• ‘Kunst is waar wat wij overleven overleeft.’

    ‘Kunst is waar wat wij overleven overleeft.’

    De Iraans-Amerikaanse schrijver Kaveh Akbar (Teheran, 1989) is vooral bekend als dichter. Hij publiceerde o.a. Pilgrim Bell, Calling a Wolf a Wolf en Portrait of the Alcoholic. Met Martelaar! maakt hij zijn debuut als romanschrijver.

    Op zijn tweede is Cyrus Shams na de dood van zijn moeder met zijn vader vanuit Iran naar Indiana in Amerika verhuisd. Zijn moeder zat in een neergehaald vliegtuig. Een oorlogsschip van de Amerikaanse marine schoot op 3 juli 1988 een Iraans lijntoestel uit de lucht, vlucht 655 van Teheran naar Dubai. Alle 290 inzittenden kwamen daarbij om. Omdat zijn moeder Roya het beter vond dat Cyrus op zo’n jonge leeftijd niet meeging op die vlucht, leeft hij nog. Hij voelt zich schuldig, want hij had ook in dat vliegtuig moeten zitten.
    Zijn vader Ali werkt in een kippenfokkerij. Lange zware werkdagen in combinatie met veel drank leiden tot zijn vroege dood. ‘Nu zijn vader dood was, had Cyrus geen ouders meer die zich zorgen over hem konden maken /…/ Wat nog restte van zijn leven had geen zin van zichzelf, wist hij, want die zin kon alleen vorm krijgen in relatie tot anderen.’

    Cyrus is jaren in de ban van drugs en drank, maar hij stopt uiteindelijk met drinken.

    Op zoek naar betekenis

    Cyrus is eind twintig als hij zich verdiept in de geschiedenis van martelaren zoals Jeanne d’Arc, IRA-lid Bobby Sands – overleden door zijn hongerstaking in de Maze-gevangenis – en de ‘Man-voor-de-tank’, die tijdens de studentenopstand in 1989 op het plein van de Hemelse Vrede een tank tegenhield. Zijn appartement heeft hij volgeplakt met zwartwit afbeeldingen van deze martelaren. Daartussen hangt een trouwfoto van zijn ouders. Hij denkt aan het publiceren van een dichtbundel of een roman over martelaren. Cyrus: ‘Ik ben er nog niet uit. Maar heel mijn leven denk ik al aan mijn moeder op die vlucht, dat haar dood van geen betekenis is geweest. Echt letterlijk van geen betekenis. Van geen betekenis. Het verschil tussen 290 doden en 289. Een verzekeringsstatistiek. Niet eens tragisch, snap je? Maar was zij nu een martelaar? Er moet een definitie van dat woord zijn waar zij in past. Daar ben ik naar op zoek.’ Cyrus over de betekenis van de dood: ‘Ik denk niet dat het zo gek is dat ik wil dat mijn dood die wel heeft. Of om een studie te maken van mensen wier dood ertoe deed, weet je? Mensen die hebben geprobeerd om hun dood iets te laten betekenen.’

    Zijn zoektocht lardeert hij met bijzondere verhalen, zoals die over zijn oom Arash die verkleed als engel met een zaklantaarn onder zijn gezicht over het slagveld van de oorlog tussen Irak en Iran rijdt om het lijden van de stervenden te verlichten. Zo geloofden zij dat ze werden bezocht door de engel Gabriël en zo konden ze met waardigheid sterven.

    Zijn vrienden Zee Novak en Sad James wijzen hem bij zijn zoektocht naar het martelaardom op de tentoonstelling Death-Speak in het Brooklynmuseum in New York van de ‘internationaal vermaard kunstenaar Orkideh.’ Zij sporen hem aan naar New York te gaan: ‘Je wilt schrijver zijn. Zo gaan schrijvers te werk. Ze gaan achter het verhaal aan. Het is een omslagpunt. Je kunt die droeve, nuchtere man in Indiana blijven die altijd verkondigt dat hij schrijver wil worden, of je kunt er echt een gaan worden.’ Orkideh is gediagnosticeerd met terminale borstkanker en nodigt bezoekers in haar allerlaatste installatie uit voor een gesprek tijdens de laatste weken en dagen van haar leven die zij ter plekke in het museum zal doorbrengen. In een ‘abramoviceske performance’ kunnen museumbezoekers een paar minuten bij haar zitten ‘om frank en vrij over de dood te spreken.’

    Ontmoetingen in het Brooklyn Museum

    Meerdere hoofdstukken zijn gewijd aan de ontmoetingen tussen Cyrus Shams en Orkideh in het Brooklyn Museum. Hij vertelt haar dat hij studie maakt van al die mensen die zijn gestorven voor iets waarin ze geloofden. ‘Doodgaan. Het lijkt zo’n verspilling als je gewoon maar voor niets doodgaat. Zonde van je enige goede dood.’ Over de performance van Orkideh: ‘Jij bent dit aan het doen en dus betekent jouw doodgaan echt iets.’ Zij vraagt hem of hij een ‘weer zo’n door de dood geobsedeerde Iraanse man’ is. Bij de tweede ontmoeting vertelt Orkideh hem dat zijn project haar doet denken aan al die geweldige Perzische spiegelkunst. Uit Isfahan reisden ontdekkingsreizigers naar Europa. Daar zagen ze grote spiegels. De sjah wilde ook van die spiegels, maar bij het vervoer gingen die kapot: ‘In plaats van enorme spiegelpanelen kregen de architecten van de sjah in Isfahan dure spiegelscherven om mee te werken. En dus begonnen ze daar ongelooflijke mozaïeken mee te maken, heiligdommen, gebedsnissen.’ Orkideh: ‘Daar denk ik vaak over na, Cyrus. Al die eeuwen dat de Perzen de Europese ijdelheid, hun weerspiegeling eigenlijk probeerden te kopiëren.’ Bij de derde ontmoeting vraagt Cyrus waarom ze haar laatste dagen niet doorbrengt met haar familie. Orkideh: ‘Ik ben kunstenaar. Ik wijd mijn leven aan de kunst. Dat is het enige wat er is. /…./ Ik wijd mijn leven aan de kunst omdat die blijft /…/ Dat is wat de tijd niet kapotmaakt.’  Het motto van haar tentoonstelling Death-Speak luidt: ‘Kunst is waar wat wij overleven overleeft.’

    Orkideh doet orakelachtige uitspraken over zijn zoektocht naar het martelaarschap: ‘Wat ik bedoel is dat ik denk dat je je echte einde misschien ontdekt als je er niet langer naar zoekt. Ik denk dat echte eindes zich meestal van buitenaf naar binnen werken.’

    Bijzondere stijl

    Kaveh Akbar heeft een bijzondere manier van vertellen. Hoofdstukken over Cyrus’ moeder Roya Shams, zijn vader Ali Shams en zijn oom Arash, worden afgewisseld met hoofdstukken uit zijn schooltijd, zijn drank- en drugsperiode. Er zijn hoofdstukken met dromen, o.a. over zijn gesprekken met Orkideh en fragmenten uit zijn Martelarenboek.docx. Bovendien bevat het boek korte citaten uit officiële Amerikaanse en Iraanse onderzoeksrapporten over het neerstorten van vlucht 655. Vanuit Amerikaans standpunt is het neerschieten van het lijntoestel ‘niet met opzet’ gebeurd; in Iran wordt de aanslag op een postzegel gezet om te gebruiken als propagandamateriaal tegen Amerika.

    De roman zit knap in elkaar. De hoofdstukken kunnen gezien worden als stukjes van een gebroken spiegel: aan het eind is het mozaïek klaar en heeft de lezer een duidelijker beeld van hoe alle gebeurtenissen met elkaar samenhangen.

    Clarice Lispector

    Cyrus’ roman spitst zich toe op de vraag: hoe zorgen we ervoor dat onze dood ertoe doet? Uiteindelijk is zijn boek af, hij zal net als Orkideh een kunstwerk nalaten. In een droombeeld ziet hij ‘zijn familie, allebei zijn ouders, zijn boek, zijn eigen gezicht. Zonder toekomst, als een verbrijzelde glazen bol.’ Martelaar! heeft een motto van Clarice Lispector. Vooraan: ‘Mijn God, nu pas moet ik eraan denken dat mensen doodgaan.’ En na de laatste bladzijde wordt dat citaat herhaald, met de toevoeging: ‘Maar… maar ook ik? Niet vergeten dat het vooralsnog aardbeientijd is.’ De citaten zijn afkomstig uit haar laatste boek Het uur van de ster. Kort na het verschijnen ervan overleed de schrijfster, net voor haar zevenenvijftigste verjaardag. Mede door deze citaten vraagt de lezer zich af wat er van Cyrus is geworden. Zo blijft Martelaar! na lezing nog lang rondzingen in het hoofd van de lezer.

    Met zijn ruim 400 bladzijden is Martelaar! een interessant en boeiend boek. Vertaler Hans Kloos, die de lezer ook nog kan kennen van zijn vertaling van Ik ben een eiland van Tamsin Calidas, leverde weer een mooie vertaling af. Wie meer wil weten over Akbar en zijn debuut kan terecht op het Crossing Borderfestival op 2 november in Den Haag.

