekoorlijkheid verloren. Bovendien heeft haaks hierop de opvatting postgevat dat de reis ergens heen belangrijker zou zijn dan de bestemming. Om niet te spreken van het ongezonde van overvloed en het gezonde van matigheid. De flaptekst geeft alvast een schot voor de boeg: ‘In deze bundel neemt Van Binsbergen de wereldse geneugten serieus, en kiest voor behoefte en plezier. Overvloed is mogelijk, maar we moeten er wel voor vechten’. Spoiler alert: zo helder en eenduidig leest deze bundel bepaald niet!

    Gebraden ganzen

    Slechts een kleine minderheid van de vierenveertig, in lengte sterk verschillende gedichten uit deze bundel hebben een onverholen relatie met Kokanje. Tegenover aan duidelijkheid niets te wensen over latende titels als De waarheid in Luilekkerland’ en ‘Histories Kokanje, staan gedichten waarin duiding de lezer beduidend minder aanvliegt dan de gebraden ganzen hem in Luilekkerland doen. Maar ach, het is poëzie en die wint nu eenmaal meer bij meerstemmigheid dan bij enkelvoudigheid.

    De paradoxale titel Feiten over het paradijs – welke feiten en waarheden kunnen immers matchen met fictieve begrippen? – geeft misschien al aan dat we het onderwerp niet te nauw hoeven te nemen. Beter deze gedichten ‘gewoon’ lezen zonder je af te vragen of ze je nader tot Kokanje dan wel tot een sluitende interpretatie brengen. Zonder vooropgezet plan lezen zal genade mogen vinden bij de dichteres, die immers zelf bekent: ‘ik had een plan; er kwam niets van terecht.’

    Ouderwets dichterlijke taal

    De zinnen van Van Binsbergen zijn vaak zinnelijk en dartelen soms in ouderwets dichterlijke taal: ‘het langzame neerwaartse zeilen / van de bloesem dat je vorig jaar zag zul je elk jaar zoeken tot je / dood’. Dan weer marcheren ze op de schalkse toon van een levenslustige mars: ’Hef bokalen doe het gauw want achter me wordt weer gegeten / de dans gaat door’. Is Kokanje de plek waar de nectar van de taal in overvloed aanwezig is, waar het oogsten van de dichter kan beginnen? De thematiek van grenzeloze overvloed rijmt in ieder geval wel op Van Binsbergens losgaan op de registers van de taal: van archaïsch dichterlijk tot stoere slam met regels die verraderlijk goed bekken: ‘Het was de enige dag in het jaar dat de schurken / aan de feb gaan met de schalken.’ Zou dat dieet van het dubbelzinnige dan toch met Kokanje te maken hebben? Het voor de dichter noodzakelijke alfabet staat hem overal ter beschikking. 

    Meer dan een doelbewuste gang gaat het er in deze bundel vooral zwervend en dwalend aan toe. Er wordt dan ook gewaarschuwd: ‘rampspoed haast zich achter snelle lopers’. Beter dan maar ingescheept in het ‘narrenschip’, al is het hopen dat het blijft drijven. Van oudsher vervoert het narrenschip outcasts op hun dooltocht naar een onmaatschappelijke bestemming. En maatschappelijk gewantrouwd wordt een dichter maar al te gauw stelt Van Binsbergen, omdat zo iemand wordt gezien als eentje die niet echt werkt, maar iedere dag maar doorgaat met z’n leven.

    De macht van taal

    ‘Denken jullie soms dat dat makkelijk is? / Denken jullie dat dat geen werk is?’ riposteert ze. Veelzeggend is de titel Otium en de daarin vervatte boodschap: ‘ik geef u / het recht op luiheid in het wild. De wind en wij, / wij weten beter dan elkaar te vleien en de raad / die hij ons geeft is goed en meestal niet te duur.’ De dichter ziet als ideaal dat het ‘goed [zou] moeten zijn en genoeg om aan dit meer te / wonen en elke dag te werken aan het grote gedicht dat wandelen / heet.’ Het niet-weten wordt in Kokanje gekoesterd ‘Waarom, waarom is een raadsel / om je bij te staan, een daad om te verstrooien.’ Een dichter die naar de juiste woorden en beelden grijpt komt in de buurt van begrijpen: ‘Geef ons één dichter die de zee begrijpt / Of een handvol inktvissen die trachten / hem inzichtelijk te maken.’ Wat in deze bundel bovenal gevierd wordt is de macht van taal: 

