• Oogst week 6 – 2026

    De vogelgrens oversteken

    In haar debuutbundel vertelt Bernice Vreedzaam over de geschiedenis van Suriname ter gelegenheid van het bestaan van de vijftigjarige republiek. Ze doet dat door te vertellen over de mensen die onder dwang uit Ghana gehaald werden om te werken op de plantages. Een aantal van deze tot slaaf gemaakten wist te ontsnappen en wisten hun cultuur en taal te bewaren. Vreedzaam begint bij hun leven in Afrika en gaat langs jaartallen en gebeurtenissen naar het heden van Suriname en naar de emigratie van sommigen naar Nederland en de Bijlmer. Zo komen de slavenschepen in zicht, de onmenselijke behandeling die deze mensen moesten ondergaan, maar ook vertelt ze over moed, vrijheidsdrang en verzet.

    Het bijzondere van deze bundel is dat de gedichten geschreven zijn vanuit de mensen die het meegemaakt hebben. Bernice Vreedzaam dicht met passie over de geschiedenis van haar eigen volk. Ze laat daarmee zien hoe aannames en feiten die we op school geleerd hebben, kantelen wanneer je hetzelfde verhaal door de ander, die tot dan toe heeft moeten zwijgen, laat vertellen. Zij geeft het woord aan mensen die nooit zelf hun stem mochten laten horen. Daarmee bevestigt zij de identiteit van de Surinamers en hun verleden en tegelijk biedt ze een andere invalshoek aan Nederlanders vanuit een gedeelde geschiedenis.

    Halfbroer/halfzus/halfbloed

    Uw vrouw, die zelf geen kleur kreeg toegekend
    gaf onze vrouwen zwart
    gebruikt het vissengif tegen het kind
    in de baarkamer van de backyard

    Wij, met het uitzicht op de achterverblijven, met de waaiers in de hand
    zullen lijdzaam blijven toezien, bij afwezigheid van uw Gertrudis
    hoe u zich opdringt aan onze dochters en zusjes tussen al het geplant
    waardoor het zou kunnen zijn dat de beige broer een van hen is

    Uw vrouw, die nog altijd geen kleur bekent,
    wil niet weten dat zij zandkleurige jongens met uw gelijkenis
    schatplichtig is, en ging daarom over  tot het
    verdrinken van het ongewenst

     

     De vogelgrens oversteken
    Auteur: Bernice Vreedzaam
    Uitgeverij: AtlasContact

    Het liegend konijn 2025/2

    Het laatste nummer van Het liegend konijn is op 30 oktober 2025 verschenen. Het tijdschrift is jarenlang een begrip en een meetlat geweest voor alle poëzieliefhebbers. Het werd in 2003 opgericht door dichter Jozef Deleu (1932), die als enige redacteur ‘poëzie uit het nest roofde’, wat betekende dat hij een keuze maakte uit het werk van zo’n vijfentwintig dichters dat niet eerder gepubliceerd was. Een helse en een heerlijke arbeid. Twee keer per jaar verscheen dit tijdschrift met gedichten van zowel gerenommeerde dichters als debutanten. Voor beginnende dichters was plaatsing in Het liegend konijn vaak de springplank om in dieper water te kunnen zwemmen, bekendheid te krijgen en een eigen bundel te laten verschijnen.

    De naam van dit poëzietijdschrift doet denken aan een verhaal van Paul van Ostaijen uit Diergaarde voor kinderen van nu (1926), dat begint met: ‘Lang heeft het konijn de lach gezocht.’ Tijdens een bijeenkomst zou Deleu geroepen hebben: “Jullie liegen allemaal als konijnen”.  Het konijn heeft dus niet de lach gevonden, maar wel de leugen. De leugen die Nijhoff misschien bedoelde toen hij dichtte: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat.’ Of Bertus Aafjes die zei: ‘Dichters liegen de waarheid.’

    Er zijn 172 nieuwe gedichten opgenomen in de laatste onvolprezen uitgave van  Het liegend konijn. Wie het tijdschrift gekocht heeft: bewaar het, dit wordt in de toekomst een gewild verzamellaarsobject.

    Het volgende, willekeurig gekozen gedicht is van Peter Swanborn:

    Draad

    Zullen we een rollenspel doen, van plaats
    wisselen, jij in bed en ik waar jij nu bent?
    Ik wil ook wel eens weten hoe het is om te
    worden gemist. Zo’n spel is onzin, natuurlijk,

    maar onzin met een zin. Ik wil je terug
    en zolang jij praat is er een draad die ons
    verbindt. Ik wil, nee móét nu weten of je
    mij verstaat, of ik niet zomaar iets verzin.

     

    Het liegend konijn 2025/2
    Auteur: Jozef Deleu (redactie)
    Uitgeverij: Uitgeverij Pelckmans

    Ik sta in wilde schoonheid

    Susan Smit, schrijver en columnist koos voor deze bloemlezing meer dan honderd gedichten uit het Nederlandse taalgebied die geschreven zijn door vrouwen en die het lichaam van een vrouw bezingen. Smit heeft de gedichten verdeeld in drie afdelingen die de drie fasen van een vrouwenleven en vrouwenlichaam weergeven: maagd, moeder en wijze vrouw. De titel is gekozen uit een gedicht van Sasja Janssen.

    In de eerste afdeling wordt het lichaam van jonge meisjes bezongen: de prilheid, de eerste menstruatie, het ontdekken van erotiek, maar ook de gevaren die het bekijken worden door anderen met zich meebrengt. In de tweede afdeling staat de moeder centraal met onderwerpen als scheppend vermogen, zwangerschap, kinderloosheid. De laatste fase is die van de ‘crone’, de wijze oude vrouw, die zich mede door haar niet langer vruchtbaar zijn heeft vrijgemaakt van het oordeel van anderen.