     

     

     

  • Kunst overwint geweld

    Kunst overwint geweld

    Toen Salman Rushdie door zijn aantekeningen voor een nieuwe roman na Victoriestad bladerde, merkte hij dat hij er niet mee verder kon: ‘Tot ik de aanslag had behandeld, zou ik niet in staat zijn iets anders te schrijven (…) Schrijven zou mijn manier zijn om bezit te nemen van wat er was gebeurd, de controle erover te nemen, het me toe te eigenen, te weigeren louter een slachtoffer te zijn. Ik zou geweld beantwoorden met kunst’. Die behandeling van de aanslag heeft geresulteerd in Mes. Gedachten na een poging tot moord.
    De aanslag op Rushdie vond plaats op 12 augustus 2022 om 10:45 uur in het amfitheater van Chautauqua in de staat New York waar hij een lezing zou geven. Rushdie liep vijftien messteken op die hem op het randje van de dood brachten en waardoor hij blijvend een gehandicapte linkerhand heeft en zijn rechteroog is kwijtgeraakt. De dader van de aanslag was een fundamentalistische moslim die Rushdie in zijn boek slechts als ‘de A.’ aanduidt (‘Aanvaller, would-be-Assassino, Achterlijke man die Aannames over mij maakte, die met mij een bijna dodelijke Afspraak had’).

    Mes bestaat uit twee delen. In het eerste, ‘De engel des doods’, blikt Rushdie vooral feitelijk terug op de aanslag, zijn tijd in het ziekenhuis en zijn revalidatie. ‘De engel des levens’ is het tweede deel waarin de auteur tracht de aanslag mentaal te verwerken en zijn (schrijvers)leven opnieuw in te richten. Als een rode draad loopt door beide delen de aanwezigheid van zijn vrouw, de dichteres en fotografe Eliza Griffiths, die je als een derde ‘engel’ zou kunnen zien. In Rushdies eigen woorden: ‘(…) het verhaal dat ik hier wil vertellen, is dat het een verhaal is waarin haat – het mes als metafoor voor haat – wordt beantwoord, en uiteindelijk overwonnen, door liefde’.

    ‘Foreshadowing’

    Dit verslag van een aanslag en de verwerking ervan kent – hoe kan het ook anders bij iemand als Rushdie – tal van reflecties op literatuur en kunst. Zo staat hij op de avond voor de aanslag voor zijn hotel naar de maan te kijken die spiegelt in het meer. Die doet hem onder andere denken aan het beroemde beeld van een ruimteschip dat op het rechteroog van de maan botst in de stomme film Le voyage dans la lune van Georges Méliès’. Het is een voorbeeld (Rushdie noemt er later meer) van foreshadowing van het verlies van zijn eigen rechteroog bij de aanslag van de dag erna.

    Op een gegeven moment neemt Rushdie zich voor de aanslagpleger te ontmoeten om die met de gevolgen van zijn daad (het uitgestoken oog, maar ook het overleven van het slachtoffer en dus de mislukking van wat ‘de A.’ beoogde) te confronteren, maar daar ziet hij op advies van Eliza van af. Het wordt, als we inmiddels in het tweede deel van Mes zijn beland, een fictieve ontmoeting met ‘de A.’ waarin Rushdie probeert te achterhalen wat hem gedreven kan hebben. Er volgen vier sessies van een vraag- en antwoordspel waarin Rushdie zijn eigen vermoedens ontvouwt en zijn fantasie moet aanspreken om geloofwaardige antwoorden van ‘de A.’ te bedenken.

    Afgewezen

    Het is twijfelachtig of Rushdie erin geslaagd is een helder beeld van de aanslagpleger te bereiken. De ondervrager gaat op zoek naar de werkelijke voedingsbodem van de would-be-moordenaar. Hoe kon hij zo haatdragend worden dat hij ervan overtuigd was dat hij de schrijver van een boek (De duivelsverzen) dat hij niet eens had gelezen, moest vermoorden? ‘Jij bent een boze jongen’ zegt ondervrager Rushdie: ‘Zes miljard vijanden, nul vrienden, nog minder geliefden. Woedend. Zoveel wrok. Ik vraag me alleen af wie je eigenlijk wilde vermoorden. Een meisje dat je afwees? Een jongen op de sportschool of aan de Israëlische grens? Je moeder misschien? (…) Wiens gezicht zag je voor me toen je me stak?’
    Het is een psychologie die Rushdie ontleent aan schrijfster Jodi Picoult. Zij vertelt in haar roman De tweede dochter dat eenlingen er niet voor kiezen eenzaam te zijn, maar voortdurend zijn teleurgesteld in hun pogingen om in harmonie met de wereld te leven.

    Leert de lezer daardoor ‘de A.’ echt kennen? Diens drijfveren zien we natuurlijk zoals Rushdie ze zich probeert voor te stellen. Veel overtuigender is de les die Rushdie voor zichzelf trekt over zijn schrijverschap na deze hypothetische ontmoeting: ‘Kunst is geen luxe. Ze is de essentie van onze menselijkheid en vraagt geen speciale bescherming, afgezien van het recht om te bestaan. Ze accepteert discussie, kritiek, zelfs afwijzing. Maar ze accepteert geen geweld. En uiteindelijk overleeft ze degenen die haar onderdrukken’.

    Rushdie hoefde nadat hij dat inzicht had verwoord zijn aanvaller niet meer in levende lijve te ontmoeten. De tragedie is mede door het schrijven van Mes tot een ‘afsluiting’ gekomen. Maar ook realiseert hij zich de grootste schade: ‘Ik ben een vreemde vogel geworden, niet zozeer beroemd om mijn boeken als wel om de incidenten in mijn leven’.

     

     

  • Oogst week 17 – 2024

    Een ander leven

    Als Bart Moeyaert met zijn moeder bij haar thuis komt na een bezoek aan zijn dementerende vader in het ziekenhuis overhandigt ze hem een oranje schoenendoos met agendaatjes waarin ze een soort dagboek heeft bijgehouden: ‘Ze drukt me op het hart dat ik er niet met mijn broers over mag praten. Ik mag alles lezen, maar liever niet morgen. Bij voorkeur na haar dood, als ik er klaar voor ben. Ik zeg dat ik de dagboeken op een veilige plek zal bewaren. Daarop mag ze rekenen. Ik herhaal dat ze bij mij veilig zijn.
    Onderweg naar huis staat de schoenendoos op de passagiersstoel. Ik leg er af en toe mijn hand bovenop. Er zit een half leven naast me. Op een bepaalde dag, op een bepaald moment, zal ik het deksel van de schoenendoos halen en aan het verleden van mijn moeder beginnen (…) Thuis sla ik een van de agendaatjes open, de dag nadat ik de doos heb gekregen. Ik doorblader het jaar haast met afgewende ogen. Ik wil – voor nu even snel – alleen maar te weten komen op welke manier mijn moeder notities heeft gemaakt. Houdt ze het kort of schrijft ze hele volzinnen?
    Natuurlijk houdt ze het kort. Natuurlijk vertelt ze haast niets ’.

    De aantekeningen van de moeder vormen maar een deel van het pas als Privé-domeinreeks 328 verschenen Een ander leven van Moeyaert. Hij beschrijft daarin zijn positie als jongste in een gezin met zeven kinderen, waarin hij zich niet gezien voelde. Er was een dominante vader en een bescheiden moeder. Toen zij 70 werd nam Bart haar mee naar Parijs in de hoop wat meer van haar te weten te komen. Dat lukt aanvankelijk niet. Tot een toevallige ontmoeting met een Amerikaanse vrouw haar confronteert met haar eigen levensloop en zij Bart vertelt dat ze ‘een ander leven’ had gewild.

    Een ander leven
    Auteur: Bart Moeyaert
    Uitgeverij: Arbeiderspers

    Mes

    Salman Rushdie werd op 12 augustus 2022 met vijftien messteken toegetakeld door een moslim-fundamentalist, op het moment dat hij zich klaar maakte voor een lezing. Rushdie overleefde de aanslag wonderbaarlijk. Sindsdien mist hij het zicht in één oog en kan hij een hand niet meer goed gebruiken. Een half jaar lang was hij zo aangedaan dat ook schrijven niet meer lukte.

    Tot hij begon aan Mes, waarin hij verslag doet van de moordaanslag en welk effect die had op zijn persoonlijk leven. Ook probeert hij zich te verplaatsen in de dader door een fictief gesprek met hem aan te gaan: ‘Ik wil zijn naam niet gebruiken in dit verslag. Mijn Aanvaller, mijn would-be-Assassino, de Achterlijke man die Aannames over mij maakte, die met mij een bijna dodelijke Afspraak had… Ik merkte dat ik hem in gedachten, het zij me misschien vergeven, Asshole noemde. Maar ten behoeve van deze tekst zal ik hem iets welvoeglijker ‘de A.’ noemen. Hoe ik hem in de privacy van mijn huis noem is mijn eigen zaak.
    Deze ‘A.’ nam niet de moeite iets te weten te komen over de man die hij had besloten te vermoorden. Hij gaf zelf toe dat hij nauwelijks twee bladzijden van mij had gelezen en een paar YouTube-video’s van mij had bekeken, meer was niet nodig. Hieruit kunnen we opmaken dat de aanslag in elk geval niet over De duivelsverzen ging.
    In dit boek zal ik proberen te begrijpen waarover dan wel’.