    ‘jij komt binnen.
     Jij vertaalt.
     Jij verlaat ons.
     Jij begrijpt ons.
     Jij betaalt:

     we geven het door
     en zien het gebeuren:
     de grond van deze verdieping geeft ons
     plotselinge hoogtevrees.

     De voorzienigheid voorziet niet eindeloos.’

     Slak, onverbloemde reizigers
     Slak, onverbloemde reizigers

    Woorden die van de wind leven

    Taal geeft houvast, al was het maar omdat het troostrijke verbanden kan leggen in onze verbeelding: ‘al het gesprokene wordt teruggevonden in de laatste letter.’ In Dolen lezen we: ‘Laat los de boze / honden van de tekst.’ Acht gedichten verder in de reeks Gang staat: ‘de honden / luisteren niet meer naar de mensen. Het onderwerp / gaat met je op de loop: / dat je je oor op een roos / drukt wil nog niet zeggen / dat hij je toespreekt.’ Wie de teugels van de taal in handen heeft, bezit de macht van de verbeelding, en plooit die tot zijn eigen bevrijding. Zo lezen we elders: ‘Is het erger dat de bloem me opslokt / of ik vermager tot mijn streven’. In het gedicht met de mooiste titel De nacht is de ochtend van de ziel staat misschien wel de mooiste zin: ‘Het is zo ver, het voorbije / maar het is zo voorbij.’ 

    In dit rijk van de taal is de toon monter en vrijmoedig, dichterlijk en boertig op zijn tijd. De noodzaak om juist met dit thema van Kokanje voor de dag te komen, spat niet van de pagina’s af. De dichterlijke vrijmoedigheid om naast de pot te piesen des te meer. Van Binsbergen viert de taal. Laat die soms in het gareel lopen, in draf of in galop maar laat de taal hier en daar ook flink met haar zinnen aan de haal gaan. Daarin lijkt het alsof haar woorden van de wind leven en gelukkig zijn. Zelf is Van Binsbergen niet bepaald lui geweest en heeft ze zich niet beperkt tot oogsten van laaghangend fruit in de woordenbrij. Maar ze lijkt Kokanje als bestemming eigenlijk niet echt nodig te hebben omdat haar meeste gedichten ook wel blind lijken te varen. Lezer, vergeet dat je op weg bent naar Kokanje en lees de flaptekst niet als reisgids maar neem vooral mee wat je onderweg tegenkomt. ‘Dit is mijn verborgen boodschap / gratis beschikbaar voor iedereen: / de oogst is gedaan maar het veld staat nog vol / je moet pakken, volproppen je tas.’

     


     Een keer eerder kwam het voor dat twee recensenten hetzelfde boek kregen toegestuurd. Hettie Marzak en Albert Hogeweij ontvingen beiden de bundel Kokanje, en beiden bezorgden ons een bespreking. Beide recensies, al liggen de meningen niet ver uit elkaar, zijn zeer de moeite waard. Daarom werd besloten ze allebei te plaatsen. De recensie van Hettie Marzak verscheen in oktober en is hier te lezen.