    De gedichten zijn van bekende en minder bekende vrouwelijke dichters, voornamelijk uit het laatste kwart van de vorige eeuw en uit deze eeuw, maar er staat ook een gedicht in van Hadewijch en van Aagje Deken. ‘Naarmate de bundel recenter en de dichters jonger werden, werd de toon rauwer en directer’, schrijft Smit in het voorwoord. Vrouwen eisen duidelijker dan vroeger hun recht op om gezien en gehoord te worden, ‘om eigenaarschap te herwinnen’.

    Zo ook Vrouwkje Tuinman:

    Vruchtbaar

    Als mijn eitjes een beetje op mij lijken
    begrijpen ze dat ik echt niet wil.
    Ik zie het niet voor me: zorgen voor
    een kleiner iemand met daarin de helft
    van mij. Bovendien: statistisch ben ik
    gelukkiger wanneer ik deze kans

    voorbij laat gaan. En duurt het langer.
    Van de mensen ouder dan een eeuw
    heeft een derde helemaal geen kinderen.
    De rest kreeg er minder dan gemiddeld
    en maakte ze laat. Het kan nog,
    zeggen de eitjes eens per maand.
    Dan antwoord ik niet, en zwaai
    een kleine groep voor altijd uit.

     

    Ik sta in wilde schoonheid
    Auteur: Susan Smit (samensteller)
    Uitgeverij: Uitgeverij Lebowski
  • In memoriam Het Liegend Konijn

    In memoriam Het Liegend Konijn

     


    Je wist dat het eraan zat te komen en nu het zover is, is het toch even slikken. Het Liegend Konijn zal het volgend jaar niet meer verschijnen, Jozef Deleu stopt ermee. Op 30 oktober zal de laatste editie verschijnen. In 2003 richtte Jozef Deleu (1937)  het Nederlandstalig poëzietijdschrift Het Liegend Konijn op en voerde 23 jaar lang  als een man de redactie ervan. Het opzetten van een poëzie tijdschrift was ooit een lang gekoesterde droom van Deleu. ‘Ik heb me altijd voorgesteld dat ik na mijn pensionering me heel intens met poëzie zou bezig houden.’ Een tijdschrift te maken met uitsluitend nieuw werk van debuterende en bekende dichters zonder een alles overheersende, eenduidige poëtica. Dat is wat Deleu voor ogen stond. ‘Het blad moest op die manier een permanente bloemlezing worden van de meest hedendaagse poëzie, open voor wat beweegt en gebeurt.’ En dat is hem meer dan gelukt.

    Voor wie het blad bij zijn tweejaarlijkse verschijning met een verwachtingsvol verheugen altijd uit de brievenbus haalde, zal het een teleurstelling zijn. Zesenveertig nummers verschenen er sinds april 2003. Aan het eerste nummer werkten tien dichters mee, aan het laatste nummer meer dan dertig. En zo was het steeds, een vijfentwintig tot dertig dichters, waaronder overtuigende debutanten en in hun toon bevestigende dichters. Die mix van oud en jong, van tastende tot ingeklonken poëzie, elke nieuwe editie van Het Liegend Konijn betekende een dagenlang genieten van gedichten die Deleu uit het nest had geroofd bij vele dichters. Dat ‘roven’ en ‘nest’, spraken steeds zeer tot de verbeelding.

    Dat bij binnenkomst van elke nieuwe editie eerst gekeken werd welke dichters er aan dit nummer hadden bijgedragen. Dan dacht je, hè Femke Vindevogel. Of leuk, Marijke Hanegraaf, lang niets van gelezen. En de debutanten, altijd was je benieuwd naar de debutant van het nieuwste nummer en hoever ze zouden komen na hun eerste lancering in Het Liegend Konijn. Dat dat vaak best ver was, daar vaak een bundel uitrolde, en meer.

    In werkelijkheid ging de samenstelling van Het Liegend Konijn zo. Deleu benaderde een aantal dichters waarvan al belangrijk recent werk verschenen was. Dan zocht hij via een netwerk van contacten dichters die nog niet hadden gepubliceerd. Daarbovenop kwamen op de redactie wekelijks zo’n 20 à 25 ongevraagde inzendingen van bekende als geheel onbekende dichters binnen. Dan begon het grote werk, een keuze maken uit een paar duizend gedichten voor een volgend nummer. Het lezen en selecteren kostte Deleu evenveel tijd als een halftijdse baan, zo liet hij eens weten. Alles met liefde, Deleu is doordesemd van literatuur, van poëzie. Zelf dichter, is hij voortdurend met literatuur bezig en leest dagelijks poëzie (pas verschenen als zowel de oude dichters). Hij hing de gedachte aan dat dichters (rusteloos) op zoek moesten gaan naar poëzie die hen aanspreekt.

    Mijn eerste Liegend Konijn ontving ik als recensent voor Literair Nederland in 2011. Het nummer waarin Wesley Albstmeyr, wat later het pseudoniem van Jeroen van Kan bleek, debuteerde. Het Liegend Konijn liet me kennismaken met werk van Anne Louise van den Dool, Lieke Marsman, Lucas Hirsch, Arnon Van Vlierberghe en veel, veel meer.

    En wat als u ermee moet stoppen?, vroeg ik Deleu toen ik hem in 2020 interviewde. ‘Moet een tijdschrift eeuwig blijven bestaan?, was zijn reactie. ‘Mag het niet verdwijnen als het een rol heeft gespeeld? […] Ik leef alsof er geen einde aan komt, al weet ik dat alles eindigt.’ Zoals dan nu de verschijning van Het Liegend Konijn geëindigd is. En wie, al zijn het maar enkele edities, Het Liegend Konijn in de kast heeft staan, koester ze voor het leven. Het konijn zal zeker gemist worden door vele dichters voor wie het een eer was gedrukt te staan in dit zo bijzondere en rijk gevulde poëzieblad. ‘De deur achter je sluiten, is het huis groeten.’, schrijft Jozef Deleu in het voorwoord van wat het laatste nummer van Het Liegend Konijn zal zijn.
    Het ga je goed Jozef Deleu, een groet vanachter het toetsenbord. 