     

    Mes
    Auteur: Salman Rushdie
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Tijdelijke helden

    De ondertitel van Tijdelijke helden van H.W. Auden, Verzamelde gedichten, is niet helemaal terecht. De selectie bevat niet alle gedichten maar een, met meer dan zeshonderd (tweetalige) pagina’s,  zeer ruime bloemlezing. De gedichten bestrijken een breed spectrum van politiek tot religie en van puur menselijke tot culturele thema’s. Al zijn beroemde teksten zijn er in terug te vinden, zoals het bij een breed publiek bekende ‘Funeral Blues’ dat gebruikte is in de film Four Wedddings and a funeral uit 1994, waarvan de eerste strofe luidt:
    Stop all the clocks, cut off the telephone,
    Prevent the dog from barking with a juicy bone,
    Silence the pianos and with muffled drum
    Bring out the coffin, let the mourners come.

    Het werd al meerdere keren in het Nederlands vertaald. Willem Wilmink bijvoorbeeld maakte ervan:
    Zet stil die klokken. Telefoon eruit.
    Verbied de honden hun banaal geluid.
    Sluit de piano’s, roep met stille trom
    de laatste tocht van deze dode om.

    De vertalingen in Tijdelijke helden zijn van Han van der Vegt. Bij hem begint ‘Funeral Blues’ zo:
    Zet stil de klokken, hoorn nu van de haak
    zorg met een sappig bot dat de hond geen heibel maakt,
    sluit de piano’s en, met trom omfloerst,
    draag uit de baar te midden van de stoet.

    Tijdelijke helden
    Auteur: W.H. Auden
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Gestolen momenten

    Gestolen momenten

    Dan is er opeens het besef van ‘a lady of a certain age’, uit dat nummer van Divine Comedy. Al weken speel ik het af op Spotify. Alsof ik er een verborgen betekenis in moet vinden. Ik had het niet door, maar het gaat over dingen die voorbij gaan, nooit meer terugkomen. De waarheid is als Barbapapa, steeds van kleur en vorm veranderend. Ik dacht aan het interview met de gepensioneerde hoofdredacteur van de The Washington Post, Martin Baron. Dat Trump hem woedend belde als er een stuk over hem verschenen was dat hem niet beviel. Beweerde dat de The Post een ‘haatmachine’ en een ‘dikke vette leugen’ was. Baron liet hem uitrazen, beëindigde dan het gesprek. Want: ‘Ik had andere dingen te doen.’ Je niet gek laten maken. Dat zou je ook wel willen. Dag voor dag, Een getijdenboek van de liefde van Helga Schubert, gaat over haar man, die ze als jonge vrouw leerde kennen. Hij was haar docent, ze schelen dertien jaar. Hij lijdt aan dementie, heeft constante zorg nodig die zij hem geeft.

    Je denkt aan twee vrouwen in je omgeving die mantelzorger voor hun partner zijn. In Dag voor dag schrijft Schubert dat het leven zich uiteindelijk vernauwt tot ‘gestolen momenten’, waarin ze kan schrijven. Een moment van respijt heeft. Ook was er een verheugen, als haar man voor de nacht was klaargemaakt, ‘we onze handen in elkaar verstrengelden, zijn koude in mijn warme, dan begon voor ons de mooiste tijd van de dag: hij zei dat ik zijn moeder, zus, zijn grote broer, die allemaal dood zijn, zijn man zijn vrouw ben. Alles. Ik vroeg of hij geen pijn had en ik verheugde me al op het opstarten van de laptop, vooraf de begroetingsfoto van hoge golven tegen een fort in de Atlantische Oceaan. Eigenlijk maakt het niet uit waar ik woon, dacht ik, zolang hij er maar is, en als hij niet meer in dat verpleegbed zou liggen, tevreden en voldaan en zonder pijn, maar zijn lichaam dood zou zijn en ik in een eenkamerwoning, misschien wel in een tehuis of in een oude woongroep in Nederland of aan de Noordzee of in Berlijn zou wonen, zou hij er ook altijd zijn, want hij is in mij.’ Hoe klein het leven wordt.

    Een mooi boek, over stilstaan, maar ook over verdergaan waar de ander achterblijft. Als ze vraagt of hij geen pijn heeft, op dat moment is ze de werkelijkheid al een stap voor, door het verheugen op wat komen gaat. Dat gestolen moment. Schubert schreef een geschiedenis van een liefde. Op de achtergrond het verhaal van de oorlog, waar haar man als zeventienjarige inging, na drie jaar krijgsgevangenschap weer uitkwam. En hoe je je bedrogen kunt voelen omdat de partner die je kende, niet meer is. En dat zulke verhalen je steeds meer aangrijpen.
    Ja, die dame van een zekere leeftijd. Ik zing mee terwijl ik de eerste helft van het refrein typ: ‘You chased the sun around the Cote d’Azur / Until the light of youth became obscured / And left you on your own and in the shade / An English lady of a certain age’. Dat alles voorbij gaat, dat je het weet. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem

     

     

     

  • Een oeverloos bestaan

    Een oeverloos bestaan

    oeverloos (2022) is de geprezen debuutbundel van Nisrine Mbarki (1977). De bundel is zowel voor de C. Buddingh’-prijs (2022) genomineerd als voor de Herman de Coninckprijs (2023). In haar debuut snijdt Mbarki verschillende thema’s aan waaronder identiteit, taal, ouderschap, intergenerationele banden, kolonialisme en de zoektocht naar de (verloren) natuur van de mens.

    De letterlijke betekenis van oeverloos is volgens Van Dale: ‘Onbegrensd, zonder einde’. In de bundel wordt de meervoudigheid en onbegrensdheid van taal in de praktijk toegepast. Zo maakt Mbarki geen gebruik van interpunctie en krijgen alleen namen van landen, personen en titels een hoofdletter. Dit is geen slordigheid, maar een doelgerichte manier van schrijven die overeenkomt met het idee dat taal, en alles in het verlengde daarvan, oeverloos is. De woorden, zinnen en zelfs gedichten vloeien zo grenzeloos in elkaar over.

    Verschillende talen

    Door verschillende talen, waaronder Arabisch, Darija, Frans, Tamazight en Engels te verwerken in haar Nederlandstalige gedichten, illustreert Mbarki hoe centraal deze talen in haar leven staan. De hoeveelheid anderstalige woorden is weliswaar minimaal, maar heeft wel een duidelijke impact op de gedichten. Zo is de betekenis van deze woorden voor sommige lezers onbekend en ontstaan er taalbarrières die het metrum van het gedicht doorbreken en de lezer langer stil laten staan bij de tekst. Het is dan ook jammer dat er geen vertalingen in de voetnoten, achterin de bundel of op een website beschikbaar zijn. Dat is een gemiste kans, want de door mij gevraagde vertalingen die ik van Mbarki ontving blijken de bundel nog meer diepgang en betekenis te geven.

    Aan de andere kant, misschien zet deze “oeverloosheid” van taal sommige lezers wellicht voor het blok, maar het laat wel helder zien hoe krachtig de kennis van taal, of het tekort hieraan, kan zijn. De dichter toont aan de lezer dat haar leven en haar omgeving verbonden zijn met meerdere culturen en dat elke taal een ander gevoel opwekt. Misschien betekent het gebruik van meerdere talen dat de dichter zichzelf pas volledig als persoon kan uiten wanneer zij al die talen gebruikt. De vraag hoe taal, of juist de absentie daarvan, iemands belevingswereld sterk beïnvloedt, wordt in het gedicht ‘tong’ beeldig beschreven:

    mijn moeder ontnam mij haar taal en zichzelf
    mijn kindertong werd overgeleverd aan
    harde kloosterklanken op veengrond
    geprevelde gebeden die altijd alles bezweren
    achtergebleven scheldpartijen van oude krijgsmachten
    oude tekens op getatoeëerde kinnen van moeder moeders moeders
    sindsdien sleep ik het lot aan haar kruin achter me aan
    (…)

    De dichter is in dit gedicht de taal van haar moeder door diezelfde moeder ontnomen. Toch ziet de dichter de fragmenten en herinneringen van deze taal en de achterliggende cultuur overal in terug. Het lot dat de dichter aan haar kruin met zich meetrekt kan gezien worden als de dichter die het lot in eigen handen neemt en zich niet meer haar taal en achtergrond ontnomen laat worden. Verderop vertelt de dichter hoe haar zeggenschap, met betrekking tot welke talen ze leerde, ontnomen was: ‘(…) in mijn luchtpijp waanden jullie je Nimrod in Babel // als ik in het concept van moederschap geloofde, waren jullie allemaal mijn moeders 1) / de syntaxis werden / op strakke bedjes / naast elkaar gezaaid / in mijn strottenhoofd (…)’.