  • Inventief taalgebruik als een Luilekkerland

    Inventief taalgebruik als een Luilekkerland

    Hannah van Binsbergen heeft haar tweede bundel de titel Kokanje meegegeven. Het land van Kokanje is een andere benaming voor Luilekkerland, het land van melk en honing waar de gebraden ganzen je in de mond vliegen en de pannenkoeken aan de bomen groeien. Het woord ‘kokanje’ gaat terug op het Oudfrans en betekent zoiets als ‘land van de honingkoeken’. De bundel Kokanje vertelt van het verlangen om in dat land te komen, maar de dichter geeft meteen al aan dat het heel onwaarschijnlijk is dat dat zal gebeuren. Niet voor niets moet je, om in Luilekkerland te komen, je een weg eten door de rijstebrijberg. Van Binsbergen heeft voor de lezer haar eigen rijstebrijberg opgeworpen door middel van haar taalgebruik, dat nu eens archaïsch aandoet, dan weer raadselachtig of gekenmerkt wordt door een vreemde zinsbouw. Het levert zelfs af en toe totaal onbegrijpelijke gedichten op.

    Vermeend paradijs

    Zo staan erin de afdeling zeven tekenen een zevental korte gedichten waar geen touw aan vast te knopen is: ‘vloed van zijn / troont hoog / lapt een / oorspronkelijk feest’ is er een van. Hoewel ze niet eenduidig te verklaren zijn, tekenen ze wel de sfeer van een sprookjesachtige vertelling, met spreuken en geprevelde bezweringen, die niet bedoeld zijn om te begrijpen. Ze laten zich lezen als kinderrijmpjes waarin het plezier om de klank en het ritme, het spelen met woorden, belangrijker zijn dan de betekenis.
    Onvrede met de huidige maatschappij en de eisen die daarin gesteld worden aan de bewoners is de reden om het vermeende paradijs te zoeken,

    ‘Dolen

     De rotgang der geschiedenis begon
     met bouw. Arm land, wat dacht je
     dat ze murw en nietig in het bivak zouden blijven
     elke dood een schok en honger dagelijks
     soms dodelijk? Breek af dit doolhof
     zeiden zij en maak een kavel

     zo begon ons dolen. helderte verscheen.
     De kleinste streep schoot naar de verte
     een zang vloog dertig  eeuwen later uit het stof
     om ons de oren af te zagen, hier en nu
     waar wij allang een lering trokken.
     Ons alfabet, ons plaagtuig. Een borgpen voor
     een schommelend visioen zolang de pot nog papt

     maar het drijft, ons narrenschip
     drijft het dan niet? Vallend lopen recht
     de armen in van de vermoeidheid, ja we
     hapten stof, ja eigen domme schuld, en alles
     wat te vuur staat brandt. Laat los de boze
     honden langs de lijnen van de tekst
     terug tot de afkomst, waar de vrede ook niet woont
     en laten – vrienden – laten we een nieuwe bouw beginnen

    Zoektocht vol voetangels en klemmen

    Maar de zoektocht naar een beter leven zit vol voetangels en klemmen, het werk en de plichten lopen elke dag weer in aantal op: ‘de weg erheen bespoot door taken.’ Ook God, die in de bundel wordt aangeroepen om hulp te verlenen, kan daar weinig aan doen: ‘laat mijn oren zich sluiten voor hun kleinigheden’, vraagt de ik-persoon aan God en ‘en als ik mijn hoofd neerleg tussen het groen / laat het geschreeuw van de halmen mijn dromen niet storen / maar laat uw dienaar een tijdje met rust.’

    Kokanje blijkt door iedereen anders ingevuld te worden, het paradijs is niet voor iedereen hetzelfde. Voor de dichter is het ‘het recht op luiheid in het wild’, waarin de zinnen gevierd worden en de vergetelheid van het genot gezocht wordt, in tegenstelling tot de eisen van de consumptiemaatschappij, want ‘De dwazen in het bos ontmoet / leven beter op de gunst dan duizend slimmeriken van de handel.’ Maar al gauw blijkt dat Luilekkerland aan dezelfde fouten ten onder zal gaan die al eerder gemaakt werden. 