     

     

  • Geen zorgen

    Geen zorgen

    Maak je geen zorgen over ons is een fictieve graphic novel van Koen Aelterman. We maken kennis met Kobe Verhoeve, een 20-jarige illustrator, een sympathieke, zachtaardige en verlegen jongeman, die aankomt in Australië om er een jaar te werken en rond te trekken. Een populaire bestemming onder jongeren voor een tussenjaar, om meer van de wereld te zien en tijd voor jezelf te hebben. Dat is ook de aanleiding voor Kobe, hij heeft behoefte aan ruimte en rust, wil nieuwe dingen zien, nieuwe mensen ontmoeten, heeft tijd nodig om te ontdekken wie hij is en wat hij wil. Ook dat is iets wat veel jongeren bezighoudt. De directe aanleiding voor Kobe’s reis is zijn onlangs verbroken relatie, dat was onverwacht voor hem en heeft hem diep geraakt.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

  • Oogst week 5 – 2025

    Oogst week 5 – 2025

    Ik ga naar de schapen

    ‘Een schapenstal.
    Bij benadering in het midden van een uitgestrekte weide.

    Het is de bijzondere plek waar Andrej, Simone, Tove en Rocco allemaal wel eens zitten. Soms samen. Meestal alleen.
    In de schapenstal wordt weinig tot niets gezegd.
    Dat ligt vermoedelijk aan de schapen die altijd in de meerderheid zijn en de bezoekers onbeschaamd en indringend aankijken. Hun leider is een oude dikke ooi die met haar grote mooie blauwe ogen iedereen het zwijgen op kan leggen.’

    Zo begint Ik ga naar de schapen waar de Vlaamse Marieke De Maré onlangs in Den Haag de F. Bordewijkprijs 2024 voor ontving, de jaarlijkse prijs voor het beste Nederlandstalige prozaboek. De Maré is niet alleen schrijver maar ook theatermaker, radiomaker, docent aan de kunstacademie en actrice. In 2020 debuteerde zij met Bult.

    De jury: ‘Een kleinood om te koesteren’. ‘Met dit poëtische werk laat De Maré zien hoe literatuur uitersten kan verenigen. Deze roman spreekt krachtig over mensen die voornamelijk zwijgen, is lichtvoetig én zwaar, en zowel pijnlijk herkenbaar als volkomen vervreemdend.’

    Ik ga naar de schapen
    Auteur: Marieke De Maré
    Uitgeverij: Uitgeverij Pelckmans

    Een kniebuiging voor de ezel

    In literaire kringen kent men Anton Valens (1964 – 2021) vooral van zijn debuut Meester in de hygiëne waar hij o.a. Geertjan Lubberhuizenprijs voor Literaire Prozadebuten voor ontving, en van andere (genomineerde en bekroonde) werken als Het boek ONT en Het compostcirculatieplan.

    Valens was echter opgeleid als kunstenaar. Hij deed de Rietveld Academie en de Rijksacademie. Na zijn afstuderen ging hij in de thuiszorg werken om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Deze ervaring werd basis van Meester in de hygiëne.

    Anton Valens heeft ook over zijn vak als kunstschilder geschreven.
    In Een kniebuiging voor de ezel schrijft hij in zijn herkenbare, geestige en lichtkritische stijl over zijn vak en de technieken van een kunstschilder. In dit boek is tevens een groot aantal afbeeldingen van zijn tekeningen, voorstudies en schilderijen opgenomen.

    Een kniebuiging voor de ezel
    Auteur: Anton Valens
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact

    Zoals zij het ziet

    Zoals zij het ziet is na Verboden schrift het tweede boek van de schrijfster Alba de Céspedes dat in vertaling bij Meridaan Uitgevers is verschenen. De Céspedes was in Italië in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw een succesvol auteur van gedichten verhalenbundels en romans. Tijdens de oorlog zat zij in het verzet en werd twee keer opgepakt. In Nederland is zij nog vrij onbekend, maar in Italië behoort zij tot de klassiekers.

    In Zoals zij het ziet verwerkt ze niet alleen ervaringen uit haar leven in een voor vrouwen verstikkende en patriarchale tijd, maar ook haar oorlogservaringen. Haar werk is feministisch, zeker voor die tijd, haar debuut Verboden schrift werd bij verschijnen gecensureerd omdat de vrouwelijke personages daarin te zelfstandig zouden zijn.

    Zoals zij het ziet
    Auteur: Alba de Céspedes
    Uitgeverij: Meridiaan Uitgevers
  • Globetrotterend van de oertijd naar Greta Thunberg

    Globetrotterend van de oertijd naar Greta Thunberg

    Menigeen herinnert zich wel hoe de sleur van plichtmatig schoolbezoek door één leraar in het bijzonder aangenaam kon worden doorbroken. Hij of zij was zo’n aanstekelijke verteller of wist je zo te raken dat je die docent nooit meer bent vergeten. In het beste geval werd in die lessen zelfs de bodem gelegd voor je levenslange interesse of zelfs je latere beroep.
    De Belgische journaliste en dichteres Barbara de Munnynck zou als docente de leerlingen vast meegekregen hebben. Ze publiceerde onlangs Een kleine wereldgeschiedenis in 100 grote data. Als je nog geen liefhebber van geschiedverhalen was word je het door dat boek alsnog.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.
  • Een hart van goud

    Een hart van goud

    Het boek Hout valt op door zijn frisse zachte veelkleurige tinten die goed de sfeer van het verhaal weergeven: een lieflijke sfeer vooral, want iedereen in het bos houdt van Boom. Mooi is ook dat in de tekeningen veel ruimte wordt gelaten voor de korte, poëtische teksten van Crabeels, die in grote scherpe letters veel lichte kleurvlakken om zich heen krijgen.