    De overgang van een verwijzing over Babel naar een volgende zin in het Arabisch is tekenend voor hoe Mbarki ook betekenis tussen de regels weet te creëren. Net als in Babel worden er hier verschillende talen door elkaar gesproken (al is er hier niet per definitie sprake van een onoverkoombaar taalverschil zoals in de toren van Babel het geval is). In de versregel over het moederschap staan twee veelvoorkomende onderwerpen die de bundel aankaart, namelijk het moederschap en het overkoepelende moederschap dat ons allemaal als mens aangaat. Dit overkoepelende moederschap verwijst wellicht naar de relatie van de mens tot de natuur waar de dichter vaker over schrijft.

    Zo laat het gedicht oeverloos met mooie beelden, veel alliteraties, assonanties en binnenrijm zien hoe de onbegrensdheid van taal zich uitdrukt in intergenerationele interacties. Daarnaast wordt de moeder als een archetypische gezamenlijke oorsprong en natuurkracht weergeven.

    oeverloos

    mijn moeder treedt regelmatig buiten haar oevers
    zoals jij ook doet
    wanneer de weg van waterloop tussen hart en geest
    wordt verduisterd
    door nevel of kortsluiting
    niet alleen in het regenseizoen
    ook de zomer en lente kennen hun abrupte wolkbreuken
    razende moessons zelfs

    mijn broers graven diepe geulen om haar op te vangen
    apathisch bewerkt mijn zus boomstammen met een scherpe bijl
    en bouwt dammen
    schoonzussen rapen hun kinderen bij elkaar en gillen stilletjes
    daarna tillen zij hun jurken tot kniehoogte op
    haar zussen sussen door de telefoon
    zeven tegelijk in moedertaal
    haar moeder gromt zacht en likt de waanzinnige wonden
    die niemand ziet
    terwijl mijn moeder meerdere vaders tegelijk hoort spreken

    (…)

    In dit gedicht is de moeder de personificatie van de rivier wiens oevers onvermijdelijk zullen overstromen. Zo treedt de rivier, de moeder, buiten haar oevers en sleurt daarmee alles en iedereen om haar heen met zich mee. Het gedicht eindigt met de hoopvolle notie dat wij als mens zelf het water zijn en suggereert dat we onze eigen beperkingen opleggen en daarmee onze eigen vrijheid beteugelen.

    Deze overgave aan of terugkeer naar de natuur komt in meerdere gedichten terug, zoals in de reeks ‘zon’ 2), gedicht nummer 4: ‘in een oude droom lig ik naakt op de bodem van een oerbos / ik kijk omhoog naar de eindeloze reuzen en word licht gedragen (…) we kussen de rode avonden op hun blote schouders / hier worden wij samen rots’. Hier keert de mens in een oude droom terug naar haar oorsprong en vereenzelvigt zij zichzelf aan het einde met een rots, oftewel met de natuur. Om terug te grijpen naar het grenzeloze karakter van de diepere natuur van de mens en daarmee naar zichzelf, moet de dichter ook haar familiegeschiedenis, de bijbehorende taal en cultuur (her)ontdekken en omarmen.

    Oorlog en kolonialisme

    De figuurlijke muren waar de dichter veelal tegenaan loopt hebben in zekere mate ook te maken met oorlog en kolonialisme. Zo beschrijft zij in het gedicht ‘game over’ hoe de gevolgen van kolonialisme nog steeds te vinden zijn in zowel de stad als bij haarzelf: ‘(…) in mijn straat groeien geen bomen alleen gebouwen / van rode VOC-bloedbakstenen / de halve stad is gebouwd met bloed van mijn voorouders / ik ben verleerd hoe de wind te verstaan (…)’. Later vertelt zij hoe ze de geschiedenis bij het vuil heeft gezet en hoe deze in de sleur van het, soms triviale, dagelijkse bestaan verdwijnt.

    De psychologische impact van oorlog wordt door Mbarki scherp geschreven in het gedicht ‘oorlog’: ‘de oorlog slaapt al jaren naast me in bed houdt me vast in zijn slaap / ik ben minstens vijftienhonderd nachten gestorven / hij zet ’s ochtends vroeg sterke koffie met veel suiker (…)’. Deze zinnen spreken boekdelen. Met weinig woorden laat Mbarki zien hoe oorlog ook na de strijd in een mens blijft doorwerken. Daarnaast laat het gedicht ruimte voor verschillende interpretaties. Slaapt de dichter naast iemand die de oorlog heeft meegemaakt of is de oorlog een denkbeeldig persoon? Het is in ieder geval weer een goed voorbeeld van Mbkari’s kundige omgang met taal en poëzie.

    Diaspora

    In het laatste gedicht van de bundel, ‘diaspora’, volgen we een gesprek tussen drie verschillende generaties, namelijk de dichter, de moeder en de ‘grote moeder’ en komen vrijwel alle eerder genoemde onderwerpen uit de bundel bij elkaar. De ‘grote moeder’ verwijst waarschijnlijk naar de grootmoeder van de dichter, maar kan in sommige verzen ook als een algemener beeld van een conservatiever en behoedzamer gedachtengoed gezien worden. Het is een krachtig gedicht dat de meerstemmigheid van de bundel mooi samenvat.

    Mbarki’s oeverloos is in talloze opzichten een uitstekende bundel. Men kan alleen maar hopen dat deze dichter in de toekomst nog vele nieuwe bundels zal schrijven. Tot dan zal de lezer het moeten doen met het herlezen – en nog een keer herlezen – van oeverloos.

    1) Vertaald uit het Arabisch
    2) Vertaald uit het Tamazight

  • De dichter als beeldhouwer

    De dichter als beeldhouwer

    De poëzie van Nachoem Wijnberg in zijn 21ste bundel Hoe het werkt is niet lyrisch, maar wetenschappelijk van aard. Hij onderzoekt hoe poëzie werkt en probeert dat door te trekken naar andere vormen van kunst, zoals schilderkunst, muziek, beeldhouwkunst, textiele werkvormen, maar ook de vertaalkunst. De techniek van het maken van poëzie staat voorop: als je weet hoe je kunst moet maken, kun je die dan ook verbeteren? De dichter gaat hierbij te werk als een ambachtsman die een product wil neerzetten: alle mogelijkheden van aanpak worden beoordeeld, er wordt aan geknutseld, geschaafd, verbeterd. Alsof de dichter om zijn gedicht heen kan lopen als een driedimensionaal object.

    Het maken van poëzie is arbeid. Door na te denken over hoe poëzie werkt, probeert de dichter ook inzicht te krijgen in zijn eigen werkwijze en dus in zijn eigen geest. Ook de dichter Rutger Kopland probeerde inzage te geven in het vervaardigen van een gedicht in zijn proza-aantekeningen ‘Over het maken van een gedicht’ in de bundel Al die mooie beloften uit 1978. Maar waar het bij Kopland meer om de aanleiding en de inspiratie ging, belicht Wijnberg vooral de technische kant van het plaatsen van woorden, het maken van keuzes, het procedé.

    Poëzie interpreteren laat Wijnberg aan de lezer over. Hij biedt daarvoor keuzes te over, omdat hij zo veel mogelijk interpretaties plausibel wil maken. Elk geschreven woord is een bewuste keuze van de dichter en moet dus voor de lezer verschillende richtingen uit kunnen gaan. Hij maakt hierbij gebruik van de kracht van de herhaling van woorden en zinsneden. Veel gedichten dragen daarom dezelfde titel, alsof een enkel gedicht op verschillende manieren geschreven kan worden. Opvallend zijn ook de vele vergelijkingen, vooraf gegaan door het woord ‘zoals’, dat vaak voorkomt, evenals ‘alsof’, omdat alles met alles vergeleken kan worden in de kunst, want: ‘Alles kan met alles een vorm gegeven worden, in elke kunst/ en, als alle tijd, ook daarbuiten’. (Uit: ‘Zo ver als het gaat’)

    Interpreteren wat er is ingelegd

    Voor Wijnberg gaat poëzie van de lezer terug naar de dichter: de lezer dient te interpreteren wat de dichter er misschien wel, misschien niet in gelegd heeft. Zo is de titel van de bundel op twee manieren op te vatten: enerzijds hoe de dichter te werk gaat bij het maken van poëzie, anderzijds hoe die poëzie inwerkt op de lezer ervan. Voor de lezer is het lezen van deze gedichten als dwalen door een bos, waar Wijnberg én de lezer beiden niet van weten waar het ophoudt of waar het bos op uitkomt: ‘Nog een aanwijzing/ die mij laat raden hoe het verder gaat, […]’.

    In de richting van tijd

    In de richting van tijd
    kan ik niet zeggen dat wat voor een deel verborgen is
    door iets anders daarom verder weg is
    en in welke andere richtingen is diep niet altijd ver?

    Als de achtergrond het verst weg is
    in de richting van tijd is wat op de achtergrond gebeurt
    als een stipje licht waar ik jarenlang
    een afbeelding van mijn afbeelden op kan richten,
    zoals wie de lens een hele nacht open laat staan
    voor één onheldere ster en de maan
    wordt een kromme veeg daaronder. Elke kunst laat tijd langzamer gaan,

    wat druk naar buiten geeft,
    zoals tegen de onderkant van een vleugel
    en meer druk in de richting van waar de kunst opbolt
    in de wind van de tijd.