    De eerste afdeling is getiteld ‘De waarheid in Luilekkerland’ en dat is ook de titel van de laatste afdeling. Berustte de eerste waarheid nog op aannames die als feiten gepresenteerd werden, in de laatste afdeling wordt al gauw duidelijk dat ook Luilekkerland niet alle wensen kan vervullen. Een van de gedichten heet ‘Otium’, een begrip uit de Romeinse letterkunde uit de 1e eeuw voor Christus: de dichter streefde naar vrijheid van elke sociale of politieke verplichting. In Luilekkerland zou je kunnen doen en laten wat je zelf wilde, maar de dichter spreekt al over ‘verbanning’. Want ook een ‘mooi huis met lekker eten en genoeg te lezen / over de heuvels, in het bos’ moet betaald worden. ‘Een mens moet eten, dat weet iedereen / maar dat te weten bakt de koek nog niet’.

    Alles heeft een prijs

    Luilekkerland is een teleurstelling. Het niets doen wordt een verplichting en lijkt daarin weer precies op het leven dat de zwervers hebben achtergelaten: ‘hef bokalen doe het gauw want achter me wordt weer gegeten / de dans gaat door – ik moet me excuseren.’ De gedichten in Kokanje gaan niet alleen over het streven naar een wereld waarin je kunt doen en laten wat je wilt: Van Binsbergen laat met haar bonte beelden en inventief taalgebruik zien dat ook de taal een Luilekkerland kan zijn waarin vrijheid van lezen en van schrijven voor iedereen onder handbereik ligt. De rijstebrijberg waar de lezer doorheen moet, bestaat uit de soms onbegrijpelijke zinnen en vreemde woorden die de dichter heeft bedacht. Ook last ze regelmatig een zinsdeel uit een andere taal in. Poëzie moet niet altijd eenvoudig zijn, er mag moeite voor gedaan worden. In het lange gedicht Puces savantes staan de volgende strofen:

    ‘Een ware zanger van de massa
     zingt zijn liedjes aan de kassa.

     De eter blieft zijn rapen gaar
     de stem van ’t volk is koen en klaar.

     Volgt onbegrip toch onverhoopt
     dan wordt de zanger opgeknoopt. 

    Wachten op de afloop

    Zo’n vaart zal het wel niet lopen met de dichter van Kokanje. Toch laat de bundel de lezer achter met het gevoel dat de reis naar Kokanje nog niet beëindigd is: het begin is duidelijk, maar het einde is vaag en onbevredigend onaf. Als lezer zit je als het ware te wachten op iemand die komt vertellen dat het afgelopen is, zoals vroeger wel in het theater na een voorstelling gebeurde als het publiek zat te wachten of er nog iets kwam. Een knallende afsluiting als overtuigende afronding van de bundel was op zijn plaats geweest; nu is het slotgedicht slechts een voortzetting van de voorgaande gedichten.
    Maar wie zich door de dichter laat meenemen naar Kokanje komt onderweg voldoende moois tegen. Zo blijkt maar weer dat de reis belangrijker is dan het eindpunt.

     

  • Oogst week 36 – 2022

    Verwar het niet met afwezigheid. Over politieke stiltes.

    Filosoof Eva Meijer heeft zich verdiept in de rol van stilte in de politieke samenleving en daarover het essay Verwar het niet met afwezigheid. Over politieke stiltes geschreven.
    De veelzijdige filosoof Meijer is op velerlei gebiedt creatief. Ze maakt tekeningen, kunstprojecten, schrijft liedjes, treedt op, fotografeert, schrijft essays, verhalen, romans en artikelen. Dieren staan in haar werk centraal plus de vraag wat het is om mededier – mens – te zijn. Taal is daarbij een instrument dat niet alleen door mensen wordt gebruikt, zo betoogt Meijer. Ze liet dat onder meer zien in haar boek Dierentalen (2016).

    Het politieke discours lijkt in toenemende mate afhankelijk van het taalgebruik. Wie het meest ad rem is wint het publieke debat en luide stemmen krijgen vaak de meeste aandacht. Wat er gezegd wordt is dan van ondergeschikt belang, net als op sociale media waar iedereen bijna alles kan roepen wat hij wil. Er is ook stilte, zegt Meijer. Die kan onderdrukken, maar kan ook stil verzet zijn, of deelname aan een gesprek via luisteren. In Verwar het niet met afwezigheid onderzoekt Meijer verschillende soorten politieke stiltes en schetst ze contouren voor nieuwe politieke omgangsvormen en de rol van morele dilemma’s.