    […]

    Een zware storm in Hout is een metafoor voor wat de man overkwam die de inspiratie voor het boek leverde: Marc Herremans (1973), een Belgische triatleet die na een fietsongeluk in 2002 gedeeltelijk verlamd raakte en in een rolstoel terecht kwam. Hij bleef aan triatlons deelnemen door met een speciale constructie te lopen en te fietsen en met alleen zijn armen te zwemmen. Toen hij besloot te stoppen met sporten richtte hij To Walk Again op met als doel voorwaarden te scheppen om mensen met een fysieke beperking mee te laten doen in de maatschappij. Een doorzetter en een optimist dus.

    Hout opent met een bijdrage van Herremans waarin deze regels: ‘Er gebeuren dingen die we niet in de hand hebben. Maar onze glimlach blijven behouden…. dat is iets wat we zelf bepalen’.
    Zo is Hout een eerbetoon aan een bewonderd sportman door het verhaal van Boom:

    ‘Wist jij dat Boom ooit de allergrootste was?’
    ‘En nu niet meer?’
    ‘Toch wel, kleintje. Boom vond een manier.’
    ‘Het is zijn hart van hout. Dat krijgt geen storm ooit klein.’

     

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Het korte, volle leven van Paul van Ostaijen

    Het korte, volle leven van Paul van Ostaijen

    ‘Ruim twintig jaar al duikt Paul van Ostaijen met enige regelmaat op in mijn bestaan.’ Aldus begint Matthijs de Ridder het nawoord van zijn biografie over de Vlaamse dichter, die als ondertitel ‘De dichter die de wereld wilde veranderen’ heeft meegekregen. Die tijdsspanne toont aan hoe grondig De Ridder te werk is gegaan. Het resultaat is ernaar, want hij geeft de lezer een zeer gedetailleerd beeld van het leven van de grote vernieuwer van de Vlaamse poëzie.

    Het verhaal begint in het Antwerpen van vlak voor de eeuwwisseling, bij de geboorte van Pol van Ostaijen in 1896. De wijze waarop Matthijs de Ridder het Antwerpen van deze tijd tot leven brengt is een waar genot voor de lezer. We volgen Pol in zijn jeugd en schooljaren. Een begaafd leerling is hij bepaald niet en op jonge leeftijd wisselt hij het schoolleven al in voor een baan als klerk bij de gemeente. De drang om een grote rol te gaan spelen in de Vlaamse letteren manifesteert zich echter al vroeg. Pol wil de dichter van zijn generatie worden. Het duurt na deze vroege jaren van Pol (zijn originele naam, ‘per ongeluk’ vernoemd naar Koning Leopold I zo valt ergens te lezen, dus veranderde hij zijn naam in Paul), nog enkele honderden bladzijden voor we aankomen bij Music-Hall, zijn debuut uit 1916, waarmee hij de gangbare begrippen van de kunst aan het wankelen brengt. De oorlog had duidelijk een nieuwe tijd ingeleid, en Music-Hall is daarvan een manifestatie.

    In het eerste deel worden veel vrienden en medeoprichters van literaire tijdschriften aangehaald, tijdschriften die vaak een kort leven beschoren zijn. Het grote aantal namen maakt het verhaal soms moeilijk te volgen. Daarnaast zijn er veel passages die niet direct relevant zijn. Dat Paul van Ostaijen mogelijk bij een bokswedstrijd aanwezig was en daar misschien een bespreking aan heeft gewijd hoeft geen drie bladzijden te kosten. Zo zijn er meer passages die korter of in een voetnoot afgehandeld hadden kunnen worden.

    Eerste Wereldoorlog

    Van Ostaijen heeft duidelijk het heilige vuur om de literatuur een flinke optater te geven, maar hij mist nog de juiste structuur om dat echt waar te maken. Natuurlijk breekt ook de Eerste Wereldoorlog uit in 1914, en na een korte maar hevige strijd valt Antwerpen. De oorlog wordt slechts sporadisch genoemd, maar op de achtergrond is deze altijd aanwezig. Door de taalstrijd krijgt de oorlog nog extra betekenis. Het Frans voert op alle gebieden de boventoon zodat de positie van het Vlaams nog bevochten moet worden. Er zijn elementen binnen de Vlaamse beweging die voor hun strijd steun hopen te krijgen van de Duitse bezetter. De rol van Van Ostaijen hierin is onduidelijk, maar zijn medewerking aan de Duitsgezinde Vlaamsche Gazet is er wel mede de oorzaak van dat hij na de oorlog wordt veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf. Uiteindelijk zal hij nooit in de gevangenis belanden. Aan het eind van de oorlog verschijnt zijn tweede bundel Het Sienjaal (1918).

    Berlijn

    Na de oorlog gaat Paul naar Berlijn met zijn nieuwe vriendin Emma Clément, beter bekend als Emmeken. De stad zelf lonkt, maar Paul is ook op de vlucht voor het gerecht vanwege zijn veroordeling. In Berlijn komt hij in aanraking met het nachtleven in de grote stad, de jazz, de clubs. Het zal zijn weerslag vinden in bundels als Bezette Stad (1921) en Feesten van Angst en Pijn (1921, maar postuum gepubliceerd). Om zijn hectische leven en zijn complete toewijding aan de poëzie vol te houden raakt hij steeds meer afhankelijk van de cocaïne. In 1921 keert hij terug naar Antwerpen, korte tijd later gevolgd door Emmeken. Hun knipperlichtrelatie is dan al een aflopende zaak en eindigt definitief als zij met iemand anders trouwt.