    Poëzie als ambacht

    Dit is poëzie als ambacht, lastig en ontoegankelijk, al vindt Wijnberg zelf zijn poëzie niet moeilijk: ‘Ik schrijf een zo helder mogelijke tekst als ik kan’. Hij is oprecht en daadwerkelijk geïnteresseerd in hoe poëzie tot stand komt. Deels uit persoonlijke overwegingen, maar ook om te zien hoe het proces van het maken van poëzie doorgetrokken kan worden naar andere dichters en kunstenaars. Deze bundel kent geen afdelingen, omdat de gedichten allemaal gelezen kunnen worden als een aaneengesloten gedachtegang, het denkproces van de dichter. Het ene gedicht leidt naar het andere. Wijnberg maakt gebruik van een visueel hulpmiddel door in te springen in de marge bij bepaalde regels. Alsof de gedichten een kern van belangrijkste regels bevatten, of zoals bij een sonnet een volta, waar het oog onmiddellijk naartoe geleid moet worden.

    Een ander opvallend aspect in de gedichten is de ingewikkelde syntaxis van de zinnen, waarbij zorgvuldig lezen en herlezen noodzakelijk is. Op het eerste gezicht lijken de zinnen niet te kloppen, maar dat is slechts schijn. Het enige persoonlijk voornaamwoord dat de dichter gebruikt is ‘ik’. Waar het over gaat, wordt niet direct aangeduid, maar omschreven, zoals in de eerste strofe van het eerste gedicht ‘Wat een begin blijft’:

    Wat het begin kan zijn
    omdat ik niets anders weet
    waarvan meer wegen gaan naar wat het meest als dit is,
    waar het eerste zeggen hoe verder is
    dat ik het begin kan herhalen in plaats van wat ik nog niet weet.

    Maar ook deze omschrijving is zo complex, dat de verwarring bij de lezer toeneemt. De zin lijkt grammaticaal te ontsporen, alsof poëzie in zichzelf een ontregelende werking heeft op de taal of door de gecreëerde chaos juist orde schept.

    Taalvaardigheid van de dichter

    Een kunstvorm die Wijnberg het meeste bespreekt, naast de poëzie, is de muziek. De dichter is gefascineerd door muziek, omdat de werking ervan een raadsel voor hem blijft: “Ik kan hoogstens zeggen/ hoe muziek op mij werkt, niet hoe die werkt’. Soms zijn poëzie en muziek elkaars concurrenten, soms samenzweerders in de strijd om niet vergeten te worden. In het gedicht ‘Techniek’ schrijft Wijnberg: ‘Alle andere technieken/ van poëzie om wat dan ook langzamer/ te vergeten en muziek/ om poëzie langzamer te vergeten.’

    Interessant is ook de vergelijking van poëzie met toneel en dan met name waar het gaat om het spelen van rollen en het dragen van maskers, wisseling van personages. Wijnberg zegt daarover in het gedicht ‘Schrijven, lezen’: ‘Ik lees langzamer, schrijf sneller/ wanneer het om mij heen sneller groter wordt dan ik verder ga,/ het tegenovergestelde van dat ik steeds meer wil overslaan,/ het omgekeerde van dat ik binnen nog steeds als buiten ben.’

    Mag je dit cerebrale poëzie noemen? Hermetische poëzie? Intellectuele poëzie? Het is een intrigerende bundel, die bewondering afdwingt voor de taalvaardigheid van de dichter. Maar als lezer blijf je achter met de indruk dat Wijnberg de ambachtelijke kant van het gedichten schrijven te veel heeft benadrukt. Het geheel brengt onwillekeurig ‘Idee nummer 80’ uit Ideën I van Multatuli in gedachte, waarin een moeder de schoonheid van haar kind graag wil laten zien, maar iedereen alleen maar oog heeft voor het jurkje dat het draagt. Ook Wijnberg heeft alle aandacht voor het jurkje, maar als lezer zou je toch graag ook het kind willen zien dat daaronder schuilgaat.

     

     

  • Schuldig in en om het bed

    Schuldig in en om het bed

    Daan Merkelbach ligt al zeven jaar op bed. In kasteel Rimmelzwaan ontvangt hij zijn bezoekers die met verhalen van de buitenwereld komen. Hij houdt deze verhalen nauwkeurig bij, vergelijkt en vermengt ze met elkaar, vooral als het op zijn vriendin van vroeger aankomt, Floor Manders. Waar Daans eigen verhaal eindigt, begint dat van de anderen, waarbij de grens tussen wat waar en niet waar is opzettelijk poreus lijkt. De veelheid aan perspectieven die auteur Anjet Daanje inzet resulteert in een werkelijk polyfone roman. Veelvuldig en alleen uit 2003 is na de successen van De herinnerde soldaat (2019) en Het lied van ooievaar en dromedaris (2022) opnieuw uitgegeven door uitgeverij Pluim.

    In het chaotische eerste deel, de spijtbetuiging, wordt snel duidelijk dat dit een ingewikkeld verhaal gaat worden. Een wervelende stoet gasten trekt in een optocht door het landgoed van het kasteel op weg naar een vreemd ritueel. Er wordt niet onthuld waar het ritueel voor is maar het is wel helder dat we met een vorm van collectieve schuld te maken hebben. Onder verschillende kopjes lezen we door de hele roman telkens andere interpretaties van gebeurtenissen. De kopjes hebben als titel de naam vanuit wiens perspectief we lezen. Op deze manier wordt een incident uitgelicht op een feest waar Floor het aan de stok krijgt met een jongen. Daans vader Ben, moeder Machteld, broer Wessel, vriend Marten, Floors huisgenote Mieke, en huishoudster Willemijn geven Daan hun versie van dit verhaal. De een vergroot weer een bepaald detail, de ander laat informatie weg om Daan te helpen of te hinderen. Daan zelf stookt ook. Hij zet vragen uit en gebruikt mensen om informatie te verzamelen. Marten speelt mensen tegen elkaar uit en probeert Daan te laten twijfelen. Daan lijkt met name geïnteresseerd in alles wat Floor doet, terwijl zij haar best doet om hem te ontlopen. De oorsprong van dit conflict lijkt te liggen in een vreselijke gebeurtenis die zeven jaar geleden plaatsvond tijdens een vakantie in Bretagne.

    Alles is een verhaal

    Daans keuze om niet deel te nemen aan de buitenwereld – hij is niet ziek – is het enige actieve aan zijn houding. Hij belichaamt de klassieke onbetrouwbare verteller. Je weet nooit zeker of zijn versie van de gebeurtenissen de juiste is. Anjet Daanje zorgt er steeds voor dat parallel aan elkaar meerdere versies van de gebeurtenissen worden gespiegeld. Daan doorspekt zijn verhalen met regelrechte fantasieën of onwaarheden en het is aan de lezer om te raden wat echt is en wat niet. ‘Alles is gereduceerd tot een verhaal.’ Daan kiest de versie die hem het beste bevalt, maar het is de vraag hoe lang hij de realiteit op afstand kan houden. Zijn leven langs de zijlijn is overzichtelijk maar zijn zicht op de buitenwereld loopt via andere oren en ogen.

    Het incident dat de verdere loop van de levens van Floor, Marten en Daan heeft bepaald vormde tegelijkertijd ook de verhoudingen tussen hen. Ze hebben allemaal hun eigen kijk op die gebeurtenis en de ware toedracht is alleen aan hen bekend. Daan komt op vakantie met het idee om Floor te laten kiezen uit de drie jongens door een serie uitdagingen. In dit spel wordt er gemanipuleerd en gelogen en wordt de inzet steeds verhoogd. Alle drie dingen ze naar de aandacht en voorkeur van Floor, die het wel bevalt om als prijs gezien te worden. Zij fungeert als scheidsrechter maar is niet neutraal. Het is duidelijk dat ze niet kan kiezen maar wel een voorkeur heeft. Daan kan dit slecht verkroppen en dit speelt een grote rol in de laatste uitdaging die hij kiest voor zijn vriend.

    De medeplichtigen

    Zo veelvuldig als de versies van de waarheid zijn die Daan bijhoudt, zo gecompliceerd is de schuldvraag die aan hem knaagt. Hij kiest ervoor om in bed te blijven omdat hij zich schuldig voelt. Samen met Floor en Marten probeert Daan de gebeurtenissen van de bewuste dag te ontrafelen. Maar ook Floor en Marten speelden in de keten van gebeurtenissen van die dag een beslissende rol. Ze kunnen niet om de feiten heen en het verleden blijft een rol spelen in hun leven. Daanjes verhaal beweegt zich steeds van het heden naar het verleden als een slingerende pendule en van verbeelding naar werkelijkheid. Naarmate het boek vordert wordt in flashbacks geleidelijk meer van de beweegredenen en motivaties van de betrokkenen onthuld. Dat proces wordt geholpen door de rake karakterisering van Daanje die het innerlijk leven van de personages op bijna klinische wijze blootlegt.

    In het laatste deel van het verhaal wordt de driehoeksverhouding tussen Daan, Floor en Marten steeds meer gespannen. De jaloezie tussen Daan en Marten lijkt bij hun verhouding te horen. Daans irreële liefde voor Floor vormt onmiskenbaar een belangrijk deel van zijn bestaan, maar Daanje laat de lezer ook hieraan twijfelen. Tot Daan op een bepaald moment zijn ware verlangen uitspreekt: ‘Hier was hij naar op zoek. Niet naar haar exclusieve, eeuwige, hartstochtelijke liefde. Maar naar opnieuw samen. Marten, Justin, Floor en hij.’ Het slot is krachtig maar laat ook een wrange smaak achter. Er zijn geen winnaars in dit verhaal, alleen maar schuldigen.