    Verwar het niet met afwezigheid. Over politieke stiltes.
    Auteur: Eva Meijer
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    De fiscalist

    De fiscalist beschrijft een man, de fiscalist Anton, die in zijn verbleekte leven op zoek gaat naar echt contact. Zijn huwelijk stelt weinig meer voor en zijn werk is meer een dagelijkse sleur dan dat hij het succesvol kan noemen. Hij beseft dat hij eigenlijk hulp nodig heeft, maar in plaats van een psycholoog te bezoeken of zelfhulpboeken of -websites te raadplegen zoekt hij het in contacten via zijn telefoon. Hij merkt al snel dat het hem weinig oplevert.

    Dan richt hij zijn aandacht op Mila Kaufman, de dochter van een van zijn klanten. Deze Kaufman bezit talloze panden in Amsterdam en Anton is voor hem en de familie behalve belastingadviseur ook een vertrouwenspersoon. Mila weet niets van Antons adoratie. Hij laat zich steeds verder gaan en ziet in haar de vrouw die hij zich zou wensen maar die zij niet is. Ze wordt een obsessie. Om zijn rusteloosheid onder controle te krijgen spreekt hij voor zichzelf voicemails in. Gaat dit Anton helpen zijn leven te herscheppen of raakt hij verder verwijderd van de realiteit?
    De fiscalist is gebaseerd op een waargebeurd verhaal waarin Ariëlla Kornmehl zelf de hoofdrol speelde.

    De fiscalist
    Auteur: Ariëlla Kornmehl
    Uitgeverij: Uitgeverij Ambo Anthos

    Rombo

    Het is 1976. In het noordoosten van Italië vindt tweemaal, in mei en in september, een hevige aardbeving plaats. De aardverschuivingen zijn enorm. Bijna duizend mensen vinden de dood onder de puinhopen, tienduizenden mensen worden dakloos en velen verlaten voor altijd hun vertrouwde omgeving. Er ontstaat een nieuw landschap waarin de kracht van het natuurgeweld zichtbaar is. Minder zichtbaar is het menselijk trauma, de taal ervoor is niet zo gemakkelijk te vinden. Maar in Rombo, de nieuwe roman van Esther Kinsky, komen zeven mensen aan het woord over de gebeurtenissen van toen.

    Ze wonen in een afgelegen bergdorp waar de aardbeving behalve in het landschap ook in de geesten van de mensen littekens heeft achtergelaten. Langzaam leren deze mannen en vrouwen woorden te geven aan de gevoelens die hun toen verpletterde levens zijn gaan beheersen. Verlies en angst kennen allen, maar de individuele herinneringen brengen ook diepere en oudere pijnen boven. Kinsky maakte er ontroerende en beklijvende verhalen van.

    Rombo
    Auteur: Esther Kinsky
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Wijnbergs eigenzinnige logica

    Wijnbergs eigenzinnige logica

    Het onderwerp van zijn jongste dichtbundel, Namen noemen, heeft Nachoem M. Wijnberg dichtbij huis gevonden: het domein van de Nederlandse, maar ook buitenlandse literatuur, met name poëzie. Aan de hand van associatieve gedachten en citaten van collega-dichters worden zaken als schaamte en trots in de poëzie, onderlinge solidariteit en concurrentie, het belang van gedichten, nominaties, bloemlezingen, literaire tijdschriften, voordrachten en zo meer verkend. 

    Alles uiteraard tussen het noemen van vele namen door, want de titel van de bundel wordt wat dat betreft meer dan waar gemaakt. Niet gehinderd door welk onderwerp ook, bewandelt Wijnberg uiteindelijk volop de zijpaden van zijn gedachten. Zodoende kan er zomaar een aarzelend antwoord gevonden worden op waarom het nooit iets geworden is tussen Nederlandse soldaten en Nederlandse poëzie: ‘misschien omdat we daar enkel door de lucht zweefden / en alles uit onze handen lieten vallen wat we niet naar huis wilden nemen.’ 