    Bundels

    Ondanks de vele details verliest Matthijs de Ridder de grote lijn niet uit het oog. Deze is opgebouwd rond drie belangrijke pijlers: de biografische levensloop van Paul van Ostaijen, zijn liefdesleven en vooral de dichtbundels waar hij zijn faam aan dankt. Opvallend is hoezeer het verhaal vaart en structuur krijgt zodra er een bundel in zicht komt; dat zijn dan ook de beste passages van de biografie. Door een duidelijk beeld te schetsen van de ontstaansgeschiedenis van elke bundel maakt De Ridder ook duidelijk hoe deze allen op zichzelf staan. De poëtische ontwikkeling van Paul van Ostaijen is niet eenlijnig. Music-Hall was vooral qua inhoud revolutionair, wat stijl betreft lag het nog altijd in het verlengde van de traditionele poëzie. In zijn tweede bundel Het Sienjaal kiest hij steeds meer voor het woord als bouwsteen. Daarna gaat de typografie een grote rol spelen, zoals in Bezette Stad. En dan zijn er natuurlijk zijn nagelaten gedichten. Heel mooi beschrijft De Ridder de wordingsgeschiedenis van klassiekers als ‘Melopee’ en ‘Marc groet ’s morgens de dingen’: ‘De ‘dingen’ uit de titel van dit laatste gedicht worden in een totaal ander licht gesteld door de blik van een kleine jongen die ’s ochtends door het huis loopt en ze tot leven wekt. […] Voor de duur van het gedicht wordt zelfs de meest cynische lezer ontwapend door dit onweerstaanbaar naïeve perspectief en verleid om het leven van een totaal andere kant te zien.’

    De Ridder geeft de parameters van de tijd zodanig weer dat deze automatisch leiden tot het vernieuwende dichterschap van Paul van Ostaijen. Maar ondanks de herhaalde drang een ‘revolutionaire’ poëzie te schrijven, moet dat vernieuwende toch vooral worden gezocht in vorm en stijl. Inhoudelijk en maatschappelijk blijft de revolutie ver verwijderd.

    Waardering

    Na de publicatie van Bezette Stad lijkt het er steeds meer op dat Van Ostaijen geen aansluiting meer kan vinden in het artistieke milieu van Antwerpen. De bundel wordt matig tot negatief gerecenseerd. Hij voelt zich onbegrepen als kunstenaar en daardoor eenzaam. Zijn plaats tussen de Vlaamse poëzie blijft moeizaam. ‘Iedere keer dat hij zelf zijn nek uitstak om een beweging op te richten, mislukte dit jammerlijk.’ Daarin kunnen we natuurlijk ook de oorzaak zien van het feit dat zijn poëzie, hoe origineel ook, hoezeer aansluitend bij de tijdgeest en hoezeer ook een eeuw later nog steeds aansprekend, toch nooit echt school heeft gemaakt. Het stak Van Ostaijen dat hem nooit een grote literaire prijs ten deel viel. Het zegt ook alles over zijn plek in de Vlaamse poëzie: ondanks al zijn pogingen en de waarde die wij nu in zijn werk zien, bleef hij tijdens zijn leven toch meer een buitenstaander, niettegenstaande zijn vriendschappen met dichters als Gaston Burssens en Wies Moens, en later Eddy du Perron.

    Als langzaamaan de lof voor zijn poëzie begint te groeien en Van Ostaijen de erkenning krijgt dat dankzij hem de moderne poëzie voet aan de grond kreeg, is het al te laat. In 1925 wordt bij hem TBC geconstateerd. Uiteindelijk sterft Paul van Ostaijen op 18 maart 1928 in Sanatorium Miavoye-Le Vallon. Een half jaar later overlijdt ook zijn broer Stan aan TBC, het vierde kind van de ouders Van Ostaijen dat als jongvolwassene sterft aan TBC en het zevende in totaal.

    Ondanks de genoemde tekortkomingen verdient Matthijs de Ridder vooral lof voor deze groots opgezette biografie, een waardevol bezit voor alle fans van Paul van Ostaijen. Een laatste woord verdient de uitgave op zich, want wat is deze biografie voorbeeldig uitgegeven. Alles klopt: het ontwerp, de kleuren, de foto’s, de besproken kunstwerken in de bijlage, het lettertype, het is werkelijk allemaal even prachtig.

     

     

  • De keuze van gedichten is weer treffend

    De keuze van gedichten is weer treffend

    Het is haast niet te bevatten dat de 179 nieuwe gedichten in Het liegend konijn 2021/1 een keuze is uit een paar duizend gezochte, ontdekte en ongevraagd ingezonden gedichten staan. Jozef Deleu, enig redactielid van het tijdschrift die de titel ‘ambassadeur van de Nederlandstalige poëzie’ zeker verdient, werkt zich halfjaarlijks door stapels poëzie heen. Dat het resultaat bij elke editie aanslaat, tweejaarlijks al twintig jaar lang, verrast telkens opnieuw, en is tevens een compliment aan de opgenomen dichters. Deleu is een belangrijke factor in het verspreiden van nieuw werk, zijn doel is erkenning voor de dichter en de poëzie vitaal te houden. Dat is hem ook in deze laatstverschenen editie weer gelukt waarin nieuwe gedichten van achtendertig dichters, net voor ze klaar waren uit te vliegen door Deleu werden weggekaapt.