    Schuld en boete

    Floor saboteert haar eigen leven als boetedoening voor wat er is gebeurd en Daan gaat de schaamte en schuld uit de weg door in bed te blijven. Beiden hebben ze geen zuiver geweten. Ze begrijpen elkaar goed, Daan snapt als enige wat Floor doormaakt. Het is geen toeval dat Floor kiest om Daan voor te lezen uit Schuld en boete. Maar er is geen offer dat ze kunnen brengen om alles weer goed te maken. Nog belangrijker dan de verdraaiingen van Daan zijn wellicht de woorden die hij weglaat. Hij laat zichzelf en anderen de ruimte om te twijfelen, omdat hij bang is voor die ene waarheid. Zo zegt Daan het volgende over de verhalen van zijn bezoekers: ‘Ze vervormen hun verleden door het in woorden te vatten, want woorden zijn altijd vereenvoudigingen.’ Met alle grote literatuur is het net zo, de waarheid daarin is meervoudig.

    Alle stemmen in het boek draaien om die ene gebeurtenis. De hele maskerade en façade van het eerste deel dienen om de lezer te behoeden voor een te simpele interpretatie. Hiermee lijkt Daanje te willen zeggen dat er geen juiste herinnering is, alle verhalen samen vormen de werkelijkheid. Het is net een puzzel zonder het laatste stukje. Hoe het nu uiteindelijk precies is gegaan doet er eigenlijk niet toe. Elke mogelijke uitkomst leidt weer tot eindeloze variaties. De vele mogelijkheden werken benauwend en herinneren aan het feit dat je altijd weer moet kiezen. Misschien is het geruststellend om te geloven in een enkele versie van de werkelijkheid. Maar ergens in geloven maakt het nog niet echt. Zo werpt Daanje een hoop interessante vragen op over wat realiteit is. De constante perspectiefwisselingen vragen wel om aandachtig lezen en geven het geheel iets filmisch. Daanje, die ook veelgeprezen scenario’s schrijft, belicht als het ware telkens een ander deel van de scène en heeft tot het noodlottige einde de regie in handen.

     

     

  • Oogst week 40 – 2023

    De nachtzijde van de rivier

    De Britse schrijfster Jeanette Winterson (1959) publiceerde in 1985 Oranges are not the only fruit, een autobiografische roman over een lesbisch meisje dat opgroeit in een streng christelijk milieu. Ze verwierf er internationale bekendheid mee en van het boek werd ook een tv-serie gemaakt. Winterson studeerde Engels en begon aan een schrijverscarrière met verhalen, kinderboeken en essays. Ideeën uit de natuurwetenschap, tijd en ruimte, metafysica, fictie versus werkelijkheid en genderidentiteit zijn de kwesties waarover zij zich buigt. Haar eerste jeugdroman De tijdhoeder (2005) is een science-fictionverhaal en de roman Frankusstein, om er maar een te noemen, handelt onder meer over kunstmatige intelligentie en robotica.

    De nachtzijde van de rivier bestaat uit huiveringwekkende korte verhalen over verleiding, angst en wraak, liefde en verdriet. Van de geesten en de doden wel te verstaan en tegen de achtergrond van onze digitale wereld. We staan voortdurend met elkaar in contact. We weten alles over anderen en over de ontwikkelingen in de wereld. Wat we niet kennen is de wereld van de geesten, de verhalen van de doden. Winterson op haar website: ‘Ik geloofde nooit in geesten, totdat ik met ze samen begon te leven.’ Wintersons geesten hebben nieuwe manieren gevonden om ons te bereiken, verstoren met technologie de grens tussen leven en dood en regelen ontmoetingen met het bovennatuurlijke.

    De nachtzijde van de rivier
    Auteur: Jeanette Winterson
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim 2023

    Tenminste voor een bepaalde tijd

    Met het schrijven van Tenminste voor een bepaalde tijd komt de ik-verteller een onuitgesproken belofte aan Frida na. Het is 1974. Frida is de tiener die zwanger is en, zo komt de ik te weten van haar broer Nico met wie hij vriendschap heeft aangeknoopt, daarom door haar ouders van school wordt gehouden. De vijftienjarige ik is hopeloos verliefd op haar. ‘Want door Frida trad het leven – en zeker ook mijn leven – voor even uit zijn verstikkende begrenzing.’

    Hij is in de ban van zijn verliefdheid, maar ook van het verdriet om zijn zus die door een verkeersongeluk om het leven is gekomen. Al die heftige gevoelens kwellen hem voortdurend. Om daaraan en aan de droevige sfeer thuis te ontsnappen zoekt hij een baantje. De boekwinkel waarin hij gaat werken wordt zijn houvast, evenals het voor een klant bijhouden van een archief van mysterieuze verdwijningen. In het boek is het overlijden van de zus van de auteur een autobiografisch gegeven.

    Het verhaal speelt zich af in Zutphen, waar ook Heesens debuutroman Een naderend begin van iets nieuws (2021) – met dezelfde ik-verteller maar dan een paar jaar ouder – en de verhalenbundel Naar Zutphen (2019) zijn gesitueerd.

    Tenminste voor een bepaalde tijd
    Auteur: Hans Heesen
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer 2023

    Over de berekening van ruimte I

    De Deense schrijfster Solvej Balle (1962) studeerde literatuur en filosofie. In 1984 verscheen haar eerste boek, de novelle Lyrefugl. Vele verhalen en gedichten verder brak ze in 1993 door met de roman Ifjølge Loven en er volgde internationaal erkenning. Voor haar fictie laat Balle zich inspireren door Kafka en Borges, liefde en existentiële eenzaamheid zijn haar thema’s.
    Voor de delen een t/m drie van Over de berekening van ruimte – een titel die in totaal zeven romans zal beslaan – ontving ze in 2022 de Literatuurprijs van de Noordse Raad.

    In deel 1 botsen twee tijdsbelevingen. Thomas, samen met zijn vrouw Tara handelend in 18e eeuwse boeken, wordt elke ochtend wakker op 18 november. Zijn geheugen is gewist, zijn geestelijke gevangenschap doet denken aan dementie. Voor Tara loopt de tijd gewoon door en iedere dag vertelt zij hem wat er is gebeurd. Alles wat Tara ziet en hoort schrijft ze op. In het begin van de roman is het voor de 121e keer 18 november. Tara wordt elke dag ouder en voor haar is het haast een obsessie om te proberen bij 19 november te komen, in een wereld waar de tijd normaal verstrijkt. Maar wat is normaal? Op het mysterie tijd hebben natuurkundigen, filosofen en geriaters nog altijd geen antwoord. Solvej Balle houdt de lezer vast met de vraag wat er in Thomas’ en Tara’s wereld aan de hand is.

     

    Over de berekening van ruimte I
    Auteur: Solvej Balle
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • De gekke man

    De gekke man

    Ik las een kleine roman waarin schrijver Maarten Biesheuvel en zijn vrouw Eva Biesheuvel-Gütlich voorkomen. Beiden zijn inmiddels overleden, maar in deze debuutroman, die speelt in de jaren negentig, maken ze onderdeel uit van de Professorenwijk in Leiden waar de protagonist opgroeit. Biesheuvel was een geliefd schrijver in het Nederlands literaire landschap, omringd door geit, katten en hond. Ik verbeeldde me zijn leven altijd op dat kamertje in dat houten huis (donkergroen met rode kozijnen) genaamd ‘Sunny Home’ in Leiden, waar hij Reis door mijn kamer schreef. Hij vond zelf dat hij helemaal niet kon schrijven. Hij schreef omdat hij niets anders te doen had: ‘Ik ga niet reizen. Ik blijf rustig thuis op mijn studeerkamer. Voor de grap schrijf ik dit verhaal er nog bij, omdat ik niet weet wat ik anders moet doen. (…) Ik zal u mijn kamer beschrijven precies zoals hij is, opdat mensen over duizend jaar weten hoe een kamer anno 1983 in Leiden, Nederland, eruit zag.’ 

    De bewoners van het donkergroene huis spelen een belangrijke rol in het leven van de tienjarige Elias en zijn vijf jaar jonger broertje Johannes met het syndroom van Down. Na de geboorte van Johannes, zegt de vader achteloos tegen Elias, ‘Ma heeft een mongool gebaard.’ Zo’n man is de vader dus. Rookt sjekkies aan de lopende band (als hij ziek wordt, draait Elias die voor hem), wil dat er naar hem geluisterd wordt, ‘Kijk me aan als ik tegen je praat!’ en gaat er geregeld vandoor. ‘De laatste keer dat het pa teveel was geworden, had hij de spiegelkastjes in de slaapkamer van de muur getrokken.’ Daarna vertrok hij naar een klooster in Tegelen waar hij ‘goede wijn, rust en intellectueel gezelschap’ zou vinden. Je denkt, godskolere, wat een zak! Het is dat ik me heb voorgenomen om iemand niet meer zo snel ‘narcist’ te noemen. 