    De deur hoeft niet op slot

    Wijnberg heeft gedichten ooit wel eens ‘betekenismachines’ genoemd, instrumenten om tot inzicht te komen. Gelijkwaardig aan hoe in de wetenschap kennis wordt opgedaan. De onderzoekende toon graaft zich een weg door het aan de orde gestelde onderwerp heen. Eerder is ook gezegd dat deze dichter werkt in de talmoedische traditie, waarbinnen kwesties eindeloos bediscussieerd worden door opeenstapeling van commentaar op commentaar. Opeengestapelde eenvoud die geleidelijk aan complexer wordt. Een beeld als ‘alle kleren over elkaar aantrekken’ duikt in diverse bundels en opnieuw in deze bundel op. Het geruststellende van al zijn opgeworpen probleemstellingen is dat ze niet op een definitief antwoorden aansturen. De deur van wat wij niet weten staat altijd open en hoeft niet op slot. Beter dan met een antwoord te zijn gediend laat een vraag zich met een andere vraag vergelijken. Geen dichter die de voegwoorden zoals en alsof zo vaak bezigt. Bedwelmend hoe hij beelden inpakt, oproept en uitruilt tegen andere vergelijkingen. Bijna laat ontsporen. Deze vaak overvolle gedichten hebben de eigenzinnige logica van Wijnberg van harte nodig om overeind te blijven. Een logica waarin tegengestelde begrippen tegen elkaar worden uitgespeeld, tot er een schijn van dichterlijke harmonie lijkt bereikt, waarin dingen even ver van elkaar als tot elkaar komen. 

    Een typische Wijnbergconstructie zit in de titel van het gedicht: Makkelijker dan wie sneller van mij wegliep dan ik die achterna kon. Het is Wijnberg te doen op dit soort tegenstellingen aan te sturen om zich er vervolgens middels gedachtesprongen van te bevrijden. Voor wie Namen noemen niet een eerste kennismaking met Wijnberg vormt, zal het soort meanderende, van rijm en metrum verstoken zinnen zeer vertrouwd zijn. Een soort maniëristisch parlando met ingebedde zinsconstructies die het best in mondeling taalgebruik gedijen. ‘Hoe kan ik zo slecht / in luisteren zijn, denk ik, wanneer ik terugkom op wat ik eerder vond, / omdat iets in de toon van het gehoord hebben / van Alfred Schaffer klinkt als het gehoord hebben van Frank O’Hara / en die hoort wat iemand had kunnen zeggen die allang weg is, / waarheen hij niets had hoeven mee te nemen / want wie hem ontvangt heeft precies dezelfde maten als hij, / zelfs van zijn schoenen.’ 

    Brodsky

    Met deze spreektaalachtige constructies en hoge mate van terloopsheid van zijn zinnen wekt Wijnberg de schijn de opgeroepen associaties niet echt te structureren en te sturen, maar dat ze zelf op ieder moment er met het gedicht vandoor kunnen gaan. Zijn gedichten bestaan vaak uit een concrete, anekdotische en een daarop voortbordurende beschouwende laag. In een gedicht als Waar een gedicht goed voor is doseert Wijnberg het anekdotische met het zich daarvan loszingende beschouwende. Het begint met: ‘Als mij gevraagd wordt waar poëzie goed voor is / maak ik het altijd iets groter dan ik kan verdedigen, dat is de afspraak / tussen dichters die hun vak een beetje kennen. Voor de tweede keer deze week / lees ik een aanval op Brodsky omdat die gezegd had dat poëzie schrijven / het hoogste doel van de menselijke soort was, een versneller van het bewustzijn / en van het begrijpen van de wereld’. Hoewel dit raakvlakken heeft met de poëtica van Wijnberg zelf wordt hierop niet ingegaan, maar volgen particuliere mededelingen over Brodsky ‘die twee of drie dichters / probeert te zijn (ik wil hem vragen waarom zo weinig)’ En dan komt de dag dat ik opgeef / en op weg ga naar Artaxerxes’. 