    Duurzaam of verwelkend

    Elke lezer heeft zijn voorkeur, of kiest zijn meest aansprekende gedichten eruit, dat is ook de bedoeling van dit aanbod, gelijk een bos wilde bloemen gemengd met gekweekte bloemen. Waar een gerenommeerd dichter de stevigheid biedt van de lange duur, kan een veldbloem wat sneller verwelken, afhankelijk van doorzettingsvermogen, al dit is te lezen in Het liegend konijn. Een vijftal gedichten van Gerry van der Linden (1952), geen veelschrijver maar wel een blijver. Het laatste titelloze gedicht van de vijf zou ‘de geschiedenis van een gedicht’ genoemd kunnen worden. Waarin een waarneming verbonden wordt met eigen aannames van hoe de dingen gebeurd kunnen zijn, waarop deze aannames teniet worden gedaan door deze in twijfel te trekken.

    ‘Op straat zag ik een meisje op de fiets
     met benen in te wijde kousen, ook
     zag ik een vrouw met blote voeten in een
     vliesdunne jas.

     Waren zij vergeten zich behoorlijk aan te kleden?

     Zomer had hen beduveld en het meisje
     met de dunne benen, in de kluwen
     van de ochtend, had verkeerde kousen uitgezocht
     (moeder niet de goeie maat gekocht)

     Maar wat weet je nu van de geschiedenis
     van een ochtend? Dingen gaan zoals ze lijken.
     De kousen van het meisje kruipen
     om haar kuiten, plooien om haar enkels

     in de geschiedenis van dit gedicht.’

    Mooie vondsten zijn, een ‘vliesdunne jas’, en ‘in de kluwen van de ochtend’, (dat een verdwaald zijn suggereert). En de vraagstelling, ‘wat weet je er nu eigenlijk van, van wat je ziet?, legt een diepere laag aan. 

    Quarantaine gedichten

    Van Hanneke van Eijken (1981) zijn zes quarantaine gerelateerde gedichten opgenomen. Het onderwerp ligt zeer voor de hand, de gedichten zijn verrassend goed, telkens als je ze opnieuw leest blijven ze leven. De door quarantaine gedreven handeling liggen ingekapseld in het gewone leven zoals, ‘je zingt steeds vaker, je handen vouwen /  

     na het wassen / niet in een gebed, maar in kleine vogels / die kwetteren’.

    Of, ‘afstand is een nieuw begrip geworden / iemand trekt strepen op vloeren / met afplaktape // Ik kneed minstens tien minuten op plakkerig deeg // (…) een vochtige theedoek ligt over alle afspraken / die we al hadden gemaakt’. 

    Geboetseerde beelden

    De vijf krachtige, tot beelden boetserende gedichten van Jan Baeke (1956) treffen het sterkst. Ze zijn als een roep tot ambachtelijk en opbouwend werken, maar onmacht ligt op de loer en alles verdringt tot een schaduwleven. Zoals in het, Onze handen zijn thuis in emotie,

    ‘Geef ons een klus en we maken er werk van.
    We verzagen het leven naar ieders geluk, werken
    voor een betere tijd die we diep in ons hart allang kennen.

    (…)

    Iedereen hier durft zijn handen te laten zien, heel anders
    dan die praatjesmakers die tegen ons praten en van praten
    een paradijs willen maken.

    Ook de grote jongens die hun grote auto’s in onze sobere
    straten laten grazen – alsof ze er eerlijk aangekomen zijn –
    zijn van de handen, maar dan anders en van andere handen.

    Wij kunnen gelukkig zijn met het gewone. Dat is onze kracht.
    Als het licht wordt heb ik alle spullen in de bus geladen, brood
    erbij en hamers, zagen, schroeven, boormachine, waterpas.

    Ik wacht voor het raam met het zicht op de bus
    wacht de uren af, wacht dan de uren af, probeer mijn handen
    gerust te stellen, zet tegen zessen de avond terug in de schuur

    In de schuur van deze gewone man.
    Ik loop, voor de nacht valt, nog even naar buiten.
    Het is te donker om mezelf te zien.’

    Sociaalrealistische regenjas

    De jongste debuterende dichter is Pieter Van De Walle (1992), met drie gedichten. Waarvan de strofen: ’twee plus twee is nog steeds vier maar enkel uit beleefdheid / de wereld is weer plat, godzijdank / de zon tutoyeert me, de zon is de laatste Sovjet / ik meander door een utopia van bourgeois kittens / met mijn sociaalrealistische regenjas en kijk omhoog: / zoveel wolken – dit moet wel het tijdperk van de wolken zijn’, veelbelovend zijn, en met een strofe als, ‘pas toen je de camera uitvond, begon je te lachen’ met het kip en het ei principe speelt. 

    Elke dichter verdient het hier besproken te worden, maar dat is alsof er achtendertig bundels besproken moeten worden. Al kan het gedicht van Hagar Peeters’ (1972) Berichten van bijstand van disfunctionele gezinnen in coronatijd niet onvermeld blijven. Een gedicht van drieënhalve pagina’s dat vanuit de lockdown geschreven is en de rafelige achterkant van het coronabeleid toont. ‘Hoe meer je vlucht en weigert mee te doen, hoe meer / ze gooien met pek, rotte aardappels, hun eigen vuile drek / en je laat het van je afglijden, denk je, / je denkt: / dit hoort bij hen, niet bij mij, /dit raakt mij niet / dat is mijn keuze / en je neemt de die je zelf bent in je armen en vlucht // waarheen te vluchten in coronatijd en nu de huizenprijzen stijgen en // Hoe te vluchten met jezelf terwijl je binnen moet blijven en de pijn // Hoe de betekenis te vinden wanneer je tijd van leven lijkt te zijn veranderd in het uitzitten van straftijd?’