    Elias neemt gaandeweg de zorg van Johannes op zich in de hoop dat zijn ouders er wat gelukkiger op zullen worden. Daarentegen escaleert de relatie tussen zijn ouders. Op school wordt Elias om zijn broertje het mikpunt van plagerijen. Op een dag wordt hij getrapt en geslagen. Hij ontworstelt zich, rent weg en komt hijgend tot stilstand tegen het tuinhek van het donkergroene huis. Een mannenstem zucht, ‘U bevlekt mijn poort, de toegang tot het koninkrijk.’ De man steekt zijn hand uit en stelt zich voor als de enige zoon van God. De kennismaking van Elias met de ‘gekke man’ zoals hij in de wijk wordt genoemd, met Maarten Biesheuvel. Later, als zijn moeder hen vergeet op te halen na school, wordt Johannes boos. Om hem af te leiden, neemt Elias hem mee naar het donkergroene huis, hij laat hem de geit in de tuin zien. Dan komt er een ‘kleine vrouw met warrig bruin haar’ naar buiten. ‘Komen jullie maar even mee.’ zegt ze tegen de jongens. Zijn broertje gaat daar direct op in. ‘Jij en mijn man,’ zei ze vooroverbuigend naar Johannes, ‘jullie zullen elkaar graag mogen. Dát zie ik zo.’

    Een debuut over een disfunctionerend gezin waarin de ouders de verantwoording van hun problemen op de schouders van hun oudste kind leggen. Het is bijzonder te lezen hoe Elias’ geest werkt, hoe de komst van zijn gehandicapte broertje zijn leven beheerst, hoe hij er steeds op uit is om de lieve vrede te bewaren. Och, en dat einde, als er lijkt te gebeuren waar hij van droomde, voor altijd bij mevrouw Eva. Als dat moment daar is, volgt een grote deceptie. Als lezer weet je natuurlijk dat mevrouw Eva haar handen meer dan vol heeft aan haar man. Hoe het met Elias afloopt is ontroerend. Geen gekunsteld einde maar zoals de dingen gaan (er is iets in Elias’ gedragingen, in het beschrijven daarvan, dat het omgekeerde van slachtofferschap laat zien). Een debuut waaraan je afleest dat er voortdurend aan geschaafd en gepolijst is. Een pareltje van gedoseerde vertelkunst.

     

    Beste mevrouw Eva / roman Valentijn de Heer / Uitgeverij Pluim


    Inge Meijer is een pseudoniem

  • Oogst week 37 – 2023

    De kolonel slaapt niet

    Emilienne Malfatto (1989) betekent letterlijk: ‘Uit duizenden’ en ‘slecht gedaan’. Toch excelleert zij tot nu toe voortdurend. Zowel haar journaalfoto’s als schrijfwerk wordt alom geprezen. Als oorlogscorrespondent in onder andere Irak schreef zij voor The Washington Post en The New York Times. Haar debuutroman Que sur toi se lamente le Tigre leverde haar Le Prix Goncourt Premier op: de beste debuutroman van Frankrijk. Ook haar tweede roman – Le colonel ne dort pas – verdiende een Franse prijs: die van de beste tweede roman. Benefatto!

    De kolonel slaapt niet, vertaald door Martine Woudt, gaat over een woeste oorlog die legercommandanten de slaap ontneemt. De vertelling focust zich op drie mannen: een kolonel, een generaal en een ordonnans. Vanuit haar ervaring in oorlogsgebied zet Malfatto haar karakters en decor geloofwaardig neer. Zo wakker als de hoofdpersonen zijn uit gewetenswroeging, zo alert registreert Malfatto onrecht. Dit doet zij met impressionistische toets: een stilistisch contrast met de wreedheden, begaan door het slapeloze drietal. Lezen dus, maar liever niet vlak voor het slapengaan…

     

    De kolonel slaapt niet
    Auteur: Émilienne Malfatto
    Uitgeverij: Cossee

    Nu we er toch zijn

    Alles uit Deventer ademt literatuur. Dit geldt ook voor Erwin Hurenkamp (1993). En nu we daar toch zijn: Hurenkamps debuutbundel luidt Nu we er toch zijn. Op Hard//Hoofd valt te lezen dat hij een vrij letterlijke broodschrijver is: hij werkt in Amsterdam bij een Franse bakkerij. Editio’s Debutantenschrijfwedstrijd heeft hij in 2021 gewonnen, hetgeen hem er vast toe inspireert door te gaan.

    Zelf heeft hij echter niks met inspiratie: ‘Voor mij ontstaat een tekst meer vanuit een spelletje, vanuit het oeverloos combineren van woorden, beelden en ideeën.’ Toch lijkt Nu we er toch zijn hoger in te zetten dan een simpel spelletje. Verwijzingen naar de Bijbel én kritiek op haar – Genesis, Agnus Dei, Koolstof, Kyrie en Credo – lijken maar op één ding te anticiperen: een kleine bundel over de grote geschiedenis. Het is afwachten hoe biologie, geloofskritiek, natuurkunde, scheikunde én poëzie een coherent geheel vormen.

    Nu we er toch zijn
    Auteur: Erwin Hurenkamp
    Uitgeverij: Querido

    Lessen van King

    In vijf jaar tijd wordt Martin Luther King hét gezicht van de Amerikaanse Civil Rights Movement. Tussen 1963 en ’68 (het jaar waarin hij vermoord wordt) brengt de dominee een raciale verbroedering teweeg van wereldse proporties. Zestig jaar na zijn gedroomde speech blijkt echter dat we nog een wereld te winnen hebben. Lessen van King, coproductie van Peter Sierksma, Johan Fretz en Harcourt Klinefelter, vat Kings koninklijke nalatenschap samen. Het driekoppige doorgeefluik bevestigt in elk geval deze les van de predikant: ‘You can kill the dreamer, not the dream.’

    Harcourt Klinefelter, Kings persvoorlichter én sinds 1972 wonend in Nederland, heeft het icoon van dichtbij meegemaakt. Naar het credo ‘what would Martin do?’ zet hij zich onder meer in voor Black Lives Matter en Extinction Rebellion. Hij kiest de thema’s waarover amerikanist en journalist Peter Sierksma zich buigt: De lessen van King. Enerzijds is het natuurlijk prachtig dat Martin Luther King tot op heden miljoenen mensen weet te inspireren. Anderzijds blijft het onverteerbaar dat zijn oproep tot geweldloos verzet nog altijd actueel is. Onrecht, het verdwijnt niet zomaar.

    Lessen van King
    Auteur: Peter Sierksma, Johan Fretz, Harcourt Klinefelter
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • We leerden pas in 2022 echt naar Rusland kijken

    We leerden pas in 2022 echt naar Rusland kijken

    Tijdens de Russische oorlog in Oekraïne ‘kon je de Russen er zo tussenuit pikken’, schrijft Oksana Zaboezjko in haar essay Mijn langste boektournee. Ze geeft een voorbeeld: ‘In Charkiv verraadden ze zichzelf doordat ze in plaats van het stadhuis het stadtheater wilden bestormen, waarmee ze een fout van Praag 1968 herhaalden, toen Sovjettroepen vanuit dezelfde logica het Nationale Museum onder vuur namen: de macht zal zich vast in het mooiste gebouw ophouden’. Verderop vertelt ze nog hoe de Russen in 2022 haar land binnentrokken met landkaarten uit 1985 waarmee ze door bagger ploeterden in plaats van over nieuwe snelwegen. Bovendien hadden ze proviand bij zich die al zeven jaar over de houdbaarheidsdatum was.
    Deze voorbeelden zouden prima gepast hebben in Dit volk heeft zijn God op aarde, een bundel getuigenissen over Rusland, samengesteld door Hans Driessen, Michel Krielaars en Eva Peek.

    De inleiding van deze bundeling noemt de Russische inval van 24 februari 2022 niet voor niets al in de eerste regel en pikt daaruit op: de gruwelijke wreedheid van de Russen, ‘hun klungeligheid, hun slechte informatiepositie, de ondermijnende corruptie en de verwondering over de gelatenheid waarmee zoveel Russen gehoorzaamheid toonden aan hun leiders’. In de volgende alinea betogen de samenstellers dat we daar niet verbaasd over hoeven te zijn omdat die manifestaties al lang rode draden in de Russische geschiedenis zijn.

    Ooggetuigen

    Die stelling werken zij in de inleiding verder uit. De 152 getuigenissen (dagboeken, brieven, verslagen van verhoren enzovoort van Russen zelf en van diplomaten, schrijvers en journalisten van elders), die in het boek zijn opgenomen laten daar overvloedige bewijzen van zien. Toch is er iets opmerkelijks aan de introductie van dit boek. Ze laat namelijk vooral zien hoe we de geschiedenis beschrijven vanuit onze eigentijdse ogen. We kijken terug door de gekleurde bril van onze eigen herkenning.