    Hiermee wordt de anekdote de rug toegekeerd en flitsen namen uit diverse citaten over en weer: ‘Wat ik over Themistocles / kan zeggen komt uit een gedicht dat zo sterk is dat ik de precieze woorden / niet hoef te weten. Wie over Kaváfis zei dat hij nog beter kon worden / in vertaling kende niet eens de taal / waarin het gedicht geschreven was. Brodsky mocht het zeggen / omdat hij wist wat ballingschap kostte, / zoals Herbert schreef in nog zo’n gedicht.’ 

    Dan leest men wat Brodsky zei over Kaváfis ‘dat hij van een metafoor enkel het eindpunt gebruikte, wie het leest / kan terugkijken naar waar het een metafoor van was / of niet – ik denk dat ik weet wat hij bedoelt, maar ben niet zeker / of het woord metafoor hier het meest juist is. (…) Wat niet betekent / dat ik moet toegeven dat wat iemand van een gedicht niet begrijpt / een groter begrijpen is’. 

    Een teveel van het ene kan soms het best in het licht van het tekort van het tegendeel bezien worden, zoals hij in een ander gedicht over Tsjechov schrijft: ‘Tsjechov zei enkel dat het makkelijk was een verhaal te vinden, / niet het te schrijven, maar misschien voelde hij sterker dan anderen / dat het aantal ongeschreven verhalen minder groot moest worden’. Men kan in ieder geval stellen dat Wijnberg het speelveld \ breder maakt met het inzetten van metaforen bij wijze van gevolgtrekking. Voortdurend kantelt het beeld in een volgende metafoor en intussen ontsnapt de vraag aan zijn ultieme antwoord.

    In het openingsgedicht van de bundel staat: ‘een naam is gast van wat is (wie heeft dat gezegd?) / en daarom geeft wat is wat de naam heeft de beste kamer’. Wijnberg betoont zich in Namen noemen een even royale gastheer als naamgever. De beste kamer krijgt de poëzie zelf: ‘De lichtste droom / van wie in de bergen woont: dat de rivier / mij naar de zee brengt’. Uiteindelijk is poëzie de zee waaruit alle rivieren van dichters gevoed worden en voeden dichters elkaar. En zo bekent ook Wijnberg dat hij ‘iemands echo wil zijn / alsof die in mijn naam schrijft.’ 

    Lappen woestijn

    Wie gemeend had met deze gedichten iets wijzer te worden van hoe de maker ervan zich verhoudt tot zijn collega-dichters, wie hij werkelijk goed vindt en wie minder, komt bedrogen uit. Bij uitzondering geeft hij prijs dat hij is afgehaakt bij Kees Ouwens. En ook Brodsky rekent hij niet tot de allergrootsten. Evenmin verschaffen de gedichten poëticaal inzicht. Al lezen de meeste qua toon als volgens een herhaalrecept geschreven, echt voorspelbaar wordt het nooit. De kern van zijn poëzie is een ware oase, maar men moet de lappen woestijn eromheen voor lief dulden. Ook Namen noemen is vele parels rijk, maar ze worden met de hele oester opgediend. 

    De vraag is of de schoonheid van deze parels door de soms behoorlijke taaie anekdotiek verdund of verrijkt worden. Met alle 62 gedichten achter elkaar lezen komen deze pareltjes dan ook niet tot hun recht. Maar de geduldige fijnproever zal aan zijn trekken komen met juweeltjes van zinnen, als: ‘De magerste zijn als de laatste / die nog door een deur die gesloten wordt / heen gekund had’. Of iets ronduit ontroerends als: ‘blijf stil tot jullie zacht kunnen huilen’. In het gedicht Je mag mij een naam die je nog niet aan het vertalen bent noemen wordt de lezer uitgenodigd: ‘Alsof je zo veel gedichten / van mij gelezen hebt mag je mij de naam geven van de beste regel die je van mij kent’. Na lezing van Namen Noemen zou de naam van deze dichter best mogen luiden: ‘want woorden als om te vinden / zijn snel niet meer alsof ze achtergelaten zijn’.