    Twee rollen

    Ook twee nieuwe gedichten van Dichter des Vaderlands, Lieke Marsman, waarvan het gedicht Gedaantes getuigt van de verschillende rollen die een dichter heeft, of krijgt opgelegd: ‘wie ik ben als dichter / heeft weinig te maken  / met wie er op mijn kussen slaapt / zij wil het liefst luisteren / naar jullie gesprek vanmiddag / en het niet onderbreken / met een observatie / of een dichtregel die ze eergisteren schreef / en nu omvormt tot spontane opmerking / die niet het ontzag zal oogsten waar ze op hoopte / (…)’.

    Het lezen en selecteren van het enorme aanbod aan gedichten vergt een halftijdse baan liet Deleu eens in een interview weten. Dank aan de eenmansredactie die zichzelf steeds weer opnieuw deze taak stelt. En wetende dat de tweede editie in oktober verschijnt, betekent dat het lezen en beoordelen van al die prille gedichten al een aanvang heeft genomen.

     

  • Raadselachtige fascinatie voor een oom

    Raadselachtige fascinatie voor een oom

    De Vlaamse schrijver Walter van den Broeck schreef een indrukwekkend oeuvre bij elkaar. Denk aan zijn grote romans uit de jaren tachtig en negentig, Brief aan Boudewijn of Groenten uit Balen. Enkele jaren geleden schreef hij de pracht roman De vreemdelingeIn een aantal van zijn romans put hij uit of wordt geïnspireerd door de geschiedenis van zijn familie. Zo ook in de roman Niets voor de familie, waarover je zou kunnen discussiëren of dit wel een roman is; het is meer een geromantiseerde beschrijving van het leven van zijn tante Leen en zijn aangetrouwde oom, architect en antiquair Jaak Jacobs.

    Van den Broeck krijgt bezoek van drie architecten die een monografie over de architect Jaak Jacobs willen samenstellen. Zijn interesse is gewekt, te meer omdat hij zich deze oom – die eigenlijk een stiefoom is – uit zijn verleden nog kan herinneren: hij vond het altijd een buitengewoon intrigerende persoon. Jaak blijkt een nogal ondergewaardeerde architect te zijn geweest. Hij heeft een aantal huizen en gebouwen ontworpen en gerealiseerd. Pas veel later bleken ze een zekere kwaliteit te hebben.

    Herinneringen aan een architect

    Samen met zijn herinneringen, een verslag van zijn tante Leen en het materiaal dat de architecten hebben gevonden, schetst hij het leven van zijn tante en dat van zijn oom Jaak. Zijn tante heette eigenlijk Grace en was eerder getrouwd  met ene Charles Wouters met wie ze een zoon heeft, de later als dichter bekend geworden Hugues C. PernathHaar eerste huwelijk ontaardde in scheldpartijen en tante Leen zocht steeds vaker haar rust in het antiquariaat van Jaak, met wie ze uiteindelijk trouwt. Jaak is op dat moment een mislukt kunstschilder, verdient redelijk als architect en heeft een antiquariaat dat meer dient als toevluchtsoord, dan als bron van inkomsten. Hij wordt daar regelmatig opgelicht, o.a. door de eerste man van tante Leen.
    Als Jaak, en later tante Leen overlijdt, staat in haar testament dat niemand van de familie iets zal krijgen.

    Van den Broeck maakt dankbaar gebruik van alle gegevens die voorhanden zijn en schetst een nogal ontluisterend beeld van vooral zijn tante, die een laag opgeleid, volks mens was, ruw in de mond, de schijn ophoudend naar anderen doordat ze met een heuse architect is getrouwd, maar zo vals blijkt als het maar kan. Jaak wordt als een soort slachtoffer geportretteerd; niet zozeer van tante Leen, maar vooral van de omstandigheden in  oorlogstijd, waarin zijn broer heulde met de bezetter, en Jaak lang geen zaken heeft kunnen doen. De twee zorgden op hun manier wel goed voor elkaar; ze leefden samen als zus en broer en consumeerden hun huwelijk niet.

    Vaardig beschreven

    Van den Broeck is een vaardig schrijver, het boek leest gemakkelijk, beelden zijn helder. De lezer kan snel en goed invoelen wat er gebeurt en meeleven met de twee hoofdpersonen. Toch is dit geen roman die lang zal beklijven. De schrijver maakt zich er in een aantal gevallen erg makkelijk vanaf. De karakters van een aantal familieleden blijven nogal ongenuanceerd en zwart-witEr worden  veel zijpaden bewandeld van neven en nichten, verhoudingen in de familie, die geen verdere uitwerking krijgen en niet ter ondersteuning van het verhaal dienen. De relaties tussen vaders, moeders, opa’s en oma’s: het lijkt soms wel een telefoonboek.

    Dan nu, wat is de portee van dit verhaal? Wat is er boeiend aan een tante van een schrijver niets voor de familie overheeft, wat is vermeldingswaardig aan het mislukte leven van een architect. Dit wordt niet duidelijk in deze familieroman. Hij refereert wel aan zijn fascinatie voor zijn stiefoom Jaak, maar ook hier wordt niet duidelijk waar die vandaan komt. En de monografie van de drie architecten, naar aanleiding waarvan deze roman is ontstaan? Die komt er uiteindelijk niet.

     

  • De lichte toets en de scherpe rand

    De lichte toets en de scherpe rand

    ‘Ik sta in een veld vol klapwoorden die bloeien met de grond gelijk,
    een werpnet onder het gevoel om nu niet,
    nooit alleen te kunnen zijn

    Het antwoord op je vraag:
    hier raken we mij kwijt’

    Bert van Raemdonck staat in zijn debuutbundel Hier raken we mij kwijt, midden in zijn veld vol klapwoorden. Zij vormen de basis en zorgen ervoor dat hij nooit alleen is. Antwoorden zijn niet voorhanden, zo blijkt, de dichter tast in het duister en staat verloren in de hem omringende werkelijkheid. Deze beginregels uit het gedicht ‘letterperk’ laten zien hoe Van Raemdonck zich als dichter probeert te manifesteren. Hij heeft de taal als instrument, probeert de wereld om hem heen te duiden maar blijft in zijn observaties het antwoord schuldig. Op beschouwende wijze onderzoekt hij het omringende landschap, legt hier en daar wat vast in een droge, soms cynische stijl en beweegt weer verder.