    Dit volk heeft zijn God op aarde is grotendeels een herdruk van Ooggetuigen van de Russische geschiedenis uit 2007. Alle 126 stukken uit die uitgave staan – met af en toe wat redactionele wijzingen – ook in deze nieuwe verzameling. De 25 toegevoegde recentere stukken bestrijken de jaren 2008 (de Russische inval in Georgië) tot 2023 (het verhaal van een Oekraïense jongen die uit bezet gebied werd gedeporteerd). In de inleiding bij Ooggetuigen uit 2007 vallen echter niet de typeringen als klungeligheid, slechte communicatie of corruptie. Toen schreven de samenstellers (destijds zonder Eva Peek) nog: ‘Wil men met alle geweld een rode draad in de Russische geschiedenis zien, dan valt te denken aan de angst van de machthebbers voor hun onderdanen en aan de afschuwelijke gevolgen daarvan’.

    Galg

    Met deze signalering in verschillende kleuren in Ooggetuigen en Dit volk heeft zijn God op aarde zij niet gezegd dat de inleidingen elkaar tegenspreken. Ze laten echter wel zien hoe we onze schijnwerpers anders zijn gaan richten door het optreden van Rusland in Oekraïne. Je gaat de 126 stukken die in Ooggetuigen al stonden ineens anders lezen. Wat de klungeligheid betreft bijvoorbeeld kon je het verslag van de executie van veroordeelden van de Dekabristenopstand in 1826 bij lezing in 2007 nog afdoen als een kolderieke anekdote: de executie moest volgens de tsaar ’s morgens om vier uur plaats vinden, maar dat lukte niet omdat de koetsier met de galgpalen op weg naar de executieplaats vast was komen zitten; toen de galgen eenmaal in grote haast waren ingegraven bleken ze zo hoog dat de touwen met de strop te kort waren; toen dat werd opgelost door de veroordeelden op bankjes te laten staan bleken de touwen bij drie misdadigers te slap (ze braken) en op zoek naar vervangend touw bleek de winkel waar het gekocht moest worden nog gesloten te zijn.
    Nu we sinds de inval in Oekraïne meer voorbeelden van klungeligheid hebben krijgt dit incident ineens een bredere betekenis.

    Godheid

    Dat geldt voor veel stukken. Wat we nu via onze TV-schermen zien als gebrekkige communicatie in het Russische leger, slechte voorbereiding, onderschatting van de strijd, wreedheid zoals in Boetsja, enzovoort blijkt parallellen te hebben in de geschiedenis, die meer zijn dan incidenten. Er lijkt een aantal factoren beslissend als oorzaak daarvan.
    Ten eerste is dat de status van de leider die zich als een soort onfeilbare god presenteert, daarin gesterkt en gelegitimeerd door de innige band met de orthodoxe kerk (de titel Dit volk heeft zijn God op aarde – ontleend aan een reisverslag van de Franse markies de Custine uit 1839 – verwijst ernaar). De gevolgen zijn een volstrekte zelfoverschatting door de heerser (Catharina de Grote, de tsaren, Stalin, Poetin) en een slaafse volgzaamheid van intimi die uit angst voor hun eigen hachje geen kritiek durven te leveren.
    Een tweede reden is de aanhoudende desinformatie en propaganda onder het eigen volk. Daardoor kunnen veel Russen, die generaties lang niets anders hebben gehoord, de oprechte overtuiging hebben dat hun leider slechts hun land verdedigt tegen fascistische staten die uit zijn op vernietiging van Rusland.
    En een derde factor lijkt te zijn dat iedereen uiteindelijk alleen voor zichzelf zorgt, wat leidt tot corruptie, vriendjespolitiek, behagen van de leider en ontlopen van verantwoordelijkheid.
    Er rijst een beeld op van een bevolking (uitzonderingen daargelaten) die van zijn individualiteit is beroofd en dus van zijn vermogen verantwoordelijkheid te voelen of eigen initiatief te ontplooien. Het is de beste voedingsbodem voor een dictatuur.

    Traditie

    Poetin heeft, dat alles in aanmerking genomen, waarschijnlijk geen moment getwijfeld aan zijn idee dat de ‘speciale operatie’ in Oekraïne in een paar dagen gepiept zou zijn. Maar hij kwam een volk tegen dat, in de woorden van Olesya Khromeychuk in De dood van een soldaat verteld door zijn zus ‘geen traditie [heeft] van het vereren van zijn politieke leiders. In tegenstelling tot in Rusland verliezen de politici de steun van hun teleurgestelde electoraat zodra ze hun beloften niet nakomen’.
    Dat wij er nu pas aan toe zijn zo naar Rusland te kijken heeft er alles mee te maken dat de oorlog voor ons begon op 22 februari 2022. Maar voor Oekraïeners zelf was hun land al veel langer in oorlog met de imperialistische noorderbuur; al in 2017 toen Rusland de regio’s Donbas en Loegansk inpikte (de broer van Khromeychuk stierf in die gevechten); al in 2014 toen de Krim werd bezet; al eeuwen eerder zelfs.
    Zoals Oksana Zaboezjko in Mijn langste boektournee, en eerder al in haar bundel Zussen, op soms woedende toon duidelijk maakt: wij in het Westen keken heel lang naar Oekraïne door Russische ogen. Wij zijn volgens veel Oekraïense schrijvers in februari 2022 pas wakker geschud en durven nu pas het eigene van hun land en het ware gezicht van Rusland te zien.
    Wie de bundeling in 2007 las deed dat als een toeschouwer op afstand, een buitenstaander. Sinds de inval in Oekraïne is onze betrokkenheid veel en veel groter. Het is daarom terecht dat Dit volk heeft zijn God op aarde verschijnt. Niet alleen omdat er recentere stukken zijn toegevoegd, maar ook omdat het boek ons bewust maakt van de inwerking van onze eigen actualiteit en angsten op onze kijk naar het verleden.

     

  • Oogst week 26 – 2023

    Zeven omhelzingen

    De Oostenrijkse Friederike Mayröcker (1924-2021) is in Nederland niet bekend, maar heeft in Duitstalige landen een indrukwekkend oeuvre van wel tachtig uitgaven op haar naam staan aan gedichten, proza en kinderboeken.

    Daarnaast schreef ze ook nog toneel- en hoorspelteksten. Haar nu in Nederland onder de titel Zeven omhelzingen verschenen verzameling poëzie bevat zeven gedichten die afkomstig zijn uit haar bundel Von den Umarmungen uit 2012. Mayröcker, die lerares Engels was, ontmoette in 1954 haar grote liefde Ernst Jandl, die ook leraar was. Ze woonden een tijd lang samen, leefden grotendeels gescheiden van elkaar, maar vonden elkaar vooral in hun werk.
    Mayröckers proza en gedichten worden gezien als autofictie. Zo is in Zeven omhelzingen duidelijk Ernst Jandl aanwezig hoewel zijn naam maar één keer, en dan nog louter met de initialen E.J. wordt genoemd.

    De vertaling is van Ton Naaijkens, aan wie in april van dit jaar de Martinus Nijhoff Vertaalprijs  werd toegekend. Hij schreef ook het nawoord bij de zeven gedichten.

    Zeven omhelzingen
    Auteur: Friederike Mayröcker
    Uitgeverij: Stichting M10Boeken

    Werken voor de kost

    Werken voor de kost is het debuut van de jonge Franse Claire Baglin. De vertelster in de roman groeit met haar ouders en een broer op in een fabrieksarbeidersgezin waarin elk dubbeltje moest worden omgedraaid. Tot de heerlijkste uitjes hoorden bezoekjes aan een fastfood restaurant.

    Buiten dat vette eten was er, op een enkele vakantie na, weinig waarmee de karigheid van het dagelijkse bestaan kon worden opgeluisterd. Als het meisje volwassen is neemt ze een baan aan in een dergelijk restaurant en wordt daar geconfronteerd met een wereld waarin het sloven is. Dat wat in haar kindertijd bijna een feest was blijkt achter die façade een harde wereld te zijn van hete dampen en gestress bij de drive-inbalies. Ze ontdekt de achterkant van de romantiek uit haar kindertijd, een achterkant die veel parallellen heeft met wat haar vader in de fabriek onderging. Toch is Werken voor de kost gekruid met humor.

    Werken voor de kost
    Auteur: Claire Baglin
    Uitgeverij: Pluim

    Bruiloft / De Zomer

    Van Albert Camus worden romans als De pest ( zelfs ineens weer erg populair in coronatijd) en De vreemdeling nog altijd gelezen. Er bestaan meerdere Nederlandse vertalingen van. Veel minder bekend zijn Camus’ essays als Bruiloft en De zomer. Beide werden al enkele malen eerder in het Nederlands uitgegeven maar zijn nu opnieuw vertaald door Eva Wissenburg. Eén van de essays is getiteld De wind in Djélima:

    ‘Het is geen stad om even halt te houden en dan weer door te gaan. Ze leidt nergens heen en biedt geen toegang tot andere streken. Het is een plek waar je van terugkeert. De dode stad ligt aan het eind van een weg vol haarspeldbochten, en omdat je haar achter elke bocht verwacht lijkt de route ellenlang. Wanneer op een flets plateau diep tussen de hoge bergen eindelijk haar gelige skelet oprijst als een woud van beenderen, ligt Djémila daar als een les in liefde en geduld die als enige ons naar het kloppend hart van de wereld kan brengen’.

    Bruiloft / De Zomer
    Auteur: Albert Camus
    Uitgeverij: Athenaeum