    Menselijke maat

    De menselijke onvolkomenheid vormt een bron van nieuwsgierigheid en de daarbij horende verbazing brengt gedichten als ‘com’ voort:

    ‘Kanker die je voor 10 uur bestelt,
    leveren wij morgen aan de deur

    Anderen met uw profiel bekeken hiv en tbc,
    maar liefst van al brengen wij tering
    in een doos tot bij u thuis

    Nergens kunnen wij hier nog parkeren,
    de aders van beton zijn slib en stinken meer en meer
    naar maïs, meel of metaal, of
    stof dat in uw beide longen ligt te rusten
    waar het zijn zwijgend zwarte gangetje maar gaat

    Rond Kerstmis stouwen wij uw lever, gans
    de weg naar uw adres is met gedeukte bumpers afgezet

    De winkel kent geen dagdienst meer en zondag hebben wij verleerd
    maar in de kleine letters staat juridisch nauw beschreven:
    batterijen bij uw spullen
    zijn in de bodemprijs niet inbegrepen

    Wij wreken ons op u, myopen, wanneer de band begint te lopen
    slaan wij de ene high five na de andere met elkaar

    Hoezeer u zich ook meester voelt,
    u blijft een knecht,
    een pruilend, rukkend jongetje nog maar

    Wij rijden rond,
    uw hamsterhol zal bulken
    Een bol is een soort punt is een soort bodemloze kom’

    Krachtig gecomponeerde woorden met een onmiskenbare betekenis, gevat in een bitterheid die zowel verhelderend als choquerend overkomt. Jammer van die afsluitende zin, een totaal overbodige finale die zelfs afbreuk doet aan het voorgaande schouwspel. Op zo’n moment neigt Van Raemdonck naar mooimakerij, een streven naar volledigheid waar hij wel vaker over struikelt en waarmee hij zijn lezers onderschat.

    Aangrijpende cyclus

    Dat euvel zien we niet terug in de aangrijpende cyclus ‘eendracht sint anna’, waarin de dichter op minimalistische wijze een fraai beeld geeft van de Vlaamse dorpsgemeenschap Bottelare. Fragmenten uit een wereld waar de tijd niet vooruit te duwen is: ‘In Bottelare wordt het ‘s avonds al rap laat, / het is er altijd donker op de fiets.’ Terwijl de verteller zich opmaakt voor de training bij de plaatselijke voetbalclub, schetst hij het leven in de gemeenschap in uiterst korte streken. Juist de samensmelting van verschillende indrukken, oppervlakkig en van een duistere geheimzinnigheid, werkt goed voor het totale plaatje in het hoofd van de lezer. ‘Vroeger was er op de kruising met de grote baan / een feestzaal met een achtertuin/ waar minstens vijf bewoners zijn verwekt, / dat is bekend in Bottelare.’ Het meisje Debby is helemaal klaar met Bottelare, ze smacht naar de grote buitenwereld waar het echte leven op haar ligt te wachten:

    ‘Debby zegt
    dat er vanavond iemand komt
    die haar misschien uit Bottelare weg kan halen

    Ze draagt een iets te korte rode sweater
    maar binnenkort kan ze wat ze maar wil
    volledig met haar eigen geld betalen’

    Het is de invoelende nuchterheid waarmee de dichter een op het eerste gezicht droge beschrijving van een biotoop presenteert. Terwijl grote en duistere zaken zich onder de oppervlakte aandienen, wordt bovengronds de atmosfeer in simpele regels gevat: ‘Als je rijdt naar Bottelare/ moet je meestal door die straat/ waarin twee auto’s elkaar niet kunnen passeren’. Een realiteit die het lezen tot een contrasterend spel van emoties maakt.

    Schrijftechnieken en tekstvormen

    De observerende verzen van Van Raemdonck worden aan het eind van deze bundel gevolgd door een serie gedichten over het schrijven zelf. Daar vinden we de dichter terug in een omgeving die hem – als schrijvend criticus over muziek en literatuur – op het lijf geschreven is. Met opvallende scherpzinnigheid brengt hij tekstvormen en schrijftechnieken tot een originele dichtvorm die vooral laten zien hoe de materie zelf tot onderwerp geworden is. In ‘de vrije verzen’ wordt de vrije vorm in de poëzie gepropageerd:

    ‘De vrije verzen
    zitten op een weekenddag te zonnen
    op een heel erg Gents terras, ze kijken naar de mensen
    met hun tassen van een Ierse winkelketen, lemmingen
    met druipend bloed aan hun geklauwde handen,
    zonder vrije verzen heerste hier de slavernij’

    De lichte toets met ernstige ondertoon vormt ook hier een bijzondere combinatie. Die dan wel weer voor een stevige afsluiting zorgt: ‘Rijm bedreigt de vrije verzen,/ ritme is nazisme met een overschot aan tijd’.

    Het is de losse associatiemethode die maakt dat de verzen van Van Raemdonck op een aangename manier binnenkomen. Hij kijkt om zich heen en weet zijn observaties een interne vertaalslag te geven, die zeer leesbaar is en tegelijkertijd van een scherpe rand is voorzien. De ironie, soms uitlopend in cynisme, blijft in een goede dosering aanwezig, waarbij de dichter ook zichzelf de spiegel voorhoudt: ‘Schrijven is ook een manier van tellen, / over wat hier en nu op het papier staat, / heb ik tijdens het kruisverhoor / nog met geen woord gerept’.